Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord AZWA.pdf
Tekst van het document
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 38
Opschaling helpdesk digitale zorg Wat is de afspraak: Om passende digitale en hybride zorg voor iedereen in Nederland toegankelijk te maken, schalen we de dienstverlening op naar een landelijke voorziening/helpdesk. Hiermee realiseren we een landelijk dekkend netwerk voor digitale zorgondersteuning: één centraal punt voor alle niet-medische vragen rondom toegang en gebruik van digitale zorg, dat nauw samenwerkt met lokale, fysieke ondersteuningspunten. Dit draagt bij aan een toekomstbestendige zorginfrastructuur, het verlicht de werkdruk van zorg- en welzijnsprofessionals, het vermindert digitale ongelijkheid en bevordert een inclusieve samenleving waarin (digitale) zorg voor iedereen toegankelijk is. Wie gaat wat doen: • AZWA-partijen en de landelijke voorziening maken duidelijke afspraken over de scope van de dienstverlening en de samenhang met ondersteuning vanuit zorg- en medische servicecentra, ondersteuningspunten van fysieke zorg- en welzijnsorganisaties en openbare bibliotheken. • AZWA-partijen committeren zich aan het gebruik van de landelijke voorziening en gaan digitale zorgondersteuning in beginsel niet meer (volledig) zelf organiseren. • Borging van het gebruik van de landelijke voorziening vindt (o.a.) plaats in lijn met de afspraken vanuit Digizo.nu, in de zorginkoop afspraken van de financiers en afspraken met andere ondersteuningsaanbod zoals o.a.
openbare bibliotheken. • AZWA-partijen stimuleren dat leveranciers de contactgegevens van de landelijke voorziening goed vindbaar maken in de digitale zorgtoepassingen. Waarbij ook aandacht moet zijn voor de verantwoordelijkheid van de leverancier voor gebruiksvriendelijkheid en ondersteuning. • AZWA-partijen geven opdracht aan de landelijke voorziening om een helder implementatieplan uit te werken met aandacht voor de bovengenoemde punten. • VWS en ZN stellen een financieringsplan op voor tijdelijke financiering t/m 2028 voor de AZWA-periode en doen in die periode in samenspraak met andere AZWA-partijen een voorstel voor structurele financiering voor de periode daarna.
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 39
Wat is het tijdpad: 2025: • AZWA partijen geven opdracht om bovengenoemde punten (scope, samenhang, borging, financiering, etc.) in een businessplan uit te werken en vervolgens op basis van een gedegen plan en meerdere voorstellen plan toewerken naar de keuze voor een geschikte partij. • De AZWA partijen stellen een businessplan op en werken vervolgens, op basis van een gedegen plan en meerdere voorstellen, toe naar de keuze voor een geschikte partij. • AZWA-partijen geven vervolgens opdracht aan de landelijke voorziening om een helder implementatieplan uit te werken met aandacht voor de eigen activiteiten en die van andere veldpartijen. • VWS en ZN stellen in samenspraak met andere veld- en systeempartijen een financieringsplan voor de tijdelijke financiering t/m 2028 op voor de AZWA-periode met daarin opgenomen een voorstel voor structurele financiering vanaf 2029. 2025-2028: • De landelijke voorziening geeft in samenwerking met partijen invulling aan de door AZWA-partijen geformuleerde opdracht om gecontroleerd door te groeien naar een landelijke voorziening in 2028/2029. 2028 en verder: • Duurzame verankering van de landelijke voorziening binnen het zorg- en welzijnsdomein, inclusief structurele financiering.
Wat zijn de regeldrukeffecten: Uit de kwalitatieve inschatting van de regeldrukeffecten van deze afspraak blijkt dat de regeldruk naar verwachting afneemt door deze afspraak. Door de ondersteuning van burgers/patiënten/cliënten/ mantelzorgers bij hun digitale hulpvragen wordt voorkomen dat deze hulpvragen bij de professional terecht komen en bespaart daarmee (administratie)werklast.
Toelichting: Op dit moment hebben veel mensen moeite om mee te komen met de digitale transformatie, waardoor zij drempels ervaren bij het gebruik van digitale en hybridezorg en -ondersteuning. Dit belemmert de volledige benutting van de kansen die digitalisering in de zorg biedt en zet de toegang tot zorg onder druk. Naar schatting hebben 2,5 tot 4,5 miljoen 22 Nederlanders moeite met het gebruik van digitale zorgtoepassingen. Dit aantal ligt naar verhouding nog hoger binnen de groepen die het meeste zorg nodig hebben. Digitale vaardigheden en gerichte ondersteuning zijn essentiële randvoorwaarden voor de succesvolle inzet en toegankelijkheid van digitale en hybride zorg. Een landelijke voorziening in samenhang met fysiek aanbod speelt een belangrijke rol in de digitale transformatie en het ondersteunen van burgers, cliënten, patiënten en hun naasten zoals mantelzorgers bij het gebruik van digitale zorg en ondersteuning. Dit neemt ook vragen en druk weg bij professionals en aanbieders en gaat versnippering van ondersteuning tegen. Om het potentieel van een landelijke helpdesk volledig te benutten en goede ondersteuning te bieden aan gebruikers van digitale zorg, met daarbij specifieke aandacht voor mensen met beperkte gezondheids- en digitale vaardigheden, is structurele, landelijk dekkende financiering noodzakelijk.
Er liggen concrete voorstellen waarmee een landelijke voorziening zich verder kan ontwikkelen tot een schaalbare, inclusieve en duurzame oplossing voor ondersteuning bij digitale zorg. Door de maatschappelijke waarde en het potentieel te erkennen, kunnen we sneller gezamenlijk een toegankelijker zorgsysteem creëren, dat niet alleen de zorgvrager ten goede komt, maar ook de zorginstellingen ondersteunt bij de zorg- en digitale transformatie. Een landelijke helpdesk voor digitale zorg draagt bij aan oplossingen voor de groeiende uitdagingen waarmee zorginstellingen en patiënten worden geconfronteerd. Voor zorgvragers biedt de landelijke voorziening één centraal aanspreekpunt voor ondersteuning bij digitale zorg, ongeacht het type zorg, zorgproces of toepassing. Een landelijke helpdesk die nauw samenwerkt met lokale fysiek ondersteuningspunten voorkomt regionale ongelijkheden en versnippering van kennis en financiële middelen. Dit draagt bij aan gelijke toegang en ondersteuning voor alle burgers, ongeacht hun locatie, vaardigheden, voorkeuren of achtergrond. Tegelijk is
22
het niet de enige manier om burgers, patiënten en cliënten te ondersteunen. Naast deze voorziening zijn er bijvoorbeeld ook (fysieke) steunpunten in bibliotheken en bij zorginstellingen. Het is belangrijk dat een landelijke helpdesk samenwerkt het met het lokale fysieke ondersteuningsaanbod. Een landelijke voorziening is een afspraak die zowel geldt voor het AZWA als het HLO. Zorg- en welzijnsprofessionals profiteren eveneens van de ondersteuning van een landelijke helpdesk, die veel niet-medische vragen over digitale zorg uit handen neemt. Dit ontlast zorg- en welzijnsaanbieders en zorgverleners waardoor zij zich meer kunnen richten op hun kerntaken: het verlenen van zorg en het verbeteren van patiënttevredenheid, maar bevordert ook de acceptatie van digitale en hybride zorg en draagt bij aan een efficiëntere en prettigere werkomgeving.
C3
Transparantie: actieve zorgbemiddeling mogelijk maken en inzicht in wachtlijsten verbeteren
C3a
Transparantie wachttijden ggz (Zvw) en proactieve bemiddeling
Transparantie wachttijden Wat is de afspraak: Partijen spreken af dat wachtlijstgegevens accuraat en transparant zijn voor zorgverzekeraars, verzekerden/ patiënten en verwijzers, zodat reëel inzicht verkregen wordt in wie waar op de wachtlijst staat en hoe lang. Dit inzicht in de vraag naar zorg in de ggz wordt verkregen door de retrospectieve wachttijden af te lezen vanuit het declaratiebericht en de prospectieve wachttijden (actueel wachtenden) af te lezen vanuit de verwijsgegevens. Ook wordt er gewerkt aan het inzichtelijk maken van het beschikbare aanbod/capaciteit van de zorgaanbieders en het beter inzichtelijk maken van de hulpvraag (klachtenprofiel). Deze gegevens worden bij elkaar gebracht in een digitale tool, wat het voor partijen mogelijk maakt om te komen tot matching van vraag en aanbod, in eerste instantie op regionaal niveau. Accurate wachtlijsten helpen verzekeraars om hun eigen verzekerden – indien de verzekerde dit wenst – te bemiddelen naar een zorgaanbieder met een kortere wachttijd. Mogelijk vervangt dit proces in de toekomst de huidige transfertafels. Achtergrond: Doelstelling van het AZWA is verdere stijging van de wachtlijsten te voorkomen en wachttijden binnen de daarvoor geldende normen te brengen.
