CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

BOPA Flexwoningen Ridderkerk inclusief bijlagen.pdf

Commissie Samen wonen RK 27 november 2025, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 7: Onderbouwing BOPA flexwonen43.553 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 6

Er zijn twee manieren om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: • Standaardgevallen NIBM: Dit betreft categorieën van projecten, zoals kantoren, woonwijken of het telen van gewassen, die onder bepaalde grenzen van omvang blijven zoals beschreven in artikel 5.54 Bkl. Als een project buiten de gestelde grenzen valt, kunnen detailberekeningen helpen om aan te tonen dat de 3%-grens niet wordt overschreden. • Aannemelijk maken op andere wijze: In sommige gevallen kan een kwalitatieve berekening volstaan. Er is ook een NIBM-tool die snel kan bepalen of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging, maar soms zijn gedetailleerde berekeningen nodig. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide en/of fijnstof. Deze aandachtsgebieden zijn gedefinieerd in artikel 5.51, lid 3 Bkl, en gemeenten die onder agglomeraties vallen, worden aangegeven in artikel 2.38 van de Omgevingsregeling. Er zijn situaties waarin de luchtkwaliteit altijd moet worden beoordeeld, zoals: • Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit. • Bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter of bij een wijziging van een tunnel waarbij de lengte met minstens 100 meter toeneemt. • Bij de aanleg van een autoweg of autosnelweg.

Programma geluid en lucht, gemeente Ridderkerk De gemeente Ridderkerk heeft het programma geluid en lucht 2025 – 2029 vastgesteld. Dit programma is erop gericht de geluidsoverlast terug te dringen en de lokale luchtkwaliteit te verbeteren. Voor de luchtkwaliteit zijn onder andere richtlijnen voor gevoelige functies opgesteld. Sinds 2008 adviseert de GGD over de vestiging van gevoelige functies, zoals scholen en woonzorgcentra, langs drukke wegen. De gemeente Ridderkerk hanteert deze richtlijn al bij ruimtelijke aanvragen en legt met dit programma haar lokale beleid vast, vooral ter bescherming van kwetsbare groepen. Met de invoering van de Omgevingswet vervalt het Besluit gevoelige bestemmingen, waardoor gemeenten zelf beleid kunnen opnemen in het Omgevingsplan. De gemeente baseert haar richtlijn op geactualiseerd GGD-onderzoek uit 2022, waaruit blijkt dat emissies van wegverkeer sinds 2008 zijn gehalveerd. De GGD adviseert de volgende afstanden voor nieuwe gevoelige bestemmingen: • 150 meter van een snelweg • 25 meter van een drukke binnenstedelijke weg (>10.000 voertuigen per etmaal)

34

•

50 meter van een provinciale weg

De Rotterdamseweg is een Waterschapsweg. De gemeente beschouwd deze als een drukke weg. Gevoelige bestemmingen omvatten woonzorgcentra, woningen, kinderdagverblijven, scholen, buitenschoolse opvang, speeltuinen en sportvelden, met extra aandacht voor jongeren, ouderen en mensen met een zwakke gezondheid. Schone Lucht Akkoord Per april 2023 heeft de gemeente Ridderkerk zich aangesloten bij het Schone Lucht Akkoord (SLA). De gemeente werkt samen met het Rijk, provincies en andere gemeenten aan een gezondheidswinst van 50% in 2030, gemeten ten opzichte van 2016. Acties omvatten het stimuleren van elektrisch vervoer, het gebruik van walstroom voor schepen, het beperken van houtstook, en het plaatsen van groen, ondersteund door lokale meetnetten en subsidie voor pilotprojecten. Onderzoek Door KuiperCompagnons is een onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit in relatie tot de voorgenomen ontwikkeling aan de Rotterdamseweg in Ridderkerk. Dit onderzoek, opgenomen in bijlage 16, richt zich op de concentraties van stikstofdioxide (NO₂), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM2,5). Het doel van het onderzoek was vast te stellen of de locatie voldoet aan de geldende grenswaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving en de gemeentelijke beleidsregels uit het Programma geluid en lucht 2025–2029.

De berekeningen zijn uitgevoerd op drie representatieve afstanden vanaf de rand van de weg: 10 meter (de wettelijke toetsafstand), circa 40 meter (de locatie van de geplande woningen) en 80 meter (de uiterste afstand binnen het plangebied). De berekeningen zijn gedaan op een hoogte van 1,5 meter; metingen op 8 meter hoogte lieten minimale verschillen zien. De resultaten tonen aan dat de jaargemiddelde concentraties van NO₂, PM10 en PM2,5 in zowel 2025 als 2030 ruim onder de huidige en toekomstige grenswaarden blijven. Op 10 meter van de weg bedraagt de NO₂-concentratie circa 21 µg/m³ in 2025 en 19 µg/m³ in 2030; bij de woningen op 40 meter afstand liggen deze waarden nog lager. Een grotere afstand tot de weg leidt slechts tot een verwaarloosbare verbetering van de luchtkwaliteit. Er is geen sprake van een cumulatieve toename. Hoewel het Programma geluid en lucht 2025–2029 voor wegen met meer dan 10.000 voertuigen per etmaal buiten de bebouwde kom een afstandsnorm van 50 meter hanteert, is bij deze ontwikkeling gekozen voor een afstand van 40 meter. Uit de berekeningen blijkt dat ook op deze afstand ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan en de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de realisatie van de woningen. De locatie voldoet daarmee volledig aan de wettelijke eisen op het gebied van luchtkwaliteit.

Er zijn geen negatieve effecten op de gezondheid van toekomstige bewoners te verwachten. Een verdere verschuiving van de woningen zou bovendien geen merkbare verbetering opleveren, terwijl dit stedenbouwkundig onwenselijk is. Door de beperkte breedte van het perceel zou een verschuiving van 10 meter betekenen dat de bebouwing midden op het kavel komt te liggen, waardoor de aansluiting op de Rotterdamseweg en het omliggende landschap verloren gaat. De geplande woonblokken vormen bovendien een functionele “wand” die dienstdoet als geluidsbarrière voor het achterliggende gebied, vergelijkbaar met de bestaande bebouwing aan de overzijde van de weg. Het onderzoek bevestigt dat de ontwikkeling voldoet aan het principe van ETFAL. De realisatie van maximaal 97 flexwoningen levert geen significante bijdrage aan de concentraties van stikstofdioxide en fijnstof. Hoewel het plangebied binnen een aandachtsgebied voor luchtkwaliteit ligt, tonen de CIMLK-kaarten aan dat de concentraties van NO₂, PM10 en PM2,5 onder de geldende omgevingswaarden blijven. Een verdere afstandsvergroting heeft geen wezenlijke invloed op de luchtkwaliteit. Vanaf 40 meter en verder is de afname van concentraties verwaarloosbaar, terwijl ook dan aan de aangescherpte grenswaarden van 2030 wordt voldaan.

De stedenbouwkundige onderbouwing, die rekening houdt met zichtlijnen, de parkzone en ruimtelijke kwaliteit, ondersteunt daarom de huidige ligging. Tot slot zullen de woningen worden uitgerust met installaties met filtersystemen om de binnen luchtkwaliteit verder te optimaliseren. De toepassing van deze systemen wordt nader uitgewerkt in de volgende fase van de BOPA. Toetsing schone lucht akkoord Het Schone lucht akkoord werkt met maatregelen en niet met harde normen. De gemeente Ridderkerk is deelnemer aan het landelijke Schone Lucht Akkoord (SLA), dat tot doel heeft om in 2030 minimaal 50% gezondheidswinst te realiseren ten opzichte van 2016 door een permanente verbetering van de luchtkwaliteit. Het akkoord richt zich niet alleen op het naleven van de wettelijke grenswaarden, maar ook op het verder terugdringen van blootstelling aan luchtverontreiniging, zodat de gezondheid van inwoners structureel verbetert.

