Bestemmingsplan Woningbouw Hoek Rijksstraatweg / Lagendijk ter vaststelling.pdf
Tekst van het document
Rho adviseurs voor leefruimte
011603.20171424
34
Conclusie Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van 'spoortrajectnummer 203AB.2' en binnen de D zone van het worst case scenario (hitte) buisleidingen. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende worden beschouwd. Wel moet rekening gehouden worden dat de woningen geschikt zijn om enkele uren in te schuilen, denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Verder zijn geen risicovolle bronnen aanwezig in de omgeving die een belemmering vormen. De externe veiligheidssituatie in het plangebied is positief te noemen en vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
4.5
Kabels en leidingen
Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). Onderzoek en conclusie Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen of straalpaden aanwezig. Met aanwezige overige planologisch gezien niet‐relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) tussen de Rijksstraatweg en het plangebied hoeft in dit bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
4.6
Luchtkwaliteit
Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar‐ en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven. Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm Stof Toetsing van stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 24‐uurgemiddelde concentratie fijn stof (PM2,5)
jaargemiddelde concentratie
Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ 25 µg/m³
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
Rho adviseurs voor leefruimte
011603.20171424
35
Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Binnen het plangebied worden 15 woningen gebouwd. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het Besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse, en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL‐monitoringstool 2017 (http://www.nsl‐ monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort.
De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Rijksstraatweg. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen 22,0 µg/m³ voor NO2, 17,9 µg/m³ voor PM10 en 10,9 µg/m³ voor PM2,5. Het maximaal aantal overschrijdingsdagen van het 24‐uurs gemiddelde voor fijnstof bedraagt 6,3 dagen. Deze waardes liggen ruimschoots onder de grenswaarden. Hierdoor is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon‐ en leefklimaat.
4.7
Bodem
Beleid en normstelling Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek In geval van functiewijziging dient een verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd naar de bodemgesteldheid in het plangebied. De bestemming binnen het plangebied verandert van 'Agrarisch' naar 'Wonen'. Vanwege deze functiewijziging dient verkennend bodemonderzoek uitgevoerd te worden.
Rho adviseurs voor leefruimte
011603.20171424
36
Woningbouw Rijksstraatweg Voor de ontwikkeling aan de Rijksstraatweg is het bodemonderzoek is uitgevoerd door Milieutechnisch adviesbureau RSK Netherlands. Een volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 2. Uit het bodemonderzoek blijkt dat de algemene milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatse van de locatie Rijksstraatweg te Ridderkerk in voldoende mate is vastgelegd. De grond is plaatselijk (zeer) licht verontreinigd met cadmium. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. De resultaten geven geen aanleiding voor nader bodemonderzoek. De resultaten vormen geen belemmering voor de voorgenomen herontwikkeling van de locatie. Het onderzoek is uitgevoerd onder Kwalibo (onderdeel van het Besluit Bodemkwaliteit), hetgeen betekent dat het verkennend bodemonderzoek geen partijkeuring betreft. Voor het bepalen van definitieve hergebruiksmogelijkheden van vrijkomende en af te voeren grond is formeel een partijkeuring van de grond (AP04 keuring) conform de geldende richtlijnen van het Besluit Bodemkwaliteit noodzakelijk. Perceel tussen Lagendijk 180 en 182 Aan het braakliggende perceel tussen Lagendijk 180 en 182 wordt een bouwtitel toegekend. De agrarische activiteiten op het perceel kunnen tot bodemverontreiniging hebben geleid.
In het kader van de Wet milieubeheer moet een eindsituatie bodemonderzoek worden uitgevoerd ter plaatse van bodemverontreinigende activiteiten. Bij de aanvraag van de bouwvergunning zal een verkennend bodemonderzoek worden uitgevoerd. Conclusie Er wordt geconcludeerd dat het aspect bodem de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staat.
4.8
Water
Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits‐ en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europa: Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal: Nationaal Waterplan (NW) Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) Waterwet Provinciaal: Provinciaal Waterplan Provinciale Structuurvisie Verordening Ruimte
Rho adviseurs voor leefruimte
011603.20171424
37
Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma (WBP) (2016‐2021) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan. Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater bij voorkeur worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. De toename van verhard oppervlak leidt tot een zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem en leidt met regelmaat tot wateroverlast stroomafwaarts. Om de zwaardere belasting van het oppervlaktewatersysteem onder normale omstandigheden tegen te gaan is het brengen van hemelwater vanaf verhard oppervlak op het oppervlaktewaterlichaam specifiek vergunningplichtig gesteld. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak van 500 m² of meer in stedelijk gebied of 1.500 m2 of meer in landelijk gebied dient een vergunning aangevraagd te worden in het kader van de Keur.
De versnelde afvoer als gevolg van de toename aan verharding moet volledig worden gecompenseerd door het aanbrengen van een gelijkwaardige vervangende voorziening (compensatieplicht), met een oppervlakte van 10% van de toename van verharding. Het waterschap geeft in volgorde de voorkeur aan de volgende gelijkwaardige voorzieningen: 1. Nieuw te graven oppervlaktewater in de directe nabijheid van de verhardingtoename; 2. Nieuw te graven oppervlaktewater binnen hetzelfde peilgebied; 3. Nieuw te graven oppervlaktewater in het benedenstrooms gelegen peilgebied of een eventueel alternatief. Huidige situatie Algemeen In de huidige situatie bestaat het plangebied voornamelijk uit grasland dat agrarisch in gebruik is. Het plangebied bestaat hoofdzakelijk uit Kalkrijke poldervaaggronden; lichte klei. In het plangebied is sprake van grondwatertrap Vb. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand minder dan 0,40 meter beneden het maaiveld ligt en de gemiddeld laagste grondwaterstand 1,20 meter of lager beneden het maaiveld. Uit de watertoets (www.dewatertoets.nl) blijkt dat het plangebied op de grens van twee peilgebieden ligt. Ontwikkelingen op een peilvakscheiding vergen extra aandacht. In overleg met het waterschap moet gekeken worden of mogelijk aanpassingen van peilbesluiten nodig zijn. Waterkwantiteit Het plangebied is volledig onverhard.
In en rond het plangebied liggen geen primaire watergangen. Aan de zuidkant van het plangebied liggen watergangen zoals weergegeven in figuur 4.1. De watergangen hebben een beschermingszone van 1 meter. Watergang W20375 is een wegsloot met onderhoudsplicht van de Gemeente Ridderkerk. Watergang T49140 is overig water met onderhoudsplicht van het waterschap. Uit de watertoets (www.dewatertoets.nl) blijkt dat in de omgeving van het plangebied niet voldaan wordt aan de landelijke normen van het wateropgave Nationaal Bestuursakkoord Water.