Zo hebben mentale gezondheidsnetwerken (met de functies verkennend gesprek, transfermechanisme, informatievoorziening wachttijden en domeinoverstijgend casusoverleg) en de laagdrempelige steunpunten als doel om mensen sneller op de juiste plek te helpen. Daarbij kan bemiddeling door zorgverzekeraars uit hoofde van hun zorgplicht, een belangrijke rol spelen. Verzekeraars weten dat er onbenutte mogelijkheden zijn om de wachttijd te verkorten voor hun verzekerden. Op dit moment is slechts een klein percentage van de patiënten op de hoogte van de mogelijkheid van zorgbemiddeling door hun verzekeraar. Ook is zorgbemiddeling nu een reactieve dienst. Verzekeraars kunnen pas bemiddelen als de patiënt daarom vraagt. Dat maakt het moeilijk om patiënten gericht te bemiddelen richting een passende plek waar ze sneller aan de beurt zijn. Hierdoor wordt niet al het zorgaanbod optimaal benut. Hiervoor is het nodig dat verzekeraars inzicht krijgen in de relevante data vanaf het moment van verwijzing naar de zorgaanbieder. Vervuilde wachtlijsten staat effectieve zorgbemiddeling in de weg, daarom is het noodzakelijk dat deze informatie zo snel mogelijk opgeschoond wordt.
Daarbij zijn nadere afspraken nodig die recht doen aan de respectieve verantwoordelijkheden en betrokkenheid van de partijen (zorgaanbieders, verwijzers, patiënten, verzekeraars) en de -eveneens in het AZWA vervatte- doelstelling zo min mogelijk (liefst: geen) additionele administratieve lasten te creëren en de regeldruk te beperken. Door waar mogelijk aan te sluiten bij bestaande gegevensstromen en ontwikkelingen in de regio kan hier een afname op worden gerealiseerd. De uitwerking van de afspraken bestaat uit 4 onderdelen: 1. Datastroom en administratieve lasten 2. Opschoning van de wachtlijsten 3. Proactieve bemiddeling 4. Aanvullende afspraken
CommunicatieRijk (2024, 1 november). Wie bereikt de (Rijks)overheid niet? Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 40
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 41
Wie gaat wat doen: Onderdeel 1: datastroom en administratieve lasten • Zorgverzekeraars ontvangen bij verwijzing (via de verwijsdienst) een melding dat een verzekerde is doorverwezen naar een zorgaanbieder. • Partijen maken afspraken over het verkrijgen van inzicht in de datastroom die buiten de verwijsdiensten omgaat in de ggz en over het aansluiten van zoveel mogelijk zorgaanbieders bij verwijsdiensten. • ZN zorgt voor de desbetreffende optie in Zorgdomein en Vecozo uiterlijk 1/1/26. • VWS werkt de mogelijkheden van en noodzaak voor een wettelijke grondslag om de data bij verwijzing automatisch te ontvangen uit. Tot een wettelijke grondslag geregeld is, moet de verzekerde hiertoe digitaal via de verwijsdienst toestemming geven. Na verwijzing door de huisarts ontvangt de patiënt van de verwijsdienst de verwijzing met de vraag of de verzekerde/patiënt bij een te lange wachttijd bemiddeld wil worden door de afdeling zorgbemiddeling van de zorgverzekeraar. Bij toestemming wordt een beperkte set gegevens doorgegeven aan de afdeling zorgbemiddeling van de zorgverzekeraar die de patiënt benadert conform de hieronder nader geduide afspraken en uitgangspunten.
• Partijen spreken af dat de dataset beperkt is tot: persoon/BSN, verwijsdatum, vermoeden DSM/ klachtenprofiel en zorgaanbieder (AGB), met daarbij de afspraak dat de data alleen gebruikt mogen worden voor het proces van zorgbemiddeling en de evaluatie en analyse van dit proces en niet voor andere doeleinden. Daarbij wordt gehandeld volgens de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Zorgverzekeraars Onderdeel 2: Opschoning van en inzicht in de wachtlijsten • Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor adequate wachtlijstinformatie. De wachtlijstinformatie die zorgaanbieders bij de verwijsdienst aanleveren is actueel, accuraat en geeft inzicht in wachttijd tot intake en behandeling. • Zorgverzekeraars en zorgaanbieders werken gezamenlijk een proces uit voor het schonen van de huidige wachtlijsten van dubbelingen en streven ernaar om dit begin Q1 van 2026 af te ronden. Het gaat indicatief om tussen de 12.000 en 20.000 cliënten die dubbel wachten. Voor het inzichtelijk maken van de huidige wachtlijsten per zorgaanbieder en de dubbelingen maken we gebruik van een TTP. Zorgverzekeraars ontvangen een rapportage met op geaggregeerd niveau de informatie over het aantal wachtenden per zorgaanbieder, en het aantal dubbelingen.
Zorgverzekeraars kunnen deze informatie op persoonsgegevensniveau van de TTP niet ontvangen vanwege het ontbreken van een wettelijke grondslag, dat betekent dat zorgaanbieders in de uitvoering verantwoordelijk zijn voor het leggen van contact met de cliënt die op meerdere wachtlijsten staat. • Zorgverzekeraars, zorgaanbieders en MIND maken een gezamenlijke afspraak over hoe ze cliënten gaan benaderen die op meerdere wachtlijsten staan. ZN en de Nederlandse ggz maken gezamenlijke afspraken over de verdeling van de kosten. Daarna kan tot uitvoering worden overgegaan. • Opgeschoonde wachtlijsten leiden tot geschoonde wachttijden. Partijen maken uiterlijk Q1 2026 afspraken over hoe de geschoonde wachttijdinformatie ook inzichtelijk gemaakt wordt voor patiënten/verzekerden. • In de ggz wachten veel cliënten langer dan de Treeknorm. Om zorgbemiddeling bij deze huidige wachtenden onder de aandacht te brengen wordt door zorgverzekeraars geïnvesteerd in de bekendheid van zorgbemiddeling. Onderdeel 3: Bemiddeling • Partijen werken het proces rond proactieve bemiddeling gezamenlijk verder uit waarbij het beperken van administratieve lasten het uitgangspunt is. Over de manier waarop verzekeraars hun verzekerden benaderen worden afspraken gemaakt tussen VWS, de verzekeraars, de aanbieders en MIND.
Dit doen deze partijen op basis van onderzoek naar voorkeuren van cliënten en hoe dit gesprek goed te voeren. Daarbij wordt recht gedaan aan de verantwoordelijkheden, rechten en plichten van alle betrokken partijen. Deze afspraken, die betrekking hebben op de eerste fase, worden uiterlijk 1/10/2025 gemaakt. • In de eerste fase, die duurt vanaf het beschikbaar komen van de doormeldingsoptie in Zorgdomein/ Vecozo (uiterlijk 1/1/26) tot voorjaar 2027, zullen alleen patiënten proactief bemiddeld worden die bij verwijzing aansluiten op een wachtlijst waarbij ze langer moeten wachten dan de Treeknorm voor de polikliniek/aanmelding, diagnostiek of behandeling. • Partijen evalueren eind 2026 de afgesproken werkwijze van proactieve zorgbemiddeling van patiënten die aansluiten op een wachtlijst waarbij ze langer moeten wachten dan de Treeknorm voor de polikliniek/ aanmelding, diagnostiek of behandeling. De opzet van de evaluatie stellen partijen gezamenlijk op.
