2022-03-11 RIB Intentieovereenkomst Zorghoeve lAbri - Principeverzoek.pdf
Tekst van het document
Het plan voldoet aan de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’; Het plan past binnen de rijks-, provinciale en gemeentelijke beleidskaders.
30
4. Milieuaspecten 4.1 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r.) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek De activiteit, het realiseren van (zorg)woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 11.2 van het besluit m.e.r. Het plan betreft een kleinschalig woonzorginitiatief (in totaal 40 wooneenheden). Er is daarmee geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Bij dit aantal woningen, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een direct m.e.rplicht geldt, geldt wel de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden.
Kenmerken van het plan Het plan is om het plangebied (paardenstoeterij) te transformeren naar een hoogwaardig en duurzaam woonzorgconcept in de vorm van een boerenerf. De Rijksmonumentale boerderij blijft behouden. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 1,8 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Boezems Kinderdijk. Op een afstand van circa 780 meter ligt het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Er is sprake van een ontwikkeling van zeer beperkte omvang. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet onevenredig toenemen. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu. Conclusie Voor dit plan hoeft geen m.e.r.-beoordelingsprocedure te worden gevolgd. Er kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In de volgende hoofdstukken worden de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is hiermee afdoende aangetoond dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer.
31
4.2 Geluid Beleidskader In het kader van de Wet geluidhinder dient voor de ontwikkeling van geluidsgevoelige functies een akoestisch onderzoek te worden verricht. De kern van de wet is dat geluidsgevoelige bestemmingen worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving ten gevolge van wegverkeer, spoorweg en industrie. De Wet geluidhinder kent de volgende geluidsgevoelige functies: 1. Woningen, 2. Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal), 3. Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc. De Wet Geluidhinder (Wgh) stelt grenzen aan de geluidsbelasting waaraan woningen en andere geluidsgevoelige functies en terreinen mogen worden blootgesteld. De gestelde eisen verschillen per geluidsbron (industrie, spoorwegen, wegverkeer) en per belast object of terrein (bijvoorbeeld woning, school, etc.). Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen aanwezige objecten en aanwezige geluidsbronnen en nieuwe objecten en nieuwe geluidsbronnen. Onderzoek Het plangebied is niet gelegen binnen de invloedsfeer van enig spoorwegtraject en/of een gezoneerd industrieterrein, dus kan buiten beschouwing worden gelaten.
Het plangebied is gelegen binnen de geluidszones van de Rotterdamseweg (circa 155 meter), Ringdijk (circa 115 meter) en de Sportlaan (circa 198 meter). Ten behoeve van het ruimtelijke spoor dient daarom onderzoek naar het wegverkeerslawaai verricht te worden. Het akoestisch onderzoek moet aantonen dat binnen de voorkeursgrenswaarde gebleven moet worden. De verwachting is dat de geluidbelasting op de woningen hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, maar de maximale ontheffingswaarde voor binnenstedelijk gesitueerde woningen van 63 dB, incl. aftrek art. 110g Wgh niet overschrijdt (en dus een hogere waarde procedure doorlopen moet worden). Ten behoeve van het bouwkundig spoor verwachten wij dat er onderzoek naar de geluidswering van de gevelconstructie uitgevoerd moet worden. Dit onderzoek moet aantonen welke maatregelen in de gevelconstructie benodigd zijn om een maximale geluidsbelasting van 33 dB binnen de geluidsgevoelige ruimten te kunnen waarborgen. Conclusie Voor het plan dient door een deskundig bureau een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai te worden uitgevoerd. Voor het plan dienen naar verwachting hogere grenswaarden voor wegverkeerlawaai te worden vastgesteld.
