CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning gemeente Ridderkerk 2025.pdf

Commissie Samen leven RK 6 maart 2025, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 11: Ter kennisneming: raadsinformatiebrieven26.176 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Ook kunnen inwoners gebruik maken van verschillende commerciële boodschappendiensten. Aan een boodschappendienst kunnen kosten verbonden zijn. Wanneer dit wel wordt toegekend, heeft dit betrekking op boodschappen die nodig zijn voor de dagelijkse levensbehoeften. Hieronder vallen levensmiddelen, toiletartikelen en schoonmaakmiddelen. Er wordt geen rekening gehouden met eigen voorkeuren van de inwoner (bijvoorbeeld voor speciaal voedsel dat beperkt verkrijgbaar is zodat extra gereisd moet worden). Er wordt alleen rekening gehouden met extra inspanningen die geleverd moeten worden vanwege aantoonbare medische redenen. Een boodschappenservice, die voor cliënt beschikbaar is en door de cliënt financieel gedragen kan worden, die leidt tot het te bereiken resultaat is voorliggend op een maatwerkvoorziening. Boodschappen hoeven niet door de cliënt zelf met hulp te worden gedaan. Het gaat er om dat de boodschappen in huis komen. Voor het in huis halen van de boodschappen is in de gemeente zowel een boodschappenservice van de reguliere handel als een vrijwilligersdienst beschikbaar. Als de cliënt of diens vertegenwoordiger kan aantonen dat deze oplossingen niet adequaat zijn kan het doen van de boodschappen een onderdeel zijn van de maatwerkvoorziening Huishoudelijke Ondersteuning, waarbij het uitgangspunt is: eenmaal in de week boodschappen doen.

Maaltijdverzorging Hieronder valt het ‘klaarzetten van de broodmaaltijd(en) en het opwarmen van kant-en-klare maaltijden’. Dit valt onder de uitleg van: ‘het bereiden van’. De inwoner moet over de verschillende maaltijden door de dag heen kunnen beschikken. Daarbij dient rekening te worden gehouden met medische geïndiceerde diëten. Een maaltijdvoorziening (een kant- en klaar maaltijd valt hier ook onder) is voorliggend op een maatwerkvoorziening. Om te bepalen of een maaltijdvoorziening adequaat is, zal ook gekeken moeten worden naar de gezinssamenstelling. Verbijzonderingen •

komt een algemeen gebruikelijke voorziening niet tegemoet aan de eisen die aan de maaltijd worden gesteld (bijvoorbeeld bij een dieet dat voorgeschreven is door een arts) dan kan de warme maaltijd als voorziening toegekend worden;

•

als er jonge kinderen deel uit maken van een leefeenheid zijnde een eenoudergezin, waarvan de ouder beperkingen heeft, kan het bereiden van de warme maaltijd toegekend worden. In het geval er sprake is van een zorgplicht voor kinderen door een andere ouder/verzorger/opvoeder en waarvan redelijkerwijze verwacht kan worden zorg te dragen voor het bereiden van een warme maaltijd, zal de maatwerkvoorziening niet toegekend worden;

•

de maaltijdvoorziening vindt plaats wanneer een hulp in de woning aanwezig is;

•

uit jurisprudentie (Rechtbank ’s Hertogenbosch 25-10-2012, nr. AWB 12/1795) blijkt dat twee broodmaaltijden en één warme maaltijd per dag adequaat kan worden geacht. Hierbij gaat het om het klaarzetten van de broodmaaltijd(en) en het opwarmen van de warme maaltijd. Bij hoge uitzondering kan sprake zijn van het bereiden van de warme maaltijd.

- Kindzorg De Wmo heeft vooral een taak om tijdelijk in te springen zodat de ruimte ontstaat om een al dan niet tijdelijke oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: ‘de acute problemen worden opgelost zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing’. Het gaat hierbij om de dagelijkse zorg van gezonde, minderjarige kinderen die tot het gezin behoren als een ouder met beperkingen dat zelf niet kan. Ouders zijn zelf verantwoordelijk voor de zorg voor kinderen. Zijn ouders hier niet volledig toe in staat, dan kan de gemeente tijdelijke ondersteuning (niet: volledige overname van de kindzorg) bieden totdat een andere oplossing gevonden is. Het gaat om dagelijkse, gebruikelijke hulp voor gezonde kinderen in geval van ontwrichting of calamiteiten. Hierbij wordt altijd uitgegaan van het zo mogelijk combineren van 15

activiteiten. Dit betekent dat als een activiteit plaatsvindt voor meerdere personen en dit te combineren valt (bijvoorbeeld door maaltijdbereiding, kinderen naar bed of naar school brengen), het aantal toe te kennen minuten eenmaal telt en niet per persoon. Eerst moet beoordeeld worden of er sprake is van andere oplossingen, bijvoorbeeld door zorg voor het kind/de kinderen door de familie, het sociale netwerk en alle andere vormen van opvang. In het geval van éénoudergezinnen wordt een beroep gedaan op de andere ouder(s)/verzorger(s)/opvoeder(s). Met kindzorg zoals in het Normenkader bedoeld wordt is de gemeente verantwoordelijk voor de ondersteuning van het kind/de kinderen. Het zal daarbij nooit gaan om volledige overname van de kindzorg. In die voorkomende situaties zullen andere oplossingen gezocht moeten worden. Voor-, tussen- en naschoolse opvang, kinderopvang of andere opvangmogelijkheden, maken het verstrekken van een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden vaak onnodig. Zo is kinderopvang op basis van een sociaal medische indicatie voorliggend op de Wmo evenals hulp aan gezinnen door daartoe opgeleide vrijwilligers, zoals ‘Home start B.A.R’. voorziening. In geval van gescheiden partners wordt ook gekeken naar de rol van de (ex-)partner. Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de gebruikelijke hulp van een van de ouders in het huishouden.

De zorgplicht voor de kinderen verdwijnt echter niet. Bij uitval van de verzorgende ouder moet wel onderzoek gedaan worden naar de mogelijkheid van opvang van de kinderen door de niet thuiswonende ouder. - Advies, instructie en voorlichting Dit gaat om de uitvoering van huishoudelijke werkzaamheden waarbij de inwoner niet (of onvoldoende) zelf de regie voert en er geen sociaal netwerk aanwezig is dat op adequate wijze regie kan voeren. Er kan dan organisatie van het huishouden ingezet worden. Hierbij gaat het om de organisatie van huishoudelijke activiteiten (bepalen wanneer de minder frequente activiteiten moeten worden uitgevoerd) en het plannen en beheren van middelen (zorgen dat schoonmaakmiddelen op voorraad zijn). De hulp bij het huishouden wordt geleverd op grond van een ondersteuningsplan, waarbij duidelijk is welke activiteiten door de zorgaanbieder uitgevoerd dienen te worden. Het niet kunnen aansturen alleen is geen reden om deze component te indiceren. Er moet daadwerkelijk meer werk zijn om dit ½ uur extra per week in te gaan zetten. Als adviseren en instrueren op structurele basis nodig is, ligt dit op het snijvlak van begeleiding Dit betreft cliënten die beperkter leerbaar zijn, bijvoorbeeld vanwege psychiatrisch of cognitieve problemen als dementie, niet-aangeboren hersenletsel of een licht verstandelijke beperking.

5.3 Maatwerkvoorziening Hulp bij het huishouden Een inwoner kan in aanmerking komen als: a. er sprake is van beperkingen die het (gedeeltelijk) voeren van een huishouden (tijdelijk) belemmeren, en; b. uit onderzoek conform artikel 2.3.2 Wmo 2015 en het Normenkader is gebleken dat de inwoner aangewezen is op een maatwerkvoorziening in de vorm van ondersteuning bij het huishouden. We hanteren daarbij de volgende normen die gelden bij de toekenning van een voorziening: a. deze wordt alleen toegekend voor de noodzakelijke huishoudelijke activiteiten; b. er wordt niet meer toegekend dan nodig is voor de essentiële woonfuncties van de inwoner en de andere huisgenoten (zoals partner/kinderen); c. alleen de essentiële ruimtes die door de inwoner(s) in gebruik zijn, worden schoongemaakt/-gehouden. Bij de inzet van maatwerkvoorzieningen onderscheiden we de navolgende diensten/producten: 1. Hulp bij huishouden (licht) 2. Hulp bij huishouden (zwaar) 3. Persoonlijke Dienstverlening (kan enkel als arrangement in combinatie met Hulp bij het huishouden (zwaar) worden ingezet) 5.3.1. Hulp bij het huishouden (licht) Omschrijving De inwoner die vanwege beperkingen niet meer zelfredzaam is en een beroep doet op hulp bij het huishouden kan, als er geen sprake is van mogelijkheden vanuit de eigen kracht, gebruikmaken van hulp bij het huishouden (licht). Resultaatgebieden (limitatief) 1.