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 42
• • •
In de evaluatie wordt in ieder geval ook gekeken naar: - Is de wachttijdinformatie accuraat en actueel en levert iedereen aan? - Hoe bevalt de zorgbemiddeling de patiënten? - Zijn er procesaanpassingen nodig volgens aanbieders, verzekeraars en patiënten? - Kunnen we bemiddeling verder uitbreiden, is dat behulpzaam voor de patiënt en uitvoerbaar in de processen van eenieder? - Draagt de proactieve zorgbemiddeling bij aan de verwezenlijking van de doelen zoals beschreven in fiche C6? Afhankelijk van de uitkomsten van de evaluatie is het vanaf voorjaar 2027 ook mogelijk patiënten proactief te bemiddelen die korter dan de Treeknorm moeten wachten. De afspraken voor de tweede fase worden uiterlijk 31/12/2026 gemaakt op basis van de uitkomsten van de evaluatie. Patiënten die wachten onder de Treeknorm maar sneller geholpen willen worden kunnen nog steeds zelf hun verzekeraar benaderen met de vraag of snellere behandeling elders mogelijk is.
Onderdeel 4: Aanvullende afspraken • De NZa heeft een wettelijke taak met betrekking tot het monitoren van (knelpunten bij) wachttijden. In dat licht onderneemt de NZa het volgende: - De NZa stelt een ontwikkelagenda op voor de monitoring van de wachttijden en genereren van goede wachtlijstinformatie, waarbij in overleg met alle partijen onderzocht wordt welk (aanvullend) inzicht er nodig is en hoe dit te bereiken is. - Voor de ggz past de NZa regelgeving aan met het toevoegen van verwijsdatum, zodat met ingang van 1 januari 2026 wachttijdinformatie uit declaratiedata gehaald kan worden (NB: voor het inzicht op vestigingsniveau is later nog een wijziging nodig). MIND, deNLggz, LHV, InEen en ZN gaan onverminderd door met de ontwikkeling van een digitale tool op basis van eerdere afspraken uit het IZA voor prospectieve data. Hierdoor kan vraag en aanbod in de regio beter aan elkaar worden verbonden. - De zorgverzekeraars evalueren, samen met de zorgaanbieders en MIND, jaarlijks het effect van zorgbemiddeling. Waarbij ook gekeken wordt of het advies van zorgbemiddeling daadwerkelijk tot een passend antwoord op de zorgvraag heeft geleid. Wat is het tijdpad: • Q1 2026 afronding schoning wachttijden - ZN selecteert 1 TTP die voor alle partijen de wachtlijsten uitvraagt - deNLggz, ZN en MIND werken het proces uit voor de opvolging van de uitkomsten bij de TTP.
Bijvoorbeeld wat is het proces als een patiënt op twee wachtlijsten staat. - Verbetering inzicht wachttijden op één plek voor zorgverzekeraars, zorgaanbieders, verzekerden/ patiënten. • Uiterlijk einde Q3 2025 – Uitwerken proces proactieve bemiddeling fase 1: bemiddeling wachtenden boven de Treeknorm. • 1/1/26 (of zoveel eerder als mogelijk) - voorjaar 2027 - Aanlevering data op basis van consent; bemiddeling bij wachtenden boven de Treeknorm. • Q4 2026 – Evaluatie proactieve zorgbemiddeling van wachtenden boven de Treeknorm. • Q4 2026 – Afhankelijk van uitkomst evaluatie: afspraken over fase 2: bemiddeling bij wachtenden onder de Treeknorm. • Uiterlijk voorjaar 2027 - Uitwerking van de eventuele wettelijke grondslag; bemiddeling uitgebreid op basis van nadere afspraken.
C3b Transparantie wachttijden en proactieve bemiddeling msz Transparantie wachttijden Wat is de afspraak: Partijen spreken af dat wachtlijstgegevens transparant en juist zijn zodat reëel inzicht verkregen wordt in wie waar op de wachtlijst staat en voor hoe lang. Zorgaanbieders zorgen voor adequate wachttijdinformatie, die patiënten, verwijzers en verzekeraars actueel en accuraat inzicht geeft in wachttijd tot polikliniek, diagnostiek
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 43
en behandeling. Verzekeraars worden in staat gesteld hun eigen verzekerden met een wachttijd boven de Treeknorm proactief te bemiddelen. De wachttijden voor patiënten worden hierdoor korter. Achtergrond: De capaciteit van het zorgaanbod blijft achter bij de stijgende zorgvraag. Wachtlijsten zijn hier een resultante van. Doelstelling van het AZWA is verdere stijging van de wachtlijsten te voorkomen en wachttijden binnen de daarvoor geldende normen te brengen. Daarbij kan bemiddeling door zorgverzekeraars uit hoofde van hun zorgplicht, een belangrijke rol spelen. Verzekeraars weten op basis van ervaringen met zorgbemiddeling dat er onbenutte mogelijkheden zijn om de wachttijd te verkorten voor hun verzekerden. Op dit moment is slechts een klein percentage van de patiënten op de hoogte van de mogelijkheid van zorgbemiddeling door hun verzekeraar. In de praktijk blijkt daarnaast dat het aandeel patiënten dat door hun specialist/huisarts op de hoogte wordt gesteld van de mogelijkheid van kortere wachttijden na zorgbemiddeling door hun verzekeraar beperkt is. Ook is bekend dat de huidige wachtlijstinformatie vervuiling kent waardoor het voor alle partijen moeilijk is op basis van juiste informatie inzicht te verwerven, prioriteiten te stellen en zorgvuldige bemiddeling te doen.
Een significante bijdrage kan geleverd worden aan het verkleinen van de kloof tussen zorgaanbod en zorgvraag door het inzicht in wachtlijsten en wachttijden te vergroten, wachtlijsten op te schonen en schoon te houden en op basis van die accurate inzichten de mogelijkheid te creëren voor verzekeraars om hun eigen verzekerden proactief te benaderen met behandelingsopties met een kortere wachttijd. Hiervoor is het nodig dat verzekeraars inzicht krijgen in de relevante data vanaf het moment van verwijzing naar de zorgaanbieder. Met deze informatie kunnen verzekeraars hun verzekerden benaderen om te vragen of zij willen worden bemiddeld, waarna verzekeraars kunnen helpen met proactieve zorgbemiddeling. Hiervoor zijn nadere afspraken nodig die recht doen aan de respectieve verantwoordelijkheden van de betrokken partijen (zorgaanbieders, verwijzers, patiënten, verzekeraars), het zorgvuldig uitvoeren van de proactieve zorgbemiddeling door zorgverzekeraars en de -eveneens in het AZWA vervatte- doelstelling zo min mogelijk (liefst: geen) additionele administratieve lasten te creëren, door waar mogelijk aan te sluiten bij bestaande gegevensstromen. De uitwerking van de afspraken bestaat uit 4 onderdelen, die in samenhang met elkaar moeten worden gezien als één totaalpakket: • Datastroom en administratieve lasten; • Opschoning van de wachtlijsten; • Proactieve Bemiddeling; • Overig.
Wie gaat wat doen: Onderdeel 1: datastroom en administratieve lasten • Patiënten kunnen na verwijzing via de verwijsdienst relevante data delen met de eigen zorgverzekeraar, waarbij deze een melding ontvangt dat een verzekerde is doorverwezen naar een zorgaanbieder. • De patiënt geeft expliciete toestemming voor dit digitaal delen via de verwijsdienst. Dit gebeurt als volgt. Na verwijzing door de huisarts ontvangt de patiënt van de verwijsdienst de verwijzing met de vraag of de verzekerde/patiënt bij een te lange wachttijd (boven Treeknorm) bemiddeld wil worden door de afdeling zorgbemiddeling van de eigen zorgverzekeraar. Bij toestemming brengt de patiënt een proces op gang waarbij een beperkte set gegevens (persoon/BSN, verwijsdatum, specialisme (msz) en zorgaanbieder (AGB)) door wordt gegeven aan de afdeling zorgbemiddeling van de zorgverzekeraar. • De gegevens, die na toestemming van de patiënt beschikbaar komen bij de eigen zorgverzekeraar, worden alleen gebruikt voor het proces van proactieve zorgbemiddeling van patiënten die boven Treeknorm op de wachtlijst staan en voor de evaluatie en analyse van dit proces. Daarbij wordt gehandeld volgens de Gedragscode Verwerking Persoonsgegevens Zorgverzekeraars. Zij gebruiken de data expliciet niet om: - Patiënten proactief te benaderen voor bemiddeling als zij op een wachtlijst staan die binnen de Treeknorm past.
- De wachtlijsten van ziekenhuizen te managen of de inkoopgesprekken / contractering te sturen.
