CConstaterende datRidderkerk
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-04-16 RIB Actualisatie beleidsregels en besluit Maatschappelijke Ondersteuning - beleidsregels MO.pdf

Commissie Samen leven RK 19 mei 2021, gemeente RidderkerkBij agendapunt: 13: Ter kennisneming: raadsinformatiebrieven25.227 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

4.4 Zorgovereenkomst De cliënt is verplicht voor de dienstverlening die hij wenst in te kopen met een Pgb een schriftelijke, rechtsgeldige overeenkomst af te sluiten met degene die de maatschappelijke ondersteuning levert. De cliënt kan kiezen uit de 4 zorgovereenkomsten passend bij de zorgverlener (partner/familie, netwerk, ZZP’er of zorginstantie) die de SVB beschikbaar heeft gesteld. Andere zorgovereenkomsten worden door de gemeente niet geaccepteerd. Deze overeenkomst moet worden goedgekeurd door het college en de SVB.

4.5 Eénmalig te vertrekken Pgb’s De SVB heeft de gemeente gemandateerd om de betaling en budgetbeheer uit te voeren voor die maatwerkvoorzieningen waarbij een eenmalige uitbetaling en controle aan de orde is. Dit is aan de orde wanneer het gaat om een Pgb voor een woningaanpassing of een hulpmiddel dat eenmalig verstrekt wordt op grond van de afgegeven beschikking voor een maatwerkvoorziening. Het zou heel omslachtig zijn als één factuur via de SVB gecontroleerd en uitbetaald moet worden. De gemeente heeft ervoor gekozen om deze eenmalige betalingen van het Pgb, na controle van de factuur en het betalingsbewijs rechtstreeks op de bankrekening van de cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger te storten. De cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger moeten de besteding van het Pgb wél verantwoorden. Iedere budgethouder moet in verband met de bovenbedoelde controle de volgende stukken bewaren:  De nota/factuur van de aangeschafte voorziening en de verzekering en onderhoud daarvan;

19

Een betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening

4.6 Verplicht werkgeverschap Tot de uitvoerende taken van de SVB behoren naast het verrichten van de betalingen voor persoonsgebonden budgetten ook het faciliteren van verplicht werkgeverschap. werkgeverschap Indien de cliënt kiest voor een persoonsgebonden budget, dan wordt de cliënt (of budgethouder) opdrachtgever of werkgever. Wanneer de cliënt opdrachtgever is, heeft de cliënt geen extra verplichtingen ten aanzien van de opdrachtnemer: de cliënt hoeft geen loon door te betalen bij ziekte (maximaal 3 dagen per week inhuur).

4.7 Pgb-controle Periodiek of steekproefsgewijs onderzoekt het college uit het oogpunt van kwaliteit of het Pgb rechtmatig en doelmatig is besteed.

4.8 Pgb in het buitenland Inwoners van de gemeente die individuele begeleiding of begeleiding groep door middel van een Pgb inkopen, mogen dat voor maximaal 4 weken per jaar ook in het buitenland organiseren. Het Pgb is alleen bedoeld om de kosten van ondersteuning uit te betalen. Eventuele extra kosten, zoals reis en verblijfkosten van een begeleider kunnen niet uit het Pgb worden betaald. De extra kosten zijn voor rekening van de cliënt. Voor alle overige diensten geldt dat de cliënt het Pgb niet mag inzetten tijdens verblijf in het buitenland.

4.9 Kwaliteit van dienstverlening Het college toetst aan de hand van een persoonlijk budgetplan vooraf of de kwaliteit bij de budgethouder voldoende is gegarandeerd, door van de cliënt in het budgetplan te vragen:  Waar hij zijn ondersteuning zal inkopen;  Op welke manier deze ondersteuning bijdraagt aan zijn participatie en zelfredzaamheid; en  Hoe de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd. Op grond van artikel 2.3.9 Wmo 2015 heeft de gemeente tot taak om periodiek na te gaan of het Pgb nog passend is en op de persoon is afgestemd. Voldoet de ondersteuning die de Pgb-houder inkoopt niet aan de kwaliteitseisen van artikel 2.3.6 lid 2 onderdeel c Wmo 2015 dan kan de gemeente maatregelen treffen en in het uiterste geval het Pgb intrekken. Het periodiek heronderzoek betreft een algemene onderzoeksbevoegdheid die onderscheiden moet worden van de bevoegdheid om toezicht te houden op de Wmo 2015.

4.10 Toezicht en handhaving Gemeenten moeten zelf voorzien in adequaat toezicht op de naleving van de gestelde kwaliteitseisen (hoofdstuk 6 van de Wmo). Hiertoe moet het college toezichthoudende ambtenaren aanwijzen. Deze toezichthouder heeft de toezichthoudende bevoegdheden uit hoofdstuk 5.2 Awb om onderzoek te doen naar de naleving van de Pgbvoorwaarden. Toezichthouder Kwaliteit Het college heeft de GGD aangewezen als toezichthouder kwaliteit. De GGD voert deze taak steekproefsgewijs uit. Het gaat om de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen, het vorderen van identificatie, inzage in documenten en toegang tot gegevens en het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen). Deze toezichtbevoegdheden bieden mogelijkheden die verder gaan dan de algemene onderzoeksbevoegdheden op basis van de Wmo 2015. De toezichthouder is bevoegd om te controleren of Pgb-houder de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking naleeft. Niet alleen de Pgb-houder, maar ook de aanbieder bij wie de Pgb-ondersteuning is ingekocht, is verplicht om aan het onderzoek van de toezichthouder mee te werken (ex hoofdstuk 5.2 Awb). Zo kan de toezichthouder ook bij de betreffende aanbieder inlichtingen vorderen, documenten opvragen en zaken onderzoeken.

20

Toezichthouder rechtmatigheid Het college heeft ambtenaren werkzaam bij de BAR-organisatie aangewezen als toezichthouder rechtmatigheid. Het gaat om de bevoegdheid om inlichtingen te vorderen, het vorderen van identificatie, inzage in documenten en toegang tot gegevens en het betreden van plaatsen (met uitzondering van woningen). Deze toezichtbevoegdheden bieden mogelijkheden die verder gaan dan de algemene onderzoeksbevoegdheden op basis van de Wmo 2015. De toezichthouder is bevoegd om te controleren of Pgb-houder de verplichtingen uit de toekenningsbeschikking naleeft. Niet alleen de Pgb-houder, maar ook de aanbieder bij wie de Pgb-ondersteuning is ingekocht, is verplicht om aan het onderzoek van de toezichthouder mee te werken (ex hoofdstuk 5.2 Awb). Zo kan de toezichthouder ook bij de betreffende aanbieder inlichtingen vorderen, documenten opvragen en zaken onderzoeken.

21

Hoofdstuk 5. Hulp bij het huishouden 5.1 Resultaatgebieden hulp bij het huishouden De te behalen doelen van hulp bij het huishouden zijn geformuleerd in resultaatgebieden. De resultaatgebieden zijn leidend voor de omvang van de ondersteuning die wordt geboden. De resultaatgebieden kunnen zowel worden behaald met inzet van een algemene voorziening als met een maatwerkvoorziening. De resultaatgebieden voor hulp bij het huishouden zijn de volgende. Een schoon en leefbaar huis. Het gaat hierbij om het stofzuigen van de woning, het soppen van badkamer, keuken, toilet, het dweilen van vloeren en het schoonhouden van de ruimten die onder de essentiële hygiëne vallen. Onder de ruimten die onder dit principe vallen zijn te rekenen: een woonkamer, de aanwezige gebruikte slaapkamers, de keuken en de sanitaire ruimten. Ook een balkon of eventuele berging die daadwerkelijk in gebruik is, zal meegenomen worden. Meer specifiek: die ruimten die voor dagelijks gebruik noodzakelijk zijn. Het gaat hierbij om het droog, nat, schoon en stofvrij maken en houden van de woning. Het reinigen van de ramen aan de buitenkant valt niet onder de ondersteuningsplicht, omdat daarvoor meestal een algemeen toegankelijke voorziening bestaat: de glazenwasser. Uitgangspunt is de omvang van een nieuwe woning binnen de sociale woningbouw.

