Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord AZWA.pdf
Tekst van het document
Kamerbrief ‘stand van zaken palliatieve zorg’ d.d. 17 december 2024 Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 53
• •
•
•
Veldpartijen en NZa werken gezamenlijk aan opname van proactieve zorgplanning in de basisbekostiging van de huisartsen per 2027. De NZa verkent in opdracht van VWS en in nauwe samenwerking met PZNL en ZonMw welke alternatieve wijze van bekostigen proactieve, transmurale palliatieve zorg (verder) kunnen stimuleren. Hiervoor lopen drie experimenten van 2024 tot en met 2030. De NZa evalueert de effecten tussentijds en na afloop en gebruikt de (tussentijdse) effecten daar waar mogelijk om proactieve, transmurale palliatieve zorg te bevorderen. Zorg- en welzijnsinstellingen en onderwijsinstellingen stellen in 2025 een plan met tijdsplanning op om te zorgen dat alle zorg- welzijnsmedewerkers op korte termijn bij- en nascholing ontvangen op het gebied van palliatieve zorg (inclusief het voeren van proactieve zorgplanningsgesprekken) en maken daarbij gebruik van hetgeen is ontwikkeld in het kader van de programma’s Optimaliseren Onderwijs Palliatieve Zorg (O²PZ) en Scholing Palliatieve Zorg. NPPZ II is een tijdelijk programma, geeft een tijdelijke impuls. Voor de periode daarna wordt in 2025 met alle betrokken partijen een langjarige toekomstagenda voorbereid. Met bovenstaande afspraken kan borging plaatsvinden van alles wat er tot nu toe is bereikt. En ontstaat een basis waarop in de toekomstagenda verder kan worden gebouwd.
Wat is het tijdpad: • Bovenstaande afspraken gaan dit jaar in. NPPZ II loopt nog tot en met 2026. De regionale transformaties palliatieve zorg lopen daarna nog door, onder andere via het IZA/AZWA. Wat zijn de regeldrukeffecten: • Uit de kwalitatieve inschatting van de regeldrukeffecten van deze afspraak blijkt dat deze afspraak geen effect heeft op de regeldruk.
Toelichting: Palliatieve zorg en terminale zorg moeten een vanzelfsprekend onderdeel zijn van de reguliere zorg en ondersteuning, zoals ook in het regeerprogramma staat. Voor goede palliatieve zorg is het belangrijk dat zorgverleners vroegtijdig het gesprek aangaan met de patiënt over zijn/haar wensen en voorkeuren om te weten wat een patiënt belangrijk vindt in de laatste fase van het leven (proactieve zorgplanning). Daarnaast is goede samenwerking tussen de verschillende betrokken zorgverleners zoals (wijk)verpleging, huisarts en medisch specialist nodig bij het verlenen van palliatieve zorg (transmurale samenwerking). Om deze werkwijze te stimuleren moet de bekostiging de gewenste zorg in de palliatieve fase ondersteunen. Het doel van proactieve zorgplanning is om samen met de patiënt en diens naasten vroegtijdig wensen en grenzen aan zorg en ondersteuning voor de laatste levensfase te bespreken. Deze gesprekken leiden tot een individueel en met betrokken zorgverleners afgestemd en gedeeld zorgplan. Vroegtijdige gesprekken met de patiënt en samenwerking tussen zorgverleners en het sociaal domein in de palliatieve fase faciliteert passende zorg. De verwachting is dat er als gevolg van proactieve zorgplanning een verschuiving van zorg plaatsvindt. Dit komt doordat proactieve zorgplanning niet-passende zorg in de laatste levensfase vaker kan voorkomen.
Inzet is dat de invoering van proactieve zorgplanning budgetneutraal verloopt door verschuiving van zorg binnen het ziekenhuis, van behandeling en opname naar gesprek en door verschuiving naar de eerste lijn. Zorgverzekeraars en zorgaanbieders maken hierover afspraken.
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 54
3.3 Beweging naar de voorkant Inzet: Z orgvragers eerder en beter helpen (van 3e lijn tot in het sociaal domein) zodat ze minder snel een medische zorgvraag krijgen D1
Medisch-specialistische zorginstellingen werken samen in netwerken en zij verbinden hun aanbod via de regioplannen aan de zorgvraag
Toegankelijkere medisch-specialistische zorg Wat is de afspraak: Instellingen voor medisch-specialistische zorg (msz) bundelen kennis en kunde in toenemende mate in netwerken en verbinden hun aanbod met de brede zorgvraag in hun regio waarbij de zorg voor mensen dichtbij georganiseerd is waar dat kan en met behoud van goede kwaliteit van zorg. Wie gaat wat doen en wanneer: • Binnen het IZA-traject Toekomstbestendig zorglandschap door spreiding en concentratie wordt door de Ronde Tafels momenteel al gewerkt aan minimale eisen voor (samenwerking in) netwerken. Zorgaanbieders, zorgprofessionals, patiënten en zorgverzekeraars leggen hier uiterlijk in september 2025 minimale eisen vast voor samenwerking in netwerken in een landelijke standaard “medischspecialistische zorgnetwerken”. • Het is voor alle regionale (zorg)partijen in de keten belangrijk dat duidelijk is waar welke zorg wordt geboden. In elke regio nemen daarom de twee grootste zorgverzekeraars het voortouw om met het oog op de gewenste procescoördinatie de bestaande regio en ROAZ plannen in 2026 aan te vullen met gevolgen voor regionale zorgaanbod die voortvloeien uit lopende IZA-trajecten zoals concentratie en spreiding en andere transformatietrajecten in de medisch-specialistische zorg en om de consistentie tussen ROAZ- en regioplannen te borgen.
Het uitgangspunt is dat deze aanvullingen plaatsvinden binnen bestaande plannen en overlegstructuren om de administratieve lasten te beperken. Hierbij worden, conform reguliere governance-structuur van de ROAZ- en regioplannen, de relevante AZWA partijen betrokken en de totstandkoming is een gezamenlijke verantwoordelijkheid. • De medisch-specialistische zorg (msz) gaat – voor zover dat nog niet het geval is – onderdeel uitmaken van de ROAZ- en regioplannen. In deze plannen worden de afspraken beschreven die in de regio zijn gemaakt over de transformatie binnen het zorglandschap en op hoofdlijnen wie welke zorg levert. Waarbij wordt geborgd dat het zorgaanbod regionaal samenhangend is en aansluit op de behoefte in de regio. Hieronder valt ook dat de beschikbaarheid en kwaliteit van de spoedeisende hulp en acute verloskunde in de regio worden geborgd en hoe (streek)ziekenhuizen hierin samenwerken. • Zorgverzekeraars ondersteunen de borging van de msz basisinfrastructuur via de inkoop. In dit licht is ook de consistentie met de afspraken onder “[E4] We zorgen dat iedereen een eerlijke bijdrage levert” van belang. • De aangevulde ROAZ- en regioplannen vormen een belangrijk uitgangspunt voor de inkoop en financiering door zorgverzekeraars. Nadat de twee marktleiders zorgverzekeraars akkoord zijn met het ROAZ- en regioplan, volgen de andere zorgverzekeraars.