Rho adviseurs voor leefruimte
011603.20171424
38
Figuur 4.1
Uitsnede legger oppervlaktewateren waterschap Hollandse Delta
Veiligheid en waterkeringen Het plangebied grenst aan de beschermingszone van een regionale waterkering (figuur 4.2). Het plangebied is binnendijks gelegen.
Figuur 4.2
Legger waterschap Hollandse Delta regio IJsselmonde (blad 26 en 27)
Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijk rioleringsstelsel.
Rho adviseurs voor leefruimte
011603.20171424
39
Toekomstige situatie Algemeen De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 14 woningen langs de Rijksstraatweg met bijbehorende ontsluiting en parkeergelegenheid en de mogelijkheid tot het bouwen van één woning langs de Lagendijk. Waterkwantiteit De oppervlakteverharding in de toekomstige situatie wordt geschat op circa 2.670 m2. Omdat de gronden in de huidige situatie onverhard zijn, betekent dit een toename van het verhard oppervlak van 2.670 m2. Deze toename dient te worden gecompenseerd met minimaal 10%. Daarnaast dient het dempen van wegsloot W20375 te worden gecompenseerd (circa 160 m2). Deze watercompensatie moet bij voorkeur geschieden in het plangebied zelf, of in een lager gelegen afwaterend peilgebied. Complicerende factor hierbij is dat het plangebied in twee verschillende peilgebied ligt waarbij één peilgebied een vast peil heeft en het andere peilgebied een wisselend zomer‐ en winterpeil heeft. Een deel van de compensatie wordt bewerkstelligd door de verlegging van de wegsloot. De sloot wordt omgeleid langs de noordrand van het perceel aan de Rijksstraatweg. Voor de aanleg van deze watergang dient een vergunning aangevraagd te worden op basis van de Keur. Overige te nemen maatregelen (o.a. aanleg waterpartij in de noordwesthoek van het perceel) worden in overleg met het waterschap uitgevoerd.
Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet‐ uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw‐ als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Bekeken zal moeten worden of deze toereikend is om de toekomstige extra afvoer van afvalwater te kunnen verwerken. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in‐) filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Wel dient rekening gehouden te worden met de regionale waterkering in de omgeving van het plangebied. Voor de aansluiting van de interne ontsluitingsweg op de Rijksstraatweg en het dempen van de wegsloot in de beschermingszone van de regionale waterkering dient een vergunning aangevraagd te worden op basis van de Keur.
Rho adviseurs voor leefruimte
011603.20171424
40
Watervergunning Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder watervergunning gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan‐ of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Voor de beoogde ontwikkeling dient voor de aanleg en het dempen van de watergangen en de aanleg van de nieuwe ontsluiting in de beschermingszone van de regionale waterkering, een vergunning aangevraagd te worden op basis van de Keur. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.
Wel dient voor de aanleg en het dempen van de watergangen en de aanleg van de nieuwe ontsluitingsweg in de beschermingszone van de regionale waterkering een vergunning aangevraagd te worden op basis van de Keur. De benodigde watercompensatie en de noodzaak tot aanpassing van het peilbesluit zal met het waterschap worden afgestemd.
4.9
Ecologie
Wet natuurbescherming Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier‐ en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier‐ en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura 2000‐gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Voor ieder Natura 2000‐gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn) opgesteld.
De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de Provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.
Rho adviseurs voor leefruimte
011603.20171424
41
Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn, soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn en de bescherming van overige soorten. De provincie kan ontheffing verlenen van de verboden voor overige soorten ofwel soorten van de lijst Nationaal beschermde soorten behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. In de provincie Zuid‐Holland geldt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud een vrijstelling voor een groot deel van de 'overig' beschermde soorten. Het betreft de meest algemene soorten amfibieën en zoogdieren. Voor de Europees beschermde soorten (Vogel‐ en Habitatrichtlijn) is er geen beleidsruimte en is de bescherming onveranderd. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur‐ of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur 4.3). Het dichtstbijzijnde Natura 2000‐gebied, Oude Maas, ligt op een afstand van circa 3,6 kilometer. Niet alle Natura 2000‐gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Natura 2000‐gebieden Oude Maas en Boezems Kinderdijk. Het meest nabijgelegen gebied met verzuringsgevoelige habitats betreft het Natura 2000‐gebied Biesbosch. De minimale afstand van dit Natura 2000‐gebied tot het plangebied bedraagt circa 12 kilometer.
Figuur 4.3
Natura 2000‐gebieden ten opzichte van het plangebied (bron: AERIUS Calculator)
Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Natuur Netwerk Nederland (NNN) (zie figuur 4.4). Het dichtstbijzijnde NNN gebied ligt op een afstand van circa 2,5 kilometer. Gezien de afstand worden effecten op het natuurnetwerk buiten beschouwing gelaten.
Rho adviseurs voor leefruimte
011603.20171424
42
Figuur 4.4
Ligging plangebied ten opzichte van NNN (bron: geo‐loket provincie Zuid‐Holland)
Het plangebied ligt niet in beschermde natuurgebieden. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen derhalve worden uitgesloten. Gezien de afstand kunnen tevens effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding worden uitgesloten. Vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten. Met het programma AERIUS Calculator is een berekening uitgevoerd. Uit de rekenresultaten blijkt dat voor zowel de aanleg‐ als de gebruiksfase geen sprake is van stikstofdeposities hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Significant negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten. De berekeningen en bijbehorende memo zijn bijgevoegd in Bijlage 7. Soortenbescherming Het plangebied is aan de hand van een veldbezoek op 28 juni 2018 door adviesbureau Mertens BV beoordeeld op het mogelijk voorkomen van beschermde plant‐ en diersoorten. Het rapport is opgenomen in Bijlage 3. Uit de quickscan blijkt het volgende. In verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels is het noodzakelijk om groen buiten het broedseizoen te verwijderen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Het plangebied bezit geen mogelijkheden voor vleermuizen en vogels met vaste rust‐ en verblijfplaatsen om er te verblijven. Mogelijk foerageren en vliegen er vleermuizen.
Gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven foerageren en vliegen. Er kunnen algemene nationaal beschermde amfibieën en overige zoogdieren aanwezig zijn. Voor deze algemene soorten bestaat een algemene vrijstelling in provincie Zuid‐Holland. Wel geldt de algemene zorgplicht.
