CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Ridderkerk 2025.pdf

Commissie Samen leven RK 6 maart 2025, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 11: Ter kennisneming: raadsinformatiebrieven26.176 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

-

verhuizen is een compenserende oplossing.

Een voorziening voor verhuizing en inrichting is vaak een verhuiskostenvergoeding. De achterliggende gedachte bij het primaat van verhuizing is dat er zo efficiënt mogelijk met de beschikbare middelen en de woningvoorraad wordt omgegaan. Belangrijk bij het begrip “goedkoopst compenserend” in dit soort situaties is dat eerst gekeken moet worden naar wat adequaat is en dan pas naar de kosten ervan. Dus in het kader van het primaat verhuizen is de eerste vraag: welke oplossingen zijn adequaat? Als verhuizen een van deze oplossingen is, kan het primaat toegepast worden. Belangenafweging Het college moet bij het beoordelen of verhuizen adequaat is gedegen onderzoek doen naar de individuele omstandigheden van de cliënt. Bij iedere casus moet het college de belangen afwegen en beoordelen of het primaat van verhuizen een compenserende voorziening is. Als dat niet het geval is, moet het college afwijken van het verhuisprimaat en een andere compenserende woonvoorziening verstrekken. Bij die belangenafweging tussen verhuizen of het aanpassen van de huidige woning, kunnen de volgende factoren een rol spelen: 1.

De aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen.

2.

De aanpasbaarheid van de woning (rekening houdend met bouwtechnische eisen vanuit het bouwbesluit en andere regelgeving.)

3.

Kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen.

4.

De volkshuisvestelijke factor.

5.

Woning moet binnen medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn.

6.

Sociale omstandigheden.

7.

Afstemming met andere voorzieningen.

8.

Werksituatie.

9.

Verandering in woonlasten.

10.

Wooncomfort.

11.

Is de cliënt huurder of eigenaar van de woning?

12.

De wil van de cliënt om te verhuizen.

Uitwerking belangenafweging 1.

De aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen Indien er aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen aanwezig zijn waarin geen persoon met een beperking of probleem woont, zijn er twee situaties denkbaar: •

de woning staat leeg, of

•

de woning wordt nog bewoond (bijvoorbeeld door achterblijvende gezinsleden).

Lege woning zorgt niet voor kosten vrijmaken Als de woning leeg staat, kan de cliënt waarschijnlijk op korte termijn daarnaartoe verhuizen en wordt de gemeente niet geconfronteerd met kosten voor het vrijmaken van de woning. Bewoonde woning kan zorgen voor extra kosten Als de woning door personen zonder een beperking of probleem wordt bewoond (bijvoorbeeld achterblijvende gezinsleden), moet het college er rekening mee houden dat het vrijmaken van de woning extra kosten met zich mee kan brengen. Hier kan eventueel een verhuiskostenvergoeding voor de vertrekkende partij voor worden benut. 2.

De aanpasbaarheid van de woning Om een afweging te maken in hoeverre een woning aanpasbaar is houdt de klantmanager rekening met bouwtechnische eisen vanuit het bouwbesluit en andere regelgeving.

3.

Kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen De kostenvergelijking tussen het aanpassen van de te verlaten woning en het verhuizen naar een nieuwe woning speelt een rol bij het bepalen van wat de goedkoopst compenserende oplossing is. Hierbij hanteren we een grensbedrag van € 5.000. Bij het maken van een kostenvergelijking moeten wel alle kosten worden betrokken. Dat houdt in dat het college de aanpassingskosten van de huidige woning moet afzetten tegen: • de voorziening voor verhuizing en inrichting voor de cliënt; 30

•

het eventueel aanpassen van de nieuwe woning; en

•

het eventueel vrijmaken van de woning. Een eenmaal aangepaste woning moet bij voorkeur ook in de toekomst aan andere personen met een beperking toegewezen worden. Wanneer achterblijvende gezinsleden van een persoon met beperkingen, deze woning als huurwoning vrijmaken voor een andere persoon met beperkingen, kan een vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten worden verstrekt.

•

Als een 'nieuwe' aangepaste woning leeg staat, moet het college om een totale kostenvergelijking te kunnen maken ook rekening houden met een eventuele “voorziening voor huurderving”. Dit is alleen van belang als zowel het aanpassen van de woning als het verhuizen naar een andere woning adequate oplossingen zijn.

4.

Volkshuisvestelijke factor kan een rol spelen Niet alleen de kosten spelen een rol bij de uiteindelijke keuze van een voorziening. Ook bredere belangen op het gebied van huisvesting kunnen een rol spelen. Bijvoorbeeld: als een aangepaste woning beschikbaar is, kan het ondoelmatig zijn om ook een andere woning aan te passen. Niet alle aangepaste woningen zullen namelijk even goed verhuurbaar zijn. Als een geschikte kandidaat voor de aangepaste woning gevonden wordt, kan verhuizen daarom de voorkeur hebben, ook al leidt dit niet direct tot lagere kosten. Een ander voorbeeld: moet in alle gevallen meegewerkt worden aan het aanpassen van een eengezinswoning waar gelijkvloers wonen een oplossing kan bieden voor de problemen. Gezien de huidige krapte op de woningmarkt is het voorstelbaar dat het aanpassen van een eengezinswoning niet de voorkeur heeft als het een alleenstaande betreft.

5.

Woning moet binnen medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn Een belangrijk aspect bij het wel of niet toepassen van het verhuisprimaat is de termijn waarbinnen de verhuizing kan plaatsvinden en de vraag wat de termijn is voor urgentie op medische gronden is.6 Deze termijn is maximaal 24 maanden. Indien binnen de medisch aanvaardbare termijn geen woning beschikbaar is, kan niet worden gezegd dat verhuizen een adequate oplossing is.

6.

Sociale omstandigheden Sociale omstandigheden van de cliënt spelen een rol bij de afweging tussen wel of niet verhuizen. De sociale omstandigheden worden door de klantmanager in kaart gebracht en door de cliënt aantoonbaar gemaakt. Daarbij valt te denken aan: • de binding die de cliënt heeft met de buurt en de praktische effecten die dat heeft op de zorg van de cliënt (sociaal netwerk dat erg buurtgericht is en veel doet voor de cliënt); •

de aanwezigheid van familie en/of vrienden die cliënt ondersteunen en niet bereid zijn om wat verder te reizen;

•

de mantelzorg die door verhuizing zou wegvallen;

•

de gezondheidssituatie van de partner die beïnvloed wordt door verhuizen;

•

de aanwezigheid en afstand tot verschillende voorzieningen (winkels, ziekenhuis, et cetera) indien deze door de cliënt gebruikt worden en verhuizen daar een nadelig effect op heeft.

7.

Afstemming met andere voorzieningen Voor het maken van de keuze is afstemming met overige voorzieningen van belang. Met name afstemming met eventuele vervoersvoorzieningen kan van groot belang zijn. Criteria die hierbij een rol spelen zijn de afstand tot openbaar vervoerhaltes en de aanwezigheid van voorzieningen als winkelcentra, ziekenhuizen, etcetera. Als een woning dicht bij dergelijke voorzieningen ligt en geen woningen beschikbaar zijn of worden die eenzelfde verhouding hebben met andere voorzieningen, kan het college tot de conclusie komen dat het adequater is om de huidige woning aan te passen dan de cliënt te laten verhuizen. De bereikbaarheid van voorzieningen blijft daardoor beter en op het gebied van vervoersvoorzieningen behoeven wellicht minder aanvullende maatregelen te worden genomen. Een belangrijke rol in deze keuze betreft de mogelijkheid van de cliënt om zich te kunnen verplaatsen.