Schoon en leefbaar huis. 2. Wasverzorging. 3. Optioneel: bij bijzondere omstandigheden in te zetten als tijdelijke respijtzorg voor mantelzorgers indien dit uit het onderzoek noodzakelijk blijkt.

16

Persoonlijk functioneren Inwoners met somatische klachten, niet aangeboren hersenletsel (NAH), psychogeriatrische aandoeningen of beperkingen, verstandelijke beperkingen, lichamelijke of zintuiglijke beperkingen, of een combinatie daarvan. Vereisten en kenmerken van de voorziening Hulp bij het huishouden (licht) heeft alleen betrekking op een schoon en leefbaar huis en wasverzorging. 5.3.2 Hulp bij het huishouden (zwaar) Omschrijving De dienst Hulp bij het huishouden (zwaar) is gericht op het realiseren van een schoon en leefbaar huis voor inwoners die dit niet op eigen kracht of met behulp van iemand in het sociale netwerk dit kunnen realiseren, en die geen gebruik kunnen maken van Hulp bij het huishouden (licht) om dit te realiseren. Resultaatgebieden (limitatief) 1. Schoon en leefbaar huis. 2.

Wasverzorging.

3.

Boodschappen.

4.

Maaltijden.

Persoonlijk functioneren Inwoners met zware somatische klachten, niet aangeboren hersenletsel (NAH), psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperkingen, verstandelijke beperkingen, lichamelijke of zintuiglijke beperkingen, of een combinatie daarvan. Kenmerkend voor de doelgroep waarvoor Hulp bij het Huishouden (zwaar) kan worden ingezet is ook een ontregeld huishouden. Vereisten en kenmerken van de voorziening – Hulp bij het huishouden (zwaar) kan alleen ingezet worden wanneer Hulp bij het huishouden (licht) ontoereikend is; – Hulp bij het huishouden (zwaar) heeft betrekking op schoon en leefbaar huis, wasverzorging, boodschappen en maaltijdverzorging. 5.3.3 Persoonlijke Dienstverlening Omschrijving Persoonlijke dienstverlening vormt geen zelfstandige vorm van dienstverlening, maar kan enkel als arrangement in combinatie met Hulp bij het huishouden (zwaar) worden ingezet. Persoonlijke dienstverlening is gericht op het behouden van regie over het huishouden, het aanleren van activiteiten en samen uitvoeren van de activiteiten gericht op een schoon en leefbaar huis, wasverzorging, het doen van boodschappen en maaltijdenverzorging. Daarnaast kan de voorziening worden ingezet voor de verzorging van minderjarige kinderen die onderdeel uitmaken van het huishouden. Resultaatgebieden (limitatief) 1. Regie/organisatie, advies, instructie en voorlichting 2.

Kindzorg Persoonlijk functioneren Inwoners met zware somatische klachten, niet aangeboren hersenletsel (NAH), psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperkingen, verstandelijke beperkingen, lichamelijke of zintuiglijke beperkingen, of een combinatie daarvan. Kenmerkend voor de doelgroep waarvoor Hulp bij het Huishouden (zwaar) kan worden ingezet is ook een ontregeld huishouden. Voor het onderdeel regie/ organisatie, advies, instructie en voorlichting, wordt de mogelijkheid tot het aanleren van nieuwe vaardigheden in kaart gebracht. Vereisten en kenmerken van de voorziening – Persoonlijke dienstverlening kan ingezet worden vanuit de Wmo; – Persoonlijke dienstverlening bestaat uit planbare zorg; – Persoonlijke dienstverlening kan alleen worden ingezet in combinatie met hulp bij het huishouden (zwaar).

17

5.3.4 Schematisch overzicht in te zetten dienst per resultaatgebied

Resultaatgebied1

Resultaatgebied1

Resultaatgebied1

schoon en leefbaar

wasverzorging

boodschappen

Hulp bij het Huishouden licht2

+

+

-

Hulp bij het Huishouden2 zwaar

+

+

Persoonlijke Dienstverlening2 3

-

-

Resultaat-

Resultaatgebied1

Resultaatgebied1

maaltijd

kindzorg

-

-

-

+

-

+

-

-

+

-

+

gebied1 regie/organisatie, AIV

+ = in te zetten dienst per resultaatgebied - = niet in te zetten dienst per resultaatgebied. 1) Resultaatgebieden volgens het HHM Normenkader. 2) Op basis van Dienstencatalogus Hulp bij het huishouden (versie 14 december 2021). 3) Persoonlijke Dienstverlening kan enkel als arrangement in combinatie met Hulp bij het huishouden (zwaar) worden ingezet. 5.4 Het ondersteuningsplan Indien een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden noodzakelijk blijkt, wordt samen met de cliënt de ondersteuningsbehoefte op de resultaatgebieden in kaart gebracht en vastgelegd en het daarbij behorende gemiddelde ondersteuningsaanbod. De klantmanager indiceert op basis van de ondersteuningsbehoefte het aantal in te zetten uren. De ondersteuningsbehoefte en te ontvangen ondersteuning wordt vastgelegd in het ondersteuningsplan dat onderdeel is van de beschikking. In het ondersteuningsplan wordt vastgelegd welke activiteiten door cliënt zelf, door huisgenoten of het sociale netwerk worden uitgevoerd en welke activiteiten overgenomen moeten worden door de zorgaanbieder. Per activiteit gelden standaardfrequenties. De individuele situatie van de cliënt kan aanleiding geven tot gemotiveerde afwijking van de standaardfrequentie. De omvang van de in te zetten ondersteuning wordt bepaald aan de hand van het Normenkader.

Voor Persoonlijke Dienstverlening wordt een apart plan gemaakt en wordt aan het ondersteuningsplan hulp bij het huishouden zwaar toegevoegd. 5.5 PGB bij Hulp bij het Huishouden Een Persoonsgebonden budget (PGB) moet gezien worden als een financieringsvorm van een ondersteuning vanuit de Wmo, net zoals Zorg in Natura (ZIN) dat is. Ook bij een PGB blijft de doelstelling van de inzet leidend, waarbij de omvang van de indicatie in minuten/uren wordt vastgesteld. Ook bij het toekennen van ondersteuning middels een PGB wordt onderzocht welke activiteiten zelfstandig of door huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp of via inzet van sociaal netwerk of andere algemene of wettelijke voorliggende voorzieningen kunnen worden overgenomen. De activiteiten die overblijven en waar ondersteuning vanuit de Wmo bij nodig is, worden vastgelegd in het onderzoeksrapport. Aan cliënt wordt vervolgens gevraagd zelf een ondersteuningsplan/budgetplan in te dienen. Hierin moet vastgelegd zijn hoe het beoogde doel behaald wordt. De klantmanager beoordeelt of het ondersteuningsplan voldoet aan hetgeen in het onderzoeksrapport is vastgelegd en stelt de benodigde inzet op uren en minuten vast waarmee het doel behaald wordt.

