Bijlagen 6 tm 13 bij de toelichting.pdf
Tekst van het document
Veel van bovenstaande gegevens over de geschiedenis van Donkerssloot zijn ontleend aan Van de Graaf en Storms 2012 en Van de Graaf z.j. De oude meander van de Merwede tussen Ridderkerk en Donkersloot verzandde geleidelijk tot een ondiepte, genaamd ‘de Hem’. Op de kaart van de Merwede vanaf Dordrecht tot de Bolnesssersluis uit 1615 van Matthijs Janszoon Been van Weeda is te zien dat de meander nog niet volledig is verland en het gebiedje tussen IJsselmonde en Donkersloot nog niet is ingedijkt. Ook op de kaart van het oostelijke deel van het eiland IJsselmonde uit de tweede helft van de 17e eeuw van Abel de Vries is nog steeds een restgeul (aangegeven met doncker sloot) te zien. Wel zijn dan delen van de meandergordel ingedijkt en is het gebied Donkersloot door een dam verbonden met de dijk langs de buitenbocht van de meander (tegenwoordig aangeduid als de Ringdijk), deel uitmakend van het dijkenstelsel om de polder Nieuw Reijerwaard uit 1441. Op het 19e-eeuwse kaartblad ‘Krimpen op de Lek, Papendrecht en Sliedrecht’ van de Grote Historische Atlas van Nederland, schaal 1:50.000, I West-Nederland 1839-1859 (Wolters-Noordhoff Atlasproducties 1990) is te zien dat het areaal van de meandergordel ten noorden van de dam geheel is ingedijk (Polder Woude); de restgeul in het gebied ten zuiden van de dam heeft nog steeds een verbinding met de Noord.
De restgeul is in gebruik als haven van Ridderkerk: ‘Ridderkerksche Haven’. Op de kadastrale Minuut (1811-1832) is de restgeul goed herkenbaar. De Grote Historische topografische Atlas ± 1905 Zuid-Holland, schaal 1:25.000 (Uitgeverij Nieuwland 2005) toont dat de haven nog steeds in open verbinding staat met de Noord. Er is nog geen 5
bebouwing in het gebied van de voormalige meander aanwezig. Op de Grote Provincie Atlas van Zuid-Holland, schaal 1:25.000, uit 1990 (Wolters-Noordhoff Atlasprodukties/Topografische Dienst 1990) is te zien dat het areaal van het plangebied zelf in die jaren nog steeds uit open (onbebouwd) gebied bestaat. Op een luchtfoto van de gemeente Rotterdam uit 2013 is min of meer de huidige situatie van het plangebied weergegeven: forse delen van het areaal van de voormalige meander van de Merwede zijn nu bebouwd met woningen en bedrijfsgebouwen. De ten zuiden van het plangebied gelegen Molendijk is inmiddels geslecht. 2.5.3
Geologische gegevens
2.5.3.1 Geologische gegevens Regio Rotterdam (naar Hijma e.a. 2009, 15-17) De regio Rotterdam is gesitueerd in het West-Nederlandse Bekken, een actief depotcentre van het Noordzeebekken. Vanaf 60.000 jaar geleden waren zowel de Rijn als de Maas actief in het gebied. De afzettingen van de Rijn en Maas behoren tot de Formatie van Kreftenheye. De overgang van het laatste glaciaal (Weichselien) naar het huidige interglaciaal (Holoceen) resulteerde in een verandering van het riviertype van ‘vol’ vlechtend gedurende het Laatste Glaciale Maximum (LGM, circa 21.000 jaar geleden) naar meanderend in het Midden-Holoceen. Ten noorden en zuiden van het LGM-dal van de Rijn en de Maas vormden zich eolische zanddekken (dekzanden, Laagpakket van Wierden). Tussen 14.500 en 9.000 jaar geleden ontwikkelden zich stroomgordels die de bodem van het rivierdal verlaagden. Bij vergrote waterafvoer werden dunne lagen siltige klei als leem afgezet in de komgebieden (Laag van Wijchen). Op het moment dat de verlaging van de overstromingsvlakte tot een eind kwam in het vroege Holoceen en de rivieren volop gingen meanderen, nam de sedimentatie van de Laag van Wijchen toe. De stroomgordels uit de periode Jongere Dryas - Vroeg Holoceen worden gekenmerkt door diep ingesneden geulen.
Aan de noordoostzijde van de stroomgordels ontstonden tot 15 meter hoge rivierduinen (Laagpakket van Delwijnen), die gevormd werden door zand dat uit de rivierbeddingen werd geblazen gedurende perioden van lage waterafvoer (debiet). Een gevolg van vooral het stijgen van de zeespiegel door het afsmelten van de ijskappen na het LGM was het onderlopen van het Noordzeegebied; de kustzone met strandwallen en dergelijke verschoof geleidelijk in de richting van de huidige Nederlandse kust. De stijgende zeespiegel had ook gevolgen op land door de daaruit resulterende stijgende grondwaterstand. Hierdoor ontstonden hier vanaf het Boreaal moerassen waarin zich veen vormde (Basisveen Laag, voorheen Basisveen). Zo’n 9.000 jaar geleden, op de overgang van het Boreaal naar het Atlanticum, kwam het gebied direct binnen de mariene invloedssfeer te liggen. Door de holocene transgressie veranderde het RijnMaasriviersysteem in een complex estuarien systeem met frequente stroomgordelverleggingen en verschillende grote zeegaten. De hiermee geassocieerde getijdenafzettingen worden tot het Laagpakket van Wormer gerekend (voorheen Afzettingen van Calais). Vóór 7.000 jaar geleden mondde de Rijn in de regio Rotterdam uit, maar tussen 7.000 en 2.000 jaar geleden deed de rivier dat in de Leidse regio. De Maas mondde gedurende het gehele Holoceen uit in de Rotterdamse regio.
Na de forse landwaartse verschuiving van de zone met fluviatiele sedimentatie in het Laat Boreaal Midden-Atlanticum verminderde de snelheid van de relatieve zeespiegelstijging; sindsdien bleef het zeeniveau mondiaal gezien ongeveer constant. In de periode na het Atlanticum was het voornamelijk de verdergaande isostatische bodemdaling die bijdroeg aan de relatieve zeespiegelstijging in Nederland. Uiteindelijk veranderde na het Midden-Atlanticum het evenwicht tussen het creëren van bergingsruimte voor het sediment en het aanbod van sediment ten gunste van de laatste en kwam een eind aan de landwaartse verschuiving van de kustafzettingsmilieus. Dit geschiedde diachroon langs de kust als een gevolg van variaties in sedimentaanbod. In de volgende millennia sloten de zeegaten één voor één: in Zuid-Holland onderbraken alleen het Rijnestuarium bij Leiden en het Maasestuarium bij Rotterdam het strandwallensysteem in het kustgebied. Gedurende het Subboreaal ontwikkelde zich een uitgestrekt veenpakket (Hollandveen Laagpakket, Nieuwkoop Formatie, voorheen Hollandveen) tussen de riviertakken, lokaal als oligotrofe hoogveenkussens. De mariene 6
transgressies in het Subatlanticum, met vorming van de Laagpakket van Walcheren (voorheen Afzettingen van Duinkerke), gaan vanaf de Late Middeleeuwen samen met menselijke activiteiten als ontginning en indijking van stukken land en het winnen van veen. 2.5.3.2 Geologische gegevens plangebied Afgaande op de Toelichtingen bij de Geologische Kaart van Nederland 1:50.000, Kaartblad Gorinchem West (38 W) (Bosch en Kok 1994), op de GeoTop en op door het BOOR in de nabije omgeving van het plangebied verzamelde aardkundige informatie is de globale opbouw van de bovenste delen van de bodem in het gebied als volgt. De diepere delen van de ondergrond van het plangebied bestaan uit klastische sedimenten, behorend tot de Formatie van Kreftenheye. De top van de formatie ligt in de omgeving van het plangebied op ongeveer 19,0 m - NAP (ongeveer 19,0 m - mv). De formatie bestaat uit geulafzettingen (grindhoudend zand). Op de geulafzettingen van de Formatie van Kreftenheye rust een dik pakket sedimenten bestaande uit een afwisseling van lagen kom- en oeverafzettingen (Afzettingen van Gorkum, thans Formatie van Echteld) met lagen (Hollandveen, thans Formatie van Nieuwkoop). De top van de sequentie bestaat uit oeverafzettingen afgezet vanuit de grote meander van de Merwede om het gebied Donkersloot (zie paragraaf 2.5.2 ‘Historische gegevens’).