8.

Werksituatie Ook de werksituatie van de cliënt kan van invloed zijn op de beslissing om al dan niet te verhuizen. Als de cliënt door de verhuizing dichter bij zijn werk kan komen te wonen, verdient verhuizing vanuit medisch opzicht wellicht de voorkeur. Dat houdt echter niet in dat verhuizen om dichterbij het werk te wonen op zichzelf een reden is om een verhuiskostenvergoeding te verstrekken. Ook hierbij heeft het feit of de cliënt wel of niet beperkt is in verplaatsen en vervoer een belangrijke rol in de keuze.

9.

Verandering in woonlasten Het college zal bij de afweging tussen het aanpassen van de huidige woning en verhuizen naar een andere woning rekening houden met de woonlastenconsequenties van deze opties. Daarbij wordt een vergelijking gemaakt tussen de woonlasten bij het blijven wonen in de huidige woning en het verhuizen naar een andere woning. Van belang is dat de financiële gevolgen van een verhuizing binnen redelijke en aanvaardbare grenzen vallen.

31

10.

Wooncomfort Bij de afweging of het primaat van verhuizing kan worden toegepast, wordt door het college ook rekening gehouden met het wooncomfort. Daarbij wordt uitgegaan van veranderingen die voor de medemens zonder beperkingen ook van toepassing is. Denk bijvoorbeeld aan dat voor veel ouderen het normaal is om op een gegeven moment van een eengezinswoning of een vrijstaande woning naar een seniorenflat te verhuizen. Dat betekent dat er sprake is van een acceptabele vorm van inleveren van wooncomfort.

11. Is de cliënt huurder of eigenaar van de woning? Indien de cliënt eigenaar van de woning is, zal een verhuizing of aanpassing van de woning andere gevolgen met zich meebrengen dan wanneer de cliënt de woning huurt. Het verhuizen vanuit een koopwoning kan meer consequenties hebben dan verhuizen vanuit een huurwoning, met name in financiële zin. Zo is vaak sprake van een hypotheek op het huis en ontbreekt bij een eigen woning de mogelijkheid van huurtoeslag. 12. De wil van de cliënt om te verhuizen Het ligt voor de hand dat mensen die een beperking krijgen in de meeste gevallen moeite zullen hebben om te accepteren dat zij bepaalde dingen niet meer zelfstandig kunnen doen. Als daarbij ook de woonsituatie ingrijpend verandert, kan dat op extra bezwaren stuiten om mee te willen werken aan een verhuizing. Ondanks dat een verhuizing uiteindelijk een goede oplossing kan zijn, is de cliënt het hier in eerste instantie vaak niet mee eens. Het college kan op grond van de belangenafweging tot de conclusie komen dat verhuizen de meest compenserende oplossing is en om deze reden het aanpassen van de huidige woning niet vergoeden. 8.2 Voorziening voor verhuizing Als toepassing wordt gegeven aan het primaat van verhuizing, dan wordt aan cliënt een verhuiskostenvergoeding toegekend. Het recht op deze voorziening vervalt na 24 maanden.

De tegemoetkoming wordt toegekend indien wordt verhuisd naar een adequate woning of makkelijker geschikt te maken woning. De vergoeding wordt uitbetaald als de cliënt daadwerkelijk een woning vindt en verhuist. De hoogte van de tegemoetkoming is afhankelijk van de op de datum van verhuizing geldende nadere regels en is daarin opgenomen.

Indien een cliënt tweemaal een aangeboden adequate of geschikt te maken woning weigert op niet reële gronden wordt de tegemoetkoming ingetrokken. 8.3 Woningaanpassing Een woningaanpassing vindt enkel plaats in de woning waar cliënt zijn hoofdverblijf heeft. Uitzondering hierop vormt de aanpassing in verband met het bezoekbaar maken van een woning. Is sprake van hoofdverblijf in een woning die niet voor permanente bewoning is bestemd, dan vindt er in beginsel geen woningaanpassing plaats. Bij twijfel of een woning voor permanente bewoning bestemd is kan het bestemmingsplan worden geraadpleegd. Een woningaanpassing heeft als doel normaal gebruik van de woning mogelijk te maken. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn, zoals slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het kunnen verplaatsen in de primaire leefruimtes in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat het hier geen elementaire woonfuncties betreft. Cliënt heeft bij woonvoorzieningen de keuze tussen een voorziening in natura en een PGB. Bij een maatwerkvoorziening in natura draagt de gemeente zorg voor realisering van de woonvoorziening. Qua aanpassen sluiten we aan bij de eisen uit het Bouwbesluit.

Kiest cliënt voor een persoonsgebonden budget, dan is de budgetbeheerder verantwoordelijk voor realisering van de woonvoorziening. Om een PGB te ontvangen voor een woningaanpassing moet de budgetbeheerder één of meerdere offertes opvragen. Daarbij wordt het volgende gehanteerd: Tot € 3000,- levert cliënt tenminste één offerte aan, boven de € 3000,- levert cliënt tenminste 2 offertes aan. Ook de klantmanager vraagt een offerte op bij een aannemer die bekend is bij de klantmanager, dit ter vergelijk van de door cliënt ingediende offertes. Hierbij wordt gekeken naar noodzaak en niet naar wenselijkheid. Alle meerkosten zijn voor rekening van de cliënt. Geldigheid termijn PGB In geval van een PBG is de budgetbeheerder zelf verantwoordelijk voor het (laten) uitvoeren van een woningaanpassing. Indien binnen een half jaar na dagtekening van de toekenningsbeschikking de woningaanpassing niet is voltooid, vervalt het recht op de toekenning. Bij ingrijpende en tijdrovende aanpassingen kan van deze termijn worden afgeweken. 8.4 Hulpmiddelen, niet zijnde een woningaanpassing ten behoeve van het normale gebruik van de woning Zie hiervoor Hoofdstuk 10 Hulpmiddelen.

32

8.5 Woonsanering in verband met COPD en longklachten door allergie Een persoon met beperkingen als gevolg van COPD of een allergie kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor herstoffering van noodzakelijke ruimte in de woning, indien de noodzaak hiervoor wordt aangegeven door een longarts of longverpleegkundige (c.q. CARA-verpleegkundige). Voorzieningen, zoals allergeenvrije kussens en matrashoezen, vallen niet onder de Wmo. In het kader van de Wmo gaat het bij woningsanering als gevolg van COPD, astma en allergieën specifiek om de volgende stoffering: tapijt en gordijnen in de slaapkamer. Een uitzondering wordt gemaakt voor kinderen tot vier jaar, in die zin, dat het ook mogelijk is de woonkamer te saneren omdat een kind van die leeftijd niet naar school gaat en ook overdag in de woonkamer verblijft. De in verband met een allergie noodzakelijk aan te schaffen vervangende stoffering is vrijwel altijd algemeen gebruikelijk. Alleen wanneer dergelijke artikelen voortijdig moeten worden vervangen, omdat men pas bekend is met de allergie, kan niet meer gesproken worden van een algemeen gebruikelijke voorziening. Bij de vaststelling van de hoogte van het PGB voor de maatwerkvoorziening passen we een afschrijvingstermijn toe. Uitgangspunt hierbij is dat de vloerbedekking altijd voor een beperkte duur meegaat.

