Opleggerfactsheet-RES-procesparticipatie-en-financiële-participatie
Tekst van het document
25 HR 26-1-1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965 (Windmill). 26 HR 8-7-1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0315 (Kunst- en Antiekstudio Lelystad), HR 24-12-2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3642 (Chidda). 27 De doorkruisingsleer biedt echter ook ruimte voor een andere redenering. 28 P.J.J. van Buuren, A.G.A. Nijmeijer, J. Robbe, Hoofdlijnen ruimtelijk bestuursrecht (tiende druk), Deventer: Wolters Kluwer 2017, par. 9.3. Zie ook uitgebreid https://vng.nl/publicaties/ de-doorkruisingsleer-in-perspectief. 29 In de praktijk wordt dit ook wel een ‘anterieure overeenkomst’ genoemd. In de juridische literatuur en rechtspraak wordt het begrip ‘bevoegdhedenovereenkomst’ gebruikt. 30 HR 3-4-1998, ECLI:NL:PHR:1998:AN5655 (Alkemade/Hornkamp). 31 HR 24-03-2017, ECLI:NL:HR:2017:483 (Bouwers/Bladel).
14
|
2.4 Besluitvorming
Het onderwerp financiële participatie van de omgeving in projecten voor hernieuwbare energie bij ruimtelijke besluiten op gemeentelijk niveau kan ook onderdeel zijn van een provinciale verordening. De bevoegdheid om eisen te stellen aan (de kwaliteit) van gemeentelijke ruimtelijke besluiten geldt ook hier alleen als ‘een goede ruimtelijke ordening’ (art. 4.1 Wro)34 in het geding is. Dat betekent dat er geen bevoegdheid bestaat om met toepassing van de verordening een juridisch afdwingbare resultaatsverplichting op te nemen over financiële participatie van de omgeving in een energieproject.
2.5 Financiële bijdrage aan een ruimtelijke ontwikkeling (art. 6.24 lid 1 onder a Wro)
Het bevoegd gezag kan in een overeenkomst een financiële bijdrage overeenkomen met de initiatiefnemer voor een ruimtelijke ontwikkeling (natuur, landschap, recreatie etc.). Noodzakelijk is dat de structuurvisie daarvoor een basis bevat (art. 6.24 lid 1 onder a Wro). Als de initiatiefnemer een dergelijke financiële bijdrage weigert, kan dat voor het bevoegd gezag in bepaalde gevallen reden zijn om geen planologische medewerking te verlenen De financiële bijdrage is bijvoorbeeld voor een fonds dat wordt beheerd door het bevoegd gezag. Het gaat dan uitdrukkelijk niet om een omgevingsfonds waarbij een deel van de opbrengst van het project ten goede komt aan maatschappelijke doelen in de buurt (bijvoorbeeld de sportclub of wijkvereniging). Art. 6.24 lid 1 onder a Wro biedt niet de mogelijkheid van het reguleren van een vorm van financiële participatie zoals beschreven in de participatiewaaier.
RES | procesparticipatie en financiële participatie | Financiële participatie
Het kan zijn dat in het voortraject voorafgaand aan besluitvorming geen afspraken tot stand zijn gekomen tussen de initiatiefnemer en omwonenden over financiële participatie in de vorm van mede-eigenaarschap, omgevingsfonds of omwonendenregeling. Het bevoegd gezag heeft geen ruimte om in de besluitvorming deze vormen van financiële participatie alsnog af te dwingen. De mogelijkheid van het bevoegd gezag om voorafgaand aan de formele besluitvormingsprocedure voorwaarden te verbinden aan planologische medewerking, wordt in beginsel op eenzelfde wijze genormeerd als de voorschriften van het besluit zelf.32 Ook hier doet zich de vraag voor of financiële participatie te relateren is aan een ‘ruimtelijk relevant belang’. Gelet op de huidige jurisprudentie over het begrip ‘goede ruimtelijke ordening’ geldt dat het bevoegd gezag financiële participatie in de vorm van mede-eigenaarschap, omgevingsfonds of omwonendenregeling niet via voorwaarden of voorschriften kan eisen. Dat geldt ook als er participatiebeleid is opgesteld (zie par. 2.2.1). Het kan zijn dat voor een omgevingsvergunning voor hernieuwbare energie een verklaring van geen bedenkingen is vereist van een ander, daarvoor aangewezen, bestuursorgaan.