32
4.3 Bedrijven en milieuhinder Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven), en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruik gemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven. Tabel 1: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering) Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Onderzoek Het plan is getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Gemengd gebied Het plangebied is gelegen in het omgevingstype gemengd gebied. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Naast woningen zijn andere functies als kleinschalige bedrijvigheid aanwezig. Hierdoor kunnen gereduceerde richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar worden gerechtvaardigd. De richtafstand mag daarmee één afstandstrap worden verlaagd. Op basis van onderstaande tabel kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden. Op basis hiervan kan worden gesteld dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven niet wordt beperkt als gevolg van dit plan.
33
Tabel 2: Omliggende bedrijven Adres Functie
Milieucategorie
Richtafstand (gemengd gebied/
Afstand tot plangebied*
Kievitsweg 1-3
Bedrijven tot 2.0 10 meter Min. 10 meter categorie 2. Kievitsweg 25 Kantoor 1.0 0 meter 30 meter Prinses Kringloop2.0 10 meter 90 meter Margrietstraat 1 winkel / bedrijven tot categorie 2 Benedenrijweg 67a Kantoor 1.0 0 meter 78 meter Willemstraat 257 Kantoor 1.0 0 meter 150 meter * Afstand gemeten van bedrijfsbestemmingsvlak tot gevel(s) nieuw te bouwen woonvolumes. Willemstraat 257
Kievitsweg 25
Prinses Margrietstraat 1
Kievitsweg 1-3
Plangebied
Benedenrijweg 67a
Afbeelding 19: Omliggende bedrijven
Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect bedrijf- en milieuhinder geen belemmeringen.
34
4.4 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem voor het toekomstige woongebruik in kaart te brengen dient door een deskundig bureau een verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Uit een in 1999 uitgevoerd bodemonderzoek blijkt dat olie en PAK lokaal sterk verhoogd is aangetroffen op de locatie. Verder was de grond maximaal licht verontreinigd in 1999. De verwachting is dat er een puinlaag aanwezig is. Er zijn geen echte aanwijzingen die duiden op eventuele bodemverontreiniging. Om zo veel mogelijk uit te sluiten moet er hier meerdere boringen in het beton worden gezet.
Conclusie Voor het plan dient door een deskundig bureau een verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd om de kwaliteit van de bodem voor het toekomstige gebruik ‘wonen’ in kaart te brengen.
35
4.5 Cultuurhistorie en archeologie Archeologie Beleidskader In Europees verband was het de zogenaamde ‘Verdrag van Malta’ tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag was het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk in situ te behouden. Sindsdien geldt dat waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd (Monumentenwet) en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz was een wijzigingswet en omvatte een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moesten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds de invoering van deze wet zijn gemeente belast met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is niet veranderd met de inwerktreding van de Erfgoedwet (1-7-2016). Sindsdien is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2022 in werking zal treden.
Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Archeologische Waarden- en Beleidskaart gemeente Ridderkerk Met de Archeologische Waardenkaart streeft de gemeente Ridderkerk ernaar bij te dragen aan een vlotte en ongehinderde totstandkoming van ruimtelijke plannen, terwijl tegelijkertijd recht gedaan wordt aan de archeologische geschiedenis van Ridderkerk. De Archeologische Waarden- en Beleidskaart toont voor het gehele gemeentelijke grondgebied van Ridderkerk de bekende archeologische waarden en verwachtingen Tevens geeft de kaart aan welk archeologisch beleid er geldt voor de verschillende gebieden en wanneer bouw- en ontwikkelingsplannen moeten worden getoetst op de noodzaak van het uitvoeren van archeologisch (voor)onderzoek. Onderzoek Op de archeologische waarden- en beleidskaart van de gemeente Ridderkerk is te zien dat het plangebied is gelegen in een gebied met: 1. Een hoge archeologische verwachting (rood). De archeologische waarden zijn te verwachten dieper dan 50 cm beneden het maaiveld. Voor gebieden met een hoge archeologische verwachting geldt dat grondwerkzaamheden (inclusief heien) die een oppervlakte beslaan van meer dan 100 m² en tevens dieper reiken dan respectievelijk 0 cm of 50 cm beneden het maaiveld dienen te worden getoetst op de noodzaak van archeologisch onderzoek.