De cliënt dient dus voor de vervanging van de vloerbedekking geld te reserveren. Indien een artikel is afgeschreven (veelal na acht jaar) wordt niet opnieuw een maatwerkvoorziening met hetzelfde doel verstrekt. De werkelijke kosten komen in aanmerking voor het vast te stellen PGB. Ook hierbij is het uitgangspunt goedkoopst adequaat. Materialen gekocht bij een bouw- of woonmarkt gaan voor op de materialen uit een woningspeciaalzaak. Er is wel een afschrijvingspercentage huidige stoffering van toepassing. Leeftijd stoffering: • Nieuwer dan 2 jaar: 100% PGB • Tussen 2 en 4 jaar: 75% • Tussen 4 en 6 jaar: 50% • Tussen 6 en 8 jaar: 25% • Ouder dan 8 jaar: geen PGB Bij de aanschaf van nieuwe materialen moet de persoon met beperkingen zich houden aan het programma van eisen, zoals gladde vloerbedekking (zeil of goedkoop laminaat) en gladde raambedekking (rolgordijn, kunststof lamelgordijn). Eventuele meerkosten zijn op rekening van cliënt. Het kan uit medisch oogpunt gewenst zijn om de hele woning stofvrij te maken, terwijl alleen sanering van de slaapkamer urgent is. Alleen de artikelen die urgent zijn (onafhankelijk medisch advies kan worden opgevraagd) komen in aanmerking voor vergoeding. De rest kan geleidelijk aan, passend binnen het normale uitgavenpatroon, vervangen worden.

Rolstoeltapijt Vervanging van vloerbedekking door rolstoeltapijt komt alleen voor een maatwerkvoorziening in PGB in aanmerking als de vervanging niet te voorzien was (lees over voorzienbaarheid paragraaf 3.5), bijvoorbeeld als de cliënt als gevolg van een ongeluk plotseling rolstoelafhankelijk is geworden. Bij een geleidelijke achteruitgang in het functioneren waardoor de cliënt rolstoelafhankelijk is geworden is geen maatwerkvoorziening mogelijk. Er is dan sprake van voorzienbaarheid en vermijdbaarheid, waarvoor de cliënt tijdig had kunnen reserveren. Bij de hoogte van het PGB wordt dezelfde afschrijvingstermijn en percentage toegepast als bij de woningsanering. 8.6 Uitraaskamer Een cliënt kan in aanmerking komen voor een woningaanpassing in de vorm van een uitraaskamer als er sprake is van aantoonbare beperkingen vanwege een gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag als gevolg van een ziekte of gebrek, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin hij/ zij tot rust kan komen. Het is daarbij van belang om vast te stellen dat het niet gaat om gedrag dat op grond van pedagogisch vermogen of medisch gezien beïnvloed kan worden. 8.7 Aanpassing gemeenschappelijke ruimten Het college kan een voorziening treffen aan een gemeenschappelijke ruimte, indien deze zonder de voorzieningen ontoegankelijk is voor de cliënt met beperkingen.

Deze voorziening wordt verstrekt aan de cliënt met de beperking(en). Hiervoor is geen eigen bijdrage verschuldigd. Daarbij is het van belang te onderzoeken of de aanpassingen voor meer bewoners van toepassing zijn die gebruik maken van de gemeenschappelijke ruimte en zo of er bijvoorbeeld een VVE is die deze kosten voor zijn rekening kan nemen en er aan mee wil betalen. Ook moet nagegaan worden of het betreffende woningcomplex een label heeft. Bijvoorbeeld seniorenwoningen: aanpassingen in de gemeenschappelijke ruimte vallen daardoor onder de verantwoordelijkheid van de woningcorporatie. Wordt de aanpassing verstrekt via de Wmo dan dient deze op naam van de individuele aanvrager verstrekt te worden. Deze betaalt daar dan geen eigen bijdrage voor. Een maatwerkvoorziening in een gemeenschappelijke ruimte kan alleen worden toegekend als er een individuele persoon met beperkingen is voor wie de maatwerkvoorziening noodzakelijk is. De voorziening wordt toegekend onder voorwaarde dat de onderhoudsplicht van de voorziening(en) bij de eigenaar van het complex ligt. Deze maatwerkvoorziening kan slechts worden verstrekt voor: • het verbreden van toegangsdeuren; • het aanbrengen van elektrische deuropeners; • aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw, mits de woningen in het woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel; 33

• •

Drempelhulpen hoger dan 10 centimeter (waaronder oprijplaten, vlonders en hellingbanen); het aanbrengen van een extra trapleuning bij een portiekwoning.

8.8 Bezoekbaar maken van een woning Onder het bezoekbaar maken van een woning wordt verstaan dat de aanvrager de woning, de woonkamer en één toilet kan bereiken. Wat betreft de toiletvoorziening is het uitgangspunt een losse toiletstoel, die ook in een andere ruimte dan de toiletruimte geplaatst kan worden, eventueel met gebruik van een kamerscherm. Cliënten die in een Wlz-instelling verblijven kunnen aanspraak maken op een woningaanpassing bestaand uit het bezoekbaar maken van een woning in de gemeente die zij minimaal twaalf keer per jaar bezoeken. Enkel de woning van één familielid in de eerste graad òf de woning van de partner van cliënt wordt bezoekbaar gemaakt. De tweede situatie waarin een woning bezoekbaar kan worden gemaakt, is als het een minderjarig kind betreft van wie de ouders niet samenwonen. De woning van de ouder waar het kind niet woont kan dan bezoekbaar worden gemaakt. In geval van co-ouderschap of een officiële omgangsregeling (gerechtelijke beschikking of notariële akte) waar ook overnachting deel van uitmaakt kan bezoekbaar maken ook betekenen aanpassen van slaapkamer en badkamer. 8.9 Aanpassingen aan woonwagens en woonschepen Het college verleent een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een woonwagen of woonschip als voldaan is aan de criteria die zijn opgenomen in de Verordening.

8.10 Tijdelijke huisvesting Het kan voorkomen, dat een persoon met beperkingen als gevolg van het aanpassen van zijn woning op grond van de Wmo dubbele woonlasten heeft. In dergelijke gevallen kan een tegemoetkoming worden verleend voor het tijdelijk betrekken van een zelfstandige woonruimte en het langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte. De tegemoetkoming wordt berekend op basis van het huurbedrag (excl. eventuele individuele stookkosten) dat per maand is verschuldigd voor de woning die men wel moet huren maar nog niet kan gebruiken vanwege nog uit te voeren woningaanpassingen. De tegemoetkoming kan worden verstrekt voor een periode van maximaal 6 maanden, gerekend vanaf de tweede maand. De eerste maand huur wordt als algemeen gebruikelijk beschouwd. Indien de cliënt voor de woning recht heeft op huurtoeslag dan wordt dit in mindering gebracht op de tegemoetkoming. De tegemoetkoming stopt zodra de woningaanpassingen zijn opgeleverd. 8.11 Huurderving Na beëindiging van de huur van een aangepaste woning kan aan de woningeigenaar een vergoeding worden verleend. De leegstand moet het gevolg zijn van de aanwezigheid van aanpassingen in de woning die op grond van de Wmo verstrekt zijn. De huurderving van de eerste maand komt niet in aanmerking voor een vergoeding.

