Bijlage 4 Regionale rapportage Wonen en Zorg Foodvalley (Infact-HRM)
Tekst van het document
Woonzorganalyse aandachtsgroepen Gelderland Regionale rapportage Foodvalley 01-07-2024
Woonzorganalyse aandachtsgroepen Gelderland Regionale rapportage Foodvalley 01-07-2024
Opdrachtgever Provincie Gelderland Contactpersoon Hiddo Born
Datum 01-07-2024
Auteurs Johan van Iersel, In.Fact.Research Lennart Homan, bureau HHM
Inhoudsopgave
Vooraf........................................................................................................................................... 1 1
Inleiding ............................................................................................................................... 2
2
Typering van de regio........................................................................................................ 4
3
2.1
Inleiding ....................................................................................................................... 4
2.2
De regio in het kort .................................................................................................... 4
2.3
Regionale governance ................................................................................................ 4
Aandachtsgroepen Etvi ..................................................................................................... 6 3.1
Inleiding ....................................................................................................................... 6
3.2
Urgente groepen ......................................................................................................... 6
3.3 Inwoners met een lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking of psychische kwetsbaarheid .................................................................................................... 7
4
5
3.4
Mantelzorgverleners en -ontvangers ..................................................................... 10
3.5
Uitstromers uit intramurale zorginstellingen ...................................................... 11
3.6
Woningzoekenden na detentie ............................................................................... 12
3.7
Dreigend) dakloze mensen ..................................................................................... 12
3.8
Stoppende sekswerkers ........................................................................................... 13
3.9
Statushouders ........................................................................................................... 14
3.10
Arbeidsmigranten .................................................................................................... 16
3.11
Studenten ................................................................................................................... 17
3.12
Woonwagenbewoners ............................................................................................. 18
Ouderen ............................................................................................................................. 20 4.1
Inleiding ..................................................................................................................... 20
4.2
De vergrijzing ........................................................................................................... 20
4.3
Ouderen met beperkingen ...................................................................................... 23
4.4
Woonvormen ............................................................................................................ 24
4.5
Ouderen met lichtere beperkingen ........................................................................ 29
4.6
De bredere opgave ................................................................................................... 30
4.7
Regionale afstemming ............................................................................................. 30
Aanbod............................................................................................................................... 33 5.1
Inleiding ..................................................................................................................... 33
6
5.2
Omvang en spreiding sociale huur ........................................................................ 33
5.3
Intramuraal verblijf .................................................................................................. 36
5.4
Toe- en doorgankelijkheid woningvoorraad........................................................ 38
5.5
De fysieke woonomgeving...................................................................................... 39
5.6
De sociale woonomgeving ...................................................................................... 40
Conclusies en aanbevelingen .......................................................................................... 43
Bijlage 1: Cijfermatig overzicht aandachtsgroepen ............................................................ 45 Bijlage 2: Overzicht lokale en regionale documenten ........................................................ 46
Vooraf Deze rapportage is opgesteld in het kader van de provinciale ‘Woonzorganalyse Gelderland’. Doel van dit onderzoek is een provincie breed beeld te schetsen van de problematiek rondom de aandachtsgroepen en ouderen, nu en in de toekomst. Daarbij is een pragmatische insteek gekozen en vooral gewerkt met bestaande bronnen. Daarbij is veel aandacht besteed aan de gehanteerde definities en een juiste interpretatie van de vergaarde cijfers. De resultaten van het provinciale onderzoek zijn opgenomen in het hoofdrapport. De provincie heeft ook een procesmatige doelstelling bij het onderzoek. Men wil de regio’s ondersteunen en op gang helpen bij de regionale samenwerking. Vandaar dat de resultaten in elke regio zijn toegelicht en besproken. In de Foodvalley heeft er o p 18 maart een reflectiesessie plaatsgevonden met de gemeenten. En vandaar ook dat per regio een aparte rapportage is opgesteld, met alle uitkomsten op gemeentelijk niveau. Daarmee ontstaat een belangrijke onderlegger voor de gesprekken en beleidsvorming die nog gaan volgen. Een woonzorganalyse is nooit helemaal af. In het traject in de regio kunnen nieuwe informatievragen en nieuwe gegevens naar voren kome n. Dat laatste is met name gewenst inzake de urgente groepen, daar moet de regio nog een extra inspanning plegen.
