2021-09-03 RIB Herziening 2021 Omgevingsbeleid pZH - ontwerp.pdf
Tekst van het document
Aanleiding Woningbouwplannen kunnen in veel gevallen optimaler worden ingericht. Betaalbaarheid en haalbaarheid van woningbouw staan onder druk, waardoor bouwplannen niet van de grond komen. De te hoge parkeernormen en het aantal parkeerplekken dat verplicht moet worden gerealiseerd per te bouwen woning zijn daarop van invloed. Het is van belang deze zo goed mogelijk in balans te brengen met het lokale mobiliteitsgedrag, zodat woningen niet onnodig duurder worden en parkeergarages renderen en niet leegstaan. Grote woningbouwlocaties kennen een relatief lage woningdichtheid. Hierdoor worden te weinig woningen gebouwd, te veel schaarse ruimte gebruikt, het openbaar vervoer onvoldoende benut en de druk op het wegennet vergroot. Er is behoefte aan meer en betaalbaardere woningen. Het bouwen van de juiste woning op de juiste plek kan de exploitatie van het openbaar vervoer ondersteunen en de druk op het wegennet verminderen. Evenwichtige ruimtelijke ontwikkeling en woningbouw kunnen op deze wijze OVexploitatie ondersteunen.
Motivering provinciaal belang
20
De provincie wil dat er zo veel mogelijk binnen bestaand stads- en dorpsgebied wordt gebouwd en ook in het sociale en betaalbare segment. Gelet op het belang van het versnellen van woningbouw en zuinig en efficiënt ruimtegebruik, is er een rol weggelegd voor de provincie om richtlijnen voor dichtheden en parkeernormen vast te leggen voor bepaalde gebieden en type woningen.
Toelichting Woningbouwlocaties kunnen optimaler en toekomstgerichter worden ingericht. Er wordt nu vooral gebouwd voor grotere huishoudens met twee auto’s, terwijl de groei vooral zit in een- en tweepersoonshuishoudens. Die huishoudens hebben vaak maar één auto. Er zijn veel alternatieven voorhanden voor de tweede auto, zoals de elektrische fiets en de deelauto. In gebiedsontwikkelingen kan hiermee rekening worden gehouden, door plannen minder autogeoriënteerd in te richten. Hoge dichtheden, gevarieerde woningtypen, passende parkeernormen en functiemenging spelen hierbij een rol. De woon-werkafstanden worden hierdoor verkleind. Als lagere parkeernormen worden gehanteerd kan ook in de toekomstige situatie parkeerdruk worden voorkomen met parkeerregulering, goede voorlichting van de nieuwe bewoners en een beperking van het aantal parkeervergunningen per woning (met notarieel vastgelegd kettingbeding). Hiermee kunnen ongewenste situaties worden voorkomen en is zowel nu als in de toekomst sprake van een evenwichtige ruimtelijke ontwikkeling. Dichtheid woningbouwlocaties Nieuwe uitleglocaties voor woningbouw hebben gemiddeld een woningdichtheid van 30 woningen per hectare. Een hogere dichtheid is nodig om de schaarse ruimte en de mobiliteitsvoorzieningen beter te benutten. Het zorgdragen voor een goed woon- en leefklimaat is blijft onverminderd van toepassing.
Ook bij een hoge woningdichtheid zal dus gezorgd moeten worden voor een aantrekkelijk woon- en leefomgeving, onder meer met voldoende groenvoorzieningen in de woonomgeving. De provincie wil dat bestemmingsplannen voor woningbouw een zo hoog mogelijke woningdichtheid mogelijk maken, passend bij een goed woon- en leefklimaat. De provincie hanteert daarbij een bandbreedte van 30-45 woningen per hectare voor de bruto dichtheid van woningbouwlocaties. Voor nieuwe plannen wordt gestreefd naar een dichtheid van 45 woningen of meer per hectare. Voor woningbouwplannen waar de planvorming al in gang is gezet of waarbij bestuurlijke afspraken zijn gemaakt over het woningbouwprogramma of waarvoor in het provinciaal Omgevingsbeleid een specifiek (maximaal) aantal woningen is opgenomen, kan een lagere dichtheid worden gehanteerd met een ondergrens van ongeveer 30 woningen per hectare. Een lagere dichtheid dan 30 woningen per hectare kan aan de orde zijn bij de ontwikkeling van de in het provinciaal Omgevingsbeleid genoemde toplocaties wonen. Het is niet de bedoeling dat een hoge dichtheid ten koste gaat van ruimtelijke inpassing. Het zorgdragen voor goede ruimtelijke kwaliteit en een goede overgang naar het buitengebied is belangrijk. Vandaar dat ook de groene randen en andere vormen van ruimtelijke inpassing, niet meetellen bij de berekening van de dichtheid.
Voor de grote woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied die op de 3 hectare kaart staan, zijn regels over woningdichtheid en diversiteit van woningtypen vastgelegd in de Omgevingsverordening.
21
Gevarieerde woningen Op veel woningbouwlocaties worden vooral eengezinswoningen en appartementen gebouwd. Dit draagt bij aan inefficiënt ruimtegebruik en sluit onvoldoende aan bij de huidige en toekomstige vraag naar woningen als gevolg van de veranderende samenstelling van huishoudens. De provincie vraagt daarom aandacht voor het bouwen van andere typen woningen, zoals dubbele bovenhuizen, beneden-bovenwoningen, hofjeswoningen, rug-aan-rug woningen en souterrainwoningen. Parkeernorm stationsomgevingen Overheden geven jaarlijks miljarden uit aan de exploitatie van het openbaar vervoer, de versterking van het netwerk en het beheer van de infrastructuur. Juist in omgevingen waar het gebruik van het openbaar vervoer de meeste potentie heeft, bij de opstappunten, is het wenselijk de ruimtelijke ontwikkeling daarop te oriënteren. In de praktijk kan de investering in het openbaar vervoer nog beter ondersteund worden door de ruimtelijke ontwikkeling. Hoge parkeernormen zorgen voor lagere dichtheden, verminderen de haalbaarheid en betaalbaarheid van ontwikkelingen en stimuleren het autogebruik. Voor woningbouw in stationsomgevingen, hanteert de provincie een maximale parkeernorm van 0,7 per woning (inclusief bezoekers). Deze norm sluit aan bij het werkelijk autobezit in deze gebieden.
Deze regel geldt niet voor gemeenten die zelf al specifiek parkeerbeleid hebben vastgesteld, gebaseerd op eigen data over de lokale situatie en eigen overwegingen. Parkeernorm sociale huur Parkeernormen voor sociale huur zijn in veel gevallen structureel te hoog vergeleken bij het werkelijk autobezit van de huurders. Het gemiddelde autobezit ligt rond de 0,5 per woning. De gehanteerde parkeernorm ligt vooral in kleinere gemeenten meestal rond de 1. Een hoge parkeernorm voor sociale huur belemmert de haalbaarheid en betaalbaarheid van sociale huurprojecten en leidt vaak tot structurele leegstand in parkeergarages onder sociale huurcomplexen. Voor sociale huurwoningen hanteert de provincie een parkeernorm van 0.7 per woning. Dit is iets ruimer ten opzichte van het werkelijk gemiddelde autobezit, waardoor er ruimte blijft voor lokaal maatwerk. Deze regel geldt niet voor gemeenten die zelf al specifiek parkeerbeleid hebben vastgesteld, gebaseerd op eigen data over de lokale situatie en eigen overwegingen. Lokale autobezit data als richtlijn De provincie adviseert gemeenten die alleen CROW gebruiken als basis voor hun parkeerbeleid of bij onderbouwing van de parkeernorm en dat niet baseren op eigen onderzoek en data, voortaan gebruik te maken van werkelijke cijfers die beschikbaar zijn op de site van de provincie.
