CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Oosterpark (versie ter vaststelling).pdf

Gemeenteraad RK 14 oktober 2021, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 4: Vaststelling bestemmingsplan Oosterpark22.904 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

32

Parkeeraanbod In de huidige situatie zijn er binnen het plangebied vijf parkeerterreinen aanwezig. De locaties van de parkeerterreinen zijn weergegeven op figuur 4.1. Met de voorgenomen ontwikkeling wijzigt het aantal parkeerplaatsen op deze parkeerterreinen. Een indicatie van het huidige en toekomstige aantal parkeerplaatsen wordt gegeven in tabel 4.1.

Figuur 4.1 Parkeerterreinen Oosterparkweg Tabel 4.1 Indicatie aantal parkeerplaatsen (huidig en toekomstig) Parkeerlocatie Huidig aantal 1. Parkeerterrein west 32 parkeerplaatsen 2. Kinderboerderij 70 parkeerplaatsen 3. Tuincentrum, bloemenjungle 80 parkeerplaatsen 4. Pelikaan 69 parkeerplaatsen 5. Sportpark 66 parkeerplaatsen Totaal 317 parkeerplaatsen

Toekomstig aantal 32 parkeerplaatsen 93 parkeerplaatsen 80 parkeerplaatsen 0 parkeerplaatsen 90 parkeerplaatsen 295 parkeerplaatsen

Uit tabel 4.1 is op te maken het aantal parkeerplaatsen in het plangebied met circa 22 afneemt. Het uitgangspunt van de gemeente is om deze 22 parkeerplaatsen elders in het park te compenseren als blijkt dat de parkeerdruk op de verschillende terreinen te hoog wordt. Als blijkt dat er een overschot aan parkeerplaatsen blijft, dan is de compensatie van 22 parkeerplaatsen niet noodzakelijk. Aan parkeerlocatie 1 en 3 wijzigt niets. Het aantal parkeerplekken blijft gelijk. De parkeerbehoefte is hier op maat. Parkeerlocatie 4 'Pelikaan' wordt opgeheven, omdat bezoekers van het park hier weinig gebruik van maken. Een aanzienlijk deel van de parkeerplaatsen die hier vervallen wordt bij meer gebruikte locaties 2 en 5 gevoegd. Op locatie 2 en 5 vindt juist ook het parkeren plaats voor de functies waaraan beperkte uitbreidingsmogelijkheden binnen dit plan worden geboden. Het is dus een logische keuze om de parkeercapaciteit naar daar over te hevelen. Het aantal parkeerplaatsen bij het sportcomplex (locatie 5) wordt uitgebreid. De gemeente Ridderkerk hanteert kencijfers van het CROW als parkeernorm. Het CROW heeft geen aparte parkeernormen voor de verschillende sportfuncties (midgetgolf, tennis, softbal/honkbal). De kencijfers voor 'sportvelden' worden gehanteerd. Ridderkerk kan qua stedelijkheid worden gecategoriseerd als sterk stedelijk gebied.

Het Oosterpark bevindt zich in de rest bebouwde kom. De gemeente Ridderkerk hanteert buiten het centrum het maximale CROW-kencijfer als parkeernorm (bron: Verkeersplan Ridderkerk 2011 – 2015 Module Parkeren). CROW-publicatie 381 (2018) geeft voor sportvelden een maximaal parkeerkencijfer van 27,0 parkeerplaatsen per hectare netto terrein. Met de ontwikkeling wordt het aantal parkeerplaatsen bij het sportcomplex uitgebreid van 66 naar 90 parkeerplaatsen (+ 24 parkeerplaatsen). Het netto terrein oppervlak van het vernieuwde sportcomplex bedraagt ongeveer 3 hectare. Het aantal parkeerplaatsen voldoet daarmee (ruim) aan de parkeernorm. Het surplus aan parkeerplaatsen maakt het mogelijk dat hier, zeker op momenten dat het sportterrein maar deels in gebruik is, wandelaars van het park hier ook parkeren. Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

33

Met de uitbreiding van 23 parkeerplaatsen op terrein 2 wordt ingespeeld op de beperkte uitbreidingsmogelijkheden bij de kinderboerderij en de pannenkoekboerderij en wordt centraal in het park voorzien in extra plekken voor wandelaars. Mocht in de toekomst toch blijken dat er knelpunten ontstaan met parkeren, dan kan -waar nodigaansluitend aan de bestaande parkeerlocaties worden voorzien in extra parkeergelegenheid om zo de nu voorgestelde afname van 22 plekken te compenseren. Verkeersgeneratie en –afwikkeling De aanpak van het park heeft voornamelijk een kwaliteitsverbetering als doel, waarbij geen relevante extra verkeersbewegingen van en naar het plangebied worden verwacht. De uitbreidingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt zijn beperkt en ook vooral gericht op bezoekers en sporters die nu ook al het park en de sportvelden bezoeken. Op piekmomenten, zoals weekenddagen waarop het sportcomplex intensief wordt gebruikt en er veel recreanten naar het Oosterpark komen, kan er wel een drukker verkeersbeeld ontstaan. Door de goede ontsluiting en de spreiding van de verschillende parkeerterreinen over het gebied, is de verwachting echter dat deze pieken niet leiden tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Aanpassingen aan de infrastructuur zijn mede daarom niet noodzakelijk noch voorzien.

Wel wordt, zoals aangegeven onder langzaam verkeer, de Oosterparkweg heringericht als fietsstraat. Uitgaande van de verkeersintensiteit aldaar is dit goed mogelijk. Tevens zal dit een duidelijk signaal zijn naar de automobilisten (ze zijn te gast) op deze recreatieve route. Conclusie Het plangebied is goed ontsloten. Verspreid over het park zijn er voldoende parkeerterreinen aanwezig die toegankelijk zijn via de Oosterparkweg. De aanpak van het park heeft voornamelijk kwaliteitsverbetering als doel, waarbij niet direct veel meer parkeerders en verkeersbewegingen worden verwacht. Er zijn daarom vanwege de ontwikkelingen ook geen (grootschalige) aanpassingen aan de (omliggende) infrastructuur nodig. Wel wordt één parkeerterrein opgeheven en worden twee terreinen uitgebreid. Het aantal parkeerplaatsen binnen het plangebied neemt met de ontwikkeling met circa 22 af. Dit aantal kan, als dit alsnog nodig blijkt, aansluitend op de al bestaande parkeerterreinen worden gerealiseerd.