Omdat de directe betrokkenheid bij de regionale trajecten, waarvoor de regio’s zelf aan de lat staan, beperkt is geweest, kan het voorkomen dat er op bepaalde thema ’s wel gegevens zijn of beleid is, maar dat dit in dit traject niet naar voren is gekomen. Dat is in meer of mindere mate echter altijd het geval. Om het regionale proces op te starten hoeft niet alles tot achter de komma bekend te zijn. De voorliggende rapportage vormt (samen met het hoofdrapport) een stevige basis om aan de slag te gaan. De komende periode moet de regio Foodvalley concreet aan de slag met: • Een afsprakenkader ouderenhuisvesting; • Afspraken over de verdeling van de aandachtsgroepen in de regio; • Het actualiseren van de regionale huisvestingsverordening, inclusief urgentieregeling en afspraken over de verdeling van urgenten. Ook moeten de men de vertaalslag maken naar de lokale woningbouwprogrammering en locatiekeuzen. Dit soort beleidsdocumenten zijn slechts deels een doel op zich. Minimaal zo belangrijk is dat de komende periode een gevoel van urgentie wordt gecreëerd, bij alle gemeenten en alle stakeholders. En dat in gezamenlijkheid wordt gekomen tot een gedeelde visie en aanpak. Dat structuren worden opgezet om de opgaven te lijf te gaan. De opgaven zijn ook in Foodvalley groot en het is tijd om de krachten te bundelen.
Uiteindelijk moet het beleid verschil gaan maken voor de inwoners en hun directe woonomgeving. Om de vertaalslag van het beleid naar lagere schaalniveaus te faciliteren, wordt door de provincie de Gelderse WoonZorgwijzer-plus beschikbaar gesteld.
1
1 Inleiding Aanleiding In Nationale Woon- en Bouwagenda wordt aandacht gevraagd voor de kwetsbare positie van een aantal aandachtsgroepen. Deze groepen hebben een zwakke positie op de woningmarkt en vaak ook behoefte aan zorg en/of ondersteuning. Het verbeteren van de positie van deze groepen vraagt beleidsinspanningen op beleidsniveau en van meerdere sectoren. Het Rijk vraagt van gemeenten om, in regionaal verband, beleid te formuleren dat moet leiden tot voldoende huisvesting voor (kwetsbare) aandachtsgroepen en ouderen. Ook moeten deze groepen de benodigde zorg en ondersteuning kunnen ontvangen. Dit beleid moet worden geconcretiseerd binnen de woondeals en uiteindelijk landen in een volkshuisvestelijk programma. De aandachtsgroepen komen niet uit het niets, niet zelden was er in gemeenten al aandacht voor de groepen. Het Rijk acht echter een intensivering van de aandacht wenselijk en vraag daarbij tevens aandacht voor de regionale afstemming. De opgaven zijn op fronten dermate groot en complex, dat het verstandig is deze samen op te pakken. De opgaven worden gezien als een gezamenlijke maatschappelijke opgave, waaraan elke gemeente een steentje moet bijdragen. Ook provincies hebben in het nieuwe beleid een bel angrijke rol. Waar het gaat om wonen en ruimtelijke ordening is deze vertrouwd, waar het gaat om zorg en welzijn nieuw.