https://public.tableau.com/profile/staatvanzuidholland#!/vizhome/Ruimte_autobezit_per_gemeente _publiek_nw/Dashboard1?publish=yes
Beleidsuitwerking Omgevingsverordening: • Artikel over maximale parkeernorm bij sociale huurwoningen. • Artikel over maximale parkeernorm voor stationsomgevingen •
Artikel over dichtheid en verscheidenheid woningbouw
22
A5 Sociaal en betaalbaar wonen In Zuid-Holland moet iedereen zich thuis kunnen voelen in sterke steden en dorpen. De provincie vindt daarom passende huisvesting voor alle doelgroepen van provinciaal belang en in het bijzonder voor de doelgroep van woningcorporaties. Dit betekent zowel dat er voldoende voorraad sociale huurwoningen in verhouding tot de omvang van de doelgroep moet zijn, als dat er voldoende aanbod sociale huurwoningen in verhouding tot de omvang van de actief woningzoekende doelgroep moet zijn. Onder passend verstaat de provincie ook dat op lokaal niveau wordt bijgedragen aan een evenwichtig gespreide sociale huurvoorraad. De provincie wil hierop meer regie voeren met als doel de voorraad voor de doelgroep op peil te brengen en te houden. Daarom wordt in de verordening een nieuwe regel toegevoegd. Tevens vindt de provincie het van belang dat er voldoende passende woningen beschikbaar zijn voor de doelgroep middeninkomens die niet in aanmerking komen voor een sociale huurwoning. Het provinciaal omgevingsbeleid wordt hierop aangevuld met definities van de doelgroep en de bijbehorende woningcategorieën. Conclusie: De aanpassing van het beleid voor sociaal en betaalbaar wonen leidt tot aanvulling van het beleid in de Omgevingsvisie en het opnemen van een nieuwe regel in de Omgevingsverordening.
Op dit moment wordt in de lopende actualisering 2020 (ontwerp juni 2020) in de omgevingsvisie een nieuw uitgangspunt voor provinciaal beleid opgenomen. Er wordt een nieuw kopje toegevoegd aan 6.1.1 Wonen onder ‘toelichting’ na het kopje ‘Huisvesting voor doelgroepen van de sociale huursector’ en voor het kopje ‘Flexwonen’ (pagina 80): Betaalbare woningbouw De provincie wil zorgdragen voor voldoende betaalbare woningen voor middeninkomens. Middeninkomens op de woningmarkt behoeven als doelgroep extra aandacht. Deze doelgroep verdient te veel voor de sociale huursector en is aangewezen op de geliberaliseerde huursector en betaalbare koopvoorraad. Betaalbare woningbouw heeft te maken met de betaalmogelijkheden van het huishouden. De provincie hanteert een definitie van middeninkomens die ligt tussen de toewijzingsnorm voor corporaties in de sociale huursector en anderhalf keer modaal. Bij de bovengrens voor betaalbare huur wordt uitgegaan van een minimale inkomensvereiste van vier keer de huur. Dit is een gangbare norm voor verhuurders. Op basis van anderhalf keer modaal kan de maximale huurprijs worden berekend. De bovengrens voor betaalbare koop betreft dat wat maximaal kan worden geleend met anderhalf keer modaal inkomen gebaseerd op de NIBUD-financieringslastennormen .
In overleg met de regio’s hanteert de provincie bij de beoordeling van de regionale woningbouwprogramma’s de grenzen uit de regionale woonvisie die gelden op het moment dat deze beleidsregel van kracht wordt. Bij de vaststelling van een nieuwe regionale woonvisie gaat de provincie ervan uit dat de regio’s de provinciale grenzen volgen.
23
A6 Ruimtelijke kwaliteit Vernieuwing Omgevingsbeleid Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid bestaat tien jaar en is ontwikkeld in een periode van economische recessie. In het kader van de beleidscyclus heeft er in de eerste helft van 2020 een evaluatie van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid plaatsgevonden op doelstellingen en werkwijze. Bij die evaluatie zijn zowel intern als extern betrokkenen geënquêteerd of geïnterviewd. Ook is gekeken naar jurisprudentie. Zomer 2020 is de evaluatie opgeleverd. Bij een redactionele kwaliteitsslag van het Omgevingsbeleid halverwege 2020, die als doel had de leesbaarheid en actualiteit vanuit het coalitieakkoord te versterken, waren nog niet alle resultaten van de evaluatie bekend en waren deze nog niet omgevormd naar ambitie en beleid. De teksten die tot 1 februari 2021 ter inzage lagen, zijn gebruikt als basis voor het aanpassen van het beleid. Verbeterpunten uit de evaluatie van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid Op hoofdlijnen kunnen we stellen dat het ruimtelijk kwaliteitsbeleid van de provincie gewaardeerd wordt en dat er geen aanleiding is om de systematiek van het beleid aan te passen, behoudens de digitale raadpleegbaarheid en vindbaarheid. Ook intern onderzoek naar jurisprudentie geeft vooralsnog geen aanleiding om aan te nemen dat de regeling (beleid en normen) juridische onvolkomenheden bevat.
Een van de aanbevelingen uit de evaluatie is ook om het ruimtelijk kwaliteitsbeleid gebruiksvriendelijker en toekomstgerichter te maken. Verder kwam in de evaluatie naar voren dat stedelijke ontwikkelingen in open landschap vaak als ongewenst worden beschouwd, maar dat er geen beleid is om dergelijke kleine ontwikkelingen tegen te houden. Gebruiksvriendelijkheid en vindbaarheid Een van de belangrijkste aandachtspunten die naar boven komt, is de vindbaarheid en gebruiksvriendelijkheid van het beleid. Verder wordt het ruimtelijk kwaliteitsbeleid ook als complex en ingewikkeld ervaren door mensen die er niet regelmatig mee werken. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is omvangrijk en maakt nog geen integraal onderdeel uit van het Omgevingsbeleid. Er wordt nu bijvoorbeeld nog gewerkt met een bijlage (hoofdstuk 8) in de Omgevingsvisie en de gebiedsprofielen hebben de status van een handreiking (en zijn niet rechtstreeks gekoppeld aan (en dus niet vindbaar in) het Omgevingsbeleid). Toekomstgerichtheid Een van de aanbevelingen uit de evaluatie is om het ruimtelijk kwaliteitsbeleid toekomstgerichter te maken. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid beschrijft nu vooral hoe het landschap er uit ziet en hoe ontwikkelingen met behoud van kwaliteit ingepast kunnen worden, maar geeft nog geen richting aan de toekomst. Dat geldt met name voor de grotere transformaties van gebieden.
Ook nieuwe opgaven zoals klimaatadaptatie, de energietransitie, de transitie in de landbouw en het versterken van de biodiversiteit vragen om een meer toekomstgericht beleid voor ruimtelijke kwaliteit. In deze ronde van aanpassingen richten we ons op het gebruikersvriendelijk maken. Het beschermen van het landelijk gebied tegen verstedelijking. In de evaluatie is naar voren gekomen dat we met het instrumentarium dat we nu hebben het buitengebied niet voldoende kunnen beschermen tegen ongewenste stedelijke ontwikkelingen kleiner dan 3 ha en ontwikkelingen die buiten de ladder voor duurzame verstedelijking vallen. Groene gebieden zijn schaars en waardevol. Daarom is een zorgvuldig afwegingskader gewenst naast het huidige beschermingsregime vanuit het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. In het voorstel krijgen alle landelijke gebieden een basisbescherming, waarin helder wordt aangegeven welke ontwikkelingen zijn toegestaan en onder welke voorwaarden. 24
Daarbij nemen we een motiveringsplicht op in de omgevingsverordening waarmee initiatiefnemers moeten motiveren dat de voorgestelde ontwikkeling op de juiste plek komt. Stedelijk gebied in het ruimtelijk kwaliteitsbeleid Het huidige ruimtelijk kwaliteitsbeleid richt zich vooral op het landelijk gebied. De verbinding tussen stad en land is echter een aandachtspunt dat we bijvoorbeeld middels Landschapspark Zuidvleugel versterken, maar dat ook middels een sterker samenhangend ruimtelijk kwaliteitsbeleid een impuls kan krijgen. Meerdere andere beleidskeuzes richten zich al wel op de (boven-) regionale ontwikkelingen en opgaves in stedelijk gebied en nadrukkelijk benoemen dat er aandacht moet zijn is dat voor de ruimtelijke kwaliteit bij deze ontwikkelingen op dit moment nog niet het geval. Met de verdichtingsopgave en de verstedelijkingsstrategie die de provincie heeft, is het van belang dat die verstedelijking integraal plaats vindt, vanuit het uitgangspunt dat de ruimtelijke kwaliteit wordt versterkt. Hiermee worden ook andere belangen en doelen gerealiseerd, zoals het aantrekkelijk maken en houden van de (gezonde, groene) leefomgeving, het bereikbaar houden van de provincie, het aanbieden van een aantrekkelijk vestigingsmilieu voor banen op alle niveaus, het versnellen van de energievernieuwing en het versterken van de relatie tussen stad en land.