5.6 Normenkader als richtlijn De gemeente heeft een vertaalslag gemaakt voor het indiceren van de maatwerkvoorziening Huishoudelijke Ondersteuning op basis van het Normenkader Huishoudelijke Ondersteuning 20194 van bureau HHM. Het Normenkader is een afwegingskader voor de gemeente Ridderkerk om een maatwerkvoorziening in resultaatgebieden toe te kennen in het kader 18

van de Wmo2015. In het Normenkader wordt uitgegaan van een gemiddelde cliëntsituatie, een definitie en afbakening van de in te zetten resultaatgebieden, en het gemiddeld aantal in te zetten minuten/uren per resultaatgebied. Per resultaatgebied is uitgewerkt hoeveel inzet nodig is voor de verschillende resultaten in de gemiddelde cliëntsituatie en wat het effect hierop is van verschillende factoren. De normtijden zijn weergegeven als het aantal ‘minuten per week/uren per jaar’. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan de wettelijke plicht om tijdbesteding inzichtelijk te maken voor de cliënt en daarmee diens rechtspositie te waarborgen. Tegelijkertijd wordt de flexibele toepassing naar individuele cliëntsituaties mogelijk, zodat er ruimte is voor het maatwerk dat van week tot week nodig is. Het Normenkader is een indicatiesystematiek op basis waarvan de maatvoorziening kan worden ingezet. Het doel van het gebruik van het Normenkader is om uniformiteit in de toekenning na te streven. Het gaat hierbij om een richtlijn, waarbij deze is gebaseerd op volledige overname van het huishouden. Iedere individuele situatie wordt onderzocht en er wordt met behulp van deze richtlijn ondersteuning op maat toegekend. Het college kan afwijken met zowel op- als neerwaartse bijstellingen. Hierbij wordt gemotiveerd aangegeven waarom een toekenning wordt aangepast (verhogen of verlagen).

De leefeenheid is primair zelf verantwoordelijk voor het eigen huishouden, met inbegrip van het bevorderen en in stand houden van gezondheid, levensstijl en de wijze waarop de huishouding wordt gevoerd. Hulp bij het huishouden is er als aanvulling op de eigen mogelijkheden. De eigen verantwoordelijkheid van de leefeenheid houdt ook in dat het huis zodanig is ingericht dat dit in redelijkheid schoongehouden kan worden. Wat verstaan we onder een gemiddelde cliëntsituatie? Door uit te gaan van een gemiddelde cliëntsituatie krijgen de normtijden een algemeen karakter. Hiermee wordt voorkomen dat er op alle mogelijk denkbare uitzonderingen apart beleid moet worden ontwikkeld. Onder een gemiddelde cliëntsituatie wordt verstaan: a.

een huishouden met 1 of 2 volwassenen zonder thuiswonende kinderen;

b.

wonend in een zelfstandige huisvestingssituatie, gelijkvloers of met een trap;

c.

er zijn geen huisdieren aanwezig die extra inzet van ondersteuning vragen; Het uitgangspunt is dat de gevolgen van huisdieren op de omvang van de schoonmaaktaak en het zoeken van oplossingen tot de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner behoort;

d.

de inwoner kan de woning dagelijks op orde houden zodat deze gereed is voor de schoonmaak;

e.

de inwoner heeft geen mogelijkheden om zelf bij te dragen aan de activiteiten die moeten worden uitgevoerd;

f.

er is geen ondersteuning vanuit mantelzorgers, netwerk en vrijwilligers bij activiteiten die moeten worden uitgevoerd;

g.

er zijn geen beperkingen of belemmeringen aan de orde bij de inwoner die maken dat de woning extra vervuilt of dat de woning extra schoon moet zijn;

h.

de woning heeft geen uitzonderlijke inrichting en is niet extra bewerkelijk of extra omvangrijk. Een grote woning kan, maar hoeft niet per definitie meer inzet te vragen. De extra ruimtes of oppervlakte kunnen eenvoudig schoon te houden zijn en maar weinig extra ondersteuning vragen, of zijn niet altijd in (dagelijks) gebruik. Een extra slaapkamer die dagelijks in gebruik is als slaapkamer vergt wel extra tijd.

Meer of -minder inzet Toelichting op ‘enige’ of ‘veel’ extra ondersteuning • enige extra inzet is nodig als duidelijk iedere week extra goed moet worden schoongemaakt of er door de aandoening/beperking van de inwoner duidelijk vaker bepaalde schoonmaakwerkzaamheden moeten worden gedaan. Dit gebeurt dan in de praktijk tijdens het 1x per week schoonmaken; •

als veel extra inzet nodig is, is vaak sprake van de noodzaak van 2 schoonmaakmomenten per week.

Toelichting op slaapkamer (ruimte) wel/niet in gebruik Extra kamers in de woning, naast de hoofdslaapkamer van de cliënt, worden schoongemaakt: •

als de extra kamer daadwerkelijk als slaapkamer in gebruik is wordt deze schoongemaakt en is hier 18 minuten per week voor beschikbaar;

•

voor de andere extra kamer is er 5 minuten per week inzet van mogelijk. Dat is onafhankelijk waar deze andere kamer voor wordt gebruikt.

5.7 Duur indicatie huishoudelijke hulp Wanneer de aandoening en de beperkingen in het huishouden naar de mening van de Wmo klantmanager onvoldoende duidelijk zijn moet beoordeeld worden of er nog behandelmogelijkheden zijn. Ook is van belang uit te sluiten of de inzet van 19

hulp bij het huishouden een anti-revaliderend effect kan hebben. Hiervoor is een medisch advies nodig omdat een Wmo klantmanager geen medische gegevens mag opvragen en interpreteren. De medisch adviseur vraagt informatie van de behandelaar en beoordeelt een mogelijk anti-revaliderend effect. Als het medisch advies luidt dat hulp bij het huishouden noodzakelijk is om deelname aan het behandeltraject mogelijk te maken kan in principe een tijdelijke indicatie met korte geldigheidsduur, afgeleid van de duur van het revalidatietraject, afgegeven worden. Voor zowel de toeleiding naar Hulp bij Huishouden licht als zwaar geldt dat de toeleiding en indicatie mag worden afgegeven voor onbepaalde tijd als er sprake is van een gezondheidssituatie waarbij geen verbetering meer wordt verwacht en er geen sprake is van te verwachten wijzigingen binnen de leefeenheid. Is dit wel het geval, dan wordt aangehouden de periode dat ofwel verbetering van de situatie verwacht wordt of dat er een wijziging in het gezin plaatsvindt. Bij de duur van de indicatiestelling dient ook rekening te worden gehouden met leeftijd van inwonende kinderen en taken die bij de leeftijd horen. Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding.

Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien. Kinderen vanaf 13 jaar tot 18 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, dat wil zeggen rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen. Voor kinderen van 18 tot 21 en vanaf het 21e jaar geldt dat er een groot beroep op hen wordt gedaan qua overname van taken. 5.8 Hulp bij het huishouden in bijzondere situaties Tijdelijke opname in een ziekenhuis of instelling Is de cliënt tijdelijk opgenomen, dan wordt de zorg tijdelijk stopgezet zodra de cliënt is opgenomen. Indien een achterblijvende huisgenoot ook is aangewezen op de zorg wordt deze voor maximaal zes weken gecontinueerd, binnen welke termijn een melding van de achterblijvende huisgenoot in behandeling wordt genomen als de verwachting is dat de opname langer dan zes weken zal gaan duren. Ook bij tijdelijk verblijf buiten de gemeente wordt de verstrekking tijdelijk stopgezet. De indicatie blijft wel van kracht. Hulp bij het huishouden bij CARA/COPD De eerste vraag bij CARA/COPD: is de woning gesaneerd? Dit is een voorwaarde voor toekenning van een maatwerkvoorziening voor langere duur bij CARA/COPD.

Is de woning binnen zes maanden nog niet gesaneerd, dan wordt de maatwerkvoorziening toegekend tot het moment dat sanering heeft plaatsgevonden, waarna de behoefte opnieuw wordt onderzocht. Hulp bij het huishouden bij een korte levensverwachting (palliatief) Als de cliënt een zeer korte levensverwachting heeft, kan afgeweken worden van de normering gebruikelijke hulp om de directe omgeving te ontlasten. Maatwerk vraagt in deze situatie speciale aandacht. Een eventuele indicatie wordt dan afgegeven voor de duur van de te verwachten levensverwachting. Hulp bij het huishouden na overlijden van cliënt met achterblijvende partner Als de cliënt op wiens naam de indicatie is afgegeven komt te overlijden en er is een achterblijvende partner, loopt de geldende indicatie nog maximaal zes weken door. Het zal dan gaan om een achterblijvende partner die voorheen niet in staat was tot gebruikelijke hulp. In die zes weken tijd kan de melding van de achterblijvende partner in behandeling genomen worden om te beoordelen wat de ondersteuningsvraag van hem/haar is en volgt een indicatie op zijn/haar naam. Gedurende de zes weken waarbij de ondersteuningsvraag wordt beoordeeld, blijft de achterblijvende partner de indicatie houden totdat de beoordeling voor een eventuele nieuwe indicatie heeft plaatsgevonden.

