CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bezwaarschrift aanwijzingsbesluit PZH.pdf

Commissie Samen wonen RK 12 februari 2026, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 10: Ter kennisneming: raadsinformatiebrieven11.368 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

74

In het Bestreden Besluit stellen Gedeputeerde Staten voorts dat sprake zou zijn van een zwaarwegend openbaar belang dat de Secundaire Aanwijzing vereist(e) op grond van het feit dat wij althans de Raad in strijd zouden handelen met een evenwichtige regionale de gemeente of delen van de gemeente.” en Verordening 2026, toelichting art. 2.2.7: “De regel en mogelijkheden in deze verordening zijn er op gericht de door de Huisvestingswet 2014 geboden ruimte maximaal te benutten.”

19

woonruimteverdeling als zelfstandige grond (dus niet nader ingevuld door ofwel strijd met de afstemmingsverplichting danwel de belangen van woningzoekenden in de regio zoals hiervoor uiteengezet). Gedeputeerde Staten formuleren dit (onder meer) als volgt: 41 “Een evenwichtige regionale woonruimteverdeling is een wettelijk ingegeven en daarmee een zwaarwegend openbaar belang.” 75

Deze redenering is (vanzelfsprekend) onjuist. Zoals wij reeds hebben uiteengezet in randnummer 42, volgt uit de parlementaire geschiedenis van de Wgr dat het enkele feit dat een belang in een bijzondere wet is opgenomen het bevoegd gezag niet ontslaat van de plicht om aan te tonen dat er sprake is van een zwaarwegend openbaar belang (dat een aanwijzing vereist). De blote verwijzing naar het wettelijk karakter van het belang van een evenwichtige regionale woonruimteverdeling volstaat dan ook logischerwijs niet om aan te tonen dat sprake is van een zwaarwegend openbaar belang dat de Secundaire Aanwijzing vereist(e). Er is geen sprake van strijd met een evenwichtige regionale woonruimteverdeling

76

Uit het Bestreden Besluit blijkt bovendien niet duidelijk wat Gedeputeerde Staten exact bedoelen, wanneer zij stellen dat sprake is van strijd met een evenwichtige regionale woonruimteverdeling en dat deze strijd op zichzelf een zwaarwegend openbaar belang zou vormen dat de Secundaire Aanwijzing vereist(e). Concreet benoemen Gedeputeerde Staten slechts de twee hiervoor genoemde (en reeds weerlegde) gronden van (i) strijd met de afstemmingsplicht neergelegd in de Hvw 2014 en (ii) een onevenredige schending van de belangen van woningzoekenden. Waarom ‘een evenwichtige regionale woonruimteverdeling’ ook zelfstandig een zwaarwegend openbaar belang zou vormen dat de Secundaire Aanwijzing vereist(e), is in zijn geheel niet (of in ieder geval niet duidelijk) in het Bestreden Besluit onderbouwd.

77

Wel merken Gedeputeerde Staten op dat het belang van een evenwichtige regionale verdeling van woonruimten onder meer uit artikel 3 Hvw 2014 volgt. In lid 1 van dit artikel is bepaald dat een college van Gedeputeerde Staten van een provincie, op verzoek van het college van burgemeester en wethouders van een of meer gemeenten, een woningmarktregio kan aanwijzen waarin de in artikel 4 Hvw 2014 gegeven bevoegdheid, uitsluitend met toepassing van de Wgr kan worden uitgeoefend, indien een evenwichtige regionale verdeling van woonruimte dat vereist.

78

Gedeputeerde Staten merken in dit kader op dat indien sprake is van een woningmarktregio die eerder als woningmarktregio heeft gefunctioneerd (waarvan in het onderhavige geval sprake zou zijn), de grondslag voor een verzoek als bedoeld in artikel 3 lid 1 Hvw 2014 gegeven zou zijn, evenals de noodzaak voor een evenwichtige regionale verdeling van woonruimte in de betreffende woningmarktregio.

79

Wij merken allereerst op dat nergens uit blijkt dat het feit dat een regio voorheen is aangemerkt als woningmarktregio, dit van rechtswege tot gevolg heeft dat de grondslag voor een verzoek als bedoeld in artikel 3 lid 1 Hvw 2014 gegeven is, of dat de noodzaak voor een evenwichtige regionale verdeling van woonruimte in de desbetreffende woningmarktregio daarmee gegeven is.

41

Bestreden Besluit, p. 14.