Binnen de verstedelijking komen meerdere opgaven samen en deze kunnen elkaar versterken. Het gaat hierbij juist om het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Dat maakt de opgave voor de ruimtelijke kwaliteit van het stedelijk gebied alleen maar groter en spannender en van provinciaal belang. De hoofdstukken 5 en 8 van de Omgevingsvisie Hoofdstuk 5 wordt meer gericht op de samenhang tussen ruimtelijke ontwikkeling en ruimtelijke kwaliteit. Ze hebben sterk met elkaar te maken, terwijl het wel twee verschillende begrippen zijn met een eigen grondslag, doel en opgaven. In dit hoofdstuk wordt van beiden de provinciale belangen en rollen benoemd. Daarnaast de introductie van een nieuw beleidsdoel: juiste ontwikkeling op de juiste plek in samenhang met beschermen van het open landschap. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is omgevormd naar landschapsgericht beleid. Hoofdstuk 8 in de Omgevingsvisie wordt geïntegreerd in het Omgevingsbeleid en krijgt een plek in met name de beleidskeuze landschap. Hiermee vergroten we al de vindbaarheid en gebruiksvriendelijkheid. Het betekent dat snel duidelijk is in welk landschap welke richtpunten daarbij gelden. We werken met de aanpassingen die we nu doen toe naar gebiedsgericht beleid. De basis hiervoor zijn de gebiedsprofielen en de gebiedsgerichte richtpunten in het huidige beleid.
We zetten met de huidige aanpassingen een eerste stap door het onderbrengen van het grootste deel van de richtpunten bij de beleidskeuze landschap. We geven in hoofdstuk 5 een voorstel voor een indeling in deelgebieden die in een volgende ronde een gebiedsgerichte uitwerking kunnen krijgen. Met deze opzet wordt in het vervolg toegewerkt naar een aanklikbare kaart met deelgebieden waarin alle relevante informatie is opgenomen voor de gebruiker.
Beleidskeuzes De beleidskeuze landschap wordt meer gericht op het versterken en benutten van de (verschillen tussen de) vier groepen landschappen: kustlandschap, veen(weide) landschap, deltarivierenlandschap en stedelijk landschap. De vier groepen landschappen worden beschreven en getekend op kaart waarbinnen meerdere landschapstypen worden uitgelegd met de bijbehorende opgaven en richtpunten er in opgenomen. De gebiedsprofielen die de status hebben van een handreiking krijgen een verwijzing vanuit de beleidskeuze landschap. Daarin wordt benoemd dat de gebiedsprofielen worden betrokken bij de beoordeling van plannen.
25
De richtpunten zijn ingedeeld naar de sturende driedeling: in acht nemen, rekening houden met en betrekken bij. Hiermee kunnen we vooral sturen op hoe een ontwikkeling een plek krijgt (en dus niet op of en waar een ontwikkeling een plek krijgt). De richtpunten zijn waar nodig aangescherpt zodat ze beter bruikbaar zijn of zijn komen te vervallen. Hierbij is extra aandacht voor stads- en dorpsranden, linten, energie en dijken en (stedelijke) ontwikkelingen in het landelijk gebied. De meeste richtpunten zijn verplaatst van hoofdstuk 8 naar de betreffende landschapstypen in de beleidskeuze landschap. Overige richtpunten zijn verplaatst naar het betreffende thema van andere beleidskeuzes. Richtpunten die passen bij een bestaand artikel in de verordening brengen we daar onder. We nemen het stedelijk landschap nader op in het beleid door het onderdeel te maken van de beleidskeuze landschap. Daarbij richten we ons op het provinciaal belang in stedelijk landschap. Hierin nemen we ook het landschapspark Zuidvleugel mee. Dit is op hoofdlijnen reeds gebeurd in de lopende herziening, maar wordt uitgebreid en meer gespecificeerd. Hiervoor is in het bijzonder afgestemd met de beleidskeuzes ruimtelijke kwaliteit, verstedelijking en groenblauwe structuur.
Verordening De kaart en tekst met twee beschermingscategorieën in de verordening zijn aangevuld met een extra laag die een basisbescherming geeft voor het open landschap buiten BSD, glas en andere stedelijke gebieden. Indirect geldt dat nu al omdat er beschermende richtpunten zijn voor de landschappen (dus ook voor de gebieden die geen beschermingscategorie hebben), maar op deze manier geven we duidelijker aan welke waarden we willen beschermen en wordt voorkomen dat snelle lezers denken dat er geen bescherming is op die gebieden omdat ze ‘wit’ op de kaart zijn. Deze laag krijg beschermingscategorie 3. Voor deze beschermingscategorie nemen we een motiveringsplicht op in de verordening voor (stedelijke) ontwikkelingen, waarin gemotiveerd moet worden of dit de juiste ontwikkeling op de juiste plek is. De kaart met beschermingscategorieën is verder aangepast: de grenzen voor de legendaeenheden groene buffers en recreatiegebieden zijn aangepast en elke legendaeenheid krijgt een artikel in de verordening waarin wordt aangegeven wat de kwaliteiten en waarden zijn en waarom (en waartegen) de gebieden beschermd worden. De stranden zijn toegevoegd als recreatiegebied. Kaarten
De herijking van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid leidt tot aanpassing van de kaarten. Deze aanpassingen zijn hieronder beschreven. Recreatiegebieden De complete verzameling recreatiegebieden is geactualiseerd. Alleen de gebieden die ingericht zijn ten behoeve van recreatie en openbaar toegankelijk of waarvoor dit het beleidsdoel is, blijven aangeduid als recreatiegebied. Op die gebieden is het beschermingsbeleid van toepassing en geldt bij transformatie naar een andere functie een compensatieplicht (beschermingscategorie 2). Daarmee vervallen gebieden die ooit beoogd waren als recreatiegebied maar die niet daadwerkelijk zijn gerealiseerd, de niet als recreatiegebied ingerichte terreinen en losliggende niet-openbaar toegankelijke terreinen. Juist toegevoegd als recreatiegebied zijn de stranden; zowel de drukke stranden als de zogenaamde stille stranden. Die laatste staan tevens als NatuurNetwerk Nederland aangeduid.
Groene buffer De begrenzing van Groene Buffers dateert uit 2013; de volgende aanpassingen zijn doorgevoerd:
26
-
De overgang van Groene buffer naar steden en dorpen is gelegd op Bestaand stads- en dorpsgebied 2018. Alle inliggende dorpen en stedelijk gebied zijn eruit geknipt.