8.12 Onderhoud, keuring en reparatie van in natura verstrekte woningaanpassingen Om in aanmerking te komen voor onderhoud moet de woningaanpassing op grond van de Wmo en beleidsregels zijn verstrekt. Tijdens het onderhoud, keuring of de reparatie moet de cliënt de woonruimte als hoofdverblijf bewonen. Aan de meeste nagelvaste woningaanpassingen is geen onderhoud of reparatie nodig, denk aan verbrede deuren, drempels, vlonders etcetera. In het geval van een verstrekking in natura sluit de gemeente bij woningaanpassingen die periodiek onderhoud nodig hebben, zoals trapliften, onderhouds- en reparatiecontracten af. Als bij nagelvaste woningaanpassingen waarvoor geen onderhouds- en reparatiecontract is afgesloten, toch onderhoud of reparatie nodig is, geldt het volgende: Reparaties onder de €500,- (ex BTW) zijn één keer per jaar direct declarabel, mits de aanschafwaarde ten minste €1.500,- (ex btw) bedraagt. 8.13 Onderhoud en reparatie bij in PGB verstrekte woningaanpassingen Algemeen De door de budgetbeheerder gekozen aannemer moet bereid zijn om aanpassingen die onderhoud vereisen te onderhouden en te repareren. In de offerte van de leverancier moet dit ook tot uitdrukking komen. Bij het bepalen van het PGB bedrag worden immers de offertes opgevraagd inclusief deze meerkosten. Hiervoor moet tussen de budgetbeheerder en de leverancier een contract worden afgesloten.

Dit bedrag is een maal per kalenderjaar declarabel. Het contract wordt bij aanschaf van de voorziening afgesloten voor de minimale geldigheidsduur van het toegekende PGB. Het onderhoudscontract voor een voorziening omvat de volgende voorzienbare kosten (niet limitatief): 1.

Voorrijdkosten en arbeidsloon.

2.

24-uurservice.

3.

Gelijkwaardige leenvoorziening indien de voorziening niet binnen een redelijke termijn gerepareerd kan worden.

34

4.

Jaarlijks onderhoud met indien wettelijk vereist een 4 jaarlijkse keuring (alleen bij plateau- en buitenliften).

5.

De voorziening heeft een technische afschrijving. Bij gelijkblijvende beperkingen verstrekt de gemeente binnen deze termijn niet opnieuw een overeenkomstige voorziening.

Deze meerkosten worden gedurende de geldigheidsduur van de PGB eenmaal per kalenderjaar declarabel gesteld. Specifieke kosten bij Woonliften/ Plateauliften/ Plafondliften: Keuringskosten mogen eens in de 4 jaar in rekening worden gebracht bij verstrekte plateauliften of complete binnen – of buitenliften. Deze kosten mogen op geen enkele andere voorziening in rekening worden gebracht. Verder geldt dat er voor deze liften een onderhoudscontract moet worden afgesloten, waarbij maximumtarieven gelden voor het jaarlijkse service- en onderhoud van deze soort liften, zie hiervoor de bedragen vastgesteld in de nadere regels. Alles boven dit bedrag (aan onderhoud/ service) komt op rekening van de cliënt. Noodzakelijk reparaties tot een bepaald bedrag (richtlijn: € 500) zijn altijd declarabel. Wanneer een reparatie hoger uitvalt, dient eerst toestemming gevraagd te worden aan de gemeente. Deze kan de afweging maken of reparatie dan wel vervanging wellicht een betere optie is. Specifiek bij Trapliften: Onze trapliften schaft de gemeente aan voor een al-in bedrag. In principe is dat het bedrag dat ten hoogste wordt verstrekt als cliënt zelf een traplift via een PGB aan wil schaffen. Meerkosten komen dan op het conto voor de cliënt. Als een cliënt dat een te groot risico vindt wordt hij / zij verwezen naar de ZIN verstrekking.

Voorrij-, onderhouds- en reparatiekosten worden niet extra vergoed gedurende 10 jaar. Anders is het bij de heel oude trapliften, die destijds in eigendom werden verstrekt. Hiervoor gelden de maximumtarieven aan onderhoud zoals opgenomen in de nadere regels 2022. Specifiek bij Spoel/föhn-installatie voor toilet: Er is geen onderhoud noodzakelijk op een dergelijke installatie. Wel is het raadzaam om afspraken te maken in geval van storing aan de installatie. Mochten hier kosten uit voortvloeien zijn deze declarabel. Bij kosten hoger dan € 500 moet eerst toestemming worden gevraagd aan de gemeente. Deze kan de afweging maken of reparatie ofwel vervanging noodzakelijk is. 8.14 Beëindiging • Als de voorzieningen die in bruikleen zijn verstrekt niet meer nodig zijn, worden deze weer verwijderd en zo mogelijk herverstrekt. •

Verwijdering van voorzieningen die in eigendom zijn verstrekt komen voor rekening van de eigenaar. Bij de aanpassing sluiten we aan bij de eisen uit het Bouwbesluit.

•

Tijdens het onderhoud, keuring of de reparatie moet de cliënt de woonruimte als hoofdverblijf bewonen.

Hoofdstuk 9. Vervoersvoorziening 9.1 Vervoersvoorzieningen De gemeente biedt vervoersvoorzieningen aan mensen met mobiliteitsbeperkingen. Hiermee kunnen zij zich in en om het huis verplaatsen en buitenshuis afstanden afleggen. Hierdoor kunnen zij deelnemen aan de maatschappij. Wmo vervoersvoorzieningen zijn bedoeld voor verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving en de regio. Een cliënt kan voor een vervoersvoorziening in aanmerking komen als hij/zij aantoonbare beperkingen heeft waardoor hij/zij het openbaar vervoer niet kan bereiken of gebruiken en als hij/ zij niet in staat is gangbare en gebruikelijke vervoersmiddelen zoals auto, bromfiets, scooter, fiets etc. te gebruiken voor de verplaatsingen in de eigen woonomgeving en in de regio. Er is sprake van een mobiliteitsbeperking wanneer de cliënt niet in staat is om een afstand van 800 meter zelfstandig, binnen een redelijke tijd te overbruggen of wanneer de cliënt niet in staat is langer dan 10 minuten te staan. Vervoersvoorzieningen kunnen als verstrekking worden ingezet om de volgende resultaten te bereiken: •

Het zelfstandig lokaal verplaatsen per vervoermiddel.

•

Het kunnen ontmoeten van mensen en het op basis daarvan aangaan van sociale relaties.

Om voor een individuele voorziening in aanmerking te komen zal het college eerst nagaan of in het gesprek alle mogelijke alternatieven zijn beoordeeld zoals openbaar vervoer en collectief vraagafhankelijk vervoer en gebruik van alle overige algemeen verkrijgbare individuele vervoersmiddelen. Daarbij zal gekeken worden naar de daadwerkelijke vervoersbehoefte (afstand, frequentie, tijdstip etc.) van de cliënt. Zie voor de individuele mogelijkheden de vervoershulpmiddelen onder het hoofdstuk hulpmiddelen. 9.2 Primaat van het collectief vervoer (Wmo vervoer Tripp) Collectief vervoer is bedoeld voor vervoer in de regio. Indien het collectief vervoer niet adequaat is of niet volstaat, wordt gekeken of en welke maatwerkvoorziening een oplossing voor het vervoersprobleem is. Een combinatie van vervoersvoorzieningen is – in uitzonderlijke gevallen – ook mogelijk. Zo verstrekt de gemeente een vervoersvoorziening op maat. Indien cliënt gedurende een aaneengesloten periode van 6 maanden geen gebruik maakt van de voorziening kan de 35

