CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bezwaarschrift aanwijzingsbesluit PZH.pdf

Commissie Samen wonen RK 12 februari 2026, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 10: Ter kennisneming: raadsinformatiebrieven11.368 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Aangetekend en tevens per e-mail: rechtsbescherming@pzh.nl en aan koning@pzh.nl Het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland t.a.v. het Awb-secretariaat Postbus 90602 2509 LP DEN HAAG

Uw brief van: Uw kenmerk: Bijlage(n):

9 december 2025 PZH-2025-883838490 en DOS-2013-0009992 28

Ons kenmerk: 2025-056224 Contact: Jan Willem Steeman Doorkiesnummer: 0180-451362 E-mailadres: j.w.steeman@ridderkerk.nl Datum: 15 januari 2026

Betreft: Bezwaar tegen uw besluit van 9 december 2025 met kenmerken PZH-2025-883838490 en DOS-2013-0009992

Geacht college, Wij hebben kennisgenomen van uw besluit van 9 december 2025 (ontvangen op 10 december 2025) met kenmerken PZH-2025-8838384901 en DOS-2013-0009992 (het Bestreden Besluit; Bijlage 1). In het Bestreden Besluit heeft u op grond van artikel 99 van de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) aan de (bevoegde organen van de) gemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Lansingerland, Maassluis, Nissewaard, Schiedam, Rotterdam, Vlaardingen, Voorne aan Zee (tezamen de Verzoekende Gemeenten) en Ridderkerk (de Gemeente) – de Verzoekende Gemeenten en de Gemeente hierna tezamen de Regiogemeenten – een aanwijzing gegeven in het kader van, kort gezegd, de verdeling van (schaarse) woonruimte. Wij kunnen ons niet verenigen met het Bestreden Besluit en de door middel daarvan gegeven aanwijzing en maken daartegen om die reden hierbij (tijdig) bezwaar. In Paragraaf I schetsen wij hierna eerst de achtergrond en feiten waartegen het Bestreden Besluit en het onderhavige bezwaarschrift moeten worden bezien. Vervolgens zetten wij in Paragraaf II de gronden van ons bezwaar uiteen, waarna wij in Paragraaf III afronden met een korte conclusie.

1

NB: Volledigheidshalve merken wij op dat in de voettekst van het Bestreden Besluit nog een ander kenmerk is ogenomen, namelijk PZH-2025-883842281.

I

ACHTERGROND EN FEITEN

I.1

Afschaffing Plusregio en totstandkoming Samenwerkingsverband

1

In de periode januari 20062 tot 1 juli 2015 maakten de Regiogemeenten (althans de gemeenten die thans de Regiogemeenten vormen) deel uit van de zogeheten plusregio Stadsregio Rotterdam (de Plusregio); een bij wet opgelegd (en dus verplicht) samenwerkingsverband tussen de Regiogemeenten op het gebied van onder andere verkeer, vervoer, ruimtelijke ordening en volkshuisvesting. Als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet afschaffing plusregio’s is de Plusregio per 1 juli 2015 opgeheven (binnen de daarvoor geldende termijn van één jaar na 1 januari 2015). Daarmee is een einde gekomen aan de van hogerhand opgelegde verplichte samenwerking tussen de Regiogemeenten. 3 Vanaf dat moment konden de (bevoegde gezagen van de) Regiogemeenten zelfstandig een huisvestingsverordening vaststellen, iets wat ten tijde van het ‘Plusregio-tijdperk’ een exclusieve bevoegdheid van de Plusregio was.4

2

Als onderdeel van de Wet afschaffing plusregio’s is per 1 januari 2015 een nieuw artikel 3 opgenomen in de Huisvestingswet 2014 (de Hvw 2014). Met dit artikel is voor de colleges van Gedeputeerde Staten van de diverse provincies de bevoegdheid gecreëerd om op verzoek van één of meer gemeenten een woningmarktregio aan te wijzen, waarbinnen huisvestingsverordeningen als bedoeld in artikel 4 van de Hvw 2014 uitsluitend met toepassing van de Wgr tot stand kunnen worden gebracht.5 Deze bevoegdheid, die sindsdien ongewijzigd is gebleven, bestaat slechts indien en voor zover een evenwichtige regionale verdeling van woonruimte dat vereist.6

3

Sinds de afschaffing van de Plusregio werkten de (colleges van burgemeester en wethouders van de) Regiogemeenten in het kader van de regionale volkshuisvesting tot voor kort op vrijwillige basis samen in het Samenwerkingsverband Wonen regio Rotterdam (het Samenwerkingsverband). Daartoe ondertekenden zij in september 2015 de bestuursovereenkomst Samenwerkingsverband Wonen regio Rotterdam, die na verlenging eindigde op 1 juli 2020. Kenmerkend voor de samenwerking van de Regiogemeenten in het Samenwerkingsverband is (althans was) onder meer de keuze om in iedere Regiogemeente een wat betreft de woonruimteverdelingsregels uniforme c.q. gelijkluidende huisvestingsverordening vast te stellen.

4

In 2019 is door de (bevoegde gezagen van de) Regiogemeenten besloten tot voortzetting van deze regionale samenwerking (en dus de voortzetting van het Samenwerkingsverband) met de ondertekening van de bestuursovereenkomst Samenwerkingsverband Wonen regio Rotterdam 2020 (de Bestuursovereenkomst 2020; Bijlage 2) in juni 2020 (die met terugwerkende kracht inging per 1 januari 2020). De Bestuursovereenkomst 2020 is vervolgens eind 2023 verlengd tot 1 januari 2025.

2

Wijzigingswet WGR-plus, Stb. 2005, 666. Kamerstukken II 2012/13, 33 659, nr. 3, p. 1. Zie bij wijze van voorbeeld ten aanzien van de gemeente Rotterdam het opheffingsbesluit van 19 mei 2015: https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR367818/1. Kamerstukken II 2012/13, 33 659, nr. 3, p. 5. Kamerstukken II 2012/13, 33 659, nr. 3, p. 5. Artikel 3 Hvw 2014 (onderstr. College): “Op verzoek van burgemeester en wethouders van een of meer gemeenten kunnen gedeputeerde staten, indien een evenwichtige regionale verdeling van woonruimte dat naar hun oordeel vereist, een woningmarktregio aanwijzen waarin de in artikel 4 gegeven bevoegdheid uitsluitend met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen kan worden uitgeoefend.”

3

4 5 6

2

5

De hiervoor in randnummer 3 genoemde keuze om in iedere Regiogemeente een wat betreft de woonruimteverdelingsregels uniforme c.q. gelijkluidende huisvestingsverordening vast te stellen, is (onder meer) neergelegd in artikel 2.2 sub a, 4.2 en 4.4 van de Bestuursovereenkomst 2020: “De producten inzake verdeling van woonruimte zijn: a. een regionale standaardtekst voor de woonruimteverdeelregels (de Regionale Verdeelregels);” “Partijen dragen ieder voor zich zorg voor het binnen hun gemeente overeenkomstig de actuele Regionale Verdeelregels in een huisvestingsverordening opnemen van woonruimteverdeelregels.” “Partijen dragen ieder voor zich en in gezamenlijkheid zorg voor het op uniforme wijze uitvoeren van de overeenkomstig het bepaalde in 4.2 vastgestelde huisvestingsverordening.”

6

Wijziging van de ‘Regionale Verdeelregels’ (en daarmee dus de in de onderscheidenlijke huisvestingsverordeningen op te nemen woonruimteverdelingsregels) is op grond van artikel 4.5 van de Bestuursovereenkomst 2020 enkel mogelijk indien de Regiotafel Wonen dit besluit.7

I.2

Negatieve ontwikkelingen (sociale) woningmarkt Gemeente

7

Gedurende de looptijd van de Bestuursovereenkomst 2020 is binnen de Gemeente geconstateerd dat de samenwerking met de Verzoekende Gemeenten in het Samenwerkingsverband heeft geleid en nog altijd leidt tot een disproportionele druk op de (sociale) woningmarkt van de Gemeente. Deze druk wordt onder meer veroorzaakt doordat in een aanzienlijk deel van de Verzoekende Gemeenten het aantal sociale huurwoningen (sterk) daalde, terwijl dit in de Gemeente stabiel bleef en ten opzichte van 2012 zelfs aanzienlijk steeg (van 7.911 sociale huurwoningen in 2012 naar 8.256 in 2025, zie de als Bijlage 3 aangehechte tabel gebaseerd op de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (het CBS)).