35

In het kader van dit project is een luchtkwaliteit onderzoek uitgevoerd. Hoewel de wettelijke toets aantoont dat de luchtkwaliteit voldoende is, vraagt het Schone Lucht Akkoord om verdere inzet op gezondheidswinst. Om hieraan invulling te geven worden binnen de dit plan de volgende aanvullende aandachtspunten meegenomen: • Emissiearme uitvoering: bij de realisatie van de flexwoningen wordt waar mogelijk gebruikgemaakt van elektrisch materieel en bouwlogistiek met lage emissies, conform de doelstellingen uit het SLA. • Stimuleren van schone mobiliteit: de locatie wordt voorzien van ruime fietsparkeervoorzieningen. Daarnaast wordt ingezet op het beperken van autoverkeer doordat de locatie in gelegen in de nabijheid van het openbaar vervoer. • Groen en luchtkwaliteit: binnen de inrichting van het terrein wordt ingezet op de aanplant van groen waarmee tevens een visuele en luchtzuiverende buffer ontstaat. • Gezonde woonkwaliteit: De woningen worden uitgerust met installaties met filtersystemen om de binnen luchtkwaliteit verder te optimaliseren. De toepassing van deze systemen wordt nader uitgewerkt in de volgende fase van de BOPA. Door deze maatregelen draagt het plan bij aan de ambitie van het Schone Lucht Akkoord om verdere gezondheidswinst te realiseren en de leefomgeving voor toekomstige bewoners zo schoon en gezond mogelijk te maken.

Conclusie De geplande flexwoningen aan de Rotterdamseweg kunnen veilig en verantwoord worden gerealiseerd. De luchtkwaliteit voldoet aan alle huidige en toekomstige normen, en de gekozen situering vormt een optimale balans tussen gezondheid, ruimtelijke kwaliteit en functionaliteit van het gebied.

4.4 Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen Kader Geluid kan aanzienlijke effecten hebben op zowel het woon- en leefklimaat als de gezondheid van mensen. De aanvaardbaarheid van geluidsbelasting onder de Omgevingswet is in grote mate een decentrale afweging. Het is de taak van de gemeente om in het omgevingsplan voor iedere locatie in haar gebied de gewenste geluidskwaliteit vast te leggen. In afdeling 3.5 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl) zijn regels opgenomen voor belangrijke geluidsbronnen, zoals industrieterreinen, wegen en spoorwegen. De regelgeving omtrent geluid heeft een tweeledige werking om zowel de bescherming tegen geluidsoverlast als de mogelijkheid voor nieuwe geluidsgevoelige functies te waarborgen. Enerzijds richt de wetgeving zich op de aanleg of wijziging van spoorwegen en industrieterreinen, anderzijds wordt ook de aanleg van nieuwe geluidsgevoelige gebouwen en functies (zoals woningen, scholen en zorginstellingen) en de locaties nabij geluidsbronnen gereguleerd. Er wordt onderscheid gemaakt tussen geluidsbronnen die een geluidsproductieplafond (GPP) hebben als omgevingswaarde, en bronnen met een basisgeluidsemissie (BGE). Geluidsbronnen met een GPP omvatten onder andere lokale spoorwegen die zijn aangewezen in de omgevingsverordening, rijkswegen, provinciale wegen, hoofdspoorwegen en industrieterreinen.

Geluidsbronnen met een BGE betreffen bijvoorbeeld lokale wegen (verharde gemeente- of waterschap wegen met meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal) en lokale spoorwegen die niet zijn aangewezen in de omgevingsverordening. Voor andere gebouwen of locaties, die niet expliciet onder de genoemde regels vallen, bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Binnen een geluidsaandachtsgebied is een akoestisch onderzoek noodzakelijk om de mogelijkheid te beoordelen voor de toelating van een geluidsgevoelig gebouw. Geluidsbronsoorten Rijkswegen en provinciale wegen Gemeentewegen en waterschap wegen Hoofdspoorwegen en lokale spoorwegen Industrieterreinen

Standaardwaarde 50 Lden 53 Lden 55 Lden 50 Lden 40 Lnight

Grenswaarde 65 Lden 70 Lden 70 Lden 60 Lden 50 Lnight

Tabel 2: Standaardwaarde en grenswaarde geluid per bronsoort op basis van het Bkl

Beleid gemeente Ridderkerk: ‘Beleidsregels geluid wegverkeer Omgevingswet’ en ‘Programma Geluid en Lucht 2025 – 2029’ De gemeente Ridderkerk heeft haar eigen geluidbeleid. Dit bestaat uit twee documenten: “Beleidsregels geluid wegverkeer Omgevingswet gemeente Ridderkerk” en “Programma Geluid en Lucht 2025 – 2029”. In de beleidsregels zijn voorwaarden beschreven om een hogere geluidsbelasting dan de standaardwaarde toe te staan. Deze voorwaarden zijn: Geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarde te

36

-

voldoen; De overschrijding van de standaardwaarde door het treffen van geluidbeperkende maatregelen zoveel mogelijk wordt beperkt; Het geluid op de geluidgevoelige gebouwen niet hoger is dan de voor deze situatie bepalende plandrempel van 61 dB voor wegen en spoorwegen.

Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als deze financieel doelmatig zijn en als daartegen geen overwegende bezwaren zijn van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, financiële en technische aard. Bij de nieuwe woningen zelf moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: Bij elke woning is er tenminste 1 geluidluwe gevel; Er is tenminste 1 geluidluwe (gezamenlijke) buitenruimte; Slaapkamers zijn zoveel mogelijk gesitueerd aan de zijde met de laagste cumulatieve geluidsbelasting; Het plafond bij balkons wordt, voor zover aanwezig, absorberend uitgevoerd indien gelegen aan een te geluidsbelaste zijde; Een dove gevel wordt toegepast als het geluid boven 5 dB de plandrempel van 61 dB uitkomt; Een dove gevel wordt vastgelegd in het ruimtelijke besluit; Elk gebouw heeft maximaal 1 dove gevel. In afwijking van deze regels mag voor woningen: Waarvoor geen geluidsluwe gevel kan worden gerealiseerd en dat meerzijdig is georiënteerd, ten minste 1 geluidluwe gevel per geluidgevoelig gebouw worden gerealiseerd; Zonder geluidsluwe buitenruimte binnen 100 m een geluidsluwe gemeenschappelijke buitenruimte beschikbaar worden gesteld; Voor woningen kleiner dan 30 m² geldt dat bij de helft van deze woningen een geluidsluwe gevel en buitenruimte aanwezig moet zijn.

