CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

BP Rijksstraatweg 169-175, toelichting en regels versie vaststelling.pdf

Commissie Samen leven en Samen wonen RK 29 september 2022, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 9: Vaststelling bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175 Rijsoord27.181 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Wateroverlast door overvloedige neerslag In het plangebied is er op de Kaart Wateroverlast de draagkracht niet optimaal. De kans op

Toelichting

27

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

wateroverlast is beperkt. Bij de nieuwbouw is het zaak het vloerpeil zo te kiezen dat het water van het erf niet naar binnen loopt. Er zijn verder geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan. Overstroming In het plangebied is er op de Kaart Overstromingsbeeld geen knelpunt voor overstroming. Er zijn geen maatregelen nodig om wateroverlast tegen te gaan. Hitte Hittestress is een term die aangeeft dat een sterk verhoogde gevoelstemperatuur optreedt, die onaangenaam en zelfs schadelijk kan zijn voor mens en dier. De aanwezigheid van veel verhard oppervlak verhoogt de gevoelstemperatuur en daarmee de hittestress, terwijl de aanwezigheid van schaduw en groen deze verlaagt. In het plangebied is er op de Kaart Hitte geen knelpunt voor hittestress. In het bijbehorend erf wordt beplanting aangebracht voor meer schaduwwerking. Er zijn verder geen maatregelen nodig. Droogte In het plangebied is er geen sprake van extra bodemdaling door droogte. De woningen dalen niet, omdat de palen van beton zijn. Er zijn uit dien hoofde geen beperkingen. Toetsing planinitiatief Met dit plan wordt ingespeeld op onderdelen uit het afwegingskader om twee duurzame woningen te realiseren, waarbij rekening wordt gehouden met klimaatadaptatief en natuurinclusief bouwen. De woningen worden duurzaam gebouwd volgens de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG).

Zo worden deze niet meer aangesloten op het aardgasnet en krijgen de woningen zonnepanelen. Overige nader te onderzoeken maatregelen zijn onder andere: warmteopslag in de grond of warmtepomp via de lucht; warmteterugwinning vanuit ventilatie en vanuit douchewater; opvang en recyclen van regenwater. Conclusie Bij uitwerking van de bouwplannen zal rekening worden gehouden met de gemeentelijke uitgangspunten op het gebied van duurzaam bouwen en klimaatadaptatie overeenkomstig de hiervoor genoemde maatregelen.

28

Toelichting

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

Hoofdstuk 5 5.1

Water

Inleiding

Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een Watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Doel van de Watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken.

5.2

Beleidskader rijk en provincie

5.2.1 Rijk Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 (NWP2) vastgesteld. Het NWP2 is het formele rijksplan voor het nationale waterbeleid en is, voor wat betreft de ruimtelijke aspecten, een structuurvisie zoals bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening. In de Waterwet is vastgelegd dat het Rijk dit plan eens in de zes jaar actualiseert. Het NWP2 geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot duurzaam waterbeheer. Het NWP2 richt zich op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit, een duurzaam beheer en goede milieutoestand van de Noordzee en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. In het Nationaal Waterplan zijn de maatregelen benoemd die worden genomen om de verschillende doelen te bereiken. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: Nederland blijft de veiligste delta in de wereld; Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater; Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht; Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement; Nederlanders leven waterbewust.

Het waterbeleid zoals geformuleerd in het NWP2 werkt door op provinciaal en regionaal niveau, om zo te komen tot gebiedsgericht beleid. Via het provinciaal en gemeentelijk waterbeleid en het beleid van de waterschappen dient het rijksbeleid zoals geformuleerd in het NWP door te werken tot op bestemmingsplanniveau. De watertoets, die is geregeld in het Besluit ruimtelijke ordening, blijft een belangrijk instrument om de waterbeheerder vroegtijdig bij ruimtelijke planprocessen te betrekken. Daarnaast is in het NWP2 aangegeven dat aandacht moet worden geschonken aan de planologische borging van beschermingszones van primaire waterkeringen, door deze vast te leggen in bestemmingsplannen. Eén en ander is op rijksniveau in het Barro vastgelegd. 5.2.2 Beleid provincie Op provinciaal niveau heeft de provincie Zuid-Holland het beleid vertaald in het Regionaal waterplan Zuid-Holland 2016-2021. Dit plan bepaalt het waterbeleid. Het gaat om waterveiligheid, waterkwantiteit, waterkwaliteit en een robuust en veerkrachtig watersysteem. In de Omgevingsvisie is veel ruimtelijk waterbeleid geïntegreerd. De visie omvat onder andere het wettelijk verplichte regionale waterplan als genoemd in artikel 4.4 van de Waterwet.

Voor de provincie zijn naast de Waterwet (Omgevingswet in 2021) en de Drinkwaterwet ook andere kaders en plannen bepalend en richtinggevend voor het beleid ten aanzien van de drinkwatervoorziening. Provinciaal Waterplan 2010 - 2015 Een aantal onderdelen van het Provinciaal Waterplan 2010 – 2015 blijft ongewijzigd van kracht. Dit heeft betrekking op een onderdeel van waterveiligheid, water en natuur en vismigratie. In dit Plan staat uitgebreid beschreven hoe de provincie, samen met waterschappen en andere partners, een duurzame en klimaatbestendige delta zal realiseren en behouden, waar het veilig en aangenaam wonen, werken en recreëren is. In het Provinciaal Waterplan zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationale waterplan vertaald naar strategische doelstellingen

Toelichting

29

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

voor Zuid-Holland. Het Waterplan heeft vier hoofdopgaven: 1. Waarborgen waterveiligheid 2. Zorgen voor mooi en schoon water 3. Ontwikkelen duurzame zoetwatervoorziening 4. Realiseren robuust en veerkrachtig watersysteem In het plan zijn deze opgaven verder uitgewerkt in 19 thema's én voor drie gebieden, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. Dit leidt tot een integrale visie op de ontwikkeling van de Zuid-Hollandse Delta, het Groene Hart en de Zuidvleugel van de Randstad.

5.3

Beleid waterschap Hollandse Delta

De locatie ligt binnen het beheersgebied van Waterschap Hollandse Delta. Het schap is in dit gebied verantwoordelijk voor de waterhuishouding: het waterkwaliteitsbeheer, het waterkwantiteitsbeheer en de zorg voor de waterkeringen. Voor elk specifiek bouwproject wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de effecten van de bebouwing op het waterbeheer. De waterbeheerder voert de Watertoets uit. Waterbeheerprogramma 2022-2027 Vanaf 2022 is er een nieuw waterbeheerprogramma van kracht. Het programma bestaat uit een statisch en een dynamisch deel. Het statisch deel bevat de doelen die het waterschap wil bereiken, zowel op de lange termijn als voor de planperiode. Het dynamisch deel bevat de maatregelen die nodig zijn om de doelen uit het statisch deel te realiseren. Het plan bevat doelen en maatregelen voor de thema’s Calamiteitenzorg, Water en Ruimte, Waterveiligheid, Voldoende Water, Schoon water en Waterketen. Voor het thema water en ruimte is de nadere uitwerking van de deltabeslissing ruimtelijke adaptatie de belangrijkste ontwikkeling. Hierbij wordt uitgegaan van meerlaagse veiligheid: preventie (laag 1), ruimtelijke inrichting (laag 2) en crisisbeheersing (laag 3). Voor Hollandse Delta ligt de nadruk op de eerste laag: een overstroming voorkomen door middel van (primaire) waterkeringen.