Dit geldt niet voor werkzaamheden die worden uitgevoerd in verband met reguliere agrarische bedrijfsvoering, werkzaamheden in bestaande weg- en leidingcunetten en werkzaamheden die zijn gericht op het normale onderhoud en beheer van betreffende gebieden. Voor de verlening van een omgevingsvergunning moet een plan van de voorgenomen werkzaamheden worden voorgelegd aan de gemeente Ridderkerk. Op basis van dit plan wordt beoordeeld of een archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) voorafgaande aan de werkzaamheden noodzakelijk is.
36
2. Een redelijk hoge archeologische verwachting (groen). De archeologische waarden zijn te verwachten dieper dan 50 cm beneden het maaiveld. Voor gebieden met een redelijk hoge archeologische verwachting geldt dat grondwerkzaamheden (inclusief heien) die een oppervlakte beslaan van meer dan 200 m² en tevens dieper reiken dan respectievelijk 50 cm of 80 cm beneden het maaiveld dienen te worden getoetst op de noodzaak van archeologisch onderzoek. Dit geldt niet voor werkzaamheden die worden uitgevoerd in verband met reguliere agrarische bedrijfsvoering, werkzaamheden in bestaande weg- en leidingcunetten en werkzaamheden die zijn gericht op het normale onderhoud en beheer van betreffende gebieden. Voor de verlening van een omgevingsvergunning moet een plan van de voorgenomen werkzaamheden worden voorgelegd aan de gemeente Ridderkerk. Op basis van dit plan wordt beoordeeld of een archeologisch vooronderzoek (bureauonderzoek en/of inventariserend veldonderzoek) voorafgaande aan de werkzaamheden noodzakelijk is.
Plangebied
Afbeelding 20: Archeologische Waarden- en Beleidskaart gemeente Ridderkerk
Het plan vindt plaats in het gebied met een redelijk hoge archeologische verwachting. De bodemingreep is naar verwachting groter dan 100 m² en reikt tevens dieper dan respectievelijk 50 cm beneden het maaiveld. Derhalve dient voor het plan door een deskundig bureau een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd (bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek).
37
Cultuurhistorie Beleidskader Onder de noemer Modernisering Monumentenzorg (MoMo) heeft het Rijk in 2009 een aanzet gegeven voor een goede afweging van het belang van de cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening. Gepleit wordt voor een verantwoorde verankering van de integrale cultuurhistorie in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. In aansluiting op de vaststelling van de Wet tot wijziging van de Monumentenwet 1988 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in mei 2011 zijn op 17 juni 2011 het Bro, het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische monumentenzorg (Bamz) aangepast. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen, met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmings- plannen. Het Bro bevat eisen waaraan de voorbereiding van een bestemmingsplan moet voldoen.
Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd van de manier waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren wordt gehaald. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen hoe met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren. De Erfgoedwet, van kracht sinds 1 juli 2016, bundelt wet- en regelgeving op het gebied van behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland in één nieuwe wet. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving (Monumentenwet, Wet ruimtelijke ordening) is overgenomen in de Erfgoedwet, bijvoorbeeld de aanwijzing van rijksmonumenten, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend.