De gemeente Ridderkerk hanteert vanuit het Programma Geluid en Lucht 2025 – 2029 daarnaast plandrempels voor de totale gecumuleerde geluidbelasting. Deze plandrempel bedraagt 63 dB Lden en 55 dB Lnight. In tabel 3 zijn de verschillende plandrempels opgenomen. Wegverkeer Gecumuleerde geluidbelasting Tabel 3: De plandrempel voor de verschillende geluidsbronsoorten

Plandrempel 61 dB Lden 63 dB Lden 55 dB Lnight

Onderzoek Onderbouwing afwijking geluidbeleid Door KuiperCompagnons is in oktober 2025 een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de effecten van wegverkeerlawaai op de voorgenomen realisatie van 97 flexwoningen aan de Rotterdamseweg te Ridderkerk (Bijlage 10). Het onderzoek is uitgevoerd op grond van artikel 5.78s van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), omdat het plangebied is gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van enkele gemeentewegen, een waterschapsweg (Rotterdamseweg) en rijkswegen. Daarbij is getoetst aan de standaardwaarden en grenswaarden uit het Bkl en de plandrempels uit het gemeentelijke geluidbeleid van de gemeente Ridderkerk. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidsbelasting door verkeer de standaardwaarden uit het Bkl overschrijdt op de gevels met zicht op de Rotterdamseweg, maar dat de grenswaarden nergens worden overschreden. De berekende maximale geluidsbelasting bedraagt: • Rotterdamseweg (waterschapsweg): 63 dB • Gemeentewegen: 54 dB • Rijkswegen: 51 dB De grenswaarde wordt voor geen van de geluidsbronsoorten overschreden. Omdat ook de plandrempels voor de cumulatieve geluidsbelasting uit het gemeentelijke beleid niet worden overschreden is de toepassing van een niet-geluidsgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen of een dove gevel niet noodzakelijk.

Doelmatigheid van bron- en overdrachtsmaatregelen Omdat de geluidsbelasting door de Rotterdamseweg maatgevend is, is onderzocht welke bron- en overdrachtsmaatregelen doelmatig zijn. Uit de toepassing van het doelmatigheidscriterium blijkt dat een combinatie van het reeds aanwezige stille wegdek (dunne geluidsreducerende deklaag type A) met een geluidsscherm van 274 meter lang en 2,5 meter hoog nog doelmatig is. Dit scherm wordt absorberend uitgevoerd en door de gemeente geplaatst langs de Rotterdamseweg, direct

37

achter de bushalte. Met deze maatregel daalt de geluidsbelasting tot circa 58 dB, waarmee de plandrempel van 61 dB niet wordt overschreden. Indien het scherm verder van de weg zou worden geplaatst, zou dit vanwege maaiveldverlaging een verhoging van 1 à 1,5 meter vereisen; deze variant is minder doelmatig. Toepassing gemeentelijk beleid en maatregelen Omdat de standaardwaarde voor wegverkeer wordt overschreden, is op basis van het gemeentelijk geluidbeleid onderzocht welke maatregelen doelmatig zijn om de geluidsbelasting verder te reduceren. De volgende maatregelen worden toegepast: • Bouwkundige maatregelen: De gevels aan de Rotterdamseweg worden voorzien van geluidwerende voorzieningen (zoals SilentAir-gevelschermen of Harbour-vensters), waardoor natuurlijke ventilatie mogelijk blijft zonder dat buitengeluid significant binnendringt. • Stedenbouwkundige oriëntatie: Alle woningen beschikken over een geluidsluwe gevel aan de noordoostzijde, gericht op het verblijfsgebied en de Blaakwetering. • Geluidsluwe buitenruimtes: Voor iedere woning is minimaal één geluidsluwe (gemeenschappelijke) buitenruimte beschikbaar. Buitenruimtes aan de Rotterdamseweg worden, waar nodig, voorzien van gesloten borstweringen en plafondabsorptie om de geluidsbelasting verder te beperken.

• Plattegrondoriëntatie: De woningplattegronden (met uitzondering van studio’s) zijn afgestemd op de akoestische situatie: slaapkamers liggen zoveel mogelijk aan de geluidsluwe zijde. Indien een slaapkamer is georiënteerd op de Rotterdamseweg, worden aanvullende gevelmaatregelen toegepast. Stedenbouwkundige opzet in relatie tot geluid De woningen zijn zodanig gepositioneerd dat de noordoostzijde geluidsluw blijft, waardoor het wooncomfort aan deze zijde volledig wordt gewaarborgd. De ruimtelijke opzet, met een afstand van circa 40 meter tot de Rotterdamseweg en de ligging van de geluidsluwe gemeenschappelijke buitenruimtes, zorgt voor een gunstige geluidsomgeving. Op verzoek van omwonenden is de zichtlijn vanaf de Sportlaan richting de Ringdijk behouden, door de bebouwing te concentreren langs de Rotterdamseweg. Deze opzet biedt niet alleen het gewenste stedenbouwkundige beeld, maar fungeert tevens als geluidsscherm voor het achterliggende verblijfsgebied tussen de flexwoningen en de Blaakwetering. Een grotere afstand tot de Rotterdamseweg is ruimtelijk niet wenselijk, omdat de resterende strook langs de Blaakwetering dan te smal zou worden voor een kwalitatief verblijfsgebied.

Maatschappelijk belang De ontwikkeling heeft een groot maatschappelijk belang: de flexwoningen zijn bedoeld voor de tijdelijke huisvesting van Oekraïense vluchtelingen en voorzien daarmee in een urgente woonbehoefte. De realisatie draagt bij aan de lokale en regionale opvangcapaciteit en voorkomt sociale en maatschappelijke knelpunten. Indirecte akoestische effecten De indirecte akoestische effecten, zoals extra verkeersbewegingen en geluidsreflectie door de nieuwbouw, zijn berekend. De toename van de geluidsbelasting bij bestaande woningen aan het Dolfijnpark bedraagt maximaal 0,5 dB en aan de overzijde van de Rotterdamseweg maximaal 0,4 dB. Omdat deze toename ruimschoots onder de grens van 1,5 dB blijft, zijn de indirecte effecten niet-significant. Conclusie De geplande flexwoningen aan de Rotterdamseweg voldoen aan de akoestische randvoorwaarden. Dankzij de zorgvuldige stedenbouwkundige opzet, het absorberende geluidsscherm en diverse bouwkundige maatregelen blijft de geluidsbelasting binnen de gestelde grenswaarden en is voor alle woningen een geluidsluwe zijde gegarandeerd. De indirecte akoestische effecten zijn verwaarloosbaar (<1,5 dB). Daarmee biedt het plan een evenwichtige balans tussen geluidsbescherming en het maatschappelijke doel van tijdelijke huisvesting, en voldoet het aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties vanuit akoestisch oogpunt.

4.5 Geur Kader De kwaliteit van de fysieke leefomgeving kan worden beïnvloed door geurhinder die ontstaat door activiteiten die in of rondom het plangebied zijn toegestaan. Bij een vergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) moet daarom rekening worden gehouden met de geurbelasting die door activiteiten binnen en buiten het plangebied, ter hoogte van geurgevoelige gebouwen binnen en buiten het deelplangebied, optreedt. Het wettelijk kader voor geurhinder is opgenomen in verschillende wettelijke kaders, afhankelijk van het type activiteit. Geurhinder kan een rol spelen in diverse sectoren, zoals veehouderijen, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en andere milieubelastende activiteiten. Activiteiten moeten voldoen aan de regels die in het omgevingsplan zijn vastgelegd.