Voor de tweede laag is als doel geformuleerd dat de ruimtelijke inrichting bijdraagt aan het beperken van de gevolgen van een overstroming.

5.4

Waterhuishouding

Toetsingskader Het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer in het binnendijkse gedeelte wordt gevoerd door Waterschap Hollandse Delta. Het Waterschap beheert de waterkeringen en in het Zuid-Hollandse deel van haar beheergebied, de wegen, niet zijnde rijks- of provinciale wegen buiten de bebouwde kom. De rioleringstaak binnen het plangebied valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Ridderkerk. In het kader van de watertoets wordt deze waterparagraaf overlegd met het waterschap, waarna de opmerkingen worden verwerkt in deze waterparagraaf. Veiligheid en waterkeringen In het plangebied ligt een regionale waterkering. Ter bescherming van deze belangen wordt hiervoor de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' opgenomen. Bij uitwerking van de plannen wordt hiermee rekening gehouden. Met inachtneming hiervan van er geen beperkingen voor het plangebied. Oppervlaktewater Het dagelijks bestuur van Hollandse Delta heeft op 2 december 2014 de 'Legger oppervlaktewaterlichamen en kunstwerken' voor waterschap Hollandse Delta vastgesteld. Deze legger geldt vanaf 15 december 2014. In het plangebied ligt aan de westzijde een overige watergang. In zuidelijke richting wordt het plangebied begrensd door de Waal. Een uitsnede van de legger is opgenomen in figuur 8. Binnen de beschermingszones van de watergangen worden geen gebouwen gerealiseerd.

Er zijn geen beperkingen voor het plangebied.

30

Toelichting

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

Figuur 8: Uitsnede Legger wateren en kunstwerken. Ruimtelijke ontwikkeling/ waterkwantiteit Elke ruimtelijke ontwikkeling kan invloed hebben op water. Niet alleen bouwen nabij of op een waterkering, maar ook een toename van verhard oppervlak. Een ruimtelijke ontwikkeling moet minimaal voldoen aan de belangrijkste minimale voorwaarde: “het standstill beginsel”. Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan. In het kader van een watertoetsproces moeten de gemeente en het waterschap zoeken naar kansen om het watersysteem te verbeteren en duurzaam in te richten. Voor elke toename van verharding van meer dan 500 m² in stedelijk gebied is een Watervergunning nodig . Dempingen moeten geheel worden gecompenseerd. Het plangebied bestaat uit een boerderijwoning en diverse bedrijfsgebouwen. De bedrijfsgebouwen worden gesloopt. In de plaats hiervan komen twee vrijstaande woningen. De afname aan verharding is afgerond 690 m². De bestaande- en nieuwe situatie van het plangebied (verhard en onverhard) is in tabel 5.1 opgenomen. Dit betekent dat op grond van de richtlijnen van het waterschap geen watercompensatie nodig is. Niettemin wordt er nieuw water gegraven met een oppervlakte van 693 m². Hiervoor zal tijdig een watervergunning worden aangevraagd.

Toelichting

31

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

Tabel 5.1: Waterbalans plangebied.

Watersysteemkwaliteit en ecologie Voor de nieuwe woningen zal gebruik worden gemaakt van niet-uitloogbare bouwmaterialen om diffuse verontreiniging van water en bodem te voorkomen. Indien desondanks gebruik wordt gemaakt van uitloogbare materialen, dienen deze te worden voorzien van een coating om uitloging tegen te gaan. Afvalwaterketen en riolering Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering overeenkomstig de door de gemeente gestelde eisen. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-)filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater; afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Het hemelwater van de nieuwe bebouwing zal op het oppervlaktewater worden geloosd. 5.4.1 KRW-toets ontwikkeling Rijksstraatweg 169-175 Het plangebied bevindt zich binnen de begrenzingen van het waterlichaam de Waal. In verband hiermede is een KRW-toets (KaderRichtlijn Water) uitgevoerd door ATKB (rapport van 27 september 2021, kenmerk 20210923/rap01, Bijlage 2), omdat de geplande werkzaamheden de ecologische kwaliteit van het waterlichaam niet blijvend significant mogen verslechteren.

De planontwikkeling is getoetst middels het toetsingskader Ecologische Waterkwaliteit van het waterschap Hollandse Delta om vast te stellen of de geplande werkzaamheden leiden tot een eventuele blijvende significante verslechtering van de ecologische waterkwaliteit. Hieruit kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). De huidige oevers in het plangebied worden gekenmerkt door een puinhoudende verharding, waardoor er weinig ruimte is voor kenmerkende oever- en watervegetatie. Enige gele lis- en grote lisdodde is aanwezig. Op de oevers groeien grote hoeveelheden groot hoefblad. De geplande inrichting van het gebied zal naar verwachting de ecologische kwaliteit van het

32

Toelichting

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

oppervlaktewaterlichaam niet significant verslechteren (fytoplankton, overige waterflora, macrofauna en vis). Eerder zal er sprake zijn van een positief effect op de ecologische kwaliteit door kansen voor vegetatie in de luwe zones van de insteekhavens en daarmee voor macrofauna en vis. Op het niveau van het waterlichaam zal dit effect naar verwachting niet meetbaar zijn. Het Waterschap heeft inmiddels medegedeeld geen bezwaren te hebben tegen deze ontwikkeling en het aanleggen van de steigers, botenhuizen en sloot. Hiervoor zal tijdig een aanvraag Watervergunning worden aangevraagd. Conclusie Vanuit waterhuishoudkundige en ecologische overwegingen bestaan er geen bezwaren tegen deze planontwikkeling.

Toelichting

33

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

34

Toelichting

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

Hoofdstuk 6

Milieu en omgevingsaspecten

De beleidsvelden milieu en ruimtelijke ordening groeien de laatste decennia steeds meer naar elkaar toe. Ook op rijksniveau wordt steeds meer aandacht gevraagd voor de wisselwerking tussen milieu en ruimtelijke ordening. Milieubeleid kan beperkingen opleggen aan de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen maar is primair bedoeld om een zo optimaal mogelijke leefomgeving te realiseren. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsaspecten die een rol spelen bij deze ruimtelijke ontwikkeling binnen dit plan. Deze onderwerpen worden in dit hoofdstuk toegelicht.