Rho adviseurs voor leefruimte
011603.20171424
43
Op grond van de quickscan worden effecten op beschermde planten‐ en diersoorten uitgesloten. De plannen in de hoek Rijksstraatweg ‐ Lagendijk te Rijsoord zijn niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. Conclusie De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden of beschermde soorten. Op basis van de berekening zijn significante negatieve effecten op Natura 2000‐ gebied in de aanleg‐ en gebruiksfase uitgesloten. De ontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming. Wel is in verband met de aanwezigheid van algemene broedvogels noodzakelijk om groen buiten het broedseizoen te verwijderen of op een manier te werken dat de vogels niet tot broeden komen (vogelverschrikkers gebruiken). Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10
Archeologie
Toetsingskader De gemeente Ridderkerk heeft in september 2013 gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld. Op de 'archeologische waarden‐ en beleidskaart' van de gemeente heeft het grootste deel van het plangebied een 'redelijk hoge archeologische verwachting'. Dit betekent dat ontwikkelingen die dieper reiken dan 50 cm beneden maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 200 m2 beslaan, getoetst moeten worden op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Een klein gedeelte van het plangebied (strook langs de Lagendijk) heeft een 'hoge archeologische verwachting'. Voor dit deel geldt dat ontwikkelingen die dieper reiken dan 50 cm beneden het maaiveld en die tevens een terreinoppervlakte van meer dan 100 m2 beslaan, getoetst moeten worden op de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Onderzoek Woningbouw Rijksstraatweg Voor de ontwikkeling aan de Rijksstraatweg is een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd door SOB Research. Een volledige rapportage van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Uit het onderzoek volgt dat de voorgenomen ontwikkeling niet zal leiden tot aantasting van behoudenswaardige archeologische resten. Archeologisch vervolgonderzoek wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Hoewel het heipalenplan nog niet bekend is, wordt ervan uitgegaan dat de heipalen een relatief beperkte oppervlakte zullen beslaan en dat de afstand tussen de heipalen voldoende zal zijn om hier ook in de toekomst nog archeologisch onderzoek te kunnen uitvoeren. het aanbrengen van heipalen wordt daarom niet beschouwd als een significante bodemverstoring. Perceel tussen Lagendijk 180 en 182 De archeologische dubbelbestemming is overgenomen uit het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied'. Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen zal een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd indien de oppervlakte‐ en dieptemaat worden overschreden. Conclusie Het aspect archeologie staat de ontwikkeling niet in de weg. Voor eventuele vondsten geldt een meldingsplicht, zoals aangegeven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet.
Rho adviseurs voor leefruimte
011603.20171424
44
4.11
Bezonningsstudie
Toetsingskader Er is geen wet‐ en regelgeving voor bezonning. De meeste gemeenten hanteren de TNO‐norm. Andere gemeenten hebben eigen beleid. Bezonningsdiagrammen geven inzicht in de bezonning van de gevels en (extra) schaduw op de omgeving. TNO‐norm / gemeentelijk beleid TNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm: De 'lichte' TNO‐norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden ) in midden vensterbank binnenkant raam. De 'strenge' TNO‐norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers ‐ hoogbouw of niet ‐ nooit direct zonlicht. Toetsing Naar aanleiding van enkele zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan met betrekking tot schaduwhinder voor de woningen aan de Lagendijk 182 en 184 is besloten een bezonningsstudie uit te voeren. Dit onderzoek is toegevoegd in Bijlage 6. In dit onderzoek is voor de dagen 21 maart, 21 juni, 21 september en 21 december op meerdere tijdstippen per dag uitgezocht wat de effecten van de nieuwbouw zijn op de omliggende woningen.
Uit dit onderzoek blijkt dat zelfs de strengste TNO‐norm met betrekking tot bezonningsuren (minimaal 3 bezonningsuren gedurende 10 maanden in het midden van de vensterbank) voor alle omliggende woningen, Lagendijk 182 en 184 in het bijzonder, ruim gehaald worden. Conclusie Uit de bezonningsstudie blijkt dat de effecten van de nieuwbouw met betrekking tot schaduwhinder op de omliggende woningen, de Lagendijk 182 en 184 in het bijzonder, beperkt blijven tot enkele uren per dag. De strengste TNO‐norm (minimaal 3 bezonningsuren gedurende 10 maanden in het midden van de vensterbank) wordt ruim behaald. Vanuit de ruimtelijke ordening en gebruikelijke normen is er daarom sprake van een verantwoorde situatie.
4.12
Vormvrije‐mer
Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planmer‐plichtig, projectmer‐plichtig of mer‐beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG‐richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: de kenmerken van de projecten; de plaats van de projecten; de kenmerken van de potentiële effecten. In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer‐beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De realisatie van 15 woningen blijft ruim onder de drempelwaarde.
Rho adviseurs voor leefruimte
011603.20171424
45
Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan ‐ ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft ‐ mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een 'vormvrije' mer‐beoordeling. Toetsing Het plan omvat de realisatie van 14 woningen langs de Rijksstraatweg en de mogelijkheid tot het bouwen van één woning aan de Lagendijk te Rijsoord. Het plangebied ligt niet in een gevoelig gebied, zoals een Natura 2000‐gebied of het Nederlands Natuurnetwerk. De locatie ligt temidden van de lintbebouwing langs respectievelijk de Rijksstraatweg en de Lagendijk. De plaats van het plan rechtvaardigt geen MER. De realisatie van maximaal 15 woningen op een 'restperceel' in de lintbebouwing langs de twee dijken heeft geen belangrijke uitstraling van milieueffecten naar de omgeving. Te verwachten effecten hangen samen met effecten op de waterhuishouding, archeologische vondsten en afname van leefgebied voor soorten die voorkomen in het semi‐agrarische gebied.
Gezien het huidige gebruik van het gebied (voornamelijk woningen met enkele bedrijven, kassen en een horecavoorziening) en de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn er geen effecten die een MER rechtvaardigen. Bij de toetsing aan de milieu‐ en omgevingsaspecten in de vorige paragrafen is nader ingegaan op de effecten van de ontwikkeling op het milieu en op de omgeving. Conclusie Gelet op de aard en relatieve omvang van het plan, de plaats hiervan en de kenmerken van de potentiële effecten kan worden geconcludeerd dat hiermee geen belangrijke negatieve milieugevolgen aan de orde zijn die een milieueffectrapportage rechtvaardigen.