-
Inliggende glastuinbouwgebieden zijn geëxclaveerd Buitendijks (natuur)landschap is niet meer aangeduid als groene buffer (IJsselmonde)
Tussen en rondom grotere aaneengesloten gebieden zijn extra gebieden aangeduid als groene buffer als bescherming tegen (grootschalige) verstedelijking. Zowel de bestaande groene buffers als de voorgestelde uitbreidingen zijn waardevol als stedelijk uitloopgebied en als groene longen tussen en rondom de steden. Ze zijn deels ingericht als recreatiegebied, deels als Natuurnetwerk Nederland maar vaak ook in gebruik als landbouwgrond. Het gaat om de volgende toevoegingen: -
Eiland van Dordrecht; de nog open gebieden ten zuidoosten van Dordrecht IJsselmonde; de open gebieden rondom Rhoon en Poortugaal in het westen en rondom Ridderkerk in het oosten
-
Pijnacker-Nootdorp; grotendeels als recreatiegebied ingericht gebied (Groenblauwe Slinger en Bieslandse Bos) tussen de huidige groene buffers Midden-Delfland en Wijk en Wouden Hitland; open gebied aan de oostzijde van de Rotterdamse agglomeratie
-
Rottemeren en Rottewig; druk gebruikt recreatiegebied ten noorden van Rotterdam en het laatst resterende open (agrarisch) gebied tussen Rotterdam en Bergschenhoek. Vormt de verbinding tussen Midden-Delfland en het Bentwoud.
-
Zuidplaspolder: open (restveen)gebied tussen Nieuwerkerk en Gouda en open gebied aan de westrand van Gouda-Waddinxveen als omlijsting van stedelijke ontwikkelingen in het centrale deel van de Zuidplaspolder
-
Warmond; open (bollenteelt) gebied tussen Sassenheim en de Kagerplassen Spijkenisse; deels open en deels als recreatiegebied ingericht gebied op de grens van de Rotterdamse agglomeratie
Landschappen Stedelijk landschap is als nieuwe categorie toegevoegd met onderverdeling Steden, Glaslandschap en Zeehavenlandschap. -
Alle grotere aaneengesloten steden en dorpen groter dan 30.000 inwoners zijn nieuw aangeduid
-
als Steden. Hellevoetsluis, Gorinchem, Hardinxveld en Alphen aan den Rijn zijn toegevoegd. De Rotterdamse haven is nieuw aangeduid als Zeehavenlandschap. De grotere aaneengesloten glastuinbouwgebieden groter dan 250 hectare zijn nieuw aangeduid als Glaslandschap (Westland en Oostland) of daarin gewijzigd (Zuidplaspolder, glas rond Pijnacker).
Een aantal landschappen is gewijzigd: -
Plassenlandschap: dat was een extra aanduiding bovenop veen(weide)landschap; deels is deze extra aanduiding vervallen en deels is hij vervangen door een eigen aanduiding naast en in aansluiting op andere landschappen.
-
De stranden zijn toegevoegd aan Duinlandschap. Op Voorne Putten en de Kop van Goeree is een deel van de aanduiding Duinlandschap gewijzigd in Zeekleipolderlandschap.
-
Grote rivieren (inclusief de uiterwaarden) en de voormalige zeearmen (inclusief de inliggende eilanden) zijn toegevoegd als landschappelijke structuurdrager
27
Dijken De verzameling dijken is vergeleken met de Dijkenvisie en naar aanleiding daarvan geactualiseerd. De Dijkenvisie krijgt dezelfde status als de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit.
Buitengebied Een nieuwe beschermingscategorie 3 is geïntroduceerd met een basisbescherming voor het gehele buitengebied. Op kaart zijn dat alle niet-stedelijke landschappen buiten de aanduiding bestaand stads- en dorpsgebied.
Deelgebieden In hoofdstuk 5 van de Omgevingsvisie wordt de koppeling gelegd tussen ruimtelijke kwaliteit op het hoogste niveau (juiste ontwikkeling op de juiste plek) met ruimtelijke kwaliteit op deelgebiedsniveau en met de gebiedsprofielen. Die laatste zijn een aantal jaar geleden opgesteld door de regio’s en bevatten een schat aan informatie over de gebiedskenmerken en waardevolle elementen. De gebiedsprofielen zijn inventarisaties en geen beleid, maar ze worden wel gehanteerd bij de opstelling van plannen door gemeenten en bij de advisering daarover door de provincie. Om de koppeling tussen provinciaal beleid en gebiedsprofielen beter te leggen en om het beleid beter digitaal toegankelijk te maken zijn in hoofdstuk 5 deelgebieden opgenomen, vooralsnog alleen als afbeelding. In een volgende herziening wordt per deelgebied beschreven wat de belangrijkste kenmerken en waarden zijn, welke richtpunten ruimtelijke kwaliteit aan de orde zijn, wat de positie van dat deelgebied is in de ruimtelijke hoofdstructuur en in de infrastructuurnetwerken, welke opgaven er spelen en wat mogelijke toekomstperspectieven zouden kunnen zijn. De begrenzing van de deelgebieden op kaart is gebaseerd op enerzijds de begrenzing van de gebiedsprofielen en anderzijds op de samenhang van kenmerken, waarden, opgaven en positie in de ruimtelijke hoofdstructuur.
Bedoeld is het grootst mogelijke gebied te vinden met zoveel mogelijk eenheid in eigenschappen daarbinnen (en dus verschil met de naastgelegen deelgebieden). Conclusie: De herijking van het beleid voor ruimtelijke kwaliteit leidt tot aanpassing van de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. In de Omgevingsvisie wordt de tekst aangepast van Hoofdstuk 5. Hoofdstuk 8 vervalt. Tevens worden de teksten van de beleidskeuze Ruimtelijke kwaliteit en de beleidskeuze Landschap aangepast. De teksten zijn hieronder opgenomen. Daarnaast zijn er aanpassingen op de kaarten. De nieuwe tekst van Hoofdstuk 5 van de Omgevingsvisie is hieronder opgenomen
Hoofdstuk 5 Ruimtelijke ontwikkeling en ruimtelijke kwaliteit Ruimtelijke ontwikkeling en ruimtelijke kwaliteit hebben sterk met elkaar te maken, terwijl het wel twee verschillende begrippen zijn met een eigen grondslag, doel en opgaven. In dit hoofdstuk worden in samenhang van beiden de provinciale belangen en rollen benoemd. Ruimtelijke ontwikkeling
28
De provincie heeft, samen met andere overheden, een zorgtaak voor de kwaliteit van de leefomgeving. Daartoe behoort ook het sturen op ruimtelijke ontwikkelingen: ‘de juiste ontwikkeling op de juiste plek’. De provincie stuurt daarop vanuit haar provinciale belangen en heeft daarnaast een regisserende verantwoordelijkheid op het bovenlokale en gemeentelijke niveau. In de Omgevingswet is hiervoor ‘de gebiedsgerichte coördinatie van de uitvoering van taken en bevoegdheden door gemeenten en waterschappen’ opgenomen als provinciale taak. De provincie stuurt op regionaal niveau op ‘de juiste ontwikkeling op de juiste plek’ waar dat een bovenlokaal belang of effect heeft. Daarbij betrekken we tijdig onze partners en willen wij op tijd betrokken worden, want dat leidt tot beter beleid en betere plannen. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties op lokaal niveau. Ruimtelijke ontwikkelingen op regionaal en lokaal schaalniveau hebben natuurlijk wel effect op elkaar. Gebiedsgerichte uitwerking van opgaves Provinciale sturing op ‘de juiste ontwikkeling op de juiste plek’ begint met de vraag of de provincie in de maatschappelijke opgave een ruimtevraag ziet met een bovenlokaal belang of effect. De provinciale opgaven en belangen staan beschreven in de ambities en beleidskeuzes van deze Omgevingsvisie.
Beleidskeuzes geven veelal thematisch weer welke opgaven er in Zuid-Holland spelen en welke richting de provincie daarmee op wil. Deze opgaven komen samen in gebieden en beïnvloeden de ontwikkeling van een gebied. Het is daarom belangrijk om bij de uitwerking van opgaven rekening te houden met de bestaande functies en kwaliteiten in een gebied, de zogeheten ‘gebiedsidentiteit’. Daarbij geldt dat nieuwe ontwikkelingen in een gebied de ruimtelijke kwaliteit moeten versterken of tenminste behouden. Een integrale gebiedsgerichte benadering past daarbij. Mede op basis daarvan geeft de provincie richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en de kwaliteit van de leefomgeving. De provincie stuurt per gebied verschillend op ruimtelijke ontwikkelingen. Dit doet recht aan de eigen identiteit, met elk gebied een kenmerkend landschap en een eigen positie in de ruimtelijke hoofdstructuur en daardoor een eigen mix aan opgaven die er spelen. Juiste ontwikkeling op de juiste plek De provincie vindt het belangrijk dat ontwikkelingen op de juiste plek landen. Om te bepalen waar we ruimte zien voor bepaalde ontwikkelingen hebben we beleid. De hoofdlijnen hiervoor zijn te vinden in hoofdstuk 9 van de Omgevingsvisie. Hierin staan: • het dagelijks stedelijk systeem, dat bestaat uit de stedelijke agglomeratie en de daarmee, via HOV, verbonden regiokernen. • •
de hoogstedelijke zone tussen Leiden en Dordrecht. het logistiek-industriële systeem van mainport en greenports langs vaarwegen en zware infrastructuur.
