2021-04-16 RIB Actualisatie beleidsregels en besluit Maatschappelijke Ondersteuning - beleidsregels MO.pdf
Tekst van het document
8.6 Woonsanering in verband met COPD en longklachten door allergie Een persoon met beperkingen als gevolg van COPD of een allergie kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor her-stofferen van noodzakelijke ruimte in de woning, indien de noodzaak hiervoor wordt aangegeven door een longarts of longverpleegkundige (c.q. CARA-verpleegkundige). Voorzieningen, zoals allergeenvrij kussens en matrashoezen, vallen niet onder de Wmo. In het kader van de Wmo gaat het bij woningsanering als gevolg van COPD, astma en allergieën specifiek om de volgende stoffering: tapijt en gordijnen in de slaapkamer. Een uitzondering wordt gemaakt voor kinderen tot vier jaar, in die zin, dat het ook mogelijk is de woonkamer te saneren omdat een kind van die leeftijd niet naar school gaat en ook overdag in de woonkamer verblijft. De in verband met een allergie noodzakelijk aan te schaffen vervangende stoffering is vrijwel altijd algemeen gebruikelijk. Alleen wanneer dergelijke artikelen voortijdig moeten worden vervangen, omdat men pas bekend is met de allergie, kan niet meer gesproken worden van een algemeen gebruikelijke voorziening. Bij de vaststelling van de hoogte van het Pgb voor de maatwerkvoorziening passen we een afschrijvingstermijn toe. Uitgangspunt hierbij is dat de vloerbedekking altijd voor een beperkte duur meegaat. De cliënt dient dus voor de vervanging van
37
de vloerbedekking geld te reserveren. Indien een artikel is afgeschreven (veelal na acht jaar) wordt niet opnieuw een maatwerkvoorziening met hetzelfde doel verstrekt. De werkelijke kosten komen in aanmerking voor het vast te stellen Pgb. Ook hierbij is het uitgangspunt goedkoopst adequaat. Materialen gekocht bij een bouw- of woonmarkt gaan voor op de materialen uit een woningspeciaalzaak. Er is wel een afschrijvingspercentage huidige stoffering van toepassing. Leeftijd stoffering: Nieuwer dan 2 jaar: 100% Pgb Tussen 2 en 4 jaar: 75% Tussen 4 en 6 jaar: 50% Tussen 6 en 8 jaar: 25% Ouder dan 8 jaar: geen Pgb Bij de aanschaf van nieuwe materialen moet de persoon met beperkingen zich houden aan het programma van eisen, zoals gladde vloerbedekking (zeil of goedkoop laminaat) en gladde raambedekking (rolgordijn, kunststof lamelgordijn). Eventuele meerkosten zijn op rekening van cliënt. Het kan uit medisch oogpunt gewenst zijn om de hele woning stofvrij te maken, terwijl alleen sanering van de slaapkamer urgent is. Alleen de artikelen die urgent zijn komen in aanmerking voor vergoeding. De rest kan geleidelijk aan, passend binnen het normale uitgavenpatroon, vervangen worden.
Rolstoeltapijt Vervanging van vloerbedekking door rolstoeltapijt komt alleen voor een maatwerkvoorziening in Pgb in aanmerking als de vervanging niet te voorzien was (lees over voorzienbaarheid in paragraaf 3.5) , bijvoorbeeld als de cliënt als gevolg van een ongeluk plotseling rolstoelafhankelijk is geworden. Bij een geleidelijke achteruitgang in het functioneren waardoor de cliënt rolstoelafhankelijk is geworden is geen maatwerkvoorziening mogelijk. Er is dan sprake van voorzienbaarheid en vermijdbaarheid, waarvoor de cliënt tijdig had kunnen reserveren. Bij de hoogte van het Pgb wordt dezelfde afschrijvingstermijn en percentage toegepast als bij de woningsanering.
8.7 Onderhoud, keuring en reparatie van verstrekte woningaanpassingen De woningaanpassing moet op grond van de Wmo en beleidsregels zijn verstrekt. Tijdens het onderhoud, keuring of de reparatie moet de cliënt de woonruimte als hoofdverblijf bewonen.
8.8 Uitraaskamer Een cliënt kan in aanmerking komen voor een woningaanpassing in de vorm van een uitraaskamer als er sprake is van aantoonbare beperkingen vanwege een gedragsstoornis met ernstig ontremd gedrag als gevolg van een ziekte of gebrek, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin hij/ zij tot rust kan komen. Van belang is om vast te stellen dat het niet gaat om gedrag op grond van pedagogisch vermogen of gedrag dat medisch gezien beïnvloed kan worden.
8.9 Aanpassing gemeenschappelijke ruimten Het college kan een Pgb of zorg in natura verstrekking verlenen voor het treffen van voorzieningen aan een gemeenschappelijke ruimte, indien deze zonder de voorzieningen ontoegankelijk is voor de cliënt met beperkingen. Deze voorziening wordt verstrekt op de cliënt met de beperking(en). Hiervoor is geen eigen bijdrage verschuldigd. Daarbij is het van belang te onderzoeken of de aanpassingen voor meer bewoners van toepassing zijn die gebruik maken van de gemeenschappelijke ruimte en zo of er bijvoorbeeld een VVE is die deze kosten voor zijn rekening kan nemen. Ook moet nagegaan worden of het betreffende woningcomplex een label heeft. Bijvoorbeeld seniorenwoningen: aanpassingen in de gemeenschappelijke ruimte vallen daardoor onder de verantwoordelijkheid van de woningcorporatie. Een maatwerkvoorziening in een gemeenschappelijke ruimte kan alleen worden toegekend als er een individuele persoon met beperkingen is voor wie de maatwerkvoorziening noodzakelijk is. De onderhoudsplicht van de voorziening(en) ligt bij de eigenaar van het complex.
38
Deze maatwerkvoorziening kan slechts worden verstrekt voor: Het verbreden van toegangsdeuren; Het aanbrengen van elektrische deuropeners; Aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw, mits de woningen in het woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel; Drempelhulpen of vlonders; Het aanbrengen van een extra trapleuning bij een portiekwoning; Onderhoud.
8.10 Bezoekbaar maken van een woning Cliënten die in een Wlz-instelling in de gemeente verblijven hebben kunnen aanspraak maken op een woningaanpassing bestaand uit het bezoekbaar maken van een woning die zij minimaal twaalf keer per jaar bezoeken. Enkel de woning van één familielid in de eerste graad of de woning van de partner van cliënt wordt bezoekbaar gemaakt. De tweede situatie waarin een woning bezoekbaar kan worden gemaakt, is indien het een minderjarig kind betreft van wie de ouders niet samenwonen. De woning van de ouder waar het kind niet woont kan bezoekbaar worden gemaakt. Onder het bezoekbaar maken van een woning wordt verstaan dat de aanvrager de woning, de woonkamer en één toilet kan bereiken. Wat betreft de toiletvoorziening is het uitgangspunt een losse toiletstoel, die ook in een andere ruimte dan de toiletruimte geplaatst kan worden, eventueel met gebruik van een kamerscherm.
8.11 Tijdelijke huisvesting Het kan voorkomen, dat een persoon met beperkingen als gevolg van het aanpassen van zijn woning op grond van de Wmo dubbele woonlasten heeft. In zulke gevallen kan een tegemoetkoming worden verleend, maar hier gelden de beperkingen die zijn opgenomen in de Verordening. Er zijn twee mogelijkheden: het tijdelijk betrekken van een zelfstandige woonruimte en het langer moeten aanhouden van de te verlaten woonruimte. De hoogte van de tegemoetkoming is hiervan afhankelijk.
8.12 Huurderving Na beëindiging van de huur van een aangepaste woning kan aan de woningeigenaar een vergoeding worden verleend. De leegstand moet het gevolg zijn van de aanwezigheid van aanpassingen in de woning die op grond van de Wmo verstrekt zijn. De huurderving van de eerste maand komt niet in aanmerking voor een vergoeding.