8

Tegelijkertijd ziet de Gemeente zich geconfronteerd met een explosieve groei van het aantal (huur)woningzoekenden:8 van 3.453 actief woningzoekenden in 2015 naar 30.305 in 2024, een stijging van 778%.9 Het aantal actief woningzoekenden in de gehele regio 10 steeg in diezelfde periode met 156% (van 166.435 naar 425.683). De Regiogemeente met de op een na hoogste stijging is de gemeente Capelle aan den IJssel met een stijgingspercentage van 323% (van 11.256 naar 47.653); een significant beperktere stijging dan in de Gemeente.

9

Specifiek ten aanzien van het aantal urgent woningzoekenden is een vergelijkbare groei waarneembaar: van 118 urgent woningzoekenden in 2015 naar 2.064 urgent woningzoekenden in 2024, een stijging van 1131%. Het aantal urgent woningzoekenden in de gehele regio11 steeg in datzelfde tijdvak met slechts 179% (van 5.349 naar 23.903). De Regiogemeente met de op

7

De Regionale Woontafel wordt, zo blijkt uit artikel 3.3 jo. artikel 1 sub g van de Bestuursovereenkomst 2020, gevormd door de portefeuillehouders Wonen van de Regiogemeenten. De hiernavolgende gegevens zijn, tijdens anders aangegeven, afkomstig uit de Monitor Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024, aangehecht als Bijlage 4. Gemeten over de periode 2013-2023 is zelfs sprake van een groei van het aantal urgent woningzoekenden van 1438% (van 2.074 naar 29.821). NB: de gemeente Voorne aan Zee is niet meegenomen in dit cijfer, omdat voor die Regiogemeente geen althans geen eenvoudig te verkrijgen gegevens voorhanden zijn voor de jaren voor 2021. NB: de gemeente Voorne aan Zee is wederom niet meegenomen in dit cijfer, omdat voor die Regiogemeente als gezegd geen althans geen eenvoudig te verkrijgen gegevens voorhanden zijn voor de jaren voor 2021.

8

9

10

11

3

een na hoogste stijging is de gemeente Barendrecht met een stijgingspercentage van 450% (van 213 naar 1.657); wederom een significant beperktere stijging dan in de Gemeente. 10

Bovendien blijkt uit de Monitor Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 (bijlage 4) dat sprake is van een hoge instroom van woningzoekenden van buiten de Gemeente. Zo gingen in 2023 van de in totaal 305 verhuringen via Woonnet Rijnmond 133 sociale huurwoningen naar woningenzoekenden van buiten de Gemeente (43,6%) en gingen in 2024 van de in totaal 326 verhuringen via Woonnet Rijnmond 162 sociale huurwoningen naar woningenzoekenden van buiten de Gemeente (50%). Het overgrote merendeel van deze instroom (meerjarig stabiel op 40-45%) is afkomstig uit de gemeente Rotterdam. 12

11

Voorts gingen (en gaan) in de Gemeente ten opzichte van de regio relatief veel woningen naar niet-regulier woningzoekenden. Zo ging in 2023 slechts 56,4% van de woningen naar regulier woningzoekenden, terwijl dit in de regio in datzelfde jaar 65,7% was. 13 In 2024 daalde dit percentage in de Gemeente nog verder, namelijk naar 44,2%. 14 Dit maakt dat inmiddels minder dan de helft van de sociale huurwoningen in de Gemeente naar regulier woningzoekenden gaat. Doordat bovendien een groot deel van de woningen naar woningenzoekenden gaat die niet uit de Gemeente afkomstig zijn (zie hiervoor), betekent dit dat een steeds kleiner deel van de sociale huurwoningen naar inwoners afkomstig uit de Gemeente gaat c.q. kan gaan.

12

Een en ander resulteert (onder meer) in een zorgwekkend lange mediane inschrijfduur voor woningzoekenden in de Gemeente van inmiddels 92 maanden voor alle woningzoekenden en 94 maanden – bijna 8 jaar – voor regulier woningzoekenden, hoger dan in iedere andere Regiogemeente.15 Daarnaast staat de leefbaarheid in de Gemeente onder druk, hetgeen naar ons oordeel onder meer wordt veroorzaakt door toenemende sociale problematiek als gevolg van de hoge instroom in de Gemeente.

I.3

Coalitieakkoord 2022-2026 en ontwikkelingen 2025

13

Deze negatieve ontwikkelingen op de woningmarkt van de Gemeente zijn ook de inwoners van de Gemeente niet onopgemerkt gebleven en waren een van de (hoofd)thema’s tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 16 maart 2022. Na afloop van deze verkiezingen is door de partijen Partij 18PLUS, SGP, CDA en VVD in april 2022 een coalitie gevormd. Onderdeel van het coalitieakkoord tussen voornoemde partijen voor de periode 2022-2026 getiteld “Hart voor een toekomstbestendig Ridderkerk” (het Coalitieakkoord; Bijlage 8) vormt de wens om een lokaal woonruimtebemiddelingssysteem in te voeren. 16

14

In de daaropvolgende jaren hebben wij, het college van burgemeester en wethouders van de Gemeente (het College), dit voornemen nader onderzocht. In februari 2024 heeft RIGO haar bevindingen ten aanzien van de schaarste in de sociale huursector in de Gemeente gerapporteerd (het RIGO Rapport; Bijlage 9) en geconcludeerd dat sprake is van schaarste in

12

13 14

15 16

Zie onder meer de figuur 4 op pagina 47 van de Woonvisie Ridderkerk 2021-2026 (gebaseerd cijfers van het CBS), aangehecht als Bijlage 5. In 2024 bedroeg dit percentage, zo blijkt uit cijfers beschikbaar op de website van het CBS 41,4% (891 van 2.153). Zie pagina 6 van de notitie “De haalbaarheid van een lokaal woonruimtebemiddelingssysteem”, aangehecht als Bijlage 6. Monitor Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024, p. 27: in 2024 vestigden zich 326 huishoudens in de Gemeente waarvan er 182 met een voorrangsstatus ((326-182)/326 * 100% = 44,17%). NB: In de regio bleef het percentage nagenoeg gelijk ten opzichte van 2023; 64% van de woningen ging naar regulier woningzoekenden. Zie de Monitor Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam eerste helft 2025, aangehecht als Bijlage 7. Coalitieakkoord, p. 28.

4

het sociale segment in de Gemeente. 17 Wij hebben vervolgens, in lijn met het Coalitieakkoord, de haalbaarheid van een lokaal woonruimtebemiddelingssysteem nader onderzocht en onze bevindingen neergelegd in een notitie getiteld “De haalbaarheid van een lokaal woonruimtebemiddelingssysteem” (bijlage 6), die bij raadsinformatiebrief van 4 oktober 2024 met (de Commissie Samen Wonen van) de gemeenteraad van de Gemeente (de Raad) is gedeeld. 15

Vervolgens heeft de Raad bij besluit van 13 februari 2025 het voorgestelde c.q. geadviseerde raadsbesluit aangenomen (het Raadsbesluit; Bijlage 10) om, kort gezegd, (i) het toewijzen van woningen in de toekomst lokaal te organiseren en (ii) opdracht te geven om een lokale huisvestingsverordening op te stellen en een lokaal woonruimtebemiddelingssysteem te ontwikkelen. Wij zijn, gelet op het genomen Raadsbesluit, niet overgegaan tot ondertekening van de bestuursovereenkomst 2025 noch is de Raad overgegaan tot vaststelling van de Verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2025 (de Verordening Regio 2025) zoals voorgestaan (en inmiddels vastgesteld) door de (gemeenteraden van de) Verzoekende Gemeenten.

16

Gelet op de implicaties van het Raadsbesluit (althans de beoogde daaropvolgende invoering van een lokale huisvestingsverordening met een lokaal woonruimtebemiddelingssysteem in de Gemeente) hebben wij ruim daaraan voorafgaand veelvuldig gecorrespondeerd en overleg gevoerd met het Samenwerkingsverband c.q. de Verzoekende Gemeenten. Door c.q. vanuit het Samenwerkingsverband is echter steevast aangegeven dat geen ruimte voor meer lokale toewijzing zou worden geboden binnen de Verordening Regio 2025 c.q. het Samenwerkingsverband, waardoor wij ons (in overleg met de Raad) genoodzaakt zagen c.q. bleven zien tot het invoeren van een lokaal woonruimtebemiddelingssysteem. Correspondentie tussen de Gemeente en het Samenwerkingsverband in de periode februari 2024 - 7 oktober 2025

17

17

Kortheids- en volledigheidshalve wijzen wij ten aanzien van de correspondentie met het Samenwerkingsverband onder meer op de navolgende sinds februari 2024 tot 7 oktober 2025 (de datum van het hierna in paragraaf I.4 te bespreken verzoek van het Samenwerkingsverband aan Gedeputeerde Staten) tussen het Samenwerkingsverband en (de verschillende organen van) de Gemeente gewisselde correspondentie: Datum

Onderwerp

Bijlage

30 september 2024

Brief van het Samenwerkingsverband aan de Raad betreffende “Voornemen tot uittreding regionaal woonruimteverdeelsysteem”

Bijlage 11

18 februari 2025

Brief van de Raad aan het Samenwerkingsverband betreffende “Voornemen lokaal woonruimtebemiddelingssysteem Ridderkerk”

Bijlage 12

17 juli 2025

Brief van het Samenwerkingsverband aan het College betreffende “Verzoek om informatie”

Bijlage 13

RIGO Rapport, p. 56 tot en met 58.