Dit uitgangspunt is niet star: er zijn altijd mogelijkheden bij te stellen naar boven of naar beneden wanneer persoonskenmerken en behoeften het noodzakelijk maken hiervan af te wijken (maatwerk). Beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften Een boodschappenservice die leidt tot het te bereiken resultaat is voorliggend op een maatwerkvoorziening HH. Ook hoeven de boodschappen niet per se door de cliënt zelf met hulp te worden gedaan. Het gaat er om dat de boodschappen in huis komen. Voor het in huis halen van de boodschappen is in de gemeente zowel een boodschappenservice van de reguliere handel als een vrijwilligersdienst beschikbaar. Als de cliënt of diens vertegenwoordiger kan aantonen dat deze oplossingen niet adequaat zijn kan het doen van de boodschappen een onderdeel zijn van de maatwerkvoorziening HH, waarbij het uitgangspunt is: eenmaal in de week boodschappen doen. Ook het bereiden van maaltijden kan onder dit resultaat vallen. De cliënt moet over de verschillende maaltijden door de dag heen kunnen beschikken. Daarbij dient rekening te worden gehouden met medische geïndiceerde diëten. Een maaltijdvoorziening (een kant- en klaar maaltijd valt hier ook onder) is voorliggend op een maatwerkvoorziening. Om te bepalen of een maaltijdvoorziening adequaat is, zal ook gekeken moeten worden naar de gezinssamenstelling.

Beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding Hierbij wordt uiteraard gekeken of er wel sprake is van maatwerk. We spreken hier uitsluitend over normale kleding voor alledag. Daarbij is het uitgangspunt dat zo min mogelijk kleding gestreken hoeft te worden (Wat betreft het strijken van kleding worden er geen lakens, theedoeken, zakdoeken en ondergoed etc. gestreken). Wat betreft de kleding wordt uitgegaan van een eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van de keuze van kleding, die in principe niet hoeft te worden gestreken. Met het kopen van kleding kan hier rekening mee worden gehouden. Bij het wassen en drogen van kleding is het normaal gebruik te maken van de beschikbare - algemeen gebruikelijke - moderne hulpmiddelen, zoals een wasmachine en een droger. Voor begeleiding bij het kopen van kleding kunnen vrijwilligers ingeschakeld worden. Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren Het gaat hierbij om de dagelijkse zorg van kinderen die tot het gezin behoren als een ouder met beperkingen dat zelf niet kan. Het zal nooit gaan om volledige overname. In die situatie zullen andere oplossingen gezocht moeten worden. Eerst moet beoordeeld worden of er sprake is van andere oplossingen, bijvoorbeeld familie, sociale netwerk en alle vormen van opvang.

Voor hulp aan gezinnen door daartoe opgeleide vrijwilligers bestaat er de ‘Home start B.A.R.” voorziening. Voor- tussen- en naschoolse Voor- tussen- en naschoolse opvang, kinderopvang of andere opvangmogelijkheden die in de individuele situatie van de cliënt kunnen leiden tot een oplossing voor het probleem, maken het verstrekken van een maatwerkvoorziening HH onnodig. De Wmo heeft vooral een taak om tijdelijk in te

22

springen zodat de ruimte ontstaat om een al dan niet tijdelijke oplossing te zoeken. Dat wil zeggen: de acute problemen worden opgelost zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing.

5.2 Afwegingskader hulp bij het huishouden Het afwegingskader van hoofdstuk 3 is van toepassing. Dat betekent onder meer dat algemeen toegankelijke voorzieningen en algemene voorzieningen in beginsel voorrang hebben op maatwerkvoorzieningen. Voor wat betreft de resultaatgebieden ‘een schoon en leefbaar huis’ en ‘het beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding’ hebben we een algemene voorziening Schoonmaak, geboden door de gecontracteerde zorgaanbieders, welke voorliggend is op de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden. Pas als voor de resultaatgebieden ‘een schoon en leefbaar huis’ en ‘het beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding’ de algemene voorziening in een individueel geval niet voldoet aan deze criteria, komt cliënt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden.

5.3 De algemene voorziening schoonmaak (AVS) De inwoner, die vanwege beperkingen niet meer zelfredzaam is en een beroep doet op hulp bij het huishouden wordt als er geen sprake is van mogelijkheden als eigen kracht, gebruikelijke hulp, mantelzorg in eerste instantie toegeleid naar onze algemene voorziening schoonmaak. De inwoner kan dan tot 2,5 uur per week aan noodzakelijke ondersteuning krijgen vanuit deze algemene voorziening. Binnen deze voorziening wordt ondersteuning geboden voor de resultaatsgebieden: Een schoon en leefbaar huis; Het kunnen beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding. -

5.4 Maatwerkvoorziening Hulp bij het huishouden Is de AVS niet passend of adequaat, dan kennen we twee soorten maatwerkvoorzieningen hulp bij het huishouden. 1. De maatwerkvoorziening schoonmaak; deze kan net als de algemene voorziening schoonmaak twee resultaatgebieden omvatten, te weten:  Een schoon en leefbaar huis;  Het beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding. Deze maatwerkvoorziening wordt ingezet als de verwachting is dat de maximale 2,5 uur vanuit de AVS niet toereikend zal zijn. Soms is er noodzaak tot een flink hogere inzet dan gebruikelijk, denk aan: Bij CARA/COPD-klachten (altijd tijdelijk in afwachting van het saneren van de woning); Bij bestaande vervuilde situaties; Bij 100% rolstoelafhankelijke cliënten; - Bij cliënten die meer ‘vervuilen’ door trillen (zoals bij Parkinson); Bij cliënten met incontinentieklachten waar de gebruikelijke hulpmiddelen niet toereikend zijn. In dergelijke gevallen kun je indien goed gemotiveerd Persoonlijke Dienstverlening inzetten, zie 2. 2.

De persoonlijke dienstverlening; deze zwaardere ondersteuningsvorm kan alle vier in het beleid omschreven resultaatgebieden omvatten. Persoonlijke Dienstverlening is bedoeld voor uitzonderlijke individuele situaties die zo complex zijn dat het niet mogelijk is om dit met de algemene voorziening schoonmaak of de maatwerkvoorziening schoonmaak op te lossen. Persoonlijke dienstverlening kent naast de resultaatsgebieden onder 1 nog de volgende extra resultaatsgebieden:  Het beschikken over primaire levensbehoefte;  Het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren; Veelal zal deze maatwerkvoorziening worden ingezet, omdat er sprake is van regieverlies. Van deze ondersteuning wordt naast de praktische inzet een signalerende rol verwacht.

23

5.5 Bepaling omvang maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden Indien een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden noodzakelijk blijkt, wordt samen met de cliënt de ondersteuningsbehoefte per resultaatgebied in kaart gebracht en vastgelegd en de daarbij behorende maandelijkse gemiddelde ondersteuningsaanbod. De ondersteuningsbehoefte en maandelijks gemiddelde te ontvangen ondersteuning wordt vastgelegd in het ondersteuningsplan dat onderdeel is van de beschikking. In het ondersteuningsplan wordt vastgelegd welke activiteiten door cliënt zelf, door huisgenoten of het sociale netwerk worden uitgevoerd en welke activiteiten overgenomen moeten worden door de zorgaanbieder en frequentie hierbij benodigd is. Per activiteit gelden standaardfrequenties. De individuele situatie van de cliënt kan aanleiding geven tot gemotiveerde afwijking van de standaardfrequentie. Het ondersteuningsplan is onderdeel gemaakt van de toekenningsbeschikking.

5.6 Pgb hulp bij het huishouden Ook bij een Pgb blijft het resultaat leidend, waarbij de omvang van de indicatie voor de hulp bij het huishouden in uren wordt vastgesteld. Ook hier wordt onderzocht welke activiteiten zelfstandig of door huisgenoten in het kader van gebruikelijke hulp of via inzet van sociaal netwerk of andere algemene of wettelijke voorliggende voorzieningen kunnen worden overgenomen. De activiteiten die overblijven en waar ondersteuning vanuit de Wmo bij nodig is, worden vastgelegd in het gespreksverslag. Aan cliënt wordt vervolgens gevraagd een ondersteuningsplan/ budgetplan in te dienen. Hierin moet vastgelegd zijn hoe het benodigde resultaat bereikt wordt. De klantmanager beoordeelt of het ondersteuningsplan voldoet aan hetgeen in het gespreksverslag is vastgelegd en stelt de benodigde inzet op uren en minuten vast waarmee het resultaat bereikt zal worden.