Zorgverzekeraars maken duurzame afspraken met de regionale zorgaanbieders over de strategische keuzes en bijbehorende transformatie. Zij streven ernaar, op basis van de aangevulde plannen, zorgaanbieders meerjarige zekerheid te bieden om de beschreven veranderingen in de ROAZ- en regioplannen te realiseren en noodzakelijke investeringen te kunnen doen. • Vanuit het IZA zijn middelen beschikbaar gesteld voor: - Het programma ‘Citrienfonds 3’, dit programma onder regie van de NFU richt zich op het bevorderen van toekomstbestendige zorg (€28 mln. voor de periode 2024 - 2028) - Het programma ‘Medisch-specialistische Zorg en Onderzoek’ (MedZO), dit programma richt zich op het stimuleren van passende zorg en de doelmatigheid en effectiviteit van interventies in algemene ziekenhuizen, revalidatiecentra, categorale ziekenhuizen of instellingen en zelfstandige behandelcentra in de medisch-specialistische zorg (€ 40 mln. voor de periode 2024 - 2028). • Samen zetten umc’s, ziekenhuizen en andere (zorg)partijen de komende jaren wederkerige stappen in het creëren van meer synergie in het regionaal onderzoekslandschap en de onderzoeksinfrastructuur die hiervoor nodig is. Het gaat hier om het regionaal inzetten van de (1) faciliteiten/apparaten, (2) data infrastructuren en de (3) researchondersteuning ten behoeve van zowel het (eigenstandig) opzetten van
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 55
•
onderzoek alsmede het participeren in elkaars onderzoek door het includeren van patiënten. NFU en NVZ maken in overleg met VWS uiterlijk Q3 2025 afspraken over het intensiveren van de samenwerking tussen umc’s, algemene ziekenhuizen, revalidatiecentra en categorale instellingen teneinde de regionale onderzoeksinfrastructuur binnen de medisch-specialistische zorg te versterken en te verbreden. Doel is om de kennis, expertise en capaciteit vanuit de UMC’s toegankelijk te laten zijn voor aanbieders in de regio en de onderzoeksinfrastructuur optimaal en doelmatig te benutten. Er worden hiervoor geen aanvullende kosten in rekening gebracht aangezien umc’s dit al bekostigd hebben uit publieke middelen. Regionaal worden hier afspraken over gemaakt. Periodiek wordt de toegankelijkheid landelijk geëvalueerd. De adviezen vanuit de onderzoeksevaluaties TOVER (IQ Healthcare in opdracht van ZonMW) en de beschikbaarheidsbijdragen (SiRM in opdracht van VWS) worden bij het maken van deze afspraken betrokken. De toenemende zorgvraag en personeelskrapte zetten de toegankelijkheid en de kwaliteit van de acute zorg onder druk. Om kwalitatief goede en toegankelijke acute zorg te kunnen blijven bieden, vindt op dit moment al differentiatie plaats in hoe de acute zorg door zorgaanbieders wordt georganiseerd. Doorontwikkeling van kwaliteitseisen dient bij deze differentiatie aan te sluiten.
Differentiatie in kwaliteitseisen voor verschillend aanbod van acute zorg in ziekenhuizen zorgt dat de gestelde eisen beter passen bij de verschillen in zorgaanbod, zodat ziekenhuizen geen acute zorg hoeven sluiten omdat ze niet aan onrealistische eisen kunnen voldoen. Differentiatie in kwaliteitseisen doet bovendien recht aan de praktijk waarin al verschillende alternatieve organisatievormen van acute zorg vormkrijgen, zoals spoedeisende hulpen, spoedpleinen, spoedposten of acute zorg afdelingen. - Partijen spreken af dat onder regie van de Landelijke Spoedzorgtafel uiterlijk in Q4 2025 een voorstel wordt uitgewerkt dat bestaat uit een set gedifferentieerde kwaliteitseisen voor verschillend aanbod van acute zorg in ziekenhuizen. Zij maken hierbij gebruik van de inzichten uit het toezicht van de IGJ en brengen de mogelijke gevolgen in kaart. Ook wordt de verbinding gelegd met het NZa-traject over budgetbekostiging van de SEH. - De partijen van de Landelijke Spoedzorgtafel zullen vervolgens op bestuurlijk niveau beslissen over dit voorstel. - Mocht de Landelijke Spoedzorgtafel niet voor 1 januari 2026 tot een voorstel komen, dan plaatst het Zorginstituut de kwaliteitseisen voor verschillend aanbod van acute zorg in ziekenhuizen op haar meerjarenagenda.
D2
Structurele borging versterking eerstelijnszorg Wat is de afspraak en wie doet wat in welk tijdpad: Partijen die de visie eerstelijnszorg 2030 hebben opgesteld, werken samen aan de uitvoering hiervan middels de realisatieagenda25. Dit vormt de basis van de versterking eerstelijnszorg t/m 2030 met als doel de eerstelijnszorg duurzaam toegankelijk houden door de personele capaciteit optimaal in te zetten. Deze partijen maken de volgende aanvullende afspraken om de visie (sneller) te realiseren en structureel te borgen: a. Hechte wijkverbanden: Hechte wijkverbanden werken multidisciplinair samen in de wijk. De huidige financiering en bekostiging in de Zvw leiden soms tot knelpunten in deze samenwerking. Visiepartijen voeren daarom in 2025 een knelpuntenanalyse uit naar waar de huidige monodisciplinaire contractering en bekostiging van eerstelijnszorgsectoren de samenwerking zoals beoogd in hechte wijkverbanden in de weg zit. Het gaat dan specifiek over de bekostiging van de zorgverlening in de wijk. Voor de partners uit het sociaal domein wordt verwezen naar de afspraken D5 en D6. Na deze analyse werken partijen, wanneer nodig, oplossingsrichtingen uit die bijdragen aan goede samenwerking in de wijk en de transitiedoelen. Bij de analyse wordt ook rekening gehouden met de beoogde RESV bekostiging.
• Hierbij is specifieke aandacht voor de randvoorwaarden (waaronder contractering en bekostiging in de Zvw) voor de belangrijke rol van de wijkverpleging als onderdeel van het hechte wijkverband bij het in kaart brengen en bespreken van kwetsbaarheid van mensen die in de wijk wonen. Dit om te zorgen dat een zorg- of ondersteuningsbehoefte tijdig in beeld komt, met als doel verminderen van instroom in wijkverpleging/Wlz, het verminderen van inzet van wijkverpleging of huisartsenzorg of het voorkomen van SEH-bezoek. Het gaat hier om afspraken over vroegtijdig/proactieve inzet door sommige aanbieders van wijkverpleging die vanuit het hechte wijkverband een rol hierin toebedeeld krijgen. Betrokken partijen haken de NZa aan bij de uitwerking van deze afspraak. b. Structurele financiering van regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden (RESV’s) per 2027. VWS hoogt het budgettair kader multidisciplinaire zorg (MDZ) per 2027 structureel op om landelijke financiering van RESV’s structureel mogelijk te maken na afloop van de financiële impuls via ZonMw. De RESV’s zorgen, conform de visie eerstelijnszorg, voor (financiële) ondersteuning naar de hechte wijkverbanden m.b.t. organisatie en coördinatie. Daarbij faciliteren ze mede de samenwerking tussen de eerstelijnszorg en het sociaal domein.
Wat zijn de regeldrukeffecten: Uit de kwalitatieve inschatting van de regeldrukeffecten van deze afspraak blijkt dat de regeldruk naar verwachting afneemt door deze afspraak. Verbetering van de samenwerking kan op de langere termijn een efficiëntie op gaan leveren en een verminderen van administratieve lasten. Op korte termijn moeten standaarden worden opgesteld en samenwerkingen verder worden vormgegeven. Dit kan daarom in het begin zorgen voor een lichte toename aan administratieve lasten.
Toelichting: Het gegeven dat mensen in toenemende mate een beroep gaan doen op de zorg de komende jaren zonder dat het aantal zorgprofessionals in dezelfde mate meegroeit betekent dat we de zorg slimmer moeten organiseren. Alle beschikbare zorgcapaciteit blijft nodig. Een toegankelijkere medisch-specialistische zorg vraagt om gezamenlijke doorontwikkeling en afstemming van de organisatie van zorg in ons land. Dit geldt zowel voor instellingen die medisch-specialistische zorg leveren als voor de verbinding met andere aanbieders van zorg en ondersteuning in een regio. Er wordt onder andere ingezet op versterkte samenwerking en meerjarige financiële en inhoudelijke afspraken met instellingen voor medisch-specialistische zorg om meer zekerheid te bieden. Ook worden afspraken gemaakt die borgen dat het regionale msz-aanbod en daarbij behorende verpleegkundige zorg aansluit bij wat nodig is in de regio. Om het medisch specialistisch zorglandschap toekomstbestendig in te richten, werken aanbieders in een regio in netwerken samen, waarbij de ziekenhuizen hun aanbod en hun huidig en toekomstig portfolio op elkaar afstemmen opdat dit ook in de toekomst aansluit op de zorgbehoefte in de regio en optimaal gebruik wordt gemaakt van regionaal beschikbare kennis, capaciteit en infrastructuur. De ROAZ- en regioplannen worden in 2026 overeenkomstig aangevuld en ondersteund.