8.13 Overige zaken Termijn waarbinnen aanpassingen gerealiseerd moeten zijn in geval van een PBG is de cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger zelf verantwoordelijk voor het (laten) uitvoeren van een woningaanpassing. Indien binnen een half jaar na dagtekening van de toekenningsbeschikking de woningaanpassing niet is voltooid, vervalt het recht op de toekenning. Bij ingrijpende en tijdrovende aanpassingen kan van deze termijn worden afgeweken. Hergebruik vrijkomende aangepaste woningen Een eenmaal aangepaste woning moet bij voorkeur ook in de toekomst aan andere personen met een beperking toegewezen worden. Wanneer achterblijvende gezinsleden van een persoon met beperkingen, deze woning als huurwoning vrijmaken voor een andere persoon met beperkingen, kan een vergoeding voor verhuis- en herinrichtingskosten worden verstrekt.
39
8.14 Aanpassingen aan woonwagens en woonschepen Het college verleent een financiële tegemoetkoming in de aanpassingskosten van een woonwagen of woonschip als voldaan is aan de criteria die zijn opgenomen in de Verordening.
8.15 Hulpmiddelen ten behoeve van het normale gebruik van de woning Bij hulpmiddelen gaat het altijd om roerende voorzieningen en is er geen sprake van bouwkundige (nagelvaste) woonvoorzieningen. Hulpmiddelen ten behoeve van het normale gebruik van de woning zijn o.a.: a) Toiletstoel. Deze stoel is voor mensen met beperkingen die niet gebruik kunnen maken van het toilet. Denk hierbij niet alleen aan toiletgebruik op de begane grond, maar ook aan het ontbreken van een toilet op de verdieping, waar de slaapkamer zich bevindt en de cliënt niet in staat is ’s nachts naar het toilet op de begane grond te gaan. Toiletstoelen worden vanwege de hygiëne in eigendom verstrekt. Hergebruik van deze middelen is niet aan de orde. b) Douchekruk of douchestoel. De standaarduitvoeringen die in de reguliere handel en ook tweedehands in ruime mate te koop zijn worden beschouwd als algemeen gebruikelijk. De douchestoel wordt wel vanuit de Wmo verstrekt als er specifieke eisen gesteld worden aan de uitvoering, die afgestemd zijn op de persoonlijke kenmerken en behoeften van de cliënt. Denk aan een douchestoel met kantelverstelling, een douchstoel met hoog-laag functie, een kinderdouchestoel, een douchestoel met fixatie elementen etc. Douchehulpmiddelen voor volwassenen worden over het algemeen, vanwege de hygiëne, in eigendom verstrekt. Hergebruik van deze middelen is niet aan de orde.
c) Tillift (passief en actief). Deze liften zijn bedoeld voor mensen die niet zelfstandig transfers kunnen maken en waarbij een draaischijf of transferplank niet adequaat zijn. Tilliften komen voor verstrekking vanuit de Wmo in aanmerking als zij nodig zijn ter ondersteuning van de reeds bestaande mantelzorg (zorg door familie en/of vrienden) Als het om professionele hulpverleners gaat dient er goed gekeken te worden naar datgene wat nodig is om deze hulp goed te kunnen verlenen. d) Staliften zijn er voor mensen die nog enige sta-functie hebben, maar niet voldoende voor zelfstandige transfers of transfers met persoonlijke ondersteuning. e) Passieve tilliften zijn er voor mensen die geen sta-functie hebben. Zij worden getild via een tilband. Plafondliften behoren niet tot de hulpmiddelen maar tot de nagelvaste woningaanpassingen. Verhuizing Als de hulpmiddelen in bruikleen zijn verstrekt door de gemeente betekent een verhuizing naar een andere gemeente het einde van de bruikleenovereenkomst en worden de hulpmiddelen door de gemeente ingenomen. De cliënt is zelf verantwoordelijk om zich voor Wmo voorzieningen tijdig aan te melden bij zijn nieuwe gemeente.
40
Hoofdstuk 9. Vervoersvoorzieningen 9.1 Vervoersvoorzieningen De gemeente biedt vervoersvoorzieningen aan mensen met mobiliteitsbeperkingen. Hiermee kunnen zij zich in en om het huis verplaatsen en buitenshuis afstanden afleggen. Hierdoor kunnen zij deelnemen aan de maatschappij. Wmo vervoersvoorzieningen zijn bedoeld voor verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving en de regio. Een cliënt kan voor een vervoersvoorziening in aanmerking komen als hij/zij aantoonbare beperkingen heeft waardoor hij/zij het openbaar vervoer niet kan bereiken of gebruiken en als hij/ zij niet in staat is gangbare en gebruikelijke vervoersmiddelen zoals auto, bromfiets, scooter, fiets etc. te gebruiken voor de verplaatsingen in de eigen woonomgeving en in de regio. Er is sprake van een mobiliteitsbeperking wanneer de cliënt niet in staat is om een afstand van 800 meter zelfstandig, binnen een redelijke tijd te overbruggen of langer dan 10 minuten kan staan.
9.2 Begeleider bij openbaar vervoer Personen met beperkingen die met begeleiding met het openbaar vervoer kunnen reizen, moeten zelf voor een begeleider te zorgen.
9.3 Resultaatgebieden vervoersvoorzieningen Vervoersvoorzieningen kunnen als verstrekking worden ingezet om de volgende resultaten te bereiken: Het zelfstandig lokaal verplaatsen per vervoermiddel. Het kunnen ontmoeten van mensen en het op basis daarvan aangaan van sociale relaties. Om voor een individuele voorziening in aanmerking te komen zal het college eerst nagaan of in het gesprek alle mogelijke alternatieven zijn beoordeeld zoals openbaar vervoer en collectief vraagafhankelijk vervoer. Daarbij zal gekeken worden naar waar de daadwerkelijke vervoersbehoefte (afstand, frequentie, tijdstip etc.) van de cliënt uit bestaat.
9.4 Primaat van het collectief vervoer (Wmo vervoer Regiotaxi BAR) Collectief vervoer is bedoeld voor vervoer in de regio. Indien het collectief vervoer niet adequaat is of niet volstaat, wordt gekeken of en welke maatwerkvoorziening een oplossing voor het vervoersprobleem is. Een combinatie van vervoersvoorzieningen is – in uitzonderlijke gevallen – ook mogelijk. Zo verstrekt de gemeente een vervoersvoorziening op maat. Indien cliënt gedurende een aaneengesloten periode van 12 maanden geen gebruik maakt van de voorziening kan de Wmo voorziening met inachtneming van 2.11 gemotiveerd en indien nodig door het opvragen van medisch advies worden ingetrokken. De gemeente hanteert het primaat van het collectief vervoer vanuit het uitgangspunt ‘collectief als het kan, individueel als het moet’. Omdat de cliënt alleen op indicatie van een WMO-klantmanager gebruik kan maken van het collectief vervoer, is het collectief vervoer een maatwerkvoorziening. Deze maatwerkvoorziening wordt echter collectief uitgevoerd vanuit het uitgangspunt: goedkoopst adequaat. Hierbij is het volgende van toepassing: a) De voorziening collectief vervoer wordt alleen verstrekt in natura in de vorm van een taxipas. Een Pgb is hiervoor niet mogelijk. De taxipas geeft de cliënt de mogelijkheid om maximaal 2000 km per jaar gebruik te kunnen maken van de regiotaxi voor regulier vervoer of rolstoeltaxivervoer.
b) Als aan de cliënt naast de taxipas voor collectief vervoer ook beschikt over een individuele voorziening die vanuit de Wmo in natura of Pgb is verstrekt of wanneer cliënt zelf over een adequate individuele voorziening beschikt, dit ten behoeve van de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving. Dan wordt een maximum van 1000 km. verstrekt. c) Indien de cliënt gemotiveerd aangeeft dat het aantal kilometers zoals bedoeld onder a en b niet volstaat om in de reële vervoersbehoefte van cliënt te voldoen, dan doet de klantmanager onderzoek naar de onderliggende
41
oorzaken hiervoor. Als het gaat om veel ritten die aantoonbaar gemaakt worden kan een groter aantal kilometers worden verstrekt. Voorwaarde hierbij is wel dat de cliënt geen gebruik kan maken van de extra vergoeding voor medische ritten uit de aanvullende polis van de zorgverzekeraar. d) De pashouder betaalt tarieven, die vergelijkbaar zijn met de tarieven van het openbaar vervoer, waarbij de zone indeling van het openbaar vervoer uitgangspunt is. e) De gemeente gaat er vanuit dat 5 zones (zones van het openbaar vervoer), ofwel verplaatsingen binnen een straal van 20 km of aansluitend op het bovenregionale Valysvervoer, voldoende zijn voor lokale verplaatsingen. Het collectief vervoer rijdt in geheel de gemeente (instapzone) plus 5 ov- zones rond de gemeente.