Wmo voorziening met inachtneming van 2.11 gemotiveerd en indien nodig door het opvragen van medisch advies worden ingetrokken. De gemeente hanteert het primaat van het collectief vervoer vanuit het uitgangspunt ‘collectief als het kan, individueel als het moet’. Omdat de cliënt alleen op indicatie van een Wmo klantmanager gebruik kan maken van het collectief vervoer, is het collectief vervoer een maatwerkvoorziening. Deze maatwerkvoorziening wordt echter collectief uitgevoerd vanuit het uitgangspunt: goedkoopst adequaat. Hierbij is het volgende van toepassing: a)

De voorziening collectief vervoer wordt alleen verstrekt in natura in de vorm van een taxipas. Een PGB is hiervoor niet mogelijk. De taxipas geeft de cliënt de mogelijkheid om maximaal 2000 km per jaar gebruik te kunnen maken van de regiotaxi voor regulier vervoer of rolstoeltaxivervoer.

b)

Als aan de cliënt naast de taxipas voor collectief vervoer ook beschikt over een individuele voorziening die vanuit de Wmo in natura of PGB is verstrekt of wanneer cliënt zelf over een adequate individuele voorziening beschikt, dit ten behoeve van de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving. Dan wordt een maximum van 1000 km. verstrekt.

c)

Indien de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het aantal kilometers zoals bedoeld onder a en b niet volstaat om in de reële vervoersbehoefte van cliënt te voldoen, dan doet de klantmanager onderzoek naar de onderliggende oorzaken hiervoor. Als het gaat om veel ritten die aantoonbaar gemaakt worden kan een groter aantal kilometers worden verstrekt. Voorwaarde hierbij is wel dat de cliënt geen gebruik kan maken van de extra vergoeding voor medische ritten uit de aanvullende polis van de zorgverzekeraar.

d)

De pashouder betaalt tarieven, die vergelijkbaar zijn met de tarieven van het openbaar vervoer, waarbij de zone indeling van het openbaar vervoer uitgangspunt is.

e)

De gemeente gaat er vanuit dat verplaatsingen binnen een straal van 25 km of aansluitend op het bovenregionale Valysvervoer, voldoende zijn voor lokale verplaatsingen.

9.3 Beoordeling van de noodzaak en soort vervoersvoorziening Als het openbaar vervoer onvoldoende bereikbaar en bruikbaar is voor mensen met beperkingen en als hij/ zij niet in staat is gangbare en gebruikelijke vervoersmiddelen zoals auto, bromfiets, scooter en fiets te gebruiken voor de verplaatsingen in de eigen woonomgeving en in de regio, kan de gemeente alternatieven aanbieden. Eerst wordt gekeken naar een collectieve vervoersvoorziening, zoals de regiotaxi. Is die niet adequaat, dan kan de gemeente een maatwerkvoorziening in natura of PGB verstrekken. Hierbij worden de volgende aspecten in kaart gebracht: 1. Gaat het om deelname aan het leven van alledag? De Wmo vervoersvoorzieningen zijn bedoeld om te kunnen deelnemen aan het leven van alledag. Een vervoersvoorziening is gericht op het opheffen of verminderen van belemmeringen die een persoon met beperkingen bij het lokale vervoer buitenshuis ondervindt. Indien het gaat om deelname aan werk valt de vervoersvoorziening niet onder de Wmo. 2.

Wat is de vervoersbehoefte? Welke verplaatsingen zijn voor de persoon met beperkingen van belang om maatschappelijk te kunnen participeren? En hoe ver ligt deze bestemming? Aan de hand daarvan kan worden bepaald wat de vervoersbehoefte is.

3.

Wat is het verplaatsingsmotief? De voorziening is bedoeld om deel te nemen aan het leven van alledag. Bij de Wmo gaat het om maatschappelijk verkeer, het vervoer per vervoermiddel dat nodig is voor het leven van alledag. Uitgangspunt is niet de gewoonten die de cliënt heeft, maar wat de invloed van de beperkingen van de cliënt zijn op zijn eigen mogelijkheden om in zijn vervoersbehoefte te voorzien.

4.

Wat is de frequentie van vervoer? Om de vervoersbehoefte te kunnen bepalen, gaat het om de vraag: hoe vaak moet een persoon met beperkingen naar een bepaalde bestemming om maatschappelijk te kunnen participeren? Dus om deel te nemen aan het ‘leven van alle dag’ en om de sociale contacten te onderhouden?

5.

Welke vervoersvoorzieningen zijn er al en hoe adequaat zijn deze? Heeft betrokkene een auto maar is deze niet meer adequaat? Is er al een collectieve vervoersvoorziening afgegeven maar wordt hierdoor het probleem onvoldoende ondervangen? Ook de GPK zal hier in meegenomen dienen te worden.

9.4 Begeleiding tijdens vervoer Personen met beperkingen die met begeleiding met het openbaar vervoer kunnen reizen, moeten zelf voor een begeleider zorgen. Om voor de aantekening ‘medische begeleiding’ op de vervoerspas in aanmerking te komen, is een indicatie door de Wmo klantmanager of externe adviseur nodig. Slechts in zeer uitzonderlijke situaties kan een begeleiderindicatie voor een vervoersvoorziening worden toegekend als: 

de persoon met beperkingen agressief gedrag vertoont;

de persoon met beperkingen dwaalgedrag vertoont;

de persoon met beperkingen afhankelijk is van medische handelingen tijdens de rit. 36

Als de aantekening begeleiding tijdens vervoer noodzakelijk wordt afgegeven, moet men zelf voor een begeleider zorgen. 9.5 Maatwerkvoorziening vervoer in PGB Als een cliënt aangeeft geen gebruik te kunnen maken van de regiotaxi moet de klantmanager onderzoeken wat hiervoor de onderliggende oorzaken zijn. Een maatwerkvoorziening PGB als tegemoetkoming in de vervoerskosten wordt alleen verstrekt als andere voorzieningen op medische- en/ of gedrag gerelateerde gronden niet geschikt zijn en er sprake is van geïndiceerd individueel vervoer. Alleen als cliënt op medisch geïndiceerde gronden geen gebruik kan maken van de regiotaxi is een tegemoetkoming in gebruik van eigen auto / taxi mogelijk. 9.6 Auto aanpassingen Auto aanpassingen zijn over het algemeen prijzig en daarom niet goedkoopst adequaat. In een aantal situaties bieden auto aanpassingen een goed alternatief voor andere vervoersvoorzieningen. Uitgangspunt hierbij is dat cliënt op medische of sociale gronden geen noch gebruik kan maken van het collectief vervoer, noch van een PGB als tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van een eigen auto of (rolstoel)taxi. Als een autoaanpassing toch overwogen wordt, moet de aan te passen auto technisch in goede staat verkeren, automatisch geschakeld zijn en beschikken over goede verwarming en andere voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn in een personenauto.

Met technisch in goede staat zijn bedoelen we niet ouder dan 5 jaar. Binnen de afschrijvingstermijn van 7 jaar, wordt geen vergoeding gegeven voor een zelfde aanpassing. 9.7 Gesloten buitenwagen In uitzonderlijke situaties kan via de Wmo een gesloten buitenwagen verstrekt worden. Er dient een medische reden te zijn waarom een open vervoermiddel niet mogelijk is. Hiervoor is het opvragen van een medisch advies noodzakelijk. 9.8 De regelingen Gehandicapten Parkeervoorzieningen Deze regeling valt buiten de werkingssfeer van de Wmo, maar wordt wel door Wmo klantmanagers uitgevoerd. Volgens de wet is voor de gehandicapten parkeerkaart/plaats een medische indicatie vereist. De gemeente betrekt deze adviezen bij onze aanbieder voor Medisch advies. Een gehandicaptenparkeerkaart kan een bestuurders- of een passagierskaart zijn. De passagierskaart wordt afgegeven voor de belanghebbende die aan alle voorwaarden voldoet, maar zelf niet in staat is om een auto te besturen. Om voor een van deze kaarten in aanmerking te komen, moet worden voldaan aan alle volgende voorwaarden voor een: 1. Bestuurderskaart

2.