Voor het eerst is er nu één integrale wet die betrekking heeft op onze museale objecten, musea, monumenten en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten met elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden, worden gehandhaafd. Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet die naar verwachting in 2019 wordt ingevoerd, wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Cultuurhistorische waardenkaart Ridderkerk woongebieden Ridderkerk beschikt met de Kerksingel, de dijkprofielen, de Kerkweg en de restanten van het voormalig agrarisch landschap over een cultuurhistorisch waardevolle kern. In 2018 is een Cultuurhistorische Waardenkaart voor de woongebieden van Ridderkerk vastgesteld. De waardering van cultuurhistorische elementen is gebaseerd op de criteria zoals opgesteld door de Rijksdienst voor het Cultureel 38
Erfgoed. Voorbeelden van criteria zijn zeldzaamheid, representativiteit, conservering en gaafheid. Als er gesproken wordt over cultuurhistorie in relatie tot ruimtelijke ordening wordt vaak een onderscheid gemaakt in historische geografie en historische bouwkunst. Historische geografie gaat over landschappelijke en stedenbouwkundige elementen en structuren zoals dijken, slotenpatronen, stratenpatronen en verkavelingen. Historische bouwkunst heeft betrekking op bebouwing en architectuur. Voor zowel de geografie als de bouwkunst zijn aparte waardenkaarten gemaakt. De historische structuren in de woongebieden van Ridderkerk worden onderverdeeld in zeer hoge, hoog en redelijk hoog gewaardeerde structuren. Het perceel Benedenrijweg 69-69a te Ridderkerk betreft een voormalige agrarische bedrijfslocatie. Het plangebied is gelegen binnen een gebied met zeer hoge historisch geografische waarden. Binnen het plangebied is een Rijksmonumentale boerderij gelegen. Verder is grenzend aan het plangebied een oude waterloop met onder meer een karakteristieke beplanting van knotbomen gelegen. Het plan is om het plangebied in te richten in de vorm van een traditioneel boerenerf. De bestaande karakteristieke elementen, de Rijksmonumentale boerderij en de oude waterloop, blijven behouden. De voorgevel van de boerderij is nog in de oorspronkelijke staat.
De rest van de boerderij en de overige stallen zijn herbouwd en/of dateren uit een latere periode. Wat betreft de architectonische uitwerking van de woonvolumes wordt aangesloten bij het bestaande dijklint. De woonvolumes krijgen een ondergeschikte uitstraling ten opzichte van de boerderij (schuurvolumes). Er worden geen cultuurhistorische waarden aangetast.
Plangebied
Afbeelding 21: Cultuurhistorische waardenkaart Ridderkerk woongebieden
Conclusie Er worden geen cultuurhistorische waarden aangetast. Voor het plan dient door een deskundig bureau een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd (bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek). Indien men tijdens bouw- of andere werkzaamheden op archeologische resten stuit, dan moet dit volgens artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 zo spoedig mogelijk gemeld worden bij de minister van OC&W (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
39
4.6 Watertoets Beleidskader In het plangebied is Waterschap Hollandse Delta de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid De strategie en het beleid van Waterschap Hollandse Delta is gericht op: • Het bieden van veiligheid tegen wateroverlast; • Veilige (vaar)wegen; • Voldoende en schoon oppervlaktewater. Daarnaast werkt het Waterschap ook actief aan de ruimtelijke inbedding van "water", met oog voor de ecologie en het landschap en dat water mee bepalend wordt voor de gewenste ruimtelijk economische ontwikkelingen. Hierbij werkt het Waterschap nauw samen met anderen, zowel met medeoverheden als met belangenorganisaties en andere gebruikers van ruimte. Door een actieve instelling en open houding kunnen belangen tegen elkaar worden afgewogen en kunnen keuzes worden gemaakt, die mogen rekenen op voldoende steun en draagvlak. Verordening ‘de Keur’ Het Waterschap Hollandse Delta heeft als regelgeving haar verordening ‘de Keur’.
Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat voor de verschillende typen watergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van de watergangen niet zonder toestemming van het Waterschap Hollandse Delta werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de Keur. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Onderzoek Oppervlaktewater In de directe omgeving van het plangebied zijn meerdere watergangen gelegen. Voor de watergang aan de zuidwestzijde geldt een beschermingszone. De geplande werkzaamheden vinden naar verwachting plaats in de beschermingszone. Er worden geen ingrepen gedaan in de watergangen. Het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Hollandse Delta is noodzakelijk.