In het noorden van het plangebied bevindt zich op de de Formatie van Kreftenheye een pakket geulafzettingen (zand, plaatselijk bedekt door klei). De geulafzettingen zijn afgezet in een oude meander van de Merwede, de Slikkerveer stroomgordel, die actief was in de periode 950-1331 (zie ook paragraaf 2.5.2 ‘Historische gegevens’). Op het terrein direct ten oosten van het plangebied zijn aan de oostkant restgeulafzettingen aangetroffen. Voor de rest van het terrein geldt dat er overstromingsafzettingen op Hollandveen aanwezig zijn (Van den Biggelaar 2020). 2.5.4
Archeologische gegevens
2.5.4.1 Bekende archeologische waarden in het plangebied Binnen het plangebied zijn geen archeologische waarden bekend. Er is niet eerder archeologisch onderzoek verricht. 2.5.4.2 Bekende archeologische waarden in de omgeving van het plangebied Hieronder volgt een opsomming van een aantal archeologische vindplaatsen die zich binnen een straal tussen 1-2 km van het plangebied bevinden. De lijst is niet uitputtend. De opsomming is conform de beschrijving in de inventarisatie van vindplaatsen in de gemeente Ridderkerk, die door BOOR in 2012 werd opgesteld (Gout de Kreek en Moree 2012). Het gaat uitsluitend om vindplaatsen uit de Romeinse tijd en uit de Late Middeleeuwen. De nummers zijn de nummers in genoemde publicatie. Vindplaatsnummer
10a
BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats RD-coördinaten Complextype en beschrijving Datering Stratigrafische positie
14-13 23326 Reijerbos I Ridderkerk 99.700/432.350 Onbekend, het gaat om een scherf terra sigillata aardewerk. Romeinse tijd. Het booronderzoek van 2004 wijst uit dat de vondsten waarschijnlijk afkomstig zijn uit de basis van een laag klei, die gelegen is op een veenpakket. Tussen 1,76 en 1,86 m - NAP (= 0,99-1,09 m - mv). Vondsten scholieren bij het graven van een kanovijver en het opwerpen van heuvels met de uitgegraven grond in 1979 en booronderzoek BOOR in 2004. Van Trierum e.a. 1988, 50.
Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
7
Vindplaatsnummer
10b
BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats RD-coördinaten Complextype en beschrijving Datering Stratigrafische positie
Bron(nen)
14-13 23326 Reijerbos I Ridderker 99.700/432.350 Onbekend. Het gaat om scherven Paffrath, Pingsdorf en Andenne aardewerk. Late Middeleeuwen A. Het booronderzoek van 2004 wijst uit dat de vondsten waarschijnlijk afkomstig zijn uit de basis van een laag klei, die gelegen is op een veenpakket. Tussen 1,76 en 1,86 m - NAP (=0,99-1,09 m - mv). Vondsten scholieren 1979 bij het graven van een kanovijver en het opwerpen van heuvels met de uitgegraven grond en booronderzoek BOOR in 2004. Van Trierum e.a. 1988, 67
Vindplaatsnummer
11
BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats RD-coördinaten Complextype en beschrijving
Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
14-07 797 Veldweg Ridderkerk 100.160/432.520 Onbekend. Het gaat om scherven Pingsdorf en kogelpot aardewerk. De vondsten kwamen aan het licht bij het graven van een waterpartij. Waarschijnlijk in het talud zijn over een afstand van 100 meter insnijdingen in schone klei waargenomen. Mogelijk gaat het om de resten van een oude verkaveling. Late Middeleeuwen A De vondsten bevonden zich in een niveau op de overgang veen (Hollandveen Laagpakket) naar de er op liggende laag klei (Formatie van Echteld). 0,8 meter - mv. Waarneming en vondstmelding van de heer G. van den Beemt in 1972. BOORIS en Archis.
Vindplaatsnummer
12
BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats RD-coördinaten Complextype en beschrijving
Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
14-01 24909 Oranjestraat - Nassaustraat Slikkerveer 101.380/432.920 Onbekend. Het gaat om aardewerk, waaronder een gave kom van blauw-grijs aardewerk van het type Holwerda 136. Romeinse tijd Onbekend. Een booronderzoek in 2004 bracht geen uitsluitsel. Onbekend. Een booronder\oek in 2004 bracht geen uitsluitsel. De top van het veen (Hollandveen Laagpakket) bevond zich op 2,02 m - mv (= 2,89 m - NAP). Aangenomen wordt dat het vondstniveau zich op deze diepte of hoger bevindt. Waarneming ROB in 1948 en booronderzoek BOOR in 2004. VOOGR 1972, 21.
Vindplaatsnummer
13
BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats RD-coördinaten Complextype en beschrijving
14-20 417243 Ringdijk Slikkerveer Slikkerveer 101.440/432.690 Dijk. Het gaat om een kerndijkje dat zichtbaar werd in de wand en in het vlak van een sleuf bij de aanleg van een fietstunnel door de Ringdijk. Uit het dijklichaam zijn ook aardewerkscherven afkomstig. De Ringdijk heette vroeger Eenige dijk en maakte deel uit van het dijkenstelsel om de Polder Nieuw-Reijerwaard, die uit 1442/43 dateert. Late Middeleeuwen B Waarneming door BOOR in 1989 bij doorgraven Ringdijk. Moree e.a. 2002, 183-184.
Diepteligging Soort en jaar onderzoek
Datering Stratigrafische positie
Datering Stratigrafische positie Diepteligging
Datering Stratigrafische positie Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
8
Vindplaatsnummer
14a
BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats RD-coördinaten Complextype en beschrijving
14-04 23555 6450 (terrein van zeer hoge archeologische waarde) Huis te Woude Slikkerveer 101.450/432.650 Kasteel Huis te Woude. De bouw van Huis te Woude begon in 1372. Bij de overstroming van de Riederwaard in 1373 was het nog niet af en kwam het kasteel in aanbouw buitendijks te liggen. In 1418 gedurende de Hoekse en Kabeljauwse twisten - werden de kasteelmuren die de overstromingsramp hadden overleefd omgetrokken: de Hoeken wilden voorkomen dat de Kabeljauwen het kasteel gingen gebruiken. Toen in 1442/1443 de Polder NieuwReijerwaard werd bedijkt, kwam een deel van de dijk over het kasteelterrein te liggen. Tijdens het onderzoek van het kasteelterrein in de jaren 1968-1972 bleek dat het gesloopte muurwerk destijds in stukken en brokken in de grachten terecht was gekomen. Aan de hand van deze bouwfragmenten kon het kasteel gedeeltelijk worden gereconstrueerd. De funderingsresten van het kasteel zijn opgemetseld en geconserveerd. Late Middeleeuwen B (14e eeuw) Maaiveld Diverse onderzoeken BOOR in 1968-1971, 1982 en 1989. In 1972 is de conservering voltooid. Carmiggelt en Van Ginkel 1993, 59-60; Carmiggelt en Van Trierum 2010, 100-101; Van Trierum 1988, 85-87; VOOGR 1968 I/II, 31; VOOGR 1968 III/IV, 7; VOOGR 1969, 3; 1970, 21; VOOGR 1971, 11; VOOGR 1972, 21.
Datering Stratigrafische positie Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
Vindplaatsnummer
14b
BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats RD-coördinaten Complextype en beschrijving
14-04 23555 6450 (terrein van zeer hoge archeologische waarde) Huis te Woude Slikkerveer 101.450/432.650 Het gaat om een omgracht terrein aan de westzijde van Huis te Woude, waarbinnen zich een opgehoogd terrein bevindt. Het één meter dikke ophogingspakket zal grotendeels uit de ongeveer 1,5 meter diepe grachten afkomstig zijn. Een enkele mestkuil wijst op de agrarische functie van dit deel van het kasteelcomplex. Mogelijk heeft hier een boerderij gestaan die bij Huis te Woude hoorde. Van de bedrijfsgebouwen zelf is niets teruggevonden. Late Middeleeuwen B (14e eeuw) Maaiveld. Diverse onderzoeken BOOR in 1968-1972, 1982 en 1989. Carmiggelt en Van Ginkel 1993, 59-60; Van Trierum 1988, 85-87; VOOGR 1968 I/II, 31; VOOGR 1968 III/IV, 7; VOOGR 1969, 3; 1970, 21; VOOGR 1971, 11; VOOGR 1972, 21.
Datering Stratigrafische positie Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
Vindplaatsnummer
16a
BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats RD-coördinaten Complextype en beschrijving Datering Stratigrafische positie Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
14-19 420350 Slikkerveer 101.550/432.630 Nederzetting. Het gaat om aardewerk scherven (geverfd, dikwandig en blauwgrijs Waasland), bot, metaal, tegula en houten palen. Romeinse tijd De vondstlaag bevindt zich in de Afzettingen van Tiel (Formatie van Echteld). Waarneming en booronderzoek BOOR bij het graven van een nieuwe vijver in 1989. Moree e.a. 2002, 133.