6.1

Milieu

De te behandelen thema's die vanuit een oogpunt van milieu van belang zijn voor deze planontwikkeling zijn M.E.R., Milieuzonering, Geluid, Bodem, Luchtkwaliteit en Externe veiligheid. 6.1.1 M.E.R. Wettelijk kader In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling ook uitgevoerd moet worden als een project, dat wordt genoemd in de bijlage onder D van het Besluit m.e.r., nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Omdat dit project wordt genoemd in de D-lijst (categorie D 11.2, stedelijk ontwikkelingsproject), maar de omvang onder de drempelwaarde van 2.000 woningen ligt, kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.-beoordeling, die onderdeel moet zijn van de toelichting van dit bestemmingsplan. De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU Richtlijn m.e.r. De richtlijn is van toepassing op de milieueffectbeoordeling van openbare en particuliere projecten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De Europese regelgeving is in de Nederlandse wetgeving onder andere geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (verder Wm) en in het Besluit milieueffectrapportage 1994. In de bijlagen behorende bij het Besluit m.e.r.

zijn de m.e.r.-plichtige activiteiten (de C-lijst) en de m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten (de D-lijst) beschreven. Onderzoek/ beoordeling Dit bestemmingsplan voorziet in het oprichten van drie woningen, waarvan twee nieuwbouw. De planontwikkeling zit qua omvang ruim onder de grens voor een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit. Het is te kleinschalig van aard om te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in bijlage D van het Besluit m.e.r. Er is daarom geen m.e.r.-beoordeling nodig, omdat het toevoegen van twee woningen volgens het Besluit m.e.r. niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling. Indien een ontwikkeling niet voorkomt op de C en D lijst van het Besluit m.e.r kan een m.e.r. beoordeling achterwege worden gelaten. Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-beoordelingsplichtig, en dus ook niet m.e.r.-plichtig. Deze fysieke wijziging is beperkt. De twee nieuwe woningen worden toegevoegd in een bestaand bebouwingslint. Zoals de hieronder beschreven milieuparagrafen en -onderzoeken aantonen heeft het bestemmingsplan ook om andere redenen dan de omvang (zoals bijvoorbeeld de aard van de ontwikkeling of een ligging nabij een gevoelig gebied) geen significante nadelige gevolgen voor het milieu.

Toelichting

35

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

6.1.2 Milieuzonering Wettelijk kader Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Ten gevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar. Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Algemene Maatregelen van Bestuur onder de Wet milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bedoeld tot de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. De richtafstanden uit de VNG-publicatie voor de omgevingstypen bij verschillende hindercategorieën zijn in tabel 6.1 vermeld. Tabel 6.1: Richtafstanden en omgevingstype.

Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype Richtafstand tot omgevingstype rustig woongebied gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m Onderzoek/ beoordeling Het bebouwingslint kan worden beschouwd als een gemengd gebied, omdat in de omgeving naast woningen ook verspreid liggende bedrijven staan met aan de overzijde nieuw Reijerwaard. Uit inventarisatie is gebleken dat er in de (directe) omgeving van het plangebied geen milieubelastende activiteiten aanwezig zijn. Vanuit de Wet milieubeheer bestaan er geen bezwaren tegen realisatie van deze planontwikkeling. Conclusie Uit de inventarisatie is gebleken dat er geen relevante milieubelastende activiteiten in de nabijheid van het plangebied zijn gevestigd. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat de beoogde activiteiten binnen het plangebied milieuhygiënische knelpunten naar de omgeving zullen opleveren. De woningen hebben een goed woon- en leefklimaat. Vanuit milieuzonering bestaan er geen bezwaren tegen dit bestemmingsplan.

36

Toelichting

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

6.1.3

Geluid

6.1.3.1 Wegverkeerslawaai Wettelijk kader Ter bepaling van de geluidsbelasting dient op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) iedere weg in beschouwing te worden genomen, tenzij deze binnen een woonerf gelegen is of voor de weg een maximum rijsnelheid van 30 km/uur geldt. Deze wegen hebben een zone. Dit is een aandachtsgebied waarbinnen een akoestisch onderzoek dient plaats te vinden, voor zover sprake is van gevoelige functies. De grootte van de zones is afhankelijk van het aantal rijstroken en de definitie van het gebied (buitenstedelijk of binnenstedelijk). Buitenstedelijk is het gebied dat buiten de bebouwde kom is gelegen en het gebied binnen de bebouwde kom voor zover liggend langs een autosnelweg. Het overige gebied is binnenstedelijk. Onderzoek/ beoordeling De relevante wegen in de directe omgeving van het plangebied is zijn de Rijksstraatweg, de Hoogzandweg en de Waalweg. Op deze wegen is de maximum snelheid 50 km/h. Deze wegen hebben een zonebreedte van 200 m. De Waaldijk is een 30 km/uur gebied. In deze situatie is sprake van bestaande wegen en twee nieuwe woningen. De voorkeursgrenswaarde voor nieuwe woningen bedraagt (inclusief aftrek) 48 (dB) Lden met een maximale ontheffingswaarde van 63 (dB) Lden.

Indien de gemeten belasting genoemde waarde overschrijdt, dient in eerste instantie onderzocht te worden of maatregelen mogelijk zijn die de geluidsbelasting verlagen tot de voorkeursgrenswaarde of minder. In verband hiermee is een akoestisch onderzoek uitgevoerd door Tritium Advies (rapport van 23 februari 2022, Bijlage 3), waarin vanwege een goede ruimtelijke ordening ook de 30 km/uur-weg is beschouwd. Voor alle beschouwde wegen geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe woningen overschrijdt. Derhalve is een procedure hogere waarde niet aan de orde. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel wegverkeerslawaai, bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling. 6.1.3.2 Spoorweglawaai Wettelijk kader De zonebreedte van spoorwegen zijn vastgesteld op basis van de hoogte van het GPP's (Geluid Productie Plafonds) uit het Geluidregister Spoor. Uit artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder valt de breedte van de zones van spoorweg af te leiden. Op grond van artikel 105 van de Wet geluidhinder zijn in het Besluit geluidhinder (Bgh) normen opgenomen. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 55 dB op grond van artikel 4.9 van het Bgh. De maximale waarde bedraagt 68 dB op grond van artikel 4.10 van het Bgh.

Onderzoek/ beoordeling De planlocatie ligt buiten de zone van de spoorlijn Rotterdam - Dordrecht. Er zijn geen beperkingen voor het plangebied. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel spoorweglawaai, bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling.

Toelichting

37

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

6.1.3.3 Industrielawaai Wettelijk kader Industrielawaai kan de leefkwaliteit van een gebied sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van industrielawaai kunnen hier lichamelijke en psychische klachten door oplopen. De Wet geluidhinder (Wgh) verplicht ertoe een industrieterrein te zoneren, indien het bestemmingsplan de vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers (conform art. 2.4, Inrichtingen en Vergunningenbesluit) toestaat (art. 40 Wgh). Dat betekent dat de maximale geluiduitstraling van het industrieterrein wordt vastgelegd middels het opnemen van een 50 dB(A)-contour voorkeursgrenswaarde) in het bestemmingsplan. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied ligt buiten de zone van het industrieterrein Kijfhoek. Verder liggen er in de directe omgeving van het plangebied geen gezoneerde bedrijventerreinen. In paragraaf 6.1.2 is toegelicht dat vanuit oogpunt van geluid geen belemmeringen zijn voor bestaande milieubelastende activiteiten. Andersom geredeneerd is er voor de woningbouw sprake van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Vanuit de Wet geluidhinder, onderdeel industrielawaai, bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling. 6.1.4 Bodem Wettelijk kader Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan.

Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen. Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft. Onderzoek/ beoordeling Verkennend bodem- en asbestonderzoek In verband met onderhavige planontwikkeling is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd door Inventerra te Hendrik Ido Ambacht (rapport van 27 juli 2020, rapportnr. 20-2229-R01JV, Bijlage 4). Hieruit kan het volgende worden afgeleid (overgenomen uit rapport). Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk verdacht voor een verontreiniging met zware metalen, PAK, minerale olie, vluchtige aromaten en asbest. Op grond van de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken wordt het volgende geconcludeerd: De kleiige bovengrond met daarin een bijmenging van puin van bakstenen (0 – 0,5 m-mv, MM1) is licht verontreinigd met diverse zware metalen en PAK.

De kleiige grond met daarin een bijmenging van ondefinieerbaar puin onder en direct naast de aanwezige puinlaag (0,15 – 1,0 m-mv, MM2) is licht verontreinigd met diverse zware metalen, PAK en minerale olie. De zintuiglijk onverdachte kleiige bovengrond op de locatie (0,15 – 0,5 m-mv, MM3) is enkel licht verontreinigd met nikkel. De zandige toplaag onder de verhardingen (0,05 – 0,5 m-mv, MM4) is licht verontreinigd met diverse zware metalen, PAK, PCB en minerale olie. De zintuiglijk onverdachte kleiige ondergrond op de locatie (0,5 – 1,5 m-mv, MM5) is enkel licht verontreinigd met lood. De zintuiglijk met olie verontreinigde bodemlagen bij de boringen 101, 119 en 120 zijn licht tot matig verontreinigd met minerale olie. Het grondwater op de onderzoekslocatie (peilbuis 101) is licht verontreinigd met barium, minerale olie en xylenen. Bij de uitgevoerde asbestonderzoeken is in de aanwezige puinlagen en in de puinhoudende grond zowel visueel als analytisch geen asbest aangetoond.

38

Toelichting

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

Op basis van het asbestonderzoek kan de gestelde hypothese ‘verdacht voor asbest’ worden verworpen, aangezien geen verontreiniging asbest is vastgesteld. Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek is de gestelde hypothese ‘verdacht voor verontreiniging’ bevestigd, vanwege de licht tot matig verhoogde gehalten in de grond en in het grondwater. De in de grond aangetoonde licht verhoogde gehalten aan zware metalen, PAK, PCB en minerale olie in de grond passen, met uitzondering van de achter de voormalige vlasfabriek aangetoonde verontreiniging met minerale olie, binnen de verwachte bodemkwaliteit (klasse Industrie). De verhoogde concentratie barium in het grondwater wordt beschouwd als een natuurlijk verhoogde achtergrondconcentratie. De lichte tot matige verontreiniging met minerale olie in de grond achter de voormalige vlasfabriek en de daar in het grondwater aangetoonde lichte verontreiniging met minerale olie en xylenen worden gerelateerd aan de voormalige bovengrondse dieseltank, ondanks dat die in een lekbak op een betonvloer stond. Vermoedelijk is op enig moment sprake geweest van een morsing, waardoor de bodem verontreinigd is geraakt. In hoeverre de grond onder de aanwezige bebouwing verontreinigd is met minerale olie is niet bekend.

Omdat in de grond op meerdere plaatsen ten hoogste een matige verontreiniging is aangetoond en het grondwater slechts licht verontreinigd is, is het niet de verwachting dat sprake zal zijn van een geval van ernstige bodemverontreiniging conform de Wet bodembescherming. Onderzoek puinhoudende oeverbescherming Waaloever (Rijksstraatweg 169) Inventerra te Hendrik Ido Ambacht heeft in oktober 2020 een onderzoek uitgevoerd naar puinhoudende oeverbescherming achter de Rijksstraatweg 169 in Ridderkerk (rapport van 22 oktober 2020). Op basis van het verrichtte onderzoek ter plaatse van de puinhoudende oeververharding wordt het volgende geconcludeerd (overgenomen uit rapport): Grond De puinhoudende bovengrond langs de gehele oever (puinpercentage <50%) is licht verontreinigd met enkele zware metalen en PAK en is visueel en analytisch niet verontreinigd met asbest. De puinhoudende ondergrond uit sleuf SL-PU1 (puinpercentage <50%) is licht verontreinigd met enkele zware metalen en PAK en is tevens verontreinigd met asbest in de grove fractie >20 mm (gewogen asbestgehalte 5,08 mg/kgds. De puinhoudende ondergrond uit sleuf SL-PU5 (puinpercentage <50%) is licht verontreinigd met enkele zware metalen en is visueel en analytisch niet verontreinigd met asbest.

Puin De puinlaag in de ondergrond bij sleuf SL-PU2 (puinpercentage >50%) zou, op basis van de indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit, elders niet zomaar als niet-vormgegeven bouwstof toegepast mogen worden vanwege een verhoogd gehalte antimoon. De aanwezige puinlaag is verontreinigd met asbest in de fijne fractie <20 mm (asbestgehalte 4,7 mg/kgds). De puinlaag in de ondergrond bij sleuf SL-PU3 (puinpercentage >50%) zou, op basis van de indicatieve toetsing aan het Besluit bodemkwaliteit, elders als niet-vormgegeven bouwstof toegepast mogen worden. De aanwezige puinlaag is verontreinigd met asbest in de grove fractie >20 mm (gewogen asbestgehalte 5,0 mg/kgds). De aangetoonde verhoogde gehalten in de puinhoudende grond vormen geen reden voor het uitvoeren van aanvullend onderzoek. De in de grond en in het puin aangetoonde gewogen asbestgehalten vormen geen reden voor het uitvoeren van een nader asbestonderzoek, omdat de waarde voor nader asbestonderzoek (zijnde 50 mg/kgds) niet wordt overschreden. Bij afvoer van grond of verhardingsmaterialen van de locatie kan er sprake zijn van beperkingen in de hergebruiksmogelijkheden en/of van verwerkingskosten. Binnen de grondexploitatie is hiervoor een budget gereserveerd. Conclusie Vanuit milieukundig oogpunt zijn de twee nieuwe woonpercelen niet zondermeer geschikt voor het voorgenomen gebruik.