20

80

Daarnaast merken wij op dat de Hvw 2014 niet uitsluitend uitgaat van regionale afstemming door middel van een woningmarktregio als bedoeld in artikel 3 Hvw (wat naar wij begrijpen het standpunt is dat Gedeputeerde Staten innemen). Immers, uit artikel 14 lid 1 Hvw 2014 volgt dat een gemeenteraad in een huisvestingsverordening kan bepalen dat bij de verlening van een huisvestingsvergunning voorrang kan worden gegeven aan woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan (i) de woningmarktregio, (ii) de gemeente of (iii) een tot de gemeente behorende kern. De Hvw 2014 gaat dus niet alleen uit van regionale afstemming, maar heeft juist ook oog voor (meer) lokale belangen. Zonder nadere motivering kan niet worden gevolgd dat de Hvw 2014 ervan uit zou gaan dat regionale afstemming boven afstemming op het niveau van de gemeente of een tot de gemeente behorende kern dient te gaan (of dat daarmee geen sprake (meer) zou zijn van een evenwichtige regionale woonruimteverdeling).

81

Zoals reeds aangegeven onderbouwen Gedeputeerde Staten slechts (zeer) marginaal waarom het vaststellen van de Verordening 2026 in strijd zou zijn met het belang van een evenwichtige regionale verdeling van woonruimte. Gedeputeerde Staten merken slechts op dat (i) de ‘breuk met het verleden’ in strijd zou zijn met de Hvw 2014 en het belang van een evenwichtige verdeling van woonruimte in de woningmarktregio, 42 (ii) de dreiging dat de evenwichtige regionale woonruimte zal worden verstoord bijdraagt aan het (zware gewicht) van het openbare belang, 43 (iii) de noodzaak van regionale afstemming en het in acht nemen van deze noodzaak in het kader van een evenwichtige regionale verdeling van woonruimten vaststaat, 44 en (iv) als gevolg van deze noodzaak er sprake is van strijd met de Hvw 2014. 45

82

Op geen enkele wijze wordt echter onderbouwd waarom het vaststellen van de Verordening 2026 tot gevolg heeft dat geen sprake meer is van een evenwichtige regionale woonruimteverdeling (anders dan de hiervoor reeds weerlegde argumenten dat dit het geval zou zijn wegens strijd met de afstemmingsplicht en/of een schending van de belangen van woningzoekenden), laat staan waarom het lokale woonruimtebemiddelingssysteem in de Gemeente tot een onevenwichtige regionale woonruimteverdeling zou leiden of waarom deze schending dusdanig is, dat dit als een zwaarwegend openbaar belang in de zin van artikel 99 Wgr kwalificeert die de Secundaire Aanwijzing vereist. Concluderend

83

42

43

44

45

Gezien het ingrijpende karakter van een aanwijzing in de zin van artikel 99 Wgr, waarbij Gedeputeerde Staten ingrijpen in het democratisch gelegitimeerde proces en de bestuurlijke autonomie van de Gemeente én waarbij wordt afgeweken van het vrijwillige karakter van de Wgr,

Bestreden Besluit, p. 3: “Deze breuk met het recente verleden is naar onze mening in strijd met onder meer de Huisvestingswet 2014 (verder: de Huisvestingswet) en het belang van een evenwichtige verdeling van woonruimte in de woningmarktregio, en daarmee in strijd met het belang van alle woningzoekenden in die regio.” Bestreden Besluit, p. 14: “Ook de dreiging dat de evenwichtige regionale woonruimteverdeling zal worden verstoord, draagt mee aan het (zware) gewicht van het openbare belang.” Bestreden Besluit, p. 4: “De noodzaak van regionale afstemming en het in acht nemen van de noodzaak voor een evenwichtige regionale verdeling van woonruimten in de onderhavige woningmarktregio waar uw gemeenten en Ridderkerk deel van uitmaken, staat naar onze mening vast.” Bestreden Besluit, p.

8: “Op basis van het voorgaande komen wij, net zoals in ons advies over het voornemen van Ridderkerk een lokale huisvestingsverordening vast te stellen, tot de conclusie dat de noodzaak voor een evenwichtige regionale verdeling van woonruimte in de Rotterdamse woningmarktregio groot is en een lokale huisvestingsverordening met een eigen woonruimteverdeelsysteem dus in strijd is met de Hvw, de woonvisie van Ridderkerk, de eerdere bestuursovereenkomst en het beleid dat in de woningmarktregio waarvan de 12 gemeenten (inclusief Ridderkerk) onderdeel uitmaken gevoerd wordt, alsmede in strijd met de belangen van de woningzoekenden in de regio én in de gemeente Ridderkerk.”