Vindplaatsnummer
16b
BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats RD-coördinaten
14-19 420350 Slikkerveer 101.550/432.630
9
Complextype en beschrijving Datering Stratigrafische positie Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
Onbekend. Het gaat om aardewerk scherven die verspreid zijn aangetroffen in de taluds en op de bodem van een vijver in aanleg. Late Middeleeuwen A en B. Waarneming en booronderzoek BOOR bij het graven van een nieuwe vijver in 1989. Moree e.a. 2002, 145.
Vindplaatsnummer
17
BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats RD-coördinaten Complextype en beschrijving Datering Stratigrafische positie
Bron(nen)
14-17 23327 Leidekkerstraat Slikkerveer 101.440/432.500 Onbekend, het gaat om aardewerk en bot. Romeinse tijd De vondsten bevonden zich op de Afzettingen van Duinkerke I (Laagpakket van Walcheren) en onder de Afzettingen van Duinkerke III (Laagpakket van Walcheren). Ongeveer 1,2 m - mv. Melding van vondsten in uitgeworpen grond langs een nieuw gegraven sloot door de heer en mevrouw D. en E. de Winter, gevolgd door een waarneming van het BOOR in 1981 en booronderzoek BOOR in 2004. Van Trierum 1988, 50.
Vindplaatsnummer
18
BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats RD-coördinaten Complextype en beschrijving
Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
14-25 Kerksingel Ridderkerk 100.985/431.635 Onbekend, het gaat waarnemingen die op verschillende locaties zijn gedaan gedurende rioleringswerkzaamhden in de Kerksingel rond de oude kerk van Ridderkerk. De best te duiden observatie werd gedaan nabij de oostelijke toegang tot het kerkterrein binnen de singel. Aan de hand van deze locatie zijn de vindplaatscoördinaten van de vindplaats bepaald. Tot anderhalve meter diepte is hier donkere, vuile grond aanwezig, waarin grote stukken rechthoekige leistenen dakpannen, botmateriaal en Hollandse IJsselstenen zijn aangetroffen. Hieronder bevond zich een ‘schone’ grijze klei met een bodemfragment van een steengoedkan (14e-15e eeuw), enkele roodgeglazuurde scherven en een fragment van mogelijk een middeleeuwse leren schoen bevonden. Vlakbij deze locatie werd door arbeiders een 2 tot 3 meter lange ‘muur van kloostermoppen, met dezelfde oriëntatie als de singel’ waargenomen. Hier ten westen van bevonden zich houten balken in een verder schone laag klei zonder vondstmateriaal, die onder een ongeveer 1 meter dikke laag zand was gelegen. Tegenover de zuidwestelijke toegang tot het kerkterrein zijn in grotendeels verstoorde grond botten met snijsporen, roodgeglazuurd aardewerk, baksteen en een ronde leistenen speelschijf (Late Middeleeuwen, geïdentificeerd door de conservator Middeleeuwen van het Rijksmuseum van Oudheden) gevonden.
Late Middeleeuwen B (waarschijnlijk begin 15e eeuw) - Nieuwe tijd (laatste vermelding in historische bronnen is in 1722). Zie boven. In een boring aan de zuidzijde van de kerk bleek dat de ondergrond wordt gevormd door een pakket veen. De top van het veen bevond zich op 5,45 m - mv (= 5,20 m - NAP. Op het veen rust een een dikke laag klei. De basis van de klei is lichtzandig, niet venig en bevat iets hout; het bovenste traject is niet zandig en afwisselend niet tot matig venig. De bovenste trajecten zijn niet venig en licht tot matig zandig en bevatten af en toe enig hout. Rond 2,06 m - mv (= 1,81 m - NAP) gaat de klei over in een vuile klei met af en toe een brokje houtskool, mortel en bot. Boven 1,30 m - mv (= 1,05 m - NAP) is de klei sterk humeus, donkergekleurd en bevat veel brokjes mortel en baksteen. Het maaiveld ligt op 0,25 m + NAP. Zie boven. Vondstmelding K.L. Wilson (Ridderkerk) in 2001 en booronderzoek BOOR in 2004. -
Vindplaatsnummer
20
BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats
14-06 24910 Oud-Reijerwaard Ridderkerk
Diepteligging Soort en jaar onderzoek
Datering Stratigrafische positie
10
RD-coördinaten Complextype en beschrijving Datering Stratigrafische positie Diepteligging Soort en jaar onderzoek
Bron(nen)
101.660/431.300 Onbekend, het gaat om een pijpaarden kruikje (losse vondst). Romeinse tijd Melding van vondst bij schonen van een sloot buiten de noordelijke dijk van de Polder Oud-Reijerwaard in 1972 van de heer W. van Gent. Volgens de Oudheidkamer Ridderkerk zou op basis van een verklaring van de vinder de vindplaats ongeveer 1 km naar het oosten liggen, in wat nu recreatiegbied De Gorzen is tussen Gorzenmeertje en Rotterdamse weg, bij het huidige bruggetje. VOOGR 1972, 21.
Vindplaatsnummer
69a
BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats RD-coördinaten Complextype en beschrijving
Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen
21-11 Oud Reijerwaard - Pruimendijk I Ridderkerk 101.710/429.520 Onbekend. Het gaat een strook grond van 40x25 meter met verspreide archeologische vondsten in geploegde grond. Het vondstmateriaal bestaat uit aardewerk: geverfd, blauwgrijs, rood, gladwandig, ruwwandig, grijs en wit. De laatste twee typen kunnen ook uit de Late Middeleeuwen stammen. Romeinse tijd. De vondsten zijn afkomstig uit de bouwvoor op klei op zandige klei op sterk humeuze klei met wortelhout overgaand in venige klei (Afzettingen van Tiel). Kartering IJsselmonde in combinatie met booronderzoek door BOOR in 1988. Hageman 1991, catalogus nummer 45; Moree e.a. 2002, 139.
Vindplaatsnummer
69b
BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats RD-coördinaten Complextype
Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
21-11 Oud Reijerwaard - Pruimendijk I Ridderkerk 101.710/429.520 Onbekend. Het gaat om vondstmateriaal dat is aangetroffen binnen het bij vindplaats 69a beschreven areaal. Het materiaal bestaat uit aardewerk: Andenne, Pingsdorf en Paffrath uit de Late Middeleeuwen A en grijs aardewerk uit de Late Middeleeuwen B. Late Middeleeuwen A en B. De vondsten zijn afkomstig uit de bouwvoor op klei op zandige klei op sterk humeuze klei met wortelhout overgaand in venige klei (Afzettingen van Tiel). Kartering IJsselmonde in combinatie met booronderzoek door BOOR in 1988. Hageman 1991, catalogus nummer 45; Moree e.a. 2002, 149.
Vindplaatsnummer
70a
BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats RD-coördinaten Complextype en beschrijving Datering Stratigrafische positie Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
21-12 Oud Reijerwaard - Pruimendijk II Ridderkerk 102.120/429.620 Onbekend. Het gaat om aardewerk scherven (geverfd en ruwwandig) die zijn aangetroffen binnen het bij vindplaats 70b beschreven areaal. Romeinse tijd. Kartering IJsselmonde door BOOR in 1988. Hageman 1991, catalogus nummer 46; Moree e.a. 2002, 139.
Vindplaatsnummer
70b
BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats RD-coördinaten
21-12 Oud Reijerwaard - Pruimendijk II Ridderkerk 102.120/429.620
Datering Stratigrafische positie
Datering Stratigrafische positie
11
Complextype en beschrijving
Datering Stratigrafische positie Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
Onbekend. Het gaat om een terrein van 60x30 meter met een vrij vage en lichte, boogvormige vondstconcentratie op geploegde grond even ten noorden van de Pruimendijk. Het vondstmateriaal bestaat uit aardewerk: Andenne, Pingsdorf, Paffrath, kogelpot uit de Late Middeleeuwen A en steengoed en grijs en rood aardewerk aardewerk uit de Late Middeleeuwen B. Late Middeleeuwen A en B. Kartering IJsselmonde door BOOR in 1988. Hageman 1991, catalogus nummer 46; Moree e.a. 2002, 149.