4.2

Ecologie

Toetsingskader Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie ten aanzien van het Natuurnetwerk Zuid-Holland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. Wet natuurbescherming Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:  Natura-2000 gebieden;  Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

34

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:  soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;  soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;  overige soorten. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zuid-Holland In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen.

In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij de verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur 4.2). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Boezems Kinderdijk, ligt op een afstand van circa 2 kilometer. Niet alle Natura 2000-gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Dat geldt bijvoorbeeld voor de Natura 2000-gebieden Oude Maas en Boezems Kinderdijk. Het meest nabijgelegen gebied met verzuringsgevoelige habitats betreft het Natura 2000-gebied Biesbosch.

De minimale afstand van dit Natura 2000-gebied tot het plangebied bedraagt circa 9,5 kilometer.

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

35

Figuur 4.2

Natura 2000-gebieden ten opzichte van het plangebied (bron: AERIUS Calculator)

Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Natuur Netwerk Nederland (NNN) (zie figuur 4.3). Het dichtstbijzijnde NNN gebied ligt op een afstand van circa 600 meter.

Figuur 4.3 Ligging plangebied ten opzichte van NNN (bron: geo-loket provincie Zuid-Holland)

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

36

Het plangebied ligt niet in beschermde natuurgebieden. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen derhalve worden uitgesloten. Gezien de afstand kunnen tevens effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding worden uitgesloten. Vermesting en verzuring als gevolg van stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten. Met het programma AERIUS Calculator zijn berekeningen uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase van dit project. Uit de rekenresultaten blijkt dat voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase geen sprake is van stikstofdeposities hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Significant negatieve effecten zijn daarmee uitgesloten. De berekeningen en bijbehorende memo zijn bijgevoegd in Bijlage 1. Soortenbescherming Om de effecten van de aanpak van het Oosterpark met betrekking tot soortenbescherming te bepalen is een Quickscan Flora en Fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd in Bijlage 2. Naast de effecten van een aantal ruimtelijke ingrepen (uitbreiding sportcomplex, aanleg geluidsscherm, aanleg plek natuurlijk spelen) is de gemeente ook op zoek naar mogelijkheden om de natuurwaarden te verbeteren in het park. Vogels Alle inheemse broedvogels en hun nesten zijn beschermd gedurende de broedtijd. Enkele soorten is het nest het jaarrond beschermd. De afgelopen 10 jaar zijn zeven jaarrond beschermde vogelsoorten in het Oosterpark waargenomen.

Van de ooievaar en de wespendief is bekend dat deze passanten waren, doordat ze geen nestindicerend gedrag vertoonden. In het Oosterpark komen verder de buizerd, de sperwer, de boomvalk, de ransuil en de huismus voor als soort waarvan het jaarrond de nesten beschermd zijn. In figuur 4.4 zijn van deze soorten de waarnemingen/nesten aangegeven. Van de ransuil is geen nest bekend, maar het is niet uit te sluiten dat deze soort in het park broed. Van de sperwer is bekend dat deze voor de uitdunning van het bos in de winter van 2011-2012 ook nesten had in het oosten van het park. Door de dunning zijn de bosvakken nu ongeschikt geraakt, maar op termijn kan het zijn dat dit deel van het park weer geschikt wordt om te broeden. De jaarrond beschermde vogelsoorten zijn ingedeeld in verschillende categorieën. Dit hangt voornamelijk samen met de reden voor de jaarronde bescherming. In het Oosterpark komen vogelsoorten voor uit categorie 2, 4 en 5 van de jaarrond beschermde nesten. De huismus valt in categorie 2. De buizerd, de sperwer, de boomvalk en de ransuil vallen in categorie 4. De nesten van soorten uit categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd. Voor categorie 5 geldt dat de nesten alleen beschermd zijn in het broedseizoen.

Figuur 4.4 - Overzicht van jaarrond beschermde nesten. Elke stip is een nest; een cirkel is een territorium van een broedpaar; een vierkant staat voor een nestindicerende waarneming. Blauw = sperwer, rood = buizerd, geel = boomvalk, paars = huismus. (ondergrond: zomerluchtfoto PDOK, 2020)

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

37

Van de laatste categorie jaarrond beschermde soorten (categorie 5) is alleen om zwaarwegende ecologische redenen een ontheffing nodig. Deze soorten zijn honkvast, maar voldoende flexibel om in individuele gevallen een nieuw nest te bouwen op een andere plek. Als werkzaamheden een negatief effect op de staat van instandhouding van de soort hebben dan is sprake van zwaarwegende ecologische redenen. In dat geval dient een ontheffing te worden aangevraagd. Het gaat om de volgende soorten: blauwe reiger, bosuil, grote bonte specht, groene specht, ijsvogel, koolmees, pimpelmees, boomkruiper, spreeuw, ekster en de zwarte kraai. Zoogdieren Voor de meeste beschermde zoogdieren in de Wet natuurbescherming is het Oosterpark ongeschikt als leefgebied. Alleen vleermuizen komen in het park voor. Op de Natuurwaardenkaart van de BARgemeenten staat het Oosterpark als foerageergebied aangemerkt. Niet alleen de dieren zelf, maar ook de gebiedsfuncties zijn beschermd in de Wet natuurbescherming. Het gaat dan om verblijfsplaatsen, vaste vliegroutes en essentiële foerageergebieden. Potentiële verblijfplaatsen zijn er voldoende in het park, waaronder aan de rand van de bosvakken en gebouwen met een geschikte binnenruimte. Daarnaast maken vleermuizen vaak gebruik van vaste vliegroutes, zoals bomenlanen.