5

5 september 2025

Brief van het College aan het Samenwerkingsverband betreffende “Uw formeel informatieverzoek d.d. 17 juli 2025”

Bijlage 14

Correspondentie tussen de Gemeente en Gedeputeerde Staten in de periode februari 2024 - 7 oktober 2025 18

Ook met Gedeputeerde Staten is veelvuldig gecorrespondeerd en overleg gepleegd over dit onderwerp. Kortheids- en volledigheidshalve wijzen wij onder meer op de navolgende sinds februari 2024 tot 7 oktober 2025 tussen Gedeputeerde Staten en (de verschillende organen van) de Gemeente gewisselde correspondentie: Datum

Onderwerp

Bijlage

27 september 2024

Brief van Gedeputeerde Staten aan het College betreffende “Regionale Huisvestingsverordening”

Bijlage 15

6 december 2024

Brief van het College aan Gedeputeerde Staten betreffende “Voornemen lokaal woonruimtebemiddelingssysteem 6 december 2024”

Bijlage 16

19 september 2025

Brief van het College aan Gedeputeerde Staten betreffende “Adviesaanvraag Verordening Woonruimtebemiddeling Ridderkerk 2026”

Bijlage 17

I.4

(Aanloop) Bestreden Besluit en vaststelling Verlengde Verordening 2024 en Verordening 2026

19

Ook in de periode na het Raadsbesluit zijn wij in contact gebleven met zowel Gedeputeerde Staten als het Samenwerkingsverband c.q. de Verzoekende Gemeenten en zijn wij steeds bereid gebleven tot compromis zolang daarmee voldoende recht zou worden gedaan aan de belangen van de inwoners van de Gemeente (zie in dat verband onder meer de hiervoor opgesomde correspondentie). De houding van het Samenwerkingsverband, kort gezegd inhoudende dat geen mogelijkheid tot compromis bestond, had echter tot gevolg dat ons geen andere optie restte dan het verder voorbereiden van de overgang naar een lokale huisvestingsverordening met een lokaal woonruimtebemiddelingssysteem (en daarmee de uittreding uit het Samenwerkingsverband). Verzoek Verzoekende Gemeenten tot aanwijzing

20

Dit (voortgezette) voornemen leidde ertoe dat (de colleges van burgemeester en wethouders van) de Verzoekende Gemeenten Gedeputeerde Staten bij brief van 7 oktober 2025 (de Verzoekbrief; Bijlage 18) hebben verzocht om een aanwijzing als bedoeld in artikel 3 van de Hvw 2014 althans een aanwijzing als bedoeld in artikel 99 van de Wgr.

21

Na ontvangst van de Verzoekbrief hebben wij bij brieven van 31 oktober 2025 en 7 november 2025 gereageerd richting zowel Gedeputeerde Staten als het Samenwerkingsverband en onze

6

beweegredenen c.q. de beweegredenen van de Raad (opnieuw) uiteengezet. In onderstaand overzicht is de sinds de Verzoekbrief gewisselde correspondentie uiteengezet, daaronder begrepen de Verzoekbrief zelf en de hiervoor genoemde brieven van 31 oktober 2025 en 7 november 2025. Correspondentie tussen 7 oktober 2025 – heden Datum

Onderwerp

Bijlage

7 oktober 2025

Brief van de Verzoekende Gemeenten aan Gedeputeerde Staten betreffende “Verzoek aan GS tot aanwijzing” (de Verzoekbrief)

Bijlage 17

10 oktober 2025

Brief van het College aan Gedeputeerde Staten betreffende “Adviesaanvraag Verlengde verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024”

Bijlage 19

21 oktober 2025

Brief van Gedeputeerde Staten aan het College betreffende “Concept-verordening Woonruimtebemiddeling Ridderkerk 2026”

Bijlage 20

28 oktober 2025

Brief van Gedeputeerde Staten aan het College betreffende “GS-reactie concept verordening woonruimtebemiddeling Ridderkerk 2026” (het Advies)

Bijlage 21

31 oktober 2025

Brief van het College aan Gedeputeerde Staten betreffende “Verzoek gemeenten woonregio Rotterdam om aanwijzing woonruimtebemiddeling”

Bijlage 22

7 november 2025

Brief van het College aan Gedeputeerde Staten betreffende ““Reactie op uw brief van 21 oktober 2025”

Bijlage 23

9 november 2025

Brief van Gedeputeerde Staten aan het College betreffende “GS-advies concept Verlengde verordening woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024”

Bijlage 24

11 november 2025

Brief van Gedeputeerde Staten aan het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen betreffende “PM voorgenomen besluit aanwijzing art. 99 Wgr”

Bijlage 25

11 november 2025

Brief van Gedeputeerde Staten aan het College betreffende “Afschrift van voorgenomen besluit op grond van artikel 99 Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr)”

Bijlage 26

7

(Vaststelling) Verlengde Verordening 2024 en Verordening 2026 22

Tussen de (bevoegde gezagen van de) Gemeente enerzijds en de Verzoekende Gemeenten (en Gedeputeerde Staten) anderzijds was inmiddels een impasse ontstaan. Overtuigd van de noodzaak om de disproportionele druk op de woningmarkt van de Gemeente aan te pakken, hebben wij (in samenspraak met de Raad) de (voorbereidingen voor) de vaststelling van de beoogde lokale huisvestingsverordening met een lokaal woonruimtebemiddelingssysteem voortgezet.

23

Dit heeft er uiteindelijk in geresulteerd dat de Raad, nadat Gedeputeerde Staten daarover hadden geadviseerd bij brieven van 29 oktober 2025 en 9 november 2025, bij besluit van 11 december 2025 twee huisvestingsverordeningen heeft vastgesteld: (i) de Verlengde verordening Woonruimtebemiddeling regio Rotterdam 2024 (de Verlengde Verordening 2024; Bijlage 27) en (ii) de Verordening Woonruimtebemiddeling Ridderkerk 2026 inclusief toelichting (de Verordening 2026; Bijlage 28).

24

De vaststelling van de Verlengde Verordening 2024, die materieel gelijkluidend is aan de Verordening 2024 die eerder in de Regiogemeenten van toepassing was, was noodzakelijk omdat het lokale woonruimtebemiddelingssysteem zoals neergelegd in de Verordening 2026 nog niet gereed was (in praktische zin) en de Verordening 2024 per 1 januari 2026 zou verlopen (hetgeen uiteraard ongewenst zou zijn). Op het moment van schrijven is in de Gemeente (dus) de Verlengde Verordening 2024 van toepassing tot het moment dat de Verordening 2026 inwerking treedt.18 De Verordening 2026 zal inwerkingtreden na bekendmaking daarvan, 19 hetgeen zal gebeuren op het moment dat het lokale woonruimtebemiddelingssysteem gereed is. Bestreden Besluit

25

In het licht van het voorgaande hebben Gedeputeerde Staten kennelijk gemeend dat noodzaak bestond om over te gaan tot het geven van een aanwijzing in de zin van artikel 99 van de Wgr. Uit het Bestreden Besluit blijkt dat Gedeputeerde Staten besluiten om “op grond van artikel 99 Wet gemeenschappelijke regelingen, mogelijk gemaakt door de verwijzing in artikel 3 Hvw 2014 naar die wet, een aanwijzing te geven” aan (de bevoegde gezagen van) de Regiogemeenten. Meer specifiek behelst het Bestreden Besluit:20 (i)

18 19 20

Primair een aanwijzing om te komen tot een evenwichtige regionale verdeling van woonruimte, in de vermeende woningmarktregio Rotterdam zoals afgebakend in de bestuursovereenkomsten (met als laatste de Bestuursovereenkomst 2020, aangezien de Gemeente de bestuursovereenkomst 2025 niet heeft ondertekend). Volgens Gedeputeerde Staten moet deze primaire aanwijzing zo worden opgevat dat die zich enerzijds richt tot (het College van) de Gemeente om zich “(weer) aan te sluiten bij de bestaande gemeenschappelijke regeling en als zodanig tot die gemeenschappelijke regeling opnieuw toe te treden, althans daar weer deel van uit te gaan maken”, dit met het doel een evenwichtige regionale verdeling van woonruimte (weer) mogelijk te maken. Tevens richt deze aanwijzing zich tot de (colleges van burgemeester en wethouders van de) Verzoekende Gemeenten om de (her)aansluiting van (het College van) de Gemeente

Verlengde Verordening 2024, art. 3.4 lid 2. Verordening 2026, art. 6.2.2 lid 2. Bestreden Besluit, p. 16.