9.5 Beoordeling van de noodzaak en soort vervoersvoorziening Als het openbaar vervoer onvoldoende bereikbaar en bruikbaar is voor mensen met beperkingen en als hij/ zij niet in staat is gangbare en gebruikelijke vervoersmiddelen zoals auto, bromfiets, scooter en fiets te gebruiken voor de verplaatsingen in de eigen woonomgeving en in de regio, kan de gemeente alternatieven aanbieden. Eerst wordt gekeken naar een collectieve vervoersvoorziening, zoals de regiotaxi. Is die niet adequaat, dan kan de gemeente een maatwerkvoorziening in natura of Pgb verstrekken Hierbij worden de volgende aspecten in kaart gebracht: 1. Gaat het om deelname aan het leven van alledag? De Wmo vervoersvoorzieningen zijn bedoeld om te kunnen deelnemen aan het leven van alledag. Een vervoersvoorziening is gericht op het opheffen of verminderen van belemmeringen die een persoon met beperkingen bij het lokale vervoer buitenshuis ondervindt. Indien het gaat om deelname aan werk valt de vervoersvoorziening niet onder de Wmo. 2. Wat is de vervoersbehoefte? Welke verplaatsingen zijn voor de persoon met beperkingen van belang om maatschappelijk te kunnen participeren? En hoe ver ligt deze bestemming? Aan de hand daarvan kan worden bepaald wat de vervoersbehoefte is. 3. Wat is het verplaatsingsmotief? De voorziening is bedoeld om deel te nemen aan het leven van alledag.
Bij de Wmo gaat het om maatschappelijk verkeer, het vervoer per vervoermiddel dat nodig is voor het leven van alledag. Uitgangspunt is niet de gewoonten die de cliënt heeft, maar wat de invloed van de beperkingen van de cliënt zijn op zijn eigen mogelijkheden om in zijn vervoersbehoefte te voorzien. 4. Wat is de frequentie van vervoer? Om de vervoersbehoefte te kunnen bepalen, gaat het om de vraag: hoe vaak moet een persoon met beperkingen naar een bepaalde bestemming om maatschappelijk te kunnen participeren? Dus om deel te nemen aan het ‘leven van alle dag’ en om de sociale contacten te onderhouden? 5. Welke vervoersvoorzieningen zijn er al en hoe adequaat zijn deze? Heeft betrokkene een auto maar is deze niet meer adequaat? Is er al een collectieve vervoersvoorziening afgegeven maar wordt hierdoor het probleem onvoldoende ondervangen? Ook de GPK zal hierin meegenomen dienen te worden. Begeleiding tijdens vervoer Om voor de aantekening ‘medische begeleiding’ op de vervoerspas in aanmerking te komen, is een indicatie door de Wmo klantmanager of externe adviseur nodig. Slechts in zeer uitzonderlijke situaties kan een begeleiderindicatie voor een vervoersvoorziening worden toegekend als: De persoon met beperkingen agressief gedrag vertoont; De persoon met beperkingen dwaalgedrag vertoont; De persoon met beperkingen afhankelijk is van medische handelingen tijdens de rit.
Cliënt die geen gebruik kan maken van de regiotaxi Als een cliënt aangeeft geen gebruik te kunnen maken van de regiotaxi moet de klantmanager onderzoeken wat hiervoor de onderliggende oorzaken zijn. Dit gebeurt alleen als andere voorzieningen op medische- en/ of gedrag gerelateerde gronden niet geschikt zijn en er sprake is van geïndiceerd individueel vervoer.
9.6 Maatwerkvoorziening in natura of Pgb Het kan zijn dat collectief vervoer niet volstaat omdat het niet voorziet in de vervoersbehoefte in de directe woon - en leefomgeving. Onder de directe woonomgeving wordt een straal van 1,5 km verstaan. Hierbij moet men denken aan het binnen de directe woonomgeving zelf boodschappen doen, de huisarts bezoeken, familiebezoeken etc. Voor deze verplaatsingen is het over het algemeen niet adequaat of zelfs onmogelijk gebruik te maken van het collectieve vervoerssysteem of van een taxi.
42
Jurisprudentie van de CRvB heeft bepaald dat de gemeente bij een maximale loopafstand van 100 meter van de cliënt, die niet het openbaar vervoer kan bereiken en gebruiken, indien adequaat een aanvullende individuele voorziening moet verstrekken. Het bevorderen van de zelfstandigheid binnen de directe woonomgeving is meestal de reden dat er aanvullend op het regiotaxivervoer een maatwerkvoorziening voor deze gebruiksdoelen onder bepaalde voorwaarden een maatwerkvoorziening in natura of Pgb mogelijk is. Denk hierbij aan een: a) Een open elektrische buitenwagen (scootmobiel), b) Een op de beperkingen van de persoon aangepaste fiets; c) Handbike, pendel d) Overige vervoersmiddelen. Het maximale aantal kilometers voor gebruik van de regiotaxi wordt dan wel teruggebracht naar 1000 km per jaar, aangezien in een flink deel van de vervoersbehoefte kan worden voorzien met de aanvullende maatwerkvoorziening. 1) Scootmobiel De scootmobiel is primair bedoeld voor verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving en niet voor grote afstanden daarbuiten. Voor de grote actieradius is het collectief vervoer adequaat. Dat betekent dat een scootmobiel met een snelheid van 8, 10 of 12 km per uur en met gemiddelde actieradius van circa 15 km op één accu adequaat is. Onderbouwd kan hiervan afgeweken worden.
Als de cliënt een zwaardere en snellere scootmobiel wenst kan hij/ zij ervoor kiezen de meerkosten zelf te betalen. Opvouwbare scootmobiels worden niet vergoed omdat deze geen adequate vervoersvoorziening zijn in verband met onder anderen gebrek aan vering, gebrek aan zitcomfort. Naast het verstrekken van een scootmobiel is het mogelijk om een aantal lessen te vergoeden om veilig gebruik van de scootmobiel in het verkeer mogelijk te maken. Indien de cliënt onvoldoende rijvaardig is dan wordt een scootmobiel gezien als een niet adequate voorziening. Bij het verstrekken van een scootmobiel moet er een mogelijkheid zijn om de scootmobiel te laden dan wel moet die mogelijkheid gerealiseerd kunnen worden. Indien dit niet mogelijk is wordt een scootmobiel gezien als een niet adequate voorziening. 2) Fiets Vanuit de Wmo kan een fiets verstrekt worden. Het gaat dan om een op de beperkingen van de cliënt aangepaste fiets. De meeste fietsen worden gezien als algemeen gebruikelijk zoals de tandem, de elektrische fiets, fiets met een laag frame, de bakfiets etc. Deze fietsen worden in principe niet vanuit de Wmo vergoed. Bij het verstrekken van een fiets is het belangrijk om goed na te gaan of de fiets past bij het beperkingenniveau en de vervoersbehoefte van de cliënt. Ook voor een aangepaste fiets dient een stallingsmogelijkheid te bestaan of gecreëerd te kunnen worden.