Ouderlijke zorgplicht bij echtscheiding Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de gebruikelijke hulp van één van de ouders in het huishouden. De zorgplicht voor de kinderen verdwijnt echter niet. Bij uitval van de verzorgende ouder moet wel onderzoek gedaan worden naar de mogelijkheid van kindzorg door de niet-thuiswonende ouder(s)/verzorger(s)/opvoeder(s). Hulp bij het huishouden en een Wlz indicatie Het betreft hier hulp bij het huishouden voor cliënten met een Wlz-indicatie. De ondersteuning wordt gefinancierd vanuit de Wlz. Soms is er naast de Wlz-geïndiceerde thuiswonende nog een partner met beperkingen waardoor er een grotere ondersteuningsbehoefte is dan waar vanuit de Wlz in wordt voorzien. In die specifieke gevallen is voor de partner van de Wlz geïndiceerde een aanvullende Wmo-indicatie mogelijk. Huishoudelijke Ondersteuning in een GGZ instelling Het betreft hier hulp bij het huishouden voor cliënten die in een erkende GGZ-instelling behandeld worden. Dit wordt gefinancierd vanuit de Zvw.

20

Hoofdstuk 6. Begeleiding 6.1 Doelgroep Begeleiding Begeleiding is in de Wmo 2015 gedefinieerd als ‘activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven’. Cliënten met een beschikking gericht op Begeleiding worden ondersteund bij het bevorderen of behouden van zelfredzaamheid, het groeien naar zelfstandigheid en participatie in de samenleving. Begeleiding is bedoeld voor volwassenen en kan ingezet worden gericht op herstel (activerend, ontwikkelgericht), of gericht op structurele ondersteuning (stabiliserend). De Begeleiding zoals bedoeld richt zich op: Individuele Begeleiding of Groepsbegeleiding. In zijn algemeenheid hebben cliënten die onder de doelgroep Begeleiding vallen de navolgende aandoeningen/stoornissen (niet limitatief): – – – – – –

psychische of psychosociale klachten; niet aangeboren hersenletsel (NAH); psychiatrische aandoeningen of beperkingen; psychogeriatrische aandoeningen of beperkingen; verstandelijke beperkingen; lichamelijke of zintuiglijke beperkingen, of een combinatie daarvan.

Door de aard, omvang en intensiteit van de beperkingen is de cliënt niet in staat om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of ondersteuning van zijn/ haar sociale netwerk voldoende zelfredzaam te zijn of te participeren in de samenleving. De duur en intensiteit van de geboden Begeleiding hangt af van welke problemen de cliënt ervaart op het gebied van zelfredzaamheid en de doelstelling voor de Begeleiding die wordt ingezet. Voor de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp zie bijlage 1, Richtlijn gebruikelijke hulp. 6.2 Mate van beperkingen in zelfredzaamheid en participatie We onderscheiden de mate van zelfredzaamheid per cliënt op basis van een onderzoek dat voldoende specifiek moet zijn om eerst de problemen van de cliënt concreet in kaart te brengen en daarna te bepalen welke ondersteuning naar aard en omvang nodig is om een passende bijdrage te leveren aan de mate van zelfredzaamheid of de mate van participatie van de cliënt (ECLI:NL:CRVB:2018:819). De mate van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie onderzoeken we met behulp van: –

de Zelfredzaamheidsmatrix (ZRM) om de vorm van ondersteuning te bepalen; en

–

de FAQT-V gebruikershandleiding voor het bepalen van het aantal in te zetten minuten ondersteuning.

We verstaan onder lichte, matige en zware beperkingen: Lichte beperkingen houden in dat de cliënt lichte problemen heeft met de dagelijkse routine en met het uitvoeren van vooral complexere activiteiten. Met enige stimulans en/of toezicht is de cliënt in staat zijn sociale leven zelfstandig vorm te geven, aankopen te doen en zijn geld te beheren. Wat betreft het aangaan en onderhouden van sociale relaties, op school, op het werk, met het sociale netwerk, is er met praten bij te sturen vanuit gezin, het sociale netwerk en/of school. De persoon met beperkingen kan zelf om hulp vragen en er is geen noodzaak tot het daadwerkelijk overnemen van taken. Om die reden zijn algemene voorzieningen, zoals welzijnswerk, MEE, cliëntondersteuning, maatschappelijk werk, mantelzorgondersteuning, buurtwerk, inloophuizen in de wijk etc. meestal voldoende om deze personen een steuntje in de rug te geven waardoor zij zichzelf kunnen redden in de samenleving. Als er geen geschikte algemene voorziening is, kan dit reden zijn tot het toekennen van een maatwerkvoorziening. Matige beperkingen houden in dat het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme) voor de cliënt niet vanzelfsprekend zijn. Dit levert af en toe zodanige problemen op dat de cliënt afhankelijk is van hulp.

De communicatie gaat niet altijd vanzelf doordat de cliënt soms niet goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf (soms) niet voldoende begrijpelijk kan maken. Het niet inzetten van Begeleiding kan leiden tot verwaarlozing/opname. Zware beperkingen houden in dat complexe taken voor de cliënt moeten worden overgenomen. Ook het uitvoeren van eenvoudige taken en communiceren gaan moeizaam. De cliënt kan niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen, hij kan steeds minder activiteiten zelfstandig uitvoeren. De zelfredzaamheid wordt problematisch. Voor de dagstructuur en het voeren van de regie is de cliënt afhankelijk van de hulp van anderen. 6.3 Resultaatgebieden Het functioneren van de cliënt wordt in kaart gebracht middels de 11 resultaatgebieden van de gebruikershandleiding FAQTV. Per resultaatgebied worden er doelen geformuleerd. Deze doelen worden opgenomen in het ondersteuningsplan van de

21

cliënt. Bijlage 2.1. ‘Doelstellingen voor ondersteuning met maatwerkvoorziening begeleiding’ geeft een overzicht van mogelijke doelen per resultaatgebied. Op basis van het onderzoek kunnen andere aanvullende doelen opgesteld worden. 6.4 Vormen van Begeleiding Of de cliënt is aangewezen op Begeleiding wordt onder andere bepaald door de mate waarin de cliënt beperkingen ervaart. Om dat in beeld te krijgen wordt de Zelfredzaamheidsmatrix (ZRM ) gebruikt. Ook wordt gekeken in hoeverre gebruikelijke zorg een bijdrage kan leveren aan de ondersteuningsvraag van de cliënt. Om te bepalen of de cliënt is aangewezen op Individuele Begeleiding of Groepsbegeleiding of beide, zijn een aantal elementen van belang: 1.

de doelen die bereikt moeten worden;

2.

de persoonskenmerken en wensen van de cliënt;

3.

welke vorm het meest doelmatig is;

4.

de mogelijkheden voor de cliënt in de toekomst;

5.

de mate van beperkingen van de cliënt.

Ook worden bij de beoordeling de navolgende aspecten meegewogen: –

het ziekte-inzicht van de cliënt zelf;

–

het wel of niet aanwezig zijn van een sociaal netwerk;

–

de aanwezigheid van een mantelzorger die regie kan voeren.

In principe gaat Groepsbegeleiding voor op Individuele Begeleiding. Op basis van het begeleidingsdoel kan ook een combinatie van Individuele Begeleiding en Groepsbegeleiding voor de cliënt noodzakelijk zijn. Beide vormen van Begeleiding zijn in dat geval aanvullend op elkaar. Bij de indicatiestelling wordt er rekening mee gehouden dat deze vormen van Begeleiding niet op hetzelfde moment van de dag kunnen plaatsvinden. In dat geval is nader onderzoek door de klantmanager noodzakelijk. Cliënten met ernstige zintuiglijke beperkingen Voor cliënten met ernstige zintuiglijke beperkingen heeft het College de Overeenkomst Landelijke Inkoopafspraken Specialistische Ondersteuning Wmo ZG aangenomen. Deze specialistische vorm van Groepsbegeleiding wordt uitsluitend in natura verstrekt. Landelijk zijn er door de VNG met 7 aanbieders raamovereenkomsten afgesloten, waarin de te leveren prestatie en het tarief is bepaald. Onderdeel van de raamovereenkomst is een Programma van Eisen met een inhoudelijke beschrijving per aanbieder van de voorziening. Omdat deze vorm van begeleiding gespecialiseerde professionele deskundigheid vereist met een landelijk gecontracteerde aanbieder, wordt dit uitsluitend in natura verstrekt. Hiervoor wordt het Wmo-berichtenverkeer gebruikt.