Voorafgaand aan het bouwrijpmaken van het terrein en de aanvraag omgevingsvergunning zal een saneringsplan of BUS-melding worden opgesteld. Het saneringsplan of de BUS-melding zal ter goedkeuring wordt voorgelegd aan het bevoegd gezag. Initiatiefnemer zal voor de bodemsanering een budget reserveren in de exploitatieopzet. Met inachtneming hiervan is het aspect

Toelichting

39

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

bodem in het kader van het bestemmingsplan voldoende onderzocht. Na afronding van het onderzoek en de eventuele sanering zijn er geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig. Wanneer grond van de locatie moet worden afgevoerd of ergens anders zal moeten worden toegepast zal initiatiefnemer de kwaliteit van de vrijkomende grond laten onderzoeken conform de eisen van het Besluit bodemkwaliteit. 6.1.5 Luchtkwaliteit Wettelijk kader De Europese regelgeving met betrekking tot luchtkwaliteit is in Nederland geïmplementeerd in hoofdstuk 5 titel 2 van de Wet milieubeheer (Wm), ook wel de 'Wet luchtkwaliteit' genoemd. In de 'Wet luchtkwaliteit' is opgenomen dat een besluit inpasbaar is vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit, als tenminste aan één van de volgende vier gronden wordt voldaan (artikel 5.16 lid 1): De voorgenomen ontwikkeling inclusief alle bijbehorende maatregelen leidt niet tot overschrijdingen van grenswaarden uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer. De voorgenomen ontwikkeling leidt (per saldo) niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De bijdrage van de voorgenomen ontwikkeling aan de luchtverontreiniging is 'niet in betekenende mate' (NIBM). De voorgenomen ontwikkeling is opgenomen in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Niet in betekenende Mate (NIBM) Op basis van de Wet luchtkwaliteit zijn plannen die 'niet in betekenende mate' bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, vrijgesteld van toetsing (Wm art. 5.16, lid 1 sub c). Dit betekent dat in overschrijdingssituaties plannen toch gerealiseerd kunnen worden als de bijdrage van het plan 'niet in betekenende mate' is. In het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) is het begrip 'niet in betekenende mate' gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor NO2 of PM10. Dit betekent dat voor zowel NO2 als PM10 planbijdragen zijn toegestaan van maximaal 1,2 µg/m³ in situaties waarin de jaargemiddelde concentraties de grenswaarde overschrijden. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties opgenomen, die als 'niet in betekenende mate' projecten worden beschouwd. Woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen hoort bij deze categorieën. Als een plan binnen de benoemde projectomvang valt, is het vrijgesteld van toetsing. Er is over het aspect luchtkwaliteit dan geen verdere belemmering voor de realisatie van het project.

Luchtkwaliteit en goede ruimtelijke ordening Naast de bovenstaande bepalingen wordt in de Wet Luchtkwaliteit een relatie gelegd met de Wet ruimtelijke ordening, in de zin van dat bij een nieuwe ontwikkeling er sprake moet zijn van een “goede ruimtelijke ordening”. Een dergelijke afweging wordt uiteindelijk gemaakt in samenspraak met de andere milieuaspecten. Gekeken naar het aspect luchtkwaliteit kan gesteld worden dat de huidige grenswaarden geen absolute bescherming bieden – ook onder de normen kunnen, vooral bij gevoelige groepen gezondheidseffecten optreden. In het algemeen geldt voor een goede luchtkwaliteit - hoe verder van een drukke weg (de belangrijkste bron van luchtvervuiling) hoe beter. Onderzoek/ beoordeling In verband met deze planontwikkeling is de NSL monitoringstool, die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit, geraadpleegd voor 2020 en het prognosejaar 2030 in de jaargemiddelde achtergrondconcentraties NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie langs de Rijksstraatweg. Met de NIBM-tool op de site van Infomil is nagegaan wat de berekende maximale bijdrage aan luchtemissies van de verkeersgeneratie van de ontwikkeling is. Hierbij is ervan uitgegaan dat de ontwikkeling maximaal 30 extra auto's per dag aantrekt (mvt/weekdagetmaal), waarvan 0,5% vrachtwagens (tabel 6.3). Tabel 6.3: Berekening maximale bijdrage luchtemissies van verkeersgeneratie.

40

Toelichting

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

Uit deze tabel blijkt dat de concentratie NO2, PM10, PM2,5 en EC-concentratie op de rekenpunten onder de grenswaarden blijven. Gesteld kan worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt. In de huidige situatie voldoet de luchtkwaliteit op de meest kritische locatie in het plangebied aan de luchtkwaliteit-grenswaarden. Volgens de prognoses wordt de luchtkwaliteit in de komende jaren door het schoner worden van het verkeer steeds beter. Uit figuur 9 blijkt dat de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide ten hoogste 21,1 µg/m³ bedraagt. De jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) bedraagt ten hoogste 17,8 µg/m³. De concentraties liggen daarmee onder de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m³. Voor PM2,5 geldt dat de hoogste concentratie 10,8 µg/m³ bedraagt en ligt daarmee onder de wettelijke waarde van 25 µg/m³.

Toelichting

41

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

Figuur 9: Rekenresultaten NSL-Monitoringstool 2020.

De totale concentraties, inclusief deze plantontwikkeling, bedragen: NO2: 21,1 + 0,02 = 21,3 µg/m³. PM10: 17,8 + 0,00 = 17,8 µg/m³. Hierbij wordt ook nog voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Tevens zullen de concentraties in de komende jaren verder afnemen. Ook als wordt voldaan aan de normen kan luchtkwaliteit significante effecten hebben op de gezondheid. In deze situatie ligt de concentratie PM10 nog onder de WHO advies waarden (20 µg/m³). Conclusie De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van verontreinigende stoffen in de buitenlucht. In de omgeving van het plangebied worden grenswaarden van de Wet luchtkwaliteit niet overschreden. De realisatie van het plan wordt conform Titel 5.2 van de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen) toelaatbaar geacht. 6.1.6 Externe veiligheid Wettelijk kader Bij Externe Veiligheid (EV) gaat het om de gevaren die de directe omgeving loopt in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de opslag, productie of het transport van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Binnen de EV worden twee normstellingen gehanteerd: Het Plaatsgebonden risico (PR) richt zich vooral op de te realiseren basisveiligheid voor burgers. Het Groepsrisico (GR) stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.

Bebouwing is niet toegestaan binnen de zogenaamde 10-6 contour van het PR:

42

Toelichting

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

rond inrichtingen, waarin opslag/verwerking van gevaarlijke stoffen plaatsvindt; langs transportroutes (weg, spoor, water, buisleiding) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Risico's verbonden aan het transport van gevaarlijke stoffen zijn in kaart gebracht in de diverse risicoatlassen. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI) is opgenomen dat voor iedere toename van het GR een verantwoordingsplicht geldt indien er (beperkt) kwetsbare objecten in een invloedsgebied worden toegelaten, ook als de verandering geen overschrijding van de norm veroorzaakt. Onderzoek/ beoordeling Transport gevaarlijke stoffen Gevaarlijke stoffen worden vervoerd over de modaliteiten binnenwater, spoor, weg en door buisleidingen. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de transportas dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. Op 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes voor vervoer van gevaarlijke stoffen over water, weg en het spoor in werking getreden. Met de invoering van dit Besluit beoogt het Rijk een evenwicht tot stand te brengen tussen het vervoer van gevaarlijke stoffen, ruimtelijke ontwikkelingen en externe veiligheid.