40
Afbeelding 22: Uitsnede Legger wateren en kunstwerken
Waterberging en -compensatie Door een toename aan verharding kan hemelwater niet langer infiltreren in de bodem, maar stroomt dit versneld af naar het oppervlaktewatersysteem. Als gevolg van deze versnelde afvoer wordt het oppervlaktewatersysteem meer belast. Om deze belasting te reduceren moeten compenserende voorzieningen worden aangebracht. Voor een ideale dimensionering van oppervlaktewatersysteem moet rekening worden gehouden met veel verschillende factoren. Zo spelen de afmetingen, bodemgesteldheid en het grondgebruik van het betreffende peilgebied een rol. Maar ook is van belang de aan- en afvoernorm, het verhang in het watersysteem en de relatie met de aangrenzende peilgebieden. Rekening houdend met het bovenstaande maakt een eenduidige en praktische afweging voor plantoetsing en vergunningverlening onmogelijk. Dit heeft tot gevolg dat standaard een compensatie-eis voor de toename aan verharding is opgenomen. Minimaal 10% van het extra verhard oppervlak moet gecompenseerd worden met open water. In sommige gevallen is de eis tot compensatie zwaar ten opzichte van het te dienen waterstaatkundige doel. Om deze reden heeft het waterschap de verhardingstoename van maximaal 500 m2 in stedelijk gebied via een algemene regel vrijgesteld van compensatieplicht. Het plangebied is in de bestaande situatie vrijwel volledig verhard.
Het plan is om het perceel te herontwikkelen naar een hoogwaardig en duurzaam woongebied gecombineerd met een zorgcomplex in de vorm van een boerenerf. Het plangebied zal groen worden ingericht. Het plan voorziet daarmee per saldo in een afname aan verharding, waardoor hemelwater beter kan infiltreren in de bodem en watercompenserende maatregelen niet noodzakelijk zijn. Het aanvragen van een watervergunning bij het Waterschap Hollandse Delta is niet noodzakelijk.
41
Waterkeringen Het plangebied is niet gelegen in de kern- en beschermingszone van een primaire of regionale waterkering. Waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied Ten westen van het plangebied bevindt zich een waterwingebied. Rondom waterwingebieden bevinden zich grondwaterbeschermingsgebieden, waar een boringsvrije zone omheen is gelegen. Het plangebied ligt binnen deze boringsvrije zone, onderdeel van het milieubeschermingsgebied voor grondwater zoals vastgesteld in de provinciale milieuverordening. Dit betekent dat er geen aanvullende eisen zijn ten opzichte van grondwater. Door de ligging in deze zone geldt wel dat er aan onder meer diepgaande (gravende) activiteiten regels zijn gebonden. Dit vertaalt zich bijvoorbeeld in het feit dat er geen warmte- en koude opslag (WKO) of aardwarmte installatie mag worden toegepast en ook geen grondwater mag worden opgepompt. Verder kan het zijn dat er beperkende maatregelen zullen worden voorgeschreven voor bron of bouwputbemaling in de bouwfase.
Plangebied
Afbeelding 23: Plangebied t.o.v. waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied
42
Hemelwater- en vuilwaterafvoer (riolering) Hemelwaterafvoer In de directe omgeving van het plangebied is voldoende oppervlaktewater aanwezig om het hemelwater naar af te voeren. Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels verhard. Het plan is om het plangebied groen in te richten, waardoor hemelwater beter kan infiltreren in de bodem. Vuilwaterafvoer Vuil water wordt afgevoerd via het bestaande rioleringsstelsel. De nieuwe woonvolumes worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. Het rioleringsstelsel valt onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Ridderkerk. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Hollandse Delta. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem. Voor werkzaamheden in de beschermingszone van watergang(en) dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Hollandse Delta.