3.

•

de persoon met beperkingen is in het bezit van een rijbewijs en is bestuurder van een motorvoertuig.

•

een aantoonbare beperking van langdurige aard (tenminste zes maanden), waardoor de persoon met beperkingen, ook met de gebruikelijke hulpmiddelen (rollator, stokken, krukken e.d.) niet in staat is om meer dan 100 meter aan één stuk te voet te lopen of; permanent rolstoelgebonden of; een ernstige beperking niet zijnde een loopbeperking.

Passagierskaart •

een aantoonbare beperking van langdurige aard (tenminste zes maanden), waardoor de persoon met beperkingen, ook met de gebruikelijke hulpmiddelen (rollator, stokken, krukken e.d.) niet in staat is om meer dan 100 meter aan één stuk te voet te lopen of; permanent rolstoelgebonden of; een ernstige beperking niet zijnde een loopbeperking.

•

deze persoon met beperkingen is voor het vervoer van deur tot deur afhankelijk van de bestuurder en aanvrager niet alleen kan wachten. Dat betekent dat de bestuurder aanvrager niet alleen kan laten, ook niet om de auto te parkeren.

Gehandicaptenparkeerplaats •

Een aantoonbare langdurige loopbeperking (tenminste zes maanden) waardoor de persoon met de beperking, ook met de gebruikelijke hulpmiddelen (rollator, stokken, krukken, e.d.), niet in staat is om meer dan 50 meter zelfstandig aan één stuk te voet te lopen.

•

Een auto bezit of bestuurt.

•

Heeft geen eigen parkeerruimte bij de woning en/of werkadres.

•

In de directe omgeving is geen openbare parkeerruimte beschikbaar.

•

Indien uit de beoordeling van de gemeente, afdeling verkeer, blijkt dat de vastgestelde parkeerdruk in de directe woonomgeving binnen de voor de cliënt vastgestelde maximale loopafstand aanleiding is om een gehandicaptenparkeerplaats toe te kennen.

•

Indien uit de beoordeling van de gemeente, afdeling verkeer, blijkt dat de verkeersveiligheid en het doelmatig gebruik van de weg niet verstoord worden door de aanleg van een gehandicaptenparkeerplaats. 37

De gemeente vergoedt geen kosten voor het verstrekken van een invalidenparkeerkaart of- plaats. De verschuldigde legeskosten worden door de cliënt zelf betaald. In uitzonderlijke gevallen kan gemotiveerd en onderbouwd van bovenstaande voorwaarden worden afgeweken indien aanvrager in het bezit is van een gehandicapte parkeerkaart passagier én het noodzakelijk is direct voor de deur te kunnen parkeren.

Hoofdstuk 10. Hulpmiddelen Een aantal maatwerkvoorzieningen vallen onder dit hoofdstuk: – Woonhulpmiddelen – Hulpmiddelen voor vervoer – Rolstoelen 10.1 Hulpmiddelen algemeen in Natura De Gemeente heeft hiervoor contracten afgesloten met 3 leveranciers, waarbij de gemeente de hulpmiddelen voor een all-in prijs huurt van de leverancier. Met all-in wordt bedoeld dat service, onderhoud, reparaties, aanpassingen en indien wettelijk vereist een verzekering om op de openbare weg te mogen rijden, in het maandelijkse huurbedrag is inbegrepen. De hulpmiddelen blijven eigendom van de leveranciers en worden in bruikleen verstrekt. Hulpmiddelen onder de € 600,- (excl. btw) worden wel door de gemeente gekocht en daardoor vaak in eigendom verstrekt. Dit zijn sanitaire voorzieningen, die om hygiënische reden niet meer worden ingenomen. 10.2 Hulpmiddelen algemeen in PGB Voor woonhulpmiddelen in PGB geldt, dat er geen extra bedragen hoeven te worden verstrekt aan onderhoud en/ of reparatie. Incidenteel zal een reparatie noodzakelijk zijn, deze is na gebleken noodzaak declarabel. De voorziening heeft een technische afschrijving van minimaal 7 jaar. Bij gelijkblijvende beperkingen verstrekt de gemeente binnen deze termijn niet opnieuw een overeenkomstige voorziening.

Meerkosten voorkomend uit een noodzakelijke reparatie worden gedurende de geldigheidsduur van de PGB eenmaal per kalenderjaar declarabel gesteld. 1.

2.

Procedure: cliënt betaalt eerst zelf a)

Na aanschaf van de voorziening moet de cliënt de nota en het betalingsbewijs overleggen.

b)

Aan de hand van de nota en eventueel een huisbezoek wordt gecontroleerd of de aangeschafte voorziening conform het opgestelde programma van eisen is en het te bereiken doel daarmee gehaald kan worden. Is dit niet het geval, dan wordt het PGB niet uitbetaald.

c)

Bij akkoord van de nota en het betalingsbewijs wordt het PGB rechtstreeks naar de bankrekening van de cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger overgemaakt.

Procedure: gemeente betaalt leverancier of aannemer als de cliënt het bedrag niet kan voorschieten. De budgetbeheerder moet de offerte van de aan te schaffen voorziening overleggen. a)

Aan de hand van de offerte en eventueel een huisbezoek wordt gecontroleerd of de geoffreerde voorziening conform het opgestelde programma van eisen is en het te bereiken doel daarmee gehaald kan worden. Is dit niet het geval, dan wordt het PGB niet uitbetaald. Zo nodig moet de budgetbeheerder een nieuwe offerte opvragen die wel aan de vereisten voldoet.

b)

Na levering van de voorziening of gereed-melding van de woningaanpassing moet de budgetbeheerder de nota overleggen en wordt controle uitgevoerd op de uitgevoerde werkzaamheden.

c)

Bij akkoord van de uitgevoerde werkzaamheden en de nota wordt het PGB rechtstreeks naar de bankrekening van de leverancier of aannemer overgemaakt.

10.3 Hulpmiddelen en verhuizing Als de hulpmiddelen in bruikleen zijn verstrekt door de gemeente betekent een verhuizing naar een andere gemeente in principe het einde van de bruikleenovereenkomst en worden de hulpmiddelen door de gemeente ingenomen. In het kader van het Convenant meeverhuizen7 wordt bij leverancier navraag gedaan of deze ook een contract heeft met de nieuwe gemeente waarbij cliënt in voorkomende gevallen het hulpmiddel kan behouden en de beëindiging administratief plaatsvindt. Voor cliënt is dit heel dienstverlenend. Uiteraard blijft cliënt wel zelf verantwoordelijk om zich voor Wmo voorzieningen tijdig aan te melden bij zijn nieuwe gemeente. 10.4 Hulpmiddelen en opname Wlz met verblijfsindicatie Er is sprake van een overgangsperiode voor hulpmiddelen in bruikleen bij cliënten die vóór 01-01-2021 in een instelling verbleven met een Wlz indicatie. Voor deze groep geldt dat de gemeente verantwoordelijk is en blijft voor onderhoud en reparatie aan het hulpmiddel tot het hulpmiddel aan vervanging toe is. Pas dan moet het hulpmiddel vanuit de Wlz aan cliënt verstrekt worden. Wanneer een cliënt na 01-01-2021 verhuist, moet het hulpmiddel ingenomen worden en vanuit de Wlz