Inrichtingen Binnen de 10-6 contour van een risicovolle inrichting mogen geen kwetsbare bestemmingen geplaatst worden. Indien een bestemming is gepland binnen het invloedsgebied van de EV relevante inrichtingen dient de toename van het GR berekend te worden en afhankelijk van de uitkomst van de berekening dient een verantwoording GR te worden opgesteld. In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd. Transport over water De zuidelijk gelegen Oude Maas ligt op circa 3,5 km van het plangebied. Deze vaarweg is in de Regeling Basisnet aangewezen als transportroute van gevaarlijke stoffen. De vaarweg heeft een invloedsgebied van circa 1.070 meter (toxisch scenario) op basis van stofcategorie GT3 conform het HART (tabel 4-2). Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van deze transportroute gevaarlijke stoffen en vormt hiermee geen belemmering voor de ontwikkeling. Transport over spoor Het plangebied ligt op circa 1,38 km ten noorden van de spoorbaan Dordrecht - Rotterdam. Deze spoorbaan is in de Regeling Basisnet aangewezen als transportroute van gevaarlijke stoffen. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied en niet relevant vanuit externe veiligheid. Transport over weg De Rijkswegen A15/A16 liggen op minimaal 970 meter afstand van het plangebied. Over deze wegen worden gevaarlijke stoffen vervoerd.

De A15 en A16 valt onder de werkingssfeer van het Bevt en vallen onder de regeling Basisnet. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied en daarmee zijn de A15 en A16 niet relevant voor het plangebied vanuit externe veiligheid. Transport per buisleiding Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. De normstelling is in lijn met het Besluit externe veiligheid inrichtingen. Aanwezige buisleiding Ten westen van het plangebied ligt op een afstand van circa 60 meter een buisleiding van de Gasunie (A-555). De leiding is opgenomen in figuur 10. De buisleiding heeft een diameter van 42 inch en een druk van 66 bar. De afstand van het invloedsgebied (100% letaalzone) is 190 m. Het invloedsgebied is 485 m (bron: Signaleringskaart EV). De milieuaspecten voor externe veiligheid zijn eerder onderzocht door DCMR (rapport van 12 september 2011), waaronder ook de aardgasleiding A555. Hieruit blijkt dat er ter hoogte van het plangebied geen sprake is van een plaatsgebonden risicocontour 10-6. Het plaatsgebonden risico vormt dus geen belemmering voor het plangebied.

Uit de rekenresultaten blijkt verder dat het groepsrisico ter hoogte van het plangebied kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. In het besluit moet het GR verantwoord worden aan de hand van de criteria uit de Visie Externe

Toelichting

43

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

Veiligheid gemeente Ridderkerk (november 2011). Het groepsrisico wordt verantwoord in paragraaf 6.1.6.1. Risicokaart De Risicokaart geeft inzicht in de risico's in de woon- en werkomgeving. Op de kaart staan meerdere soorten typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de rijksoverheid. Op de Signaleringskaart (figuur 10) zijn in de omgeving van het plangebied geen bedrijven opgenomen, zodat er uit dien hoofde geen belemmeringen zijn voor de planontwikkeling.

Figuur 10: Uitsnede Signaleringskaart EV (plangebied zwart gestippeld omlijnd). 6.1.6.1 Verantwoording groepsrisico Beperkte verantwoording van het groepsrisico Er dient een verantwoording te worden opgesteld, omdat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van de gasleiding A-555. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is niet aan de orde, omdat het groepsrisico ten gevolge van twee nieuwe woningen nagenoeg niet wijzigt. De hoogte van het groepsrisico moet worden onderzocht en bestuurlijk worden verantwoord. Door deze verantwoordingsplicht zijn betrokken partijen gedwongen om een goede ruimtelijke afweging te maken waarin de veiligheid in het plangebied in de omgeving voldoende is gewaarborgd. In het kader van het wettelijk vooroverleg wordt voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd aan de Veiligheidsregio. Toetsing plan aan plaatsgebonden risico en verantwoordingsplicht groepsrisico De ontvluchting vanuit het plangebied vanaf de risicobron is goed. Via de woningen kan in oostelijke richting worden ontvlucht. Aangenomen wordt dat de mobiliteit van de aanwezigen goed is en dat deze goed in staat zijn om zichzelf in veiligheid te brengen. De bestrijdbaarheid wordt als goed beoordeeld. De Rijksstraatweg is goed bereikbaar en de bluswatervoorziening ter plaatse is voldoende om een incident met gevaarlijke stoffen effectief te bestrijden.

Er kan vanuit de meerdere aanwezige sloten en de Waal water worden verkregen voor de bestrijding van een incident. Met inachtneming hiervan zijn er geen beperkingen voor het plangebied.

44

Toelichting

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

Plaatsgebonden risico Voor deze risicobronnen is geen sprake van een plaatsgebonden risicocontour PR=10-6 die over het plangebied ligt. Het plangebied ligt niet binnen de veiligheidszone van een plasbrandaandachtsgebied. Verantwoordingsplicht groepsrisico De risico's van de gasleiding ter hoogte van het plangebied ligt op maximaal 0,01* oriëntatiewaarde voor het groepsrisico (OW). Er is geen sprake van een significante toename van het groepsrisico. Een uitgebreide verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet nodig. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Zowel voor de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. Het plangebied is goed bereikbaar voor hulpdiensten vanaf verschillende windrichtingen. Via het bestaande wegennetwerk kan ook van de bron af gevlucht worden. Zelfredzaamheid De personen binnen het plangebied zijn hoofdzakelijk zelfredzaam. In het bestemmingsplan wordt de vestiging van “zeer kwetsbare groepen” binnen de aanduiding 'Veiligheidszone - leiding' ook niet mogelijk gemaakt. Er worden twee woningen gerealiseerd waar zelfredzame personen wonen.

Het bestemmingsplan voorziet niet in functies die specifiek bedoeld zijn voor verminderd zelfredzame personen. Eventueel aanwezige kinderen, ouderen en gehandicapten worden wel beschouwd als verminderd zelfredzame personen. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat de ouders/verzorgers de verminderd zelfredzame personen kunnen begeleiden. Mechanische ventilatie Als maatregel dient te worden opgenomen dat ventilatieopeningen, ventilatiesystemen en luchtbehandelingsinstallaties in de woning door bewoners kunnen worden afgesloten en uitgeschakeld bij calamiteiten. Deze maatregel is geborgd in artikel 6.4.6 van de regels. Verantwoording Het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk heeft kennis genomen van de inhoud van deze rapportage en de gegeven adviezen en acht het groepsrisico, na het nemen van de voorgestelde maatregelen, aanvaardbaar. Conclusie Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren die in de directe omgeving aanwezig zijn in het geval er iets mis mocht gaan tijdens de productie, het behandelen of het vervoeren van gevaarlijke stoffen. De daaraan verbonden risico's moeten aanvaardbaar blijven. Het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van een gasleiding. Met de voorgenomen ontwikkeling kunnen twee woningen worden opgericht. Dit leidt tot een zeer beperkte toename van het aantal personen waardoor de toename van het groepsrisico verwaarloosbaar is.