43
4.7 Ecologie Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. Onderzoek 4.7.1 Soortenbescherming Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen dient door een deskundig bureau een ecologische quickscan te worden uitgevoerd. Dergelijke locaties hebben in zijn algemeenheid potentie voor: Steenuil, vleermuizen en de huismus. Dit betekent niet dat andere beschermde soorten per definitie zijn uitgesloten. Middels een ecologische quickscan dient te worden vastgesteld. Te treffen (voorzorgs)maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht).
• Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • Het plangebied tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). 4.7.2 Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 1,8 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Boezems Kinderdijk’. Op een afstand van circa 780 meter ligt het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland. Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden.
Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde natuurgebieden.
44
Afbeelding 24: Plangebied in relatie Natuurnetwerk Nederland
Afbeelding 25: Plangebied in relatie tot Natura2000-gebieden
45
4.7.3 Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. Op 1 juli 2021 is de wet Stikstofreductie en Natuurverbetering in werking getreden. Onderdeel van deze wet is de vrijstelling voor bouw-, sloop en eenmalige aanlegactiviteiten. Dit wordt de ‘bouw- vrijstelling’ genoemd. Eventuele stikstofdepositie vanwege de realisatie-/ bouwfase is dan ook vrijgesteld van vergunningplicht. Dat geldt ook voor dit project. Gezien er sprake is van een grote afstand (1,8 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, binnen het Natura2000-gebied ‘Boezems Kinderdijk’ geen stikstofgevoelige habitats aanwezig zijn er sprake is van een ontwikkeling van zeer beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.
Conclusie Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen dient door een deskundig bureau een ecologische quickscan te worden uitgevoerd.
46
4.8 Luchtkwaliteit Beleidskader Op grond van artikel 5.16 van de Wet milieubeheer moeten bij het nemen van dit besluit de gevolgen voor de luchtkwaliteit in acht worden genomen. De Europese Unie heeft luchtkwaliteitsnormen vastgesteld, die tot doel hebben mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging te beschermen. Nederland heeft deze luchtkwaliteitsnormen opgenomen in de nationale wetgeving. De Nederlandse wet- en regelgeving voor de luchtkwaliteit in de buitenlucht vloeit voort uit titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Deze wet heeft als doel dat bij toekomstige ontwikkelingen de grenswaarden zoals in de wet gesteld (grenswaarde voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijnstof, lood, koolmonoxide en benzeen) niet worden overschreden. Voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan zijn met name stikstofdioxide en fijnstof relevant. De grenswaarden die de wet hieraan stelt, bedragen: Tabel 3: Grenswaarden luchtkwaliteit Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide Jaargemiddelde 40 μg/m3 (NO2) concentratie Fijnstof (PM10) Jaargemiddelde 40 μg/m concentratie 24Max. 35 keer uurgemiddelde p.j. meer dan 50 concentratie μg/m3 Fijnstof (PM2,5) Jaargemiddelde 25 μg/m3 concentratie
Geldig Vanaf 2015 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 11 juni 2011 Vanaf 2015
Onderzoek Voor de omgeving van het plangebied geeft de NSL-monitoring (2020) het volgende overzicht: • Een stikstofconcentratie tussen 23,03 μg NO2/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 18,48 μg PM10/m3; • Een fijnstofconcentratie tussen 11,18 μg PM2,5/m3; Voor het plangebied kan dus worden geconstateerd dat ten aanzien van de luchtkwaliteit ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan. Om de toetsing van kleinschalige plannen ten aanzien van de luchtkwaliteit overzichtelijk te houden heeft de wetgever het Besluit niet in betekende mate vastgesteld. In dit besluit is vastgelegd in welke gevallen de planontwikkeling niet in betekenende mate bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In het Besluit Niet in Betekenende Mate (NIBM) en de bijbehorende regeling is bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij zijn twee situaties te onderscheiden: • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10; • Een project valt in de categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de Grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.