De provincies hebben een bepalende rol bij het vaststellen van de regio -indelingen en toetsende rol bij de regionale afspraken. Provinci e Gelderland ziet voor haarzelf een andere belangrijke rol: het faciliteren van de regio ’s. Vandaar dat Gelderland een provinciale woonzorganalyse heeft laten uitvoeren, die als input kan worden gebruikt bij de regionale visie-/beleidsvorming en verdeelafspraken. Dit rapport De resultaten van het onderzoek zijn weergegeven in een provinciale rapportage. In dat rapport wordt uitgebreid stilgestaan bij de het Rijksbeleid en de gehanteerde definities. Het rapport biedt daarmee een uitgebreid analysekader voor de gepresenteerde cijfers. In het voorliggende rapport bespreken we dit kader wat minder uitgebreid en ligt de focus meer op de situatie in de regio. De gebruikte cijfers zijn grotendeels gelijk, dus iemand die meer wil weten over de achtergronden wordt do orverwezen naar het provinciale rapport. Naast de provinciale cijfers, is gebruik gemaakt van door de regio beschikbaar gestelde gegevens. Bij de duiding van de cijfers is gebruik gemaakt van de kennis in de regio ’s Daarbij is specifiek gekeken naar de aanwezigheid van lokale of regionale cijfers over ouderen en aandachtsgroepen. In de regio hebben we een reflectiebijeenkomst georganiseerd voor de gemeenten om hen mee te nemen in de huisvestingsopgave voor ouderen en aandachtsgroepen.
2
Leeswijzer De snelle lezer verwijzen wij door naar de samenvatting aan het begin van dit rapport. Het rapport zelf bevat de volgende hoofdstukken: • In hoofdstuk 2 geven we een beknopte typering van de regio, zowel inhoudelijk als qua governance. • In hoofdstuk 3 bespreken we de omvang en spreiding van de aandachtsgroepen uit Een thuis voor iedereen. • In hoofdstuk 4 staan we stil bij de vergrijzing en de opgaven die daaruit volgen. • In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op het aanbod, waarbij zowel is gekeken naar het woningaanbod als naar de fysieke en sociale woonomgeving. • Hoofdstuk 6 bevat de belangrijkste conclusies en aanbevelingen. Gelderse WoonZorgwijzer-plus Een van belangrijkste aanbevelingen is vooral snel concreet aan de slag te gaan. De opgaven zijn groot en urgent, terwijl de middelen beperkt zijn. Die situatie vraagt om gebiedsgericht maatwerk, preventie en zorgvuldige locatiekeuzen. Om daarbij te helpen stelt de provincie de Gelderse WoonZorgwijzer beschikbaar (in te zien via www.woonzorgwijzer.nl). Dit instrument brengt op een laag schaalniveau letterlijk in kaart welk aandeel van de inwoners te maken heeft met bepaalde aandoeningen en beperkingen. De provincie heeft ervoor gekozen de kaarten-set van de WoonZorgwijzer uit te breiden met aanvullende kaarten, bijvoorbeeld over de leefbaarheid en de aanwezige voorzieningen.
Vandaar dat wordt gesproken over een WoonZorgwijzer -plus. Het instrument kan op veel manieren worden gebruikt, dit rapport bevat enkele voorbeelden.
3
2 Typering van de regio 2.1
Inleiding
Het hoofdrapport bevat een analyse van de verschillen tussen de Gelderse regio ’s. De belangrijkste bevindingen voor Foodvalley staan hieronder kort samengevat. Vervolgens wordt ingegaan op de wijze waarop in de regio wordt samengewerkt.
2.2
De regio in het kort
De regio Foodvalley is deels gelegen in Gelderland en deels in provincie Utrecht. Het aandeel zelfstandig wonende inwoners dat behoort tot een van de aandachtsgroepen is relatief laag. Deels in samenhang hiermee ligt ook het aandeel sociale huurwoningen beneden het landelijk gemiddelde. Mede door de beperkte omvang van de sociale huursector hebben de gemeenten in de regio de afgelopen periode moeite om de taakstelling voor statushouders te realiseren. Er zijn relatief weinig zorginstellingen met verblijf in de regio. Door Wageningen University & Research telt de regio relatief veel studenten. Het aantal arbeidsmigranten ligt rond het provinciaal gemiddelde.