3) Handbike De handbike is de vervanging van een fiets, als de cliënt niet in staat is zich met beenkracht en beencoördinatie voort te bewegen en ook een aangepaste fiets niet adequaat is. De criteria hiervoor zijn: Cliënt is aangewezen op een rolstoel; Cliënt heeft het vermogen zich te verplaatsen met behulp van een handbewogen (sport) rolstoel over een redelijke afstand (1,5 km) binnen redelijke tijd overbruggen (te denken valt aan circa een half uur) Heeft de voorziening nodig in verband met een specifieke verplaatsingsbehoefte boven 1500 meter, die niet anderszins kan worden opgelost. Er dient een substantiële toegevoegde waarde te zijn als de handbike als verplaatsingsvoorziening in en om de woning of voor grotere afstanden wordt verstrekt. Aanpassingen die nodig zijn om de handbike aan de rolstoel te kunnen bevestigen, vallen onder de rolstoelaanpassingen.
43
4)
Overige voorzieningen
a.
Kindervervoersvoorzieningen
Voor autovervoer kan een aangepaste kinderstoel verstrekt worden als dit de enige manier is om een kind in de auto te vervoeren. In de reguliere handel zijn inmiddels al draaibare stoeltjes te verkrijgen waardoor het kind zonder belastende draaibeweging van de ouder/ verzorgende in en uit de auto getild kan worden. Tot vier jaar is een driewieler algemeen gebruikelijk, tenzij er een speciale uitvoering noodzakelijk is. Voor kinderen van 4 tot en met 16 jaar wordt de driewielfiets gezien als een mobiliteitsvoorziening. De verlengde fiets wordt verstrekt in verband met een kind met beperkingen. Het heeft een verlengd frame. De grotere ruimte achter de zadelbuis en de verlaagde achter instap maken het gemakkelijker om het kind in een stoeltje te verplaatsen. Dit type fiets is vooral geschikt voor het meenemen van grotere kinderen met beperkingen. Boven 16 jaar is conform jurisprudentie een elektrische fiets algemeen gebruikelijk
Tot de leeftijd van 18 jaar blijft de voorziening in de regel eigendom van de gemeente en wordt deze in bruikleen aan de persoon met beperkingen verstrekt. b.
c.
d.
Niet zelfstandig vervoer De duofiets wordt toegekend als de cliënt kan zich alleen onder begeleiding in het verkeer begeven en de cliënt kan of mag uit veiligheidsoverwegingen niet meetrappen en/of meesturen. Het is noodzakelijk dat de begeleider toezicht houdt op het kind. Het criterium voor toekenning van een rolstoelfiets is dat de cliënt niet vervoerd kan worden zonder dat hij/zij in de rolstoel zit. Auto aanpassingen Auto aanpassingen zijn over het algemeen prijzig en daarom niet goedkoopst adequaat. In een aantal situaties bieden auto aanpassingen een goed alternatief voor andere vervoersvoorzieningen. De aan te passen auto moet technisch in goede staat verkeren, automatisch geschakeld zijn en beschikken over goede verwarming en andere voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn in een personenauto.
Gesloten buitenwagen In uitzonderlijke situaties kan via de Wmo een gesloten buitenwagen verstrekt worden. Er dient een medische reden te zijn waarom een open vervoermiddel niet mogelijk is.
44
9.7 De regelingen Gehandicapten Parkeervoorzieningen Deze regeling valt buiten de werkingssfeer van de Wmo, maar wordt wel door Wmo klantmanagers uitgevoerd. Volgens de wet is voor de gehandicapten parkeerkaart/plaats een medische indicatie vereist. De gemeente betrekt deze adviezen bij onze aanbieder voor Medisch advies. Een gehandicaptenparkeerkaart kan een bestuurders- of een passagierskaart zijn. De passagierskaart wordt afgegeven voor de belanghebbende die aan alle voorwaarden voldoet, maar zelf niet in staat is om een auto te besturen. Om voor een van deze kaarten in aanmerking te komen, moet worden voldaan aan alle volgende voorwaarden voor een: 9.7.1 Bestuurderskaart de persoon met beperkingen is in het bezit van een rijbewijs en is bestuurder van een motorvoertuig. een aantoonbare beperking van langdurige aard (tenminste zes maanden), waardoor de persoon met beperkingen, ook met de gebruikelijke hulpmiddelen (rollator, stokken, krukken e.d.) niet in staat is om meer dan 100 meter aan één stuk te voet te lopen of; permanent rolstoelgebonden of; een ernstige beperking niet zijnde een loopbeperking.
9.7.2 Passagierskaart een aantoonbare beperking van langdurige aard (tenminste zes maanden), waardoor de persoon met beperkingen, ook met de gebruikelijke hulpmiddelen (rollator, stokken, krukken e.d.) niet in staat is om meer dan 100 meter aan één stuk te voet te lopen of; permanent rolstoelgebonden of; een ernstige beperking niet zijnde een loopbeperking. deze persoon met beperkingen is voor het vervoer van deur tot deur afhankelijk van de bestuurder en aanvrager niet alleen kan wachten. Dat betekent dat de bestuurder aanvrager niet alleen kan laten, ook niet om de auto te parkeren. 9.7.3 Gehandicaptenparkeerplaats een aantoonbare langdurige loopbeperking hebben waardoor ook met de gebruikelijke hulpmiddelen (rollator, stokken, krukken e.d.) niet in staat bent om zelfstandig een afstand van meer dan 50 meter aan één stuk te voet te overbruggen. een auto bezit of bestuurd. heeft geen eigen parkeerruimte bij de woning en/of werkadres. In de directe omgeving is geen openbare parkeerruimte beschikbaar. Indien uit de beoordeling van de gemeente, afdeling verkeer, blijkt dat de vastgestelde parkeerdruk in de directe woonomgeving binnen de voor de cliënt vastgestelde maximale loopafstand aanleiding is om een gehandicaptenparkeerplaats toe te kennen.
Indien uit de beoordeling van de gemeente, afdeling verkeer, blijkt dat de verkeersveiligheid en het doelmatig gebruik van de weg niet verstoord worden door de aanleg van een gehandicaptenparkeerplaats. De gemeente vergoedt geen kosten voor het verstrekken van een invalidenparkeerkaart of- plaats. De verschuldigde legeskosten worden door de cliënt zelf betaald. In uitzonderlijke gevallen kan gemotiveerd en onderbouwd van bovenstaande voorwaarden worden afgeweken indien aanvrager in het bezit is van een gehandicapte parkeerkaart passagier én het noodzakelijk is direct voor de deur te kunnen parkeren.
45
Hoofdstuk 10. Rolstoelen 10.1 Hulpmiddelen ten behoeve van zittend verplaatsen De gemeente biedt rolstoelvoorzieningen aan mensen met mobiliteitsbeperkingen, die langdurig zijn aangewezen op zittend verplaatsen. Het is een hulpmiddel voor mensen die zich niet (goed) lopend kunnen verplaatsen of die geen langere afstanden meer kunnen afleggen. Er zijn veel verschillende soorten rolstoelen, afgestemd op het gebruiksdoel en de beperkingen. Sommige rolstoelen zijn voor gebruik binnenshuis, anderen voor binnen en buiten. Van belang is dat loophulpmiddelen zoals een stok, rollator, looprek etc. voorgaan op een Wmo rolstoelvoorziening Een rolstoel op vakantie meenemen naar het buitenland is toegestaan. Wel moet dit vooraf worden gemeld in verband met verzekeringen en wettelijke aansprakelijkheid.