8

bij de vermeende gemeenschappelijke regeling mogelijk te maken c.q. te faciliteren (de Primaire Aanwijzing). (ii)

Secundair, namelijk voor zover één of meerdere van de Regiogemeenten zou(den) menen dat geen sprake is van een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wgr, houdt het Bestreden Besluit een aanwijzing in voor de (colleges van burgemeester en wethouders van de) Regiogemeenten om een gemeenschappelijke regeling tot stand te doen komen, waarmee wordt voldaan aan de eisen van de Wgr, wederom met het doel een evenwichtige regionale verdeling van woonruimte mogelijk te maken (zoals in de Primaire Aanwijzing bedoeld) (de Secundaire Aanwijzing, tezamen met de Primaire Aanwijzing de Aanwijzing).

26

Hoewel in het Bestreden Besluit meermaals wordt vermeld dat de Aanwijzing mogelijk zou zijn c.q. worden gemaakt door (de verwijzing in) artikel 3 van de Hvw 2014, constateren wij dat de Aanwijzing feitelijk uitsluitend is gegrond op artikel 99 van de Wgr, 21 met als gevolg dat (enkel) het toetsingskader van artikel 99 van de Wgr van toepassing is op de Aanwijzing. Wij gaan hier in het hiernavolgende nader op in.

II

GRONDEN VAN BEZWAAR

27

Wij kunnen ons niet verenigen met het Bestreden Besluit en zetten in het hiernavolgende de gronden van ons bezwaar uiteen. In de kern luiden onze voornaamste bezwaargronden als volgt: a.

Van een gemeenschappelijke regeling in de zin van de Wvg was en is geen sprake, waardoor de Primaire Aanwijzing in ieder geval komt te vervallen (Paragraaf II.1);

b.

Gedeputeerde Staten zijn niet bevoegd (de gemeenschappelijke regeling op grond van) de (Secundaire) Aanwijzing op te leggen vanwege het ontbreken van een zwaarwegend openbaar belang dat oplegging daarvan vereist (Paragraaf II.2); en

c.

Het Bestreden Besluit is gebrekkig gemotiveerd en onevenredig (Paragraaf II.3).

II.1

Het Samenwerkingsverband vormt c.q. vormde geen gemeenschappelijke regeling in de zin van de Wvg

28

De Primaire Aanwijzing houdt in dat (het College van) de Gemeente (i) zich (weer) moet aansluiten bij de ‘bestaande gemeenschappelijke regeling’, (ii) opnieuw tot die ‘bestaande gemeenschappelijke regeling’ moet toetreden, althans (iii) weer deel van die ‘bestaande gemeenschappelijke regeling moet gaan uitmaken.

29

Met de Primaire Aanwijzing gaan Gedeputeerde Staten er daarmee ten onrechte vanuit dat het Samenwerkingsverband (of enige tussen de (bevoegde gezagen van de) Regiogemeenten gesloten (bestuurs-)overeenkomst) een gemeenschappelijke regeling in de zin van de Wgr zou vormen, waar (het College van) de Gemeente zich (opnieuw) bij zou kunnen aansluiten. Wij lichten dit als volgt toe.

21

Bestreden Besluit, p. 14 (onderstr. College): “Wij maken daarbij gebruik van onze discretionaire bevoegdheid waarop u in uw aanvraag ook doelt, de aanwijzing conform uw verzoek niet op artikel 3 Hvw 2014 te baseren, maar – via artikel 3 Hvw dat die route daarvoor aanwijst – op (artikel 99 van) de Wgr.”

9

30

De Wgr biedt overheidsinstanties de mogelijkheid om publiekrechtelijke samenwerkingsverbanden aan te gaan, waarbij diverse vormen van samenwerking mogelijk zijn. Een van deze vormen is de zogeheten ‘gemeenschappelijke regeling zonder meer’, die niet direct uit de Wgr (of enige andere wet) voortvloeit. Gedeputeerde Staten gaan er kennelijk vanuit dat in het onderhavige geval sprake is van een dergelijke regeling (onderstr. College): 22 “De aanwijzing komt er primair op neer dat die Ridderkerk weer verplicht tot de bestaande regionale samenwerking toe te treden en dat de andere gemeenten dit toelaten, ervan uitgaande dat de bestaande regionale samenwerking al[s] een gemeenschappelijke regeling ‘zonder meer’ is en daarvoor aan de vereisten zoals bedoeld in artikel 1 Wgr is voldaan.”

31

Hoewel artikel 1 van de Wgr niet expliciet voorziet in de gemeenschappelijke regeling zonder meer, biedt het artikel daarvoor wel de basis: het staat (de bevoegde gezagen van) gemeenten vrij om afspraken te maken over de behartiging van bepaalde belangen, zonder dat daarbij een gezamenlijke organisatie conform de Wgr hoeft te worden opgericht. De wetgever heeft deze mogelijkheid bedoeld voor situaties waarin gezamenlijk optreden geen zelfstandige bestuurlijke voorziening vereist, in tegenstelling tot de andere samenwerkingsvormen die de Wgr uitdrukkelijk opsomt waarvoor dat wel vereist is (zie artikel 8 van de Wgr). Inwerkingtreding gemeenschappelijke regelingen

32

Artikel 26 van de Wgr bepaalt wanneer een gemeenschappelijke regeling in werking treedt. Op grond van artikel 26 lid 1 van de Wgr dient het daartoe aangewezen gemeentebestuur de regeling in alle deelnemende gemeenten bekend te maken in het door dat gemeentebestuur uitgegeven gemeenteblad. De regeling treedt vervolgens in werking op de daarin aangewezen dag, doch niet eerder dan de bekendmaking (zie artikel 26 lid 3 van de Wgr). Artikel 26 lid 2 van de Wgr bevat daarnaast een registratieplicht: de regeling dient te worden verwerkt in het landelijke register van gemeenschappelijke regelingen. 23 Deze registratie is, anders dan de bekendmaking, echter niet constitutief voor de inwerkingtreding van de gemeenschappelijke regeling. 24

33

Het Samenwerkingsverband (of enige tussen de (bevoegde gezagen van de) Regiogemeenten gesloten (bestuurs)overeenkomst) is niet bekendgemaakt op de wijze zoals artikel 26 lid 1 van de Wgr dat vereist. Aangezien bekendmaking een constitutief vereiste is voor inwerkingtreding, kan zonder een dergelijke bekendmaking geen sprake zijn van een gemeenschappelijke regeling. Dat dit onverminderd geldt in het geval van een gemeenschappelijke regeling zonder meer blijkt uit de parlementaire geschiedenis (waarin een gemeenschappelijke regeling zonder meer nog werd aangeduid als een ‘lichte regeling’) (onderstr. College): 25 “De Wet gemeenschappelijke regelingen stelt aan zo’n lichte regeling slechts een beperkt aantal eisen. Een lichte regeling dient het belang te vermelden ter behartiging waarvan zij is getroffen. Wordt de regeling voor onbepaalde tijd aangegaan, dan zijn bepalingen nodig omtrent wijziging, opheffing, toe- en uittreding. De regeling dient voorts te worden bekendgemaakt en geregistreerd.”

22 23 24 25

Bestreden Besluit, p. 15. Het register is raadpleegbaar via www.organisaties.overheid.nl/gemeenschappelijke_regelingen/. R.J.M.H. de Greef, in: T&C Gemeentewet Provinciewet, commentaar op art. 26 Wgr. Kamerstukken II 1993/94, 23 400, nr. VII, nr. 35, p. 5.