De klantmanager en de gecontracteerde aanbieder stemmen per casus af hoe het werkproces in te vullen met betrekking tot het ondersteuningsplan. Persoonlijke verzorging Persoonlijke verzorging valt onder de Wmo 2015 wanneer de behoefte aan persoonlijke verzorging samenhangt met de behoefte aan begeleiding. Persoonlijke verzorging op grond van de Wmo 2015 bestaat uit hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL). Een cliënt kan op grond van de Zvw aanspraak maken op persoonlijke verzorging wanneer er behoefte is aan geneeskundige zorg of een hoog risico daarop (artikel 2.10 Besluit zorgverzekering). Geneeskundige zorg omvat zorg zoals huisartsen, medisch-specialisten, klinischpsychologen en verloskundigen die plegen te bieden, zintuiglijk gehandicaptenzorg, zorg bij stoppen-met-rokenprogramma, geriatrische revalidatie en paramedische zorg (artikel 2.4 Besluit zorgverzekering). Medische contra-indicatie Als er een medische contra-indicatie is om deel te nemen aan Groepsbegeleiding zoals een infectiegevaar of een andere ernstige beperking heeft, kan een indicatie voor Individuele Begeleiding worden afgegeven. Er zal dan worden gekeken wat de wensen en mogelijkheden van de cliënt zijn om actief te zijn (subdoelstelling: zinvolle dagbesteding). We kennen de volgende vormen van begeleiding: 1.

Individuele Begeleiding Cliënten met een beschikking gericht op individuele begeleiding ondersteunen wij bij het bevorderen of behouden van zelfredzaamheid, het groeien naar zelfstandigheid en participatie in de samenleving. Begeleiding is bedoeld voor volwassenen en kan ingezet worden gericht op herstel (activerend, ontwikkelgericht), of gericht op structurele ondersteuning (stabiliserend). Bij Individuele Begeleiding onderscheiden we de volgende soorten voorzieningen: 1.1 Ambulante individuele begeleiding; 22

1.2 Intensieve ambulante begeleiding; 1.3 Ontwikkelarrangement begeleiding; 1.4 Begeleiding vinger-aan-de-pols. 1.1 Ambulante Individuele Begeleiding. Omschrijving Ambulante Individuele Begeleiding richt zich op cliënten met problematiek op één of meerdere leefgebieden maar is hanteerbaar in de context van de woon- en leefomgeving. Er is geen perspectief op volledige zelfredzaamheid op korte termijn. Ambulante individuele begeleiding kan ingezet worden voor het aanleren of behouden van vaardigheden, ondersteuning gericht op het leren kennen van de identiteit en van daaruit keuzes te maken, regie en structuur in het dagelijks leven en het plannen van dagelijkse activiteiten. Criteria –

de cliënt heeft ondersteuning nodig op één of op meerdere levensgebieden;

–

de cliënt heeft redelijk tot matig inzicht in de eigen beperkingen;

–

onverwachte hulpvragen zijn planbaar en uitstelbaar tot volgende contactmomenten of telefonisch contact tijdens kantooruren;

–

de cliënt scoort in principe minimaal 11 keer een score van 3 of hoger op de ZRM;

–

de duur van de indicatie is afgestemd op de opgestelde doelen;

–

de duur van de indicatie voor volwassenen tot en met 74 jaar is maximaal 5 jaar;

–

indicaties voor ouderen van 75 jaar en ouder mogen voor onbepaalde tijd worden afgegeven, indien er geen verbetermogelijkheden zijn.

1.2 Intensieve Ambulante Begeleiding Omschrijving Intensieve Ambulante Begeleiding richt zich op cliënten met een (tijdelijk) ernstig tekortschietende zelfregie, integratie en participatie en sociaal-emotionele problematiek. Er is sprake van complexe en/of meervoudige problematiek. Vanwege de aard van de problematiek/ondersteuning is specialistische inzet vereist welke gericht is op stabilisatie van de situatie en vervolgens toegewerkt naar afschalen van de ondersteuning. Er is in tegenstelling tot het Ontwikkelarrangement Begeleiding geen perspectief op volledige zelfredzaamheid op korte termijn. Intensieve Ambulante Begeleiding is gericht op het voorkomen dat de cliënt terugvalt en moet worden ondergebracht in een intramurale setting. Als geen andere mogelijkheden resteren wordt een bijdrage geleverd aan het opschalen van de ondersteuning, bijvoorbeeld richting de crisisdienst of door tijdelijke opnamen of gedwongen behandeling thuis. Doelgroep Cliënten met ernstige psychiatrische aandoening en beperkingen op het terrein van- of knelpunten met: – sociale redzaamheid; – psychisch functioneren/psychiatrie; – verslaving; – probleemgedrag. Criteria De hulpvraag heeft o.a. de volgende kenmerken: – de problematiek komt veelal voort uit een combinatie van aandoeningen; –

de hulpvraag kan wisselen in intensiteit; het gaat niet om een crisissituatie;

–

de cliënt heeft ondersteuning nodig op meerdere levensgebieden;

–

de cliënt scoort minimaal 3 keer een score van een 2 of lager op de ZRM;

–

de duur van de indicatie is afgestemd op de opgestelde doelen;

–

de duur van de indicatie is maximaal 2 jaar.

–

er is sprake van bijkomende problematiek die veelal zorgt voor een ernstige ontregeling of risico op disfunctioneren zoals: huiselijk geweld, crimineel gedrag, reclassering , verslaving, ernstige verwaarlozing;

23

–

onverwachte hulpvragen zijn onder omstandigheden deels of niet planbaar en zijn zodoende niet uitstelbaar tot volgende contactmomenten.

Babythuiszorg: In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente ook Babythuiszorg inzetten als ondersteuningsvoorziening voor zeer zware casuïstiek, wanneer alle andere voorzieningen onvoldoende zijn om aan de hulpvraag van het gezin te voldoen. Babythuiszorg biedt gezinsondersteuning in het eerste jaar van een kind en is inzetbaar in elk gezin met een baby tot ongeveer één jaar. Babythuiszorg kan ingezet worden als voortzetting van een kraamperiode, totdat het gezin op eigen benen kan staan, maar kan ook los van de kraamperiode worden ingezet. Als de ondersteuning hoofdzakelijk is gericht op de ouders vindt bekostiging vanuit de Wmo plaats. Het is vooral gericht op de begeleiding van ouders, niet slechts op overname van handelingen. 1.3 Ontwikkelarrangement Begeleiding Omschrijving Het Ontwikkelarrangement Begeleiding richt zich op cliënten die zich kunnen en willen ontplooien en in staat zijn om vaardigheden aan te leren zodanig dat zij zelfstandig kunnen werken en leven (zelfredzaam en meedoen). Hierbij wordt toegewerkt naar herstel en zelfredzaamheid. Cliënten kunnen dit niet op eigen kracht. Het Ontwikkelarrangement Begeleiding ondersteunt cliënten om dit perspectief waar te maken. In het ondersteuningsplan wordt vastgelegd wat het beoogde doel is, passend bij de ontwikkelingsmogelijkheden die aansluiten bij de talenten, mogelijkheden en interesses van de cliënt.