10.2 Programma van eisen voor een rolstoel Het selecteren van een rolstoel is maatwerk. De gekozen rolstoel moet passen bij de gebruiker. De gebruiker moet er goed mee overweg kunnen en de rolstoel moet bruikbaar zijn in de omgeving van de gebruiker en voor de activiteiten die de gebruiker onderneemt. Hiervoor stelt de klantmanager een programma van eisen op dat voorziet in de functionele gebruiksdoelen van de cliënt en selecteert vervolgens de goedkoopst adequate rolstoel die aan deze eisen voldoet. Een rolstoel wordt verstrekt voor langdurend adequaat gebruik. Als de verwachting is dat de gezondheid en het functioneren van de cliënt snel progressief achteruitgaan, houdt de klantmanager met deze factor rekening. Een dure rolstoel verstrekken voor een paar maanden kan kapitaalvernietiging zijn als de rolstoel niet vanuit het kernassortiment verstrekt kan worden.
Hoofdstuk 11. Hulpmiddelen ten behoeve van sportbeoefening en overige hulpmiddelen 11.1 Sportvoorzieningen Sporten wordt gezien als gebruikelijke deelname aan de samenleving. Voor personen met beperkingen is verstrekking van een sportvoorziening onder voorwaarden mogelijk als zonder de voorziening en zonder sport de cliënt onvoldoende kan participeren in de samenleving. De meest gangbare voorziening die verstrekt wordt om sportbeoefening mogelijk te maken is de sportrolstoel. Het is echter ook mogelijk dat een andere voorziening dan een rolstoel de sportbeoefening mogelijk maakt. Daarom spreken we van een sportvoorziening.
Hoofdstuk 12. Slotbepalingen 12.1 Citeertitel Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Ridderkerk 2021.
12.2 Inwerkingtreding Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2021 Aldus vastgesteld te Ridderkerk op 13 april 2021. Het college van burgemeester en wethouders van Ridderkerk, de secretaris, de burgemeester,
Dhr. H.W.J. Klaucke
Mw. A. Attema
46
Bijlage 1 Gebruikelijke hulp In 2005 is in de AWBZ voor het eerst het Protocol Gebruikelijke Zorg vastgesteld. Dit protocol is sindsdien juridisch vele malen getoetst en in 2010 is in de Wmo de norm voor gebruikelijk zorg op meerderjarig gesteld. In de Wmo 2015 is het begrip Gebruikelijke Hulp opgenomen. Hieronder verstaan we: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Gebruikelijke zorg zoals in deze beleidsregels opgenomen is alleen toepasbaar op huishoudelijke hulp.
Op welke levensdomeinen is er sprake van gebruikelijke hulp? Huishouden De personen die behoren tot het huishouden van een persoon die een beroep doet op de Wmo blijven altijd primair verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Dat betekent dat van alle meerderjarige personen binnen dat huishouden wordt verwacht dat, bij uitval van een van de leden van dat huishouden, gestreefd wordt naar herverdeling van de huishoudelijke taken. Onder huishoudelijke taken vallen zowel de uitstelbare als de niet-uitstelbare taken. Niet-uitstelbare taken zijn: maaltijd verzorgen, de kinderen verzorgen, afwassen en opruimen. Wel-uitstelbare taken zijn: boodschappen doen, wasverzorging, bed verschonen en schoonmaken. Gebruikelijke zorg en een fulltime baan Iedere volwassen burger wordt verondersteld naast een volledige baan of opleiding een huishouden te kunnen voeren. Bij een meerpersoonshuishouden staat het hebben van een normale baan of het volgen van een opleiding het leveren van gebruikelijke hulp niet in de weg. Gebruikelijke hulp gaat vóór op andere activiteiten van personen binnen één huishouden in het kader van hun maatschappelijke participatie. Bij fulltime werk (en twee uur reistijd per dag) wordt als norm gehanteerd dat de partner op werkdagen twee uur per dag aan niet-uitstelbare taken besteedt. In de weekenden kunnen de uitstelbare taken worden verricht.
Indien de huisgenoot van een zorgvrager vanwege zijn of haar werk fysiek niet aanwezig is, wordt hiermee bij de indicatiestelling uitsluitend rekening gehouden wanneer het om aaneengesloten perioden van ten minste zeven etmalen gaat. De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk. Denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. Wanneer iemand aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen van huis is, is er in die periode feitelijk sprake van een eenpersoonshuishouden en kan geen gebruikelijke hulp worden geleverd. Redenen als ‘niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen of kunnen verrichten’ zijn geen reden voor een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Indien hiervoor motivatie aanwezig is, kan er een indicatie worden gesteld voor zes weken hulp voor het aanleren van huishoudelijke taken en het leren organiseren van het huishouden. Opvang en verzorging van kinderen Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. Dit houdt in: het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid (en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles).
Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger) normaal gesproken geeft aan een kind, onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind. Dit is inclusief de zorg bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg voor de kinderen over. Gebruikelijke zorg voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon conform de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Eigen oplossingen gaan voor. Indien nodig dient de ouder gebruik te maken van de voor hem of haar geldende regeling voor zorgverlof. De klantmanager onderzoekt, in geval er mantelzorg aanwezig is, wat in redelijkheid met mantelzorg kan worden opgevangen. Is dit niet mogelijk, dan dient de ouder gebruik te maken van (een combinatie van) crèche, opvang op school, buitenschoolse opvang, gastouder et cetera, dus de zogenaamde algemeen gebruikelijke
47
voorliggende voorzieningen. Het verplichte gebruik van alternatieve opvangmogelijkheden voor kinderen is redelijk, onafhankelijk van de financiële omstandigheden. Opvang is niet structureel een Wmo-zorg. Ook als er sprake is van uitval van de ouder in een eenoudergezin, of beide ouders ondervinden beperkingen in de opvang en verzorging van de kinderen, dan wordt eerst nagegaan wat de mantelzorgers opvangen en wat vrijwilligers als vervangende mantelzorg, voorliggende voorzieningen en algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen opvangen. Oppas en opvang van gezonde kinderen zijn in principe geen Wmo voorziening. Daarvoor zijn andere, algemeen gebruikelijke en voorliggende voorzieningen voorhanden. Wel is er een indicatie mogelijk voor de verzorging van de kinderen conform hun leeftijd. Gebruik van kinderopvang/crèche als voorliggende voorziening voor oppas en opvang van gezonde kinderen tot vijf dagen per week is redelijk. Indien de klantmanager zich ervan heeft vergewist dat de voorliggende algemeen gebruikelijke voorzieningen niet aanwezig of niet toepasbaar zijn of zijn uitgeput, dan is bij uitval van de ouder in een eenoudergezin afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van het kind een indicatie voor huishoudelijke hulp mogelijk tot maximaal 40 uur per week voor oppas en opvang van gezonde kinderen.
Een dergelijke indicatie is in principe van korte duur (maximaal 6 weken), de periode waarin een eigen oplossing moet worden gevonden. Het gaat dan met name om het voorkomen van een crisis of verwaarlozing van jonge kinderen. Bijdrage van kinderen aan het huishouden Als de aanvrager thuiswonende kinderen heeft, dan gaat de klantmanager er vanuit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd, persoonskenmerken en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Kinderen tot 12 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. Veel kinderen tussen 5 en 12 jaar “helpen” met tafeldekken, speelgoed opruimen, afwassen etc. De omvang van deze kleine activiteiten is niet van invloed op de omvang van de indicatie voor hulp bij het huishouden. Kinderen tussen de 13 en 18 jaar kunnen worden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden, zoals opruimen, tafeldekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien. Zij worden ook in staat geacht om hun eigen kamer op orde te houden, dus rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen. Van een meerderjarige, 18 tot 21-jarige-, gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze de huishoudelijke taken over kan nemen voor een tweepersoonshuishouden waartoe hij behoort wanneer de primaire verzorger uitvalt.