38

Het Rijk heeft specifieke regels gesteld voor geurbelasting met betrekking tot bepaalde gebouwen, met name voor geurgevoelige gebouwen. Deze regels zijn opgenomen in de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), die gericht zijn op het beschermen van geurgevoelige gebouwen. Voor overige gebouwen of locaties, die geen geurgevoelige functie hebben, bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geur. De gemeente heeft de taak om functies evenwichtig toe te delen aan locaties, waarbij zij ook rekening houdt met geurhinder. Dit betekent dat de gemeente, afhankelijk van de specifieke situatie, maatregelen kan nemen om geurhinder te beperken of te voorkomen. Volgens artikel 5.91 Bkl moeten geurgevoelige gebouwen die zijn aangewezen door het Rijk, altijd beschermd worden tegen geurhinder. Specifieke beoordelingsregels voor geurbelasting worden bepaald aan de hand van de aard van de activiteit en de gevoeligheid van het gebouw of de locatie. Onderzoek In het kader van de ontwikkeling van flexwoningen is onderzoek gedaan naar de mogelijke geurbelasting vanuit de nabijgelegen Stoeterij De Woude. Deze paardenhoudenrij bevindt zich op het naastgelegen perceel van de geplande woningen, waardoor het noodzakelijk is om na te gaan of sprake is van een toelaatbare situatie.

Uit archiefonderzoek van de DCMR blijkt dat voor deze locatie in 1994 een vergunning is verleend op basis van de Wet milieubeheer voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor het fokken, trainen, houden en verhandelen van paarden. In deze vergunning is het houden van 35 volwassen paarden en 15 paarden in opfok toegestaan. De bijbehorende plattegrond uit 1994 toont aan dat de stallen toen al op relatief korte afstand (circa 17 meter) van nabijgelegen woningen lagen. Er zijn sindsdien geen uitbreidingen of verplaatsingen van het dierenverblijf geweest. Ook is in 2002 een aanvullende vergunning verleend, echter uitsluitend voor een lichtmast en een dieselolietank. Er is geen sprake van uitbreiding van het aantal dieren of verandering in de ruimtelijke situatie. Doordat het fokken van paarden is toegestaan en vergund, worden de paarden juridisch aangemerkt als landbouwhuisdieren. Daarmee is in beginsel artikel 5.112 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) van toepassing. Dit artikel schrijft – afhankelijk van de ligging binnen of buiten een geurcontour – een minimale afstand voor tussen het dierenverblijf en een geurgevoelig gebouw. In deze situatie is echter sprake van eerbiedigende werking op grond van artikel 22.102 van de bruidsschat bij het omgevingsplan.

Deze bepaling maakt het mogelijk om bij rechtmatig tot stand gekomen situaties waarin niet aan de standaardafstand wordt voldaan, toch de bestaande (kortere) afstand te handhaven, mits: • de afstand sinds inwerkingtreding van eerdere geurregelgeving (zoals de Wet geurhinder en veehouderij of het Activiteitenbesluit milieubeheer) niet is verkleind, en • het aantal dieren niet is toegenomen. Aangezien: • de vergunning uit 1994 al voorzag in de huidige omvang en ligging van de paardenhoudenrij, • het aantal dieren sindsdien niet is toegenomen, • de afstand tot omliggende woningen niet is verkleind, en • er geen wijzigingen zijn doorgevoerd in de opzet van het bedrijf, wordt voldaan aan alle voorwaarden voor eerbiedigende werking. Er hoeft derhalve niet alsnog te worden voldaan aan de standaardafstanden van artikel 5.112 Bkl, waarbij de afstand 50 meter betreft. De vergunde situatie blijft toelaatbaar en is in overeenstemming met de geldende regelgeving. Op basis van de bestaande vergunde situatie en de werking van artikel 22.102 van de bruidsschat, is sprake van een toelaatbare geurafstand tussen de stoeterij en de nieuw te realiseren flexwoningen. De woningen worden namelijk gerealiseerd op een afstand van circa 50 meter en zijn daarmee ook in lijn met het Bkl.

Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is wat betreft geur niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd. De geurbelasting als gevolg van de voorgenomen activiteit is getoetst aan de geldende normen en blijft binnen de aanvaardbare grenzen, ook al kunnen er enige geurcomponenten aanwezig zijn. Dit betekent dat de geurimpact op geurgevoelige gebouwen of locaties binnen de norm valt en er geen onaanvaardbare risico’s voor de gezondheid of het welzijn van toekomstige bewoners of gebruikers worden verwacht.

39

4.6 Trillingen Kader Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA) moet rekening worden gehouden met het aspect trillingen, als onderdeel van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (art. 5.1 Omgevingswet en art. 8.0b Bkl). Het juridisch kader voor trillingen is vastgelegd in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Deze regels zijn van toepassing op trillingen met een frequentie van 1 tot 80 Hz, veroorzaakt door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Het gaat bijvoorbeeld om woningen, kantoren of zorggebouwen. De maximaal toegestane trillingswaarden zijn opgenomen in: • Artikel 22.88 (voor continue trillingen), en • Artikel 5.87a (voor herhaald voorkomende trillingen). Bij de beoordeling van een BOPA moet worden aangetoond dat de activiteit niet leidt tot overschrijding van deze grenswaarden. Indien nodig moeten maatregelen worden getroffen om hinder of schade te voorkomen. Door aan deze normen te voldoen, wordt geborgd dat de ontwikkeling past binnen een verantwoorde leefomgeving en daarmee voldoet aan de eisen van de Omgevingswet. Onderzoek Met deze BOPA-vergunning worden geen activiteiten toegestaan die trillingen veroorzaken.

Bovendien zijn er geen activiteiten binnen de directe omgeving van de geplande ontwikkeling die significante trilling overlast zouden kunnen veroorzaken. De omgeving is voornamelijk rustig, met overwegend agrarische en woonbestemmingen, waar geen trillingen veroorzakende activiteiten plaatsvinden die de toekomstige bewoners zouden kunnen storen. Aangezien er geen infrastructuur of bedrijven in de buurt zijn die trillingsoverlast veroorzaken, is de verwachting dat de geplande woningen niet worden blootgesteld aan schadelijke of hinderlijke trillingen. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is wat betreft trillingen door activiteiten niet evident onuitvoerbaar en kan op aanvaardbare wijze worden gerealiseerd.

4.7 Bodemkwaliteit Kader Het wettelijk kader voor bodemgebruik en bescherming is vastgelegd in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en wordt verder uitgewerkt in het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet. Dit kader heeft als doel de bescherming van de gezondheid en het milieu door het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem. Er worden drie hoofdcategorieën van bodemgebruik onderscheiden, waarop specifieke regels van toepassing zijn: • • •

Landbouw en natuur Wonen Industrie

Voor elke categorie zijn risicogrenswaarden vastgesteld die de toelaatbare bodemkwaliteit bepalen, afhankelijk van het beoogde gebruik en de specifieke omstandigheden van het gebied. De wettelijke eisen zijn gericht op het voorkomen van schade aan de bodem en het milieu door verontreiniging of ongepast gebruik. Volgens artikel 5.89i Bkl worden in het definitieve omgevingsplan de waarden vastgelegd voor de toelaatbare bodemkwaliteit, met name voor het bouwen van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties. Deze waarden kunnen per gebied of gebruiksfunctie verschillen. In geval van overschrijding van de vastgestelde waarden voor de bodemkwaliteit, mag het bouwen van een bodemgevoelig gebouw uitsluitend plaatsvinden onder strikte voorwaarden. Dit betekent dat het project alleen kan doorgaan indien de voorgeschreven sanerende of beschermende maatregelen, zoals vastgesteld in artikel 5.89K Bkl, worden getroffen om de risico's voor gezondheid en milieu te minimaliseren. Naast de vastgestelde normen voor bodemkwaliteit, bevat het Aanvullingsbesluit bodem en het Besluit activiteiten leefomgeving aanvullende regels met betrekking tot bodembeheer, zoals:

40

• • •

Nazorg na sanering: Artikel 5.89n Bkl bepaalt dat voor saneringen en bodembeheer, nazorg verplicht is. Dit kan betrekking hebben op maatregelen die in het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of maatwerkvoorschrift zijn vastgelegd. Graven in de bodem: In paragraaf 3.2.21 en 3.2.22 Bkl worden de voorwaarden voor graafactiviteiten in de bodem geregeld. Specifieke toetsingscriteria gelden voor activiteiten die de bodem kunnen verstoren of verontreinigen. Historische bodemverontreiniging: Het beleid voorziet ook in regels voor het omgaan met locaties waar sprake is van historische bodemverontreiniging, mits er geen onaanvaardbare risico’s voor gezondheid of milieu zijn. Dit betekent dat een gedegen risicobeoordeling en geschikte beheersmaatregelen nodig zijn om verdere verontreiniging of schade te voorkomen.