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 44
•
•
•
• •
•
Bij een verwachte wachttijd boven de Treeknorm kan de verzekeraar de patiënt benaderen met de vraag of hij/zij bemiddeld wil worden naar een zorgaanbieder met een kortere wachttijd, waarbij de patiënt bepaalt of hij/zij op het aanbod in wil gaan of wil blijven wachten. Daarnaast kan een patiënt ten alle tijden zijn verzekeraar benaderen met een verzoek om bemiddeling. De verzekeraars laten zich in dit proces auditen aan de hand van de afspraken in dit akkoord. Het auditproces en de resultaten zullen besproken en nader geduid worden in de hieronder beschreven gezamenlijke begeleidingsgroep. De patiëntfederatie voert samen met ZN, NFU, NVZ, ZKN en LHV het opdrachtgeverschap richting zorgdomein en de dienst verwijzen uit. Zij maken daarin nadere afspraken over de inrichting bij de verwijsdiensten en zorgen dat het proces goed uitvoerbaar is voor alle betrokkenen. ZN zorgt voor de desbetreffende optie in Zorgdomein en Vecozo uiterlijk 1/1/26, zo mogelijk eerder. Het is belangrijk dat partijen in goed vertrouwen met elkaar leren en verbeteren. Partijen volgen de hierboven genoemde afspraken. Een gezamenlijke begeleidingsgroep van Patiëntenfederatie, ZN, NFU, NVZ, ZKN en LHV volgen de afspraken en evalueren de werkwijze en resultaten van proactieve bemiddeling periodiek. Op basis van de evaluatie kan de werkwijze worden bijgesteld.
Patiëntenfederatie voert het voorzitterschap van deze gezamenlijke begeleidingsgroep. Dit onderdeel 1 is een lerend proces waarbij de begeleidingsgroep minstens elk kwartaal bij elkaar komt om kort-cyclisch lerend te verbeteren. De gezamenlijke begeleidingsgroep geeft waar nodig adviezen aan het BO.
Onderdeel 2: Opschoning van en inzicht in de wachtlijsten • Zorgaanbieders zijn verantwoordelijk voor adequate wachtlijstinformatie. De wachttijdinformatie die zorgaanbieders bij de verwijsdienst aanleveren is actueel, accuraat en geeft inzicht in wachttijd tot polikliniek, diagnostiek en behandeling. Elke zorgaanbieder is verplicht zijn wachttijd-informatie actueel te houden bij de verwijsdienst. • Naast opvolging van bovenstaande afspraken, zijn zorgaanbieders verantwoordelijk voor de opschoning van de wachtlijsten voor uiterlijk 1/11/2025 en het schoonhouden van de wachtlijsten na deze datum. Zorgaanbieders kunnen dit desgevraagd ook aantonen. • Zorgaanbieders gaan deze opschoning uitvoeren volgens een landelijk uniforme aanpak. Partijen maken hier gezamenlijk afspraken over, waarbij het gaat om de opschoning zelf, maar ook om het vervolgens schoonhouden van de wachtlijst. Daarbij wordt ook gekeken naar de rol die verzekeraars hierbij kunnen hebben, ook zij zullen zich scharen achter een uniforme aanpak. • Opgeschoonde wachtlijsten leiden tot geschoonde wachttijden. Partijen maken uiterlijk 31/12/2025 afspraken over hoe de geschoonde wachttijdinformatie ook inzichtelijk gemaakt wordt voor patiënten/ verzekerden.
Onderdeel 3: Bemiddeling • Vanaf 1/1/2026 kunnen patiënten proactief bemiddeld worden die (bij verwijzing na toestemming) aansluiten op een wachtlijst waarbij ze langer moeten wachten dan de Treeknorm voor de polikliniek/ aanmelding. • Over de manier waarop verzekeraars hun verzekerden benaderen zullen afspraken gemaakt worden tussen, de verzekeraars, de aanbieders en de Patiëntenfederatie. Daarbij zal recht worden gedaan aan de verantwoordelijkheden, rechten en plichten van alle betrokken partijen. Deze afspraken, die betrekking hebben op de proactieve zorgbemiddeling boven de Treeknorm worden uiterlijk oktober 2025 gemaakt. • Onderdeel van het leren en verbeteren is ook het bekijken hoe vanaf 1/1/2026 patiënten proactief bemiddeld worden die na hun poli-consult langer dan de Treeknorm moeten wachten op diagnostiek of behandeling. Hierbij wordt een technische werkgroep van zorgverzekeraars, ziekenhuizen, klinieken, patiëntvertegenwoordigers en specialisten betrokken. • Bij de inzet van proactieve zorgbemiddeling wordt rekening gehouden met het belang om de gecontracteerde basisinfrastructuur zo goed mogelijk in stand te houden. • Verzekeraars kunnen desgevraagd aantonen dat zij conform deze afspraken handelen.
• Partijen evalueren eind 2026 de afgesproken werkwijze van proactieve zorgbemiddeling van patiënten die aansluiten op een wachtlijst waarbij ze langer moeten wachten dan de Treeknorm voor de polikliniek/ aanmelding, diagnostiek of behandeling. De opzet van de evaluatie stellen partijen gezamenlijk op. In de evaluatie wordt in ieder geval ook gekeken naar: - Is de wachttijdinformatie accuraat en actueel en levert iedereen aan; - Hoe wordt de proactieve zorgbemiddeling ervaren door patiënten en zorgaanbieders;
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 45
-
Neemt de zorgaanbieder ook initiatief om de patiënt te wijzen op zorgbemiddeling bij een wachttijd boven Treek; Zijn er procesaanpassingen nodig; Kunnen we bemiddeling verder uitbreiden, is dat behulpzaam voor de patiënt en uitvoerbaar in de processen van eenieder; Wat zijn de kwantitatieve resultaten van de wachtlijstbemiddeling door de zorgverzekeraars.
Naar aanleiding van de evaluatie wordt bepaald of de werkwijze bijstelling behoeft en of - en zo ja, op welke wijze - kan worden overgegaan tot uitbreiding van de proactieve bemiddeling naar bijvoorbeeld patiënten die korter dan de Treeknorm moeten wachten en of - en zo ja, op welke wijze - een wettelijke grondslag voor de automatische doorgave van verwijsgegevens wenselijk is. • Patiënten die wachten onder de Treeknorm, maar sneller geholpen willen worden kunnen nog steeds zelf hun verzekeraar benaderen of snellere behandeling elders mogelijk is. Onderdeel 4: Overig • De NZa heeft een wettelijke taak met betrekking tot het monitoren van (knelpunten bij) wachttijden. In dat licht onderneemt de NZa het volgende: • De NZa stelt een ontwikkelagenda op voor het genereren van goede wachttijdinformatie en de monitoring van de wachttijden, waarbij in overleg met alle partijen onderzocht wordt welk (aanvullend) inzicht er nodig is en hoe dit te bereiken is. - Voor de msz bepaalt de NZa uiterlijk 1 oktober 2025 in overleg met zorgverzekeraars, zorgaanbieders en de Patiëntenfederatie of wachttijdinformatie bepaald kan worden uit bestaande gegevensstromen (declaratiedata of OHW), zoals beoogd is voor de GGZ (o.b.v. verwijsdatum en informatie vestiging) en of een traject wordt gestart tot aanpassing van regelgeving.
• Aantallen wachtenden: uiterlijk oktober 2025 wordt voor de msz een informatieformat gedefinieerd dat door alle aanbieders periodiek (periodiciteit nader te bepalen) wordt aangeleverd om inzicht te geven in het aantal wachtenden per specialisme per zorgverzekeraar. Hiervoor baseren we ons op de pilot die de NZa uitvoerde op dit onderwerp. Dit informatieformat wordt nader uitgewerkt tussen ziekenhuizen, verzekeraars en NZa. Invoering hiervan is uiterlijk 1 januari 2026. • Aanbieders delen de benodigde informatie ten behoeve van het inzicht in wachttijden en aantallen wachtenden en borgen de datakwaliteit (niet nodig in het geval wachttijdinformatie uit de declaratiedata wordt gehaald).