Gezamenlijk zorgen de aanbieders dat zorg voor mensen dichtbij georganiseerd is waar dat kan met behoud van goede kwaliteit van de zorg en aansluit op de regionale behoefte. Zij focussen scherper op zorg die echt binnen de msz moet plaatsvinden en niet elders kan worden geboden. Instellingen voor medisch-specialistische zorg werken samen om kennis en kunde te bundelen en doen dit in verbinding met de brede zorgvraag in de regio. Dit komt de toegankelijkheid van zorg ten goede. Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 56
De versterking van de eerstelijnszorg wordt structureel geborgd
Wat zijn de regeldrukeffecten: Uit de kwalitatieve inschatting van de regeldrukeffecten van deze afspraak blijkt dat de regeldruk naar verwachting afneemt door deze afspraak. De afspraak bestaat uit meerdere deelafspraken die samen opgeteld tot deze score leiden.
Toelichting: Kern van de visie eerstelijnszorg 2030 is dat we de eerstelijnszorg duurzaam toegankelijk houden door de personele capaciteit optimaal in te zetten. Zo streven we ernaar het gat te dichten tussen de (toenemende) zorgvraag en de (beperkte) beschikbare personele capaciteit. Kern is dat zorgverleners in de wijk en regio veel beter gaan samenwerken, ook met het sociaal domein. Hiervoor zijn hechte wijkverbanden en RESV’s nodig. Deze laatsten faciliteren en ontzorgen professionals in de eerstelijnszorg, zodat beschikbare capaciteit maximaal wordt benut. Dat vraagt tijdelijk en structureel extra inspanning en middelen. De tijdelijke middelen lopen t/m 2026 via ZonMw. Met subafspraak b borgen we dit ook structureel. Via subafspraak a onderzoeken we wat aanvullend nodig is om samenwerking in de wijk tussen beroepsgroepen duurzaam vorm te geven.
25
De realisatieagenda is in december 2024 bestuurlijk vastgesteld en ligt voor bij de achterbannen van betrokken partijen. Daarna is deze pas definitief.
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 57
D3
Huisartsen gaan standaard met een vaste patiëntenpopulatie werken
Eerstelijnszorg: Huisartsenzorg Wat is de afspraak: Voor goede toegang tot zorg is het essentieel dat alle inwoners in Nederland zijn ingeschreven bij een vaste huisarts(enpraktijk). Om toekomstbestendige huisartsenzorg voortvarend te realiseren is het van belang dat meer huisartsen met een vaste patiëntenpopulatie werken. Dit is ook van belang om te zorgen dat huisartsen de samenwerking met andere professionals in de wijk en de regio adequaat kunnen vormgeven. Dit kan in vele (innovatieve) vormen: als praktijkhouder, in loondienst of in een andere vorm van ‘patiënthouderschap’. Om dit te realiseren is een gezamenlijke inspanning nodig, in elke regio maar ook landelijk. In het IZA zijn al belangrijke afspraken gemaakt om de huisartsenzorg toekomstbestendig te maken (onder meer MTVP en ANW-zorg). Om benodigde extra stappen te zetten, voeren LHV, InEen, Patiëntenfederatie, ZN en VWS de onderstaande werkagenda uit. Doel is dat het aantal mensen dat ongewenst zonder huisarts zit eind 2028 naar nul daalt en dat het percentage huisartsen dat met een vaste patiëntenpopulatie werkt stijgt. Wie gaat wat doen en wat is het tijdpad: 1. LHV, InEen en ZN realiseren een landelijk werkend systeem waarmee inzicht ontstaat welke huisartsenpraktijken plek hebben voor nieuwe patiënten. Dit helpt o.a. patiënten die door een verhuizing te ver van hun huisarts wonen bij het ‘ruilen’ van praktijk26.
Het systeem komt eind 2025 beschikbaar voor alle RHO’s en helpt alle betrokkenen om de capaciteit optimaal te benutten. De keuze om te ruilen blijft bij de patiënt. 2. Via de werkgroep die opvolging geeft aan de aanbevelingen van de IGJ en NZa over ketenvorming in de huisartsenzorg, vertalen LHV en NHG de kernwaarden van de huisartsenzorg naar werkbare en toetsbare uitgangspunten of normen. Het Zorginstituut begeleidt partijen bij de uitvoering van deze afspraken. De werkgroep levert uiterlijk Q3 2025 het eindproduct van de verkenning op. 3. ZN stelt samen met LHV en InEen (en in afstemming met Patiëntenfederatie, NZa en VWS) een landelijke leidraad op ten behoeve van ‘maatwerk voor duurzame continuïteit in elke regio’. Vervolgens vertalen zorgverzekeraars dit zelf naar inkoopbeleid. Zie de betreffende AZWA-afspraak D4. 4. LHV, InEen, ZN en VNG werken samen met VWS verder aan het oplossen van huisvestingsproblematiek van huisartsen(praktijken). Deze partijen leveren daartoe in Q3 2025 een nieuwe en uitgebreide versie van de Handreiking huisvestingsproblematiek huisartsen en gezondheidscentra 2.0 op om huisartsen zo snel mogelijk te helpen aan betaalbare, voldoende en geschikte praktijkruimtes27. De handreiking 2.0 bevat een ‘stroomschema’ met stappen die doorlopen kunnen worden bij huisvestingsproblematiek.
Dit stroomschema beschrijft ook hoe financiële knelpunten kunnen worden opgelost indien huisvestingsproblematiek leidt tot discontinuïteit van zorg in de regio. Daarmee is er een sterke samenhang met afspraak D4 over ‘maatwerk per regio’ waarin partijen afspraken maken over financieel maatwerk om continuïteit van huisartsenzorg te borgen. Leden van deze partijen werken volgens het principe ‘pas de handreiking toe, of leg uit’. Hiermee wordt de status van de handreiking verder verstevigd met als doel de continuïteit van huisartsenzorg – nu en in de toekomst – te borgen. 5. VWS onderzoekt in de voor het einde van 2025 samen met LHV, InEen, ZN, opleidingen en experts uit het veld en de wetenschap welke mogelijkheden er zijn om actiever te sturen op spreiding van huisartsen over het land. 6. VWS gaat, samen met LHV, InEen en ZN, in gesprek met de NZa over de wijze waarop de bekostiging kan bijdragen aan de gezamenlijke beleidsdoelen28. Zie daarnaast de afspraken die in D4 zijn gemaakt omtrent segment 3 van de bekostiging huisartsenzorg. 7. Partijen monitoren de ontwikkeling in het aantal mensen zonder huisarts en het aantal huisartsen dat met een vaste populatie werkt. VWS neemt hierin het voortouw. Deels kan hierbij gebruik gemaakt worden van de MTVP-monitor.
26
27
28
Uit onderzoek van Nivel blijkt dat circa 300.000 volwassenen zich na een verhuizing niet kunnen inschrijven bij een huisartsenpraktijk in de nieuwe buurt. Hiermee geeft VWS uitvoering aan de motie van de Tweede Kamerleden Dobbe en Dijk over een Noodplan Huisartsenpraktijk om huisartsen zo snel mogelijk te helpen aan betaalbare, voldoende en geschikte praktijkruimtes. Hiermee geeft VWS aan motie van de Tweede Kamerleden Bushoff en Dijk over in gesprek gaan met de NZa over een andere vorm van tariefberekening voor de huisartsenzorg waarbij toekomstscenario’s worden meegenomen. Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 58
Wat zijn de regeldrukeffecten: Uit de kwalitatieve inschatting van de regeldrukeffecten van deze afspraak blijkt dat deze afspraak naar verwachting geen effect heeft op de regeldruk. Mogelijk dat een ruilsysteem als bijkomend voordeel heeft dat inschrijven van nieuwe patiënten deels geautomatiseerd wordt, waardoor administratielast voor zorgverleners afneemt maar dit is nog onzeker.
Toelichting: De huisartsenzorg is het fundament van het zorgstelsel. Een langdurige relatie tussen zorgverleners uit de huisartsenzorg en patiënten leidt bewezen tot betere kwaliteit van zorg, minder (onnodig) zorggebruik en meer werkplezier. Deze werkagenda draagt in combinatie met de hiernavolgende afspraak dus bij aan de effectieve inzet van beschikbaar personeel in de huisartsenzorg en aan het voorkomen van zorgvraag elders.