Het park kent hier een uitstekende structuur voor en het is dan ook waarschijnlijk dat er een of meerdere vaste vliegroutes in het park aanwezig zijn. De laatste beschermde gebiedsfunctie is het essentiële foerageergebied. Of er sprake is van een essentieel foerageergebied in het park is hangt af van het gebiedsgebruik door vleermuizen in het onderzoeksgebied en de omgeving. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten in deze context worden geanalyseerd om te bepalen of een ontheffing op de Wet natuurbescherming nodig is. De overige zoogdieren vallen onder de 'nationaal beschermde/andere soorten' van art. 3.10 uit de Wet natuurbescherming. In Zuid-Holland zijn bijna alle overige zoogdieren vrijgesteld van een ontheffing. Alleen de steenmarter staat niet op deze lijst, maar hiervan is in het park nog nooit een waarneming gedaan. Voor alle soorten op de vrijstellingslijst geldt dat een ontheffing nodig is indien de activiteit een negatief effect kan hebben op de staat van instandhouding van de soort. Op basis van het algemene voorkomen van deze soorten zal dit over het algemeen niet het geval zijn, maar voor het konijn, haas, bunzing dient hier wel aandacht aan besteed te worden. Vaatplanten In het Oosterpark geen groeiplanten van beschermde vaatplanten van de Wet natuurbescherming bekend. De omstandigheden voor het voorkomen van strikt beschermde vaatplanten zijn niet geschikt.

Het voorkomen van beschermde vaatplantsoorten kan daarom worden uitgesloten. Amfibieën Beschermde amfibiesoorten komen niet voor in de gemeente Ridderkerk. Ook van de zwerfsoort 'rugstreeppad', die lange afstanden kan afleggen, is het voorkomen onwaarschijnlijk. De dichtstbijzijnde locatie waar deze soort is waargenomen is Alblasserdam. Tussen Ridderkerk en Alblasserdam zitten een aantal grote infrastructurele barrières, zoals de rivier. Enkele nationaal beschermde soorten komen wel voor in het Oosterpark, zoals de bruine kikker, de meerkikker/bastaardkikker, de gewone pad en kleine watersalamander. De provincie heeft deze soorten echter op de provinciale vrijstellingslijst geplaatst. Vissen De waterkwaliteit van het park is een zorgenkindje. In de grote recreatieplas treedt regelmatig blauwalg op. De waterkwaliteit en het type watergangen maakt het gebied ongeschikt voor beschermde soorten. Insecten en ongewervelden Het Oosterpark beschikt niet over een leefgebied voor beschermde insecten.

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

38

Weekdieren, Reptielen Op basis van landelijke spreidingsgegevens en het ontbreken van een geschikt biotoop in het Oosterpark kan het voorkomen van beschermde weekdieren en reptielen worden uitgesloten. Per ontwikkeling wordt soortenbescherming.

hieronder

beschouwd

wat

de eventuele consequenties

zijn

op

 Aanpassing sportcomplex Het effect van deze ruimtelijke ontwikkeling is lokaal. Voor zover bekend leven er geen beschermde soorten in de bosvakken rondom het sportcomplex die elders in het park niet te vinden zijn. Met de aanpassing van het sportcomplex wordt wel geadviseerd soortgericht onderzoek naar het voorkomen van broedplaatsen van de ransuil te doen. Met de uitbreiding van het sportcomplex wordt de broedplaats van de buizerd gehinderd. Aandachtspunt is om voldoende afscherming te creëren tussen het sportcomplex en het nest in verband met geluids- en lichtoverlast. Hetzelfde geldt voor een eventueel nest van de boomvalk. Er dient onderzoek plaats te vinden naar het gebiedsgebruik door vleermuizen bij aanpassing van de ligging van de velden en sloop van het clubgebouw op het sportcomplex. Beschermde soorten van andere soortgroepen waarvoor een ontheffing nodig is, zijn niet bekend in dit deel van het park.  Aanleg geluidsscherm De aanleg van het geluidsscherm heeft een groot negatief effect op de natuurwaarden in het park. Zo verdwijnen een aantal oude en grote bomen. De aanleg van het geluidsscherm heeft een direct effect op twee nestlocaties van de buizerd. Het verwijderen of aantasten van de nestplekken is ontheffingsplichtig. Ook bevinden zich in deze bomen potentiële broedplekken voor de boomvalk.

Het dient onderzocht te worden of in een van de te kappen bomen nesten van deze soort voorkomen. Ook geldt dat voor de boomvalk het aantal alternatieve nestplekken wordt verkleind door de bomenkap. Ook voor de aanleg van het geluidsscherm dient een onderzoek te worden uitgevoerd naar het effect van deze ontwikkeling op de beschermde gebiedsfuncties van vleermuizen. De beschermde soorten van overige soorten kunnen op basis van het voorkomen en biotoop redelijkerwijs worden uitgesloten. Er dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen van vogels.  Aanleg plek natuurlijk spelen De inrichting van één bosvak voor natuurlijk spelen heeft een beperkt effect op de flora en fauna. Om te voorkomen dat sperwers het territorium verlaten is uitbreiding van potentieel broedgebied in westelijke richting nodig. Inmiddels is de locatie voor natuurlijk spelen reeds gerealiseerd.  Algemeen Bij alle ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met het broedseizoen, omdat alle beschermde soorten beschermd zijn tijdens het broeden. Controleer voorafgaand aan de werkzaamheden op aanwezigheid van broedende vogels en nesten. Verder geldt voor alle werkzaamheden de zorgplicht. Dit houdt in dat onnodige schade en verstoring van planten en dieren zoveel mogelijk voorkomen moet worden. Bij werkzaamheden moet men zorgvuldig handelen.

Voor bomenkap geldt de APV van de gemeente Ridderkerk. Conclusie De voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen kunnen leiden tot negatieve effecten op enkele beschermde soorten. Daarom dient er vervolgonderzoek te worden uitgevoerd voor de uitvoeringswerkzaamheden kunnen worden gestart. Het gaat om vervolgonderzoek naar vleermuizen, de boomvalk en de ransuil. Ook dient ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd voor het verwijderen of aantasten van het jaarrond beschermde nest van de buizerd bij de aanleg van het geluidsscherm.