21

hadden Gedeputeerde Staten deugdelijk(er) moeten onderbouwen waarom zij menen dat sprake is van een dusdanig zwaarwegend openbaar belang dat de Secundaire Aanwijzing vereist(e). 84

Gedeputeerde Staten hebben dit nagelaten. In het Bestreden Besluit wordt slechts aan de hand van enkele algemene constateringen en blote stellingen gesteld dat sprake zou zijn van een zwaarwegend openbaar belang, zonder dat deze stellingen worden onderbouwd met concrete feiten of analyses die aantonen dat de Secundaire Aanwijzing vereist was. Gedeputeerde Staten hebben niet, althans onvoldoende, aangetoond dat wij de verplichting tot afstemming in de zin van artikel 6 van de Hvw 2014 hebben geschonden of dat een lokaal woonruimtebemiddelingssysteem de belangen van woningzoekenden onevenredig schaadt of leidt tot een onevenredige verstoring van de evenwichtige regionale woonruimteverdeling, noch dat deze vermeende schending(en) of verstoring(en) van dusdanige aard en omvang zijn dat dit een zwaarwegend openbaar belang in de zin van artikel 99 van de Wgr oplevert dat de Secundaire Aanwijzing vereist(e).

85

Gelet op al het voorgaande kan het Bestreden Besluit, en daarmee de Secundaire Aanwijzing, niet in stand blijven.

II.3

Het Bestreden Besluit is gebrekkig gemotiveerd en (bovendien) onevenredig

86

Tot slot geldt dat het Bestreden Besluit gebrekkig is gemotiveerd en bovendien onevenredig is. In het kader van de gebrekkige motivering wijzen wij allereerst op hetgeen hiervoor is gesteld ten aanzien van de motivering van het Bestreden Besluit c.q. de Secundaire Aanwijzing in paragraaf II.2.

87

Voorts geldt dat de door Gedeputeerde Staten geboden termijn van twee maanden om gevolg te geven aan de Secundaire Aanwijzing onevenredig is en bovendien onvoldoende althans gebrekkig is gemotiveerd. Gedeputeerde Staten hebben in zijn geheel niet (kenbaar) meegewogen dat het Bestreden Besluit is genomen op 9 december 2025 en dat van de geboden termijn van (slechts) twee maanden dus een significant deel in de periode van het winterreces van alle Regiogemeenten valt. Het Bestreden Besluit gaat op die omstandigheid en de invloed daarvan op de (redelijkheid en noodzakelijkheid van) de termijn in zijn geheel niet in, hetgeen een duidelijk motiveringsgebrek oplevert.

88

Gedeputeerde Staten hebben de termijn van twee maanden enkel gemotiveerd aan de hand van het feit dat (i) over de onderhavige kwestie veel is gecommuniceerd, (ii) de standpunten over en weer duidelijk zouden zijn en (iii) de ‘oplossing’ – in de ogen van Gedeputeerde Staten bestaande uit onze toetreding tot de door de Verzoekende Gemeenten ondertekende bestuursovereenkomst 2025 – eenvoudig zou zijn.

89

Daarmee gaan Gedeputeerde Staten er in het geheel aan voorbij (en heeft zij dus (ook) niet gemotiveerd) dat geen enkele noodzaak voor een dermate korte aanwijzing bestaat. In de Gemeente is momenteel de Verlengde Verordening 2024 van kracht, waarvan in ieder geval niet kan worden gezegd dat deze de vermeende nadelige gevolgen heeft zoals die door Gedeputeerde Staten zijn uiteengezet. Waarom specifiek een (korte) termijn van slechts twee maanden (bovendien in een vakantieperiode) passend en geboden was terwijl de wet voorziet in een maximale periode van zes maanden (drie keer zo lang), blijkt nergens uit.

22

90

De termijn van twee maanden is bovendien onevenredig. Het heeft er alle schijn van dat Gedeputeerde Staten een korte termijn hebben gesteld met het oog op het (ook) op korte termijn dwingend kunnen46 opleggen van een gemeenschappelijke regeling. Dit dwingt ons ertoe om op zeer korte termijn (rechts)stappen te ondernemen, terwijl daarvoor in zijn geheel geen noodzaak bestaat. De Verordening 2026 is immers nog niet in werking getreden en tot dat moment zal in ieder geval geen sprake zijn van de vermeende nadelige gevolgen zoals die door Gedeputeerde Staten uiteen zijn gezet in het Bestreden Besluit.