38

opnieuw verstrekt worden. Ook dan geldt dat er contact met leverancier/ zorgkantoor gezocht moet worden om cliënt hier zo min mogelijk mee te belasten. 10.5 Woonhulpmiddelen Bij een woonhulpmiddel gaat het altijd om roerende voorzieningen en is er geen sprake van bouwkundige (nagelvaste) woonvoorzieningen. Hulpmiddelen ten behoeve van het normale gebruik van de woning zijn o.a.: Toiletstoel: Deze stoel is voor mensen met beperkingen die niet gebruik kunnen maken van het toilet. Denk hierbij niet alleen aan toiletgebruik op de begane grond, maar ook aan het ontbreken van een toilet op de verdieping, waar de slaapkamer zich bevindt en de cliënt niet in staat is ’s nachts naar het toilet op de begane grond te gaan. Toiletstoelen onder de €600,- worden in eigendom verstrekt. Douchekruk of douchestoel: De standaard uitvoeringen die in de reguliere handel en ook tweedehands in ruime mate te koop zijn worden beschouwd als algemeen gebruikelijk. De douchestoel wordt wel vanuit de Wmo verstrekt als er specifieke eisen gesteld worden aan de uitvoering, die afgestemd zijn op de persoonlijke kenmerken en behoeften van de cliënt. Denk aan een douchestoel met kantelverstelling, een douchestoel met hoog-laag functie, een kinderdouchestoel, een douchestoel met fixatie elementen etc. Douchehulpmiddelen voor volwassenen onder de €600,- worden in eigendom verstrekt.

Tillift (passief en actief): Deze liften zijn bedoeld voor mensen die niet zelfstandig transfers kunnen maken en waarbij een draaischijf of transferplank niet adequaat is. Tilliften komen voor verstrekking vanuit de Wmo in aanmerking als zij nodig zijn ter ondersteuning van de reeds bestaande mantelzorg (zorg door familie en/of vrienden). Als het om professionele hulpverleners gaat dient er goed gekeken te worden naar datgene wat nodig is om deze hulp goed te kunnen verlenen. •

Actieve tilliften zijn er voor mensen die nog enige sta-functie hebben, maar niet voldoende voor zelfstandige transfers of transfers met persoonlijke ondersteuning.

•

Passieve tilliften zijn er voor mensen die geen sta-functie hebben. Zij worden getild via een tilband. Plafondliften behoren niet tot de hulpmiddelen maar tot de nagelvaste woningaanpassingen.

10.6 Hulpmiddelen voor vervoer Om voor een individuele vervoersvoorziening in aanmerking te komen zal het college eerst nagaan of in het gesprek alle mogelijke alternatieven zijn beoordeeld zoals openbaar vervoer en collectief vraagafhankelijk vervoer en gebruik van alle overige algemeen verkrijgbare individuele vervoersmiddelen. Daarbij zal gekeken worden naar de daadwerkelijke vervoersbehoefte (afstand, frequentie, tijdstip etc.) van de cliënt. Het kan zijn dat collectief vervoer niet volstaat omdat het niet voorziet in de vervoersbehoefte in de directe woon - en leefomgeving. Onder de directe woonomgeving wordt een straal van 1,5 km verstaan. Hierbij moet men denken aan het binnen de directe woonomgeving zelf boodschappen doen, de huisarts bezoeken, familie bezoeken etc. Voor deze verplaatsingen is het over het algemeen niet adequaat of zelfs onmogelijk gebruik te maken van het collectieve vervoerssysteem of van een taxi. Jurisprudentie van de CRvB heeft bepaald dat de gemeente bij een maximale loopafstand van 100 meter van de cliënt, die niet het openbaar vervoer kan bereiken en gebruiken, indien adequaat een aanvullende individuele voorziening moet verstrekken. Het bevorderen van de zelfstandigheid binnen de directe woonomgeving is meestal de reden dat er aanvullend op het regiotaxivervoer een hulpmiddel als maatwerkvoorziening mogelijk is.

Het maximale aantal kilometers voor gebruik van de regiotaxi wordt dan wel teruggebracht naar 1000 km per jaar, aangezien in een flink deel van de vervoersbehoefte kan worden voorzien met de aanvullende maatwerkvoorziening. Hulpmiddelen tot 18 jaar altijd in bruikleen Tot de leeftijd van 18 jaar blijft de voorziening in de regel eigendom van de gemeente en wordt deze in bruikleen aan de persoon met beperkingen verstrekt. Welke hulpmiddelen zijn mogelijk: 1.

Scootmobiel oftewel een open buitenwagen: De scootmobiel is primair bedoeld voor verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving en niet voor grote afstanden daarbuiten. Voor de grote actieradius is het collectief vervoer adequaat. Dat betekent dat een scootmobiel met een snelheid van 8, 10 of 12 km per uur en met gemiddelde actieradius van circa 15 km op één accu adequaat is. Onderbouwd kan hier van afgeweken worden. Als de cliënt een zwaardere en snellere scootmobiel wenst kan hij/ zij ervoor kiezen de meerkosten zelf te betalen. Een opvouwbare scootmobiel wordt niet verstrekt, omdat dit geen adequate vervoersvoorziening is vanwege onder anderen gebrek aan vering en zitcomfort. Naast het verstrekken van een scootmobiel is het mogelijk om een aantal lessen te vergoeden om veilig gebruik van de scootmobiel in het verkeer mogelijk te maken. Indien de cliënt onvoldoende rijvaardig is dan wordt een scootmobiel gezien als een niet adequate voorziening.

39

Bij het verstrekken van een scootmobiel moet er een mogelijkheid zijn om de scootmobiel te laden en te stallen dan wel moet die mogelijkheid gerealiseerd kunnen worden. Indien dit niet mogelijk is wordt een scootmobiel gezien als een niet adequate voorziening. Bij een aanvraag voor een scootmobiel worden ook mobiliteitsaspecten meegewogen.Van belang daarbij is of een scootmobiel een anti-revaliderende werking heeft. Hiervan is sprake als de situatie van de cliënt door het gebruik van de scootmobiel verslechtert of gelijk blijft als vooruitgang wel mogelijk is. Indien hiervan sprake is, is de voorziening niet passend. 2.

Fiets: Vanuit de Wmo kan een fiets verstrekt worden. Het gaat dan om een op de beperkingen van de cliënt aangepaste fiets. De meeste fietsen worden gezien als algemeen gebruikelijk zoals de tandem, de elektrische fiets, fiets met een laag frame, de bakfiets etc. Deze fietsen worden in principe niet vanuit de Wmo vergoed. Bij het verstrekken van een fiets is het belangrijk om goed na te gaan of de fiets past bij het beperkingenniveau en de vervoersbehoefte van de cliënt. Ook voor een aangepaste fiets dient een stallingsmogelijkheid te bestaan of gecreëerd te kunnen worden.

3.

4.

5.