10

34

Het feit dat het Samenwerkingsverband geen gemeenschappelijke regeling zonder meer betreft, blijkt voorts uit het feit dat het Samenwerkingsverband niet als zodanig staat geregistreerd in het register van gemeenschappelijke regelingen. Indien de (bevoegde gezagen van de) Regiogemeenten hadden beoogd een gemeenschappelijke regeling zonder meer in het leven te roepen, had het voor de hand gelegen dat zij deze ook als zodanig in het register zouden hebben opgenomen. Ter illustratie: de gemeenschappelijke regeling zonder meer genaamd de "Gemeenschappelijke regeling beschermd wonen regio Rotterdam”, die medio 2023 is vastgesteld door (de bevoegde gezagen van) 7 van de 12 Regiogemeenten (waaronder (het bevoegd gezag van) de Gemeente), is wél opgenomen in het register van gemeenschappelijke regelingen.26 Het feit dat het Samenwerkingsverband niet in het register is opgenomen, vormt aldus een verdere (en duidelijke) aanwijzing dat geen sprake is van een gemeenschappelijke regeling zonder meer en bovendien dat de (bevoegde gezagen van de) Regiogemeenten deze opvatting delen. Vervallen Primaire Aanwijzing

35

Gelet op het voorgaande kan de Primaire Aanwijzing niet worden gehandhaafd (laat staan in de toekomst eventueel worden opgelegd op grond van artikel 100 van de Wgr). Er is immers geen sprake van een gemeenschappelijke regeling in de zin van de Wgr waartoe wij zouden kunnen toetreden of waarbij wij ons zouden kunnen aansluiten, waardoor de Primaire Aanwijzing op grond van de formulering en structuur daarvan – met een primaire en subsidiaire c.q. secundaire variant – komt te vervallen.

36

De Primaire Aanwijzing geldt immers echter slechts voor zover geen van de Regiogemeenten van mening is dat er geen sprake is van een gemeenschappelijke regeling. 27 Nu wij, zoals hiervoor toegelicht, wél menen dat het Samenwerkingsverband (of enige tussen de Regiogemeenten gesloten (bestuurs)overeenkomst) niet kwalificeert c.q. kan kwalificeren als een gemeenschappelijke regeling, vervalt de Primaire Aanwijzing en kunnen Gedeputeerde Staten daar geen (verder) vervolg aan geven. In het hiernavolgende wordt daarom uitsluitend uitgegaan van de Secundaire Aanwijzing en (ook) enkel nog gesproken over de Secundaire Aanwijzing.

37

Indien Gedeputeerde Staten – ondanks het hiervoor gemotiveerde bezwaar – van oordeel blijven dat de Primaire Aanwijzing niet is komen te vervallen, merken wij op dat al het hiernavolgende evenzeer als bezwaar tegen de Primaire Aanwijzing dient te worden beschouwd.

II.2

Er is geen sprake van een zwaarwegend openbaar belang dat de (Secundaire) Aanwijzing vereist Toetsingskader aanwijzing ex artikel 99 Wgr

38

26 27

28

Uit het Bestreden besluit volgt dat Gedeputeerde Staten de Secundaire Aanwijzing (enkel) op artikel 99 van de Wgr stoelen (onderstr. College): 28

Zie www.organisaties.overheid.nl/29066100/Gemeenschappelijk_regeling_beschermd_wonen_regio_Rotterdam/. Bestreden Besluit, p. 15 (onderstr. College): “Subsidiair, voor zover één of meerdere van de genoemde gemeenten van mening zou(den) zijn dat de gemeenschappelijke regeling die mede met de genoemde bestuursovereenkomsten is vormgegeven tot laatstelijk met de Bestuursovereenkomst 2020, niet kwalificeert als een gemeenschappelijke regeling zoals bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen (…).” Bestreden Besluit, p. 14. Zie voorts Bestreden Besluit, p. 15: “Hierbij besluiten wij op grond van artikel 99 Wet Gemeenschappelijke regelingen, dit mogelijk gemaakt door de verwijzing in artikel 3 Hvw2014 naar die wet, een aanwijzing te geven aan de (bevoegde organen van de) [Regiogemeenten].”

11

“Het tweede lid van artikel 99 Wgr bepaalt dat de aanwijzing op basis van artikel 99 Wgr ook de verplichting kan betreffen tot toetreding tot een bestaande regeling. Wij menen dat die situatie aan de orde is. Wij maken daarbij gebruik van onze discretionaire bevoegdheid waarop u in uw aanvraag ook doelt, de aanwijzing conform uw verzoek niet op artikel 3 Hvw te baseren, maar – via artikel 3 Hvw dat die route daarvoor aanwijst – op (artikel 99 van) de Wgr.” 39

Artikel 99 lid 1 van de Wgr luidt (onderstr. College): “Op verzoek van het bestuur van een of meer gemeenten kunnen gedeputeerde staten, indien een zwaarwegend openbaar belang dat vereist, gemeenten aanwijzen waarvan de besturen een gemeenschappelijke regeling moeten treffen ter behartiging van een of meer bepaalde belangen.”

40

Een aanwijzing op grond van artikel 99 van de Wgr kan (dus) alleen worden opgelegd wanneer een ‘zwaarwegend openbaar belang dat vereist’. Dit betreft een hoge drempel waar niet zomaar aan kan worden voorbijgegaan. Deze hoge drempel is ook alleszins gerechtvaardigd, onder meer gelet op de achtergrond van de Wgr (vrijwilligheid) en het gegeven dat wordt ingegrepen in de wijze waarop democratisch gelegitimeerde (bestuurs)organen hun wettelijke taken uitoefenen en de hen op basis van de wet toekomende bevoegdheden toepassen. Zie in dit verband de parlementaire geschiedenis ten aanzien van de Wgr, waaruit het karakter van de aanwijzing als ultimum remedium blijkt (onderstr. College):29 “Wanneer weloverwogen wordt vastgesteld, dat het tot stand komen van een regeling een zwaarwegend openbaar belang is, kunnen de betreffende gemeenten gedwongen worden een regeling aan te gaan. Wij zijn ons ervan bewust, dat oplegging van een regeling zich moeilijk verdraagt met het vrijwilligheidskarakter van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Toch zijn wij van oordeel, dat dit instrument, zij het als uiterste middel, niet gemist kan worden.” Motiveringsplicht

41

Gelet op het voorgaande, en op het algemeen geldende motiveringsbeginsel zoals neergelegd in artikel 3:46 en verder van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), rust(te) op Gedeputeerde Staten de verplichting om te onderbouwen waarom zij in het onderhavige geval bevoegd zijn c.q. waren tot het opleggen van de Secundaire Aanwijzing. Daartoe dien(d)en zij gemotiveerd aan te voeren welk concreet openbaar belang dermate zwaar weegt dat oplegging van de Secundaire Aanwijzing gepast en geboden is, wat de negatieve gevolgen zijn van het achterwege laten van de Secundaire Aanwijzing, en waarom deze negatieve gevolgen niet op een andere wijze zouden kunnen worden ondervangen. Naar ons oordeel is aan die motiveringsmaatstaf door Gedeputeerde Staten geenszins voldaan, zoals wij in het hiernavolgende nader zullen toelichten

42

Volledigheidshalve merken wij op dat voornoemde motiveringsplicht, blijkens de parlementaire geschiedenis, onverminderd geldt indien het zwaarwegende openbaar belang waar een beroep op wordt gedaan in een bijzondere wet regeling heeft gevonden. Ook in dat geval dient aan te

29

Kamerstukken II 1980/1981, 16 538, nr. 3, p. 24.

12

worden getoond dat er sprake is van een voldoende zwaarwegend belang dat het geven van een aanwijzing vereist:30 “Dat het belang in kwestie in een bijzondere wet regeling heeft gevonden, ontslaat het gezag dat tot aanwijzing en oplegging overgaat niet van de plicht aan te tonen, dat er sprake is van een zwaarwegend openbaar belang.” 43

De enkele vermelding van een (gesteld c.q. vermeend) belang in wet- en/of regelgeving volstaat daarvoor dus niet. Motivering Bestreden Besluit (inleiding)

44

In het kader van de motivering van het Bestreden Besluit c.q. de Secundaire Aanwijzing merken wij op voorhand voorts op dat het Bestreden Besluit de indruk wekt dat Gedeputeerde Staten kennelijk de mening zijn toegedaan dat wij in deze procedure zouden moeten onderbouwen waarom het ons c.q. de Raad wel zou zijn toegestaan om een lokale huisvestingsverordening vast te stellen. Sinds de afschaffing van de Plusregio staat het de (bevoegde gezagen van de) Regiogemeenten echter vrij om hun verordenende bevoegdheid zelfstandig uit te oefenen, waardoor thans als uitgangspunt juist geldt dat een ‘lokale’ huisvestingsverordening mogelijk én toegestaan is. Dat alle Regiogemeenten er tot voor kort voor kozen om de tekst van hun huisvestingsverordeningen op elkaar af te stemmen, doet daaraan niet af.