Bij wijzigingen van activiteiten op een locatie moet de bodem altijd geschikt worden bevonden voor het beoogde gebruik. Het is verplicht dat de bodemkwaliteit in lijn is met de vastgestelde risicogrenswaarden en dat de noodzakelijke saneringsof beschermende maatregelen zijn getroffen, indien nodig. Onderzoek In de periode april tot mei 2025 is op de locatie aan de Rotterdamseweg te Ridderkerk een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door ABO-Milieuconsult B.V. Dit onderzoek is in bijlage 1 toegevoegd. Het onderzoek is verricht conform de normen NEN 5725 en NEN 5740 en vond plaats in het kader van de ontwikkeling van Flexwoningen aan de Rotterdamseweg in Ridderkerk. De locatie, kadastraal bekend als gemeente Ridderkerk, sectie A, nummer 8528 (gedeeltelijk), heeft een oppervlakte van circa 25.000 m² en is momenteel in gebruik voor agrarische doeleinden. Het terrein is deels bebouwd met gewassen en deels in gebruik als weiland. Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek wordt de locatie als verdacht beschouwd op de mogelijke aanwezigheid van organische chloriden (OCB) en PFAS. In totaal zijn 34 boringen verricht, waarvan vier zijn afgewerkt met een peilbuis (boringen 01 t/m 04, met een filterstelling tussen 2,0 en 3,0 meter minus maaiveld). Op 8 mei 2025 is de grondwaterstand gemeten, variërend van 0,55 tot 0,85 meter onder maaiveld.

Uit de resultaten van het bodemonderzoek blijkt het volgende: In de vrijkomende grond zijn plaatselijk bodemvreemde bijmengingen van baksteen aangetroffen. In de bovengrond zijn lichte verontreinigingen vastgesteld met zware metalen, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en bestrijdingsmiddelen. Ook is de bovengrond licht verontreinigd met PFAS/PFOS, passend binnen het plaatselijk geldende PFAS-beleid en vallend in de klasse wonen/industrie. De ondergrond daarentegen vertoont geen verontreiniging met de geanalyseerde parameters. Specifiek is ter hoogte van de oostelijke dam lichte verontreiniging aangetroffen met koper, zink, lood en PAK, terwijl de westelijke dam licht verontreinigd is met PAK. Op de locatie van de voormalige watergang zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater bevat geen verhoogde concentraties boven de geldende signaleringswaarden. Gezien deze resultaten moet de hypothese van een onverdachte locatie formeel worden verworpen. De vastgestelde bodemkwaliteit vormt echter geen belemmering voor het indienen van de omgevingsplanactiviteit met betrekking tot de beoogde bouwwerken. Het wordt aanbevolen om bij graafwerkzaamheden de vrijkomende grond zo veel mogelijk op het terrein zelf te verwerken.

Hoewel bijmengingen van baksteenpuin zijn aangetroffen, worden deze, conform bijlage A4 van NEN 5725, niet als asbestverdacht aangemerkt, waardoor aanvullend asbestonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Tot slot wordt opgemerkt dat op basis van dit onderzoek geen definitieve uitspraken kunnen worden gedaan over de hergebruiksmogelijkheden van eventueel af te voeren grond. Er wordt bij voorgenomen ontwikkeling echter uitgegaan van een gesloten grondbalans binnen de daarvoor geldende regels. Conclusie Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek is vastgesteld dat de bodemkwaliteit op deze locatie in voldoende mate is afgestemd op het beoogde gebruik. Hoewel iedere ontwikkeling invloed heeft op de fysieke leefomgeving, levert het aspect ‘bodem’ in dit geval geen belemmeringen op voor de uitvoerbaarheid van de activiteit. De resultaten van het onderzoek geven geen aanleiding tot het treffen van aanvullende maatregelen. Daarmee wordt voldaan aan de zorgplicht uit de Omgevingswet en draagt dit aspect bij aan een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit ondersteunt een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, in de zin van het Besluit kwaliteit leefomgeving.

4.8 Omgevingsveiligheid Kader Omgevingsveiligheid betreft de risico’s die ontstaan door de opslag, productie, het gebruik en het vervoer van gevaarlijke stoffen, evenals door de aanwezigheid van windturbines. De hoofdlijnen van het wettelijk kader met betrekking tot omgevingsveiligheid zijn vastgelegd in de instructieregels in afdeling 5.1 van het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (Bkl). In bijlage VII van het Bkl worden activiteiten aangewezen als risicobronnen, die van belang zijn voor de regels rondom het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. De betreffende risicobronnen zijn:

41

Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, als milieubelastende activiteiten volgens het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal); • Het basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor; • Buisleidingen die gevaarlijke stoffen transporteren, die als milieubelastende activiteit in het Bal zijn opgenomen; • Windturbines die als milieubelastende activiteit zijn aangewezen in het Bal. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl behandelen het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen, evenals beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties, in verband met het externe veiligheidsrisico van activiteiten die op basis van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning zijn toegelaten voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten. Plaatsgebonden Risico De grenswaarden en standaardwaarden voor het plaatsgebonden risico (PR) met betrekking tot (zeer) kwetsbare en (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties zijn vastgelegd in artikelen 5.6 tot en met 5.11 van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (artikel 5.7, lid 1 Bkl) worden in het Omgevingsplan opgenomen. Standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties worden eveneens in het omgevingsplan in acht genomen (artikel 5.11 Bkl).

Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de aard van de activiteit, vastgestelde afstanden of afstanden die rekenkundig moeten worden bepaald (bijlage VI Bkl) Groepsrisico Het groepsrisico betreft het risico voor een grotere groep mensen in de omgeving van een risicobron. In dit kader worden aandachtsgebieden geïntroduceerd. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (artikel 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht, maar aandachtsgebieden gelden automatisch voor activiteiten met gevaarlijke stoffen. Deze aandachtsgebieden geven aan waar mensen binnenshuis onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen, zoals brand, explosie of gifwolk. Afhankelijk van het type risicovolle activiteit, zijn voor het aandachtsgebied vaste afstanden vastgesteld of moeten afstanden rekenkundig worden bepaald (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register Externe Veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan een voorschriftengebied worden ingesteld. Dit voorschriftengebied kan door de gemeente in het omgevingsplan worden aangewezen, waarbij de gemeente ervoor kan kiezen om af te zien van de aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner gebied aan te wijzen (artikel 5.14 Bkl).