De inschatting is dat na inzet van het Ontwikkelarrangement geen maatwerkvoorziening begeleiding meer nodig is. In het ondersteuningsplan wordt beschreven wat het beoogde doel is, passend bij de ontwikkelingsmogelijkheden die aansluiten bij de talenten, mogelijkheden en interesses van de cliënt. In het plan wordt ook een inschatting gemaakt van de benodigde duur van de Begeleiding. Het Ontwikkelarrangement wordt ingezet als er een ‘ontwikkelpotentieel’ is: de ondersteuning kan tijdelijk worden ingezet waarna iemand weer op eigen kracht verder kan en geen maatwerkvoorziening begeleiding meer nodig is. Advies van een onafhankelijke deskundige is in dit soort situaties wenselijk om duidelijk te maken waar de beoordeling van het ‘ontwikkelpotentieel’ op is gestoeld. Criteria De hulpvraag heeft de volgende kenmerken: –

de problematiek komt voort uit enkelvoudige of meervoudige aandoeningen;

–

de cliënt heeft redelijk tot matig inzicht in de eigen beperkingen;

–

de cliënt heeft ondersteuning nodig op één of op meerdere levensgebieden;

–

uit medische informatie (behandelaar of medisch adviseur) blijkt dat de cliënt voldoende ontwikkelpotentieel heeft om volledig zelfredzaam te zijn binnen een termijn van 1 jaar;

–

de duur van de indicatie is afgestemd op de opgestelde doelen;

–

de duur van de indicatie is maximaal 6 maanden, waarna gekeken wordt of de ondersteuning verlengd moet worden. De ondersteuning wordt tijdelijk ingezet;

–

na 1 jaar kan de indicatie maximaal 2x worden verlengd. Hierbij dient aannemelijk te worden gemaakt dat cliënt nog voldoende ontwikkelpotentieel heeft om te komen tot volledige zelfredzaamheid;

–

na de inzet van het ontwikkelarrangement is een cliënt in staat om zelfstandig en met gebruik van hulp uit zijn omgeving en algemene voorzieningen deel te nemen aan de samenleving en zelfredzaam te zijn.

1.4 Begeleiding vinger-aan-de-pols Omschrijving Begeleiding ‘vinger-aan-de-pols’ is laagdrempelige ondersteuning, gericht op het in beeld houden en monitoren van kwetsbare cliënten. Zo wordt de cliënt stabiel gehouden, of wordt achteruitgang voorkomen. De ondersteuning kan snel opof afgeschaald worden wanneer de situatie van de cliënt verslechterd of verbeterd, andersom kan de cliënt zelf ook aangeven wanneer de situatie veranderd. De hulpverlener is beperkt aanwezig, onderhoudt contact op afstand of op afroepbasis, zo wordt de ‘vinger-aan-de-pols’ gehouden. Hiermee wordt zicht op de hulpbehoefte van de cliënt gehouden en het sociaal netwerk. Bovendien is het duidelijk waar de cliënt terecht kan bij risico op terugval. Begeleiding ‘vinger-aan-de-pols’ wordt ingezet als nazorg volgend op een intensiever traject, waarmee zwaardere begeleiding (eerder) kan worden afgebouwd.

24

Criteria De hulpvraag heeft de volgende kenmerken: – de problematiek komt voort uit enkelvoudige of meervoudige aandoeningen; –

de cliënt heeft redelijk inzicht in de eigen beperkingen;

–

de acute hulpvraag van de cliënt is stabiel en onder controle;

–

de cliënt kan in de regel zelfstandig omgaan met de aard van de beperking (als gevolg van eerdere begeleiding/ ondersteuning of behandeling);

–

onverwachte hulpvragen zijn planbaar en uitstelbaar tot volgende contactmomenten of telefonisch contact;

–

de hoogte van de indicatie is maximaal 30 minuten per week;

–

de duur van de indicatie is afgestemd op de opgestelde doelen;

–

de duur van de indicatie voor volwassenen tot en met 74 jaar is maximaal 5 jaar;

–

indicaties voor ouderen van 75 jaar en ouder mogen voor onbepaalde tijd worden afgegeven.

Doelstellingen –

signaleren van (risico op) escalatie/toenemende hulpbehoefte;

–

signaleren van (potentie tot) toenemende zelfredzaamheid;

–

inschakeling van mantelzorgers/sociaal netwerk bij toenemende hulpbehoefte;

–

het stimuleren van het gebruik van algemene voorzieningen;

–

activeren van inzet van aanvullende voorzieningen bij een veranderende hulpvraag.

2. Groepsbegeleiding Belangrijk onderdeel van zelfstandig meedoen aan de maatschappij is het hebben van een zinvolle daginvulling. Cliënten die niet zelfstandig, of met steun uit het sociale netwerk een daginvulling hebben, kunnen worden ondersteund middels Groepsbegeleiding. Groepsbegeleiding is gericht op het ondersteunen bij het inrichten van een zinvolle daginvulling, waarbij op een gestructureerde manier zinvolle activiteiten worden verricht door cliënten die vanwege een aandoening of beperking problemen ervaren op het gebied van sociale participatie. Groepsbegeleiding wordt ook ingezet om de mantelzorger te ontlasten. Cliënten nemen deel omdat dit hen een zinvolle besteding van de dag oplevert (zingeving), ontplooiingskansen biedt (ontwikkelingsgericht) en bijdraagt aan hun herstel. Een zinvolle daginvulling draagt bij aan maatschappelijke participatie en aan het bewustzijn van identiteit. Ook kan iemand competenties oefenen die bijdragen aan het functioneren in de samenleving. Bij Groepsbegeleiding onderscheiden we de volgende soorten voorzieningen: 2.1

Dagbesteding;

2.2

Kortdurend verblijf.

2.1 Dagbesteding Omschrijving Dagbesteding is een structurele tijdsbesteding met een goed omschreven doel waarbij de cliënt actief wordt betrokken. De dagbesteding geeft de cliënt dagstructuur en zingeving en ontlast waar nodig de thuissituatie. Het ondersteuningsplan en de inzet sluit aan bij de behoefte van de cliënt. Het doel van dagbesteding is dat de cliënt (zo lang mogelijk) een zelfstandig leven leidt en de persoonlijke ontplooiingskansen benut. Ook wordt Groepsbegeleiding ingezet omdat dit de mantelzorger ontlast of omdat dit een zinvolle dagbesteding kan zijn. Het ontlasten van de mantelzorger is de meest toegepaste doel van deze ondersteuning. Dagbesteding kan eveneens ingezet worden wanneer een cliënt ondersteuning nodig heeft bij beperkingen op het vlak van zelfregie over het dagelijks leven en tekortschietende vaardigheden in zelfregelend vermogen. Cliënten hebben behoefte aan ondersteuning bij het toepassen van vaardigheden en gedrag in het dagelijks leven door herhaling en methodische interventie.

25

Ook kan dagbesteding worden benut ter vervanging van school of werk. Het gaat dan om de cliënten voor wie school of werk in de brede zin van het woord niet mogelijk is. Is deelnemen aan de maatschappij op grond van de Participatiewet niet mogelijk dan kan vanuit de Wmo een aantal dagdelen dagbesteding geïndiceerd worden. De behoeften en kenmerken van de cliënt en de mogelijkheden van het sociale netwerk om dagdelen op te vangen zijn leidend voor de omvang van de dagbesteding. Als er geen andere mogelijkheden zijn is het maximum 9 dagdelen (1 dagdeel kan dan gebruikt worden voor mogelijke Hulp bij Huishouden.) Als de cliënt op grond van de Participatiewet wel kan deelnemen aan werk, vrijwilligerswerk en/ of participatietrajecten gaat dit voor op een Wmo-maatwerkvoorziening (voorliggende voorziening). Dagbesteding voor ouderen wordt vaak aangevraagd vanuit eenzaamheid, het ontzorgen van een mantelzorger of in een beginfase van dementie en een gebrek aan mobiliteit. Belangrijk is om goed te kijken naar de mogelijkheden om met voorliggende voorzieningen en mogelijkheden in de wijk de genoemde problematiek op te lossen. Denk hierbij aan activiteiten op wijkniveau, buurthuiswerk, inloopcentra etc. Als dit geen oplossing kan bieden is (geïndiceerde) dagbesteding mogelijk. De opvanglocatie waar cliënt Dagbesteding ontvangt mag nooit de bestemming van een woonhuis hebben.

Criteria De hulpvraag heeft de volgende kenmerken: –

de problematiek komt veelal voort uit een combinatie van aandoeningen;

–

de cliënt heeft ondersteuning nodig op één of op meerdere levensgebieden;

–

dagbesteding vindt in principe overdag plaats, buiten de woonsituatie, in groepsverband;

–

de dagbesteding zorgt dat mensen langer zelfstandig thuis kunnen blijven wonen en voorkomt opname in een instelling.

Doelstellingen –

het hebben van een zinvolle en gestructureerde daginvulling (buitenshuis);

–

zoveel als mogelijk handhaven dan wel stimuleren van de zelfredzaamheid en cognitieve capaciteiten en vaardigheden;

–

voorkomen van verwaarlozing/opname;

–

cliënt is onderdeel van en draagt bij aan de samenleving;

–

het onderhouden van sociale contacten en tegengaan van eenzaamheid als gevolg van de beperking;

–

het creëert ontwikkelingskansen die aansluiten bij de talenten, mogelijkheden en interesses van de cliënt;

–

aanleren van werknemersvaardigheden;

–

het ontlasten van de mantelzorger en het systeem rondom de cliënt.