5.7 Duur indicatie huishoudelijke hulp Wanneer de aandoening en de beperkingen in het huishouden naar de mening van de Wmo klantmanager onvoldoende duidelijk zijn moet beoordeeld worden of er nog behandelmogelijkheden zijn. Ook is van belang of de inzet van hulp bij het huishouden een anti revaliderend effect kan hebben. Hiervoor is een medisch advies nodig omdat een Wmo klantmanager geen medische gegevens mag opvragen en interpreteren. De medisch adviseur vraagt informatie van de behandelaar en beoordeelt een mogelijk anti revaliderend effect. Als het medisch advies luidt dat hulp bij het huishouden noodzakelijk is om deelname aan het behandeltraject mogelijk te maken kan in principe een tijdelijke indicatie met korte geldigheidsduur, afgeleid van de duur van het revalidatietraject, afgegeven worden. Voor zowel de toeleiding naar de algemene voorziening AVS of de maatwerk Schoonmaak en/of persoonlijke dienstverlening geldt dat de toeleiding en indicatie mag worden afgegeven voor onbepaalde tijd als er sprake is van een gezondheidssituatie waarbij geen verbetering meer wordt verwacht en er geen sprake is van te verwachten wijzigingen binnen de leefeenheid. Is dit wel het geval, dan hou je de periode aan dat je ofwel verbetering van de situatie verwacht of dat er een wijziging in het gezin plaatsvindt.

5.8 Hulp bij het huishouden in bijzondere situaties Tijdelijke opname in een ziekenhuis of instelling Is de cliënt tijdelijk opgenomen, dan wordt de huishoudelijke hulp tijdelijk stopgezet zodra de cliënt is opgenomen. Indien een achterblijvende huisgenoot ook is aangewezen op de huishoudelijke hulp wordt deze voor maximaal zes weken gecontinueerd, binnen welke termijn een melding van de achterblijvende huisgenoot in behandeling wordt genomen als de verwachting is dat de opname langer dan 6 weken zal gaan duren. Ook bij tijdelijk verblijf buiten de gemeente wordt de verstrekking tijdelijk stopgezet. De indicatie blijft wel van kracht. Huishoudelijke hulp bij CARA/COPD Eerst wordt beoordeeld of de algemene schoonmaakvoorziening een adequate oplossing biedt voor het probleem in het huishouden. Als dit niet zo is dan is de eerste vraag bij CARA/COPD: is de woning gesaneerd? Dit is een voorwaarde voor toekenning van een maatwerkvoorziening huishoudelijke hulp voor langere duur bij CARA/COPD. Is de woning

24

nog niet gesaneerd, dan wordt de maatwerkvoorziening toegekend tot het moment dat sanering heeft plaatsgevonden, waarna de behoefte aan huishoudelijke hulp opnieuw wordt onderzocht. Huishoudelijke hulp bij korte levensverwachting Als de cliënt een zeer korte levensverwachting heeft, kan afgeweken worden van de normering gebruikelijke hulp om de directe omgeving te ontlasten. Maatwerk vraagt in deze situatie speciale aandacht. Een eventuele indicatie wordt dan afgegeven voor de duur van de te verwachten levensverwachting. Huishoudelijke hulp na overlijden van cliënt met achterblijvende partner Als de cliënt op wiens naam de indicatie voor hulp bij het huishouden is afgegeven overlijdt en er is een achterblijvende partner, loopt de geldende indicatie nog maximaal zes weken door. Het zal dan gaan om een achterblijvende partner die voorheen niet in staat was tot gebruikelijke hulp en mede op basis daarvan de overleden cliënt hulp bij het huishouden heeft ontvangen. In die zes weken tijd kan de melding van de achterblijvende partner in behandeling genomen worden om te beoordelen wat de ondersteuningsvraag van hem/ haar is en volgt een indicatie op zijn/ haar naam. Ouderlijke zorgplicht bij echtscheiding Bij echtscheiding vervalt het samenwonen en daarmee dus ook de gebruikelijke hulp van een van de ouders in het huishouden. De zorgplicht voor de kinderen verdwijnt echter niet.

Bij uitval van de verzorgende ouder moet wel onderzoek gedaan worden naar de mogelijkheid van opvang van de kinderen door de niet thuiswonende ouder. Huishoudelijke hulp en een Wlz indicatie Alle huishoudelijke hulp voor personen met een Wlz indicatie wordt gefinancierd vanuit de Wlz. Soms is er naast de Wlz geïndiceerde thuiswonende nog een partner met forse beperkingen waardoor er een grotere ondersteuningsbehoefte is dan waar vanuit de Wlz in wordt voorzien. In specifieke gevallen is voor de partner van de Wlz geïndiceerde een aanvullende Wmo indicatie HH mogelijk. Huishoudelijke hulp in een GGZ instelling Alle huishoudelijke hulp voor personen die in een erkende GGZ instelling behandeld worden, wordt gefinancierd vanuit de Zvw.

25

Hoofdstuk 6. Begeleiding 6.1 Doelgroep begeleiding Begeleiding is in de Wmo 2015 gedefinieerd als 'activiteiten gericht op het bevorderen van Zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven. Het gaat dus om hulp in het dagelijks leven om zelfstandig te kunnen leven. Dit kan individuele hulp zijn of in een groep (dagbesteding). De doelgroep bestaat uit cliënten die door beperkingen op lichamelijk, psychiatrisch, psychogeriatrisch, verstandelijk en zintuiglijk gebied niet in staat zijn om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of zijn/ haar sociale netwerk voldoende zelfredzaam te zijn of te participeren in de maatschappij. Maatwerk Begeleiding is gericht op: het herstellen of gedeeltelijk overnemen van het beperkte of afwezige regelvermogen van de cliënt, zodat hij zoveel mogelijk regie over zijn eigen leven kan voeren en kan participeren in de samenleving.

6.2 Mate van beperkingen in zelfredzaamheid en participatie per resultaatsgebied We onderscheiden de mate van zelfredzaamheid per cliënt. Via het document “Gebruikershandleiding FAQT-V” van Factum advies kan een goed beeld verkregen worden van de problemen die de cliënt ervaart in zijn dagelijkse leven. Afhankelijk van de ondersteuningsbehoefte wordt een klasseindeling toegekend. Cliënten met een lichte ondersteuningsbehoefte vallen binnen klasse 0 tot en met 1, een gemiddelde ondersteuningsbehoefte valt in klasse 2 tot en met 4. Cliënten met een zware ondersteuningsbehoefte vallen binnen de klassen 5 tot en met 10. Hieronder wordt beschreven wat onder lichte, matige en zware hupbehoefte verstaan wordt: Lichte beperkingen houden in dat de cliënt lichte problemen heeft met de dagelijkse routine en met het uitvoeren van vooral complexere activiteiten. Met enige stimulans en/of toezicht is hij in staat zijn sociale leven zelfstandig vorm te geven, aankopen te doen en zijn geld te beheren. Wat betreft het aangaan en onderhouden van sociale relaties, op school, op het werk, met het sociale netwerk, is er met praten bij te sturen vanuit gezin, het sociale netwerk en/of school. De persoon met beperkingen kan zelf om hulp vragen en er is geen noodzaak tot het daadwerkelijk overnemen van taken.

Om die reden zijn voorliggende voorzieningen, zoals welzijnswerk, MEE, cliëntondersteuning, maatschappelijk werk, mantelzorgondersteuning, buurtwerk, inloophuizen in de wijk etc. meestal adequaat om deze personen een steuntje in de rug te geven waardoor zij zichzelf kunnen redden in de samenleving. Als er geen geschikte voorliggende voorziening is, kan dit reden zijn tot het toekennen van een maatwerkvoorziening. Matige beperkingen houden in dat het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme) voor de cliënt niet vanzelfsprekend zijn. Dit levert af en toe zodanige problemen op dat de cliënt afhankelijk is van hulp. De communicatie gaat niet altijd vanzelf doordat de cliënt soms niet goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf (soms) niet voldoende begrijpelijk kan maken. Het niet inzetten van BG kan leiden tot verwaarlozing/opname. Zware beperkingen houden in dat complexe taken voor de cliënt moeten worden overgenomen. Ook het uitvoeren van eenvoudige taken en communiceren gaan moeizaam. De cliënt kan niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen, hij kan steeds minder activiteiten zelfstandig uitvoeren. De zelfredzaamheid wordt problematisch. Voor de dag structuur en het voeren van de regie is de cliënt afhankelijk van de hulp van anderen.