• • •
de samenhang van grote landschappelijke eenheden met de stedelijke agglomeratie. de groene ruimte en de groenblauwe structuur. het bodem- en watersysteem.
• •
energie. aanvullend hierop toont de ruimtelijke hoofdstructuur van de ondergrond indicatief de ruimtelijke situatie van de ondergrond
Daarbij is leidend dat de provincie Zuid-Holland een aantrekkelijke provincie is om te wonen en te werken en dat onze leefomgeving gezond en veilig is. De ruimte is beperkt. Zuinig, duurzaam en
29
efficiënt ruimtegebruik is daarom het uitgangspunt. Dit kan door hetgeen al bestaat beter te benutten, bijvoorbeeld door gebouwen te hergebruiken, de kwaliteit van het bestaande bebouwde gebied te verbeteren en bestaande infrastructuur optimaal te gebruiken. We streven naar slim en meervoudig ruimtegebruik, door het combineren en mengen van functies. Ontwikkelingen moeten duurzaam zijn. De gevolgen voor de omgeving en de toekomst mogen niet afgewenteld worden. Naast deze algemene uitgangspunten heeft de provincie ook beleid geformuleerd voor specifieke ontwikkelingen en functies: •
•
Voor stedelijke ontwikkelingen maakt de provincie gebruik van de ‘ladder voor duurzame verstedelijking’. Voor wonen, bedrijventerreinen, kantoren en detailhandel heeft de provincie daarop toegesneden beleid geformuleerd. Grote nieuwe stedelijke ontwikkelingen buiten bestaand stads- en dorpsgebied wijst de provincie aan op de 3 hectare kaart. Voor kantoren en detailhandel is locatiebeleid van toepassing. Voor de Greenports en andere agrarische activiteiten heeft de provincie gebieden
•
aangewezen, met name voor glastuinbouw, bollenteelt en boom- en sierteelt. Ontwikkelingen houden rekening met behoud en waar mogelijk kwaliteitsverbetering van ons cultureel erfgoed, waaronder archeologische waarden, molenbiotopen, landgoed- en
•
kasteelbiotopen en het Werelderfgoed. Veiligheid en gezondheid zijn aanleiding voor beleid met betrekking tot regionale waterkeringen, buitendijkse gebieden, de geluidzone rondom Schiphol en externe
•
veiligheid. Voor energie heeft de provincie beleid geformuleerd met ruimtelijke consequenties, onder meer met betrekking tot zonnevelden en windturbines.
• •
De vrijwaring van de provinciale vaarwegen en het recreatietoervaartnet heeft eveneens ruimtelijke consequenties. Ook stiltegebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, bodemgevoelige locaties en dergelijke bepalen mede of ontwikkelingen op een plek mogelijk zijn.
Behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit in een gebied Ruimtelijke kwaliteit speelt op elk schaalniveau van provinciaal tot lokaal. Op het hoogste schaalniveau spreek je van de juiste ontwikkeling op de juiste plek; daar waar de ontwikkeling aansluit bij de regionale gebiedsidentiteit en als vanzelfsprekend ingepast kan worden en toekomstige kwaliteiten genereert. Wanneer ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden op de juiste plek, zijn ze mogelijk onder voorwaarde dat de ruimtelijke kwaliteit behouden blijft of versterkt wordt. Ruimtelijke kwaliteit is de optelsom van toekomstwaarden, gebruikswaarden en belevingswaarden. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook toekomstvast (duurzaam houdbaar of bewust tijdelijk) en aantrekkelijk. Ruimtelijke kwaliteit omvat niet alleen de waarden die objecten en gebieden hebben, maar ook de potentie om waarden tot ontwikkeling te brengen. Het zijn waarden die te maken hebben met eigenheid, identiteit, herkenbaarheid, leefbaarheid, bruikbaarheid en continuïteit. Om te bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang in relatie tot de gebiedsidentiteit. Gebiedsidentiteit is de aard of karakteristiek van een gebied dat is ontstaan in de loop der jaren.
In die tijd zijn gemeenschappelijke kernwaarden in het gebied ontstaan die gekoppeld zijn aan gebruik en de verschijningsvorm. De gebiedsidentiteit van een plek is verbonden met de mensen die er wonen, werken en er zich thuis voelen.
30
Uitgangspunt is dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen verbonden worden met bestaande gebiedskenmerken. In de beleidskeuze Ruimtelijke Kwaliteit, de beleidskeuze Landschap en de verordening artikel Ruimtelijke kwaliteit wordt hier verder op ingegaan. Gebiedsgerichte benadering De provincie vindt het belangrijk om elke opgave breder te bekijken en kansen op andere vlakken mee te nemen. ‘Het combineren van functies gaat voor enkelvoudige functies’. Zo gaat het niet alleen om woningbouw maar om verstedelijking. En niet om infrastructuur maar om mobiliteit. Dat vraagt om een gebiedsgerichte aanpak. Het is niet altijd mogelijk om alle ruimteclaims te combineren op de gewenste plek. Het is dan van belang om zorgvuldig af te wegen en keuzes te maken. Het landschap in de provincie Zuid-Holland is gevarieerd. Voor 16 deelgebieden zijn in 2014 gebiedsprofielen gemaakt als uitwerking van het ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Deze gebiedsprofielen zijn samen met de regio ontwikkeld. Elk gebied heeft eigen gebiedskenmerken die we van provinciaal belang vinden. De impact op het regionale schaalniveau speelt hierbij een belangrijke rol. Aspecten van ontwikkelingen als mobiliteit, energienetwerken, natuurgebieden en vestigingsklimaat overstijgen lokale grenzen. Het ruimtelijk kwaliteitsbeleid is omgevormd naar landschapsgericht beleid.
Hierin is opgenomen welke richtpunten voor ruimtelijke ontwikkelingen in welk landschap gelden. De basis ligt in het (type) landschap en de uitwerking in een specifiek gebied. Hiervoor zijn de gebiedsprofielen en de gebiedsgerichte richtpunten. In onderstaande afbeelding is Zuid-Holland ingedeeld in deelgebieden. De provincie werkt toe naar toegankelijke informatie op gebiedsniveau, in de vorm van een aanklikbare kaart waarin per deelgebied alle relevante informatie ten aanzien van landschap en ruimtelijke kwaliteit is opgenomen voor de gebruiker. Hiermee sluiten we aan bij het digitale stelsel dat door het Rijk ontwikkeld wordt en waar een aanvrager straks de benodigde informatie over het beleid krijgt waar rekening mee gehouden moet worden.
31
De nieuwe tekst van de beleidskeuze Ruimtelijke kwaliteit is hieronder opgenomen.
Beleidskeuze Ruimtelijke kwaliteit De provincie stuurt op behoud en versterking van de ruimtelijke kwaliteit, als onderdeel van de kwaliteit van de leefomgeving. Ruimtelijke kwaliteit is het evenwicht en samenspel van toekomstwaarde, gebruikswaarde en belevingswaarde. Ruimtelijke ontwikkelingen moeten niet alleen functioneel zijn, maar ook duurzaam houdbaar (of bewust tijdelijk) en in hun uiterlijke verschijning op een positieve manier bijdragen aan de kwaliteit van de omgeving. Ruimtelijke kwaliteit begint met het kiezen van de juiste plek voor nieuwe ontwikkelingen.