Rho adviseurs voor leefruimte
011603.20171424
46
Rho adviseurs voor leefruimte
011603.20171424
47
Hoofdstuk 5
5.1
Juridische planopzet
Algemeen
Dit bestemmingsplan vormt het juridische kader voor het plangebied. Op basis van dit bestemmingsplan zal de beoogde ontwikkeling zonder verdere uitwerking van de bestemmingen of andere planologisch‐ juridische procedures kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast vervult het plan, na realisatie van de functiewijziging een belangrijke beheer‐ en gebruiksfunctie. Het bestemmingsplan is in lijn met het vigerende bestemmingsplan 'Buitengebied' en voldoet aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).
5.2
Opbouw regels
De juridische regeling bestaat uit vier hoofdstukken. Het eerste hoofdstuk bevat de definities van begrippen, die voor het algemene begrip, de leesbaarheid en uitleg van het plan van belang zijn en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan (zie paragraaf 5.3). Het derde hoofdstuk gaat in op de algemene bepalingen. De overgangs‐ en slotbepalingen maken onderdeel uit van het vierde hoofdstuk.
5.3
De bestemmingen
Groen Ter verduidelijking van waar parkeerplaatsen, water, speelvoorzieningen kunnen worden opgenomen en om enige rechtszekerheid te bieden naar de omwonenden ten aanzien van bebouwing behorende bij 'Wonen' is de bestemming 'Groen' opgenomen op de verbeelding. Hierin wordt de watercompensatie gerealiseerd. Ook is de aanduiding 'speelvoorziening' opgenomen om aan te geven waar de speelvoorziening gerealiseerd mag worden. De maximale bouwhoogte is 3 meter. Het is niet mogelijk om parkeervoorzieningen op te richten in deze bestemming. Tuin Op de gronden waar erfbebouwing niet wenselijk is, is de bestemming 'Tuin' opgenomen. Dit geldt alleen voor de voortuin van het perceel tussen Lagendijk 180 en 182. De rooilijn en de tuinbestemming van het perceel ten noorden van het plangebied zijn in zuidelijke richting doorgetrokken. Erfafscheidingen en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegestaan. Grenzend aan de voorgevels van aanliggende woningen zijn tevens (delen van) erkers binnen deze bestemming toegestaan. Verkeer Teneinde de nieuwe ontsluiting van het plangebied aan de Rijksstraatweg mogelijk te maken is de vigerende groenbestemming in de zuidwesthoek van het plangebied aangepast in een verkeersbestemming. Deze bestemming sluit zowel aan op de verkeersbestemming aan de westzijde (ontsluiting perceel Rijksstraatweg 102c) als aan de oostzijde (parkeerterrein en bushalte).
Rho adviseurs voor leefruimte
011603.20171424
48
Wonen ‐ 1 De nieuwe woning op het perceel tussen Lagendijk 180 en 182 is voorzien van de passende bestemming 'Wonen ‐ 1' (vrijstaande woningen). Binnen deze bestemming is een bouwvlak toegekend waarbinnen het hoofdgebouw is toegestaan. Voor de woning geldt een maximale inhoudsmaat van 650 m3. De bestemming biedt daarnaast ruimte tot het realiseren van bijbehorende gebouwen, tuinen en erven. Daarnaast zijn er in de regels bepalingen opgenomen ten aanzien van de goothoogte van de woning, afstand tot de perceelsgrens en maximale diepte van het hoofdgebouw. Naast de woonfunctie is beroepsuitoefening aan huis onder bepaalde voorwaarden toegestaan. Wonen ‐ 2 Overeenkomstig de woningen aan de westzijde van het perceel is de beoogde woningbouwontwikkeling aan de Rijksstraatweg voorzien van de bestemming 'Wonen ‐ 2' (woningen in de linten). Binnen deze bestemming is een groot bouwvlak toegekend waarbinnen 14 woningen zijn toegestaan. Er is één vrijstaande woning aangeduid in de verbeelding en regels. Binnen deze aanduiding mag een vrijstaande woning gerealiseerd worden. Daarbij is ook een voorgevelrooilijn aangegeven om de woning enigzins te fixeren in relatie tot de woningen aan de Lagendijk 182 en 184. Voor de woningen geldt een maximale inhoudsmaat van 500 m3.
De bestemming biedt daarnaast ruimte tot het realiseren van bijbehorende gebouwen, parkeervoorzieningen, tuinen, erven en een ontsluitingsweg. Daarnaast zijn er in de regels bepalingen opgenomen ten aanzien van de goothoogte van de woning, afstand tot de perceelsgrens en maximale diepte van het hoofdgebouw. Naast de woonfunctie is beroepsuitoefening aan huis onder bepaalde voorwaarden toegestaan. Waarde ‐ Archeologie 3/ Waarde ‐ Archeologie 4 Ter bescherming van de archeologische waarden die mogelijk in het gebied voorkomen, zijn de dubbelbestemmingen 'Waarde ‐ Archeologie 3' en 'Waarde ‐ Archeologie 4' opgenomen, afgestemd op het gemeentelijk archeologiebeleid. Voor deze gronden geldt dat bouwen en een aantal genoemde werken en werkzaamheden, waarbij archeologische waarden in het geding kunnen zijn, slechts mogelijk zijn na voorafgaande toetsing door het bevoegd gezag aan de archeologische waarden. Belangrijk hierbij is dat uitgegaan wordt van het huidige maaiveld, dus voor een eventueel noodzakelijke ophoging. Waterstaat ‐ Waterkering In verband met de aanwezigheid van een waterkering aan de zuidkant van het plangebied is op een klein deel van de verkeersbestemming de dubbelbestemming 'Waterstaat ‐ Waterkering' gelegd.
Het dijklichaam wordt door middel van de dubbelbestemming 'Waterstaat – Waterkering' beschermd terwijl de binnenste beschermingszone van de dijk beschermd wordt door de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone ‐ dijk'. De bescherming van de dijk en de binnenste beschermingszone is vormgegeven door een beperking van de ter plaatse geldende bouwregels. Een aanvullende bescherming wordt geboden door het Keur van het waterschap Hollandse Delta.
5.4
Aanduidingen
'overige zone ‐ nieuw reyerwaard' De gebiedsaanduiding 'overige zone ‐ nieuw reyerwaard' is vervallen omdat binnen het plangebied niet langer gronden zijn opgenomen met de bestemming 'Agrarisch'. 'vrijwaringszone ‐ dijk' De binnenste beschermingszone van de dijk wordt beschermd door de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone ‐ dijk'. De bescherming van de dijk en de binnenste beschermingszone is vormgegeven door een beperking van de ter plaatse geldende bouwregels.