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

39

Het leefgebied van de sperwer in en rond het park staat onder druk. Aanbevolen wordt om de sperwer aan te wijzen als doelsoort bij de aanpak van het park. Een negatief effect op deze soort door een toekomstige ontwikkeling of toekomstig beheer leidt tot de noodzaak van een ontheffing. Tevens dient rekening te worden gehouden met broedende vogels door werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren of te voorkomen dat vogels in het projectgebied gaan broeden. Ook is de zorgplicht voor wilde dieren/planten onverkort van kracht. Het noodzakelijke vervolgonderzoek vormt echter geen belemmering om het voorliggende bestemmingsplan ter visie te leggen en vervolgens zo mogelijk aangevuld vast te kunnen stellen. Gezien de afstand tot omliggende Natura 2000-gebieden en de resultaten van het stikstofonderzoek zijn significante negatieve effecten op Natura 2000-gebieden uitgesloten. De ontwikkeling is derhalve uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.

4.3

Bodemkwaliteit

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Onderzoek Er is weinig bekend over de bodemkwaliteit van het Oosterpark. Er is in het verleden slechts één bodemonderzoek bekend. Deze stamt uit 1996 en vond plaats in het oosten van het plangebied. Met dit onderzoek zijn slechts lichte verontreinigingen aangetoond. Daarom is geconcludeerd dat de bodemkwaliteit ter plaatse geen belemmering vormt voor de huidige functie. In 1983 is in het zuidelijk deel slib uit Het Waaltje aangevoerd om de grond mee op te hogen. Deze sliblaag is in enkele boringen ook teruggevonden.

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

40

Figuur 4.5 - bodemonderzoekslocatie uit 1996 In het Oosterpark zijn bijna alle bestemmingsleggingen conserverend van aard. Alleen ter plaatse van de uitbreiding van het sportcomplex is sprake van een functiewijziging. De functie wijzigt hier van 'Recreatie/Park' naar 'Sport'. Daarnaast zal er vanwege het realiseren van nieuwe watergangen in het park ook elders gegraven worden. Hetzelfde geldt voor de aanleg van het geluidsscherm. Van belang is om te weten wat er met deze grond gebeurd. Zolang de grond binnen het plangebied of in de gemeente Ridderkerk/Barendrecht wordt hergebruikt is er geen probleem. Dit kan op basis van de bodemkwaliteitskaarten in figuur 4.6 en 4.7. Indien de grond naar elders gaat is er in veel gevallen een analyse van de grond benodigd.

Figuur 4.6 - bodemfunctieklassenkaart (bron: regionale bodemkwaliteitskaart Ridderkerk) Op basis van de Regionale Bodemkwaliteitskaart Ridderkerk (figuur 4.7) voldoet het park zowel de bovengrond (0 - 0,5 meter onder maaiveld) als de ondergrond (0,5 - 2 meter onder maaiveld) aan de kwaliteit van klasse Achtergrondwaarde. Alle gemiddelden voor de klasse 'Achtergrondwaarden' zijn lager dan de maximale waarden voor de klasse 'Wonen'.

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

41

Figuur 4.8 - bodemkwaliteitskaart boven- en ondergrond (bron: regionale bodemkwaliteitskaart Ridderkerk) Conclusie Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor uitbreiding van het sportcomplex dient actueel bodemonderzoek uitgevoerd te worden. Ook voor de toekomstige graafwerkzaamheden in het park ten behoeve van nieuwe watergangen en het geluidsscherm kan onderzoek benodigd zijn. Dit is het geval indien de gronden buiten de gemeente worden gebruikt. Er wordt geconcludeerd dat het aspect bodem de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staat.

4.4

Archeologie

Beleid en normstelling De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen met als uitgangspunt: 'de veroorzaker betaalt'. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort. Onderzoek De gemeente Ridderkerk heeft op 23 september 2013 de archeologische waardenkaart vastgesteld. Deze kaart bestaat uit twee kaarten 1) de archeologische kenmerkenkaart en 2) de archeologische waardenen beleidskaart. Beide kaarten worden hieronder besproken.

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

42

Nagenoeg het gehele plangebied van het Oosterpark bestaat uit zogenaamde 'komafzettingen' (Formatie van Echteld) op een afwisseling van veen (Hollandveen Laagpakket) met kom- en oeverafzettingen (Formatie van Echteld) op komafzettingen (Formatie van Kreftenheye, Laag van Wijchen) op geulafzettingen (Formatie van Kreftenheye), zoals te zien in figuur 4.9. Voor deze gebieden geldt een middelgrote kans op de aanwezigheid van archeologische sporen uit de Romeinse tijd en uit de Late Middeleeuwen in het bodemtraject top Hollandveen Laagpakket - maaiveld. De geologische opbouw van de diepere ondergrond is in detail vaak onbekend. De grootte van de kans op de aanwezigheid van archeologische sporen ouder dan de Romeinse tijd is daarmee niet aan te geven. In het noordwesten van het plangebied (ten westen van de zwemplas) bevindt zich ook een gebied met stroomgordelafzettingen (Formatie van Echteld) onder het veen (Hollandveen Laagpakket). In de top van de stroomgordelafzettingen is een middelgrote kans op de aanwezigheid van sporen uit het Neoliticum. Verder zijn er enkele hoofdwatergangen in het plangebied. Deze zijn aangeduid als water in figuur 4.9. Op deze locaties geldt een kleine kans op de aanwezigheid van archeologische sporen. Er worden geen werkzaamheden in de hoofdwatergangen uitgevoerd.

Figuur 4.9 - archeologische kenmerkenkaart met in rood het plangebied (bron: gemeente Ridderkerk) In figuur 4.10 is de archeologische waarden- en beleidskaart weergegeven. Deze kaart geeft de kans op aanwezigheid van archeologische sporen aan. Vrijwel het gehele plangebied kent een redelijk hoge archeologische verwachtingswaarde. Deze waarden zijn te verwachten op een niveau dieper dan 50cm. Op enkele plekken ligt water. Hier geldt een archeologisch lage verwachtingswaarde. De aanwezigheid van archeologische sporen mag hierbij verwacht worden vanaf de huidige onderwaterbodem. Voor de grond met een redelijk hoge archeologische waarde geldt een bouwregeling en een omgevingsvergunning bij grondwerkzaamheden (inclusief heien) met een oppervlak groter dan 200 m² en bij een diepte dieper dan 100 cm beneden het maaiveld. Deze gronden zijn opgenomen in de regels als 'Waarde - Archeologie 3'. Voor de gronden met een lage archeologische verwachtingswaarde gelden marges van respectievelijk 200 m² en de huidige onderwaterbodem. Deze gronden zijn in de regels opgenomen als 'Waarde - Archeologie 4'.