Intensieve Dagbesteding Hierbij gaat het om het bieden van dagstructuur en/of toezicht aan de cliënt, waarvoor een specifieke deskundigheid is vereist. Ook hierbij is het zorgdoel leidend voor de Begeleiding en de omvang van de gespecialiseerde begeleiding die op de dagbesteding wordt geboden. Deze vorm van begeleiding kan ingezet worden als de cliënt op in ieder geval drie leefgebieden van de ZRM 2017 2 of minder scoort of als sprake is van niet-aangeboren hersenletsel (NAH).

2.2 Kortdurend Verblijf Omschrijving Verblijf kortdurend kan worden ingezet ter ontlasting van de mantelzorger. Als het gaat om tijdelijke respijtzorg wordt de maatwerkvoorziening Verblijf kortdurend alleen in natura verstrekt. Het is aanvullend op noodzakelijke zorg en ondersteuning thuis. In een huiselijke omgeving wordt logeeropvang geboden, waarbij begeleiding (inclusief persoonlijke verzorging indien noodzakelijk) en toezicht en/of zorg (24 uur per dag) noodzakelijk is.5 Criteria – cliënten met een somatische, psychogeriatrische, psychische, verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke aandoening of handicap; –

de cliënt maakt geen of kan geen gebruik maken van een indicatie op grond van de Wlz of de Zvw;

–

ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de cliënt levert is noodzakelijk. 26

Doelstellingen –

de mantelzorger wordt tijdelijk ontlast van zijn verantwoordelijkheid waardoor hij in staat is de rest van de tijd dagelijkse zorg en ondersteuning te bieden. Cliënten kunnen daardoor duurzaam in de thuissituatie verblijven;

–

de mantelzorger wordt ontlast waardoor hij/zij rust en tijd krijgt om de dingen te doen waar hij door de zorg voor zijn naaste niet aan toe komt. Dit draagt er toe bij dat hij/zij in staat is mantelzorg te blijven verlenen;

–

behouden van zelfredzaamheid;

–

door het korte verblijf buiten de eigen woning/woonomgeving wordt de cliënt een time-out aangeboden. Hierdoor is het voor de cliënt mogelijk de dagelijkse verantwoordelijkheden thuis, al dan niet in combinatie met bestaande begeleiding, te dragen en te participeren in de samenleving.

6.5 Vervoersarrangement Groepsbegeleiding Omschrijving De klantmanager beoordeelt of de cliënt in staat is op eigen kracht naar deze Groepsbegeleiding te gaan. Bijvoorbeeld met het openbaar vervoer, met de fiets, de bromfiets of scooter, met hulp van huisgenoten of het sociale netwerk. Uitgangspunt is dat cliënten zelf verantwoordelijk zijn voor het vervoer van en naar de locatie van de Groepsbegeleiding. Wanneer eigen oplossingen niet mogelijk zijn en er een door de toegang Wmo vastgestelde (medische) noodzaak is, wordt het Vervoersarrangement Groepsbegeleiding ingezet. Dit kan enkel in combinatie met een vorm van groepsbegeleiding. Als er geen mogelijkheid is tot zelfredzaamheid in het vervoer naar de Groepsbegeleiding is vervoer een onderdeel van het Vervoersarrangement Groepsbegeleiding. De vervoersvoorziening wordt dan toegekend voor de dichtstbijzijnde passende groepsbegeleiding. De aanbieder voor Groepsbegeleiding is verantwoordelijk voor het regelen van het vervoer. Als de cliënt in staat is om te leren met het openbaar vervoer te gaan, kan dit aanleren onder de noemer Individuele Begeleiding geboden worden voor een beperkte tijd. Wel wordt eerst onderzocht of personen uit het sociale netwerk de cliënt dit kunnen leren. Criteria 1.

medisch objectiveerbaar niet in staat tot zelfstandig reizen van en naar groepsbegeleiding;

2.

niet in staat tot het aanleren van zelfstandig reizen van en naar groepsbegeleiding;

3.

de vervoersvoorziening wordt toegekend voor de dichtstbijzijnde passende groepsbegeleiding;

4.

er bestaat regulier en speciaal vervoer. Voor speciaal vervoer komt cliënt in aanmerking wanneer: a.

het toelaten van hulpmiddelen in het voertuig, zoals rolstoel, scootmobiel of voor het maken van reizen bedoelde medische apparatuur, blindengeleide- en hulphonden noodzakelijk is;

5.

b.

specifieke begeleiding (sociaal) door de chauffeur of door een door de Vervoerder, voor eigen rekening in te zetten begeleider noodzakelijk is;

c.

beperkingen in het combineren met andere reizigers noodzakelijk is.

vervoer van en naar groepsbegeleiding.

6.6 Omvang van de indicatie Naar aanleiding van het onderzoek worden de resultaatgebieden gecategoriseerd op de mate van beperkingen: licht, matig of zwaar (zie 6.2). Hierbij wordt rekening gehouden met de mogelijke inzet van eigen kracht, sociaal netwerk of voorliggende voorzieningen. Op basis van de richtlijn normering 18+ wordt de omvang van de indicatie bepaald in minuten per week. Het kan zijn dat op meerdere resultaatgebieden doelen te formuleren zijn. Voor wat betreft de omvang van de indicatie voor begeleiding is het niet zo dat de ureninschatting per gebied zonder meer bij elkaar wordt opgeteld. Het gaat om maatwerk: het bereiken van het resultaat is leidend. Zo kan bijvoorbeeld in een bepaalde volgtijdelijkheid worden gewerkt aan de te bereiken doelen. De klantmanager en de cliënt brengen samen een prioritering aan. Zij maken een keuze aan welk resultaat of welke doelen het eerst wordt gewerkt. Dit wordt in het onderzoeksrapport beschreven. Op deze wijze wordt aan een haalbaar resultaat gewerkt. 6.7 Inhoud onderzoeksrapport De doelstellingen voor de hulp/ondersteuning worden vastgelegd in een onderzoeksrapport dat met de aanbieder wordt gedeeld. Op basis daarvan stelt de aanbieder binnen zes weken een plan op waarin de doelen zijn omgezet in activiteiten 27

om die specifieke doelen te bereiken. Binnen een bepaalde periode na aanvang van de ondersteuning vindt een evaluatie plaats. Dit hangt af van wat er in het plan is afgesproken. Bij Ambulante Begeleiding en Intensieve Begeleiding kan na drie maanden de inzet worden geëvalueerd indien het een eerste indicatie individuele begeleiding betreft en de cliënt geen netwerk heeft om op terug te vallen. Bij het Ontwikkelarrangement Begeleiding is in het plan een inschatting gemaakt van de benodigde duur van de ondersteuning voor maximaal een half jaar of korter. Na een half jaar kan het ondersteuningsplan dan worden bijgesteld en zo nodig worden verlengd. Er wordt contact opgenomen met zowel de cliënt als de zorgaanbieder om te beoordelen of de geboden ondersteuning naar tevredenheid wordt ingezet. Ook wordt beoordeeld of de door de gemeente gestelde doelstellingen die in het onderzoeksrapport zijn opgenomen worden bereikt. Hierbij kan de gemeente het plan van de aanbieder opvragen. Indien nodig vindt hier bijstelling plaats. Natuurlijk kan de zorgaanbieder al voor deze evaluatie aan de bel trekken bij de gemeente als blijkt dat bijstelling van de ondersteuning en indicatie nodig is.