Rho adviseurs voor leefruimte
011603.20171424
49
Hoofdstuk 6
6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. Het beoogde bouwplan betreft een particulier initiatief. Voor het kostenverhaal wordt een anterieure overeenkomst opgesteld tussen de gemeente en de initiatiefnemer. In deze overeenkomst wordt geregeld op welke wijze de kosten verdeeld zijn en welke ten laste van de initiatiefnemer komen. Omdat het verhaal van de kosten via een anterieure overeenkomst wordt geregeld is een exploitatieplan niet nodig.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Communicatie met omwonenden en belanghebbenden Op 26 juni 2016 is het plan gepresenteerd in het wijkoverleg. Het plan werd positief ontvangen door het wijkoverleg. De gekozen stedenbouwkundige en architectonische aanpak werd gewaardeerd. Omwonenden en belanghebbenden zullen tijdens een inloopavond worden geïnformeerd over de plannen voor de woningbouw aan de Rijksstraatweg/ Lagendijk. Inspraak Op grond van de gemeentelijke inspraakverordening zijn belanghebbenden in de gelegenheid gesteld een inspraakreactie in te dienen op het voorontwerpbestemmingsplan 'Woningbouw hoek Rijksstraatweg/ Lagendijk'. Het voorontwerpbestemmingsplan heeft van 6 december 2018 tot en met 16 januari 2019 ter inzage gelegen. Tijdens de termijn zijn zes inspraakreacties ingediend. De inspraakreacties zijn samengevat in de 'Nota beantwoording inspraak en overleg' (zie Bijlage 5). De inspraakreacties hebben geleid tot aanpassing van het plan. De verkaveling is aangepast en de buitenruimte is anders gesitueerd. Daarnaast is de ontsluiting voor langzaam verkeer richting Lagendijk uit het plan verwijderd en is het akoestisch onderzoek aangevuld.
Rho adviseurs voor leefruimte
011603.20171424
50
Vooroverleg Gelijktijdig met de terinzagelegging is het voorontwerpbestemmingsplan op grond van artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voor vooroverleg toegezonden aan het Waterschap Hollandse Delta, Veiligheidsregio VRR en de provincie Zuid-Holland. De reacties van deze overleginstanties zijn samengevat en beantwoord in de 'Nota beantwoording inspraak en overleg' (zie Bijlage 5). Naar aanleiding van de reactie van het waterschap is het ontwerp van de buitenruimte aangepast. Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan ‘Woningbouw hoek Rijksstraatweg/ Lagendijk’ heeft gedurende zes weken ter inzage gelegen vanaf 5 juni 2020 tot en met 16 juli 2020. Belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze in te dienen. Er zijn in totaal 4 zienswijzen binnengekomen. In zijn totaliteit zijn er vijf wijzigingen doorgevoerd aan toelichting, planregels en verbeelding aan de hand van de zienswijzen. Ook zijn er vier ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. De nota zienswijzen is opgenomen in Bijlage 8. Twee zienswijzen zijn ingetrokken op 16 maart 2021. Aanleiding was het sluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer en het naburige bedrijf. Het bestemmingsplan is wel aangepast naar aanleiding van deze twee zienswijzen. Om die reden zijn ze niet verwijderd, maar is wel opgenomen dat ze zijn ingetrokken.
Vaststelling De gemeenteraad is het bevoegd gezag voor de vaststelling van het plan. Na vaststelling ligt het plan nog eenmaal gedurende zes weken ter inzage; de beroepstermijn.
Rho adviseurs voor leefruimte
011603.20171424
bijlagen bij de Toelichting
Bijlage 1 Akoestisch industrielawaai
Rho adviseurs voor leefruimte
onderzoek
wegverkeerslawaai
en
011603.20171424
Ridderkerk Woningbouw hoek Rijksstraatweg / Lagendijk Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai en industrielawaai
Ridderkerk Woningbouw hoek Rijksstraatweg / Lagendijk
akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai en industrielawaai
identificatie
Planstatus
projectnummer:
datum:
059748.20151634.00
27‐06‐2019
projectleider:
Drs. M. van der Meulen auteur(s):
ing. M. de Loos dr.ir. W. Soede ing. P. Dijkgraaf
Delftseplein 27b
aangesloten bij:
RBOI - Rotterdam postbusbv150 Delftseplein 27b 3000 AD Rotterdam Postbus 150 T: 010-20 18 555 3000 AD Rotterdam telefoon (010) E-mail: 201 85info@rho.nl 55 E-mail: info@rboi.nl
© Rho Adviseurs bv Niets uit dit drukwerk mag door anderen dan de opdrachtgever worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande toestemming van Rho Adviseurs bv, behoudens voorzover dit drukwerk wettelijk een openbaar karakter heeft gekregen. Dit drukwerk mag zonder genoemde toestemming niet worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd.
Inhoud
1. 2.
3.
4.
5.
6.
Inleiding
3
Toetsingskader
5
2.1. 2.2. 2.3.
Wegverkeerslawaai Industrielawaai Gemeentelijk geluidsbeleid
5 6 8
Uitgangspunten wegverkeerslawaai
9
3.1. 3.2. 3.3.
Rekenmethodiek en invoergegevens Verkeersgegevens Ruimtelijke gegevens
9 9 10
Berekeningsresultaten wegverkeerslawaai
13
4.1. 4.2.
13 15
Uitgangspunten industrielawaai
19
5.1. 5.2. 5.3.
19 20 22
Algemeen Representatieve bedrijfssituatie glastuinbouwbedrijf Van der Pol Representatieve bedrijfssituatie handelsbedrijf G.A. van der Waal
Berekeningsresultaten industrielawaai
23
6.1.
23 23 25 26 26 26
6.2.
7.
Geluidsbelasting gezoneerde wegen Geluidsreducerende maatregelen
Tuinbouwbedrijf Van der Pol 6.1.1. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau 6.1.2. Maximale geluidsniveaus Handelsbedrijf Van der Waal 6.2.1. Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau 6.2.2. Maximale geluidsniveaus
Conclusies en aanbevelingen
29
Bijlagen: 1. 2. 3. 4. 5.