De bevoegdheid om deze verklaring van geen bedenkingen te weigeren, of daaraan voorwaarden te verbinden, is evenzeer begrensd door het belang van de goede ruimtelijke ordening.33 Dat betekent dat een dergelijke verklaring niet benut kan worden om voorwaarden te stellen aan financiële participatie in de vorm van mede-eigenaarschap, omgevingsfonds of omwonendenregeling.
Toelichting Art. 6.24 lid 1 onder a Wro biedt een basis voor een anterieure grondexploitatieovereenkomst waarin voorafgaand aan een exploitatieplan afspraken worden gemaakt over kostenverhaal.35 De bepaling maakt ook afspraken over ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, los van de grondexploitatie. Het idee hierachter is dat het bevoegd gezag een financiële bijdrage kan verlangen voor niet winstgevende (verlieslijdende) maatschappelijke ontwikkelingen, zoals natuurontwikkeling of landschapsprojecten.36 Van belang is dat de structuurvisie de ruimtelijke ontwikkeling benoemt en precies aangeeft welke maatregelen worden bekostigd met de financiële bijdrage. In de praktijk komen meestal vrijwillig afspraken tot stand. Als de initiatiefnemer geen vrijwillige afspraken maakt met het bevoegd gezag, kan dat consequenties hebben voor de besluitvorming. Uit de jurisprudentie volgt dat als een initiatiefnemer weigert vrijwillig een dergelijke overeenkomst aan te gaan, het bestuur planologische medewerking aan het project kan weigeren als het project niet bijdraagt aan een goede ruimtelijke ordening (art. 3.1 lid 1 Wro). De financiële bijdrage voor ruimtelijke ontwikkeling is in dat geval bedoeld als compensatie van een inbreuk door een project op een publiekrechtelijke waarde, die is vastgesteld in beleid. Van ontoelaatbare betaalplanologie is dus geen sprake.
De jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak maakt duidelijk welke randvoorwaarden in acht moeten worden genomen.37
32 Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, 16e dr., Deventer 2014, p. 198-199. 33 Zie art. 2.27 lid 1 Wabo en art. 6.5 lid 2 Bor. 34 Van belang is ook dat gemotiveerd wordt dat met dergelijke regels een provinciaal belang wordt gediend (subsidiariteitsvereiste). 35 Zoals bovenwijkse voorzieningen of bovenplanse verevening. 36 Kamerstukken II 2004-2005, 29435, nr. 68 (motie Geluk). 37 O.a. ABRvS 28-8-2019, ECLI:NL:RVS:2019:2950 (Recreatiewoning Oldebroek).
|
15
Er moet een ruimtelijk motief ten grondslag liggen aan de eis van compensatie (zoals natuur, recreatie, waterberging etc.). De structuurvisie moet de basis bevatten voor de financiële bijdrage. Verder moet vaststaan dat het een compensatie van een ruimtelijke verslechtering betreft die nodig is voor verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Tot slot moet samenhang bestaan tussen de maatregelen en het planologisch nadeel.
ook regels die nodig zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (art. 4.2 lid 1 Ow). Het gaat hierbij om het vinden van een balans tussen ontwikkelingsmogelijkheden en het beschermen van aanwezige waarden in de fysieke leefomgeving. Naast het ruimtelijke motief kunnen andere aan de fysieke leefomgeving gerelateerde motieven een rol spelen (zoals duurzaamheid, milieu, landschap, natuurkwaliteit).38
2.6 Omgevingswet
Het omgevingsplan heeft een bredere reikwijdte dan een bestemmingsplan. De bevoegdheid om eisen te stellen is daarmee ruimer. Financiële participatie-eisen die ingrijpen in de private constructie van een onderneming, of gericht zijn op uitbetaling van een bedrag aan particulieren, kunnen echter niet direct gekoppeld worden aan de belangen van de fysieke leefomgeving.