45

Het is niet aan ons om in deze procedure te onderbouwen waarom wij respectievelijk de Raad bevoegd waren een zelfstandige lokale huisvestingsverordening (de Verlengde Verordening 2024 en, in het bijzonder, de Verordening 2026) op en vast te stellen. Op de Secundaire Aanwijzing is enkel het hiervoor uiteengezette toetsingskader van artikel 99 van de Wgr van toepassing, hetgeen met zich brengt dat Gedeputeerde Staten in het Bestreden Besluit dienden te onderbouwen dat aan de vereisten voor het geven van die aanwijzing op grond van artikel 99 van de Wgr is voldaan. Kort en goed ligt dus de vraag voor of Gedeputeerde Staten in het Bestreden Besluit afdoende gemotiveerd hebben aangetoond dat een zwaarwegend openbaar belang de Secundaire Aanwijzing vereist(e).

46

Naar ons oordeel voldoet het Bestreden Besluit als gezegd niet aan die strenge maatstaf en is geenszins sprake van een afdoende gemotiveerd zwaarwegend openbaar belang dat de Secundaire Aanwijzing rechtvaardigt. Gedeputeerde Staten waren derhalve niet bevoegd om het Bestreden Besluit als zodanig te nemen en de (bevoegde gezagen van de) Regiogemeenten door middel van de Secundaire Aanwijzing te verplichten tot het treffen van een gemeenschappelijke regeling. Wij lichten dit in het hiernavolgende nader toe. Invulling ‘zwaarwegend openbaar belang’ door Gedeputeerde Staten

47

30 31

32

Gedeputeerde Staten voeren in het Bestreden Besluit aan dat sprake is van een (voldoende) zwaarwegend openbaar belang in de zin van artikel 99 Wgr, omdat een evenwichtige regionale woonruimteverdeling (mogelijk) zou worden geschaad. 31 Dit uit artikel 3 van de Hvw 2014 afkomstige criterium32 wordt door Gedeputeerde Staten nader ingevuld met de stelling dat een Kamerstukken II 1980/1981, 16 538, nr. 3, p. 25. Zie onder meer Bestreden Besluit, p. 14: “Een evenwichtige regionale woonruimteverdeling is een wettelijk ingegeven en daarmee een zwaarwegend openbaar belang.” Art. 3 lid 1 Hvw 2014 (onderstr. College): “Op verzoek van burgemeester en wethouders van een of meer gemeenten kunnen gedeputeerde staten, indien een evenwichtige regionale verdeling van woonruimte dat naar hun oordeel vereist, een

13

evenwichtige regionale woonruimteverdeling zou worden geschaad (althans dat die dreiging bestaat) doordat (i) de belangen van alle woningzoekenden in de regio zouden worden geschaad en (ii) in strijd zou worden gehandeld met de verplichting tot regionale afstemming op grond van de Hvw 2014.33 Dit alles zou het gevolg zijn van het lokale woonruimtebemiddelingssysteem opgenomen in de Verordening 2026, zoals vastgesteld door de Raad bij besluit van 11 december 2025. 48

Voor zover Gedeputeerde Staten deze gronden – strijd met (i) de Hvw 2014 en/of (ii) de belangen van de woningzoekenden in de regio – (ook) als zelfstandige (voldoende) zwaarwegende openbare belangen aan het Bestreden Besluit ten grondslag hebben willen leggen, zijn de hiernavolgende bezwaargronden onverminderd van toepassing.

49

Hieronder gaan wij allereerst in op de gestelde strijdigheid met de verplichting tot regionale afstemming zoals die voortvloeit uit de Hvw 2014. Vervolgens behandelen wij de gestelde strijdigheid met de belangen van de woningzoekenden in de regio en tot slot de gestelde strijdigheid met een evenwichtige regionale woonruimteverdeling. Regionale afstemmingsverplichting als (indirect) zwaarwegend openbaar belang

50

Gedeputeerde Staten voeren, met verwijzing naar (onder meer) artikel 6 lid 2 van de Hvw 2014, aan dat wij hebben gehandeld in strijd met de op ons rustende verplichting tot regionale afstemming.34 Uit dit artikel(lid) volgt, kort gezegd, dat afstemming dient plaats te vinden met de colleges van burgemeester en wethouders van de overige gemeenten die deel uitmaken van de woningmarktregio waarin de gemeente is gelegen, bij de voorbereiding van (de vaststelling van) een huisvestingsverordening.35

51

Vooropgesteld moet worden dat Gedeputeerde Staten geenszins hebben onderbouwd waarom een eventuele schending van de afstemmingsplicht zou leiden tot een verstoring van c.q. strijdigheid met een evenwichtige regionale woonruimteverdeling, laat staan dit (voor zover daar sprake van zou zijn) ook een zwaarwegend openbaar belang in de zin van artikel 99 van de Wgr zou opleveren dat de Secundaire Aanwijzing vereist(e). Voor zover Gedeputeerde Staten de (vermeende) strijdigheid met de plicht tot regionale afstemming aan de Secundaire Aanwijzing ten grondslag leggen, is het Bestreden besluit dan ook onvoldoende c.q. gebrekkig gemotiveerd. Het Bestreden Besluit maakt immers op geen enkele wijze inzichtelijk waarom een eventuele schending van de afstemmingsplicht, die overigens wordt betwist, een dermate zwaarwegend openbaar belang schaadt dat de Secundaire Aanwijzing vereist is. Van een strijd met de regionale afstemmingsverplichting is bovendien geen sprake

52

33 34

35

Bovendien is van strijd met de regionale afstemmingsverplichting helemaal geen sprake. Gedeputeerde Staten leggen in het Bestreden Besluit een direct verband tussen (i) de in artikel 6 lid 2 van de Hvw 2014 neergelegde verplichting tot regionale afstemming en (ii) de uitkomst woningmarktregio aanwijzen waarin de in artikel 4 gegeven bevoegdheid uitsluitend met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen kan worden uitgeoefend.” Zie (met name) Bestreden Besluit, p. 3 t/m 5. Zie bijvoorbeeld Bestreden Besluit, pagina 4: “De noodzaak van regionale afstemming en het in acht nemen van de noodzaak voor een evenwichtige regionale verdeling van woonruimten in de onderhavige woningmarktregio waar uw gemeenten en Ridderkerk deel van uitmaken, staat naar onze mening vast.” Artikel 6 lid 2 Hvw 2014: “Bij de voorbereiding van de vaststelling of wijziging van een huisvestingsverordening stemmen burgemeester en wethouders deze af met burgemeester en wethouders van de overige gemeenten die deel uitmaken van de woningmarktregio waarin de gemeente is gelegen.”

14

van die afstemming. Immers, er zou in strijd met de verplichting tot regionale afstemming zijn gehandeld door het enkele feit dat is overgegaan tot de vaststelling van de Verordening 2026. Kennelijk moet volgens Gedeputeerde Staten (de verplichting tot) regionale afstemming in het onderhavige geval ook leiden tot het opstellen van gelijkluidende huisvestingsverordeningen door de (bevoegde gezagen van de) Regiogemeenten. Dat is uiteraard niet het geval. 53

Met dit standpunt miskennen Gedeputeerde Staten de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 6 lid 2 van de Hvw 2014 en, in het bijzonder, het daarin opgenomen begrip “afstemming”. De reikwijdte van het afstemmingsbegrip blijkt uit de parlementaire geschiedenis van de Hvw 2014 (onderstr. College):36 “De vorm en mate van afstemming tussen gemeenten is niet voorgeschreven, maar mede af te stemmen op het belang van de regionale woningmarkt en het belang van samenwerking tussen gemeenten gezien de regionaal voorliggende opgaven. Om te bepalen welke vorm van afstemming het meest passend is, zal het goed zijn vooraf inzicht te hebben in de schaarste en verdringing die zich voordoet op de regionale woningmarkt en de positie van de verschillende gemeenten daarbij. Vanuit een oogpunt van kosten- en klantvriendelijkheid, transparantie en efficiëntie zou gestreefd moeten worden naar gemeenschappelijke voorzieningen voor het aanbieden van woningen en voor de registratie van woningzoekenden. Met deze bepaling wordt niet geregeld dat deze gemeenten het met elkaar eens moeten zijn over het beleid ten aanzien van woonruimteverdelingsbeleid. Er gaat dus slechts een stimulerende werking ten aanzien van de regionale samenwerking van uit.”