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

43

Figuur 4.10 - archeologische waarden- en beleidskaart met in rood het plangebied (bron: gemeente Ridderkerk) Conclusie Er vindt ten behoeve van dit bestemmingsplan geen archeologisch onderzoek plaats. De archeologische verwachtingswaarden zijn een-op-een overgenomen van de gemeentelijke waarden- en beleidskaart en verwerkt in de regels zijnde 'Waarde - Archeologie 3' en 'Waarde - Archeologie 4'. Indien een ontwikkeling de diepte- en of oppervlaktemaat overschrijdt dient eerst contact te worden opgenomen met de gemeente om de onderzoeksbehoefte te beoordelen. Het aspect Archeologie vormt geen belemmering voor dit bestemmingsplan.

4.5

Cultuurhistorie

Toetsingskader De Monumentenwet is op 1 juli 2016 deels (met een overgangstermijn tot de Omgevingswet) vervangen door de Erfgoedwet. Deze wet handelt over het aanwijzen van te beschermen cultureel erfgoed. Naast de Monumentenwet vervangt de Erfgoedwet ook andere wetten zoals de Wet tot behoud van cultuurbezit. De Erfgoedwet kent een aantal nieuwe bepalingen. Het gaat om het vaststellen van een gemeentelijke erfgoedverordening en het bijhouden van een erfgoedregister. Ook dienen burgemeester en wethouders het voornemen om hun cultuurgoederen en verzamelingen te vervreemden bekend te maken. De Erfgoedwet bevat bovendien diverse veranderingen met lokale gevolgen, zoals de vervanging van de landelijke aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten door een rijksinstructie aan gemeenten. Onderzoek en conclusie In 2017 is de cultuurhistorische waardenkaart woongebieden Ridderkerk opgesteld door de stichting 'Dorp, stad en land'. In dit stuk is de ruimtelijke ontwikkelingsgeschiedenis van Ridderkerk beschreven. Ridderkerk is ontstaan op veengrond die vanaf de negende en tiende eeuw werd bewoond. Vanaf die tijd werd begonnen met de ontginning van het gebied waardoor het veen drastisch inklonk. Om het gebied tegen het buitenwater te beschermen legde men in de elfde en twaalfde eeuw dijken en kaden aan.

Zo ontstonden het eiland Rhoon, de Zwijndrechtse Waard en de Riederwaard (samen: IJsselmonde). Het Oosterpark ligt daarbij in de polder genaamd 'Oud Reijerwaard'. In de jaren '80 van de vorige eeuw is hier de wijk Drievliet aangelegd samen met het Oosterpark. Op de cultuurhistorische waardenkaart woongebieden Ridderkerk is het gehele Oosterpark aangemerkt als gebied met een hoge historische waarde. Dit is te zien in figuur 4.11. De oude slotenstructuur is nog steeds grotendeels intact.

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

44

Figuur 4.11 – historische waardenkaart gemeente Ridderkerk (bron: stichting Dorp, Stad en Land) In het westen van het Oosterpark liggen ook twee historische gebouwen: 7. Oosterparkweg 33 (Woning – hoge waarde) 8. Oosterparkweg 27-29 (Tuinderswoning - redelijk hoge waarde) Beide gebouwen blijven, conform het beleid in Ridderkerk, behouden in het nieuwe plan. Er zijn geen rijks- of gemeentelijke monumenten in het plangebied aanwezig. Concluderend blijven de historische panden in het gebied behouden. Een deel van de bestaande historische structuren gaat verloren met de aanpak van het park. Bij de aanpak van het park prevaleert het gebruik en de beleving boven de bestaande slotenstructuur.

4.6

Bedrijven en milieuzonering

Beleid en Normstelling In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:  ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;  rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van aanwezige bedrijven. Om in de bestemmingsregeling de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Onderzoek De voorgenomen ontwikkelingen in dit plan maken geen milieugevoelige functies mogelijk. Dat betekent dat middels dit plan de bedrijven in de omgeving ook niet worden beperkt door de voorgenomen ontwikkelingen. De aanpassing van de ligging van het sportcomplex (honk- en softbalvelden) en herbouw van het clubgebouw voor de honk- en softbalvereniging zijn de enige ontwikkelingen waarvoor aangetoond dient te worden dat er na aanpassing sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Bij veldsportcomplexen geldt een richtafstand van 50 meter voor licht en geluid. Omdat het veldsportcomplex. Met de huidige inrichting van het terrein wordt grotendeels voldaan aan die richtafstand.

Alleen een deel van het meest noordelijke veld van de honk- en softbalvereniging en een deel van de midgetgolfbanen liggen voor een klein deel binnen deze (richt) afstand. Door de herinrichting van het sportcomplex komt het veld en het clubgebouw van de honk- en softbalvereniging op grotere afstand van de woningen te liggen en wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand. Figuur 4.12 geeft inzicht in de afstanden. Per saldo levert deze ontwikkeling dan ook een positieve bijdrage aan het woon- en leefklimaat in het gebied.

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

45

Figuur 4.12 - afstanden tussen de woningen in de huidige situatie en nieuwe situatie Voor de midgetgolfbaan verandert er niets. Er geldt overigens ook geen specifieke richtafstand voor midgetgolf. Voor golfbanen geldt een richtafstand van 10 meter voor geluid. Met een afstand van circa 25 meter tot aan de dichtstbijzijnde woning wordt hieraan ook voldaan. Met betrekking tot lichthinder geldt een zorgplicht. Eventuele lichthinder dient tot een aanvaardbaar niveau te worden beperkt. In het Activiteitenbesluit is geregeld dat de verlichting moet zijn uitgeschakeld tussen 23 uur en 7 uur, als er geen sport wordt beoefend en als er geen onderhoud plaatsvindt. Voor de niet gereguleerde aspecten is het mogelijk maatwerk te leveren. De gemeente kan in zo'n geval maatwerkvoorschriften opstellen. Een voorbeeld is de wijze waarop de verlichting wordt uitgevoerd. Gezien de grote afstand vanaf de velden tot omliggende woningen wordt overigens geen lichthinder verwacht. In het verlichtingsplan dat wordt opgesteld zal dit nader worden uitgewerkt en aangetoond. Conclusie Met uitvoering van de nieuwe ontwikkelingen wordt voldaan aan de richtafstand van 50 meter. Door de voorgenomen ontwikkeling waarin de velden en het clubgebouw op ruimere afstand komen te liggen van de woningen heeft de toekomstige situatie een positieve invloed op het woon- en leefklimaat ter plekke.

Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat de aspecten geluid en licht geen belemmeringen vormen voor de beoogde ontwikkeling.

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

46

4.7

Wegverkeerslawaai

Er worden geen nieuwe geluidsgevoelige functies toegestaan middels dit bestemmingsplan. Ook is er geen sprake van een relevante toename van) de verkeersaantrekkende werking door de ruimtelijke ontwikkelingen die in dit plan mogelijk worden gemaakt. Akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai is hierom niet noodzakelijk. Het aspect wegverkeerslawaai staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. De aanleg van het geluidsscherm heeft belangrijke positieve effecten op de geluidhinder van de A15 die nu in het park en in de wijken ten noorden daarvan wordt ervaren. Dit is aangetoond op basis van diverse onderzoeken en heeft geleid tot de keuze voor plaats, hoogte en uitvoering van het scherm.

4.8

Externe veiligheid

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:  bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;  vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Risicovolle inrichtingen Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen.

Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties.

Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

47

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht. Onderzoek Risicovolle inrichtingen Aan de zuidoostzijde van het verordeningsgebied is de BEVI-inrichting Shell Ridderkerk gelegen. Dit betreft een LPG-tankstation. Deze inrichting beschikt over een PR10-6 risicocontour van 45 m en een invloedsgebied voor het groepsrisico van 150 m. Op afbeelding 4.13 is de locatie van het LPG-tankstation weergegeven. Het plangebied is gelegen buiten het invloedsgebied en de PR10-6 risicocontour van deze inrichting.

Figuur 4.13 - Omliggende risicovolle inrichtingen Transport gevaarlijke stoffen Over de rijkswegen A15 en A16 worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Langs en door het plangebied zijn 3 hogedruk gasleidingen gelegen. In figuur 4.14 zijn deze risicobronnen weergegeven.

Figuur 4.14 - Plangebied en risicobronnen

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

48

Vanwege de ligging binnen het invloedsgebied van 3 hogedruk gasleidingen (W-507-01, W-530-01, W530-07) en de rijkswegen A15 en A16 is nader onderzoek uitgevoerd dat is toegevoegd in bijlage 3. Aardgasbuisleidingen De berekeningen hebben ter plaatse van het plangebied niet geleid tot een PR 10-6-contour. Het plaatsgebonden risico vormt daarom geen belemmering voor de ontwikkeling. Het groepsrisico van de aardgasleidingen is in de huidige en toekomstige situatie kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. Er kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Voor aardgasleiding W-530-07 is geen sprake van een groepsrisico. Een verantwoording is daarom niet noodzakelijk. Binnen de belemmeringenstroken van de beschouwde buisleidingen bevinden zich geen (geprojecteerde) (beperkt) kwetsbare objecten. Rijksweg A15/A16 Binnen PR 10-6 contour bevinden zich geen (geprojecteerde) (beperkt) kwetsbare objecten. In zowel de huidige als toekomstige situatie is het groepsrisico kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. Hierdoor is geen verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk ten aanzien van deze rijkswegen. Plasbrandaandachtsgebied (PAG) Binnen het PAG bevinden zich geen (geprojecteerde) (beperkt) kwetsbare objecten. De oprichting van het circa 6 meter hoge geluidsscherm vormt een buffer bij eventuele plasbranden.

Beknopte verantwoording van het groepsrisico Uit de berekeningen zoals uitgevoerd in bijlage 1 blijkt dat het groepsrisico van de aardgasleidingen W507-01 en W-530-01 in de huidige en toekomstige situatie kleiner is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Er kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. In het kader van het wettelijk vooroverleg zal voor de verantwoording aanvullend advies gevraagd worden aan de veiligheidsregio. In de beknopte verantwoording wordt ingegaan op de personendichtheid in het invloedsgebied, de hoogte van het groepsrisico, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Groepsrisico Uit berekeningen die zijn uitgevoerd vanwege de ligging in het invloedsgebied van de buisleidingen blijkt dat het groepsrisico in de beoogde situatie onder de oriëntatiewaarde is gelegen. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten, in hoeverre zij in staat zijn hun taken goed uit te kunnen voeren en om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard.

Ten aanzien van de aspecten bereikbaarheid en bluswatervoorziening hanteert de regionale brandweer de richtlijnen zoals beschreven in de NVBR publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid”. Uit de bovengenoemde handreiking volgt het advies dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van werkzaamheden of calamiteiten het plangebied goed bereikbaar is. Het plangebied wordt ontsloten via de Oosterparkweg. Vanuit deze "aanvalsweg" kan in zowel westelijke en oostelijke richting van het plangebied worden ontsloten. Gelet op het bovenstaande zijn de bestrijdbaarheid en bereikbaarheid voor hulpdiensten goed te noemen.

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

49

Zelfredzaamheid Het uitgangspunt is dat de meerderheid van de aanwezige personen binnen het plangebied zelfredzaam zullen zijn. De mogelijk aanwezige kinderen en ouderen worden beschouwd als minder zelfredzame personen. Er wordt van uitgegaan dat de ouders/verzorgers de kinderen en ouderen kunnen begeleiden. Conclusie Er zijn geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten gelegen binnen het PR 10-6 van omliggende risicobronnen. Daarnaast blijkt uit berekeningen die zijn uitgevoerd vanwege de ligging in het invloedsgebied van de buisleidingen dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde is gelegen. Uit de beknopte verantwoording blijkt dat de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid van het plangebied als voldoende kan worden beschouwd. Het aspect externe veiligheid staat de boogde ontwikkeling niet in de weg. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.