RES | procesparticipatie en financiële participatie | Financiële participatie
De Omgevingswet brengt – voor zover nu te overzien – geen verandering in de bevoegdheid van de overheid als het gaat om financiële participatie. Ook onder de Omgevingswet kan het bevoegd gezag financiële participatie door de omgeving stimuleren via participatiebeleid. De Omgevingswet biedt geen basis om de initiatiefnemer tot financiële participatie te verplichten. Die bevoegdheid zou geen wettelijke grond kennen en dus - gelet op het legaliteitsbeginsel - ook niet in het participatiebeleid worden gecreëerd. Relevante wijzigingen ten opzichte van de Wro zijn de overgang van het ‘belang van de goede ruimtelijke ordening’ naar het ‘belang van de fysieke leefomgeving’ (par. 2.5.1). Ook bevat de Omgevingswet in artikel 13.22 een regeling voor een opvolger van de overeenkomst voor ruimtelijke ontwikkeling ex. art. 6.24 lid 1 onder a Wro (par. 2.5.2).
2.6.1 Belang van de fysieke leefomgeving De Omgevingswet richt zich op de fysieke leefomgeving en reguleert activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Deze verbrede reikwijdte biedt het bevoegd gezag geen extra ruimte om financiële participatie van de omgeving in een project te eisen.
Onder de Omgevingswet (die uitgaat van het principe: ‘ja, tenzij’) wordt het uitgangspunt van toelatingsplanologie (principe: ‘nee, mits’) verlaten. Daarmee is het op zichzelf mogelijk om in het omgevingsplan een gebodsbepaling op te nemen. Een gebodsbepaling kan een eigenaar verplichten tot gebruik overeenkomstig de toegelaten bestemming. Nu de directe link met de fysieke leefomgeving ontbreekt, is het ook niet mogelijk om via een gebodsbepaling in het omgevingsplan financiële participatie voor te schrijven. Het opnemen van gebodsbepalingen mag bovendien het eigendomsrecht (art. 1 EP EVRM) en het evenredigheidsbeginsel (art. 3:4 lid 2 Awb) niet schenden.
2.6.2 Financiële bijdrage ruimtelijke ontwikkeling Onder de Omgevingswet blijft het mogelijk voor het bevoegd gezag om met de initiatiefnemer een overeenkomst te sluiten over een financiële bijdrage voor ontwikkelingen van een gebied.
Toelichting Het begrip fysieke leefomgeving is niet in de wet gedefinieerd. Wel is een niet uitputtende opsomming van onderdelen van de fysieke leefomgeving opgenomen (art. 1.2 lid 2 Ow). In de wet zijn ook maatschappelijke doelen geformuleerd (art. 1.3 Ow). Bestuursorganen oefenen taken en bevoegdheden uit met het oog op deze doelen, tenzij in de wet specifieke kaders zijn gegeven (art. 2.1 lid 1 Ow). Voor energieprojecten zijn onder meer de kaders voor het omgevingsplan, de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit en het projectbesluit relevant. In het omgevingsplan kunnen regels worden gesteld voor activiteiten die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving (art. 4.1 lid 1 Ow). In het omgevingsplan staan
Toelichting In de Omgevingswet wordt de financiële bijdrage voor de ontwikkeling van een gebied geregeld in Afdeling 13.7. Art. 13.22. Ow biedt de bevoegdheid om in een overeenkomst over bij AMvB aangewezen activiteiten afspraken te maken over een financiële bijdrage op basis van een omgevingsvisie of programma.39 Deze bepaling is in zekere zin de opvolger van art. 6.24 lid 1 onder a Wro. Naar verwachting wordt ook de huidige jurisprudentie over de toepassing van art. 6.24 lid 1 onder a Wro gecontinueerd onder de Omgevingswet. Dit betekent dat als een initiatiefnemer weigert een overeenkomst aan te gaan over een financiële bijdrage voor ruimtelijke ontwikkeling, dit voor het bevoegd gezag een
38 Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat beoordelingsregels voor een omgevingsplanactiviteit (art. 5. 18 Ow). In het omgevingsplan zelf kunnen ook beoordelingsregels worden opgenomen (art. 5.21 Ow). Wijkt het energieproject af van het omgevingsplan, dan kan de vergunning verleend worden ‘ met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (art. 5.21 lid 2 onder b Ow jo art. 80a lid 2 Bkl). 39 De activiteiten waar art. 13.22 Ow op ziet zijn aangewezen in art. 8.20 Omgevingsbesluit. Ook energieprojecten worden hier genoemd.