Invoergegevens weg Invoergegevens industrielawaai Resultaten wegverkeer Cumulatie Resultaten industrielawaai
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
059748.20151634.00
2
Inhoud
059748.20151634.00
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
3
1. Inleiding
Aan de Rijksstraatweg en Lagendijk in Ridderkerk is een woningbouwontwikkeling voorzien. Figuur 1.1. geeft de locatie weer. Het plan voorziet in 14 woningen aan de Rijksstraatweg. Daarnaast wordt moge‐ lijke en extra woning gerealiseerd op het perceel Lagendijk 180. Ter plaatse zijn nu landbouwgronden gelegen. Omdat woningen geluidsgevoelige bestemmingen zijn en binnen de geluidszones van wegen liggen, is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai noodzakelijk. Daarnaast komen de woningen in de nabij‐ heid van een aantal bedrijven te liggen. Ook om deze reden is akoestische onderzoek noodzakelijk.
Figuur 1.1
Situering wegen en ligging plangebied
Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidszone van het rangeerterrein Kijfhoek.
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
059748.20151634.00
4
Inleiding
059748.20151634.00
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
2. Toetsingskader
2.1.
Wegverkeerslawaai
Wettelijke geluidszone Langs alle wegen met uitzondering van de 30 km/u‐wegen bevinden zich op grond van de Wet geluid‐ hinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg aan bepaalde wettelijke nor‐ men dient te voldoen. De breedte van een geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de stedelijke of buitenstedelijke ligging. De breedte van een geluidszone van een weg is in tabel 2.1 weerge‐ geven. Tabel 2.1 Schema zonebreedte aan weerszijden van de weg volgens artikel 74 Wgh aantal rijstroken 5 of meer 3 of 4 1 of 2
breedte van de geluidszone (in meters) buitenstedelijk gebied stedelijk gebied 600 350 400 350 250 200
De breedte van de geluidszone wordt hierbij gemeten vanaf de binnenzijde van de kantstreep van de buitenste rijstrook (aan weerszijden van de weg). In artikel 1 van de Wgh zijn de definities opgenomen van stedelijk en buitenstedelijk gebied. Deze definities zijn van toepassing op zowel wegen als geluidge‐ voelige bestemmingen en luiden: stedelijk gebied: het gebied binnen de bebouwde kom met uitzondering van het gebied binnen de zone van een autoweg of autosnelweg; -
buitenstedelijk gebied: het gebied buiten de bebouwde kom, alsmede het gebied binnen de be‐ bouwde kom voor zover gelegen binnen de zone van een autoweg of autosnelweg.
Wegen die geen zone hebben en waarop de Wgh niet van toepassing is, zijn: wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied; -
wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/u geldt.
In onderstaande tabel is aangegeven binnen welke geluidszones de nieuwe geluidsgevoelige bestemmin‐ gen liggen. Tabel 2.2 Geluidszones wegverkeer weg aantal rijstroken A15 – A16 6 Lagendijk 2 Rijksstraatweg 2
ligging buitenstedelijk stedelijk stedelijk
omvang geluidszone 600 m 200 m 200 m
Op grond van tabel 2.2 blijkt dat de ontwikkeling binnen de wettelijke geluidszone van de Rijksweg A15 en A16 ligt. Hoewel deze wegen zijn opgenomen in de Regeling geluidplafondkaart milieubeheer (Rgm),
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
059748.20151634.00
6
Toetsingskader
waardoor de bronnen onder hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer (Wm) vallen, is hier sprake van reali‐ satie van nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de zone van wegen en dient getoetst te worden aan de Wgh. De broninformatie voor de berekeningen wordt ontleend aan het geluidsregister zoals bedoeld in artikel 3.8 lid 2 en 3 van het Reken‐ en meetvoorschrift geluid 2012 (RMG 2012). Grenswaarden De ten hoogste toelaatbare waarde ingevolge de Wgh voor nieuwe geluidgevoelige bestemmingen in ste‐ delijk gebied bedraagt 48 dB. De maximale ontheffingswaarde ingevolge de Wgh bedraagt voor stedelijk gebied 63 dB en 53 dB voor buitenstedelijk gebied. Hogere grenswaarden Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat de ten hoogste toelaatbare waarde wordt overschreden, is on‐ derzoek naar doelmatige geluidsreducerende maatregelen noodzakelijk, gericht op het verminderen van de geluidsbelasting op de gevel. Onderscheid wordt gemaakt in maatregelen aan de bron (bijvoorbeeld geluidsreducerend asfalt) of maatregelen in het overdrachtsgebied (bijvoorbeeld geluidsschermen). Zijn deze maatregelen niet mogelijk, niet gewenst of niet doeltreffend, dan kan het college van Burgemeester en Wethouders onder bepaalde voorwaarden hogere waarden vaststellen.
Hierbij is ook een aanvullend onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de gevel nodig om het geluidsniveau in de woning als gevolg van wegverkeerslawaai te toetsen. Artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden betreffen waarden inclusief aftrek conform artikel 110g van de Wgh. Dit artikel houdt in dat een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het verkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen. Conform artikel 3.4 uit het RMG 2012 geldt voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer een aftrek van: 4 dB voor situaties met een geluidsbelasting van 57 dB zonder aftrek volgens art. 110g Wgh. 3 dB voor situaties met een geluidsbelasting van 56 dB zonder aftrek volgens art. 110g Wgh; 2 dB voor andere waarden van de geluidsbelasting. Voor de overige wegen bedraagt de toegestane aftrek 5 dB. Ten behoeve van de beoordeling aan het Bouwbesluit met betrekking tot het binnenniveau mag de aftrek conform art. 110g Wgh niet worden toe‐ gepast.
2.2.
Industrielawaai
Om de belangenafweging tussen een goed woon‐ en leefklimaat en de bedrijfsvoering goed mee te nemen wordt voor dit plan gebruik gemaakt van de VNG‐publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze uitgave is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden en mili‐ eunormen die gehanteerd worden voor gevoelige functies. Voor de grenswaarden wordt aangesloten op de toetsingskader zoals deze in de VNG‐publicatie is opgenomen (Bijlage 5.3). Gebiedstypering De VNG‐publicatie hanteert twee soorten omgevingstypen. Een rustige woonwijk en een gemengd ge‐ bied, voor beide omgevingstypen gelden andere richtafstanden en grenswaarden. De definitie van een rustige woonwijk/ rustig buitengebied is: “Een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voor‐ zieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven kantoren) voor. Langs de randen (in de over‐ gang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.“
059748.20151634.00
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
Toetsingskader
7
De definitie van een gemengd gebied is: “Een gebied met een matige tot sterkt functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrari‐ sche en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype ge‐ mengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstan‐ den en hogere milieunormen rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten meestal bepalend.“ Het plangebied is gelegen langs de hoofdinfrastructuur en kent een relevante geluidbelasting ten gevolge van het verkeer op de Rijksstraatweg en de A15/A16. Daarnaast zijn in de omgeving diverse bedrijven gevestigd. Om deze redenen wordt het plangebied beschouwd als onderdeel van een ‘gemengd gebied’. Stappenplan De VNG‐publicatie stelt voor de ruimtelijke afweging van een nieuwe bestemming het volgende stappen‐ plan voor. Stap 1 Indien de richtafstand voor het aspect geluid niet wordt overschreden, kan verdere toetsing voor geluid in principe achterwege blijven.