4.9

Kabels en leidingen

Toetsingskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek en conclusie In de paragraaf 'Externe veiligheid' is ingegaan op de aanwezige hogedruk gasleidingen in en nabij het plangebied. De hogedruk gasleidingen en belemmeringenstroken zijn voorzien van de dubbelbestemming 'Leiding - Gas'. Met aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) hoeft in dit bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.10

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordenings- praktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven. Stof Stikstofdioxide (NO2)

Toetsing van Jaargemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³

Uurgemiddelde concentratie Fijn stof (PM10)

Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³ Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³

Fijn stof (PM2,5)

24-uurgemiddelde Max. 35 keer p.j. Meer dan concentratie 50 µg / m³ Jaargemiddelde concentratie 25 µg/m³

Tabel 4.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

50

Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 (fijnstof) in de buitenlucht;  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg. Onderzoek De aanpak van het park heeft voornamelijk kwaliteitsverbetering als doel. Verwacht mag worden dat het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied ongeveer hetzelfde blijft. In tabel 4.3 is te zien dat zelfs bij een (fictieve) verkeerstoename van 500 extra voertuigbewegingen per etmaal (een zogenaamd worstcasescenario) er geen nader onderzoek naar luchtkwaliteit nodig is. Er wordt dus ook in die situatie voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving, en nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk.

Tabel 4.3 - NIBM-tool In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nslmonitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende wegen betreffen de Oosterparkweg en de A15. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De hoogste concentraties luchtverontreinigende stoffen langs deze wegen/rondom het Oosterpark bedroegen in 2020: 28,2 µg/m³ voor NO2, 19,1 µg/m³voor PM10 en 11,5 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24uurgemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6,9 dagen. Aangezien direct langs deze wegen ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de maatgevende weg ligt. Bij de aanpak van het bomen- en groenareaal in het Oosterpark zal rekening worden gehouden met de aanbevelingen uit het rapport 'Groen voor lucht in Ridderkerk' uit 2012.

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

51

Sporten en schone lucht De GGD Rotterdam Rijnmond geeft het advies om zo ver mogelijk van vervuilende bronnen, zoals een snelweg te sporten. Er is onderzoek gedaan naar de mogelijkheid om de honk- en softbalvereniging de Rowdies ergens anders binnen Ridderkerk te huisvesten. Aangezien dit niet mogelijk is kan er worden gesteld dat het te verkiezen is om wel te sporten (beter dan niet sporten), ook als de locatie waarop dat gebeurd niet optimaal is qua luchtkwaliteit. Op de beoogde locatie is de fijnstofconcentratie (PM10) 18.4 µg/m³ (bron: NSL-monitoringstool). Dit is 21.6 µg/m³ onder de Wettelijk norm en 1.6 µg/m³ onder de norm van de WHO. Doordat de komende jaren auto's steeds schoner worden zullen de achtergrondconcentraties verder dalen en zal de lucht schoner worden. Conclusie Er wordt voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en kan gewoon/veilig sportbeoefening plaatsvinden.

4.11

Water

Waterbeheer en watertoets Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Hollandse Delta, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkelingen. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap nader wordt behandeld. Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW)  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)  Waterwet Provinciaal:  Provinciaal Waterplan  Provinciale Structuurvisie  Verordening Ruimte Waterschapsbeleid In het Waterbeheerprogramma 2016-2021 (WBP) staan de doelen van het waterschap Hollandse Delta voor de taken waterveiligheid (dijken en duinen), voldoende water, schoon water en de waterketen (transport en zuivering van afvalwater). Ook wordt aangegeven welk beleid gevoerd wordt en wat het waterschap in de planperiode wil doen om de doelen te bereiken. De maatregelen voor de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) zijn onderdeel van het plan.

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

52

Uit het oogpunt van waterkwaliteit moet schoon hemelwater worden afgekoppeld en direct worden geloosd op oppervlaktewater. Dit vermindert de vuiluitworp uit het gemengde rioolstelsel en verlaagt de belasting van de afvalwaterzuivering. Bij een toename van aaneengesloten verhard oppervlak, binnen de bebouwde kom, van 500 m² of meer, moet voor de versnelde afstroom van hemelwater een vergunning worden aangevraagd in het kader van de Keur. Buiten de bebouwde kom is een vergunning noodzakelijk vanaf 1.500 m2. Voor een toename aan verhard oppervlak moet 10% van deze toename worden gecompenseerd in de vorm van open water binnen het peilgebied waarin de verharding toeneemt. Onderzoek Huidige situatie Algemeen De bodemsituatie bestaat uit kalkrijke poldervaaggronden met lichte klei. In het gebied geldt grondwatertrap VI. Dat betekent dat de hoge grondwaterstand tussen 40 - 80 cm onder het maaiveld ligt en de lage grondwaterstand meer dan 120 cm onder het maaiveld ligt. Waterkwantiteit In figuur 4.15 is te zien dat er veel watergangen en een ruime hoeveelheid water in het plangebied aanwezig zijn. Deze watergangen worden beheerd door verschillende partijen; het waterschap (blauw), het Natuur- en Recreatieschap IJsselmonde (geel) en de gemeente Ridderkerk (oranje). Voor de hoofdwatergang geldt een beschermingszone van 3,5 meter. Voor de andere watergangen is dit 1 meter.

Het Oosterpark is opgedeeld in twee peilgebieden 1) Drievliet en Oosterpark-west en 2) Polders Nieuwen Oud Reijerwaard. In het peilgebied Drievliet en Oosterpark-west geldt een vast peil van -2 meter onder NAP. In het peilgebied Polders Nieuw en Oud Reijerwaard geldt een seizoensgebonden peil van -2,25 onder NAP in de zomer en -2,40 onder NAP in de winter.