16
|
reden kan zijn om planologische medewerking te weigeren als daardoor het belang van de fysieke leefomgeving niet is gewaarborgd. De Omgevingswet geeft in art. 13.23 de bevoegdheid om in een omgevingsplan te bepalen dat een financiële bijdrage wordt verhaald voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Deze bevoegdheid biedt de mogelijkheid om financiële bijdragen af te dwingen, in tegenstelling tot de mogelijkheid om op vrijwillige basis over financiële bijdragen te contracteren. Dit artikel biedt geen basis om een financiële bijdrage af te dwingen op initiatiefnemers van projecten voor hernieuwbare energie.
RES | procesparticipatie en financiële participatie | Financiële participatie
|
17
Verdere informatie en hulpmiddelen voor participatie bij hernieuwbare energieprojecten Naast deze factsheet zijn verschillende publicaties beschikbaar die advies en handvatten bieden voor het vormgeven van participatie bij hernieuwbare energieprojecten op land. Er zijn zowel publicaties over het maken van afspraken als over de uitvoering van participatietrajecten.
Handreiking participatie in duurzame-energieprojecten
RES | procesparticipatie en financiële participatie | Financiële participatie
Deze webpagina van klimaatakkoord.nl dient als een portal naar alle informatie over participatie bij duurzame energieprojecten op land en biedt zowel informatie over participatie gedurende de beleidsfase in aanloop naar een energieproject als over de verschillende vormen van participatie tijdens de ontwikkeling en exploitatie van een project. Deze handreiking bevat o.a.: De Participatiewaaier: een overzicht van verschillende vormen van projectparticipatie (zowel ontwerp- als financiële participatie). De participatiewaaier is bedoeld als menukaart van mogelijke bovenwettelijke participatieopties. Voorbeelden van participatie in projecten: verzameld door RVO.
Green deal Participatie van de Omgeving bij Duurzame Energieprojecten
Met deze Green deal tussen overheden, brancheorganisaties en maatschappelijke organisaties zijn inzichten en ideeën ontwikkeld en gedeeld om participatieprocessen te verbeteren bij duurzame energieprojecten.
Sectorale gedragscodes
Gedragscodes bieden projectontwikkelaars handvatten voor betrekken van de omgeving bij hernieuwbare energieprojecten. Leden van de respectievelijke brancheverenigingen zijn gebonden aan de codes. Gedragscode Wind op Land: bindend voor leden van NWEA en Energie Samen. Gedragscode Zon op Land: bindend voor leden van Holland Solar.
Omgevingswet
De Omgevingswet vervangt de bestaande wetgeving over ruimtelijke ordening en de ruimtelijke inpassing van energieprojecten. Participatie is een belangrijke pijler onder de Omgevingswet. Daarom zijn verschillende voorbeelden van en hulpmiddelen voor participatie ontwikkeld. Meer informatie daarover is te vinden op Inspiratiegids Participatie Omgevingswet.
18
|
Expertpool
Voor verdere informatie en hulpmiddelen voor participatie bij hernieuwbare energieprojecten kunt u terecht bij de expertpool van het Nationaal Programma RES. In deze expertpool zijn verschillende kennispartners werkzaam, waaronder de NVDE, de Participatiecoalitie en juristen. Afhankelijk van de vraag naar specifieke expertise zal een van de partners gevraagd worden de regio met advies verder te helpen.
Handreiking Participatie Wijkaanpak Aardgasvrij
Het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW) heeft een handreiking participatie opgesteld met tips, kennis en voorbeelden van het organiseren van en keuzes maken over een participatieproces.