47
Conclusie Het plan is kleinschalig van aard. Hiermee valt het plan binnen het Besluit NIBM, waardoor kan worden gesteld dat het plan geen tot nihil invloed heeft op de luchtkwaliteit en dat toetsing niet noodzakelijk wordt geacht. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet in de weg staat.
48
4.9 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).
Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Stationaire risicobronnen Uit de risicokaart externe veiligheid blijkt dat het plangebied niet ligt binnen het invloedsgebied van een Bevi-inrichting of de veiligheidsafstanden van andere stationaire risicobronnen. Buisleidingen Binnen en in de directe omgeving daarvan komen geen voor het aspect externe veiligheid relevante buisleidingen voor. Vervoer gevaarlijke stoffen via weg, spoor en water Volgens de Beleidsvisie externe veiligheid ligt de gehele gemeente Ridderkerk binnen het invloedsgebied van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Rijkswegen A15 en A16. De grootte van het invloedsgebied wordt bepaald door het transport van LT3 en GT4 en is 4000 m. Langs beide wegen is daarnaast sprake van Plasbrandaandachtsgebieden van 30 m en veiligheidszones variërend van 26 tot 80 m. Het plangebied ligt op ruim 1,2 km van beide wegen. De Plasbrandaandachtsgebieden en veiligheidszones leveren dan ook geen belemmering op voor het plan. Het groepsrisico ten gevolge van het transport van gevaarlijke stoffen op de A15 en A16 binnen het invloedsgebied ligt geheel ruim onder de oriëntatiewaarde.
Over de Rotterdamseweg ter hoogte van het plangebied vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats in dusdanige frequenties dat dit veiligheidsrisico's oplevert. Deze weg is geen onderdeel van de gemeentelijke route gevaarlijke stoffen. Een beschouwing van het groepsrisico kan derhalve achterwege worden gelaten. Conclusie Het plan ondervindt voor wat betreft het aspect externe veiligheid geen belemmeringen. 49
4.10 Duurzaamheid en klimaatadaptatie Duurzaamheid De woonvolumes worden gebouwd conform de meest actuele normen uit het Bouwbesluit. Deze normen schrijven een zeer hoge kwaliteit voor met betrekking tot energiezuinige bouwwerken en duurzame materialen. De woonvolumes worden gebouwd volgens de nieuwste eisen en technieken. Het plan zal conform de BENG-norm gerealiseerd worden. Deze eis wordt gehaald met zo veel mogelijk permanente oplossingen, zoals isolatie en kierdichting, en gebruiksvriendelijke installaties. De toegepaste materialen zijn duurzaam en voor hergebruik geschikt. De woonvolumes wordt zonder gasaansluitingen gerealiseerd. De energievraag wordt ingevuld met warmtepompsystemen al dan niet in combinatie met zonneenergie. Klimaatadaptatie In de Omgevingsvisie van de provincie Zuid-Holland zijn de afspraken van het convenant klimaatadaptief bouwen vertaald in de beleidsbeslissingen klimaatadaptatie en toekomstbestendig bouwen. In de Omgevingsverordening Zuid-Holland is artikel 6.50 Risico’s van klimaatverandering toegevoegd. Dit houdt in dat in een bestemmingsplan rekening dient te worden gehouden met de gevolgen van de risico’s van klimaatverandering tenminste voor zover het betreft de risico’s ten aanzien van: a. Wateroverlast door overvloedige neerslag; b. Overstroming; c. Hitte; d. Droogte.