Aanleiding Ruimtelijke kwaliteit is het fysieke resultaat van menselijk handelen, natuurlijke processen en de wisselwerking daartussen. De gebiedsidentiteit is de basis voor nieuwe ontwikkelingen. Deze identiteit is ontstaan door eeuwenlange ingrepen in de ruimte. . Daarbij is een aantal lagen te onderscheiden. De bodem, de ondergrond gaat over de grondslag van de provincie en de natuurlijke (landschapsvormende) processen. Daarop ligt de laag van de cultuur- en natuurlandschappen. In deze laag vind je het zichtbare landschap en (grondgebonden) nut. Deze laag is gevormd door eeuwenlang (vaak agrarisch) gebruik door de mens. De derde laag die onderscheiden wordt is de laag van stedelijke occupatie, bestaand uit steden, dorpen en hun onderlinge netwerken. Tot slot gaat de laag van de beleving over identiteit, met als belangrijke dragers cultuurhistorie en (recreatieve) beleving.
32
Ruimtelijke kwaliteit speelt een rol bij vrijwel alle ontwikkelingsgerichte ambities, beleidskeuzes, opgaves en programma's van de provincie. De ruimte in Zuid-Holland is beperkt en het aantal nieuwe ontwikkelingen met een ruimteclaim is groot. Om een aantrekkelijke leefomgeving te creëren is het van belang zorgvuldig om te gaan met de ruimte. Het behouden en/of versterken van de ruimtelijke kwaliteit is een doelstelling bij elke ruimtelijke ontwikkeling, op elk schaalniveau: van provinciaal tot lokaal. Op het hoogste schaalniveau spreek je dan van de juiste ontwikkeling op de juiste plek. Om te bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang in combinatie met de draagkracht van het landschap. Op de grenzen tussen verschillende landschappen liggen extra kansen voor het versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Voorbeelden hiervan zijn stads- en dorpsranden, dijken en linten. Hier zijn de verschillen tussen de landschappen nadrukkelijk zichtbaar en voelbaar. Deze plekken verdienen extra aandacht bij nieuwe ontwikkelingen (relatie met de beleidskeuze landschap).
Motivering provinciaal belang De provincie draagt zorg voor een goede kwaliteit van de leefomgeving. Een goede ruimtelijke kwaliteit en het sturen op ‘de juiste ontwikkeling op de juiste plek’ zijn daar belangrijke onderdelen van. Een goede ruimtelijke kwaliteit bereik je door de schalen heen. De haven van Rotterdam bijvoorbeeld is belangrijk op internationaal schaalniveau als knooppunt, maar is ook lokaal bepalend voor de beleving, het gebruik en de toekomst van de plek. De provincie heeft hierin een regierol op regionaal schaalniveau. De provincie is in staat om verschillende opgaven in een gebied te signaleren en kansen voor combinaties te zien. Daarmee kan de provincie breder kijken dan de opgave zelf. Soms is het niet mogelijk om alle functies in een gebied te combineren, dan moeten keuzes gemaakt worden. In combinatie met de zorg voor het behouden en versterken van landschappelijke gebiedsidentiteit vormt dit de basis voor een goede ruimtelijke kwaliteit. De provincie heeft richtpunten opgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen die het bovenlokale, algemene belang borgen. Dit kan te maken hebben met het type ontwikkeling, de schaal, maar ook met de gebiedsidentiteit van de gekozen plek. Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.
Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is de ruimtelijke impact en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen. Dit geldt eveneens naarmate de waarde van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is.
Toelichting Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de gebruikswaarde, de toekomstwaarde en de belevingswaarde van een gebied. Het gaat daarbij onder andere om gebiedskenmerken zoals de aard en schaal, om duurzaam gebruik van de ondergrond, de versterking van de ruimtelijke opbouw en de inpassing in de wijdere omgeving. Waar binnen de provincie het beste bepaalde ontwikkelingen plaats kunnen vinden, ‘de juiste ontwikkeling op de juiste plek’, is onderdeel van een integrale belangenafweging en bijvoorbeeld terug te vinden in de ruimtelijke hoofdstructuur. Hoe ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage kunnen leveren aan het behouden en versterken van ruimtelijke kwaliteit is een ontwerpopgave. Om hier richting aan te heeft de provincie richtpunten voor ruimtelijke ontwikkelingen opgesteld. De provincie zet de richtpunten in bij de planbeoordeling. Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, onderscheidt de provincie de kwaliteit van gebieden en worden bijzondere waarden beschermd. 33
Ruimtelijke ontwikkelingen worden beoordeeld op hun impact op de omgeving. Vooral bij ontwikkelingen met een grote impact is het belangrijk ook een beeld te krijgen van hoe de ontwikkeling eruit komt te zien, daarom vraagt de provincie in dat geval een motivering, waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit ten minste gelijk blijft. De richtpunten voor ruimtelijke ontwikkelingen zijn ondergebracht bij de betreffende beleidskeuzes. Omdat een groot deel van de richtpunten gaan over kwaliteiten van de bepaalde landschappen is een groot deel van de richtpunten te vinden in de beleidskeuze landschap. De gebiedsgerichte uitwerking is nog in ontwikkeling. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit vormen de basis voor deze uitwerking in een later stadium. De provincie heeft, samen met betrokken partijen, zestien gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit opgesteld voor het landelijk deel van de provincie. Het betreft een gebiedsgerichte uitwerking van de gebiedsidentiteit en richtpunten voor ruimtelijke ontwikkelingen. Een gebiedsprofiel beschrijft en visualiseert kenmerkende ruimtelijke elementen die van bovenregionaal belang zijn. Voorbeelden van kenmerkende ruimtelijke elementen zijn: de verkavelings- en waterstructuur, linten, laanbeplantingen, herkenbare dijken en openheid.
De gebiedsprofielen geven invulling aan de gebiedsidentiteit met een overzicht van de landschappelijke waarden, waarmee bij ruimtelijke ingrepen rekening moet worden gehouden. De gebiedsprofielen bieden handvatten om te bepalen hoe groot de impact op de omgeving is en worden betrokken bij de planbeoordeling. Ruimtelijke kwaliteit is vanuit het perspectief van de provincie sterk verbonden met het landschap. De provincie zet in op het versterken en benutten van de verschillen tussen de vier groepen landschappen: kustlandschappen, veen(weide) landschappen, deltarivierenlandschappen en stedelijke landschappen. De beleidskeuze landschap is opgezet vanuit deze vier landschapsgroepen waarbinnen meerdere landschapstypen worden uitgelegd met de bijbehorende richtpunten er in opgenomen.
Handvatten voor passende ruimtelijke ontwikkeling Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van belang. Daarbij hanteert de provincie met het oog op de wisselwerking tussen gebiedskwaliteiten en ontwikkelingen de volgende uitgangspunten: •
De aard en schaal van een gebied bepalen of een ontwikkeling in meer of mindere mate passend is. In een agrarisch gebied passen stedelijke functies als woonwijken of bedrijventerreinen niet bij de aard en zijn daarmee gebiedsvreemd. De schaal van een gebied (‘korrelgrootte’) bepaalt of een ontwikkeling al dan niet past bij die schaal. Het ‘laadvermogen’ van een coulisselandschap is immers anders dan dat van een open veenweidepolder.
•
Een ontwikkeling die past bij de schaal en aard van een gebied heeft in beginsel weinig ruimtelijke impact op gebiedskwaliteiten en vraagt daarom weinig tot geen provinciale betrokkenheid.
•
Hoe meer een ontwikkeling afwijkt van de aard en schaal van een gebied, des te groter is in beginsel de ruimtelijke impact van nieuwe ontwikkelingen en des te eerder raken ze provinciale doelen of belangen.
•
Dit geldt eveneens naarmate de kwaliteit van een gebied bijzonderder of kwetsbaarder is. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is.