Uit de beknopte verantwoording blijkt daarnaast dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Het aspect externe veiligheid staat de vaststelling van dit bestemmingsplan dan ook niet in de weg.

6.2

Archeologie en cultuurhistorie

Wettelijk kader rijk en provincie In 1992 is het Verdrag van Malta tot stand gekomen en in 1998 door Nederland geratificeerd. Doelstelling van het verdrag is de bescherming en het behoud van archeologische waarden. Als gevolg van dit verdrag wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het archeologisch erfgoed meegewogen zoals alle andere belangen die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. In het verdrag van Malta wordt gesteld dat archeologie van wezenlijk belang is voor de geschiedschrijving van de mensheid. Het verdrag is erop gericht deze waarden voor de toekomst te behouden. De gehanteerde uitgangspunten zijn: archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaren (behoud in situ); in ruimtelijke ordening (planvorming) al rekening houden met archeologische waarden; de bodemverstoorder betaalt archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen.

Toelichting

45

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

Het verdrag is geïmplementeerd in de Erfgoedwet die per 1 juli 2016 in werking is getreden. Deze wet is in de plaats gekomen van 6 wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische waarden. 6.2.1 CultuurhistorischeHoofdstructuurZuid-Holland In de Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland is het gebied niet specifiek aangeduid. Er is onderscheid gemaakt in drie kleuren categorieën (drie tinten bruin). De toekenning van een (zeer) grote, redelijke of lage kans op sporen (kleuren donker-, middel- en lichtbruin) heeft betrekking op de relatieve dichtheid van archeologische vondsten die in een bepaald gebied verwacht wordt. De witte gebieden hebben een lage trefkans. Het gebied ligt in een stroomgordel en geulafzetting van de Formatie van Echteld. De plankaart laat zien dat er in dit deelgebied op 0 tot 5 m onder maaiveld een hoge trefkans is op archeologische sporen. Ruim dieper dan 5 m maaiveld (basis holoceen) zijn de archeologische waarden eveneens hoog in een afzetting van rivierduinen en dekzand in de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Delwijnen.

6.2.2 Gemeentelijk archeologiebeleid In de door de gemeenteraad op 12 september 2013 vastgestelde beheersverordening Rijsoord (2013) geldt voor de locatie een bouwregeling en een omgevingsvergunning voor bouw- en graafwerkzaamheden (inclusief heien) die dieper reiken dan 0,3 meter beneden maaiveld en die een oppervlakte beslaan van meer dan 100 m². Vlak hierna heeft de gemeenteraad van Ridderkerk op 23 september 2013 de 'Archeologieverordening Ridderkerk 2013' vastgesteld als onderdeel van het erfgoedbeleid Ridderkerk, zodat dit het leidende archeologiebeleid is geworden. Cultuurhistorische waarden spelen in toenemende mate een rol bij ruimtelijke ontwikkelingen en de gemeente wil het beleid op dat gebied actualiseren en verstevigen. Duurzame instandhouding van het gemeentelijk erfgoed draagt immers bij aan kennis over het verleden, schoonheid en lokale identiteit. Als bijlage van de beleidsnota archeologie Ridderkerk is de Archeologische Waardenkaart Ridderkerk opgenomen. Deze dient als uitgangspunt voor nieuw op te stellen ruimtelijke plannen. Op de gemeentelijke archeologische waardenkaart (figuur 11) heeft de lintbebouwing en de oever van de Waal een hoge archeologische verwachtingswaarde (gebied in rood 2.2 en bruin 2.1).

Hier geldt dat grondwerkzaamheden (inclusief heien) die een oppervlakte beslaan van meer dan 100 m² en tevens dieper reiken dan respectievelijk 0 cm of 50 cm beneden het maaiveld dienen te worden getoetst op de noodzaak van archeologisch onderzoek. Het gebied hiertussen heeft een redelijk hoge archeologische verwachtingswaarde (licht groen 3.1). Voor grondwerkzaamheden (inclusief heien) in dit deelgebied is een archeologisch onderzoek nodig die een oppervlakte beslaan van meer dan 200 m² en tevens dieper reiken dan 50 cm beneden het maaiveld.

46

Toelichting

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

Figuur 11: Uitsnede archeologische beleidskaart. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied maakt deel uit van een archeologisch kansrijk gebied zoals weergegeven op de Archeologische waardenkaart. Op basis van de archeologische verwachtingswaarde van het gebied en de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden wordt het uitvoeren van een archeologisch vooronderzoek op de planlocatie noodzakelijk geacht. 6.2.3 Archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek in de vorm van een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd door RAAP te Weesp (rapport van 2 februari 2022, projectcode RYRS, Bijlage 5). Op basis van de onderzoeksresultaten voor het ontwikkelgebied en de voorgenomen bodemingrepen kan het volgende worden geconcludeerd (overgenomen uit rapport). Resultaten verkennend archeologisch booronderzoek Op basis van het verkennend booronderzoek blijkt dat in het noordelijk deel van het onderzoeksgebied, relatief ondiep onder het maaiveld (vanaf 25-75 cm –mv/vanaf 0,32-0,93 m –NAP), cultuurlagen met een hoge archeologische verwachting voor de nieuwe tijd A-B aanwezig zijn (waarschijnlijk vanaf de 17 eeuw).

In deze lagen zijn aanzienlijke aantallen aardewerk uit deze periode aangetroffen, die zeer waarschijnlijk illustreren dat hier ook voorafgaand aan de vroege 19e eeuw (toen dit deel van het onderzoeksgebied deel was van twee erven) bewoning plaatsvond. In het noordelijk deel van het onderzoeksgebied kunnen resten van huizen, bijgebouwen en aan het erf -gerelateerde sporen (zoals waterputten) worden verwacht. In de aangetroffen oeverafzettingen van de Waal, die ook in het noordelijk deel onder de aanwezige cultuurlagen aanwezig zijn, zijn geen ontkalkte niveaus of laklagen aangetroffen. Hierdoor bestaat voor deze afzettingen een lage archeologische verwachting voor vondstniveaus uit de periode late ijzertijd late middeleeuwen. Hierin kunnen wel dieper ingegraven, latere sporen aanwezig zijn. Voor de aangetroffen geul-, restgeul-/verlandings- en komafzettingen bestaat, net als voor het aangetroffen veen, een lage verwachting voor bewoningsresten. Hierin zouden wel sporen van jacht of visserij of ‘natte archeologie’ aanwezig kunnen zijn, maar het uitgevoerde booronderzoek is niet geëigend tot het toetsen van de aan-/afwezigheid van zulke resten en dienen in het algemeen als ‘toevalsvondsten’ te worden gezien. Advies

Toelichting

47

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het noordelijk deel van het onderzoeksgebied (mogelijk) archeologische resten bedreigd worden door de voorgenomen bodemingrepen. Zo zullen hier bij graafwerkzaamheden die tot dieper dan 25-75 cm onder het huidige maaiveld reiken (dieper dan 0,32-0,93 m –NAP) cultuurlagen met een hoge archeologische verwachting voor de nieuwe tijd A-B worden geroerd. Er wordt geadviseerd om de resultaten van het huidige onderzoek zoveel mogelijk in de plannen in te passen, waardoor graafwerkzaamheden tot in de cultuurlaag (bijvoorbeeld ten behoeve van het plaatsen van funderingen of de aanleg van een sloot) worden voorkomen. Het opbrengen van een pakket grond voorafgaand aan de nieuwbouw zou dit, wat betreft het plaatsen van funderingen, mogelijk kunnen voorkomen (zie onder andere de handreiking ‘Archeovriendelijk bouwen’). Er wordt aanbevolen, indien mogelijk en gewenst, om onder de nieuwbouw geen kelders te plaatsen, aangezien hierbij archeologisch relevante lagen zullen worden geroerd.