C4
Normeren/differentiëren: normen voor maximaal aanvaardbare wachttijden verbeteren
Normen voor wachttijden actualiseren Wat is de afspraak: Partijen gaan de normen voor wachttijden tot passende zorg in ieder geval voor de msz en ggz actualiseren en waar nodig ontwikkelen. Verkend wordt wat dit betekent voor de langdurige zorg. Wie gaat wat doen: De veldpartijen gaan tripartiet (zorgaanbieders, zorgverzekeraars en patiënten/cliënten) de normen voor wachttijden tot passende zorg actualiseren en waar nodig ontwikkelen. Daartoe vormen de veldpartijen een werkgroep bestaande uit vertegenwoordigers van ZN, Patiëntenfederatie, MIND, NVZ, NFU, ZKN, ActiZ, de Nederlandse ggz, InEen, LHV, V&VN en FMS. De werkgroep zal tijdens tweedaagse werksessies bij elkaar komen. VWS, het Zorginstituut en NZa zijn als systeempartijen betrokken. De werkgroep krijgt de volgende kaders mee: • De bestaande Treek-normen vormen het vertrekpunt. • De nieuwe en geactualiseerde normen moeten gaan over wachttijden tot passende zorg. De principes van passende zorg zijn daarbij leidend. • Wachttijden worden gedifferentieerd o.a. op basis van urgentie. • Voor de ggz moet gedifferentieerd worden tussen cruciale ggz en overige ggz. • Er worden aanvullende afspraken gemaakt over mensen die op de wachtlijst staan en die, om welke reden dan ook, niet voor de eerst mogelijke zorgmogelijkheid kiezen. • Voor de ggz wordt bezien hoe opgebouwde wachttijd – vb.
bij verhuizing of bij weigering van zorg o.g.v. exclusiecriteria – meegenomen kan worden naar een andere zorgaanbieder.
ZN, NFU, ZKN, Patiëntenfederatie en NVZ verkennen de mogelijkheden voor het uitwisselen en benchmarken van zorgbrede declaratiedata via Vektis tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders en wat daarvoor nodig is t.b.v. capaciteitsmanagement en kwaliteitsinformatie. ZN, NFU, ZKN, Patiëntenfederatie en NVZ maken op basis van de uitkomsten van deze verkenning hierover afspraken. Hiervoor is naar alle waarschijnlijkheid een wettelijke grondslag voor secundair datagebruik noodzakelijk.
Wat is het tijdpad: Fase 1 (gereed 1 december 2025) • In kaart brengen van de bestaande normen. • Evalueren waar deze nog voldoen en waar nieuwe normen nodig zijn. Fase 2 (gereed 1 april 2026) • Oplevering van een set van conceptnormen, inclusief uitvoeringsaspecten. • Bespreken van deze concept-set in BO IZA/AZWA. Fase 3 (gereed 1 juli 2026) • Verwerken feedback en opleveren van een definitief voorstel. • Bespreken (en vaststellen) in BO IZA/AZWA.
De begeleidingsgroep evalueert halfjaarlijks de werkwijze en het effect van proactieve zorgbemiddeling. Zorgaanbieders en zorgverzekeraars houden zich aan bovenstaande afspraken. Aanbieders moeten aantoonbaar schonen en verzekeraars moeten zich aantoonbaar aan de afspraken van proactieve zorgbemiddeling houden.
Wat zijn de regeldrukeffecten: Uit de kwalitatieve inschatting van de regeldrukeffecten van deze afspraak blijkt dat deze afspraak geen effect heeft op de regeldruk. Betere normen zullen niet leiden tot meer regeldruk, de registraties zelf veranderen niet.
VWS onderzoekt de noodzaak voor aanpassing van de wettelijke grondslag voor data uitwisseling na verwijzing en voor secundair datagebruik van VEKTIS data, en zal, indien nodig, deze wettelijke grondslag voorbereiden. Wat is het tijdpad: • 1/10/2025 afronden afspraken werkwijze proactieve wachtlijstbemiddeling • 1/11/2025 afronding schoning wachtlijsten en wachttijden • 31/12/2025 Verbetering inzicht wachttijden op één plek voor zorgverzekeraars, zorgaanbieders, verzekerden/patiënten • 1/1/2026 (of zoveel eerder als mogelijk): aanlevering data op basis van consent; proactieve bemiddeling bij wachtenden boven Treek na verwijzing en voor 1e poli consult • 2027 na evaluatie beslissen over eventuele wijziging of intensivering
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 46
Toelichting: Mensen in Nederland moeten merken dat de toegang tot passende zorg beter en gelijkwaardiger wordt, ongeacht waar je woont, hoeveel geld je hebt of wat je aandoening is. Daarvoor moeten we de wachttijden voor gelijkwaardige toegang tot passende zorg transparant maken en binnen hiervoor geschikte normen brengen (transitiedoel 2). Tot nu toe worden voor het meten van wachttijden de in 2000 ontwikkelde Treeknormen gebruikt. Maar deze normen gaan vooral over de toegang tot zorg en zijn indertijd niet ontwikkeld als normen voor gelijkwaardige toegang tot passende zorg. Daarvoor zijn nieuwe of aangepaste normen nodig. Bijvoorbeeld over de toegang tot een verkennend triagegesprek na verwijzing, waarbij alle betrokkenen samen bespreken welk pad het beste past. Mensen krijgen daarmee eerder en breder uitsluitsel over wat ze zelf of samen kunnen doen, welke zorg en/of ondersteuning wel of niet passend is en waar en wanneer je daarvoor terecht kunt. Binnen de ggz is hiermee ervaring en mogelijk biedt dat ook kansen in andere sectoren. Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 47
Zorgaanbieders zijn vanwege het grote maatschappelijke belang van de transitiedoelen verantwoordelijk voor het leveren van actuele en eerlijke cijfers over toegangstijden, zonder extra administratieve lasten. Bij het actualiseren en ontwikkelen van de normen voor wachttijden moet hiermee rekening worden gehouden. Specifiek voor de ggz is het uitgangspunt om de maximaal aanvaardbare wachttijden te differentiëren, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen cruciale ggz en overige vormen van ggz. Daarnaast werkt de sector aan het standaard meenemen van de wachttijd wanneer een patiënt onverhoopt naar een andere aanbieder moet.
C5
juiste plek te helpen. We zien dat een deel van mensen die zich bij de huisarts meldt met psychische klachten geen behandeling in de ggz nodig heeft en beter geholpen is met ondersteuning in bijvoorbeeld het sociaal domein. Vanwege de oplopende druk op de toegankelijkheid van de ggz– waar de wachttijden in de ggz een uiting van zijn - en de groeiende personele tekorten, maken we in het AZWA aanvullende afspraken. Het doel is dat in 2028 alle patiënten binnen de Treeknorm geestelijke gezondheidszorg ontvangen. De aanvullende afspraken in het AZWA zijn essentieel bij aan het halen van deze doelstelling en haken in op verschillende fronten van een behandeltraject: 1. Herijken van de behandelduur, - vorm en -doelstelling 2. Hybride- en groepsaanbod is voorliggend (tenzij) 3. Laagdrempelige contact tussen huisartsen – ggz – sociaal domein 4. Passend vervolg 5. Aanspraken en pakketbeheer 6. Arbeidsmarkt 7. Exclusiecriteria bij ggz-aanbieders schrappen 8. We monitoren gezamenlijk
Thuisarts wordt structureel geborgd
Structurele financiering en borging Thuisarts Wat is de afspraak, wie gaat wat doen en wat is het tijdpad: Thuisarts krijgt een belangrijke plek in het zorglandschap. Het wordt hét (digitale) platform waar mensen gebruik van maken als zij vragen hebben over gezondheid en zorg. Ook helpt het platform mensen de weg vinden binnen de zorg. VWS, NHG (eigenaar van Thuisarts), FMS, Patiëntenfederatie en ZN werken in afstemming met o.a. partijen van de visie eerstelijnszorg aan verdere doorontwikkeling, verbreding (naar meer vormen van zorg) en structurele inbedding en financiering van thuisarts in het zorglandschap. Het uitgangspunt is dat de structurele financiering wordt geborgd per 2027 en bij voorkeur Zvw-gefinancierd. VWS onderzoekt welke juridische mogelijkheden hiervoor zijn en maakt n.a.v. deze analyse afspraken over de invulling met het NHG en de overige genoemde partijen. Bovendien worden afspraken gemaakt over een toekomstbestendige governance van thuisarts. Binnen die afspraken is ruimte voor betrokkenheid van andere zorgpartijen.