Vindplaatsnummer
71a
BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats RD-coördinaten Complextype en beschrijving Datering Stratigrafische positie Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
21-13 60459 16148 (terrein van zeer hoge archeologische waarde) Waalboezem - Pruimendijk III Rijsoord 102.140/429.580 Romeinse tijd, het gaat om een aardewerk (vermoedelijk gladwandig) dat is aangetroffen binnen het bij vindplaats 71b beschreven areaal. Romeinse tijd. In klei op klei met zandbandjes en baggerlaagjes op klei gelaagd met zand. 0-1,0 m - mv, hoger op de helling tot 1,3 m - mv. Kartering IJsselmonde in combinatie met booronderzoek door BOOR in 1988. Hageman 1991, catalogus nummer 47; Moree e.a. 2002, 149.
Vindplaatsnummer
71b
BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats RD-coördinaten Complextype en beschrijving
Datering Stratigrafische positie Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
21-13 16148 (terrein van zeer hoge archeologische waarde) Waalboezem - Pruimendijk III Rijsoord 102.140/429.580 Onbekend. Het gaat om een terrein van 60x30 meter met archeologische vondsten op onbegroeide grond. Het gaat om een dichte vondstconcentratie. Het vondstmateriaal bestaat uit aardewerk: Andenne, Pingsdorf, Paffrath uit de Late Middeleeuwen A en Vlaams, protosteengoed, steengoed en grijs en rood aardewerk uit de Late Middeleeuwen B. Late Middeleeuwen A en B. In klei op klei met zandbandjes en baggerlaagjes op klei gelaagd met zand. 0-1,0 m - mv, hoger op de helling tot 1,3 m - mv. Kartering IJsselmonde in combinatie met booronderzoek door BOOR in 1988. Hageman 1991, catalogus nummer 47; Moree e.a. 2002, 149.
Vindplaatsnummer
74
BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats RD-coördinaten Complextype en beschrijving
21-14 5028 Oostendam - Molendijk Ridderkerk 103.590/429.930 Kapel, het gaat om de resten van een kapel die gewijd was aan St. Antonius. De vindplaats ligt thans (bijna) geheel onder het aarden lichaam van Rijksweg A15, ter hoogte van de oprit naar de brug over de Noord. Late Middeleeuwen B (waarschijnlijk begin 15e eeuw) - Nieuwe tijd (laatste vermelding in historische bronnen is in 1722). 0,5-0,7 m - mv (1976). Booronderzoek OWZW in 1976. Hageman 1991, catalogus nummer 48.
Datering Stratigrafische positie Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
Vorig jaar, in 2021, is een nieuwe BOOR-vindplaats geregistreerd (14-27) naar aanleding van een vondstmelding. De vindplaats bevindt zich circa 150 m ten oosten van het plangebied. BOOR-vindplaatscode Archis-vondstmeldingsnummer(s) Archis-waarnemingsnummer(s) Ligt binnen Monumentnummer Toponiem Plaats
14-27 Driehoek Het Zand Ridderkerk
12
RD-coördinaten Complextype en beschrijving
Datering Stratigrafische positie Diepteligging Soort en jaar onderzoek Bron(nen)
102.190/431.248 Aardewerk, bot, leerresten (afsnijdsel), een brok humeuze kleigrond waar het leer uit afkomstig is, en een stuk lood. Andere metaaltjes zijn bewaard door melder Dirk de Jong. Waarneming 2021 -
2.5.5 Bouwhistorische gegevens Het (beknopte) bouwhistorisch onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de mogelijke aanwezigheid van ondergrondse bouwhistorische waarden in het plangebied. 2.5.6 Luchtfoto’s Bestudering van luchtfotonummer 100-432 in de luchtfoto atlas van Uitgeverij 12 Provinciën (beide genomen op 29 mei 2003) leverde geen aanwijzingen op voor de aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied. 2.5.7 Actueel Hoogtebestand Nederland Bestudering van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in het plangebied. 2.6
Archeologische verwachting
Op grond van de verworven informatie over de historische situatie, de bodemopbouw in de omgeving en de bekende archeologische waarden in de nabijheid van het plangebied kan de archeologische verwachting voor de bovenste 5 meter van de bodem in ‘Hugo de Groothof 1 (’t Ronde Sant)’ worden aangegeven. Van het bodemtraject dieper dan 5 meter beneden het maaiveld is geen of slechts in zeer geringe mate informatie beschikbaar. Om deze reden kan hiervoor geen archeologische verwachting worden opgesteld. Voor het plangebied geldt dat er in het bodemtraject top veen (Formatie van Nieuwkoop) - maaiveld een middelgrote kans is op de aanwezigheid van sporen uit de Romeinse tijd en een middelgrote kans op de aanwezigheid van archeologische sporen uit de Late Middeleeuwen A en B tot 1373. Het is lastig een exacte diepte aan te geven waarop de archeologische waarden kunnen worden verwacht. Afgaand op de resultaten van onderzoeken in de gemeente Ridderkerk bevindt de top van de Formatie van Nieuwkoop) zich veelal binnen 3 meter beneden het maaiveld. Dit betekent dat de bovenste 3 meter hoogstwaarschijnlijk het meest kansrijke bodemtraject vormen. Voor de genoemde perioden gaat het om nederzettingsterreinen/huisplaatsen en om sporen van inrichting en agrarische gebruik van het gebied.
Voor de Romeinse tijd geldt dat ook grafvelden en constructies als dammen met duikers in het gebied aanwezig kunnen zijn. De nederzettingsterreinen uit het Romeinse tijd en Late Middeleeuwen A kenmerken zich door het voorkomen van een veelal donkergekleurde, humeuze, vondstrijke ‘vuile’ laag. In het niveau kunnen aardewerk, verbrand en onverbrand bot, natuursteen, glas, metaal, bewerkt hout, as, houtskool, fosfaat en mest en dergelijke voorkomen. In en onder zo’n vondstlaag kunnen zich resten van constructiehout bevinden. Het vondstmateriaal van nederzettingsterreinen uit de Late Middeleeuwen B is grotendeels vergelijkbaar met dat van de er aan voorafgaande perioden, maar komt in grotere dichtheden voor. Aan het vondstenlijstje kunnen bouwmaterialen als baksteen worden toegevoegd.
13
2.7
Aantasting archeologische waarden
De realisering van het project in het plangebied ‘Hugo de Groothof 1 (’t Ronde Sant)’ zal gepaard gaan met grondroerende activiteiten. Hierbij kunnen de eventueel aanwezige archeologische waarden in het zuidoostelijke deel van het plangebied worden aangetast. Dit geldt voor archeologische waarden uit alle bovengenoemde perioden: Romeinse tijd en Late Middeleeuwen A en B. 2.8
Advies
Op grond van gemeentelijk beleid, de archeologische verwachting van het gebied, alsmede de bodemverstorende aard van de werkzaamheden die in het kader van de toekomstige ontwikkeling van het plangebied zullen worden uitgevoerd, is een verkennend inventariserend veldonderzoek noodzakelijk naar de aanwezigheid van archeologische waarden uit de Romeinse tijd en Late Middeleeuwen A en B.
14
3. PROGRAMMA VAN EISEN VOOR HET VERKENNEND EN EVENTUEEL KARTEREND INVENTARISEREND VELDONDERZOEK 3.1
Inleiding
Dit PvE heeft betrekking op de verkennende en eventueel karterende fase van het inventariserend veldonderzoek in het plangebied ‘Hugo de Groothof 1 (’t Ronde Sant)’, gesitueerd in het oosten van de gemeente Ridderkerk. In het algemeen heeft de verkennende fase van het inventariserend veldonderzoek tot doel de mate van gaafheid van de bodem in een gebied vast te stellen en inzicht te krijgen in morfologische eenheden van de begraven oude landschappen, voor zover deze van invloed kunnen zijn op de locatiekeuze in het verleden. Het doel is kansarme zones uit te sluiten en kansrijke zones te selecteren voor een eventuele karterende fase van het inventariserend veldonderzoek. Vooruitlopend op een eventueel waarderend inventariserend veldonderzoek worden gedurende de verkennende en karterende fasen van het inventariserend veldonderzoek alvast zo veel mogelijk gegevens verzameld om de aard, diepteligging, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de eventuele archeologische resten te kunnen vaststellen. Hierdoor kan een inschatting worden gemaakt of en zo ja in welke mate bij de toekomstige bodemingrepen in het plangebied archeologische waarden zullen worden aangetast. 3.2
Onderzoeksgebied inventariserend veldonderzoek
Het onderzoeksgebied voor het verkennend inventariserend veldonderzoek betreft het plangebied. 3.3
Verkennend inventariserend veldonderzoek
Het verkennend inventariserend veldonderzoek wordt in het onderzoeksgebied verricht door het handmatig zetten van 12 grondboringen. Het onderzoek dient te worden uitgevoerd conform de KNA versie 4.1 en de Richtlijnen voor het uitvoeren van archeologisch bureauonderzoek en niet-gravend inventariserend veldonderzoek in de gemeente Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Hellevoetsluis, Nissewaard, Ridderkerk, Rotterdam, Schiedam en Westvoorne, versie 2.10 (rotterdam.nl/archeologie). Er is volgens het bureauonderzoek een stratigrafisch niveau met archeologische potentie: 1. Bodemtraject top veen (Formatie van Nieuwkoop) - top klastische afzettingen reikend tot maaiveld (Formatie van Echteld). Te verwachten archeologische waarden: Romeinse tijd en Late Middeleeuwen A en B 3.4
Doel boren
Verkennend inventariserend veldonderzoek 1. De mate van gaafheid van het stratigrafische niveau met archeologische potentie in beeld brengen. 2. Eventuele archeologische waarden traceren. 3.5
Boorstrategie en methoden
Verkennende boringen Het onderzoek wordt uitgevoerd door over het gehele gebied een verkennend grid uit te zetten met een onderlinge boorafstand van circa 30 m. Er worden in totaal 12 boringen gezet. De ligging van de boorpunten is weergegeven op Bijlage 2.