6.3 Resultaatgebieden De ondersteunende activiteiten vallen binnen de volgende resultaatsgebieden: 1. Ondersteunen bij en opbouwen van een sociaal netwerk; 2. Ondersteunen van de thuisadministratie; 3. Ondersteuning bij dagbesteding/ arbeidsparticipatie; 4. Ondersteuning bij zelfzorg; 5. Persoonlijk functioneren; 6. Mantelzorgondersteuning.

26

Ad 1. Resultaatgebied: ondersteuning bij en het opbouwen van sociaal netwerk  Cliënt heeft een gezond sociaal netwerk en vervult daarbinnen een passende sociale rol  Cliënt is in staat een beroep te doen op personen in zijn/haar sociaal netwerk  Cliënt kan eigen problematiek in relatie tot het sociale netwerk hanteren  Bij bemoeizorg: Cliënt staat open voor opbouw van een sociaal netwerk Toelichting: Bij bemoeizorg en geïsoleerde cliënt zonder een sociaal netwerk is het resultaat ‘Cliënt heeft een gezond sociaal netwerk’ een brug te ver. Het gaat hier om het opbouwen van een sociaal netwerk met als achterliggende doelstelling Inwoners uit isolement of uit ‘verkeerde/foute sociale omgeving’ te halen. Bij bemoeizorg is op die wijze afname van overlast en hanteerbaar gedrag beoogd.

Ad 2: Resultaatgebied: Ondersteunen van de thuisadministratie  Overzicht van de administratie/administratie op orde  Tijdige betaling van rekeningen  Inkomsten en uitgaven in balans  Indien aanwezig beheersbaar maken van de schuldenproblematiek (en indien mogelijk in relatie tot de inkomsten: vermindering van de schuldenlast) Ad 3: Resultaatgebied: Ondersteuning bij arbeidsparticipatie/ dagbesteding  Cliënt heeft een zinvolle (verplichte) dagbesteding  Cliënt heeft onbetaald werk met ondersteuning  Cliënt heeft onbetaald werk zonder ondersteuning  Cliënt heeft betaald werk met ondersteuning  Cliënt heeft betaald werk zonder ondersteuning  Cliënt is niet overbelast Ad 4: Resultaatgebied: Ondersteuning bij zelfzorg  Cliënt is in staat zichzelf te verzorgen  Cliënt draagt schone kleding  Cliënt ziet er verzorgd uit  Cliënt komt afspraken met zorgprofessionals (zoals huisarts, tandarts, medisch specialist) na Ad 5. Persoonlijk functioneren  Cliënt brengt structuur aan en voert regie over de dagelijkse bezigheden, regelt zelf en neemt besluiten, plant en voert taken uit,  Cliënt accepteert zijn beperkingen en kan hiermee omgaan  Cliënt maakt gebruik van het eigen probleemoplossend vermogen  Bij bemoeizorg: Cliënt is trouw aan behandeling. Ad 6. Mantelzorgondersteuning  Mantelzorger is niet overbelast.

Aan de hand van de geïnventariseerde problematiek stelt de klantmanager samen met de cliënt de doelen per resultaatsgebied vast. Deze doelen worden zo concreet mogelijk verwerkt in het onderzoeksrapport, zodat de zorgaanbieder voldoende handvaten heeft om een zorgplan op te stellen. Wanneer er sprake is van Multi problematiek biedt dit een handvat om in overleg met de cliënt prioriteiten te stellen qua resultaten. Op deze wijze wordt de Gemeente in staat gesteld om het zorgplan te beoordelen en evaluatiemoment(en) met de cliënt en zorgaanbieder af te spreken, kortom regie te houden op de geboden ondersteuning.

27

6.4 Bepaling van omvang, frequentie en vorm van Begeleiding 6.4.1 Omvang en frequentie Nadat de problematiek is vastgesteld, moet de omvang van de indicatie duidelijk worden. De klantmanager gebruikt de richtlijn normering Begeleiding zoals opgenomen in bijlage 3. 6.4.2 Vormen van Begeleiding Om te bepalen of de cliënt is aangewezen op individuele begeleiding of dagbesteding groep of beide zijn een aantal elementen van belang: 1. Het resultaat c.q. de doelen die bereikt moeten worden 2. De persoonskenmerken en wensen van de cliënt 3. Welke vorm het meest doelmatig is 4. De mogelijkheden voor de cliënt in de toekomst. 5. De mate van beperkingen van de cliënt Of de cliënt is aangewezen op reguliere of gespecialiseerde begeleiding dan wel reguliere of gespecialiseerde dagbesteding wordt onder anderen bepaald door de mate van beperkingen van de cliënt (zie richtlijn normering begeleiding). Tevens dienen hierin meegewogen te worden: - Het ziekte-inzicht van de cliënt - Het wel of niet aanwezig zijn van een sociaal netwerk - De aanwezigheid van een mantelzorger die regie kan voeren Op basis van het zorgdoel kan ook een combinatie van Individuele begeleiding en Dagbesteding Groep voor de cliënt noodzakelijk zijn. Bij de indicatiestelling wordt er rekening mee gehouden dat deze vormen van zorg niet op hetzelfde moment van de dag kunnen plaatsvinden.

We kennen 4 vormen van begeleiding: 1. Reguliere Individuele begeleiding. Het gaat hierbij om begeleiding die in de thuissituatie wordt geboden, als de ondersteuningsbehoefte bijvoorbeeld bestaat uit een of meerdere keren per week ondersteuning bij het doornemen van de dag - of weekstructuur; organisatie en planning. Bezien kan worden of beeldschermcommunicatie een adequate vorm is. Begeleiding van de mantelzorger om de geleverde zorg adequaat te kunnen bieden, zoals bij de zorg om een thuiswonend verstandelijk gehandicapt kind. Ook als er medische contra-indicatie is voor dagbesteding Groep, zoals infectiegevaar of ernstige energetische beperkingen kunnen er activiteiten in de vorm van individuele begeleiding worden geïndiceerd. 2. Gespecialiseerde Individuele begeleiding Het gaat hierbij om begeleiding die in de thuissituatie wordt geboden, als de ondersteuningsbehoefte bijvoorbeeld bestaat uit een of meerdere keren per week ondersteuning bij het doornemen van de dag - of weekstructuur; organisatie en planning. Het gaat dan om cliënten met problematiek waarvoor specifieke deskundigheid nodig is. OF gespecialiseerde begeleiding nodig is wordt bepaald op basis van de richtlijn normering begeleiding. Voor cliënten met ernstige zintuiglijke beperkingen heeft het college de landelijke raamovereenkomst voor de grondslag zintuiglijke handicap aangenomen.

Deze specialistische individuele begeleiding wordt uitsluitend in natura verstrekt. Ook als er medische contra-indicatie zoals infectiegevaar of ernstige energetische beperkingen is voor Dagbesteding Groep, kunnen er activiteiten in de vorm van gespecialiseerde individuele begeleiding worden geïndiceerd. 3. Reguliere Dagbesteding Groep Hierbij gaat het met name om het bieden van dagstructuur en/of toezicht aan de cliënt aan de cliënt. Het zorgdoel is leidend voor de begeleiding en de omvang van de begeleiding die op de dagbesteding wordt geboden. De dagactiviteiten in groepsverband moeten programmatisch/ methodisch zijn. Ze zijn gericht op het structureren van de

28

dag, op praktische ondersteuning en op het oefenen van vaardigheden die de zelfredzaamheid bevorderen. Dagbesteding houdt een structurele tijdsbesteding in met een welomschreven doel waarbij de cliënt actief wordt betrokken en die hem zingeving verleent. 4. Gespecialiseerde Dagbesteding Groep Hierbij gaat het om het bieden van dagstructuur en/of toezicht aan de cliënt, waarvoor een specifieke deskundigheid is vereist. Ook hierbij is het zorgdoel leidend voor de begeleiding en de omvang van de gespecialiseerde begeleiding die op de dagbesteding wordt geboden. Deze vorm van begeleiding kan ingezet worden als de cliënt op in ieder geval drie leefgebieden van de ZRM 2017onder de 3 scoort. Voor cliënten met ernstige zintuiglijke beperkingen heeft het college de landelijke raamovereenkomst voor de grondslag zintuiglijke handicap aangenomen. Deze specialistische dagbesteding groep wordt uitsluitend in natura verstrekt. Landelijk zijn er door de VNG met 7 aanbieders raamcontracten afgesloten, waarin de prestatie en het tarief is bepaald. Onderdeel van de raamcontracten is een programma van eisen met een inhoudelijke beschrijving per aanbieder van de voorziening.