Leeromgeving energieparticipatie.nl
Energieparticipatie.nl is een leeromgeving van het Nationaal Programma RES voor participatie bij het opwekken van duurzame energie. Bezoekers kunnen de meest recente kennis opdoen over de mogelijkheden, vormen en doelen van participatie. Die kennis helpt om weloverwogen keuzes te maken bij het inrichten van- of deelnemen aan participatie. Ook kunnen zij onderling kennis en ervaringen delen.
Bijlage overzicht relevante jurisprudentie ABRvS 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3765 (Bestemmingsplan Smallingerland) In deze uitspraak over de vaststelling van een bestemmingsplan maakt de Afdeling bestuursrechtspraak duidelijk dat het doel van duurzaamheid op zichzelf een milieuaspect betreft waarmee een ruimtelijk motief gediend zou kunnen zijn. Het doel moet dan wel zien op de milieugevolgen van het ruimtegebruik van de gronden in het plangebied. De planregeling sluit bepaalde onderzoeksactiviteiten uit om de milieugevolgen van het gebruik van aardgas door de samenleving te beperken. Uit de uitspraak blijkt duidelijk dat deze planregeling niet tot doel heeft het ruimtegebruik van de gronden in het plangebied of de invloed van dat ruimtegebruik op de omliggende gronden te regelen. Nu de behartiging van een ruimtelijk doel bij de planregeling ontbreekt, is sprake van strijd met art. 3.1 lid 1 Wro.
In deze uitspraak maakt de Afdeling bestuursrechtspraak duidelijk dat het bestaan van draagvlak niet beslissend is voor de rechtmatigheid van de genomen besluiten (r.o. 24). Het streven naar draagvlak is een aspect dat zich vertaalt in de belangenafweging die het bevoegd gezag bij de beoordeling van de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het energieproject moet maken. Het betreft een afweging tussen de nationale, provinciale en gemeentelijke belangen bij een duurzame energievoorziening en onder meer de belangen van omwonenden. Van belang daarbij is dat de belangen van omwonenden goed in beeld zijn gebracht en gewogen.
ABRvS 18 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4209 (Windpark Greenport Venlo) In deze uitspraak maakt de Afdeling duidelijk dat bijvoorbeeld op grond van gemeentelijk beleid, van een initiatiefnemer kan worden verlangd dat hij (specifieke) inspanningen verricht die zijn gericht op het informeren van omwonenden en het verwerven of vergroten van het maatschappelijk draagvlak voor de gewenste ontwikkeling. Het niet behoorlijk nakomen van een dergelijke verplichting kan voor het bestuursorgaan reden zijn de gewenste medewerking niet te verlenen.
ABRvS 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:958 (Zonnepark Hijken) De Afdeling bestuursrechtspraak interpreteert een voorwaarde van de gemeenteraad in een ontwerpverklaring van geen bedenkingen, die inhoudt dat de initiatiefnemer moet aantonen dat er voldoende draagvlak is in de omgeving voor het te realiseren zonnepark, als een op de initiatiefnemer rustende inspanningsverplichting. Met het beschikbaar stellen van een geldbedrag voor de aanschaf van een warmtepomp ten behoeve van het dorps-
ABRvS 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2950 (Recreatiewoning Oldebroek) Uit deze uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak volgt dat het bevoegd gezag onder voorwaarden bevoegd is om planologische medewerking te weigeren, indien een initiatiefnemer weigert een (anterieure) overeenkomst aan te gaan die strekt tot betaling van een bijdrage voor ruimtelijke ontwikkeling (art. 6.24 lid 1 onder a Wro). Naar het oordeel van de Afdeling verzet het systeem van de Wro zich er niet tegen dat ook zonder aangewezen bouwplan als bedoeld in art. 6.2.1 van het Bro een overeenkomst als bedoeld in art. 6.24 lid 1 onder a Wro wordt aangegaan.
RES | procesparticipatie en financiële participatie | Financiële participatie
ABRvS 3 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1064 (Windlocatie Battenoord)
huis, het schenken van obligaties aan de jeugdsoos en het mogelijk maken van geïnteresseerden om financieel te participeren, heeft de initiatiefnemer voldoende inspanningen verricht om lokaal draagvlak te verwerven.