34
•
In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie. Bij inpassen gaat het om een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De impact op het gebied is klein. Een aanpassing betreft een wijziging in de structuur van een gebied die aansluit bij de huidige gebiedsidentiteit. De impact op het gebied is groter. Bij transformatie gaat het om een verandering van een gebied van dusdanige aard en omvang dat een nieuwe gebiedsidentiteit ontstaat. De impact van dit type ontwikkeling op een gebied is enorm. Bij transformatie is het dan ook belangrijk om goed vorm te geven aan de ontwikkeling van een nieuwe ruimtelijke kwaliteit, met vaak ook een nieuwe identiteit.
Naast de gebiedsprofielen heeft de provincie ook handreikingen ruimtelijke kwaliteit die handvatten bieden om de ruimtelijke kwaliteit te versterken: •
Werkboek ruimtelijke kwaliteit met een stappenplan
• • •
Handreiking ruimtelijke kwaliteit zonne-energie Zuid-Holland Ruimtelijk perspectief dijken Handleiding opstellen beeldkwaliteitsparagraaf.
•
Handleiding infrastructuur
De provincie heeft een onafhankelijk provinciaal adviseur ruimtelijke kwaliteit (PARK) die gevraagd en ongevraagd advies uitbrengt over het behouden en versterken van ruimtelijke kwaliteit in ZuidHolland.
Beleidsuitwerking Ruimtelijke kwaliteit wordt geregeld in de Omgevingsverordening in § 6.2.2 Ruimtelijke kwaliteit Relevante informatiebronnen:
https://www.zuid-holland.nl/onderwerpen/ruimte/ruimtelijke/
De nieuwe tekst van de beleidskeuze Landschap is hieronder opgenomen.
Beleidskeuze Landschap De provincie zet in op het versterken en benutten van de verschillen tussen de vier groepen landschappen: kustlandschap, veen(weide) landschap, deltarivierenlandschap en stedelijk landschap. De provincie wil de intrinsieke waarde van de verschillende landschappen behouden, beschermen, op passende wijze benutten en beleefbaar maken. Dit betekent dat zorgvuldig moet worden afgewogen welke ontwikkelingen in welk landschap wenselijk zijn. Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan het in standhouden, benutten, beleven en versterken van bestaande gebiedskwaliteiten. De provincie hecht waarde aan onbebouwde landschappen. De provincie beschermt het landschap tegen ongewenste ontwikkelingen en wil daarmee versnippering en onomkeerbare aantasting van het landschap tegengaan. De provincie wil in een aantal gebieden specifieke waarden in stand houden, omdat ze landschappelijk, cultuurhistorisch, ecologisch of qua
35
gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn. De instandhouding en versterking van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde vraagt om toegespitste vormen van bescherming en ontwikkeling.
Aanleiding Zuid-Holland bestaat uit vier groepen karakteristieke landschappen: kustlandschap, veen(weide) landschap, deltarivierenlandschap en stedelijk landschap. Elk landschap heeft zijn eigen ondergrond, karakteristieken en grondgebruik. Ontwikkelingen die horen bij klimaatverandering, energietransitie, landbouwtransitie, omvorming naar een circulaire economie en woningbouwopgave hebben een ruimtelijke impact. De druk op het landschap is hiermee groot. Het is noodzakelijk om nieuwe ontwikkelingen die ruimte vragen te bezien in hun landschappelijke en bovenregionale context. Door bij ontwikkelingen rekening te houden met het landschap behoud het ook in de toekomst identiteit waarmee de aantrekkelijkheid om er te wonen, te werken en te recreëren ook behouden worden of zelfs toenemen. Water en groen leveren een belangrijke bijdrage aan opgaven als waterberging, hittestress en gezondheid. In een omgeving die steeds verder verstedelijkt, is een aantrekkelijke buitenruimte, zowel binnen als buiten de stad, van groot en toenemend belang als vestigingsfactor voor bewoners en bedrijven. Het is daarom belangrijk dat de onbebouwde ruimte in en tussen de steden aantrekkelijk en herkenbaar blijft. Er zijn maar weinig stedelijke regio’s in Europa met zo veel verschillende landschappen in de buurt van de steden.
Motivering provinciaal belang Landschappen overschrijden bestuurlijke grenzen. Het is wenselijk om nieuwe ontwikkelingen met een ruimtevraag op een vergelijkbare manier af te wegen in relatie tot de landschappelijke en bovenregionale context en dit niet per gemeente op verschillende wijze in te vullen. Er is ook een nationaal belang omdat landschappen als ruimtelijke eenheden in meerdere provincies liggen. Het behouden en versterken van de kwaliteit van het landschap hangt samen met de ruimtevraag van een aantal functies, zoals bijvoorbeeld recreatie, agrarisch ondernemerschap, natuur, de waterhuishouding, energiewinning, wonen en bedrijvigheid. Door op bovenregionaal niveau af te stemmen hoeven niet alle functies op gelijke manier in ieder gebied te landen, maar kunnen afhankelijk van de kwaliteiten en draagkracht van het landschap, de functies evenwichtig verdeeld en waar mogelijk gecombineerd worden.
Toelichting De provincie Zuid-Holland heeft zowel cultuurlandschappen als natuurlandschappen. Cultuurlandschappen kenmerken zich doordat het land door de mens gemaakt is en veelal is ingericht voor landbouwkundig gebruik. In heel Zuid-Holland horen daar onmiskenbaar alle kunstwerken bij die het leven beneden NAP mogelijk maken, zoals, duinen, dijken, dammen, (water)molens, stuwen en gemalen. Natuurlandschappen hebben nog steeds een relatief hoog natuurlijk karakter. Uniek voor Zuid-Holland is de combinatie van deltalandschappen: het kustlandschap, het veenlandschap en het rivierdeltalandschap en het altijd nabije stedelijk landschap. Deze landschappen zijn ontstaan op het grensvlak van zout en zoet, van land, zee en rivieren. Ze vormen de grondslag voor de identiteit van Zuid-Holland. Elk landschap vindt zijn oorsprong in de ondergrond: de bodem, geomorfologische kenmerken en het water. Binnen Zuid-Holland is daarbij grofweg een driedeling te maken tussen het complex van
36
de kust (strand, duinen, strandwallen en strandvlakten), de natte veengronden en plassen ten oosten van de kust en de kleicomplexen (meest droogmakerijen) en wateren van de delta. Per landschappelijke eenheid stelt de provincie eisen ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen waarbij de identiteit van het landschap behouden blijft of versterkt wordt. Hierbij wordt een logische relatie gezocht tussen de ondergrond en het menselijk handelen. Zo wordt bij nieuwe ontwikkelingen aandacht gevraagd voor aardkundige en archeologische waarden, (het gebruiken van) de bestaande bodem, reliëf en het watersysteem, de natuurlijke dynamiek en landschapsvormende processen. Deze aandacht betaalt zich terug in een duurzame, veerkrachtige en robuuste ondergrond. Binnen het watersysteem zijn de rivieren, de zeearmen en andere watergangen belangrijke dragende structuren. Op onderdelen vraagt dit systeem om herstel van natuurlijke dynamiek en aandacht voor veiligheid. Voor elk landschapstype zijn richtpunten opgesteld voor ruimtelijke ontwikkelingen. Hiermee wordt richting gegeven aan de manier waarop ontwikkelingen ingepast kunnen worden in de verschillende landschappen en hoe de ruimtelijke kwaliteit behouden of versterkt kan worden. Er wordt ook richting gegeven aan de manier waarop landschappen aangepast of getransformeerd kunnen worden.
Structuurdragers zoals linten, dijken, water en infrastructuur bepalen in hoge mate de landschappelijke identiteit van Zuid-Holland, dat voor het grootste deel beneden N.A.P. gelegen is. Deze worden daarom in deze beleidskeuze apart benoemd, naast de landschappen.
De herkenbare landschappen in Zuid-Holland:
Algemeen geldende richtpunten ruimtelijke kwaliteit -
Verdichting vindt plaats in reeds bestaande verdichte zones.