Voor een 21-jarige of ouder gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze alle huishoudelijke taken kan overnemen. Steeds moet onderzocht worden of de gebruikelijke helper ook in staat is deze taken uit te voeren. Het is van belang om alert te blijven op overbelasting van kinderen tussen de 13 en 18 jaar wiens ouders een chronische beperking hebben, omdat zij vaak ongezien ook een deel van de verzorging op zich nemen.
48
Bijlage 2 Normering Huishoudelijke Hulp Normen voor huishoudelijke hulp op basis van resultaat De onderstaande resultaten zijn gebaseerd op de normafspraken met de zorgaanbieders die Persoonlijkedienstverlening in natura bieden. Deze normtijden zijn vastgesteld op basis van de werkelijk door de zorgaanbieders geleverde uren voor de te bereiken resultaten in de afgelopen jaren. De zorgaanbieder worden op basis van lumpsum financiering betaald. Toepassing van onderstaande normtijden is noodzakelijk bij de toekenning van Hulp bij het huishouden in de vorm van Persoonlijke Dienstverlening in persoonsgebonden budget (Pgb). Noodzakelijk voor het te behalen resultaat in een eenpersoonshuishouden Resultaat Schoon en leefbaar huis in een eengezinswoning Schoon en leefbaar huis in een etagewoning Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften
minuten per week 150 minuten 90 minuten 60 minuten 60 minuten
Noodzakelijk voor het te behalen resultaat in een twee-/meerpersoonshuishouden Resultaat minuten per week Schoon en leefbaar huis 150 minuten Beschikken over schone en draagbare kleding 90 minuten Beschikken over goederen voor primaire levensbehoefte 90 minuten Kunnen zorgen voor thuiswonende kinderen Conform richtlijn CIZ Huishoudelijke Verzorging Factoren meer/minder hulp Deelactiviteit: Boodschappen in de kasten zetten Broodmaaltijd als uitgangspunt Maaltijd opwarmen in magnetron Afstoffen: boven schouder- en onder heuphoogte Volledig afstoffen, tafel afnemen Volledig afstoffen, tafel afnemen Was in/uit machine Was ophangen/drogen Strijken Strijken Vervuiling ( b.v. bij elektrische bi-bui rolstoel) COPD eisen stofzuigen en dweilen COPD eisen stofzuigen en dweilen
Indicatie: 10 minuten 1 keer per dag 10 minuten 10 minuten 20 minuten (1 persoonshuishouden) 30 minuten (>1 persoonshuishouden) 15 minuten 15 minuten 30 minuten (1 persoonshuishouden) 45 minuten (>1 persoonshuishouden) plus 30 minuten plus 60 minuten (1 persoonshuishouden) plus 90 minuten (>1 persoonshuishouden)
Inmiddels is er jurisprudentie beschikbaar over inzet van hulpmiddelen in het huishouden die algemeen gebruikelijk zijn: Vaatwasser Wasdroger Magnetron 1. 2. 3. 4.
Licht huishoudelijk werk bestaat met name uit afwassen (vaatwasser is voorliggend) Een deel van de wasverzorging is toebedeeld aan was ophangen (droger is voorliggend) Organisatie van het huishouden wordt ondervangen door inzet van persoonlijke dienstverlening met de component begeleiding in plaats van schoonmaakvoorziening. Kunnen zorgen voor thuiswonende kinderen wordt ondervangen door inzet van persoonlijke dienstverlening met de component begeleiding in plaats van schoonmaakvoorziening.
49
5.
Beschikken over goederen voor primaire levensbehoefte is voor het grootste deel ondervangen door een breed aanbod van diensten als boodschappenservice, maaltijdservice etc. Moet wel passend zijn. Ook het bereiden van bijvoorbeeld broodmaaltijd kan hieronder vallen.
Advies t.a.v. de grootte van de woning: De woning niet beoordelen op het aantal aanwezige kamers maar op het aantal kamers dat dagelijks gebruikt wordt. Normering activiteiten ten behoeve van de verzorging van kinderen De normtijden zijn ontleend aan de Richtlijn Wmo indicatieadvisering voor Hulp bij het Huishouden ( CIZ 2006) Deze normtijden worden gebruikt bij het berekenen van de totale benodigde tijd voor de activiteiten met betrekking tot kinderen. Hiervoor wordt de normtijd vermenigvuldigd met het aantal keer per dag en het aantal keer per week. Dit levert dan de totaaltijd op van de activiteiten met betrekking tot kinderen. Naar bed brengen Uit bed halen Wassen en kleden Eten en/of drinken geven Babyvoeding (flesje/potje) School/crèche brengen/halen
10 min per keer per kind 10 min per keer per kind 30 min per dag per kind 20 min per maaltijd 10 min per keer per kind 15 min per keer per gezin
Het is hierbij mogelijk om taken te combineren. Als kinderen op hetzelfde tijdstip naar bed gaan, telt dat voor 1 keer en niet per kind. De frequentie is gerelateerd aan de leeftijd en ontwikkelingsfase van het kind. Deze normering is als uitgangspunt bedoeld voor kinderen tot en met vijf jaar. Gezonde kinderen die ouder zijn worden geacht zichzelf te kunnen wassen, aan- en uitkleden en zelf te eten. Vanwege de veiligheid in het verkeer kan halen en brengen naar school nog wel aan de orde zijn bij een kind dat ouder is dan 5 jaar. Het is mogelijk om van deze normtijden af te wijken als dit vanwege de persoonskenmerken en behoeften van het kind noodzakelijk is (maatwerk).
50
Bijlage 3 Richtlijn normering begeleiding Resultaat gebieden begeleiding Te behalen doel algemeen bij indicatie: 1) Vooruitgang/verbetering van de situatie, of; 2) Stabilisatie van de situatie, of; 3) Begeleiden van achteruitgang van situatie. Te behalen doelen, specifiek: 9.8 Ondersteunen en opbouwen van sociaal netwerk inwoner Sociaal functioneren, de cliënt: Heeft een gezond sociaal netwerk en vervult daarbinnen een passende rol Is in staat een beroep te doen op personen in zijn sociale netwerk Kan voor zichzelf opkomen Heeft duidelijk dat hij/zij wel/niet contact met familie wil Heeft een vangnet Vergroot zijn sociale netwerk Sociale vaardigheden zijn aangeleerd en worden toegepast Is lid van een club of vereniging om in vrijetijd activiteiten te doen Veroorzaakt geen overlast Gaat op respectvolle wijze om met anderen Houdt zich aan gemaakte afspraken en is daarop aanspreekbaar Netwerk voelt zich erkent, gesteund en ontlast 9.9 Persoonlijk functioneren Persoonlijk functioneren, de cliënt: Weet wanneer hij/zij huishoudelijke taken of zelfzorgtaken moet uitvoeren Ontvangt ondersteuning bij planning van huishoudelijke taken Houdt huis zelf op orde (met of zonder ondersteuning) Heeft een overzicht/planning van taken Wordt ondersteund met praktische zaken Heeft voldoende levensmiddelen in huis Kan een gezonde maaltijd bereiden Kan omgaan
met eigen problematiek en/of psychische beperkingen Vergroot zijn zelfvertrouwen Reflecteert met hulpverleners op wat er gaande is Heeft verlies van belangrijke personen verwerkt Vraagt hulp als het niet goed gaat Heeft evenwichtig dag- en nachtritme Houdt zich aan afspraken rondom middelengebruik Heeft inzicht in eigen problematiek Heeft begeleiding om met eigen problematiek om te gaan Weet wat hij/zij moet doen om terugval te voorkomen Heeft begeleiding om verergering te voorkomen Is begeleid naar opname (crisis of met RM) of behandeling 51
Heeft zicht op plek in een (intramurale) setting Heeft een veilig woonomgeving Is toe geleid naar passende dagbesteding
9.10 Ondersteunen van de thuisadministratie Financiën, de cliënt: Komt rond van zijn inkomen/leefgeld en geeft gepast geld uit Heeft een overzicht van zijn financiën en heeft administratie op orde Er is een overzicht van totale schulden Heeft vermindering van schuldenlast Is aangemeld voor instantie voor schuldhulpverlening Is aangemeld bij instantie voor inkomensbeheer 9.11 Ondersteuning bij zelfzorg Zelfzorg en gezondheid, de cliënt: Wast en verschoond zichzelf dagelijks Is in staat zichzelf te verzorgen Beheert zelf de medicatie en neemt deze op tijd in (wel of niet met e-hulpmiddelen) Weet wat goede zelfverzorging is en kent het belang hiervan 9.12
Mantelzorg Mantelzorger voelt zich erkend en wordt ontlast Er is meer evenwicht tussen werkzaamheden en mantelzorgtaken Mantelzorger wordt ontlast waardoor cliënt thuis kan blijven wonen Mantelzorger kan tot rust komen en is niet overbelast
9.13 Ondersteuning bij arbeidsparticipatie/dagbesteding Dagbesteding, de cliënt: Heeft een zinvolle dagbesteding gericht op behoud en/of ontwikkeling van vaardigheden waaronder werknemersvaardigheden Verricht onbetaald arbeidsmatige activiteiten Heeft regie over zijn dag en ervaart hier ondersteuning bij Mantelzorg wordt ontlast Is toe geleid naar dagbesteding, passend bij zijn behoefte Heeft een passende dagstructuur Door dagbesteding is participatie mogelijk Vaststelling zwaarte problematiek: 1. ZRM 2. Factum inventarisatielijst, probleemgebieden inventariseren en ondersteuningsbehoefte in kaart brengen, dan wel problematiek benoemen. Algemene regels bij het toepassen van deze richtlijn: 1. Voor een indicatie hoger dan klasse 3 is het verplicht collegiaal overleg te hebben; 2. Er is de mogelijkheid een getrapte indicatie af te geven; 3. Waakvlamindicatie klasse 0 gedurende 1-3 jaar; 4. Voor het indiceren van gespecialiseerde begeleiding moet minimaal 3 x een ‘score 2’ op de ZRM gescoord worden, hier kan enkel gemotiveerd van worden afgeweken. 52
INDICATIE : klasse 0 - 1 LEEFGEBIED Ondersteunen en opbouwen van sociaal netwerk inwoner.