Met deze set aan afspraken zorgen we ervoor dat patiënten die zorg het hardst nodig hebben deze sneller kunnen ontvangen. Om hiervoor ruimte te creëren spreken we af dat capaciteit en middelen in de ggz van behandeling van lichte zorgvragen naar de behandeling van complexe zorgvragen verschuiven. Wie gaat wat doen: 1. Herijken behandelduur, -vorm en -doelstelling Richtlijnpartijen maken met ondersteuning van het Zorginstituut en in samenwerking met Akwa ggz, afspraken over hoe zij passende behandelduur en -vorm (waaronder groeps- en digitale behandelingen) in richtlijnen en zorgstandaarden opnemen. Dit doen zij in aanvulling op de afspraken in E3. Vanaf 1 januari 2026 worden de eerste richtlijnen en zorgstandaarden aangevuld met behandelduur en -vorm. De uitvoering wordt gemonitord (zie ‘monitoring’). 2. Het Zorginstituut levert in Q1 2026 een analyse op van de spreiding van de gemiddelde behandelduur bij aanbieders met vergelijkbare trajecten. De uitkomsten worden benut (1) om te bepalen welke richtlijnen en zorgstandaarden met prioriteit moeten worden opgepakt voor (her)definiëring van behandelduur. (2) Tevens dient de informatie als spiegelinformatie voor aanbieder. 3. Het Zorginstituut levert stapsgewijs vanaf eind Q1 2026 een inventarisatie op van passende behandelduur en -vorm in richtlijnen en zorgstandaarden en hoe dit te verbeteren.
Zij start met de meest voorkomende diagnoses (angststoornis en depressie) en verdere prioritering uit het hiervoor genoemde onderzoek naar de spreiding van de gemiddelde behandelduur. De inventarisatie betreft: a. de kennis betreffende passende behandelduur en -intensiteit voor verschillende ggz-aandoeningen te inventariseren; b. het checken of deze passende behandelduur en intensiteit is opgenomen in de relevante richtlijn en zorgstandaarden; c. en, wanneer niet, aangeven hoe eventuele kennislacunes per aandoening in de richtlijnen en zorgstandaarden kunnen worden aangevuld door richtlijnpartijen. d. Ten aanzien van groepsbehandeling wordt het traject van de pakketagenda 2026-2028 gevolgd. 4. Het afspreken van behandeldoelen door patiënt en behandelaar en het evalueren van een behandeling verbetert de behandeluitkomsten23. Aanbieders integreren (1) behandelduur, (2) - vorm en (3) het vaststellen van gedeelde behandeldoelen door patiënt en behandelaar, evenals het periodiek evalueren hiervan, standaard in een behandeling. Aanbieders zetten tevens in op het tijdig afronden van behandelingen. Hierbij worden de resultaten van de gesprekstafel ‘doelstelling, evaluatie en beëindiging’ uit het programma Versterken Kwaliteitstransparantie in de ggz en lopende acties van Akwa ggz meegenomen. 5.
Hybride- en groepsaanbod is voorliggend (tenzij) Om capaciteit vrij te spelen zonder dat kwaliteitsverlies optreedt, wordt voor alle ggz-aanbieders contractueel een groeipad afgesproken voor hybride- en groepsbehandeling waar dat passend is.
Wat zijn de regeldrukeffecten: Uit de kwalitatieve inschatting van de regeldrukeffecten van deze afspraak blijkt dat deze afspraak geen effect heeft op de regeldruk. Het structureel bekostigen van Thuisarts zorgt niet voor meer regeldruk ten opzichtige van de huidige situatie.
Toelichting: Digitale toegang tot betrouwbare en onafhankelijke informatie over zorg en gezondheid wordt steeds belangrijker. Deze toegankelijke informatie helpt om onnodige druk op de zorg te voorkomen en voorkomt dat mensen gebruik maken van desinformatie. Nieuwe technieken, zoals AI, bieden technologisch steeds meer mogelijkheden voor ontwikkeling van digitale (zelf)zorg en (zelf)triage. Dat helpt om het potentiële effect van deze digitale toepassingen verder te vergroten. Thuisarts vermindert de druk op de (eerstelijns)zorg, speelt zorgprofessionals vrij, ondersteunt samen beslissen in de spreekkamer en helpt burgers om betrouwbare informatie over zorg en gezondheid te vinden. Dit vergt wel blijvend onderhoud en doorontwikkeling. Uit onderzoek dat VWS heeft laten doen, blijkt dat het (gedeeltelijk) publiek financieren van thuisarts een logische vervolgstap is. Voor de periode 2024-2026 is dit al gerealiseerd via cofinanciering van VWS, FMS, NHG en ZN. Met deze afspraak borgen AZWA-partijen de financiering en governance structureel.
C6
Verbeteren toegankelijkheid van de ggz
Verbeteren toegankelijkheid van de ggz Wat is de afspraak: We willen dat er meer behandelcapaciteit komt voor mensen met een ggz-vraag, specifiek voor patiënten met een complexe zorgvraag. Daarom gaan we binnen het bestaande kader schuiven met menskracht en middelen, waarbij het zwaartepunt verschuift van de behandeling van lichte zorgvragen naar de behandeling van complexe zorgvragen. Mensen met een complexe zorgvragen moeten nu vaak lang op zorg wachten. In het IZA zijn al ambitieuze afspraken gemaakt over de toegankelijkheid van de ggz en het verbeteren van samenwerking tussen huisartsen, ggz en sociaal domein ten behoeve van mensen met psychische klachten. Zo hebben mentale gezondheidsnetwerken (met de functies verkennend gesprek, transfermechanisme en domeinoverstijgend casusoverleg) en de laagdrempelige steunpunten als doel om mensen sneller op de
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 48
23
Akwa 2022; Norcross, & Lambert (2019); Tryon & Winograd (2011); Garb, 2005; GGZ Dataportaal 2024; Janse en collega’s, 2017; De Jong en collega’s (2023); Markbench 2018; Peeters en collega’s, 2012; Shimokawa en collega’s, 2010; Waller, 2016)
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 49
N.a.v. de IZA-afspraak om 6% behandelcapaciteit vrij te spelen blijft onverkort van kracht. Aanvullend wordt een groeipad van tenminste 6% hybride (t.o.v. 2022) en 6% groepsbehandeling (t.o.v. 2025) in het totaalaanbod van elke aanbieder in 2027 gevraagd (inkoop 2026). Dit vraagt om het investeren in digitale toepassingen en groepsbehandelingen, het opleiden van professionals (zie ook B3) en het versneld in kaart brengen van opschaalbare digitale toepassingen en groepsbehandeling. 6. Laagdrempelige contact tussen huisartsen – ggz – sociaal domein We gaan het makkelijker maken voor huisartsen en sociaal domein om laagdrempelig kort te schakelen met de ggz. Dat kan net het verschil maken waardoor iemand sneller op de juiste manier geholpen kan worden, en waardoor doorverwijzing naar de ggz mogelijk voorkomen wordt. Hieronder valt ook consultatie door de huisarts bij de psychiater over (herhaal)medicatie, rekeninghoudend met de richtlijn ‘Herhalen specialistische medicatie van de NHG’. Onder regie van de Nederlandse ggz wordt onderzoek gedaan naar de knelpunten rond de inzet van de consultatiefuncties huisartsen – ggz en sociaal domein – ggz. Het onderzoek brengt ook in kaart hoe deze functies beter ingezet kunnen worden en wat er nodig is voor opschaling. In Q1 2026 wordt dit onderzoek opgeleverd. 7.
Passend vervolg: De Nederlandse ggz, LHV, InEen, MIND en de beroepsgroepen maken uiterlijk Q1 2026 een continuüm van afspraken over de wijze waarop patiënten met een chronische aandoening (binnen de zogenaamde EPA-groep) waarbij de klachten (tijdelijk) zijn gestabiliseerd op een goede manier worden overgedragen aan de huisarts. Onderdeel van de afspraken is het uitwerken een terugvalaanbod. Hierbij zal rekening worden gehouden met het ‘Aanbod Huisartsgeneeskundige Zorg (2022)’. De oplossingsrichtingen sluiten nauw aan bij de behoefte van de patiënt en het absorptievermogen voor zowel huisartsen als de ggz. De bovengenoemde partijen betrekken bij de uitwerking de partners in het sociaal domein. 8. Aanspraken en pakketbeheer: Het Zorginstituut brengt, in afstemming met de Nederlandse ggz, beroepsgroepen, ZN en MIND en huisartsen in beeld op welke manier aanspraken en pakketbeheer een bijdrage kunnen leveren aan een toekomstbestendige ggz. De mogelijke maatregelen zien ten minste toe op voorstellen voor verscherping van de aanspraak, waarbij principes voor passende geestelijke gezondheidszorg centraal staan. Uitgangspunt is dat behandelcapaciteit wordt vrijgespeeld voor patiënten met complexe zorgvragen, waarbij het van belang blijft dat ook mensen met lichtere problematiek toegang hebben tot passende zorg of ondersteuning.