54

‘Afstemming’ vereist dus niet dat (de bevoegde gezagen van) gemeenten overeenstemming bereiken over beleid. Dat de (bevoegde gezagen van de) Gemeente en de Verzoekende Gemeenten van standpunt en inzicht verschillen over het beleid ten aanzien van woonruimteverdeling, maakt dus niet dat de afstemmingsverplichting op grond van de Hvw 2014 ons zou verplichten om onze (cijfermatig onderbouwde) beleidsinzichten voor woonruimteverdeling te laten varen om beleid vast te stellen dat overeenstemt met het door de (bevoegde gezagen van de) Verzoekende Gemeenten voorgestane beleid.

55

Bovendien heeft hebben wij ruimschoots aan onze afstemmingsverplichting voldaan door reeds vanaf een vroeg stadium in overleg te treden met de (bevoegde gezagen van de) Verzoekende Gemeenten en onze bezwaren tegen het bestaande woonruimteverdelingsbeleid tijdens diverse ambtelijke en bestuurlijke overleggen kenbaar te maken. Dat dit overleg niet heeft geleid tot overeenstemming, maakt als gezegd niet dat in strijd met de afstemmingsverplichting is gehandeld.

56

Hetzelfde geldt voor de verplichting tot afstemming met andere stakeholders op grond van artikel 6 lid 1 van de Hvw 2014, zoals woningcorporaties, waarop Gedeputeerde Staten wijzen. 37 Wij hebben de van de stakeholders ontvangen inspraakreacties zorgvuldig gewogen. Dat wij ons op basis van ons (cijfermatig onderbouwde) moverende redenen uiteindelijk niet in deze reacties hebben kunnen vinden en deze dus niet hebben overgenomen, betekent niet dat in strijd met (artikel 6 lid 1 van) de Hvw 2014 is gehandeld. Daarbij geldt bovendien dat in ieder geval door Gedeputeerde Staten onvoldoende is gemotiveerd dat even eventueel handelen in strijd met

36 37

Kamerstukken I 2013/14, 32 371, nr. C, p. 32-33. Zie Bestreden Besluit, p. 5.

15

artikel 6 lid 1 van de Hvw 2014 (als (schending van een) zwaarwegend openbaar belang) de oplegging van een gemeenschappelijke regeling zou vereisen. 57

Gelet op het voorgaande kan niet worden gesteld dat wij in strijd hebben gehandeld met de regionale afstemmingsverplichting, althans dat Gedeputeerde Staten dat in ieder geval onvoldoende hebben onderbouwd. Reeds hierom kan de (vermeende) schending van de afstemmingsverplichting niet als grondslag dienen voor de Secundaire Aanwijzing. Bovendien hebben Gedeputeerde Staten, zoals hiervoor al uiteengezet, ook op geen enkele wijze gemotiveerd waarom een eventuele schending van de afstemmingsverplichting een dermate zwaarwegend openbaar belang zou schaden dat dit de Secundaire Aanwijzing zou vereisen. Belangen van de woningzoekenden in de Gemeente en de regio als zwaarwegend openbaar belang

58

Uit het Bestreden Besluit volgt dat Gedeputeerde Staten, kort gezegd, van oordeel zijn dat wij, alsmede de Raad, in strijd handelen met het belang van alle woningzoekenden in de regio door (ons voornemen om) een lokaal woonruimtebemiddelingssysteem in te voeren. Volgens Gedeputeerde Staten worden daarmee zowel de belangen van woningzoekenden in de regio als die van woningzoekenden in de Gemeente geschaad. Deze vermeende schending wordt volgens Gedeputeerde Staten veroorzaakt doordat het lokale woonruimtebemiddelingssysteem afbreuk zou doen aan een evenwichtige regionale woonruimteverdeling en daarmee de belangen van woningzoekenden, omdat (i) woningzoekenden zich bij meerdere woonruimtebemiddelingssystemen zouden moeten inschrijven indien zij voor een woonruimte in de Gemeente en (een van) de Verzoekende Gemeenten in aanmerking wensen te komen, en daarvoor kosten zouden moeten maken, en (ii) de keuzemogelijkheden van woningzoekenden, waaronder die uit de Gemeente, zouden worden beperkt, wat tot gevolg zou hebben dat zij minder snel een passende woning zouden kunnen vinden. Tevens zou de Verordening 2026 in strijd zijn met het recht op vrije vestiging van woningzoekenden en het gelijkheidsbeginsel.

59

Voor het overige wordt in het Bestreden Besluit regelmatig in algemene zin opgemerkt dat de belangen van woningzoekenden geschaad zouden worden, maar concretiseren Gedeputeerde Staten deze stelling niet verder. Een dergelijke niet nader onderbouwde stellingname (anders dan zoals hiervoor in randnummer 58 uiteengezet) kan uiteraard als onvoldoende gemotiveerd geen standhouden. In het hiernavolgende zullen wij daaraan dan ook voorbijgaan en enkel ingaan op de concreet genoemde vermeende schendingen van de belangen van woningzoekenden in de Gemeente en/of de Verzoekende Gemeenten. Van onevenredige schending van de belangen van woningzoekenden is geen sprake

60

38

Gedeputeerde Staten koppelen in het Bestreden Besluit de belangen van woningzoekenden in de regio aan het belang van een evenwichtige verdeling van woonruimten in de regio. 38 Zoals wij reeds in onze brief van 31 oktober 2025 (bijlage 22) hebben uiteengezet, kennen wij groot gewicht toe aan het recht op vrije vestiging van woningzoekenden, alsmede aan de belangen van woningzoekenden en een evenwichtige verdeling van (schaarse) woningen.

Bestreden Besluit, p. 3, (onderstr. College): “Deze breuk met het recente verleden is naar onze mening in strijd met onder meer de Hvw en het belang van een evenwichtige verdeling van woonruimte in de woningmarktregio, en daarmee in strijd met het belang van alle woningzoekenden in de regio.”

16

61

Zoals ook blijkt uit voornoemde brief, is dat juist de reden dat de Raad ons heeft geïnstrueerd een lokaal woonruimtebemiddelingssysteem voor te bereiden en (vervolgens) in te voeren. Zoals wij meermaals aan Gedeputeerde Staten hebben toegelicht, is op basis van het huidige systeem (lees: het regionale systeem zoals voortgezet door de (bevoegde gezagen van de) Verzoekende Gemeenten) geen sprake van een evenwichtige regionale verdeling van schaarse woningen, omdat dat systeem een onevenredige druk legt op de woningvoorraad van de Gemeente. Juist de huidige situatie schaadt dus de belangen van woningzoekenden in de Gemeente in onevenredig.

62

Op de argumenten die Gedeputeerde Staten aanvoeren om de vermeende schending van het belang van woningzoekenden te onderbouwen, hebben wij reeds gereageerd in deze brief van 31 oktober 2025. Gedeputeerde Staten hebben in het Bestreden Besluit slechts gedeeltelijk op die argumenten gereageerd c.q. daar rekening mee gehouden in het Bestreden Besluit. In het hiernavolgende zullen wij dan ook nogmaals toelichten waarom de door Gedeputeerde Staten aangevoerde argumenten niet maken dat sprake is van een onevenredige schending van de belangen van woningzoekenden.

63

Allereerst merken wij op dat er voor woningzoekenden geen verplichting bestaat zich bij meerdere woonruimtebemiddelingssystemen in te schrijven (en daarvoor dus kosten te maken). Uitsluitend woningzoekenden die zich wensten te vestigen in (een sociale huurwoning in) de Gemeente, zullen zich bij ons lokale woonruimtebemiddelingssysteem moeten inschrijven. Dit geldt zowel voor woningzoekenden afkomstig uit de Gemeente als voor alle andere woningzoekenden (zowel uit de Verzoekende Gemeenten als uit overige regio’s in het land).

64

Indien een woningzoekende ervoor kiest om zowel in de Verzoekende Gemeenten als in de Gemeente naar een sociale huurwoning te zoeken, dan zal inderdaad sprake zijn van een dubbele inschrijving. Dit geldt echter ook reeds nu al voor gevallen waarin een woningzoekende zich naast de Regiogemeenten ook in een buurgemeente wenst in te schrijven (en daar dus (ook) naar een woning wenst te zoeken). Onze buurgemeenten Zwijndrecht, Hendrik-Ido-Ambacht en Alblasserdam (Woonkeus Drechtsteden), Molenlanden (Woongaard), Krimpenerwaard (Wonen in de Krimpenerwaard), Krimpen aan de IJssel, Rotterdam en Barendrecht (Woonnet Rijnmond) zijn immers onderdeel van verschillende woonruimtebemiddelingssystemen.