TOELICHTING/ WAT IS ER AAN DE HAND? Betr. is beperkt in staat zelf structuur aan te brengen en zijn sociaal netwerk te onderhouden. Ondersteuning bij contact met instanties is wenselijk. Aanleren van praktische vaardigheden is mogelijk/wenselijk. Betr. heeft aansturing nodig maar is in staat taken zelf uit te voeren. Betr. heeft zelfinzicht in eigen problemen en vraagt hulp of staat open voor begeleiding.
LICHT
mantelzorg
Voelt zich erkend en ontlast
< 60 min p/w en/of
Ondersteunen van de thuisadministratie Klasse 0- 1
Betr. heeft geen schulden. Er zijn lichte problemen m.b.t. administratie en financiën. Betr. kan zelf hulp vragen. Totaal
<30 min p/w Max 1.5 uur p/w
Ondersteuning bij arbeidsparticipatie /dagbesteding
Betr. heeft een netwerk (familie, vrienden, buren, algemene voorzieningen), maar dit netwerk is overbelast en heeft onvoldoende mogelijkheden voor adequate ondersteuning. respijtzorg
2-4 dagdelen
Persoonlijk functioneren
Ondersteuning bij zelfzorg
53
INDICATIE: klasse 2 -4 LEEFGBIED Ondersteunen en opbouwen van sociaal netwerk inwoner.
Persoonlijk functioneren
TOELICHTING/WAT IS ER AAN DE HAND? Betr. is onvoldoende in staat zelf structuur aan te brengen. Betr. heeft een beperkt netwerk en is niet in staat om dit te onderhouden. Ondersteuning/aanleren en deels overnemen van praktische vaardigheden is noodzakelijk. Betr. heeft aansturing nodig en problemen om taken uit te voeren. Enig zelfinzicht maar belemmerende factoren.
Ondersteuning bij zelfzorg
MATIG
90 - 210 min per week
mantelzorg
Voelt zich erkend en ontlast
Ondersteunen van de thuisadministratie
Betr. heeft schulden. Er zijn meerdere problemen (schuldeisers, huisvesting, misbruik door vrienden en familie) toeleiden naar schuldhulpverlening en/of bewindvoering, dan wel budgetbeheer.
en/of
30 - 60 min per week Max 4.5 uur Totaal per week
Klasse 2 - 4 Ondersteuning bij arbeidsparticipatie /dagbesteding
Betr. heeft matige tot ernstige problemen m.b.t. deelnemen aan reguliere activiteiten voor invulling van de dag. Betr. heeft behoefte aan vaste afspraken en structuur. respijtzorg
5-6 dagdelen
54
INDICATIE: klasse 5 – 10 LEEFGEBIED Ondersteunen en opbouwen van sociaal netwerk inwoner.
Persoonlijk functioneren
TOELICHTING/WAT IS ER AAN DE HAND? Betr. is niet in staat zelf structuur aan te brengen. Vaste controlemomenten en deels overname van taken is noodzakelijk. Betr. heeft een beperkt tot geen sociaal netwerk. Isolement, opname dreigt. Ontregeld huishouden, geen zelfinzicht of beperkt zelfinzicht. Blijvende aansturing en/of activering is noodzakelijk om functioneren te behouden. Geen zelfinzicht in eigen problematiek/gedrag.
ZWAAR
Ondersteuning bij zelfzorg mantelzorg en/of Ondersteunen van de thuisadministratie
Voelt zich erkend en ontlast
Ondersteuning bij arbeidsparticipatie /dagbesteding
Betr. vergt veel aandacht waardoor thuissituatie escaleert. Probleemgedrag, gevaar voor eigen veiligheid. Betr. is in staat dagelijks deel te nemen aan dagbesteding. Dagelijkse structuur voorkomt ontregeling. Soms is doorontwikkeling arbeidsvaardigheden mogelijk
240 - 1380 min per week
Betr. heeft grote schulden, administratieve wanorde, problematisch ongepast geld uitgeven, deurwaarders, schuldeisers, spanningen met familie/vrienden. Zelfredzaamheid is beperkt. Inventarisatie schulden noodzakelijk met toeleiden naar schuldhulpverlening 90-120 min per week max 4-24.9 Klasse 5 -10 Totaal uur per week 7-9 dagdelen
55
ZRM-matrix 0-meting (door WMO) en na 12 maanden door zorgaanbieder. 1 2 3 4 5*
Financiën
0 0 0 0 0
Werk & opleiding
0 0 0 0 0
Tijdsbesteding
0 0 0 0 0
Huisvesting
0 0 0 0 0
Huiselijke relaties
0 0 0 0 0
Geestelijke gezondheid
0 0 0 0 0
Lichamelijke gezondheid
0 0 0 0 0
Middelengebruik
0 0 0 0 0
Basale ADL
0 0 0 0 0
Instrumentele ADL
0 0 0 0 0
Sociaal netwerk
0 0 0 0 0
Maatschappelijke participatie 0 0 0 0 0 Justitie
0 0 0 0 0
1 acute problematiek 2 niet zelfredzaam 3 beperkt zelfredzaam 4 voldoende zelfredzaam 5 volledig zelfredzaam
56
Bijlage 4 Afkortingenlijst In relatie tot de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) worden vaak afkortingen en bepaalde termen gebruikt. Sommige van deze afkortingen en termen zijn algemeen bekend, andere zijn dat minder. In deze bijlage is een lijst van afkortingen en termen in de zorg en in relatie tot de Wmo opgenomen. Afkortingen regelgeving AWB
Algemene wet bestuursrecht
AmvB Algemene Maatregel van Bestuur. Wajong Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Wlz
Wet langdurige zorg
WAO
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Wmo Wet maatschappelijke ondersteuning. Zvw
Zorgverzekeringswet
Overige afkortingen ADL Algemene dagelijkse levensverrichtingen. Activerende begeleiding ondersteunende begeleiding omvat ondersteunende activiteiten in verband met een lichamelijke, verstandelijke, of psychosociale beperking, gericht op bevordering of behoud van zelfredzaamheid of bevordering van de integratie van een persoon in de samenleving. De handicap wordt daarbij als gegeven aangenomen. Met activerende begeleiding wordt de persoon geleerd om te gaan met de (gevolgen van de) aandoening, beperking of handicap. AVS
Algemene voorziening Schoonmaakondersteuning, zie verder HV.