Gezien het natter wordt moet de waterhuishouding geschikt zijn om zware regenbuien te kunnen opvangen. Tegelijkertijd moet worden voorkomen dat het hemelwater te snel in het open water verdwijnt. Het moet de gelegenheid krijgen om de infiltreren in de bodem. Dit plan voorziet per saldo in een afname aan verharding, waardoor hemelwater beter kan infiltreren in de bodem. Het plangebied wordt groen ingericht met mogelijkheden voor hemelwateropvang. Het stijgen van de zeespiegel raakt het plan niet direct. De nieuwe woonvolumes worden op een aanleghoogte gerealiseerd waarmee wordt voorgesorteerd op het voorkomen van schade door hoge waterstanden. Gezien het warmer wordt, wordt bij de uitwerking van het plan rekening gehouden met de accumulatie van warmte. De installaties in de woonvolumes worden geschikt gemaakt om naast verwarmen ook te kunnen koelen. Het plangebied wordt groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden. Gezien het droger wordt is het van belang om de beplanting hierop af te stemmen. De beplanting moet blijven voorzien in het afbreken van CO2 en het produceren van zuurstof voor mens en dier. De te kiezen beplantingen moeten ook erosie van het terrein terugdringen. Dit komt naast de klimaatadaptatie de groene uitstraling van het gebied ten goede.
Het plangebied wordt groen ingericht middels streekeigen beplanting die bestand zijn tegen deze weersomstandigheden en erosie terugdringen.
50
5. Economische uitvoerbaarheid Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het plan, voor verantwoordelijkheid van de ontwikkelaar, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente Ridderkerk wordt er een anterieure overeenkomst met ontwikkelaar getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de ontwikkelaar komt. Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
51
6. Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Participatie In het kader van de maatschappelijke uitvoerbaarheid van een plan zijn er meerdere opties om omwonenden van een planontwikkeling te informeren. De verschillende ‘participatieniveaus’ zijn in de literatuur uiteengezet in diverse ‘Participatieladders’. In de praktijk ziet men vijf niveaus van participatie. 1. Informeren: Het versturen van een brief naar omwonenden/ belanghebbenden of een informatiestuk voor in de lokale/regionale krant of op internet. 2. Raadplegen: Het uitnodigen van omwonenden/belanghebbenden voor een inspraak- en informatieavond of het verspreiden van een enquête onder omwonenden/ belanghebbenden. De omwonenden/belanghebbenden zijn gesprekspartners bij de ontwikkeling. Men is niet verplicht iets te doen met de uitkomsten van deze gesprekken/enquêtes. 3. Adviseren: Het uitnodigen van omwonenden/belanghebbenden voor een overleg. De omwonenden/belanghebbenden kunnen in dit overleg hun input leveren. Deze input speelt een grote rol in de ontwikkeling. Men verbindt zich in principe aan de input en als men hiervan afwijkt, moet dit goed worden gemotiveerd. 4. Coproduceren: De ontwikkelaar, gemeente, omwonenden en belanghebbenden en eventuele experts maken gezamenlijk een plan. 5. Meebeslissen: De omwonenden/belanghebbenden krijgen alle ruimte voor de uitwerking van de plannen.
Voor dit plan is het participatieniveau ‘raadplegen’ het meest passend. De ontwikkelaar zal de omwonenden/belanghebbenden voor een inspraak- en informatieavond. Op de inspraak- en informatieavond hebben omwonenden/ belanghebbenden de mogelijkheid tot het leveren van input en/of het stellen van vragen. De insteek is dan om, indien mogelijk deze input te gebruiken bij de nadere uitwerking van het plan. 6.2 Vooroverleg ex art. 3.1.1 Bro Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg wordt het plan opgestuurd naar de overlegpartners. 6.3 Ter inzage legging ontwerp Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Het ontwerp en bijbehorende stukken worden gedurende zes weken ter inzage gelegd, waarbij eenieder in de gelegenheid wordt gesteld om zienswijzen kenbaar te maken. Desgevraagd zal ook een mondelinge zienswijze gegeven kunnen worden. 6.4 Beroep Tegen het besluit tot vaststelling kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Om te voorkomen dat het besluit tot vaststelling in werking treedt, kan een voorlopige voorziening worden gevraagd bij de voorzieningenrechter. 52