65

Dit systeem, waarin woningzoekenden zelf kunnen kiezen in welke regio(’s) zij zich willen inschrijven, past juist goed bij het recht op vrije vestiging. De enkele noodzaak om bij verschillende woonruimtebemiddelingssystemen ingeschreven te staan, vormt slechts een minimale beperking van het recht op vrije vestiging, die alleszins proportioneel en redelijk is in de huidige omstandigheden. Dit in het bijzonder gelet op het feit dat deze dubbele inschrijving als gezegd een vrijwillige keuze van de woningzoekende is en dus in geen geval verplicht tot dubbele kosten leidt.

66

Wij erkennen dat woningzoekenden die zich zowel in de Gemeente als de Verzoekende Gemeenten willen inschrijven hogere kosten zullen (moeten) maken als gevolg van de invoering van een lokaal woonruimtebemiddelingssysteem in de Gemeente. Gelet op de relatief beperkte kosten die hiermee gemoeid zijn (EUR 29 voor de initiële inschrijving en EUR 25 voor de jaarlijkse verlenging) achten wij dit, zonder tekort te doen aan de waarde die dit bedrag voor de woningzoekenden vertegenwoordigt, echter niet een dusdanige belemmering of onevenredige belasting van woningzoekenden, dat dit opweegt tegen de voordelen die het invoeren van een

17

lokaal woonruimtebemiddelingssysteem voor de inwoners van de Gemeente oplevert. De disproportionele en exceptionele druk op de woningmarkt van de Gemeente, zoals onder meer toegelicht in paragraaf I.2, rechtvaardigt deze keuze en weegt op tegen de beperkte nadelige gevolgen daarvan. Daarbij benadrukken wij bovendien nogmaals dat het een vrijwillige keuze van de woningzoekende is om zich in meerdere systemen in te schrijven. 67

Ook de stelling van Gedeputeerde Staten dat woningzoekenden minder snel een passende woning zouden kunnen vinden,39 delen wij niet. Voor woningzoekenden met binding aan de Gemeente geldt per definitie juist dat zij sneller een passende woning zullen kunnen vinden. Daarnaast heeft het lokale bemiddelingssysteem slechts een beperkte impact op de overige woningzoekenden, nu het hierbij in absolute zin slechts om een beperkte groep gaat en (minimaal) 50% van de sociale huurwoningen in de Gemeente beschikbaar blijft voor vrije toewijzing zonder voorrang, gelet op het bepaalde in artikel 14 lid 2 en 4 van de Hvw 2014. Het lokale woonruimtebemiddelingssysteem van de Gemeente draagt dus juist bij aan het herstel van de thans verstoorde regionale verdeling van schaarse woningen. De Raad heeft na een gedegen belangenafweging geoordeeld dat de beperkte negatieve impact van het invoeren van een lokaal woonruimtebemiddelingssysteem op de belangen van woningzoekenden die niet aan de Gemeente verbonden zijn, niet opwegen tegen de grote positieve impact die dit lokale systeem zal hebben voor woningzoekenden die wél aan de Gemeente verbonden zijn alsmede de leefbaarheid in de Gemeente.

68

Gedeputeerde Staten hebben in het Bestreden Besluit verder opgemerkt dat de noodzaak van een lokaal woonruimtebemiddelingssysteem zou ontbreken, omdat uit de toewijzings-cijfers van de Maaskoepel zou blijken dat in de eerste helft van 2025 slechts 41% van het aantal verhuringen in de Gemeente wordt toegewezen aan woningzoekenden die voldoen aan een bindingseis, in plaats van de toegestane 50%. Allereerst willen wij in dat verband nogmaals opmerken dat het niet aan ons (noch de Raad) is om aan te tonen dat wij althans de Raad tot het invoeren van een lokaal woonruimtebemiddelingssysteem over mocht(en) gaan, maar aan Gedeputeerde Staten om (gemotiveerd) aan te tonen dat een zwaarwegend openbaar belang de Secundaire Aanwijzing vereist(e). Ten tweede willen wij hierbij (nogmaals) benadrukken dat de bindingseis waar de toewijzingscijfers van de Maaskoepel op zien, betrekking heeft op woningzoekenden met een binding aan de regio, terwijl wij (samen met de Raad) ons juist inzetten voor een systeem waarbij geen sprake is van binding aan de regio maar aan de Gemeente.

69

Ten derde, en bovenal, is in dit kader van belang dat Wooncompas momenteel verantwoordelijk is voor de toewijzing van het merendeel van de sociale huurwoningen in de Regiogemeenten. Wooncompas is geen voorstander van maximaal toewijzen met lokale binding als reden voorrang, zoals ook is uitgesproken tijdens de gesprekken over de Prestatieafspraken 2024-2027 met Wooncompas. Dat het maximale toewijzingspercentage op basis van maatschappelijke en/of economische binding niet wordt gehaald, is derhalve niet het gevolg van het feit dat daar geen vraag naar zou zijn (zoals Gedeputeerde Staten kennelijk menen), integendeel. Op basis van het lokale woonruimtebemiddelingssysteem zal maximaal worden toegewezen aan woningzoekenden met lokale binding aan de Gemeente en om dit te stimuleren is dit ook dwingend opgenomen in de Verordening 2026.40

39 40

Advies, p. 6. Verordening 2026, art. 2.2.7: “Bij de verlening van huisvestingsvergunningen wordt voor ten hoogste 50% (…) van de woonruimten (…) voorrang gegeven aan woningzoekenden die economisch gebonden of maatschappelijk gebonden zijn aan

18

Er is geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel 70

In het Advies hebben Gedeputeerde Staten aangevoerd dat het lokale woonruimtebemiddelingssysteem in strijd zou zijn het met grondwettelijke gelijkheidsbeginsel, omdat onderscheid wordt gemaakt tussen urgent-woningzoekenden die wel en urgent-woningzoekenden die (nog) niet twee jaar in de Gemeente hebben gewoond (lees: binding hebben met de Gemeente). Dit onderscheid zou, zo stellen Gedeputeerde Staten, niet door een wettelijke bepaling worden gerechtvaardigd.

71

Gedeputeerde Staten miskennen met deze (niet nader gemotiveerde) stellingname dat artikel 14 lid 1 van de Hvw 2014 expliciet de mogelijkheid biedt om bij de verlening van huisvestingsvergunningen voorrang te geven aan woningzoekenden die economisch of maatschappelijk gebonden zijn aan een gemeente. Indien al aangenomen moet worden dat er sprake is van een schending van het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel (hetgeen als gezegd niet nader is gemotiveerd door Gedeputeerde Staten in het Advies), is dit op basis van artikel 14 lid 1 Hvw 2014 een wettelijk toegestaan onderscheid. Bovendien geldt dat zelfs als al sprake zou zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel, Gedeputeerde Staten ook op geen enkele wijze hebben gemotiveerd waarom deze schending een dermate zwaarwegend openbaar belang zou schaden dat dit de Secundaire Aanwijzing zou vereisen. De vermeende schending van de belangen van woningzoekenden als zwaarwegend openbaar belang is onvoldoende gemotiveerd

72

Zoals blijkt uit het voorgaande worden de belangen van woningzoekenden niet onevenredig geschaad door het invoeren van een lokaal woonruimtebemiddelingssysteem. Maar, zelfs als aangenomen zou worden dat wel sprake is van een onevenredige schending van de belangen van woningzoekenden in de Gemeente en/of de Verzoekende Gemeenten, hebben Gedeputeerde Staten onvoldoende onderbouwd wat concreet de gevolgen van deze schending zouden zijn en waarom deze gevolgen c.q. schending als zodanig een zwaarwegend openbaar belang oplevert dat de Secundaire Aanwijzing vereist(e).

73

Zoals wij reeds in randnummer 41 uiteen hebben gezet, rust op Gedeputeerde Staten de verplichting om in het onderhavige geval te onderbouwen waarom zij in het onderhavige geval bevoegd zijn en genoodzaakt waren tot het opleggen van de Secundaire Aanwijzing. Uit het Bestreden Besluit blijkt niet waarom Gedeputeerde Staten tot de conclusie komen dat de vermeende schending van de belangen van woningzoekenden dusdanig grote impact heeft, dat sprake is van een zwaarwegend openbaar belang én dat dit belang hen noopt(e) tot ingrijpen in het democratisch gelegitimeerd proces binnen de Gemeente en de bestuurlijke autonomie van de Gemeente. Gedeputeerde Staten kunnen niet volstaan met het in abstracto benoemen van mogelijke gevolgen, in het bijzonder gelet op de (terecht) hoge drempel die artikel 99 van de Wgr voor het geven van een aanwijzing opwerpt. Evenwichtige regionale woonruimteverdeling als zwaarwegend openbaar belang

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/1239/documents/42803