HR 2 april 1998, ECLI:NL:PHR:1998:AN5655 (Alkemade/Hornkamp) Uit dit arrest van de Hoge Raad volgt dat een gemeente in ruil voor planologische medewerking geen voorwaarden mag bedingen buiten het kader van de WRO (oud). De gemeente Alkemade mocht de medewerking aan de vrijstelling van het bestemmingsplan niet afhankelijk stellen van de contractuele aanvaarding door Hornkamp van een voorwaarde ter behartiging van de door haar gewenste woonruimteverdeling. De bevoegdheden die deze wet verleent aan de gemeente, kunnen alleen strekken tot behartiging van haar planologische belangen. Als de bevoegdheid wordt gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze is verleend, is sprake van strijd met het verbod van détournement de pouvoir. Een dergelijke overeenkomst is nietig en niet afdwingbaar.
HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:483 (Bouwers/Bladel) De Hoge Raad benadrukt in dit arrest nogmaals dat voorwaarden die bij een bevoegdhedenovereenkomst worden gesteld over de uitoefening van een publiekrechtelijke bevoegdheid door de wet moeten worden toegelaten. Waar het gaat om planologische bevoegdheden van (organen) van de gemeente moeten de voorwaarden het doel kunnen dienen waarvoor de bevoegdheid door de wet is gegeven. Oftewel: een ruimtelijk motief. In deze zaak ging het om een afspraak tussen de gemeente en een projectontwikkelaar waarbij planologische medewerking voor de bouw van vrijstaande woningen werd toegezegd in ruil voor een verplichting om stallen te slopen in de Provincie Noord-Brabant (Ruimte voor Ruimte regeling). De Hoge Raad oordeelde dat de gemeente deze voorwaarde mag stellen in een bevoegdheden overeenkomst.
|
19
HR 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965 (Windmill)
RES | procesparticipatie en financiële participatie | Financiële participatie
In dit arrest formuleert de Hoge Raad het toetsingskader om te beoordelen of de overheid via het privaatrecht publieke belangen mag behartigen. Als de publiekrechtelijke wet geen antwoord geeft op de vraag of gebruik van privaatrecht toelaatbaar is, moet worden bezien of de publiekrechtelijke regeling op een onaanvaardbare wijze wordt doorkruist. Hierbij wordt gelet op de inhoud en strekking van de publiekrechtelijke regeling, de wijze waarop en de mate waarin belangen van burgers in de publiekrechtelijke regeling zijn beschermd en tot slot of de overheid via de publiekrechtelijke regeling een vergelijkbaar resultaat zou kunnen bereiken. In deze zaak had de Staat een privaatrechtelijk heffing opgelegd aan een bedrijf voor het lozen van afvalgips in oppervlaktewater in eigendom van de Staat. De Hoge Raad oordeelde dat sprake was van een onaanvaardbare doorkruising van de toenmalige Wet verontreiniging oppervlaktewateren.
HR 8 juli 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0315 (Kunst- en antiekstudio Lelystad) In dit arrest komt de Hoge Raad tot de conclusie dat de WRO (oud) niet in de weg staat aan het opnemen van voorwaarden over grondgebruik in privaatrechtelijke overeenkomsten, ook niet als het gebruik van de grond wordt beperkt of verboden dat volgens het bestemmingsplan geoorloofd is. In deze zaak ging het om het beding in een overeenkomst dat de grond slechts mocht worden gebruikt voor de bouw van een bedrijven‑ en een detailhandelscentrum. De vestiging van detailhandel werd uitgesloten terwijl de bestemmingsplanvoorschriften geen beperkingen bevatte ten aanzien van detailhandelsactiviteiten. De Hoge Raad hecht veel waarde aan het feit dat dergelijke voorwaarden in de praktijk al jaren algemeen gebruikelijk zijn en het – met het oog op rechtszekerheid – bezwaarlijk zou zijn als de rechter deze praktijk ontoelaatbaar zou bestempelen.
20
|
RES | procesparticipatie en financiële participatie |
21
|
regionale-energiestrategie.nl