15
Na de verkennende fase wordt altijd contact opgenomen met de opsteller van het PvE over het al dan niet uitvoeren van de karterende fase van het inventariserend veldonderzoek. Karterende boringen Voor de karterende fase worden 3 extra boringen gereserveerd. Doel van het karterend inventariserend veldonderzoek is het vast te stellen van de aan- of afwezigheid van archeologische resten in het plangebied. Tijdens het karterend inventariserend veldonderzoek worden zo veel mogelijk gegevens verzameld om de aard, diepteligging, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de eventuele archeologische resten te kunnen vaststellen. De volgende aspecten zijn van belang bij het boren. - De locatie van de boorpunten op de boorpuntenkaart is indicatief. Er kan eventueel met boorpunten worden geschoven als de situatie in het veld hiertoe aanleiding geeft (huidige bebouwing, verharding). - De boringen worden gezet door de Formatie van Echteld tot 0,5 m in de top van de Formatie van Nieuwkoop), met een maximale diepte van 3 meter - maaiveld. - Mocht na visuele inspectie met behulp van gutsmes in het veld nog twijfel bestaan of archeologische indicatoren in een bepaald bodemtraject al dan niet aanwezig zijn, dan wordt het betreffende stuk boorkern bemonsterd en gezeefd op een zeef met een maaswijdte van 4 mm.
- De x-/y-coördinaat van de boorpunten dienen te worden bepaald. Dit kan handmatig (met bijvoorbeeld een meetlint) geschieden, waarbij de meetfout maximaal 1 meter bedraagt. - De z-coördinaat van het boorpunt dient te worden bepaald. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een meettoestel (waterpas, total station, GPS en dergelijke), waarbij de meetfout maximaal 3 cm bedraagt. Bij het vaststellen van de z-coördinaat mag geen gebruik worden gemaakt van het AHN. - Voor het boren dient gebruik gemaakt te worden van een gutsboor met een binnendiameter van minimaal 2,5 cm. Voor de bovenste, geroerde, bodemtrajecten kan eventueel worden gebruik gemaakt van een edelmanboor. - De boorkernen dienen volgens de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB) of een direct daarvan afgeleide methode te worden beschreven. Hierbij wordt extra benadrukt dat: - De begrenzing van de lagen tot op de cm nauwkeurig dient te worden vastgesteld. De boorkern mag dus niet in trajecten van bijvoorbeeld 10 cm worden beschreven. - De aard van de grenzen dient te worden vastgesteld. Bijvoorbeeld diffuus, geleidelijk, scherp/abrupt, erosief. 3.6
Samenstelling onderzoeksteam
Bij het verkennend inventariserend veldonderzoek dient zowel het veldwerk, de uitwerking als de rapportage te worden uitgevoerd door gekwalificeerd personeel waarbij de aantoonbare aanwezigheid van kennis en ervaring met het werken in holoceen West-Nederland een vereiste is. 3.7
Verslaglegging onderzoek
De resultaten van het verkennend en karterend inventariserend veldonderzoek dienen door de opdrachtnemer in de vorm van een conceptrapport aan de opdrachtgever te worden gepresenteerd. De opdrachtgever biedt het concept ter goedkeuring aan het bevoegd gezag aan. Vervolgens verstrekt de opdrachtnemer het goedgekeurde rapport aan de opdrachtgever. Tevens wordt het rapport gestuurd naar het bevoegd gezag, Archeologie Rotterdam (BOOR), de Koninklijke Bibliotheek en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
16
Ten behoeve van een vlot verloop van de beoordeling van de rapportage dient het conceptrapport vergezeld te gaan van cad- (.dxf/.dwg) of gis-bestanden (.shp/.mif) met de ligging van het plangebied, het onderzoeksgebied en de boorlocaties. Het rapport moet voldoen aan de kwaliteitseisen zoals die in de KNA versie 4.1 voor inventariserend veldonderzoek zijn opgesteld. In het rapport komen de volgende, gebruikelijke, aspecten aan de orde: - Het doel van het onderzoek - De onderzoeksmethoden - De resultaten van het onderzoek - Conclusies en aanbevelingen Daarnaast worden aan de rapportage de volgende specifieke eisen benadrukt/gesteld: - In de boorkernbeschrijvingen dienen tevens de meest relevante interpretaties (vooral de onderscheiden stratigrafische eenheden) te worden opgenomen. - De in het veld onderscheiden stratigrafische eenheden dienen (zorgvuldig) te worden beschreven in het rapport. - Voor de onderscheiden stratigrafische eenheden wordt naast de nieuwe terminologie ook de conventionele benaming gebruikt: Afzettingen van Tiel (0, I, II en III), Hollandveen en Afzettingen van Gorkum (I, II, III en IV) en dergelijke. - Met behulp van de boorstaten worden minimaal 1 min of meer noord-zuid raai ofwel profiel getekend.
- Om de interpretaties binnen het profiel controleerbaar te maken, worden bij het tekenen de boorstaten in de profielen weergegeven en wordt de (litho)stratigrafische informatie van de boorkernbeschrijvingen goed herkenbaar bij de boorstaten geplaatst. - In de profielen wordt de oxidatie-reductiegrens aangegeven. In het rapport wordt de volgende kaart opgenomen: - Een kaart met de boorpunten, waarop per boorpunt is aangegeven of er archeologische indicatoren zijn aangetroffen. Tevens dienen de aard van de indicatoren, de diepteligging (ten opzichte van NAP en maaiveld) en het stratigrafische niveau waarop zij zijn gevonden te worden vermeld. 3.8
Overleg
Indien de opdrachtnemer af wil wijken van de in dit PvE beschreven aanpak, dient vooraf overleg gepleegd te worden tussen de opdrachtnemer, opdrachtgever en het bevoegd gezag. 3.9
Tijdpad
Direct na het veldwerk dient overleg plaats te vinden tussen de opdrachtgever, opdrachtnemer en het bevoegd gezag over de verdere aanpak van de planlocatie. Het definitieve rapport zal uiterlijk drie maanden na afronding van het veldwerk worden verstuurd.
17
GERAADPLEEGDE BRONNEN Literatuur Biggelaar, van den D. 2020: Driehoek 't Zand, Ridderkerk, Gemeente Ridderkerk. Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase, Noordwijk IDDS Archeologie rapport 2385. Bosch, J.H.A. en H. Kok, 1994: Toelichtingen bij de Geologische kaart van Nederland 1:50.000. Blad Gorinchem West (38 W), Haarlem. Conradi N.L.A. 2017: Plangebied Het Zand fase 4 in Ridderkerk, gemeente Ridderkerk; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek (verkennende en karterende fase), Weesp. RAAP-NOTITIE 6030. Gout de Kreek, M.C.A. en J.M. Moree, 2012: Archeologische vindplaatsen en AMK-terreinen in de gemeente Ridderkerk, Rotterdam (BOORnotitie 18). Graaf, H. van de en M. Storms, 2012: ‘De polder in questie’. De ontdekking van een onbekende zestiende-eeuwse proceskaart van de polder Donkersloot, Caert-Thresoor, 31-3, 79-84.