BRP
Basisregistratie personen
BG
Begeleiding
CAK Centraal Administratie Kantoor. Het Centraal administratiekantoor bijzondere zorgkosten stelt ondermeer de eigen bijdragen vast voor de Thuiszorg en int deze ook. CBS Centraal Bureau Statistiek CG-Raad Chronisch Zieken en gehandicaptenraad CIZ Centrum Indicatiestelling Zorg. Het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) voert vanaf 1 januari 2005 de indicatiestelling voor de AWBZ uit. Het CIZ is daarmee de opvolger van het Regionale Indicatieorgaan (RIO) en heeft een onafhankelijke taak in zorgindicatie. Het CIZ zal mogelijk in een deel van de gemeenten een belangrijke rol gaan spelen bij de indicatiestelling voor Wmovoorzieningen. Cliëntondersteuning Een vertrouwenspersoon die de gehandicapte (en/of ouders) ondersteunt en van advies dient. Bijvoorbeeld bij de hulpvraag verduidelijk of bij de verdere begeleiding bij het doorlopen van de stappen in de zorgketen. Vaak kiezen personen met een verstandelijke handicap 57
voor een SPD (Sociaal Pedagogische Dienst) als ondersteuning. Sinds 1999 kennen de SPD en ook het consulentschap voor lichamelijk gehandicapten. Deze cliëntondersteuning is een niet geïndiceerde vorm van dienstverlening en daarom vrij laagdrempelig. CRvB
Centrale Raad van Beroep.
CVV Collectief vraagafhankelijk vervoer. Voor bezoek aan bijvoorbeeld een vrijetijdsclub, de familie of een winkelcentrum kan gebruik gemaakt worden van aangepast vervoer. Bijvoorbeeld omdat uw kind niet zelfstandig kan reizen, of een rolstoeltaxi nodig heeft. Volgens de WVG ( wet voorzieningen gehandicapten) regelt elke gemeente aangepast en aanvullend vervoer voor de inwoners. Dat is taxivervoer van ‘deur naar deur’. U belt, reserveert, de auto of (rolstoel)taxi komt voor en brengt uw kind en uzelf naar het opgegeven adres. De gebruiker met een handicap betaalt het WVG tarief of krijgt een vervoersvergoeding. De niet-gehandicapte moet meestal een hoger tarief betalen. De tarieven en regels kunnen echter per gemeente nogal verschillen. Elke gemeente hanteert ook regiogrenzen. Voor vervoer buiten deze regio bent u aangewezen op bijvoorbeeld TraXX of de ketenkaart. Extramurale zorg Zorg die voornamelijk wordt verleend op afgesproken tijden waarbij de cliënt vanuit de eigen woon- en werkomgeving naar de hulpverlener toekomt of waarbij de hulpverlener de cliënt in diens omgeving opzoekt. GGD
Gemeentelijke Gezondheidsdienst
GGZ
Geestelijke Gezondheidszorg
HV Huishoudelijke verzorging. Bij de huishoudelijke verzorging gaat het om het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de huishoudelijke dagelijkse levensverrichtingen (HDL). Als een persoon alléén voor huishoudelijk verzorging geïndiceerd is, is er sprake van enkelvoudige huishoudelijke verzorging. HH
Zie HV
Intramurale zorg Zorg die dag- en nachtbegeleiding biedt voor mensen met een verstandelijke beperking binnen de instelling. Invalidenparkeerkaart Mensen voor wie het noodzakelijk is de auto dicht bij de plaats van bestemming te parkeren, kunnen een invalidenparkeerkaart of passagierskaart aanvragen bij de gemeente. Bijvoorbeeld wanneer uw kind een lichamelijke handicap heeft, waardoor hij/zij niet of nauwelijks kan lopen. U kunt een vaste parkeerplaats bij uw huis aanvragen. KDC Kinderdagcentrum. Voor kinderen tussen de 3 en 16 jaar die niet naar een ZML (zeer moeilijk lerende) school kunnen. Het kinderdagcentrum geeft gespecialiseerde hulp voor kinderen met een ernstige verstandelijke of meervoudige handicap. Er is aandacht voor verzorging, begeleiding, sociaal emotionele ontwikkeling en training van praktische vaardigheden. Tegenwoordig is er meer samenwerking tussen kinderdagcentra en ZML scholen. KDV
Kinderdagverblijf. Een ander woord voor kinderdagcentrum
58
Logeeropvang Hier kunnen mensen (kinderen en volwassenen) met een beperking die thuis wonen en verzorgd worden, tijdelijk logeren. Meestal in een weekend, of maximaal zeven dagen per maand. Over het algemeen is een logeerhuis verbonden aan een grotere intramurale of semi-murale voorziening. Het doel is de lasten van opvoeding en verzorging in het gezin even te verlichten. Financiering verloopt via AWBZ of PGB en daarom is een indicatiestelling verplicht. Maatschappelijke opvang Opvang voor mensen die niet meer thuis kunnen wonen vanwege geestelijke, financiële of relationele problemen. (mishandelde vrouwen, dak- en thuislozen, mensen in een psychische crisis of zwangere tieners, verslaafden). Naast opvang wordt zorg en psychosociale hulp geboden. MEE Dit is geen afkorting maar een organisatie voor mensen met een handicap, chronische ziekte of functiebeperking. MEE biedt informatie, advies en kortdurende ondersteuning bij vragen rond opvoeding, onderwijs, wonen, werken, dagbesteding, etc. MEE is de opvolger van de SPD: Sociaal Pedagogische Dienst. OGGZ Openbare Geestelijke Gezondheidszorg, omvat alle activiteiten op het gebied van de geestelijke volksgezondheid, die worden uitgevoerd buiten een vrijwillige, individuele hulpvraag. Palliatieve zorg De zorg voor ongeneeslijk zieke mensen, om de laatste levensfase zo comfortabel mogelijk te laten zijn. PGB Persoonsgebonden budget.
Hoeveelheid geld die iemand persoonlijk toegewezen krijgt om zelf een maatwerkvoorziening in te kopen. Hiervoor gelden voorwaarden RIAGG Regionaal Instituut voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg SVB
Sociale Verzekeringsbank.
Thuiszorg De thuiszorginstellingen kunnen huishoudelijke hulp bieden, maar bijvoorbeeld ook hulp bij het douchen en aankleden. Ook mensen met een verstandelijke handicap die (begeleid) zelfstandig wonen, kunnen soms een beroep doen op de reguliere thuiszorg. Voor de thuiszorg hebt u een indicatie nodig. Tegenwoordig bieden veel intramurale voorzieningen ook thuiszorg aan. Deze is gericht op thuiswonende kinderen en volwassenen met een verstandelijke beperking. De specifieke deskundigheid is daarbij een voordeel. VG
Verstandelijk gehandicapten
VIP
Verkorte indicatieprocedure of protocol
VNG
Vereniging Nederlandse Gemeenten
VWS
Ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport
Zorgkantoor De zorgkantoren beheren de AWBZ gelden en het (regio)budget voor het PGB. Ze maken afspraken met de regionale aanbieders van zorg over de omvang en de kwaliteit en de financiering van de zorgverlening (AWBZ) of kennen een PGB toe aan budgethouders.
59