Indien zulke inpassing van de onderzoeksresultaten niet mogelijk blijkt en in het noordelijk deel van het onderzoeksgebied diepere graafwerkzaamheden ten behoeve van de nieuwbouw of de voorziene sloot worden uitgevoerd, wordt voor dit deel van het onderzoeksgebied de uitvoering van een archeologisch proefsleuvenonderzoek (conform protocol IVO-P) geadviseerd om de gespecificeerde archeologische verwachting verder te toetsen. Er wordt aanbevolen dit onderzoek met name te richten op de zones waar de bodemingrepen zullen plaatsvinden. Voorafgaand aan deze vorm van gravend vervolgonderzoek, dient een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld. De begrenzing van deze zone in de advieskaart is gebaseerd op de resultaten van het verkennend booronderzoek en de oude perceleringsgrenzen op de kadastrale kaarten uit de periode 1811-1832. In het deel van het onderzoeksgebied nabij de Waal wordt, in het kader van de voorgenomen bodemingrepen en op basis van de onderzoeksresultaten, geen archeologisch vervolgonderzoek aanbevolen. Indien bij de uitvoering van de werkzaamheden in deze zone onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan is conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet aanmelding van de desbetreffende vondsten bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap c.q.

de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed verplicht (vondstmelding via ARCHIS). Conclusie Vanuit archeologisch oogpunt zijn er beperkingen voor het noordelijke deel van de planontwikkeling. Voordat een aanvraag omgevingsvergunning wordt aangevraagd zullen er proefsleuven worden gegraven overeenkomstig een door het bevoegd gezag goedgekeurd PvE. Dit wordt geborgd door het opnemen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Met inachtneming hiervan is het plangebied voldoende onderzocht. Hiermee is dit bestemmingsplan uitvoerbaar ten aanzien van archeologie. 6.2.4 Cultuurhistorie en monumenten Met ingang van 1 januari 2012 is het gewijzigde Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorstel tot wijziging is een uitvloeisel van de Beleidsbrief Modernisering Monumentenzorg (MoMo) uit 2009. Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a Bro moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Het voorhuis van de bestaande boerderij op huisnummer 169 heeft cultuurhistorische waarde. Dit voorhuis is aangemerkt als gemeentelijk monument. Om de bestaande cultuurhistorische waarde van deze boerderij te behouden wordt het hoofdgebouw op de verbeelding aangeduid als 'cultuurhistorische waarden'.

De overig te slopen bebouwing is van eenvoudige architectuur en heeft geen specifieke cultuurhistorische waarden. Conclusie Het initiatief tast de cultuurhistorische waarden niet aan, zodat er vanuit dit gezichtspunt geen beperkingen worden gesteld aan deze planontwikkeling.

48

Toelichting

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

6.3

Flora en fauna

Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming in werking getreden. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. Doelen van de Wet natuurbescherming zijn het beschermen en ontwikkelen van de natuur, het behouden en herstellen van biologische diversiteit en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur en het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen. De Wet Natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. In de wet blijft de bescherming van Natura 2000-gebieden vrijwel hetzelfde. De bescherming van Beschermde Natuurmonumenten is komen te vervallen. Wel kunnen provincies ervoor kiezen om deze gebieden alsnog te beschermen via het provinciale beleid. De provincie voegt dan gebieden toe aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of wijst ze aan als bijzonder provinciaal natuurgebied of -landschap. Onderzoek/ beoordeling Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied 'Oude Maas' ligt 3,5 km ten noordwesten van het plangebied. Het Natura2000-gebied 'Boezems Kinderdijk' ligt 4,4 km ten noordoosten van het plangebied.

Het Natura2000-gebied 'Oude Land van Strijen' ligt op 9,2 km ten zuidwesten van het plangebied, terwijl 'De Biesbosch' ten zuidoosten van het plangebied ligt op circa 12,5 km (figuur 12). In onderhavige situatie is er sprake van een herontwikkeling van perceel met het toevoegen van twee woningen in een bebouwingslint. De Natura2000-gebieden worden hierdoor niet beïnvloed. Evenmin worden significante externe effecten op Natura2000-gebieden verwacht. Ook heeft de planontwikkeling geen nadelige gevolgen voor het nabij gelegen NNN. Deze ligt op circa 2,7 km ten zuiden van het plangebied.

Figuur 12: NNN in de omgeving van het plangebied (plangebied met rode stip aangegeven.)

Toelichting

49

bestemmingsplan Rijksstraatweg 169-175, Rijsoord

6.3.1 Stikstofdepositie Natura2000-gebieden kunnen gevoelig zijn voor stikstofdepositie. Het op circa 3,5 km noordwestelijk gelegen Natura2000-gebied 'Oude Maas', het op 4,4 km noordoostelijk gelegen 'Boezems Kinderdijk' en het op 9,2 km gelegen 'Oude Land van Strijen' zijn niet stikstofrelevante Habitats gebieden. Het op 12,5 km afstand gelegen Natura2000-gebied 'De Biesbosch' daarentegen wel. Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) in werking getreden onder de Wet natuurbescherming (dat ook geldt onder de in te voeren Omgevingswet op 1 januari 2023). De Wsn bevat onder andere de resultaatsverplichting om stapsgewijs de stikstofbelasting op stikstofgevoelige habitattypes in de Natura 2000-gebieden onder de kritische depositiewaarde te krijgen. Hiertoe zijn een drietal omgevingswaarden opgenomen in de wet voor 2025, 2030 en 2035. Voor bouw-, aanleg- en sloopactiviteiten geldt een vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht. De vrijstelling geldt niet voor de gebruiksfase van wat wordt gebouwd of aangelegd. De tijdelijke gevolgen van door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie kunnen daarmee buiten beschouwing worden gelaten bij de natuurvergunning. In onderhavige situatie is er sprake van de nieuwbouw van 2 woningen. Belangrijke nadelige milieugevolgen voor de natuur vallen hierdoor niet op voorhand uit te sluiten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/910/documents/32771