Overige bronnen ARCHIS: Centraal gegevensbestand van de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten (http://archis2.archis.nl). BOOR, 2013: Archeologische Waardenkaart van de gemeente Ridderkerk, Ridderkerk (vastgesteld op 23 september 2013). BOORIS: Informatie Systeem van het Bureau Oudheidkundig Onderzoek Rotterdam. GeoTOP, driedimensionaal model van de Nederlandse ondergrond door TNO, opgenomen in BOORIS (op 04-02-2013). Graaf, Henk van de, z.j.: De Donkerslootse Twisten (440 gesteggel en gekrakeel). Deel 4 (De ondergang van Donkersloot) http://www.biesbosch.nu/magazine/0812/artikel_donkerslootsetwisten04.htm) Provincie Zuid-Holland: Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland, regio Rijnmond (http://chs.pzh.nl; 2002, herziening 2007). Uitgeverij 12 Provinciën, 2005: Luchtfoto-Atlas Zuid-Holland. Loodrechtluchtfoto’s provincie ZuidHolland, schaal 1:14.000, Landsmeer. Uitgeverij Nieuwland, 2005: Grote Historische topografische Atlas ± 1905 Zuid-Holland, schaal 1:25.000, Tilburg. Wolters-Noordhoff Atlasprodukties, 1990: Grote Historische Atlas van Nederland, schaal 1:50.000, I West-Nederland 1839-1859, Groningen.
18
Wolters-Noordhoff Atlasprodukties/Topografische Dienst, 1990: Grote Provincie Atlas van ZuidHolland, schaal 1:25.000, Groningen/Emmen.
19
103.000
430.000
430.000
431.000
431.000
432.000
432.000
433.000
102.000
433.000
101.000
plangebied
´
0
500 m
Schaal: 1:20.000
Esri Nederland, Community Map Contributors
101.000
102.000
Bijlage 1. Hugo de Groothof 1, 't Ronde Sant. Ligging plangebied.
103.000
102.050 431.400
102.000
431.400
101.950
431.350
431.350
5 6 4 7
12
8
431.300
431.300
3
2 9
10 431.250
431.250
1
11
431.200
431.200
plangebied boring gepland
´
0
25 m
Schaal: 1:1.000
101.950
Esri Nederland, Community Map Contributors
102.000
Bijlage 2. Hugo de Groothof 1, 't Ronde Sant. Boorpuntenkaart.
102.050
RAPPORT
In opdracht van: Propos Consultancy Kenmerk: M07227-R-E3 Datum: 7 december 2021
Handreiking mobiliteitsaanpak Aafje en ’t Ronde Sant Ridderkerk
Handreiking mobiliteitsaanpak Aafje en ’t Ronde Sant Ridderkerk
1.
INLEIDING
4
1.1
Aanleiding en doel
4
1.2
Leeswijzer
4
2.
MOBILITEITSMAATREGELEN BIJ ZORGINSTELLINGEN
5
2.1
Huidige vergoedingsregeling
5
2.2
Voorwaardenscheppend aan de slag
6
2.3
Voor wie?
6
3.
RESULTATEN ENQUÊTE
7
3.1
Aantal medewerkers per vakgebied
7
3.2
Werkdagen en -tijden
8
3.3
Vervoersmiddelgebruik per medewerker
9
3.4
Vervoersmiddelgebruik per dag
9
3.5
Vergoeding reiskosten
11
3.6
Benodigdheden meer fietsgebruik
12
3.7
Gebruik leasefiets-regeling
13
3.8
Benodigdheden meer openbaar vervoer-gebruik
14
3.9
Gebruik deelauto/deelfiets
15
3.10 Gemis alternatieve vervoersvormen
15
3.11 Aandachtspunten
16
3.12 Voorkeursvervoersmiddel
16
4.
DOORVERTALING PARKEREN: ADVIES MOBILITEITSBELEID
17
4.1
Conclusies mobiliteitsmaatregelen andere zorginstellingen
17
4.2
Conclusies enquête
17
4.3
Advies mobiliteitsbeleid
18
4.4
Stappenplan voor nieuw mobiliteitsbeleid
19
5.
ADVIES PARKEERVRAAG
21
Pagina 2 van 24
Handreiking mobiliteitsaanpak Aafje en ’t Ronde Sant Ridderkerk
Colofon
Copyright Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever. No part of this book may be reproduced in any form, by print, photoprint, microfilm or any other means without written permission from the publisher.
Pagina 3 van 24
Handreiking mobiliteitsaanpak Aafje en ’t Ronde Sant Ridderkerk
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding en doel Stichting Aafje werkt op dit moment aan de ruimtelijke ontwikkeling ’t Ronde Sant in Ridderkerk. Het project voorziet in een herontwikkeling van de woonzorglocatie aan de straat Hugo de Groothof. Het betreft de sloop van de bestaande bebouwing en de realisatie van 120 wooneenheden voor Stichting Aafje, 60 sociale huurappartementen voor Wooncompas en een kinderdagverblijf. In navolging van een door Mobycon uitgevoerde verkenning van de parkeervraag vraagt u om een vervolgslag. Het doel is het ontwikkelen van bouwstenen/aanknopingspunten voor het (mobiliteits)beleid voor ’t Ronde Sant/Aafje in lijn met juridische en landelijke regels en een doorvertaling daarvan naar de te verwachten parkeervraag van medewerkers van Aafje.
1.2 Leeswijzer In hoofdstuk 2 gaan we in op de verkregen resultaten in onze gesprekken met zorginstellingen over hun mobiliteitsmaatregelen. Hoofdstuk 3 bespreekt de resultaten van de enquête waarmee specifiek voor ’t Ronde Sant/Aafje het (toekomstige) mobiliteitsgedrag is onderzocht. In hoofdstuk 4 maken we een doorvertaling naar parkeren aan de hand van de uitkomsten van de gesprekken en de enquête. We geven in dat hoofdstuk ons advies voor bouwstenen/aanknopingspunten voor een nieuw mobiliteitsbeleid. In hoofdstuk 5 geven we tot slot ons advies betreffende een te hanteren parkeervraag/parkeernorm voor de medewerkers en de totale ontwikkeling.
Pagina 4 van 24
Handreiking mobiliteitsaanpak Aafje en ’t Ronde Sant Ridderkerk
2. MOBILITEITSMAATREGELEN BIJ ZORGINSTELLINGEN Om tot een goed onderbouwd advies rondom een mobiliteitsaanpak en geschikte parkeervraag te komen, zijn we allereerst in gesprek gegaan met een aantal partijen die hun ervaringen met mobiliteitsbeleid (rond zorginstellingen) met ons hebben gedeeld. Zo hoeven we het wiel niet opnieuw uit te vinden, maar kunnen we leren van de ervaringen die andere partijen eerder al hebben opgedaan. Het betreft drie medewerkers van ‘Bereikbaar Haaglanden en Rijnland’ (met functies ‘Branche-aanpak Zorg’, ‘Fietsstimuleringsacties rondom zorginstellingen’ en ‘Contact met ziekenhuizen in de regio’). Daarnaast hebben we gesproken met een medewerker van de ‘Verkeersonderneming’ die zich bezighoudt met contact met zorginstellingen vanuit Mobility Lab. Om nieuw mobiliteitsbeleid vorm te geven dat bijdraagt aan een lagere parkeervraag, is allereerst draagvlak van groot belang. Allereerst bij de werkgever (wat is hun belang?) en daarnaast natuurlijk bij de medewerkers (zij zijn degenen die uiteindelijk hun mobiliteitsgedrag moeten gaan veranderen). De enquête die is uitgezet onder de medewerkers van Stichting Aafje is hiervoor een eerste stap. Dit biedt ook inzicht in de reden waarom medewerkers op dit moment met de auto naar het werk reizen1/2.
Maar ook door te werken met vrijblijvende probeeracties van nieuw mobiliteitsaanbod en diverse campagnes kan draagvlak worden gecreëerd. Voorbeelden hiervan zijn Love to Ride en Low Car Diet3. Het creëren van draagvlak is tijdrovend, maar dit is wel de sleutel tot succes en daarmee essentieel om de parkeervraag daadwerkelijk te kunnen verlagen. Hierbij is het aan te raden om te zoeken naar haakjes in het bestaande beleid, zoals bijvoorbeeld vitaliteit of kostenbesparing. Twee aspecten zijn daarnaast van belang om ervoor te zorgen dat medewerkers minder met de (eigen) auto van en naar het werk reizen: 1. De huidige vergoedingsregeling; 2. Voorwaardenscheppend aan de slag.
2.1 Huidige vergoedingsregeling Bij veel zorginstellingen is het gebruikelijk om een hoge kilometervergoeding te krijgen. Dit in combinatie met bijvoorbeeld gratis parkeergelegenheid maakt het erg aantrekkelijk om met de auto te reizen. Daarom is het nuttig om de huidige CAO en vergoedingensfeer te bekijken en ervoor te zorgen dat medewerkers er met een nieuwe regeling niet financieel op achteruit gaan4. Dit betekent bijvoorbeeld dat een nieuwe regeling voordeliger kan zijn voor de fiets dan voor de auto. Als vrijwilligers ook reiskosten vergoed krijgen, zou er voor deze doelgroep gewerkt kunnen worden met een spaaraanbod waarbij ze de optie hebben om te sparen voor bijvoorbeeld een nieuwe (elektrische) fiets.