Stap 2 Indien stap 1 niet toereikend is: Bij een geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen in gebiedstype gemengd gebied van maximaal: 50 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; 70 dB(A) maximale geluidsniveau (piekgeluiden). In gemengd gebied bedraagt de grenswaarde voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau 50 dB(A), terwijl voor het maximale geluidniveau een grenswaarde van 70 dB(A) mag worden gehanteerd. Stap 3 Indien stap 2 niet toereikend is: Bij een geluidsbelasting op woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen in gebiedstype gemengd gebied van maximaal: 55 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; 70 dB(A) maximale geluidsniveau (piekgeluiden, exclusief aan‐ en afrijdend verkeer). Bij toepassing van stap 3 dient het bevoegd gezag te motiveren waarom het deze geluidsbelasting in de concrete situatie acceptabel wordt geacht, waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluidsbelasting moet worden betrokken. Stap 4 Bij een hogere geluidsbelasting dan aangegeven in stap 3 zal buitenplanse inpassing doorgaans niet mo‐ gelijk zijn. Indien het bevoegd gezag niettemin tot inpassing wil overgaan , dient het dit grondig te onder‐ zoeken, onderbouwen en motiveren waarbij tevens de cumulatie met eventueel reeds aanwezige geluids‐ belasting moet worden betrokken.
Activiteitenbesluit Naast toetsing van het woon‐ en leefklimaat van de te realiseren woningen volgens het bovengenoemd stappenplan, moet tevens worden onderzocht of de omliggende inrichtingen niet worden belemmerd in de bedrijfsvoering als gevolg van deze wijzigingen. Voor de betreffende inrichtingen is het Activiteitenbe‐ sluit van kracht. In tabel 2.3 zijn de grenswaarden weergegeven zoals deze in het Activiteitenbesluit zijn
Rho adviseurs voor leefruimte. vestiging Rotterdam
059748.20151634.00
8
Toetsingskader
opgenomen, met dien verstande dat in het Activiteitenbesluit diverse geluidsoorten waaronder stemge‐ luid uitgesloten worden van toetsing. Tabel 2.3 Grenswaarden Activiteitenbesluit etmaalperiode langtijdgemiddelde beoor‐ delingsniveau (LAr,LT) dagperiode (7:00 ‐ 19:00u)* 50 dB(A)
maximale geluidniveau (LA,max) 70 dB(A)
avondperiode (19:00 ‐ 23:00u)*
45 dB(A)
65 dB(A)
nachtperiode (23:00 – 7:00u)*
40 dB(A)
60 dB(A)
* voor een glastuinbouwbedrijf in een glastuinbouwgebied gelden de volgende afwijkende periodes: dagperiode: 6:00 – 19:00u avondperiode: 19.00 – 22.00u nachtperiode: 22.00 – 6.00u
2.3.
Gemeentelijk geluidsbeleid
De gemeente Ridderkerk maakt deel uit van de agglomeratie Rotterdam/Dordrecht, waarvoor in 2012 een geluidsbelastingskaart en bijbehorend actieplan is opgesteld. In het actieplan spreekt de gemeente de ambitie uit het binnenstedelijk wegverkeerslawaai aan te pakken door toepassing van stillere wegdek‐ ken. Het plan gaat echter alleen in op woningen met een geluidsbelasting boven een plandrempel van 63 dB. De Rijksstraatweg en Lagendijk worden expliciet genoemd als wegen met 58 respectievelijk 29 wonin‐ gen die boven de plandrempel komen, en waarvoor een stiller wegdek wordt overwogen. Voor het vaststellen van een hogere grenswaarde heeft de gemeente Ridderkerk (vooralsnog) geen beleid opgesteld.
059748.20151634.00
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
9
3. Uitgangspunten wegverkeerslawaai
3.1.
Rekenmethodiek en invoergegevens
De geluidsberekeningen voor wegverkeerslawaai zijn uitgevoerd volgens het RMG 2012 in het rekenpro‐ gramma Geomilieu versie 4.50.
3.2.
Verkeersgegevens
Gegevens Rijkswegen A15 en A16 De gegevens van de Rijkswegen A15 en A16 zijn ontleend aan het geluidregister, zoals bedoeld in de Re‐ geling geluid milieubeheer. In het geluidregister zijn gegevens opgenomen omtrent het aantal motorvoer‐ tuigen per categorie, de representatief te achten snelheid per categorie, het type wegdek, afschermende objecten zoals geluidsschermen en de plafondcorrectiewaarde. De driedimensionale ligging van de A15 en A16 is onveranderd overgenomen uit het geluidregister. In het geluidsregister is opgenomen dat de A15 en A16 zijn voorzien van geluidreducerend asfalt in de vorm van enkellaags ZOAB. Voor de A15 en A16 is een snelheid van 100 km/u voor lichte voertuigen en 80 km/u voor middelzware en zware voertuigen opgenomen. Voorts is op basis van het geluidregister gerekend met een plafondcorrectiewaarde van 1,5 dB als bedoeld in de Regeling geluid milieubeheer. Alle invoergegevens zoals hierboven bedoeld zijn te raadplegen op de website van het geluidregister: http://www.rws.nl/geotool/geluidsregister.aspx. Gegevens overige wegen De gemeente Rotterdam heeft de gegevens van wegen verstrekt door middel van het toezenden van de Regionale Verkeersmilieukaart (2030). De verkeersgegevens van de Lagendijk en de Rijksstraatweg zijn hieraan ontleend. De maximumsnelheid op de Lagendijk en de Rijksstraatweg bedraagt 50 km/u. Tabel 3.1 wegvak
Verkeersintensiteiten (mvt/etmaal) afgerond op 50‐tallen, maximumsnelheid en wegdek verkeersintensiteit 203 maximumsnelheid wegdekverharding (mvt/weekdagetmaal) (km/uur) A16 187.600 100 Zoab A15 125.100 100 Zoab Op‐ en afritten 97.400 100 Zoab Lagendijk 1.750 50 DAB Rijksstraatweg 6.750 ‐ 7.500 50 DAB* * gaat direct ten zuidoosten van de locatie over in een dunne deklaag type b Voertuigcategorieën De motorvoertuigen worden verdeeld in drie categorieën: 1. lichte voertuigen (voornamelijk personenauto's); 2. middelzware voertuigen (middelzware vrachtauto's en bussen); 3. zware voertuigen (zware vrachtauto's).