Hoofdstuk 7. Respijtzorg 7.1 Wat is respijtzorg? De mantelzorg van de cliënt wordt meegenomen bij het onderzoek. Mantelzorg is niet verplicht. Als de mantelzorger aangeeft niet meer in staat te zijn om (tijdelijk) de ondersteuning en /of hulp te verlenen wordt onderzocht of vervangende mantelzorg beschikbaar is, respijtzorg uitkomst biedt of dat een geïndiceerde maatwerkvoorziening ingezet moet worden. Of dat, als er al een geïndiceerde voorziening wordt ingezet, de indicatie moet worden aangepast. Het is van groot belang dat mantelzorgers kunnen rekenen op de gemeente als zij overbelast (dreigen te) raken en waar nodig gebruik kunnen maken van respijtzorg. In sommige gevallen kunnen vrijwilligers worden ingezet om tijdelijk de mantelzorgtaken over te nemen. Het steunpunt mantelzorg kan ingeschakeld worden om zorgvrijwilligers te vinden die vervangende mantelzorg kunnen bieden waardoor de mantelzorger tijdelijk wordt ontlast. Dit kan overigens alleen als de zorgvraag niet te intensief is, vrijwilligers kunnen niet ingezet worden om zware zorg te bieden. Als respijtzorg als maatwerkvoorziening vanuit de Wmo wordt ingezet staat het voorkomen van de overbelasting van de mantelzorger voorop. Voor het inzetten van respijtzorg vanuit de Wmo is een verkorte procedure van toepassing. De klantmanager beoordeelt ook of eventueel voorliggende wettelijke voorzieningen van toepassing zijn.

Vervangende mantelzorg vanuit het sociaal netwerk Als vervangende mantelzorg geleverd kan worden door het sociale netwerk of vrijwilligers is er geen noodzaak respijtzorg vanuit de Wmo te verstrekken. Afbakening met Wlz Als cliënt beschikt over een Wlz-indicatie, kan respijtzorg vanuit de Wlz geboden worden. Als de cliënt niet beschikt over een Wlz-indicatie maar er is sprake van 24 uurszorg die grotendeels ingevuld wordt door de mantelzorger dan moet een aanvraag worden ingediend bij het CIZ. Voor opname in spoedsituaties zijn crisisbedden beschikbaar. Voor situaties waarin de zorgaanbieder inschat dat cliënt blijvend afhankelijk is van 24-uurzorg en/of permanent toezicht, dan valt een opname onder de Wlz. Het CIZ moet binnen twee weken een Wlz-indicatie afgeven. Tijdens de aanvraagperiode voor de Wlz-indicatie wordt het toezicht, o.a. in de avonduren en de nacht, door familie of het sociale netwerk uitgevoerd of moet de gemeente zorg bieden. Ter ondersteuning van de mantelzorger(s) is tijdens deze overbruggingsperiode middels de spoedprocedure voor maximaal 10 dagdelen per week dagbesteding mogelijk. Afbakening Zvw In veel polissen van de aanvullende zorgverzekering is opgenomen dat er vergoeding bestaat voor respijtzorg. Het gaat dan bijvoorbeeld om de tijdelijke respijtzorg in de vorm van een vergoeding voor tijdelijke hulp bij het huishouden of logeren.

Dit zijn vergoedingen die onder de aanvullende verzekering vallen. Inwoners kunnen echter niet verplicht worden een aanvullende verzekering af te sluiten. Als iemand een aanvullende verzekering heeft is de vergoeding wel voorliggend. De klantmanager Wmo onderzoekt of hier sprake van is. Ook kennen de zorgverzekeraars het product: Vervangende mantelzorg. Via de aanvullende verzekering kan de cliënt bij de zorgverzekering een aanvraag doen voor vervangende mantelzorg, die wordt geleverd door de Stichting Mantelzorgvervanging Nederland Handen-in-Huis. De klantmanager moet onderzoeken of dit voldoende is. Cliënten die deelnemen aan de Collectieve Ziektekostenverzekering Minima zijn aanvullend verzekerd met als dekking Extra Uitgebreid.

28

7.2. Vormen van respijtzorg binnen de Wmo Tijdelijke respijtzorg De oorzaak van (tijdelijke) uitval van de mantelzorger kan voorzienbaar of onvoorzienbaar zijn. In beide gevallen is tijdelijke vervanging van de mantelzorger, een oplossing vanuit de Wlz of Zvw of respijtzorg nodig. Zodra de mantelzorger weer beschikbaar en in staat is, neemt hij/ zij de ondersteuning weer op zich. Bij voorzienbaar gaat het om tijdelijke afwezigheid van de mantelzorger door bijvoorbeeld een geplande ziekenhuisopname. Het kan ook zijn dat de mantelzorger op vakantie gaat of gewoon even “op adem” wil of moet komen én: •

er zijn geen mogelijkheden binnen familie en sociaal netwerk om de ondersteuning tijdelijk (gedeeltelijk) over te nemen, én;

•

de cliënt heeft geen indicatie voor de Wlz of een aanvullende ziektekostenverzekering die een oplossing bieden.

Bij onvoorzienbaar gaat het om onverwachte situaties. In deze situatie kan de spoedprocedure van toepassing zijn. Bijvoorbeeld de mantelzorger wordt ziek, moet plotseling in het ziekenhuis opgenomen worden of het geheel wordt ineens allemaal teveel én: •

er zijn geen mogelijkheden binnen familie en sociaal netwerk om de ondersteuning direct (gedeeltelijk) over te nemen én;

•

de cliënt heeft geen indicatie voor de Wlz of een aanvullende ziektekostenverzekering die een oplossing bieden.

Als beoordeeld is dat oplossingen vanuit de Wlz of Zorgverzekering niet mogelijk zijn en het sociale netwerk niet kan leveren, dan kan Tijdelijke Respijtzorg vanuit de Wmo voor maximaal vier weken als maatwerkvoorziening alleen in natura worden verstrekt. Over de tijdelijke respijtzorg voor hulp bij het huishouden is geen eigen bijdrage verschuldigd. De tijdelijke respijtzorg kan worden ingezet in de vorm van: a)

Hulp bij Huishouden (licht) (maximaal 4 weken 2 ½ uur per week). Wanneer achteraf blijkt dat de periode van 4 weken niet voldoende was, dan start de reguliere melding Wmo met een volledig onderzoek.

b)

Dagbesteding (maximaal 4 weken per kalenderjaar) (nooit tegelijkertijd met Kortdurend verblijf)

c)

Kortdurend verblijf (maximaal 4 weken per kalenderjaar) (nooit tegelijkertijd met Dagbesteding)

Langdurige respijtzorg Is respijtzorg langduriger van vier weken nodig? Dan wordt de aanvraag behandeld als een melding en vindt eerst een volledig onderzoek plaats. Langdurige Respijtzorg kan ingezet worden wanneer de mantelzorger niet de volledige hulp of zorg kan leveren maar dit wel kan en wil volhouden als een deel of delen worden overgenomen. Denk bijvoorbeeld aan ouders die de zorg voor een kind met een beperking thuis voor hun rekening nemen of een cliënt met een beperking waarvan de partner die op leeftijd is. Het gaat om gevallen waarin overbelasting dreigt. De mantelzorger kan aangeven dat men het volhoudt wanneer de zorg deels wordt overgenomen. Dan is een indicatie mogelijk voor: a. Huishoudelijke ondersteuning, zie hiervoor Hoofdstuk 5; b. Dagbesteding vanuit de maatwerk Begeleiding, zie Hoofdstuk 6; c. Maatwerk Verblijf Kortdurend, zie hiervoor Hoofdstuk 7.3 Wanneer het netwerk niet in staat is het vervoer van en naar het logeeradres of dagbestedingslocatie op zich te nemen, is dit vervoer onderdeel van de Wmo maatwerkvoorziening Dagbesteding of Verblijf Kortdurend. 7.3 Verblijf Kortdurend Verblijf kortdurend kan worden ingezet ter ontlasting van de mantelzorger. Als het gaat om tijdelijke respijtzorg wordt de maatwerkvoorziening Verblijf kortdurend alleen in natura verstrekt.

Om in aanmerking te komen voor Verblijf Kortdurend moet worden voldaan aan alle hieronder genoemde voorwaarden: a) de cliënt heeft een somatische, psychogeriatrische, psychische, verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke aandoening of handicap; b) de cliënt maakt geen of kan geen gebruik maken van een indicatie op grond van de Wlz of de Zvw; c) ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de cliënt levert is noodzakelijk.

Hoofdstuk 8. Woonvoorzieningen 8.1 Primaat verhuizen Het primaat van verhuizen is een uitwerking van het principe van de goedkoopst compenserende oplossing. Het houdt in dat het verstrekken van een voorziening voor verhuizing en inrichting voorrang heeft op andere woonvoorzieningen. Dat is het geval wanneer sprake is van de twee volgende voorwaarden: verhuizen is goedkoper dan het aanpassen van de woning; 29

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1146/documents/40214