91

Gelet op het voorgaande is het Bestreden Besluit niet enkel onvoldoende c.q. gebrekkig gemotiveerd, maar bovendien onevenredig (artikel 3:4 Awb).

III

CONCLUSIE

92

Gelet op het voorgaande verzoeken wij u om het bezwaar gegrond te verklaren, het Bestreden Besluit te herroepen en het verzoek van de Verzoekende Gemeenten zoals neergelegd in de Verzoekbrief af te wijzen.

Hoogachtend, het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk, de secretaris

de burgemeester,

mevr. M. Kitselar

dhr. C.A. Oosterwijk

46

NB: Op pagina 15 van het Bestreden Besluit stellen Gedeputeerde Staten dat zij op grond van artikel 100 van de Wgr ‘de bevoegdheid hebben om een vervolgstap te zetten’ en dat zij ‘in beginsel ook het voornemen hebben om die stap te zetten’. Anders dan Gedeputeerde Staten gelet hierop kennelijk menen, bestaat er thans voor Gedeputeerde Staten echter geen keuzemogelijkheid meer ten aanzien van het al dan niet tot oplegging in de zin van artikel 100 van de Wgr over te gaan. Artikel 100 van de Wgr is immers imperatief geformuleerd, waardoor Gedeputeerde Staten zich thans in de situatie hebben gebracht dat zij na het aflopen van de gestelde termijn over moeten gaan tot oplegging van een gemeenschappelijke regeling conform de Secundaire Aanwijzing. Zie M.J.M. Hageman, Samenwerking met de Wet gemeenschappelijke regelingen. Een praktische handleiding voor gemeenten, Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 90 en 91.

23

BIJLAGEN Bijlage 1

Bestreden Besluit d.d. 9 december 2025

Bijlage 2

Bestuursovereenkomst 2020

Bijlage 3

Cijfers voorraad sociale huurwoningen regio Rotterdam 2012-2025

Bijlage 4

Monitor Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024

Bijlage 5

Woonvisie Ridderkerk 2021-2026

Bijlage 6

Notitie “De haalbaarheid van een lokaal woonruimtebemiddelingssysteem”

Bijlage 7

Monitor Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam eerste helft 2025

Bijlage 8

Coalitieakkoord Ridderkerk 2022-2026

Bijlage 9

RIGO Rapport juni 2024

Bijlage 10

(Aangenomen) raadsvoorstel d.d. 13 februari 2025

Bijlage 11

Brief van het Samenwerkingsverband aan de Raad d.d. 30 september 2024

Bijlage 12

Brief van de Raad aan het Samenwerkingsverband d.d. 18 februari 2025

Bijlage 13

Brief van het Samenwerkingsverband aan het College d.d. 17 juli 2025

Bijlage 14

Brief van het College aan het Samenwerkingsverband d.d. 5 september 2025

Bijlage 15

Brief van Gedeputeerde Staten aan het College d.d. 27 september 2024

Bijlage 16

Brief van het College aan Gedeputeerde Staten d.d. 6 december 2024

Bijlage 17

Brief van het College aan Gedeputeerde Staten d.d. 19 september 2025

Bijlage 18

Verzoekbrief d.d. 7 oktober 2025

Bijlage 19

Brief van het College aan Gedeputeerde Staten d.d. 10 oktober 2025

Bijlage 20

Brief van Gedeputeerde Staten aan het College d.d. 21 oktober 2025

Bijlage 21

Brief van Gedeputeerde Staten aan het College d.d. 28 oktober 2025

Bijlage 22

Brief van het College aan Gedeputeerde Staten d.d. 31 oktober 2025

Bijlage 23

Brief van het College aan Gedeputeerde Staten d.d. 7 november 2025

Bijlage 24

Brief van Gedeputeerde Staten aan het College d.d. 9 november 2025

Bijlage 25

Brief van Gedeputeerde Staten aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen d.d. 11 november 2025

24

Bijlage 26

Brief van Gedeputeerde Staten aan het College d.d. 11 november 2025

Bijlage 27

Verlengde Verordening 2024

Bijlage 28

Verordening Ridderkerk 2026

25

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1239/documents/42803