Alle raamovereenkomsten zijn te vinden op www.vng.nl/landelijkeinkoop  Vervoer van en naar dagbesteding Als de cliënt dagbesteding op een andere locatie dan zijn woonadres ontvangt of zal ontvangen moet beoordeeld worden of de cliënt in staat is op eigen kracht naar deze dagbesteding te gaan. Bijvoorbeeld met het openbaar vervoer, met de fiets, de bromfiets of scooter, met hulp van huisgenoten of het sociale netwerk. Als de cliënt in staat is om te leren met het openbaar vervoer te gaan, kan dit aanleren onder de noemer individuele begeleiding geboden worden voor een beperkte tijd. Wel wordt eerst onderzocht of personen uit het sociale netwerk de cliënt dit kunnen leren. Als er geen mogelijkheid is tot zelfredzaamheid in het vervoer naar de dagbesteding is vervoer een onderdeel zijn van de Wmo maatwerkvoorziening Dagbesteding Groep.  Persoonlijke verzorging Persoonlijke verzorging valt in principe onder de zorgverzekeringswet. Het criterium daarbij is de behoefte dan wel noodzaak aan geneeskundige zorg. Ondersteuning bij de persoonlijke zorg valt onder de Wmo als niet aan het genoemde criterium wordt voldaan. Bij twijfel zal overleg plaatsvinden met de wijkverpleegkundige. De wijkverpleegkundige kan een indicatie verzorgen voor persoonlijke verzorging via de zorgverzekering.

De ondersteuning bij persoonlijke zorg via de Wmo kan zowel onder reguliere individuele begeleiding vallen als onder gespecialiseerde individuele begeleiding.  Vervanging van school of werk of toeleiding naar school of werk Indien er een noodzaak is tot het bieden van een dagprogramma met als doel werk of school te vervangen of toe te leiden naar (zoals een stage) kan er sprake zijn van situaties die tussen de participatiewet en de Wmo in vallen. Het gaat dan om de cliënten voor wie school of werk in de brede zin van het woord niet mogelijk is. De klantmanager Wmo zal in dit soort situatie in overleg gaan met de klantmanager participatie. Als de cliënt op grond van de Participatiewet kan deelnemen aan werk, vrijwilligerswerk en/ of participatietrajecten en zo kan deelnemen aan de samenleving gaat dit voor op een Wmo maatwerkvoorziening. Is deelnemen aan de maatschappij op grond van de Participatiewet niet mogelijk dan kan vanuit de Wmo een aantal dagdelen dagbesteding geïndiceerd worden. De behoeften en kenmerken van de cliënt en de mogelijkheden van het sociale netwerk om dagdelen op te vangen zijn leidend voor de omvang van de dagbesteding. Als er geen andere mogelijkheden zijn is het maximum 9 dagdelen.

 Dagbesteding voor ouderen Dagbesteding voor ouderen wordt vaak aangevraagd vanuit eenzaamheid, vanuit ontlasten van een mantelzorger of een beginfase van dementie en een gebrek aan mobiliteit. Belangrijk is om goed te kijken naar de mogelijkheden om met voorliggende voorzieningen en mogelijkheden in de wijk de genoemde problematiek op te lossen. Denk hierbij aan activiteiten op wijkniveau, buurthuiswerk, inloopcentra etc. Als dit geen oplossing kan bieden is Dagbesteding Groep mogelijk.

29

6.5 Inhoud begeleidingsactiviteiten Zorgaanbieder maakt op basis daarvan een zorgplan waarin de genoemde doelen omgezet worden in een concreet plan van aanpak welke aan de klantmanager binnen 6 weken voorgelegd wordt. Binnen 3 tot 6 maanden na aanvang van de ondersteuning vindt een evaluatie plaats. Er wordt contact opgenomen met zowel de klant als de zorgaanbieder om te beoordelen of de geboden ondersteuning naar tevredenheid geboden wordt. Tevens wordt beoordeeld of de door de gemeente gestelde resultaten met het zorgplan worden bereikt. Indien nodig vindt hier bijstelling plaats. Natuurlijk kan de zorgaanbieder al voor deze evaluatie aan de bel trekken bij de gemeente als bijstelling van de ondersteuning en indicatie nodig is.

6.6 Pgb voor begeleiding PGB voor begeleiding kan verstrekt worden in 2 vormen: 1. Pgb professioneel Deze vorm van PGB kan worden afgegeven aan cliënten die hun zorg inkopen bij een professionele zorgaanbieder. Een professionele zorgaanbieder voldoet aan de volgende criteria: 1. Er is sprake van inschrijving bij de kamer van koophandel als een bedrijf wat begeleiding professioneel aan biedt. 2. De begeleider kan diploma’s overleggen waaruit blijkt dat hij of zij gekwalificeerd is om de begeleiding professioneel te kunnen geven. 3. De zorgaanbieder heeft meerdere klanten. 4. Begeleider geen onderdeel is van het gezin en/of leefeenheid van cliënt. Dit staat een professionele benadering in de weg. 2. Pgb informeel Deze vorm van PGB kan worden afgegeven aan cliënten die hun begeleiding inkopen bij iemand uit het sociaal netwerk of iemand die niet voldoet aan bovenstaande criteria voor een Pgb professional. Zowel voor een Pgb professional als voor een Pgb informeel dient de cliënt een budgetplan aan te leveren. In dit budgetplan moet in ieder geval het volgende omschreven worden: 1. Wie de budgethouder is (het kan de cliënt of een vertegenwoordiger zijn, de begeleider of de zorgaanbieder mag de cliënt niet vertegenwoordigen als budgethouder). 2. Wie de zorgaanbieder of begeleider is 3. Waarom gekozen wordt voor een Pgb en niet voor zorg in natura 4.

Welke activiteiten in welke frequentie uitgevoerd gaan worden met welke doelen De Pgb budgethouder moet vaardig genoeg zijn om deze taken te kunnen uitvoeren. De taken zijn:  Het opstellen van een plan over hoe u uw Pgb wil gaan besteden (budgetplan)  Kunnen motiveren waarom u een persoonsgebonden budget wil  Werkgever kunnen zijn  In staat zijn het Pgb te beheren, met taken zoals afsluiten zorgovereenkomst, indienen facturen en doorgeven van wijzigingen.  Erop toezien dat er actief gewerkt wordt aan het te behalen resultaat wat staat in het ondersteuningsplan Hiermee kan door de klantmanager beoordeeld worden of de in te zetten ondersteuning voldoet aan de gestelde doelen. Het budgetplan maakt onderdeel uit van het onderzoek van de gemeente om te beslissen of de budgethouder in aanmerking komt voor een persoonsgebonden budget.

De opvanglocatie waar cliënt zorg ontvangt mag nooit de bestemming van woonhuis hebben. Indien dit het geval is moet aanvraag van PGB worden afgewezen.

30

Hoofdstuk 7. Respijtzorg 7.1 wat is Respijtzorg De mantelzorg van de cliënt wordt meegenomen bij het onderzoek Mantelzorg is niet verplicht en als de mantelzorger aangeeft niet meer in staat te zijn om (tijdelijk) de ondersteuning en /of hulp te verlenen wordt beoordeeld vervangede mantelzorg beschikbaar is, respijtzorg uitkomst biedt of dat de geïndiceerde maatwerkvoorziening aangepast moet worden. Het is van groot belang dat mantelzorgers kunnen rekenen op de gemeente als zij overbelast (dreigen te) raken en waar nodig gebruik kunnen maken van respijtzorg. Het steunpunt mantelzorg en het sociale wijkteam en hebben hierin een belangrijke rol. Zij kunnen actief op zoek gaan naar vervangende mantelzorgers in de wijk en samen met het bestaande netwerk rond de cliënt bespreken wat zij nodig hebben om de mantelzorg te kunnen (blijven) bieden. Naast de optie van vervangende mantelzorg beoordeeld de klantmanager of voorliggende wettelijke voorzieningen van toepassing zijn. Bij respijtzorg in de zin van de Wmo staat het voorkomen van de overbelasting van de mantelzorger voorop. Voor het inzetten van respijtzorg vanuit de Wmo is een verkorte procedure van toepassing. Vervangende mantelzorg vanuit het sociaal netwerk Als vervangende mantelzorg geleverd kan worden door het sociale netwerk of vrijwilligers is er geen noodzaak respijtzorg vanuit de Wmo te verstrekken.