Het effect van de maatregelen op andere domeinen, inclusief het mogelijk verschuiven van patiëntvragen en hoe dit wordt opgevangen, wordt in beeld gebracht. De eerste stap is een inventarisatie onder leiding van het Zorginstituut van mogelijke oplossingsrichtingen, ter bespreking op het BO IZA/AZWA Q1 2026. Vervolgens zal na het BO IZA/AZWA van Q1 2026 het Zorginstituut in samenwerking met eerder genoemde partijen, de impact van de gekozen oplossingsrichtingen in beeld brengen (bijvoorbeeld het effect op de driehoek: ggz-huisartssociaal domein). In uiterlijk Q4 2026 zal het Zorginstituut de ‘Uitleg aanspraak op basis van DSM’ hierop aanpassen. De doelstelling van het behalen van de Treeknormen in 2028 is, ook in deze maatregel, een belangrijke toetssteen. 9. Arbeidsmarkt: Voor het vrijmaken van personele capaciteit maakt de Nederlandse ggz samen met de betrokken beroepsgroepen, MIND en toezichthouders in Q4 2025 de mogelijkheden voor taakdifferentiatie of een ‘skillsgerichte aanpak’ inzichtelijk. Behoud van kwaliteit en (verhoging van) werkplezier is hierbij een randvoorwaarde. Startpunt voor deze ‘skillsgerichte inzet’ is de acute ggz en de high intensive care units (HIC’s). De mogelijkheden worden vervolgens met voorrang ingepast in de betreffende zorgstandaarden.
Deze maatregel wordt in samenhang met afspraak D7 bezien, die de continuïteit van de invulling van ANW-diensten (waaronder crisisdiensten) in elke regio borgt. 10. Exclusiecriteria bij ggz-aanbieders schrappen: Zorgaanbieders stoppen vanaf 2026 met het hanteren van exclusiecriteria, behalve wanneer dit strikt noodzakelijk is voor zorginhoudelijk te onderbouwen uitzonderingsgevallen. Enkel voor een aantal “laag volume, hoog complexe zorgvragen” kunnen exclusiecriteria gelden, op basis waarvan vanuit een regio kan worden doorverwezen naar een landelijke (3e lijns) voorziening. Hierdoor wordt het verwijzen voor huisartsen eenvoudiger, worden patiënten sneller geholpen en voorkomen we dat zij van aanbieder naar aanbieder worden doorverwezen. Om deze afspraak goed te laten landen, is van het belang dat de samenwerking in de regio tussen grote geïntegreerde instellingen en kleinschalige aanbieders wordt verstevigd. Zorgverzekeraars nemen het
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 50
inperken van exclusiecriteria mee in het inkoopbeleid voor de ggz vanaf 2027. Zij hanteren hierbij het principe van redelijkheid en billijkheid, met aantoonbare inachtneming van de belangen van patiënten en zorgprofessionals. Het uitgangspunt is dat er in elke regio voldoende kwalitatief goed aanbod gecontracteerd wordt. 11. We monitoren gezamenlijk, naast de reguliere IZA/AZWA monitoring, de effecten van de IZA en AZWA afspraken voor de ggz, en toetsen de uitwerking op het doel: alle ggz zorg binnen de Treeknorm in 2028. In de monitor wordt in elk geval jaarlijks de verschuiving van lichte naar complexe zorg in beeld gebracht o.b.v. declaratiedata. De set van maatregelen is een samenspel met effect op verschillende domeinen. Om het doel te halen is daarom een gecontroleerde en gezamenlijke transitie noodzakelijk. Als blijkt dat een of meerdere betrokken partijen niet in staat is om een doelgroep te voorzien van passende zorg of ondersteuning vindt er onmiddellijk bestuurlijk overleg plaats, landelijk dan wel in de regio. Wat is het tijdpad: Concrete voorstellen 1. Behandelduur: vanaf 1 januari 2026 worden de eerste richtlijnen en zorgpaden aangepast. a. Q1 2026 oplevering analyse naar de verschillen in behandelduur b. Q1 2026 plan van aanpak voor verrijking van richtlijnen c. Vanaf 1-1-2026. 2. Groeipad: effectief per inkoop 2026 3.
Consultatiefunctie: oplevering rapport en aanvullende afspraken in 2026 4. Passend vervolg: Q1 2026 continuüm afspraken 5. Toekomstbestendige ggz: eind 2026, met eerste inventarisatie maatregelen begin 2026. 6. Arbeidsmarkt: Q1 2026 7. Exclusiecriteria: - Zorgaanbieders stoppen vanaf 2026 in principe met het hanteren van exclusiecriteria. - Zorgverzekeraars nemen het inperken van exclusiecriteria mee in het inkoopbeleid voor de ggz vanaf 2027. 8. Monitoring: voorstel voor monitoring Q4 2025.
Palliatieve zorg Palliatieve zorg is er voor mensen die niet meer beter worden en hun naasten. Het draait om kwaliteit van leven en de dingen kunnen blijven doen die je belangrijk vindt. Het gaat dus niet alleen om zorg, maar ook om psychische en sociale ondersteuning. Deze fase kan maanden of zelfs jaren duren. Terminale zorg en stervensbegeleiding zijn onderdeel van palliatieve zorg en vinden plaats in de allerlaatste weken, soms maanden. Mensen moeten op deze ondersteuning en zorg kunnen rekenen en het moet passen bij hun situatie en wensen. Palliatieve zorg staat daarom als één van de prioriteiten van het kabinet in het regeerprogramma. Deze ondersteuning en zorg zouden een vanzelfsprekend onderdeel moeten zijn van reguliere zorg en het sociale domein en moeten goed georganiseerd en toegankelijk zijn. Ook is het belangrijk dat mensen vroegtijdig het gesprek aangaan over de laatste levensfase en dit niet alleen in de spreekkamer van de arts doen, maar ook met hun familie en andere naasten. Als mensen in de palliatief terminale fase komen dan moeten zij de ondersteuning en zorg krijgen die zij nodig hebben en zoveel mogelijk in hun eigen vertrouwde omgeving ontvangen. Door met de partijen in het aanvullend zorg - en welzijnsakkoord afspraken te maken kan een belangrijke versnelling van de ingezette beweging naar palliatieve zorg als onderdeel van reguliere zorg plaatsvinden.
En worden de resultaten van het nu lopende programma structureel ingebed in de zorg en het sociaal domein. Zo is in maart 2025 de handreiking ‘Kwetsbare ouderen thuis’ volledig herzien. De handreiking beschrijft zes stappen die lokale en regionale partijen in de eerstelijnszorg en het sociaal domein kunnen volgen om samenwerkingsafspraken te maken over de zorg en ondersteuning van thuiswonende kwetsbare ouderen. Het 6-stappenplan voor het bieden van persoonsgerichte, proactieve en samenhangende zorg en ondersteuning voor thuiswonende kwetsbare ouderen vormt de kern van de handreiking. De handreiking sluit aan bij de Visie eerstelijnszorg 2030. Deze handreiking is ten behoeve van de zorg en ondersteuning van alle kwetsbare ouderen en niet specifiek voor ouderen in de palliatieve fase. Ten behoeve van mensen van alle leeftijden in de palliatieve fase wordt momenteel binnen het Nationaal Programma Palliatieve Zorg II (NPPZ II) gewerkt aan transformaties in de regio door het Kwaliteitskader palliatieve zorg te implementeren. Hiervoor is de Strategische agenda Transformatie palliatieve zorg opgesteld:
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 51
Strategische agenda Transformatie palliatieve zorg (april 2024). Deze transformatie betekent dat partijen (ziekenhuizen, hospices, huisartsen, wijkverpleging, zorgverzekeraars, etc.) per regio afspraken maken over hoe ze gaan zorgen dat zorgverleners tijdig de palliatieve fase markeren, dat zorgverleners tijdig en regelmatig gesprekken voeren met patiënten over hun wensen en grenzen in de palliatieve fase, dat zorgverleners met elkaar gaan samenwerken, over de ‘muren’ heen en dat zij zorgen dat bij complexe palliatieve zorg voldoende specialisten palliatieve zorg beschikbaar zijn. Vanuit het NPPZ II worden (de partijen in de) regio’s geadviseerd over de transformatie, worden zij ondersteund met informatie en instrumenten en worden zij gestimuleerd om onderlinge kennis en ervaringen uit te wisselen.