D4
Met (financieel) maatwerk in elke regio borgen we de duurzame continuïteit van de huisartsenzorg
Eerstelijnszorg: Huisartsenzorg Intro Het is belangrijk dat elke inwoner van Nederland zich kan inschrijven bij een huisarts in de buurt. Veel huisartsen willen met een vaste patiëntenpopulatie werken, maar op dit moment doet een significant deel van de huisartsen dat niet. Met afspraken in het IZA zijn belangrijke generieke afspraken gemaakt die de huisartsenzorg versterken en het werken met een vaste populatie aantrekkelijker maken. Dit betreft o.a. Meer Tijd Voor de Patiënt, ANW-zorg, de handreiking huisvestingsproblematiek en extra uren poh-ggz. Het budgettair kader huisartsenzorg 2023-2026 bood ruimte om deze afspraken ook financieel te realiseren. Wat is de afspraak? LHV, InEen, Patiëntenfederatie, ZN en VWS spreken af dat zij in 2026-2028 gezamenlijk topprioriteit geven aan het realiseren van duurzame toegankelijkheid en continuïteit van huisartsenzorg in elke regio. Zorgverzekeraars zetten daarvoor beschikbare financiële middelen via de contractering gericht in: in die regio’s en wijken waar de (verwachte) tekorten aan huisartsenzorg het grootst zijn en waar gerichte investeringen de meeste impact hebben. De vraagstukken en knelpunten verschillen immers per regio en zelfs binnen regio’s. Ook vraagt het type knelpunten om gerichte investeringen en niet om extra generieke (bekostigings)maatregelen. Er wordt dus maatwerk geleverd.
Hiermee nemen huisartsen, RHO’s en zorgverzekeraars gezamenlijk de verantwoordelijkheid om de toegankelijkheid en continuïteit van huisartsenzorg in elke regio duurzaam te borgen. De incidentele investeringen kunnen via de contractering breed worden ingezet, zolang deze aantoonbaar bijdragen aan duurzame toegankelijkheid en continuïteit van zorg in de regio. Denk hierbij o.a. aan het (oplossen van knelpunten rondom het) werven, behouden of ondersteunen van praktijkhoudend huisartsen, het starten, overnemen of uitbreiden van praktijken of het introduceren van innovatieve vormen van werken in de regio. Het budgettair kader huisartsenzorg biedt ruimte voor deze maatwerkafspraken in de jaren t/m 2028. Wie gaat wat doen en wanneer? • ZN stelt samen met LHV en InEen (en in afstemming met Patiëntenfederatie, NZa en VWS) voor het einde van 2025 een landelijke leidraad op waarmee zij regio’s richting geven bij het gericht inzetten van de middelen voor incidentele investeringen. De leidraad gaat in ieder geval in op het doel van het maatwerk, verantwoordelijkheden van partijen en het proces waarmee regio’s hierover afspraken kunnen maken. De leidraad beschrijft hoe zorgverzekeraars in de contractering geobjectiveerde keuzes kunnen maken bij de verdeling van middelen over en binnen regio’s. Ook bevat de leidraad thema’s waarover afspraken gemaakt kunnen worden binnen een regio.
Partijen maken bij het opstellen van de leidraad gebruik van goede voorbeelden uit de praktijk. Zorgverzekeraars vertalen de leidraad vervolgens zelf naar inkoopbeleid. • Uitgangspunt is dat de middelen worden ingezet op plekken waar (verwachte) knelpunten in toegankelijkheid en continuïteit zijn en daar waar investeringen de meeste impact hebben op duurzame toegankelijkheid en continuïteit van zorg. Dat betekent dus dat per regio zal verschillen of en hoeveel van deze maatwerkmiddelen worden ingezet. Voor de objectivering van knelpunten en onderbouwing
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 59
•
•
•
van de verdeling van de middelen gebruiken partijen beschikbare informatie van o.a. Nivel, NZa en zorgverzekeraars over regionale verschillen in de toegankelijkheid van huisartsenzorg. Zorgverzekeraars verwerken de afspraken uit de landelijke leidraad zelf in hun inkoopbeleid. Bij het maken van maatwerkafspraken t.b.v. continuïteit in de regio baseren zorgverzekeraars zich mede op de afspraken uit de leidraad en op de inbreng van het collectief van huisartsen29 uit de regio. Zorgverzekeraars sluiten zo aan bij wat er regionaal nodig is. De zorgverzekeraars blijven eindverantwoordelijk voor de inzet van dit premiegeld. De marktleider zorgverzekeraar maakt deze afspraken, waarbij de andere verzekeraars volgen. Het collectief van huisartsen in elke regio ontwikkelt een plan voor continue en toegankelijke huisartsenzorg, waarmee iedere inwoner in de regio toegang krijgt tot een vaste huisarts. De plannen worden door de preferente verzekeraar beoordeeld, mede op basis van de landelijke leidraad en ondersteund door objectieve data (o.a. de “landkaartjes” van Nivel). De plannen die positief worden beoordeeld vertaalt de verzekeraar naar de contractering en hebben een concrete resultaatverplichting. De RHO zet zich in voor het uitvoeren van deze afspraak en wordt hiervoor gefinancierd via het MDZkader (O&I). Daarover worden afspraken gemaakt met de zorgverzekeraars.
Om deze contractering maximaal te ondersteunen vraagt VWS de NZa om op basis van de landelijke leidraad per 2027 aanpassingen te doen in segment 3 van de huisartsenbekostiging om maatwerkafspraken over continuïteit van zorg te stimuleren. Hiervoor dient de leidraad tijdig te zijn afgerond. Ook vraagt VWS de NZa een inschatting te maken of en hoe de inkomsten en kosten van deze maatwerkafspraken meegewogen moeten worden in toekomstige kostprijsonderzoeken, omdat het naar verwachting op het niveau van huisartsenpraktijken om incidentele middelen gaat ten behoeve van het praktijk-overstijgende belang, namelijk de toegankelijkheid van zorg in de regio.
Wat zijn de regeldrukeffecten: Uit de kwalitatieve inschatting van de regeldrukeffecten van deze afspraak blijkt dat deze afspraak naar verwachting geen effect heeft op de regeldruk. Maatwerk is nu al mogelijk, maar met deze afspraak wordt eenduidiger hoe daar gebruik van kan worden gemaakt.
D5
We versterken de samenwerking tussen partijen op het snijvlak (eerstelijns)zorgdomein en sociaal domein
Samenvatting afspraak We beperken de toestroom in de Zvw-zorg door het versterken van de samenwerking tussen het zorgdomein en sociaal domein30. Om dit te realiseren spreken zorgverzekeraars, gemeenten en aanbieders van zorg en ondersteuning concrete basisfunctionaliteiten af (het wat) op de leefgebieden kansrijk opgroeien, gezonde leefstijl, mentale gezondheid, vitaal ouder worden en gezondheidsachterstanden. Deze functionaliteiten zijn in elke regio of gemeente ingevuld en beschikbaar voor inwoners. Lokaal wordt bepaald welke interventie (het hoe) ingezet wordt om invulling te geven aan de basisfunctionaliteit. De partijen zijn overeengekomen om: • De basisfunctionaliteiten laagdrempelige steunpunten EPA, Sociaal Verwijzen, Valpreventie, de Ketenaanpak overgewicht en obesitas volwassenen (GLI) en Kansrijke start (in het bijzonder nu niet zwanger en integrale gezinspoli) structureel te implementeren. • De aanpakken Mentale Gezondheidsnetwerken (o.a. Verkennend Gesprek), Ketenaanpak dementie (inclusief preventie), Ketenaanpak overgewicht kinderen, Rookvrije start binnen Kansrijke Start en de Multiproblematiek aanpak (NPLV) op korte termijn door te ontwikkelen tot een basisfunctionaliteit en vast te stellen (Q1 2026). Deze worden nu incidenteel gefinancierd. • Onderdelen die nog niet zijn uitgewerkt op een ontwikkelagenda (deel 2) te plaatsen.