Afbakening met Wlz Als cliënt beschikt over een Wlz-indicatie, kan respijtzorg vanuit de Wlz geboden worden. Als de cliënt niet beschikt over een Wlz indicatie maar er is sprake van 24 uurszorg die grotendeels ingevuld wordt door de mantelzorger dan valt respijtzorg onder de Wlz. De cliënt kan dan een aanvraag doen bij het CIZ. Afbakening Zvw In veel polissen van de aanvullende zorgverzekering is opgenomen dat er vergoeding bestaat voor respijtzorg. Het gaat dan bijvoorbeeld om de tijdelijke respijtzorg in de vorm van een vergoeding voor tijdelijke hulp bij het huishouden of logeren. Dit zijn vergoedingen die onder de aanvullende verzekering vallen en daarmee niet afdwingbaar zijn. De klantmanager Wmo onderzoekt deze voorliggende oplossing. Ook kennen de zorgverzekeraars het product: Vervangende mantelzorg. Via de aanvullende verzekering kan de cliënt bij de zorgverzekering een aanvraag doen voor vervangende mantelzorg, die wordt geleverd door de Stichting Mantelzorgvervanging Nederland Handen-in-Huis. De klantmanager moet onderzoeken of dit voldoende is. Cliënten die deelnemen aan de Collectieve Ziektekostenverzekering Minima zijn aanvullend verzekerd met als dekking Extra Uitgebreid.

7.2. Vormen van respijtzorg binnen de Wmo Tijdelijke respijtzorg De oorzaak van (tijdelijke) uitval van de mantelzorger kan voorzienbaar of onvoorzienbaar zijn. In beide gevallen is tijdelijke vervanging van de mantelzorger, een oplossing vanuit de Wlz of Zvw of respijtzorg nodig. Zodra de mantelzorger weer beschikbaar en in staat is, neemt hij/ zij de ondersteuning weer op zich. Bij voorzienbaar gaat het om tijdelijke afwezigheid van de mantelzorger door bijvoorbeeld een geplande ziekenhuisopname. Het kan ook zijn dat de mantelzorger op vakantie gaat of gewoon even “op adem” wil of moet komen én:  Er zijn geen mogelijkheden binnen familie en sociaal netwerk om de ondersteuning tijdelijk (gedeeltelijk) over te nemen, én;  De cliënt heeft geen indicatie voor de Wlz of een aanvullende ziektekostenverzekering die een oplossing bieden. Bij onvoorzienbaar gaat het om onverwachte situaties. In deze situatie kan de spoedprocedure van toepassing zijn.

31

Bijvoorbeeld de mantelzorger wordt ziek, moet plotseling in het ziekenhuis opgenomen worden of het geheel wordt ineens allemaal teveel én:  Er zijn geen mogelijkheden binnen familie en sociaal netwerk om de ondersteuning direct (gedeeltelijk) over te nemen én;  De cliënt heeft geen indicatie voor de Wlz of een aanvullende ziektekostenverzekering die een oplossing bieden. Als beoordeeld is dat oplossingen vanuit de Wlz of Zorgverzekering niet mogelijk is en het sociale netwerk niet kan leveren, dan kan Tijdelijke Respijtzorg vanuit de Wmo voor maximaal vier weken als maatwerkvoorziening allen in natura worden verstrekt. Over de tijdelijke respijtzorg voor hulp bij het huishouden is geen eigen bijdrage verschuldigd. De tijdelijke respijtzorg kan worden ingezet in de vorm van: a) De algemene voorziening schoonmaakondersteuning (maximaal 4 weken 2 ½ uur per week). Wanneer achteraf blijkt dat de periode van 4 weken niet voldoende was, dan start de reguliere melding Wmo met een volledig onderzoek. b) Dagbesteding (maximaal 4 weken per kalenderjaar) (nooit tegelijkertijd met Kortdurend verblijf) c) Kortdurend verblijf (maximaal 4 weken per kalenderjaar) (nooit tegelijkertijd met Dagbesteding) Langdurige respijtzorg Is respijtzorg langduriger van vier weken nodig? Dan wordt de aanvraag behandeld als een melding en vindt eerst een volledig onderzoek plaats.

Langdurige Respijtzorg kan ingezet worden wanneer de mantelzorger niet de volledige hulp of zorg kan leveren maar dit wel kan en wil volhouden als een deel of delen worden overgenomen. Denk bijvoorbeeld aan ouders op leeftijd die de volledige zorg voor een kind met een verstandelijke beperking thuis voor hun rekening nemen. De ouders kunnen aangeven dat zij het volhouden wanneer de zorg deels wordt overgenomen. Dan is een indicatie mogelijk voor: a) Dagbesteding vanuit de maatwerk Begeleiding, zie Hoofdstuk 6.4 van deze Beleidsregels. b) Maatwerk Verblijf Kortdurend, zie hiervoor Hoofdstuk 7.3 c) Huishoudelijke ondersteuning, zie hiervoor Hoofdstuk 5. Wanneer het netwerk niet in staat is het vervoer van en naar het logeeradres of dagbestedingslocatie op zich te nemen, is dit vervoer onderdeel van de Wmo maatwerkvoorziening Dagbesteding of Verblijf Kortdurend.

7.3 Verblijf Kortdurend Verblijf kortdurend kan worden ingezet ter ontlasting van de mantelzorger. Verblijf kortdurend in de Wmo is maximaal vier weken per jaar mogelijk als maatwerkvoorziening en wordt alleen in natura verstrekt. Om in aanmerking te komen voor Verblijf Kortdurend moet worden voldaan aan alle hieronder genoemde voorwaarden: a) De cliënt heeft een somatische, psychogeriatrische, psychische, verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke b) Aandoening of handicap; c) De cliënt maakt geen of kan geen gebruik maken van een indicatie op grond van de Wlz of de Zvw; d) ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de cliënt levert is noodzakelijk

32

Hoofdstuk 8. Woonvoorzieningen 8.1 Woningaanpassing Een woningaanpassing vindt enkel plaats in de woning waar cliënt zijn hoofdverblijf heeft. Uitzondering hierop vormt de aanpassing in verband met het bezoekbaar maken van een woning. Is sprake van hoofdverblijf in een woning die niet voor permanente bewoning is bestemd, dan vindt er in beginsel geen woningaanpassing plaats. Bij twijfel of een woning voor permanente bewoning bestemd is kan het bestemmingsplan worden geraadpleegd. Een woningaanpassing heeft als doel normaal gebruik van de woning mogelijk te maken. Onder normaal gebruik wordt verstaan dat de elementaire woonfuncties mogelijk moeten zijn, zoals slapen, lichaamsreiniging, toiletgang, het bereiden en consumeren van voedsel en het kunnen verplaatsen in de primaire leefruimtes in de woning. Voor kinderen komt daarbij het veilig kunnen spelen in de woning. Er worden geen hobby- of studeerruimtes aangepast of bereikbaar gemaakt, omdat het hier geen elementaire woonfuncties betreft. Cliënt heeft bij woonvoorzieningen de keuze tussen een voorziening in natura en een PGB. Bij een maatwerkvoorziening in natura draagt de gemeente zorg voor realisering van de woonvoorziening of de levering van woonhulpmiddelen. Kiest cliënt voor een persoonsgebonden budget, dan is cliënt verantwoordelijk voor realisering van de woonvoorziening.