•
• Als voorbeeld van een succesvolle eerste samenwerking in dit verband, kan het Transformatieplan palliatieve zorg en proactieve zorgplanning in Drenthe en Steenwijkerland genoemd worden dat is goedgekeurd door zorgverzekeraars Zilveren Kruis en Coöperatie VGZ. Met het plan wordt het Kwaliteitskader palliatieve zorg Nederland en proactieve zorgplanning breed geïmplementeerd door 48 zorgorganisaties, 13 gemeenten en welzijnsorganisaties in heel Drenthe-Steenwijkerland. Meer dan 100 inwoners en professionals uit zorg en welzijn hebben aan het Transformatieplan gewerkt, met ondersteuning van het team Transformatie palliatieve zorg van het NPPZ II. Regio Mijnstreek en regio Midden Nederland bevinden zich ook in een vergevorderd stadium met de opzet van een Transformatieplan en daarnaast zijn er Transformatieplannen palliatieve zorg in ontwikkeling in andere regio’s. De AZWA-partijen vinden het belangrijk dat deze regionale afspraken en ontwikkelingen verder worden versterkt en versneld door ook op landelijk niveau in dit AZWA afspraken te maken. Met onderstaande afspraken kan wat tot nu toe is bereikt, verder worden geborgd in reguliere processen en kan de beweging naar palliatieve zorg als vanzelfsprekend onderdeel van reguliere zorg en het sociaal domein worden versneld.
C7
Terminale palliatieve zorg en stervensbegeleiding kunnen ongehinderd worden geleverd
Wat is het tijdpad: Deze afspraak is per direct van kracht.
Toelichting: Alle partijen vinden het heel erg belangrijk dat juist in de laatste fase van iemands leven de palliatief terminale zorg en ondersteuning een vanzelfsprekend onderdeel is van reguliere zorg en daarmee goed georganiseerd en toegankelijk is voor iedereen die dat nodig heeft. Zonder dat mensen zich daarover zorgen hoeven te maken. Heel vaak gaat dit gelukkig goed, maar elk geval waarin dit toch schuurt met de praktijk is er een teveel. Partijen vinden het daarom belangrijk om te verduidelijken dat een afspraak over een omzetplafonds nooit een belemmering mag vormen voor het tijdig leveren van de palliatieve terminale zorg die mensen in de stervensfase nodig hebben. Om dit te borgen worden bovenstaande afspraken gemaakt.
C8
Afspraken tussen zorgverzekeraars en zorgaanbieders over de inzet van palliatief terminale zorg
Zorgverleners gaan vroegtijdig het gesprek aan met patiënten over de laatste fase van het leven
Palliatieve zorg: Proactieve zorgplanning
Wat is de afspraak: Mensen in de stervensfase ontvangen te allen tijde de palliatieve terminale zorg en ondersteuning die zij nodig hebben. Afspraken tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars over omzetplafonds voor wijkverpleging kunnen hier in individuele gevallen op geen enkele wijze een belemmering in vormen. Ook doelmatigheidsafspraken – die in zijn algemeenheid nodig zijn - mogen nooit in de weg staan aan passende zorg in de laatste levensfase van een individuele patiënt. Om te voorkomen dat hierover onduidelijkheden bestaan tussen zorgaanbieders en zorgverzekeraars spreken zij een duidelijk proces af over wie wanneer wat moet doen om er voor te zorgen dat het omzetplafond en doelmatigheidsafspraken daadwerkelijk geen belemmering vormen. Verkend wordt of een leidraad daarbij nog ondersteunend kan zijn. Het is belangrijk dat mensen juist ook in de palliatief terminale fase de zorg krijgen die zij nodig hebben en zij die zorg zoveel mogelijk in hun eigen vertrouwde omgeving ontvangen.
Wat is de afspraak: Zorgverleners gaan vroegtijdig het gesprek aan met de patiënt over zijn/haar wensen en voorkeuren om te weten wat een patiënt belangrijk vindt in de laatste fase van het leven (proactieve zorgplanning). Wie gaat wat doen: • VWS gaat door met de ondersteuning van de regionale transformaties palliatieve zorg.24 • De NZa heeft per 2025 een betaaltitel ingevoerd voor proactieve zorgplanning in ziekenhuizen. Hiermee kunnen zorgaanbieders in de medisch-specialistische zorg specifiek vastleggen wanneer sprake is van proactieve zorgplanning of samen beslissen. Met deze wijziging in de bekostiging wordt het goede gesprek tussen patiënt en behandelaar gestimuleerd. Aanvullend maken zorgaanbieders en zorgverzekeraars afspraken over hoe meer bekendheid kan worden gegeven aan proactieve zorgplanning, samen beslissen en de mogelijkheid van het gebruik van deze betaaltitel. • In de palliatieve zorg is passende zorg en ondersteuning uitgaande van de patiënt essentieel. Voor het voeren van gesprekken over palliatieve zorg en proactieve zorgplanning is het van belang dat wensen van patiënten worden vastgelegd en onderdeel zijn van het zorgproces en de psychische en sociale ondersteuning.
Partijen (ziekenhuizen, hospices, huisartsen, zorgverzekeraars, wijkverpleging, sociaalmaatschappelijk werk, patiënten etc.) maken afspraken over hoe ze in het zorgproces het proces van samen beslissen en proactieve zorgplanning vastleggen en delen over de ‘muren’ heen. PZNL/NPPZ II ondersteunt hen daarbij gedurende de looptijd van het programma (t/m 2026) als onderdeel van de regionale transformaties palliatieve zorg.
Wie gaat wat doen: • Zorgverzekeraars en zorgaanbieders voeren tijdig en op zorgvuldige wijze overleg over de afspraken die betrekking hebben op palliatieve zorg in de stervensfase waarbij beiden rekening houden met het streven naar een toegankelijker zorglandschap en een verantwoorde inzet van zorgprofessionals. Uitgangspunt is de wens van de patiënt en diens naasten. Zorgverzekeraars en zorgaanbieders spreken bij het sluiten van een contract (vanaf 2026) een duidelijk proces af over wie wanneer wat moet doen om te voorkomen dat een omzetplafonds een belemmering vormt voor het tijdig leveren van de palliatieve zorg die mensen in de stervensfase nodig hebben. Verkend wordt (in 2025) of een leidraad passende zorg in de laatste levensfase kan worden ontwikkeld om constructief overleg te ondersteunen.
24
Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord 52
Deze afspraken zien in ieder geval op: - Aanbieders die palliatieve terminale zorg leveren trekken conform de contractafspraken ruim op tijd aan de bel (bij het bereiken van 50% tot 70% van het plafond) bij de zorgverzekeraar, wanneer de zorgaanbieders zien dat door de afspraken tussen de zorgverzekeraar en de zorgaanbieder over omzetplafonds het tijdig en voldoende leveren van palliatieve zorg in de stervensfase in het geding komt, zodat er alternatieve afspraken gemaakt kunnen worden. - Een duidelijke ingang bij de zorgverzekeraars voor situaties waarin met spoed een oplossing moet worden gevonden, zodat de patiënt te allen tijde tijdig de zorg krijgt die hij nodig heeft. De voorkeur van de patiënt om thuis te overlijden wordt zoveel mogelijk gevolgd. De beroepsgroep, zorgaanbieders en zorgverzekeraars maken in 2025 goede afspraken over de vraag wanneer palliatief terminale zorg niet meer verantwoord thuis kan worden georganiseerd. Daarbij worden ook afspraken gemaakt welke volwaardige alternatieven beschikbaar zijn voor palliatieve terminale zorg en ondersteuning thuis en onder welke voorwaarden deze doelmatig, incl. de financiering, kunnen worden geleverd. Indien noodzakelijk wordt het Normenkader indicatieproces hierop aangepast.