D5 Basisf unctionaliteit onderbouwd
D5 ontwikkelagenda 1
Ontwikkelagenda deel 2
D6 Basis- infrastructuur
Leefgebied
Maatregel
Maatregel
Maatregel
Maatregel
1. Mentale Gezondheid
• Laagdrempelige steunpunten EPA • Sociaal Verwijzen
• Mentale Gezondheidsnetwerken (onder andere verkennend gesprek)
• Aanpak eenzaamheid • Wachttijd ondersteuning • Lotgenotengroepen • Toeleiden naar werk • Verslavingspreventie
2. Vitaal ouder worden/ ouderen
• Valpreventie
• Ketenaanpak dementie (incl. preventie)
• Ketenaanpak vitaal thuis
3. Leefstijl
• Ketenaanpak overgewicht en obesitas volwassenen
• Nicotinevrij
• Samenwerking ziekenhuis & gemeenten • Seksuele gezondheid
4. Kansrijk opgroeien
• Kansrijke start: integrale gezinspoli en Nu Niet Zwanger
• Ketenaanpak overgewicht en obesitas kinderen • Kansrijke start: Rookvrije start
• Middelengebruik (roken, vapen, drugs, alcohol) • Mentale gezondheid jeugd • Stevig ouderschap • Gokken/gamen
• Inloopvoorzieningen Socaal en Gezond (buurt en ziekenhuis) (inclusief gezondheidsloketten) • Lokaal team hechte wijkverbanen eerstelijn (inclusief aansluiting jgz) • Coördinatie (gemeenten) versterken samenwerking medisch sociaal (inclusief regie uitvoering basisfunctionaliteiten) • (Mentale) Gezonde school
5. Gezondheidsachterstanden verminderen en voorkomen
• Multiproblematiek aanpak (NPLV)
• Verhogen vaccinatiegraad • Aanpak armoede en schulden
• Lokale coalities Kansrijke Start • Buursportcoaches • Suïcidepreventie • Middelen SPUK IZA
Tabel 1. Er is overeenstemming over de inhoud van de basisfunctionaliteit, voor de ontwikkelagenda deel 1 worden de benoemde aanpakken op korte termijn doorontwikkeld tot een basisfunctionaliteit en vastgesteld (Q1 2026). De ontwikkelagenda deel 2 is een weergave van de inventarisatie op dit moment, dit is nog niet uitgewerkt en wordt nog aangepast op basis van inzichten de komende periode. De oranje cellen geven weer waar momenteel al middelen voor beschikbaar zijn.
Samenwerking sociaal/zorgdomein Wat is de afspraak: We versterken de samenwerking tussen het zorgdomein en sociaal domein31 (hierna: zorg-sociaal) zodat mensen (gelijkwaardige toegang tot) de zorg en ondersteuning krijgen die zij daadwerkelijk nodig hebben. Om dit te realiseren zijn er twee doorbraakafspraken nodig: concrete landelijke afspraken op het snijvlak van het zorgdomein en sociaal domein (D5) en afspraken over basisvoorzieningen in wijken en buurten op het gebied van gezondheid, ondersteuning, welzijn en zorg (D6)32. We maken landelijke afspraken tussen o.a. zorgverzekeraars, gemeenten en aanbieders van zorg en ondersteuning over concrete basisfunctionaliteiten (het wat) op de thema’s kansrijk opgroeien, gezonde leefstijl, mentale gezondheid, vitaal ouder worden en gezondheidsachterstanden verminderen. Het gaat dan om basisfunctionaliteiten zoals sociaal verwijzen, valpreventie en volwassenen met overgewicht en obesitas. Deze functionaliteiten zijn in elke regio of gemeente ingevuld en beschikbaar voor inwoners. Gemeenten, zorgverzekeraars en aanbieders van zorg en ondersteuning zijn hierop wederzijds aanspreekbaar. In de werkagenda behorend bij het regioplan werken sociale en zorgpartijen uit welke (gezondheids)doelen bereikt
29 30
Met het collectief van huisartsen in de regio wordt bedoeld de RHO, in nauwe samenwerking met huisartsen en LHV-afdeling. Sociaal domein behelst ook de publieke gezondheid
31 32
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 60
Sociaal domein behelst ook de publieke gezondheid Sociale basisinfrastructuur, lokale teams en de wettelijke verankering van gezondheidstaken Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 61
moeten worden, hoe de basisfunctionaliteiten hiervoor ingezet worden en hoe de onderlinge samenwerking in hun regio concreet georganiseerd is. Zij maken gebruik van een ‘gereedschapskist’ met effectieve aanpakken/interventies op het snijvlak zorg/sociaal (het hoe) welke regionaal en lokaal geïmplementeerd worden. Lokaal wordt bepaald welke interventie ingezet wordt om invulling te geven aan de basisfunctionaliteit. De landelijke basisfunctionaliteiten bevatten concrete afspraken op samenwerking tussen de domeinen, randvoorwaarden, definitie van doelgroep en signalering en zijn doorgerekend op de impact op zorgkosten/ WMO en inzet zorg/welzijnspersoneel. De afspraken zijn wederkerig, partijen zijn hierop aanspreekbaar en er is sprake van structurele financiering. In dit landelijk kader (Q1 2026 gedetailleerd uitgewerkt) zijn basisfunctionaliteiten als sociaal verwijzen en valpreventie opgenomen, zie eerste/groene kolom tabel 1. Een aantal aanpakken voldoet nog niet aan alle eisen voor een basisfunctionaliteit maar heeft wel veel potentie om op korte termijn een wezenlijke bijdrage te leveren aan de transitiedoelen zoals geformuleerd in het AZWA. Daarom worden deze op korte termijn doorontwikkeld (Q1 2026), zoals Mentale gezondheidsnetwerken (o.a. Verkennend Gesprek), Ketenaanpak dementie (inclusief preventie), Multiproblematiek aanpak (NPLV), zie tweede kolom tabel 1.
Op de wat langere termijn staan bijvoorbeeld de uitwerking van basisfunctionaliteiten aanpak eenzaamheid, toeleiden naar werk, seksuele gezondheid en samenwerking tussen ziekenhuizen en gemeenten (leefstijlloketten) op de ontwikkelagenda, zie derde/ oranje kolom tabel 1.
• •
•
•
De basisfunctionaliteiten en de ’gereedschapskist’, worden structureel verankerd. Er is uitbreiding mogelijk vanuit ontwikkelagenda deel 1 en deel 2. Wat betreft de structurele financiering geldt dat indien aanpakken op deze ontwikkelagenda leiden tot een besparing in de Zvw of Wlz deze besparingen structureel kunnen worden ingezet in het sociaal domein en dat de uitvoering van de basisfunctionaliteit structureel wordt gefinancierd. Daarbij gelden de volgende voorwaarden: 1) voldoende bewijslast over de verwachte besparing; 2) de besparing wordt gerealiseerd door een intensivering van een bestaande of een nieuwe maatregel; 3) dekking voor de gehele looptijd van de maatregel; 4) een kabinetsbesluit via de reguliere begrotingsprocessen.
•
Uitgangspunten financieringsvorm De middelen voor het sociaal domein en gezondheid worden aan gemeenten verstrekt. Voor het selecteren van een financieringsvorm wordt een zorgvuldig proces ingericht tussen VNG, de fondsbeheerders en het vakdepartement om het passende instrument te kiezen. Hierbij wordt de Financiële verhoudingenwet (en MvT) als vertrekpunt genomen. In elk geval worden monitoringsafspraken gemaakt die recht doen aan het bewaken van de voortgang op de afspraken in dit akkoord. Monitoringsafspraken worden vormgegeven vanuit wederzijds vertrouwen en sluiten zoveel mogelijk aan bij bestaande gegevensbronnen en reguliere verantwoording aan de gemeenteraad. Daarbij wordt ingezet op zo min mogelijk administratieve lasten en wanneer van toepassing verantwoordingslast. Een voorstel voor het inrichten van een nieuwe specifieke uitkering vraagt expliciete besluitvorming door het kabinet.
Het kabinet besluit over maatregelen na het doorlopen van deze criteria, tijdens het hoofdbesluitvormingsmoment in het voorjaar. Het kabinet behoudt de verantwoordelijkheid voor een besluit, zoals ook gebruikelijk bij Gezondheidsraadadviezen. De reguliere begrotingsregels en processen blijven van toepassing. Dit mechanisme zorgt voor een duurzame transformatie met lerend effect, waarbij basisfunctionaliteiten van de ontwikkelagenda naar vaststelling kunnen. Het structureel uitrollen van basisfunctionaliteiten vergt een kabinetsbreed besluit waarbij de budgettaire besluitvorming in het voorjaar landt. Tussentijdse voortgang op implementatie van de basisfunctionaliteiten zelf zal in de regio gemonitord worden. Deze monitor wordt nog ontwikkeld. De basisfunctionaliteiten worden inhoudelijke periodiek geüpdatet op basis van monitoring en evaluatie van de (boven)lokale uitvoering in 2028. De afspraken over samenwerking met het sociaal domein zijn AZWA-breed en gaan op voor zowel het IZA/GALA deel van de afspraken, als ook voor het HLO.