De cliënt is verantwoordelijk voor het aanvragen van minimaal twee offertes voor het aanpassen van de woning/aanbrengen van de gewenste voorziening. Het persoonsgebonden budget voor een woonvoorziening wordt vastgesteld als de tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in de door het college geaccepteerde offerte. De uitkering wordt, indien noodzakelijk, verhoogd met de meerkosten voor onderhoud, keuring en reparatie voor zover de voorziening geen vast onderdeel vormt van de woning. Deze meerkosten worden gedurende de geldigheidsduur van de PGB eenmaal per kalenderjaar declarabel gesteld.

8.2 Primaat verhuizen Het primaat van verhuizen betekent dat het verstrekken van een voorziening voor verhuizing en inrichting voorrang heeft op andere woonvoorzieningen, wanneer verhuizen goedkoper is dan het aanpassen van de woning en dit ook een compenserende oplossing is. Het primaat van verhuizen is een uitwerking van het principe van de goedkoopst compenserende oplossing. Een voorziening voor verhuizing en inrichting is vaak een verhuiskostenvergoeding. De achterliggende gedachte bij het primaat van verhuizing is dat er zo efficiënt mogelijk met de beschikbare middelen en de woningvoorraad wordt omgegaan. Belangrijk bij het begrip goedkoopst compenserend in deze is dat eerst gekeken moet worden naar wat adequaat is en dan pas naar de kosten ervan. Dus in het kader van het primaat verhuizen is de eerste vraag: welke oplossingen zijn adequaat? Is verhuizen een van deze oplossingen dan kan het primaat toegepast worden. Belangenafweging Het college moet bij het beoordelen of verhuizen adequaat is gedegen onderzoek doen naar de individuele omstandigheden van de cliënt. Dus bij iedere casus moet het college de belangen afwegen en beoordelen of het primaat van verhuizen een compenserende voorziening is. Als dat niet het geval is, moet het college afwijken van het verhuisprimaat en een andere compenserende woonvoorziening verstrekken.

Bij die belangenafweging tussen verhuizen of het aanpassen van de huidige woning, kunnen de volgende factoren een rol spelen: 1. De aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen 2. Kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen 3. Volkshuisvestelijke factor kan een rol spelen 4. Woning moet binnen medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn 5. Sociale omstandigheden 6. Afstemming met andere voorzieningen 7. Werksituatie 8. Verandering in woonlasten 9. Wooncomfort

33

10. Is de cliënt huurder of eigenaar van de woning? 11. De wil van de cliënt om te verhuizen Uitwerking belangenafweging 1. De aanwezigheid van aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen Indien er aangepaste of eenvoudig aan te passen woningen aanwezig zijn waarin geen persoon met een beperking of probleem woont, zijn er twee situaties denkbaar:  De woning staat leeg, of  De woning wordt nog bewoond (bijvoorbeeld door achterblijvende gezinsleden). Lege woning zorgt niet voor kosten vrijmaken Als de woning leeg staat, kan de cliënt waarschijnlijk op korte termijn daarnaartoe verhuizen en wordt de gemeente niet geconfronteerd met kosten voor het vrijmaken van de woning. Bewoonde woning kan zorgen voor extra kosten Als de woning door personen zonder een beperking of probleem wordt bewoond (bijvoorbeeld achterblijvende gezinsleden), moet het college er rekening mee houden dat het vrijmaken van de woning extra kosten met zich mee kan brengen. Hier kan eventueel een verhuiskostenvergoeding voor de vertrekkende partij voor worden benut. 2.

Kostenvergelijking tussen aanpassen en verhuizen De kostenvergelijking tussen het aanpassen van de te verlaten woning en het verhuizen naar een nieuwe woning speelt een rol bij het bepalen van wat de goedkoopst compenserende oplossing is. Hierbij hanteren we een grensbedrag van €5.000. Bij het maken van een kostenvergelijking moeten wel alle kosten worden betrokken. Dat houdt in dat het college de aanpassingskosten van de huidige woning moet afzetten tegen:  De voorziening voor verhuizing en inrichting voor de cliënt;  Het eventueel aanpassen van de nieuwe woning; en  Het eventueel vrijmaken van de woning. Als een 'nieuwe' aangepaste woning leeg staat, moet het college om een totale kostenvergelijking te kunnen maken ook rekening houden met een eventuele “voorziening voor huurderving”. Dit is alleen van belang als zowel het aanpassen van de woning als het verhuizen naar een andere woning adequate oplossingen zijn. 3.

Volkshuisvestelijke factor kan een rol spelen Niet alleen de kosten spelen een rol bij de uiteindelijke keuze van een voorziening. Ook belangen op het gebied van huisvesting kunnen een rol spelen. Als een aangepaste woning beschikbaar is, kan het ondoelmatig zijn om ook een andere woning aan te passen. Niet alle aangepaste woningen zullen namelijk even goed verhuurbaar zijn. Als een geschikte kandidaat voor die woning gevonden wordt, kan verhuizen de voorkeur hebben, ook al leidt dit niet direct tot lagere kosten.

4.

Woning moet binnen medisch aanvaardbare termijn beschikbaar zijn Een belangrijk aspect bij het wel of niet toepassen van het verhuisprimaat is de termijn waarbinnen de verhuizing kan plaatsvinden en de vraag of welke termijn medisch aanvaardbaar is. Indien binnen de medisch aanvaardbare termijn geen woning beschikbaar is, kan niet worden gezegd dat verhuizen een adequate oplossing is.

5.

Sociale omstandigheden Sociale omstandigheden van de cliënt spelen een rol bij de afweging tussen wel of niet verhuizen. De sociale omstandigheden worden door de klantmanager in kaart gebracht en door de cliënt aantoonbaar gemaakt. Daarbij valt te denken aan:  De binding die de cliënt heeft met de buurt en de praktische effecten die dat heeft op de zorg van de cliënt (sociaal netwerk dat erg buurtgericht is en veel doet voor de cliënt);  De aanwezigheid van familie en/of vrienden die cliënt ondersteunen en niet bereid zijn om wat verder te reizen;  De mantelzorg die door verhuizing zou wegvallen;

34

 

6.

7.

De gezondheidssituatie van de partner die beïnvloed wordt door verhuizen; de aanwezigheid en afstand tot verschillende voorzieningen (winkels, ziekenhuis, et cetera) indien deze door de cliënt gebruikt worden en verhuizen daar een nadelig effect op heeft.

Afstemming met andere voorzieningen Voor het maken van de keuze is afstemming met overige voorzieningen van belang. Met name afstemming met eventuele vervoersvoorzieningen kan van groot belang zijn. Criteria die hierbij een rol spelen zijn de afstand tot openbaar vervoerhaltes en de aanwezigheid van voorzieningen als winkelcentra, ziekenhuizen, et cetera. Als een woning dicht bij dergelijke voorzieningen ligt en geen woningen beschikbaar zijn of worden die eenzelfde verhouding hebben met andere voorzieningen, kan het college tot de conclusie komen dat het adequater is om de huidige woning aan te passen dan de cliënt te laten verhuizen. De bereikbaarheid van voorzieningen blijft daardoor beter en op het gebied van vervoersvoorzieningen behoeven wellicht minder aanvullende maatregelen te worden genomen. Een belangrijk rol in deze keuze betreft de mogelijkheid van de cliënt om zich te kunnen verplaatsen. Werksituatie Ook de werksituatie van de cliënt kan van invloed zijn op de beslissing om al dan niet te verhuizen. Als de cliënt door de verhuizing dichter bij zijn werk kan komen te wonen, verdient verhuizing vanuit medisch opzicht wellicht de voorkeur. Dat houdt echter niet in dat verhuizen om dichterbij het werk te wonen op zichzelf een reden is om een verhuiskostenvergoeding te verstrekken.

Ook hierbij heeft het feit of de cliënt wel of niet beperkt is in verplaatsen en vervoer een belangrijke rol in de keuze.

8.

Verandering in woonlasten Het college zal bij de afweging tussen het aanpassen van de huidige woning en verhuizen naar een andere woning rekening houden met de woonlastenconsequenties van deze opties. Daarbij wordt een vergelijking gemaakt tussen de woonlasten bij het blijven wonen in de huidige woning en het verhuizen naar een andere woning. Van belang is dat de financiële gevolgen van een verhuizing binnen redelijke en aanvaardbare grenzen vallen.

9.