Als een initiatief binnen een voorschriftengebied valt, gelden er aanvullende bouweisen voor nieuwbouw, zoals beschreven in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) (artikelen 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagverblijven en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, wat betekent dat er aanvullende bouweisen moeten worden nageleefd bij nieuwbouw (artikel 5.14 Bkl). Naast de voorschriften voor nieuwbouw kunnen gemeenten aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld met betrekking tot vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied voor hulpdiensten. Het berekenen van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel. Het is niet verplicht, maar een gemeente kan besluiten om deze berekening op te nemen als voorschrift voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van een situatie. Onderzoek Bij de voorgenomen ontwikkeling worden nieuwe kwetsbare gebouwen mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Dit betekent dat bij de planvorming rekening moet worden gehouden met de relevante aspecten van omgevingsveiligheid, waaronder de aanwezigheid van risicobronnen in de omgeving en de mogelijke effecten daarvan op de veiligheid van toekomstige bewoners.

42

Afbeelding 4.8: Kaart externe veiligheid (bron: Atlasleefomgeving)

Een groepsrisico berekening is in dit geval niet nodig. Ook ligt het de ontwikkeling ver buiten de PR 10-6 contour. Bij het groepsrisico gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Binnen de geldende veiligheidsnormen wordt een afweging gemaakt tussen het groepsrisico en de maatschappelijke aanvaardbaarheid ervan. In dit geval is er geen sprake van een verhoogd groepsrisico dat boven de vastgestelde normering uitkomt, en is het nemen van aanvullende maatregelen in de planvorming niet noodzakelijk. Het plangebied ligt buiten het brandaandachtsgebied, wat betekent dat de gevolgen van brandbare stoffen die worden vervoerd over nabijgelegen transportroutes geen directe invloed hebben op het gebied. Wel bevindt het plangebied zich binnen een gifwolkaandachtsgebied. Dit houdt in dat bij een ongeval met gevaarlijke stoffen in de omgeving, zoals een lekkage of emissie van toxische gassen, er een theoretische kans is op blootstelling aan schadelijke stoffen binnen het plangebied. Een belangrijke generieke maatregel die in de regelgeving is opgenomen voor nieuwbouw is de toepassing van afsluitbare mechanische ventilatie. Dit betekent dat gebouwen zodanig worden ontworpen dat bewoners bij een incident met een giftige wolk tijdelijk een veilige binnenruimte kunnen creëren.

Dit is een standaard eis die voor alle nieuwbouw geldt en die zonder aanvullende maatregelen binnen de ontwikkeling kan worden geïmplementeerd. Omdat het plangebied in een aandachtsgebied is gelegen is het nodig om een korte paragraaf op te nemen over zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. In het plangebied worden geen functies mogelijk gemaakt die specifiek bedoeld zijn voor personen met een beperkte zelfredzaamheid, zoals kinderen van 0 tot 4 jaar, ouderen, gehandicapten of gevangenen. Mogelijkheden tot voorbereiden van bestrijding en beperking van rampen Risicocommunicatie naar de toekomstige bewoners is zeer belangrijk. Bij aankoop van een woning of het sluiten van een huurcontract kunnen de bewoners op de externe veiligheidsrisico's gewezen worden. Er kan informatie worden verstrekt over de maatregelen die zijn getroffen ter voorkoming en bestrijding van incidenten en over de daarbij te volgen gedragslijn.

Het is wellicht wenselijk om een kettingbepaling af te dwingen, zodat toekomstige bewoners ook van de situatie op de hoogte zijn. De gemeente heeft in dit kader een informatieplicht. Ten behoeve van de zelfredzaamheid is het van belang dat het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) wordt ingezet. Daarnaast wordt er een doorsteek gerealiseerd welke aansluit op de ontsluiting aan de Benedenrijweg. Vanaf de parkeerplaatsen zal dit een pad worden welke toegankelijk is voor hulpdiensten maar verder dient als voetpad.

43

Daarnaast dient aandacht te worden gevraagd voor de detaillering van gevels, ramen en kozijnen, zodat deze goed luchtdicht zijn uitgevoerd volgens de normen uit het Bbl. Het is belangrijk om tijdens de bouw te controleren of dit goed wordt uitgevoerd. Conclusie Op basis van de uitgevoerde risicobeoordeling kan worden geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling, wat betreft het aspect ‘omgevingsveiligheid’, geen onaanvaardbare risico’s oplevert voor de fysieke leefomgeving. Dit waarborgt een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en draagt bij aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.9 Geluid door activiteiten Kader Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties gelden er instructieregels vanuit het Rijk over geluid van activiteiten (paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl). De beoordeling van geluid door activiteiten kan op twee manieren worden benaderd: Geluid producerende activiteit: wanneer de voorgenomen ontwikkeling geluid produceert, wordt beoordeeld of het geluidsniveau voldoet aan de geldende normen en of dit geen onaanvaardbare hinder oplevert voor de fysieke leefomgeving. In het kader van de Omgevingswet (artikel 1.7 zorgplicht) wordt beoordeeld of de activiteit geen negatieve invloed heeft op de omgevingskwaliteit, inclusief geluidsoverlast. Er wordt gekeken naar de aard van de geluidsproductie, het geluidsniveau, de duur en de tijdstippen waarop het geluid wordt geproduceerd. Dit gebeurt in lijn met de geldende geluidsnormen. Geluidsgevoelig object: wanneer de activiteit plaatsvindt in de nabijheid van een geluidsgevoelig object (zoals een woning of school), moet worden onderzocht of de bestaande activiteiten in de omgeving geen onaanvaardbare geluidshinder veroorzaken. Dit betekent dat wordt getoetst of de geluidsbelasting van omliggende activiteiten voldoet aan de normen voor geluidsbelasting die zijn bedoeld om overlast voor de bewoners te voorkomen.

Hierbij wordt opnieuw rekening gehouden met de zorgplicht uit artikel 1.7 van de Omgevingswet, die vereist dat geen nadelige effecten op de fysieke leefomgeving mogen ontstaan. In beide gevallen wordt getoetst of de geluidshinder voldoet aan de geldende geluidsnormen en of er passende maatregelen worden getroffen om overlast te beperken. Als de geluidsoverlast de normen overschrijdt, kunnen er maatregelen worden opgelegd. Onderzoek Er is onderzocht of er binnen of in de nabijheid van het plangebied bedrijven of andere milieubelastende activiteiten aanwezig zijn die hinder zouden kunnen veroorzaken voor de voorgenomen ontwikkeling. Deze beoordeling is belangrijk om zowel het woon- en leefklimaat voor toekomstige bewoners te waarborgen, alsook om te voorkomen dat bestaande bedrijfsactiviteiten in de omgeving belemmerd worden. Uit de inventarisatie blijkt dat er zich geen bedrijven of activiteiten in de directe omgeving van het plangebied bevinden die een belemmering vormen voor de geplande ontwikkeling van flexwoningen. Het plangebied is voornamelijk omgeven door woonbebouwing. In de nabije omgeving bevindt zich echter een paardenhoudenrij, waarbij het geuraspect belangrijker is dan geluidsoverlast. De afstand die wordt gehanteerd op basis van de geurcontour (zie hoofdstuk 2.8.5) voldoet tevens aan de eisen voor geluidsoverlast (50 meter).

Op basis van de huidige inzichten zijn er binnen en rondom het plangebied geen bedrijven of activiteiten aanwezig die een belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling heeft voor wat betreft het aspect ‘geluid door activiteiten’ geen negatieve invloed op het realiseren van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Dit aspect draagt op zichzelf daarom bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10

Water en klimaatadaptatie

Kader Op grond van artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) moet bij een BOPA-vergunning rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij moeten de opvattingen van de beheerder van deze watersystemen worden betrokken. Daarnaast is er een groot aantal beleidsstukken dat betrekking heeft op de waterhuishouding. Hieronder wordt een en ander uiteengezet.