Figuur 4.15 - stelsel van watergangen in het plangebied (bron: legger WSHD) Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet binnen de kern-/beschermingszone van een waterkering. Toekomstige situatie Algemeen Uitgangspunt is dat het huidige watersysteem en waterpeil gehandhaafd blijft. Hoofdwatergangen blijven zoals ze nu zijn. Het Oosterpark is en blijft een waterrijk park. Door de diverse ontwikkelingen en herinrichting van het park verandert er wel wat, de veranderingen worden hieronder beschreven en gekwantificeerd.

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

53

Waterkwantiteit De gemeente Ridderkerk is van plan om in het waterrijke Oosterpark nog meer water te realiseren. Er wordt in totaal zo'n 15.000 m² aan nieuw wateroppervlak toegevoegd. Ook wordt een deel van de bestaande sloten gedempt, bijvoorbeeld nabij het sportcomplex en het geluidsscherm. Het gaat daarbij om totaal zo'n 7.000 m². Een deel van het water, zo'n 3.000 m² wordt omgezet naar een zogenaamde 'rietput'. In totaal wordt als de "rietput" niet wordt meegerekend dus 5000 m² extra open water gecreëerd. Uitgangspunt is dat de (beperkte) ruimtelijke ontwikkelingen weinig invloed hebben op de totale omvang van het verharde oppervlak. Er wordt per saldo in elk geval geen verharding toegevoegd door de verplaatsing van parkeerplaatsen en de aanleg van nieuwe paden. De extra bouwmogelijkheden bij de kinderboerderij en de pannenkoekboerderij bedragen samen circa 400 m2. Bij de uitbreiding van het sportterrein zal ook wel enige verharding moeten worden gemaakt, meer dan 1000 m2, waarvan een klein deel bebouwing zal dat echter niet zijn. De toevoeging van verhard oppervlak door de plaatsing van het geluidsscherm zal uitgaande van de lengte van ruim 1700 meter maximaal 2 á 3000 m2 zijn. De totale extra verharding komt hierdoor, naar boven afgerond, uit op maximaal 4.500 m2.

Hiervoor zou uitgaande van 10% compensatie van het extra verhard oppervlak een oppervlak van 450 m2 aan extra water volstaan. Uitgaande hiervan wordt geconcludeerd dat met de realisering van 5000 m² aan open water ruimschoots wordt voldaan aan de gebruikelijke eisen en een aanzienlijk overschot beschikbaar is voor ontwikkelingen elders. Een overschot dat kan worden toegevoegd aan de "waterbank". Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  hemelwater vasthouden voor benutting,  (in-) filtratie van afstromend hemelwater,  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,  afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen.

Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Conclusie De voorgenomen ontwikkelingen hebben een positieve invloed op het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse. Er wordt namelijk meer water gecreëerd dan nodig ter compensatie van de verharding door de ontwikkelingen. Het plangebied bevat overigens al veel water in verhouding tot de hoeveelheid bebouwing zodat de waterhuishoudkundige balans erg positief te noemen is.

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

54

4.12

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Toetsingskader In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning planm.e.r.-plichtig, projectm.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:  de kenmerken van de projecten;  de plaats van de projecten;  de kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject mer-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer of een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling betreft de aanpak van het Oosterpark waar de huidige functies in het gebied blijven bestaan. Enkele van deze functies krijgen kleine uitbreidingsmogelijkheden. Het gaat om de pannenkoekboerderij, de kinderboerderij en het sportcomplex.

Dit zijn functies die reeds zijn toegestaan in het vigerende plan. Ook wordt een geluidsscherm mogelijk gemaakt. Deze is ook reeds toegestaan binnen het vigerende plan en geen stedelijk ontwikkeling. Verder wordt de mogelijkheid toegevoegd om een sanitaire voorziening te realiseren bij het zwemstrand. Alle ontwikkelingen zijn naar aard en omvang beperkt te noemen. De aanpak van het park levert bovendien een verbetering op van de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse. Bovendien blijven de beoogde ontwikkelingen ruim onder de drempelwaarde, zoals deze gesteld zijn in het Besluit milieueffectrapportage. Uit de diverse onderzoeken uit de voorgaande paragrafen blijkt ook dat veelal sprake is van een positieve of in elk geval geen negatieve invloed van de voorgestelde ontwikkelingen op de (milieu) kwaliteit. Zo neemt bijvoorbeeld de geluidbelasting in het gebied en de omgeving af door de aanleg van geluidsscherm en wordt het gebied (nog) waterrijker. Een aandachtspunt is wel het nader onderzoek dat noodzakelijk is naar diverse diersoorten. Uit dit onderzoek moet duidelijk worden in hoeverre en welke beschermende en mitigerende activiteiten/maatregelen nodig zijn om de uitvoering van de beschreven ontwikkeling uit te kunnen voeren.

Gelet op de context (het park) waarin de ontwikkelingen plaatsvinden is het echter zeer aannemelijk dat de eventueel noodzakelijke maatregelen in acht kunnen worden genomen. Uitgaande van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het uitvoeren van een milieueffectrapportage vanwege de voorgenomen activiteiten niet aan de orde is. Tevens is zo invulling gegeven aan de zogenaamde vorm-vrije m.e.r.-beoordelingsplicht.

Rho adviseurs voor leefruimte

20201388

55

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Dit bestemmingsplan vormt het juridische kader voor het plangebied. Op basis van dit bestemmingsplan zal de beoogde ontwikkeling zonder verdere uitwerking van de bestemmingen of andere planologischjuridische procedures kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast vervult het plan, na realisatie van de ontwikkeling een belangrijke beheer- en gebruiksfunctie. Iedere functie in het plangebied is voorzien van een daarop toegesneden bestemmingsregeling. De planopzet biedt enige flexibiliteit voor de beoogde aanpak van het park en biedt tegelijkertijd rechtszekerheid voor de gebruikers van de aangrenzende gebieden. De in het plan vastgelegde omvang van de diverse functies is vastgelegd op de verbeelding en in de bestemmingsregeling. Door deze wijze van bestemmen zijn de functies ruimtelijk begrensd. Ingevolge de Wro, het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening (Rsro) dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd en gepresenteerd te worden en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. Er is een aantal standaarden door het Ministerie van VROM ontwikkeld, waaronder de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012). In dit bestemmingsplan is van deze standaarden voor zover van toepassing gebruikgemaakt. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/781/documents/29911