Wooncomfort Bij de afweging of het primaat van verhuizing kan worden toegepast, wordt door het college ook rekening houden met het wooncomfort. Daarbij wordt uitgegaan van veranderingen die voor de medemens zonder beperkingen ook van toepassing is. Denk bijvoorbeeld aan dat voor veel ouderen het normaal is om op een gegeven moment van een eengezinswoning of een vrijstaande woning naar een seniorenflat te verhuizen. Dat betekent dat er sprake is van een acceptabele vorm van inleveren van wooncomfort.

10. Is de cliënt huurder of eigenaar van de woning? Indien de cliënt eigenaar van de woning is, zal een verhuizing of aanpassing van de woning andere gevolgen met zich meebrengen dan wanneer de cliënt de woning huurt. Het verhuizen vanuit een koopwoning kan meer consequenties hebben dan verhuizen vanuit een huurwoning, met name in financiële zin. Zo is vaak sprake van een hypotheek op het huis en ontbreekt bij een eigen woning de mogelijkheid van huurtoeslag. 11. De wil van de cliënt om te verhuizen Het ligt voor de hand dat mensen die een beperking krijgen in de meeste gevallen moeite zullen hebben om te accepteren dat zij bepaalde dingen niet meer zelfstandig kunnen doen. Als daarbij ook de woonsituatie ingrijpend verandert, kan dat op extra bezwaren stuiten om mee te willen werken aan een verhuizing. Ondanks dat een verhuizing uiteindelijk een hele goede oplossing kan zijn, is de cliënt het hier in eerste instantie vaak niet mee eens. Het college kan op grond van de belangenafweging tot de conclusie komen dat verhuizen de meest compenserende oplossing is en om deze reden het aanpassen van de huidige woning niet vergoeden.

35

8.3 Voorziening voor verhuizing Als toepassing wordt gegeven aan het primaat van verhuizing, dan wordt aan cliënt een verhuiskostenvergoeding toegekend, waarvan de hoogte is bepaald in het Besluit maatschappelijke ondersteuning. Het recht op deze voorziening vervalt na 24 maanden.

8.4 Pgb voor woningaanpassingen en hulpmiddelen De door de cliënt gekozen leverancier moet bereid zijn om aanpassingen en hulpmiddelen die onderhoud vereisen gedurende zeven jaar te onderhouden, te repareren en te verzekeren. In de offerte van de leverancier moet dit ook tot uitdrukking komen. Bij het bepalen van het Pgb bedrag worden immers de offertes opgevraagd inclusief deze meerkosten. Hiervoor moet tussen de cliënt en de leverancier een contract worden afgesloten. Dit bedrag is een maal per kalenderjaar declarabel. Het contract wordt bij aanschaf van de voorziening afgesloten voor de geldigheidsduur van het toegekende PGB. Het onderhoudscontract voor een voorziening omvat de volgende voorzienbare kosten (niet limitatief): 1 Reparaties inclusief onderdelen. 2 Voorrijdkosten en arbeidsloon. 3 24-uurservice. 4 Gelijkwaardige leenvoorziening indien de voorziening niet binnen een redelijke termijn gerepareerd kan worden. 5 Jaarlijks onderhoud met keuring (alleen bij trapliften en tilliften). 6 De voorziening heeft een technische afschrijving. Bij gelijkblijvende beperkingen verstrekt de gemeente binnen deze termijn niet opnieuw een overeenkomstige voorziening. Deze meerkosten worden gedurende de geldigheidsduur van de PGB eenmaal per kalenderjaar declarabel gesteld.

Procedure: cliënt betaalt eerst zelf Na aanschaf van de voorziening moet de cliënt de nota en het betalingsbewijs overleggen. 1 Aan de hand van de nota en eventueel een huisbezoek wordt gecontroleerd of de aangeschafte voorziening conform het opgestelde programma van eisen is en het te bereiken doel daarmee gehaald kan worden. Is dit niet het geval, dan wordt het Pgb niet uitbetaald. 2 Bij akkoord van de nota en het betalingsbewijs wordt het Pgb rechtstreeks naar de bankrekening van de cliënt of diens wettelijk vertegenwoordiger overgemaakt. Procedure: gemeente betaalt leverancier of aannemer als de cliënt het bedrag niet kan voorschieten De cliënt moet de offerte van de aan te schaffen voorziening overleggen. 1 Aan de hand van de offerte en eventueel een huisbezoek wordt gecontroleerd of de geoffreerde voorziening conform het opgestelde programma van eisen is en het te bereiken doel daarmee gehaald kan worden. Is dit niet het geval, dan wordt het Pgb niet uitbetaald. Zo nodig moet de cliënt een nieuwe offerte opvragen die wel aan de vereisten voldoet. 2 Na levering van de voorziening of gereed-melding van de woningaanpassing moet de cliënt de nota overleggen. 3 Bij akkoord van de nota wordt het Pgb rechtstreeks naar de bankrekening van de leverancier of aannemer overgemaakt.

Bepaling van de kosten In het geval van een verstrekking in natura sluit de gemeente bij woningaanpassingen die periodiek onderhoud nodig hebben, zoals trapliften, onderhouds- en reparatiecontracten af. Als de voorzieningen die in bruikleen zijn verstrekt niet meer nodig zijn, worden deze weer verwijderd en zo mogelijk herverstrekt. Verwijdering van voorzieningen die in eigendom zijn vertrekt komen voor rekening van de eigenaar. Bij de aanpassing sluiten we aan bij de eisen uit het Bouwbesluit.

8.5 Pgb voor woningaanpassingen Om een Pgb te ontvangen voor een woningaanpassing moet de cliënt 1 of meerdere offertes opvragen. Daarbij wordt het volgende gehanteerd: Tot € 3000,- cliënt levert 1 offerte aan

36

Boven de € 3000,- cliënt levert 2 offertes aan Bij het uitbrengen van de offerten moet in ieder geval:  Uitgegaan worden van een sobere en doelmatige uitvoering op het niveau van sociale woningbouw;  De offerte alleen bestaan uit de te treffen aanpassingen zoals concreet zijn genoemd in het programma van eisen dat is opgesteld door de WMO-klantmanager of een door de gemeente aangewezen externe adviesinstantie;  De ramingen zijn opgesteld door een (bouwkundig) deskundige;  De onderdelen worden gespecificeerd (incl. merk en type). Dit betekent dat hoeveelheden, eenheidsprijzen, materiaalkosten en arbeidsloon moeten zijn aangegeven;  Het bedrag van de btw en eventuele administratie- en toezicht kosten, alsook renteverliezen apart worden vermeld;  Een kopie van eventueel door gespecialiseerde bedrijven uitgebrachte offertes waarnaar in de totale offerte wordt verwezen, worden bijgevoegd. Ter beoordeling van de ingediende offertes vraagt de klantmanager ook een of meerdere offerte aan, dit om te bepalen of de ingediende offertes goedkoopst adequaat zijn. Om te bewerkstelligen dat de woningaanpassing wordt uitgevoerd conform het programma van eisen en dat daarmee een adequate aanpassing wordt verstrekt, is een aantal voorwaarden gesteld om het toegekende Pgb ook daadwerkelijk uit te betalen.

De voorwaarden moeten ook in de beschikking aan de persoon met beperkingen en eventueel aan de woningeigenaar (als deze niet de persoon met beperkingen is) worden bekend gemaakt. Het zijn immers de voorwaarden waaraan het besluit is gebonden. De volgende voorwaarden zijn van toepassing:  Er mag niet reeds voorafgaand aan de beschikking een begin worden gemaakt met de uitvoering van de werkzaamheden waarop het Pgb betrekking heeft, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de gemeente;  Aan een door de gemeente aangewezen persoon wordt door de eigenaar of huurder toegang verstrekt tot de woonruimte waar de woningaanpassing wordt aangebracht;  De door de gemeente aangewezen personen wordt inzicht geboden in bescheiden en tekeningen, welke betrekking hebben op de woningaanpassing;  Direct na voltooiing van de werkzaamheden verklaart de gerechtigde van de vergoeding aan het college dat de bedoelde werkzaamheden zijn voltooid conform het programma van eisen;  De gereed-melding is tevens een verzoek om vaststelling van het Pgb;  De gereed-melding gaat vergezeld van een verklaring dat bij het treffen van de voorziening is voldaan aan de voorwaarden waaronder het Pgb is verleend alle rekeningen en betalingsbewijzen worden bijgevoegd;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raad.ridderkerk.nl/api/v1/meetings/763/documents/28734