1 Als medewerkers bijvoorbeeld overdag nog elders moeten zijn voor het werk, en daarom met de auto reizen, kan het aanbieden van
poolauto’s uitkomst bieden 2 Door interviews te houden kunnen de onderliggende motieven beter worden achterhaald, maar past niet helemaal binnen de scope van onze opdracht 3 Hierbij is het de vraag of er structurele (mobiliteits)gedragsverandering plaatsvindt, omdat er een duidelijke prikkel in de beloning zit. 4 In het voorbeeld van TwentsMobiel kregen medewerkers tot wel 300 euro per maand vergoed voor hun auto.
Pagina 5 van 24
Handreiking mobiliteitsaanpak Aafje en ’t Ronde Sant Ridderkerk
2.2 Voorwaardenscheppend aan de slag Het is daarnaast van belang om voorwaardenscheppend te werk te gaan en daarmee de overstap van de auto naar bijvoorbeeld de fiets aantrekkelijker te maken. Denk hierbij aan: • Goede fietsenstalling; • Oplaadpunten; • Kleedkamer en douche; • Fietsreparatie5. Door voorwaardenscheppend aan de slag te gaan, worden na de ‘early adopters’ ook andere medewerkers (en vrijwilligers) over de streep getrokken. Verder kan ook het ov-potentieel worden meegenomen in een mobiliteitsscan, waarbij ov-reizen tot circa 1,5 keer de auto-reisafstand en met maximaal 1 overstap geschikt kunnen zijn om van modaliteit te veranderen. Dit kan worden gestimuleerd door het volledig vergoeden van de reis met het openbaar vervoer. Dit is vooral interessant voor de medewerkers met vaste werktijden (kantoorwerk). Het aanbieden van deelmobiliteit voor woon-werkverkeer is fiscaal ingewikkeld en daardoor minder geschikt volgens ‘Bereikbaar Haaglanden en Rijnland’. Daarnaast is het niet gewenst dat het deelvoertuig lange tijd stilstaat bij iemand thuis. Dit is daarentegen wel een uitkomst voor verplaatsingen die plaatsvinden onder werktijd (bijv. poolauto’s6). Het betreft een zorginstelling, waar onregelmatige werktijden en nachtdiensten voorkomen. Sommige medewerkers (of vrijwilligers) kunnen hierdoor op een bepaald moment misschien niet met de fiets.
Flexibiliteit in het plan is daarom noodzakelijk.
2.3 Voor wie? Het is het meest strategisch en kansrijk om in te zetten op medewerkers. Dit is tevens de makkelijkste weg, omdat de arbeidsvoorwaarden een geschikt middel zijn om de alternatieven voor de (eigen) auto aantrekkelijker te maken. Vrijwilligers kunnen daarnaast op een leuke manier worden betrokken bij bijvoorbeeld beloningsacties zoals Love to Ride. Inzetten op mantelzorgers wordt niet aangeraden, omdat zij vaak al erg veel aan hun hoofd hebben door de zorg voor hun dierbaren.
5 Bij het ziekenhuis in Leiden was de eenmalige fietsenmaker op locatie een groot succes 6 Dit kan ook m.b.v. een bestaande deelauto in de omgeving
Pagina 6 van 24
Handreiking mobiliteitsaanpak Aafje en ’t Ronde Sant Ridderkerk
3. RESULTATEN ENQUÊTE We bespreken in dit hoofdstuk de resultaten van de uitgezette enquête. In totaal hebben 54 respondenten de enquête ingevuld, dit op een totaal van ongeveer 105 medewerkers. Waar relevant doen we uitspraken over wat de resultaten van deze groep betekent voor alle medewerkers door de gegeven antwoorden met de factor (105/54 =) 1,94 te vermenigvuldigen. Een groep van 54 op 105 is een voldoende grote groep om betrouwbare en representatieve uitspraken over te doen voor alle medewerkers. Met een foutmarge van 10% en een betrouwbaarheid van 90% is namelijk een steekproef van minstens 42 respondenten nodig7. Daarmee geeft de enquête ook voldoende indicaties voor de mate van draagvlak voor bepaalde opties. Bij het uiteindelijk vaststellen van geschikt mobiliteitsbeleid adviseren we de medewerkers actief te betrekken om draagvlak te creëren, waardoor het wat ons betreft momenteel voldoende is om met indicaties een idee te krijgen van het draagvlak wat er nu al is.
3.1 Aantal medewerkers per vakgebied Van de 54 respondenten werken de meesten in de zorg (57%, 31 medewerkers). 8 respondenten (15%) werken als gastvrouw, 5 respondenten (9%) werken in de behandeling en de overige respondenten zijn medewerkers met overige functies.
Aantal werknemers per vakgebied n = 54 31
te n Di en s
1
lin g M an ag em en Zo t rg ,g as tv ro uw
Ca te rin
W el
1
an de
zij n
5
3
Be h
2
g
1
W el
Zo rg
Ga st vr ou w
1
zij n
1
Pl an ne r
8
(g as tv ro uw )
35 30 25 20 15 10 5 0
Figuur 1 – Aantal medewerkers per vakgebied
Er zijn aan de hand van de resultaten voorzichtige uitspraken te doen over hoeveel van het totale aantal (105) medewerkers werkelijk in de zorg zelf zitten en hoeveel andere functies uitvoeren. Aan de hand van de vermenigvuldiging met 1,94, zouden er (zonder tussentijdse afronding) 60 medewerkers in de zorg werken.
7 Bron: https://www.corpos.nl/producten/Steekproef/streekproefcalculator.html
Pagina 7 van 24
Handreiking mobiliteitsaanpak Aafje en ’t Ronde Sant Ridderkerk
3.2 Werkdagen en -tijden Van de 54 respondenten werken de meesten 32 uur per week (30%, 16 medewerkers). Van de respondenten die de enquête hebben ingevuld, is het gemiddeld aantal werkuren per week afgerond 27 uur.
Aantal uren per week n = 54 5 9%
6
16
20
14 26%
7 13%
1 2% 21
24
2 4%
4 7%
16 30%
1 3 2% 5%
1 2%
24 tot 30
28
30
32
36
Figuur 2 – Aantal werkuren per week naar aantal medewerkers
Als we dit door zouden trekken naar de gemiddeld 105 medewerkers, zou dit betekenen dat ongeveer 31 medewerkers 32 uur per week werken, 27 medewerkers 24 uur per week, 14 medewerkers 28 uur per week, 10 medewerkers 36 uur per week, 8 medewerkers 20 uur per week, 6 medewerkers 16 uur per week, 4 medewerkers 21 uur per week en 2 medewerkers elk 6, 24 tot 30 en 30 uur per week. 23 van de 54 respondenten werken op wisselende dagen. De overige 31 respondenten hebben vaste werkdagen. Op donderdag zijn de meeste medewerkers aanwezig. Van de 54 respondenten zijn dan 26 respondenten aanwezig (16%).
Aantal aanwezige werknemers per dag n = 54 51
47 35
40 30
45 37
25
26
24
19
18
20
25
25
13
13
Zo nd
49
50
Za te rd ag
60
23
10
Aantal volgens enquête
W i ss el
en d
ag
ag Vr ijd
Do nd er da g
sd ag W oe n
ag Di ns d
M aa nd ag
0
Projectie naar 105 medewerkers
Figuur 3 – Aantal aanwezige medewerkers per dag
Pagina 8 van 24
Handreiking mobiliteitsaanpak Aafje en ’t Ronde Sant Ridderkerk
Als we dit door zouden trekken naar de gemiddeld 105 medewerkers, zou dit betekenen dat ongeveer 51 medewerkers op de donderdag aanwezig zijn, 49 medewerkers op de maandag, 47 medewerkers op de dinsdag, 35 medewerkers op de woensdag, 37 medewerkers op de vrijdag, 25 medewerkers op de zaterdag en zondag en 45 medewerkers hebben wisselende dagen dat ze aanwezig zijn.
3.3 Vervoersmiddelgebruik per medewerker Van de 54 respondenten gebruiken 33 respondenten regelmatig de auto/motor, 14 respondenten de fiets, 8 respondenten lopen, 3 respondenten gebruiken het ov en 2 respondenten wisselen tussen vervoersmiddelen. Uitgaand van 105 medewerkers zouden dit respectievelijk 64, 27, 16, 6 en 4 medewerkers zijn.