Inzet doorbraakmiddelen Met transformatieplannen en de bestaande GALA/IZA budgetten is al een start gemaakt met veel van de basisfunctionaliteiten met impact op zorg- en welzijnskosten en inzet van zorg/welzijnspersoneel. In de komende jaren wordt toegewerkt naar landelijke dekking vanaf 2030 voor de nu bekende basisfunctionaliteiten. We beogen een versnelling aan te brengen richting landelijke dekking van de basisfunctionaliteiten, om zo sneller impact te hebben met de D5 en D6 afspraken.
Ter illustratie: Een concreet voorbeeld van een basisfunctionaliteit is valpreventie. De landelijke afspraak is dat ouderen met een hoog valrisico in elke regio vanuit de eerstelijn worden gescreend op valrisicofactoren (valrisicobeoordeling) en dat de gemeenten en zorgprofessionals voorzien in de passende interventies (beweeginterventies, tips voor in huis etc.). In de gereedschapskist zitten interventies die ingezet kunnen worden in de regio, zoals Vallen Verleden Tijd, In Balans, Thuis Onbezorgd Mobiel. In de volgende afspraak (D6) wordt geregeld wat gemeenten in de wijk als basis aanbieden: sport- en beweegaanbod voor specifieke doelgroepen, zoals ouderen. Wie gaat wat doen en wanneer: • In de bijlage van dit akkoord zit een uitwerking van een landelijk kader met afspraken (en de verkenning op structurele verankering ervan) tussen ZN, VNG en VWS over de in tabel 1 beschreven basisfunctionaliteiten en de gereedschapskist met effectieve aanpakken op het vlak zorgdomeinsociaal domein. Met afspraken over de concrete inzet van deze partijen hierin en bijbehorende structurele financiering. De basisfunctionaliteiten (inclusief gereedschapskist en gevraagde inzet vanuit zorgverzekeraars, gemeenten en (zorg-)aanbieders) worden (digitaal) gecommuniceerd, zodat voor alle partijen in het sociaal domein en de zorg helder is wat van hen wordt verwacht.
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 62
Dit landelijk kader wordt uiterlijk in Q4 2025 vastgesteld in het BO IZA/AZWA en daarna periodiek herijkt. Onderwerpen op de ontwikkelagenda 1 worden uitgewerkt volgens de criteria voor basisfunctionaliteiten. Dit gebeurt door VNG, ZN en VWS, samen met betrokken partijen. De prioritering binnen de ontwikkel agenda wordt bepaald door VNG, ZN en VWS. Deze onderwerpen worden daarna ter besluitvorming voorgelegd aan het BO IZA/AZWA in Q4 2025, ter voorbereiding op de voorjaarsbesluitvorming. Voor de basisfunctionaliteiten op ontwikkelagenda 1 zijn incidentele middelen beschikbaar. Tevens worden voor de uitwerking van de onderwerpen op de ontwikkelagenda deel 2 in Q1 2026 plannen gemaakt door VNG, ZN en VWS wanneer deze onderwerpen aan de criteria van de basisfunctionaliteiten kunnen voldoen. Indien aanpakken op deze ontwikkelagenda leidden tot een besparing in de Zvw of Wlz kunnen deze besparingen structureel worden ingezet in het sociaal domein. Besluitvorming hierover vindt plaats in het kabinet, na voorbereiding door BO IZA/AZWA. ZN, VNG en VWS werken uiterlijk Q1 2026 een governance uit voor het beheer van de gereedschapskist. Dit doen we in samenwerking met het Zorginstituut, GGD GHOR Nederland, SWN, Trimbos, RIVM (i.r.t. loket Gezond Leven), Movisie en NJi. Dit wordt ter besluitvorming voorgelegd aan het BO IZA/ AZWA. Hierbij wordt ook eigenaarschap en ontwikkeling (incl.
monitoring) verder vormgegeven. De gereedschapskist wordt steeds gevuld met aanpakken, interventies en maatregelen waarvan de impact onderbouwd is. Hierbij worden onder meer lopende transformatieplannen betrokken met de aanpak die daar ontwikkeld wordt en wordt een koppeling gemaakt met het investeringsmodel preventie. De uitkomst van deze plannen kan ook in de gereedschapskist komen. Deze lerende aanpak is dus onderdeel van de te ontwikkelen governance. De regioplannen worden steeds doorontwikkeld. Sociaal domein - en zorgpartijen werken samen uit, toegespitst op hun regio (en ook daarbinnen, bijv. in NPLV-gebieden), welke doelen voor verschillende doelgroepen gehaald moeten worden. Om die doelen te behalen putten zij uit de gereedschapskist.
Dat doen we door gerichte inzet van een deel van de doorbraakmiddelen voor het sociaal domein (€ 100 mln in 2027 en in 2028). Landelijk wordt in najaar 2025 onder regie van ZN/VNG en VWS een scan gemaakt hoever regio’s zijn met de implementatie van de basisfunctionaliteiten. Vervolgens wordt o.b.v. de scan, in aanvulling op het bestaande IZA-regioplan, onder regie van de mandaatgemeente in samenspraak met de regionale partners een regionaal plan gemaakt voor impactvolle inzet van de doorbraakmiddelen (o.a. m.b.t. arbeidsbesparing, beoordelingskader wordt vastgesteld in het BO IZA/AZWA) om middels regionale implementatie te komen tot landelijke dekkende basisfunctionaliteiten in 2030. De regionale aanvullende plannen worden uiterlijk eind september 2026 opgeleverd. Monitoring en bijsturing van de realisatie op gemeentelijk niveau vindt plaats via de mandaatgemeenten of de regio. Dit is naast mogelijke transformatieplannen en overige doorbraakplannen die regio’s kunnen opstellen33. Gemeenten en zorgverzekeraars zitten gelijkwaardig aan tafel bij de beoordeling van het totaal aan regionale plannen omdat dit totaal een doorbraakplan betreft dat toeziet op de samenwerking tussen het sociaal domein
33
NB: gemeenten kunnen geen zelfstandige aanvrager zijn voor doorbraakmiddelen, alleen meeliften op door Zvw aanbieder ingediend plan, mits dat niet gaat over MGN en basisinfra (want die zijn al elders gedekt) Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 63
en de zorg. Op basis van de inhoudelijke beoordeling beschikt VWS de middelen regionaal of per gemeente via een specifieke uitkering en verdeelt o.b.v. een generieke verdeelsleutel. Uitgangspunt is dat het plan zo licht mogelijke administratieve lasten oplevert.
Samenwerking sociaal domein en (eerstelijns)zorgdomein Wat is de afspraak: Het sociaal en publieke gezondheidsdomein en de sociale basis hebben een grote intrinsieke waarde voor een gezonde, vitale en veerkrachtige samenleving in brede zin (kort gezegd de gezonde samenleving).
Wat zijn de regeldrukeffecten: Uit de kwalitatieve inschatting van de regeldrukeffecten van deze afspraak blijkt dat de regeldruk naar verwachting beperkt toeneemt en mogelijk op de middellange termijn en lange termijn afneemt door deze afspraak. In de uitwerking van de afspraak en manier van financieren en monitoren wordt zoveel mogelijk ingezet op het zo beperkt mogelijk houden van de regeldrukeffecten, of wordt dit expliciet afgewogen in relatie tot het te behalen doel/resultaat.
D6
Iedereen woont het liefst zo lang en gezond mogelijk in een goede leefomgeving. Een sterk netwerk en een buurt met voldoende faciliteiten voor zorg, welzijn, ondersteuning en hulp is daar een belangrijk onderdeel van. Het versterken hiervan zorgt er ook voor dat mensen, wanneer zij zorg of ondersteuning nodig hebben, sneller op de juiste plek en beter worden geholpen. Het netwerk van zorg en ondersteuning, waar professionals uit het medisch, sociaal en gezondheidsdomein en het informeel netwerk (mantelzorg, familie of naasten, vrijwilligers en burgerinitiatieven) elkaar kennen en nauw samenwerken, wordt versterkt.
In het sociaal domein wordt een basisinfrastructuur ingericht ter ondersteuning van de basisfunctionaliteiten
De stabiliteit en houdbaarheid van het sociaal domein, het publieke gezondheidsdomein en de sociale basis zijn cruciaal om de transformatie van zorg naar gezondheid en welzijn te realiseren. Het is voor het slagen voor de gemaakte afspraken in het IZA en het GALA alsmede de afspraken in het onderhavig akkoord en het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO)34 van belang dat het brede sociaal en publieke gezondheidsdomein en de sociale basis op orde zijn.