Handbike: De handbike is de vervanging van een fiets, als de cliënt niet in staat is zich met beenkracht en beencoördinatie voort te bewegen en ook een aangepaste fiets niet adequaat is. De criteria hiervoor zijn: •

cliënt is aangewezen op een rolstoel;

•

cliënt heeft het vermogen met behulp van een handbewogen (sport) rolstoel een redelijke afstand (1,5 km) binnen redelijke tijd te overbruggen (te denken valt aan circa een half uur);

•

heeft de voorziening nodig in verband met een specifieke verplaatsingsbehoefte boven 1500 meter, die niet anderszins kan worden opgelost;

•

er dient een substantiële toegevoegde waarde te zijn als de handbike als verplaatsingsvoorziening in en om de woning of voor grotere afstanden wordt verstrekt;

•

aanpassingen die nodig zijn om de handbike aan de rolstoel te kunnen bevestigen, vallen onder de rolstoelaanpassingen.

Vervoerhulpmiddel voor kinderen: •

Voor autovervoer kan een aangepaste kinderstoel verstrekt worden als dit de enige manier is om een kind in de auto te vervoeren. In de reguliere handel zijn inmiddels al draaibare stoeltjes te verkrijgen waardoor het kind zonder belastende draaibeweging van de ouder/ verzorgende in en uit de auto getild kan worden.

•

Tot vier jaar is een driewieler algemeen gebruikelijk, tenzij er een speciale uitvoering noodzakelijk is.

•

Voor kinderen van 4 tot en met 16 jaar wordt de driewielfiets gezien als een mobiliteitsvoorziening.

•

De verlengde fiets wordt verstrekt in verband met een kind met beperkingen. Het heeft een verlengd frame. De grotere ruimte achter de zadelbuis en de verlaagde achter instap maken het gemakkelijker om het kind in een stoeltje te verplaatsen. Dit type fiets is vooral geschikt voor het meenemen van grotere kinderen met beperkingen.

•

Boven 16 jaar is conform jurisprudentie een elektrische fiets algemeen gebruikelijk.

De duofiets: wordt toegekend als de cliënt –

zich alleen onder begeleiding in het verkeer kan begeven en

–

uit veiligheidsoverwegingen niet kan of mag meetrappen en/of meesturen.

–

Het is noodzakelijk dat de begeleider toezicht houdt op de cliënt.

6.

Een rolstoelfiets: wordt toegekend als de cliënt niet vervoerd kan worden zonder dat hij/zij in de rolstoel zit.

7.

Gesloten buitenwagen: In uitzonderlijke situaties kan via de Wmo een gesloten buitenwagen verstrekt worden. Er dient een medische reden te zijn waarom een open vervoermiddel niet mogelijk is.

10.7 Rolstoelen als hulpmiddel voor zittend verplaatsen De gemeente biedt rolstoelvoorzieningen aan mensen met mobiliteitsbeperkingen, die langdurig zijn aangewezen op zittend verplaatsen. Het is een hulpmiddel voor mensen die zich niet (goed) lopend kunnen verplaatsen of die geen langere afstanden meer kunnen afleggen. Er zijn veel verschillende soorten rolstoelen, afgestemd op het gebruiksdoel en de beperkingen. Sommige rolstoelen zijn voor gebruik binnenshuis, anderen voor binnen en buiten. Van belang is dat loophulpmiddelen zoals een stok, rollator, looprek etc. voorgaan op een Wmo rolstoelvoorziening. Een rolstoel op vakantie

40

meenemen naar het buitenland is toegestaan. Wel moet dit als het om een bruikleenmiddel gaat aan de leverancier worden gemeld. De cliënt is zelf verantwoordelijk voor het (WA en/reis) verzekeren van de rolstoel in dit geval. Bij een aanvraag voor een rolstoel worden ook mobiliteitsaspecten meegewogen. Van belang daarbij is of een rolstoel een anti-revaliderende werking heeft. Hiervan is sprake als de situatie van de cliënt door het gebruik van de rolstoel verslechtert of gelijk blijft als vooruitgang wel mogelijk is. Indien hiervan sprake is, is de voorziening niet passend. Programma van eisen voor een rolstoel Het selecteren van een rolstoel is maatwerk. De gekozen rolstoel moet passen bij de gebruiker. De gebruiker moet er goed mee overweg kunnen en de rolstoel moet bruikbaar zijn in de omgeving van de gebruiker en voor de activiteiten die de gebruiker onderneemt. Hiervoor stelt de klantmanager een programma van eisen op dat voorziet in de functionele gebruiksdoelen van de cliënt en selecteert vervolgens de goedkoopst adequate rolstoel die aan deze eisen voldoet. Een rolstoel wordt verstrekt voor langdurend adequaat gebruik. Als de verwachting is dat de gezondheid en het functioneren van de cliënt snel progressief achteruit gaan, houdt de klantmanager met deze factor rekening. In dat geval kan een verzoek om verstrekking in PGB geweigerd worden.

Een dure rolstoel verstrekken voor een paar maanden kan kapitaalvernietiging zijn als de rolstoel niet vanuit het kernassortiment verstrekt kan worden.

10.8 Hulpmiddelen ten behoeve van sportbeoefening Sporten wordt gezien als gebruikelijke deelname aan de samenleving. Voor personen met beperkingen is verstrekking van een sportvoorziening onder voorwaarden mogelijk als zonder de voorziening en zonder sport voor de cliënt geen deelname mogelijk is aan sport. Het gaat dan wel om deelname aan sport als alledaagse activiteit en niet over het beoefenen van topsport. We hanteren hierbij de volgende criteria: • Cliënt maakt ook in het dagelijkse leven gebruik van een loophulpmiddel of een verplaatsingshulpmiddel. •

De sport die cliënt beoefent kan alleen met een specifieke sportvoorziening beoefend worden, dit is niet op een andere manier mogelijk.

•

Cliënt is lid van een sportvereniging.

De meest gangbare voorziening die verstrekt wordt om sportbeoefening mogelijk te maken is de sportrolstoel. Het is echter ook mogelijk dat een andere voorziening dan een rolstoel de sportbeoefening mogelijk maakt. Daarom spreken we van een sportvoorziening.

Hoofdstuk 11. Slotbepalingen 11.1 Citeertitel, inwerkingtreding en intrekking 1. Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Ridderkerk 2025. 2. Deze beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Ridderkerk 2025 treden in werking de dag na publicatie en werken terug tot en met 1 januari 2025. 3. De beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Ridderkerk 2024 worden ingetrokken.

Aldus besloten op 21 januari 2025, College van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk, de secretaris,

de burgemeester,

mw. M. Kitselar

dhr. C.A. Oosterwijk

41

1 In gevallen, zoals herindicatie of heronderzoek, waarbij het huisbezoek geen meerwaarde heeft kan het onderzoek telefonisch of digitaal

worden uitgevoerd. 2 De onderwerpen die worden genoemd zijn in lijn met CRvB 11-4-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1113.

3 zie artikel 3.2.4, lid 2 van het Besluit langdurige zorg. 4https://s3-eu-west-1.amazonaws.com/media-assets.hhm.nl/uploads/attachments /Normenkader_huishoudelijke_ondersteuning_juni_2019_bureau_HHM.pdf 5 Als 24 uur per dag toezicht of zorg noodzakelijk is zal wel scherp gekeken moeten worden naar de vraag of de cliënt eigenlijk niet beter

onder gebracht kan worden in een WLZ-voorziening. 6 Zie daarvoor de verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam. 7 Convenant meeverhuizen van individuele mobiliteitshulpmiddelen en roerende woonvoorzieningen bij een verhuizing – versie 22 april

2021. 8 * In een tweepersoonshuishouden wordt uitgegaan van een frequentie van 5x per 2 weken voor de was, in een eenpersoonshuishouden

is dat 2x per week.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1146/documents/40214