44

Europees en rijksbeleid Het Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. De ministeries van Infrastructuur en Waterstaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit hadden de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het opstellen van het NWP. Zij ontwikkelden dit samen met medeoverheden, drinkwaterbedrijven, maatschappelijke organisaties en branche- en sectorpartijen. Om de uitdagingen rondom water het hoofd te bieden is samenwerking cruciaal. Op grond van Europese regelgeving en de nationale Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. In het NWP komen het oude Nationaal Waterplan (voor beleid) en het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren (voor beheer) samen. Daarnaast zijn het Programma Noordzee, de stroomgebiedbeheerplannen en de overstromingsrisicobeheerplannen onderdeel van het NWP. Hiermee geeft het programma invulling aan de Europese richtlijnen voor water. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater en waterverdeling, waterkwaliteit en natuur scheepvaart en de functies van de rijkswateren.

Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij wordt gekeken naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema’s, ook in de verschillende ‘water’ gebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en RijnmondDrechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast worden de raakvlakken laten zien tussen water en andere thema’s als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht van wat Nederland nu en in de toekomst te wachten staat. Waterwet (onderdeel van Omgevingswet) De voormalige waterwet is één van de 26 wetten die in de Omgevingswet is opgegaan. De wet regelt het beheer van de waterkeringen, het oppervlaktewater en het grondwater, verbetert de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening en zorgt voor een eenduidige bestuurlijke procedure en daarbij behorende rechtsbescherming voor besluiten. De Waterwet dient als paraplu om de Kaderrichtlijn Water (KRW) te implementeren en geeft ruimte voor implementatie van toekomstige Europese richtlijnen.

De waterschappen hebben een bevoegdheid voor het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen, bemalingen en infiltraties, met uitzondering van onttrekkingen voor drinkwater, koude en warmteopslag en grote industriële onttrekkingen van meer dan 150.000 m3/jaar. Gemeenten hebben verdergaande taken en bevoegdheden in het kader van de zorgplicht voor het inzamelen van afvalwater in de riolering en voor hemelwater en grondwater. Kaderrichtlijn water De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) geeft een kader voor de bescherming van de ecologische en chemische kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater. Zo dienen alle waterlichamen in 2027 een “goede ecologische toestand” (GET) te hebben bereikt en dienen sterk veranderende c.q. kunstmatige wateren in 2027 een “goed ecologisch potentieel” (GEP) te hebben bereikt. De chemische toestand dient in 2027 voor alle wateren (natuurlijk en kunstmatig) goed te zijn. Water en bodem sturend Voldoende en schoon water en een gezonde bodem. Het is van groot belang voor iedereen in ons land. Het kabinet wil bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dat heeft de ministerraad besloten, op voorstel van het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Daarom zijn er diverse structurerende keuzes gemaakt.

Veel van deze keuzes zijn randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen. Onderzoek Door Netten Wateradvies is een waterhuishoudkundige plan opgesteld, deze is in bijlage 2 toegevoegd. In dit plan wordt een beschrijving gegeven van de huidige waterkundige situatie van het gebied, de wateropgaven die voortvloeien uit de geplande gebiedsontwikkeling en de technische en ruimtelijke maatregelen die nodig zijn om deze opgaven adequaat op te vangen. Huidige situatie Maaiveldhoogte en bodemopbouw Het plangebied ligt gemiddeld op -1,32 meter NAP, met uitschieters tot -2,27 meter. Het huidige gebruik bestaat uit bouwland met voornamelijk open teelt van groenten. De bodem is opgebouwd uit klei- en veenlagen. Uit bodemonderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde ontwikkeling, maar dat het gebied moet worden voorbelast en opgehoogd om zettingen van maximaal 15 cm in 30 jaar te beperken.

45

Grondwater De hoogste grondwaterstand (GHG) ligt volgens landelijke modellen tussen de 0,80 en 1,30 meter onder maaiveld, afhankelijk van het scenario. Door de geplande ophoging is de verwachting dat grondwater geen knelpunt vormt. Wel moet in de verdere uitwerking rekening worden gehouden met bodemdaling. Oppervlaktewatersysteem Het plangebied ligt in peilgebied ‘Slikkerveer west en centrum Ridderkerk’ met een vast peil van -2,10 meter NAP. Het gebied is omgeven door drie watergangen: • • •

In het noorden de Blaakwetering (waterschap); In het oosten een gemeentelijke sloot; In het zuiden een wegsloot van het waterschap.

Er zijn daarnaast diverse bruggen en duikers aanwezig, die blijven functioneren als ontsluitingsstructuur. Wateropgaven bij ontwikkeling Regionale en lokale wateropgave Met de transformatie van akkerbouwgrond naar bebouwd gebied, veranderen ook de normen voor waterveiligheid. Waar voorheen een overstromingsfrequentie van eens per 25 jaar (T=25) gold, geldt nu een frequentie van eens per 100 jaar (T=100). Dit betekent dat het gebied nog beter moet worden beschermd tegen wateroverlast. De modelanalyses van het waterschap wijzen uit dat bij de huidige situatie bij een T=100-bui een deel van het perceel overstroomt, met een bergingscapaciteit van 2.017 m³. Bij ophoging van het terrein verdwijnt deze opvangcapaciteit en moet deze volledig worden gecompenseerd, bij voorkeur binnen het plangebied of direct aangrenzend. Compensatie verhard oppervlak Voor de toename van verharding dient er 14% water compensatie uitgevoerd te worden. Deze compensatie dient te worden uitgevoerd in de vorm van open water. De toename aan verhard oppervlak wordt geraamd op 3.162,5 m², wat betekent dat volgens de regels van het waterschap 442,75 m² extra open water moet worden gerealiseerd. Het gaat om verharde wegen, parkeerplaatsen en dakoppervlakken. Klimaatadaptatie De gemeente Ridderkerk heeft het Convenant Klimaatadaptief Bouwen ondertekend.

Hierin staat onder meer dat bij extreme neerslag (70 mm in 1 uur voor T=100 en 90 mm in 1 uur voor T=250) geen schade mag ontstaan aan bebouwing en infrastructuur. Verder moet bij voorkeur 50 mm van de neerslag op eigen terrein worden opgevangen of geïnfiltreerd. In dit geval geldt deze verplichting formeel niet, omdat de gemeente eigenaar blijft van de gronden, maar het ontwerp is hier wel op afgestemd. Maatregelen binnen het plan Om aan de wateropgaven te voldoen, zijn in het voorlopig ontwerp van juni en juli 2025 diverse maatregelen opgenomen: 1. Verbreding bestaande sloot (T14630) o De oostelijke sloot wordt verbreed met een natuurvriendelijke oever. o Dit levert tussen de 314 en 621 m² extra wateroppervlak op, afhankelijk van uitvoering aan één of twee zijden. o Het aanleggen van de nieuwe natuur vriendelijke oever biedt kans om, met de juiste aanplanting van inheemse waterplanten, de biodiversiteit te vergroten. 2. Nieuwe watergang in het verlengde van sloot T42139 o Lengte circa 50 meter, aangesloten op de hoofdwatergang. o Levert circa 350 m² extra wateroppervlak op. 3. Extra waterberging in aangrenzend perceel o Voor het resterende deel van de wateropgave is circa 3.419 m² bergingsoppervlak nodig (bij 59 cm peilstijging). o Dit kan worden gerealiseerd in het oostelijk deel van het perceel, dat niet wordt bebouwd.