Samenvatting afspraak D6 De afspraken op het snijvlak zorg-sociaal (D5) vereisen een goede structuur en basis in de wijk en in de regio. Partijen hebben afgesproken dat hiertoe basisvoorzieningen in wijken en buurten op het gebied van gezondheid, ondersteuning, welzijn en zorg beschikbaar zijn. Het gaat daarbij om een herkenbaar aanbod van inloopvoorzieningen sociaal en gezond (0-100), het versterken van lokale teams ten dienste van verbinding met de eerste lijn en publieke gezondheid (jgz). Hierbij hoort ook dat burgerinitiatieven worden ondersteund en dat gemeenten in samenwerking met de GGD bijdragen aan de aanpak gezonde school met specifieke aandacht voor mentale gezondheid. Op regionaal niveau betreft het de coördinerende rol van de GGD op het gebied van de ketenaanpakken in relatie tot gezondheid en de kennis-/ preventie-infrastructuur op het gebied van gezondheid.
Inloopvoorzieningen sociaal en gezond (buurt en ziekenhuis)
(Mentale) gezonde school
Personeel voor inloopvoorziening sociaal en gezond (sociaal werkers, gezondheidsbevorderaars GGD, jgz-verpleegkundigen)
Gezonde school adviseur (via GGD)
Burgerinitiatieven
School brede interventies (collectieve en selectieve preventie) mentale gezondheid
Lokale teams
Regionale coördinatie
Versterking verbinding eerste lijn
Regionale coördinatie gemeenten o.a. regioplan/regiobeeld
Versterking verbinding jeugdgezondheidszorg
Versterking regionale kennis en adviesfunctie GGD + coördinatie regionale planvorming en uitvoering op preventie (inclusief ketenaanpakken)
De afspraken op het snijvlak zorg-sociaal (D5) vereisen een goede structuur en basis in de wijk en in de regio. Juist in de wijk, vlakbij mensen, wordt het welzijn en de gezondheid van mensen versterkt als er ruimte is voor burgerinitiatieven, familie of naasten, professionals en vrijwilligers contact met elkaar hebben en bewoners gebruik kunnen maken van een laagdrempelige inloopvoorziening. Met een goede verbinding tussen formele en informele zorg, specifiek gericht op de infrastructuur die noodzakelijk is om de basisfunctionaliteiten op het snijvlak van het zorgdomein en sociaal domein (inclusief publieke gezondheid en sociaal werk) uit te kunnen voeren. Alle basisfunctionaliteiten zullen in ieder geval moeten kunnen leunen op bijvoorbeeld de aanwezigheid van laagdrempelige inloopvoorzieningen, de beschikbaarheid van de lokale (wijk)teams voor verbinding met de (eerstelijns)zorg, beweegaanbod voor specifieke doelgroepen en de beschikbaarheid van buurtsportcoaches, coördinatie op de regionale samenwerking tussen gemeenten onderling en tussen het sociaal domein in de zorg, regionale en lokale regie op de uitvoering van de basisfunctionaliteiten en digitalisering, monitoring en beschikbaarheid van informatie.
En ook op regionaal niveau wordt de structuur versterkt danwel gestart en worden afspraken gemaakt over regie en coördinatie in de uitvoering van bijvoorbeeld de ketenaanpakken. Verder wordt de verbinding gemaakt en versterkt met structuren die er al zijn, zoals de lokale coalities kansrijke start, Gezonde School en buurtsportcoaches, zie tabel 1 bij afspraak D5. Een voorbeeld van een afspraak die in de basis moet liggen is dat in elke gemeente sport- en beweegaanbod is voor specifieke doelgroepen, zoals ouderen, waarbij de verbinding kan worden gemaakt met (vrijwilligers) initiatieven. Op deze manier ligt er in de wijk een basis waarop ook valpreventieve beweeginterventies aangeboden kunnen worden en waar dus de samenwerkende partijen op snijvlak zorg en sociaal domein op kunnen rekenen. Wie gaat wat doen en wanneer: • VWS, VNG, SWN en GGD GHOR Nederland werken samen met andere relevante partijen (zoals ActiZ) een set landelijke afspraken uit over een basisinfrastructuur met als primair doel om de uitvoering van de basisfunctionaliteiten lokaal en regionaal mogelijk te maken. Deze afspraken richten zich op het versterken van een gezonde, sociale en pedagogische basis in gemeenten.
Het gaat daarbij om herkenbaar aanbod35 van inloopvoorzieningen (0-100), inzet van sociaal werkers/jongerenwerkers/ lokale aanjagers/jgz/wijk GGD’ers, netwerksamenwerking (lokaal en regionaal), ondersteuning van burgerinitiatieven, gelijkgerichte mantelzorgondersteuning (HLO) en (mentale) Gezonde School.
Versterking andere werken
Toelichting tabel: de elementen in de tabel zijn gericht op ondersteuning van de basisfunctionaliteiten, en zijn daarmee onderdeel zijn van dit akkoord. Het bredere gesprek over het versterken van de basisinfrastructuur in het sociaal domein vindt plaats los van de uitvoeringsstructuur van dit akkoord.
34
35
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 64
In het HLO worden afspraken gemaakt over mantelzorgondersteuning. Twee afspraken (gelijkgerichte mantelzorgondersteuning en respijt- en logeerzorg) worden uitgewerkt binnen de basisinfrastructuur (eerste afspraak in D6). Met het realiseren van een herkenbaar aanbod aan voorzieningen worden afspraken gemaakt dat in iedere gemeente vergelijkbare soort voorzieningen beschikbaar zijn die noodzakelijk zijn voor een basisinfrastructuur die in ieder geval faciliterend is aan de werking van de basisfunctionaliteiten. Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 65
•
• •
•
•
•
En op regionaal niveau de coördinerende rol van de GGD GHOR Nederland op het gebied van de ketenaanpakken in relatie tot gezondheid (onder andere valpreventie, overgewicht, kansrijke start) en de kennis- en preventie-infrastructuur op het gebied van gezondheid. Deze landelijke afspraken komen uiterlijk Q1 2026 beschikbaar. Stevige lokale teams36 zijn essentieel voor de samenwerking tussen het zorgdomein en sociaal domein. VWS en gemeenten spreken in dit akkoord expliciet af dat de stevige lokale teams het sociaal domein vertegenwoordigen binnen de hechte wijkverbanden, zoals verwoord in de visie eerstelijnszorg. Deze aansluiting is uiterlijk Q4 2028 overal gereed. Zodat zij binnen het hechte wijkverband kunnen participeren en inwoners kunnen toeleiden naar de juiste ondersteuning in het sociaal domein. Lokale teams worden hiermee een herkenbaar aanspreekpunt voor inwoners (volwassen en jeugd) en voor partners waar zij mee samenwerken: naast die uit het zorgdomein gaat het onder andere ook om partners uit de sociale basis, rondom bestaanszekerheid, welzijns- en jongerenwerk, jeugdhulp, veiligheid, de publieke gezondheid (jeugdgezondheidszorg (jgz), de openbare geestelijke gezondheidszorg (oggz), gezondheidsbevordering), kinderopvang, onderwijs en sport. VWS verkent de mogelijkheden voor wettelijke verankering van gezondheidstaken voor gemeenten.
Specifiek voor een aantal thema’s waar sprake is van structurele middelen, te weten gezondheidsachterstanden, seksuele gezondheid, en ketenaanpakken zoals Kansrijke Start en Valpreventie. Bij de verkenning van wettelijke verankering worden ook aspecten van de samenwerking meegenomen die aanscherping behoeven (zoals wie initiatiefnemer en coördinator is om de samenwerkingsafspraken tot stand te brengen, met o.a. een rol voor de GGD). Uiterlijk in Q1 2026 worden afspraken gemaakt over de manier waarop op regionaal niveau de structuur wordt versterkt en over regie in de uitvoering van de ketenaanpakken. Verder wordt ook beschreven hoe de verbinding wordt gemaakt en versterkt met structuren die er al zijn, zoals de lokale coalities kansrijke start, Gezonde School en buurtsportcoaches.
en – aanbieders hierin hun verantwoordelijkheid (kunnen) nemen. In de verschillende sectoren wordt samengewerkt en gekeken welke maatregelen nodig zijn. Specifiek voor ggz: Met name in de ggz staat de continuïteit van ANW- en crisisdiensten onder druk. Partijen benoemen dat de afgelopen jaren de bestaande marktprikkels in combinatie met een krappe arbeidsmarkt geleid hebben tot keuzes waarbij de zorg voor patiënten met de zwaarste en meest ingewikkelde zorgvraag niet geprioriteerd werd en zorg voor de lichtere hulpvragen is toegenomen. Gevolg is dat het aanbod is versnipperd en hoogopgeleide ggz professionals, waaronder psychiaters, niet meer altijd daar werken waar ze het hardste nodig zijn. De afspraak is dat alle partijen bijdragen aan de continuïteit en kwaliteit van de invulling van de ANW- en crisisdiensten. Verschillende maatregelen worden hierbij betrokken, waaronder de mogelijkheid tot wetgeving. Voor de ggz spreken we daarom af dat er een doorbraakprogramma wordt opgestart. De gezamenlijke doelstelling van het programma is dat er uiterlijk 1-1-2027 vanuit elke regio een robuuste continuïteit in dekking van de ANW- en crisisdiensten in de ggz is. Dit betekent een verhoging van de inzetbaarheid van psychiaters, om in de regio de werkdruk te verdelen.