Aantal medewerkers per vervoersmiddel n = 54 70
64
60 50 40 27
30 20 10
16 8
33
14 6
3
2
4
0 Lopen
Fiets Aantal volgens enquête
Auto/motor
Ov
Wisselend
Projectie naar 105 medewerkers
Figuur 4 – Aantal medewerkers per vervoersmiddel
De gemiddelde respondent loopt gemiddeld 0,46 keer per week, fietst gemiddeld 1 keer per week, rijdt gemiddeld 2,63 keer per week met de auto/motor en gebruikt gemiddeld 0,25 keer per week het ov.
3.4 Vervoersmiddelgebruik per dag Aan de hand van de resultaten van het aantal aanwezige medewerkers per dag en het aantal medewerkers per vervoersmiddel, kunnen we inschatten wat per dag het aantal gebruikte vervoersmiddelen is. Met name voor autogebruikers is dit relevant, omdat we daarmee kunnen inschatten hoeveel parkeerplaatsen per dag nodig zijn, waarbij we uitgegaan zijn van autogebruik en geen motorgebruik. Daarnaast zijn we uitgegaan van worstcasescenario’s. Sommige respondenten gebruiken verdeeld over de dagen meerdere vervoersmiddelen waarbij onbekend is welk vervoersmiddel op welke dag. Als een respondent aangeeft een X aantal dagen te fietsen en een X aantal dagen met de auto/motor te gaan, zijn we ervan uitgegaan dat op elk van de werkdagen van die respondent de auto wordt gebruikt. Wanneer dit het geval is met een X aantal dagen fietsen en een X aantal dagen lopen, zijn we uitgegaan van fietsgebruik op al deze dagen. De medewerkers die op wisselende dagen aanwezig zijn, geven we per vervoersmiddel apart weer. Zo zien we dat op donderdag naar verwachting de meeste auto’s worden geparkeerd (het maatgevende moment). Dit zijn er 18. Op het moment dat de 13 medewerkers die op wisselende dagen werken ook alle 13 aanwezig zijn en alle 13 met de auto komen, zijn voor de 54 respondenten 31 autoparkeerplaatsen nodig.
In een bestcasescenario zouden 11 autoparkeerplaatsen nodig zijn voor deze 54 respondenten. Daarnaast zouden – uitgaand van een slechtste
Pagina 9 van 24
Handreiking mobiliteitsaanpak Aafje en ’t Ronde Sant Ridderkerk
scenario qua autogebruikers – voor deze 54 respondenten minimaal 11 fietsparkeerplaatsen nodig zijn. Wanneer in werkelijkheid vaker de fiets wordt gebruikt waar we hebben gerekend met de auto, zijn er 31 fietsparkeerplaatsen nodig voor deze respondenten.
Vervoerswijzegebruik per dag n = 54 50 45 40 35 30 25 20 15
1 2 5
1 2 5
14
14
3
2
14
16
0
14 2
6 2
4 2
5
Maandag
Dinsdag
Woensdag
1 2 5
1 2 5
1 2 5
1
15
15
14
2
2
8
7
2 1 Zaterdag
2 1 Zondag
13 1
14
18
11
10 5
1 2 5
1 2 5
6 1 Donderdag
5 Vrijdag
Lopen
Fiets
Auto/motor
Ov
Auto/motor wisselend aanwezig
Fiets wisselend aanwezig
Lopen wisselend aanwezig
Anders wisselend aanwezig
Figuur 5 – Aantal medewerkers per vervoersmiddel per dag (naar aanleiding van enquête)
Als we dit door zouden trekken naar de gemiddeld 105 medewerkers, zou dit betekenen dat in een worstcasescenario op het maatgevende moment (donderdag) ongeveer 60 autoparkeerplaatsen nodig zijn. In een bestcasescenario zijn dit ongeveer 21 parkeerplaatsen. Daarnaast zouden 22 fietsparkeerplaatsen nodig zijn, uitgaand van het worstcasescenario qua autogebruik. Bij een bestcasescenario qua autogebruik, zouden naar verwachting 60 fietsparkeerplaatsen nodig zijn. Vanwege de voldoende grote steekproef geven deze aantallen een goede indicatie. De volgende grafiek toont de inschatting van het vervoer per dag, geprojecteerd naar alle medewerkers.
Pagina 10 van 24
Handreiking mobiliteitsaanpak Aafje en ’t Ronde Sant Ridderkerk
Vervoerswijzegebruik per dag (geprojecteerd naar 105 medewerkers) 100 90 80
2 4 10
2 4 10
27
27
70 60 50
6
40 30
27
20 10 0
4 31
2 4 10
2 4 10
2
4
35
21 8 4
10
Maandag
Dinsdag
Woensdag
2 4 10
2 4 10
2
29
29
27
4
4
16
14
4 2 Zaterdag
4 2 Zondag
25
27
12 4
2 4 10
12 2 Donderdag
27
10 Vrijdag
Lopen
Fiets
Auto/motor
Ov
Auto/motor wisselend aanwezig
Fiets wisselend aanwezig
Lopen wisselend aanwezig
Anders wisselend aanwezig
Figuur 6 – Aantal medewerkers per vervoersmiddel per dag (naar aanleiding van projectie naar 105 medewerkers)
3.5 Vergoeding reiskosten Van de 54 respondenten geven 28 respondenten (52%) aan dat ze een reiskostenvergoeding hebben. Bij 1 medewerker gaat dit om een vergoeding van de ov-kosten, bij 1 medewerker om een vaste reiskostenvergoeding en bij de andere medewerkers gaat het om een vergoeding per kilometer. Respondenten die geen reiskostenvergoeding krijgen of niet weten of ze deze wel of niet krijgen, zijn vrijwel in alle gevallen gebruikers van het openbaar vervoer, de fiets of zijn medewerkers die lopen. Geprojecteerd naar de 105 medewerkers zouden ongeveer 54 medewerkers een reiskostenvergoeding hebben. 23 respondenten hebben geen reiskostenvergoeding, 6 personen weten het niet en 21 personen hebben de vraag niet ingevuld.
Pagina 11 van 24
Handreiking mobiliteitsaanpak Aafje en ’t Ronde Sant Ridderkerk
Vergoeding reiskosten n = 54 11 20%
3 6%
12 22%
Ja
Nee
Weet ik niet
28 52%
Niet ingevuld
Figuur 7 – Aantal medewerkers met vergoeding reiskosten
3.6 Benodigdheden meer fietsgebruik Van de 54 respondenten geven 16 respondenten (30%) aan dat een betere fiets zou bijdragen aan een hoger fietsgebruik. 11 personen geven aan dat het voor hen niet mogelijk is om met de fiets te gaan. 3 personen geven aan dat ze te ver weg wonen. Enkele respondenten hebben andere benodigdheden aangegeven en enkele andere respondenten hebben de vraag niet ingevuld of geven geen mogelijkheden aan waardoor ze vaker de fiets zouden gebruiken.
Pagina 12 van 24
Handreiking mobiliteitsaanpak Aafje en ’t Ronde Sant Ridderkerk
Wat nodig voor gebruik fiets n = 54 20
18
18
16
16 14
11
12 10 8 6 4
3
2
2
1
1
1
1
te
ve rw aa eg rw Ee n e rk be te te re fie st ts al en lin gs Do vo nk or er zie e ni en ng ge va ar lijk e w eg Ho ge Ge re en re i sk tij os d te Ni nv et er in go ge ed vu in ld g of ni et re le va nt
bi j di ch t
Ni et m og e
lijk
om
va n
m ijn
hu
is n
W oo n
W oo n
Ee n
be
te re
fie
ts
0
Figuur 8 – Benodigdheden meer fietsgebruik
3.7 Gebruik leasefiets-regeling Van de 54 respondenten geven 15 respondenten (28%) aan gebruik te willen maken van een leasefietsregeling. 30 respondenten (56%) geven aan hier geen gebruik van te willen maken. 9 respondenten hebben de vraag niet beantwoord. Geprojecteerd naar 105 medewerkers zouden ongeveer 29 medewerkers wel en 58 medewerkers niet gebruikmaken van een leasefiets-regeling. De medewerkers die gebruik zouden maken van een leasefiets-regeling geven als redenen: • Zodat de auto niet gebruikt hoeft te worden; • Zodat ik van een betere kwaliteit fiets gebruik kan maken; • Omdat het voor de regio altijd handig is; • Omdat ik deze nu al gebruik; • Omdat ik er eerder nog niet over had nagedacht; • Omdat een e-bike een hoop zou schelen; • Omdat ik nog niet eerder van de mogelijkheid op de hoogte was; • Omdat mijn fiets kapot is. Respondenten die geen gebruik zouden maken van een leasefiets-regeling geven onder andere aan dat men al een nieuwe fiets heeft, dat men geen fiets wil die weer ingeleverd moet worden en dat men in de buurt woont (allen twee keer genoemd).