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
059748.20151634.00
10
Uitgangspunten wegverkeerslawaai
De voertuigverdeling van het verkeer op de niet‐rijkswegen is gebaseerd op de aangeleverde gegevens en zijn opgenomen in het akoestisch model. De (gemiddelde) voertuigverdeling gedurende de dag‐, avond‐ en nachtperiode is weergegeven in tabel 3.2. Tabel 3.2 Voertuigverdeling Wegvak Dagperiode %uur/%lv/%mv/%zv A15, A16 en op‐ en div. afritten Lagendijk 6,41/93,52/3,24/3,24 Rijksstraatweg 6,41/94,01/3,59/2,40
avondperiode %uur/%lv/%mv/%zv div.
nachtperiode %uur/%lv/%mv/%zv div.
3,67/95,46/2,27/2,27 3,67/95,82/2,51/1,67
1,05/90,10/4,95/4,95 1,05/90,83/5,50/3,67
lv: lichte motorvoertuigen; mv: middelzware motorvoertuigen; zv: zware motorvoertuigen.
3.3.
Ruimtelijke gegevens
In het akoestisch onderzoek is uitgegaan van de verkavelingsopzet zoals weergegeven op figuur 3.1 (versie 28 mei 2019). Voor de bouwhoogte is uit conform het woningontwerp uitgegaan van 9,2 meter.
Figuur 3.1
Geprojecteerde woningen aan de Rijksstraatweg
Tevens wordt rekening gehouden met de realisatie van een nieuwe woning op het perceel Lagendijk 180, zie rode bouwvlak op figuur 3.1 In het overdrachtsgebied is in alle berekeningen rekening gehouden met harde (factor 0) en zachte (factor 1) bodemgebieden, afscherming en reflectie van omliggende bebouwing. Bodemgebieden in het model
059748.20151634.00
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
Uitgangspunten wegverkeerslawaai
11
zijn als volgt aangeduid: rond het bouwplan met 0,7, bij de rijksweg met 0,5, overig 1,0. De standaardbo‐ demfactor is 0 (hard). In bijlage 1 zijn de invoergegevens opgenomen. In figuur 3.2 is de ligging van het plan en de toetspunten weergegeven.
Figuur 3.3. Uitsnede model wegverkeerslawaai, ligging toetspunten
Rho adviseurs voor leefruimte. vestiging Rotterdam
059748.20151634.00
12
Uitgangspunten wegverkeerslawaai
059748.20151634.00
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
13
4. Berekeningsresultaten wegverkeerslawaai
4.1.
Geluidsbelasting gezoneerde wegen
A15/A16 Als gevolg van het wegverkeer op de A15/A16 wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB op 14 nieuwe woningen overschreden, zie bijlage 3. De maximaal berekende geluidbelasting bedraagt inclusief aftrek artikel 110g Wgh, 53 dB. Dit is gelijk aan de maximale ontheffingswaarde van 53 dB. Samengevat staan de resultaten in onderstaande tabel. Tabel 4.1 Resultaat A15/A16 Ligging Bouwplan
Perceel Lagendijk 180
Aantal woningen 1 1 1 4 7 1
Geluidbelasting (in dB) 48 49 51 52 53 53
Rijksstraatweg Uit de geluidberekeningen blijkt dat ten gevolge van het verkeer op de Rijksstraatweg de hoogste geluid‐ belasting 57 dB bedraagt, na aftrek 5 dB conform artikel 110g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden, de maximale ontheffingswaarde van 63 dB niet. In figuur 4.1 staan de resultaten weergegeven en in tabel 4.2 zijn deze samengevat op woningniveau. Tabel 4.2 Resultaat Rijksstraatweg Ligging Aantal woningen Bouwplan 2 4 1 1 1 2 1 Perceel Lagendijk 180
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
1
Geluidbelasting (in dB) 57 56 55 54 51 50 49 < 48 < 48
059748.20151634.00
14
Berekeningsresultaten wegverkeerslawaai
Figuur 4.1 Resultaat Rijksstraatweg Lagendijk Uit de geluidberekeningen blijkt dat op één woning (zie figuur 4.2) de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden, na aftrek 5 dB conform artikel 110g Wgh. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. In tabel 4.3 zijn de resultaten samengevat op woningniveau.
059748.20151634.00
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
Berekeningsresultaten wegverkeerslawaai
15
Figuur 4.2 Resultaat Lagendijk Tabel 4.3 Resultaat Lagendijk Ligging Bouwplan Perceel Lagendijk 180
4.2.
Aantal woningen 14 1
Geluidbelasting (in dB) < 48 50
Geluidsreducerende maatregelen
Omdat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, is een onderzoek naar doelmatige maatregelen noodzakelijk. Achtereenvolgens worden bron‐ en overdrachtsmaatregelen overwogen. Bronmaatregelen In het Actieplan voor de gemeente is vermeld dat voor de Rijksstraatweg en Lagendijk wordt overwogen een geluidsreducerend wegdek aan te brengen. Het betreft echter het wegvak van de Lagendijk ten noor‐ den van de A15. Indien ook ter hoogte van het plan een geluidsreducerend wegdek wordt toegepast, zou de overschrijding worden weggenomen. Maar gezien de ene woning waar het om gaat en de relatief grote afstand waarover de verharding van de Lagendijk aangepast zal moeten worden, is dit om financiële re‐ denen niet wenselijk. Indien op de Rijksstraatweg een dunne deklaag (type B) wordt aangebracht, zal de geluidsbelasting afne‐ men tot ten hoogste 54 dB, zie figuur 4.3. Hiermee kan nog niet worden voldaan aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Tabel 4.4 Resultaat Rijksstraatweg met dB Ligging Aantal woningen Bouwplan 3 5 6 Perceel Lagendijk 180 1