De inschatting is dat 70% van de inzetbare psychiaters in 2027 een bijdrage leveren (inclusief psychiaters die op zzp-basis werkzaam zijn), dat is een toename van 15%. Wanneer vanuit de regio’s de continuïteit van ANW- en crisisdiensten onder druk blijft staan én minder dan 70% van de inzetbare psychiaters een bijdrage levert, dan overweegt VWS wetgeving. We streven naar 70% participatie van psychiaters in de drie verschillende doelgroepen: • Zorgverleners van de geïntegreerde organisaties die 24/7 bereikbaarheid hebben • Psychiaters bij zorgaanbieders die geen 24/7 bereikbaarheid hebben • Vrijgevestigd psychiaters
Uitgangspunten financieringsvorm De middelen voor het sociaal domein en gezondheid worden aan gemeenten verstrekt. Voor het selecteren van een financieringsvorm wordt een zorgvuldig proces ingericht tussen VNG, de fondsbeheerders en het vakdepartement om het passende instrument te kiezen. Hierbij wordt de Financiële verhoudingenwet (en MvT) als vertrekpunt genomen. In elk geval worden monitoringsafspraken gemaakt die recht doen aan het bewaken van de voortgang op de afspraken in dit akkoord. Monitoringsafspraken worden vormgegeven vanuit wederzijds vertrouwen en sluiten zoveel mogelijk aan bij bestaande gegevensbronnen en reguliere verantwoording aan de gemeenteraad. Daarbij wordt ingezet op zo min mogelijk administratieve lasten en wanneer van toepassing verantwoordingslast. Een voorstel voor het inrichten van een nieuwe specifieke uitkering vraagt expliciete besluitvorming door het kabinet.
Wie gaat wat doen: Ggz: • De Nederlandse ggz en relevante beroepsgroepen (NVvP, NIP en V&VN) richten een doorbraakprogramma in waarbij de in het Berenschot rapport37 beschreven maatregelen worden geïmplementeerd. Dit betreffen maatregelen zoals een regionaal ontwikkelplan, een verbeterde dialoog en afspraken rond contracteren en – flexibele – beloning voor diensten. Het eventuele effect van de skillsgerichte aanpak, zoals in C6 omschreven, op de opgave wordt meegenomen in het doorbraakprogramma. • Parrallel hieraan inventariseert VWS de mogelijkheden in wetgeving om de continuïteit van de invulling van avond-, nacht-, weekend- en crisisdiensten te borgen. • Uiterlijk in 2027 wordt deze nieuwe werkwijze uitgerold en gemonitord. De gezamenlijke doelstelling van het programma is dat er vanuit elke regio de werkdruk wordt verdeeld zodat er een robuuste continuïteit in dekking van de ANW- en crisisdiensten in de ggz is. • De tarieven voor cruciale zorg worden verhoogd zodat instellingen kunnen investeren in de zorg voor deze meest complexe doelgroep en daarmee worden instellingen ook in staat gesteld passende financiële, personele en materiële randvoorwaarden te creëren voor professionals. De tariefsverhoging wordt macroneutraal en binnen de huidige NZa-tarieven gerealiseerd.
Aanpassing van de tarifering vindt pas plaatst nadat er ruimte is gecreëerd in het makrokader ggz (bijvoorbeeld door aanscherping van de Zvw-aanspraak ggz zoals in C6 omschreven).
Wat zijn de regeldrukeffecten: Uit de kwalitatieve inschatting van de regeldrukeffecten van deze afspraak blijkt dat de regeldruk naar verwachting beperkt toeneemt en mogelijk op de middellange termijn en lange termijn afneemt door deze afspraak. In de uitwerking van de afspraak en manier van financieren en monitoren wordt zoveel mogelijk ingezet op het zo beperkt mogelijk houden van de regeldrukeffecten, of wordt dit expliciet afgewogen in relatie tot het te behalen doel/resultaat.
D7
We zorgen voor voldoende participatie voor de invulling van avond-, nacht-, weekend- en crisisdiensten
Andere sectoren: • Wanneer blijkt dat wetgeving noodzakelijk is, betrekt VWS ook de mogelijkheid voor toepassing op andere zorgsectoren.
Bezetting ANW- en crisisdiensten Wat is de afspraak: De continuïteit van de invulling van avond-, nacht-, weekend- en crisisdiensten is onlosmakelijk verbonden met het bieden van goede zorg voor de patiënt. Het doel is de continuïteit van de invulling van ANW-diensten (waaronder crisisdiensten) in elke regio te borgen. Daarbij streven we ernaar dat alle zorgverleners
36
Met lokale teams worden ook (sociale) wijkteams en andere soorten wijk- en lokale teams bedoeld, zie Richtinggevend kader lokale teams (VNG rapport) Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 66
37
Berenschot, 2022, 24x7 continuïteit en kwaliteit van psychiatrische zorg: knelpunten en oplossingsrichtingen vanuit het perspectief van zorgprofessionals Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 67
Wat is het tijdpad: • De programma aanpak, inclusief feitenbasis en implementatievoorstel wordt uiterlijk in Q3 2025 voorgelegd aan het BO IZA/AZWA. • Ieder kwartaal presenteert het programma de voortgang aan het BO IZA/AZWA. • In Q3 2026 wordt een onafhankelijke 1-meting uitgevoerd om te toetsen of de uitvoering op koers ligt • om de doelstelling te behalen. De resultaten van de 1-meting worden besproken in het BO IZA/AZWA. • Uiterlijk in Q3 2025 is de ‘Inventarisatie mogelijke wetgeving’ gereed. • In 2027 is de doelstelling dat ANW- en crisisdiensten robuust worden ingevuld, de veronderstelling ten tijde van het afsluiten van het akkoord is dat voor een evenwichtige verdeling van de werkdruk 70% participatie door psychiaters benodigd is. • Wanneer blijkt dat de maatregelen uit het Berenschotrapport onvoldoende bijdragen aan het oplossen van het probleem, namelijk het dekkend krijgen van de ANW- en crisisdiensten, zal VWS wetgeving uitwerken om de werkdruk te verdelen.
ineen om op korte termijn hierin een versnelling aan te brengen. Transparantie afspraken binnen de msz lopen via het BO kwaliteit. Wie gaat wat doen en wanneer: 1) Inzicht in de mate waarin transparantie is gerealiseerd: Patiëntenfederatie en het Zorginstituut presenteren samen met alle betrokken partijen uiterlijk september 2025 een meting Transparantie waar we nu staan. Daarmee maken we concreet hoe het op dit moment met de transparantie staat. Dit doen we onder andere aan de hand van de Landelijke Transparantiekalender, waarbij het gaat om informatie die er voor de patiënt toe doet (bijv. klinische informatie, volumenormen en patiënt gerapporteerde uitkomsten). Vervolgens zal ieder jaar in Q4 een vervolgmeting worden gepresenteerd om ontwikkelingen te kunnen monitoren. Dit wordt gedaan door openbaar te maken welke aandoeningen en instellingen transparant zijn en voldoende inzicht bieden aan cliënten om een weloverwogen keuze te kunnen maken tussen verschillende zorgaanbieders. 2) Ontsluiting van alle transparante informatie op een voor patiënten vindbare en begrijpelijke wijze: Op dit moment worden de afgesproken transparante data in de Openbare Database van het Zorginstituut (Zorginzicht) beschikbaar gemaakt. Voor patiënten zijn deze data op de manier waarop ze worden gepresenteerd moeilijk vindbaar en lastig begrijpelijk.