-
Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen Ontwikkelingen houden de onregelmatige patronen en het reliëf in het landschap herkenbaar en in stand. Het gaat hierbij om aardkundige waarden die door de natuur tot
-
-
stand zijn gekomen. Waar mogelijk worden de archeologische waarden van deze structuren meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Genoemde archeologische waarden betreffen door de mens gemaakte fenomenen. Nieuwe ontwikkelingen dienen te passen binnen de structuur van het landschap. Nieuwe ontwikkelingen sluiten aan bij bestaande landschappelijk structuren en dragen waar mogelijk bij aan versterking van de groenblauwe structuur Waar mogelijk worden de cultuurhistorische waarden meer herkenbaar gemaakt bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
1. Kustlandschappen Ondergrond: Kustcomplex Het kustlandschap is opgebouwd uit een opeenvolging van zee, strand, jonge duinen, strandvlakten en strandwallen parallel aan de kust. Deze langgerekte structuur is op twee plaatsen onderbroken: bij de monding van de Oude Rijn en bij de voormalige monding van de Maas. Veel strandwallen zijn in de loop van de tijd vergraven voor het zand of de bollenteelt, waardoor het kenmerkende reliëf is verdwenen. De duinen en het strand kennen een grote natuurlijke dynamiek
37
en uitersten in omstandigheden: van droog en heet naar nat en koud of van zout naar zoet. Dit maakt het strand en de duinen ecologisch erg waardevol. Richtpunten ruimtelijke kwaliteit De volgende richtpunten worden in acht genomen: -
Ontwikkelingen versterken en gebruiken waar mogelijk de natuurlijke dynamiek en omstandigheden van de kust (duinen, strand en voordelta/vooroever). Ontwikkelingen houden het verschil herkenbaar tussen “hoog en droog” en “laag en nat” en bouwen voort op de parallelle kuststructuur. Veiligheidsmaatregelen zijn mede gericht op het versterken van het natuurlijk kustkarakter.
Strand- en duinlandschap Dit is een reliëfrijk, overwegend niet gecultiveerd, zandlandschap van strand en jonge duinen met hoge natuur- en recreatiewaarden. Natuurlijke processen als verstuiving, vernatting en bosvorming zijn duidelijk zichtbaar door de voortdurende dynamiek van zand, golven en wind. Duingebieden worden afgewisseld door grote en kleine badplaatsen en havens. Het gebied is van belang voor de waterveiligheid en drinkwatervoorziening. De kust is een aantrekkelijke plek om te recreëren. Gedurende het strandseizoen kenmerkt het strand zich door een afwisseling van (drukke) strandopgangen en boulevards, waar strandtenten en strandhuisjes vaak het beeld bepalen, naar zeer rustige stranden zonder bebouwing. Dit contrast en deze diversiteit zijn kwaliteiten van het strand als belangrijke openbare en recreatieve ruimte van Zuid-Holland. Het is van groot belang om in de directe nabijheid van de stad plekken te weten waar rust en openheid het beeld bepalen. Richtpunten ruimtelijke kwaliteit De volgende richtpunten worden in acht genomen: -
Ontwikkelingen dragen bij aan of versterken de bijzondere landschappelijke en natuurlijke kwaliteit van het strand en de duinen.
-
Ontwikkelingen dragen zorg voor het behoud van het openbare karakter en de afwisseling in de belevingskwaliteit (van druk naar rustig) langs de kust van Zuid-Holland. Nieuwe strandbebouwing voor verblijfsrecreatie nabij duingebied op rustige stranden is daarmee niet toegestaan.
In de volgende gebiedsprofielen zijn de specifieke kwaliteiten van dit landschap benoemd en uitgewerkt in ambities: Duin- en Bollenstreek, Duin, Horst en Weide, Delflandse Kust, VoornePutten en Goeree-Overflakkee.
Bollenlandschap Het bollenlandschap is ontstaan door het vergraven van oude duinen en strandwallen en de aanleg van een fijnmazig vaartenstelsel ten behoeve van de bollenteelt. Kenmerkend is de afwisseling van kleurrijke bollenvelden (seizoensgebonden), verspreide bebouwing en begroeiing, vaarten en sloten. Bijzonder zijn de (restanten van) landgoederen en oude duinen. De ruimtelijke structuur wordt bepaald door een afwisseling van parallel aan de kustlijn gelegen open en verdichte zones. Opgave:
38
De kwaliteit en herkenbaarheid van dit landschap komen steeds verder onder druk door toenemende bedrijfsbebouwing en verstedelijking die niet geënt is op een samenhangende en herkenbare ruimtelijke structuur. Mede door intensivering van de bollenteelt raakt het gebied daarmee steeds verder versnipperd. Het zicht op de bollenvelden wordt door bebouwing steeds meer beperkt. Dit betekent dat een ontwikkeling bijdraagt aan een samenhangende en herkenbare ruimtelijke structuur, op een logische plek in deze structuur ligt en toekomstbestendig is. Opgave hierbij is om de intensivering in de landbouw en de verstedelijking te koppelen aan een versterking van de landschappelijke structuur. Richtpunten ruimtelijke kwaliteit De volgende richtpunten worden in acht genomen: -
Verdichting vindt plaats in reeds bestaande verdichte zones. Ontwikkelingen dragen bij aan behoud en versterking van het zicht op de bollenvelden en de aantrekkelijkheid van het bollenlandschap.
Met het volgende richtpunt wordt rekening gehouden: -
Ontwikkelingen dragen bij aan het contrast tussen de open en nog gave strandvlakten en de voor de bollenteelt in cultuur genomen (afgezande) oude duinen en strandwallen.
In het gebiedsprofiel Duin- en bollenstreek zijn de specifieke kwaliteiten van dit landschap benoemd en uitgewerkt in ambities. Landgoederenlandschap Herkenbaar en afwisselend patroon van historische buitenplaatsen en landgoederen, volgroeide bossen en open ruimtes met nog deels een agrarische functie. Hier is de landschapsgradiënt van duin naar veen nog herkenbaar terug te vinden. Deze gebieden hebben een hoge recreatieve en cultuurhistorische waarde. Het inpassen van nieuwe gebruiksfuncties dient dan ook met grote zorgvuldigheid te gebeuren. Richtpunten ruimtelijke kwaliteit De volgende richtpunten worden in acht genomen: -
Ontwikkelingen dragen bij aan het vergroten van de herkenbaarheid van het landgoederenlandschap als samenhangend geheel.
-
Ontwikkelingen dragen bij aan versterking van de afwisseling tussen beboste strandwallen met landgoederen en buitenplaatsen en open strandvlakten. Ontwikkelingen dragen bij aan de verbetering van de kwaliteit van het ensemble van het
-
landhuis, bijgebouw, tuin en park en de herkenbaarheid van het landgoed in het landschap
In de volgende gebiedsprofielen zijn de specifieke kwaliteiten van dit landschap benoemd en uitgewerkt in ambities: Duin- en Bollenstreek, Duin, Horst en Weide, Delflandse Kust, VoornePutten Schurvelingenlandschap Het schurvelingenlandschap ligt ten westen en noorden van Ouddorp. Het is gevormd in de middeleeuwen door het uitgraven en ontginnen van het oorspronkelijke duinlandschap. Hierdoor
39
ontstonden akkertjes (haaymeten), omgeven door zandwallen (schurvelingen). In veel gevallen zijn de schurvelingen in de 19e en 20e eeuw opgehoogd toen de tussengelegen akkers verder werden uitgegraven voor een beter grondwaterpeil. De nieuwere zandwallen zijn 2 tot 4 meter hoog en begroeid met houtachtige elementen zoals eik, iep en brem. De hoogte van de beplante wallen in verhouding tot de afmetingen van de kleinschalige open akkers maken van de akkers een soort kamers. Het schurvelingenlandschap is sterk verweven met de lintenstructuur in en rondom Ouddorp. Het huidige gebruik van de kleinschalige kavels is afwisselend (agrarisch, wonen, tuinen, et cetera). Uitbouwen / versterken van het schurvelingenpatroon kan als basis dienen voor nieuwe ontwikkelingen. Richtpunten ruimtelijke kwaliteit De volgende richtpunten worden in acht genomen: -