Samen bieden deze maatregelen voldoende ruimte om zowel de regionale bergingsopgave van 2.017 m³ als de verhardingscompensatie van 442,75 m² binnen of direct naast het plangebied op te lossen. Riolering Het plan voorziet in een gescheiden rioolstelsel, uitsluitend voor huishoudelijk afvalwater van circa 188 toekomstige bewoners. De belangrijkste ontwerpuitgangspunten zijn: • Afvoer via een vrijvervalstelsel met buisdiameter Ø315 mm, geschikt voor 10 uur verblijftijd en 22,56 m³ berging. • Aansluiting op een dubbelpomps drukrioolgemaal, met een persleiding van 300 meter die loost op het bestaande stelsel van Slikkerveer.

46

•

Het hemelwater wordt niet aangesloten op het riool, maar lokaal verwerkt, conform de eisen voor klimaatadaptatie.

De ontwikkeling van Flexwonen in Ridderkerk brengt duidelijke wateropgaven met zich mee, zowel in termen van regionale waterveiligheid als lokale infrastructuur. Door slimme inzet van ruimte binnen het plangebied, onder andere door het verbreden van bestaande sloten en het toevoegen van nieuwe watergangen, kan volledig worden voldaan aan de eisen van het waterschap en de gemeente. Het plan is afgestemd op de ambities van klimaatadaptief bouwen en anticipeert op extreme weersomstandigheden. Daarmee vormt dit waterhuishoudkundig plan een goede basis voor een duurzame en toekomstbestendige ontwikkeling van deze flexwoonlocatie. Werkzaamheden en onderhoud De werkzaamheden dienen uitgevoerd te worden buiten de beschermingszones van de watergangen (zie afbeelding 3.10): 3,5 meter uit hoofdwatergang (blauw) 1 meter uit de overige watergangen (groen) 1 meter uit de wegsloot (oranje)

Afbeelding 4.10. Watergangen

Daarnaast moet na realisatie van de woningen onderhoud mogelijk blijven door het Waterschap (hoofd en wegsloot) en de Gemeente (overige watergang) met groot materiaal (tractor). Het onderhoud van de wegsloot moet plaats kunnen vinden vanaf de zijde van het te realiseren plan omdat aan de andere zijde de toegang hier geblokkeerd is. Hittestress De doelgroep die in de flexwoningen wordt gehuisvest, bestaat veelal uit mensen met een grote mate van onzekerheid over hun verblijf en toekomst. Zij hebben vaker te maken met psychische klachten, zoals stress, angst of depressieve gevoelens. Hitte kan deze klachten versterken doordat het leidt tot meer slapeloosheid, vermoeidheid en prikkelbaarheid. Dit heeft

47

een directe negatieve invloed op het herstel en functioneren van bewoners. Het is daarom van groot belang dat in het ontwerp en de uitvoering van de flexwoningen rekening wordt gehouden met hittestress en dat er maatregelen worden getroffen om kwetsbare groepen extra bescherming te bieden. De aanpak bestaat uit een combinatie van bouwkundige en stedenbouwkundige maatregelen. Bij de woningen zelf wordt aandacht besteed aan goede isolatie, zonwering en ventilatiemogelijkheden, zodat binnentemperaturen tijdens warme periodes beperkt blijven. Daarnaast worden woningen zoveel mogelijk georiënteerd en geplaatst op een manier die hittestress vermindert. In de buitenruimte wordt gekozen voor een parkachtige inrichting, waarbij groen en schaduwrijke plekken centraal staan. Het gebruik van bomen, struiken en beplanting zorgt niet alleen voor verkoeling, maar draagt ook bij aan een prettige en gezonde leefomgeving. Door daarnaast verharding te beperken en te kiezen voor waterdoorlatende materialen, wordt opwarming van de omgeving tegengegaan. Met deze maatregelen ontstaat een woonomgeving die beter bestand is tegen de gevolgen van hitte en die aansluit bij de specifieke behoeften van kwetsbare bewoners. Het creëren van een parkachtige setting rondom de woningen bevordert bovendien ontmoeting en ontspanning, waardoor het woonklimaat niet alleen fysiek maar ook sociaal versterkt wordt.

Conclusie Op basis van de bovenstaande beoordeling wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling geen onmiddellijke negatieve gevolgen heeft voor de bestaande waterhuishouding. Er wordt echter opgemerkt dat, afhankelijk van de specifieke aard en locatie van de ontwikkeling, er mogelijk verdere afstemming of maatregelen nodig kunnen zijn om een optimale werking van de waterhuishouding te waarborgen. In dat kader wordt een concept van de BOPA voorgelegd aan het waterschap, zodat zij kunnen beoordelen of aanvullende maatregelen of voorschriften noodzakelijk zijn om de waterhuishouding in goede staat te houden.

4.11

Natuur en ecologie

Kader Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen die gericht zijn op twee hoofdthema’s: bescherming van natuurgebieden (gebiedsbescherming) en de bescherming van plant- en diersoorten (soortenbescherming). Gebiedsbescherming Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden, dat in Nederland wordt beschermd op basis van de Omgevingswet. Deze wet biedt een juridisch kader om de aangewezen beschermde gebieden te waarborgen. De bescherming is gericht op het behouden en, waar nodig, herstellen van de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten. Naast de wettelijke bescherming van Natura 2000-gebieden, heeft Nederland ook andere gebieden planologisch beschermd. Dit omvat onder andere weidevogelgebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van het NNN wordt geregeld door de toetsing van beschermingsplannen en omgevingsvergunningen aan het NNN-beleid. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden, dat door de verbinding van natuurgebieden de verspreiding van planten en dieren over een groter gebied vergemakkelijkt.

De bescherming van het NNN, zoals vastgelegd in artikel 7.8, lid 2, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), houdt in dat er geen activiteiten mogen plaatsvinden die schadelijk zijn voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN, of die de omvang, samenhang of de waarde van het netwerk verminderen. Soortenbescherming De Omgevingswet beschermt vele dier- en plantsoorten, met een focus op soorten van Europees belang die vallen onder de Vogel- en Habitatrichtlijn, evenals op soorten van nationaal belang. Deze bescherming geldt zowel binnen als buiten het Natuurnetwerk Nederland. De bescherming kan vorm krijgen door wet- en regelgeving, maar ook door fysieke maatregelen die de bescherming, vestiging of uitbreiding van soortenpopulaties bevorderen. Volgens artikel 2.18, lid 1, sub f van de Omgevingswet zijn de provincies in principe verantwoordelijk voor deze bescherming. Onderzoek Soortenbescherming Door Bureau stadsnatuur is in mei 2025 een ecologische quickscan uitgevoerd. Dit onderzoek is in bijlage 3 toegevoegd. Het plangebied betreft een akkerland, omsloten door sloten en omringd door de Rotterdamseweg, de Sportlaan en woonwijken. Het perceel is langdurig agrarisch gebruikt, met beperkte ecologische variatie. Flora Door intensieve landbouw groeien er hoofdzakelijk gewassen.

De kans op aanwezigheid van zeldzame akkerplanten is klein, maar niet volledig uit te sluiten. Langs de perceelranden staan ruigtekruiden en grassen; beschermde plantensoorten zijn hier onwaarschijnlijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1193/documents/42104