2.3
Regionale governance
Regio-indelingen Gemeenten hebben vaak te maken met verschillende regio -indelingen. Denk daarbij aan de afbakening van de zorgkantoorregio’s, centrumgemeenten voor Beschermd Wonen en de Maatschappelijke Opvang, Wmo- en Jeugdhulp regio’s en veiligheids-regio’s. Het is niet vanzelfsprekend dat al deze indelingen aan elkaar gelijk zijn, het tegenovergestelde is vaak het geval. Voor de regio Foodvalley geldt dat deze indelingen inderdaad van elkaar afwijken. Hierbij valt een deel van de woondeal regio onder de centrumgemeente Amersfoort en het andere deel onder de centrumgemeente Ede. Deze verschillende regio-indelingen maken het voor gemeenten, maar ook voor andere stakeholders niet eenvoudiger. Binnen de verschillende indelingen zijn er vaak weer aparte overlegtafels en samenwerkingsstructuren die qua inhoud en proces veel overlap hebben met de thema’s en onderwerpen die op het vlak van wonen, zorg en welzijn spelen. Ook heeft dit tot gevolg dat sommige gemeenten wel aansluiten en vertegenwoordigd zijn bij het ene overleg, maar niet bij het andere overleg. Vormgeving regionale governance In de Foodvalley waren er aan het begin van het provinciale onderzoek nog een aantal openstaande vragen omtrent aanpak en governance.
Zo waren er op het thema wonen, zorg en ondersteuning nog geen (bestuurlijke) keuzen gemaakt over ‘wie met wie gaat’ en stond de regio-indeling dus deels nog open. Daarbij speelt mee dat de Foodvalley een complexe regio is, in die zin dat er vele verschillende regio -indelingen samenkomen. Zo ligt de regio in twee provincies, zijn er twee zorgkantoren actief (Zilveren
4
Kruis en Menzis) en hebben de gemeenten Barneveld en Nijkerk niet alleen de woondeal van Foodvalley ondertekend, maar ook die van regio Amersfoort (vanwege de verbondenheid op het gebied van wonen en mobiliteit). Inmiddels is er meer gezamenlijk commitment en hebben bijvoorbeeld de Utrechtse gemeenten uitgesproken met de Gelderse gemeenten onderdeel uit te maken van regio Foodvalley en op dit niveau regionale afspraken te willen opstellen inzake wonen en zorg.
5
3 Aandachtsgroepen Etvi In dit hoofdstuk wordt de omvang en spreiding van de aa ndachtsgroepen in de regio besproken. Er is in de regio niet één centrale stad, gemeenten als Veenendaal, Ede en Wageningen vervullen ieder op eigen wijze een centrumfunctie. Het zijn ook deze drie gemeenten die momenteel de meeste aandachtsgroepen huisvesten.
3.1
Inleiding
In het kader van Een thuis voor iedereen moeten gemeenten in regionaal verband afspraken over een (meer) evenwichtige verdeling van de aandachtsgroepen over de regio. Elke gemeente moet een steentje bijdragen aan de huisvesting van deze, vaak kwetsbare, groepen. Bij de gesprekken die hierover straks in de regio worden gevoerd, is een cijfermatige onderlegger uiteraard wenselijk. Dit hoofdstuk biedt hiervoor een aantal belangrijke ingrediënten. Het is belangrijk te beseffen dat de aandachtsgroepen zeer verschillend zijn, qua aard, omvang en problematiek. In dit rapport staan we daar kort bij stil, de provinciale rapportage bevat een meer uitgebreide beschrijving.
3.2
Urgente groepen
Op de langere termijn is het streven dat de aandachtsgroepen meer evenwichtig ve rspreid over de regio wonen. Daartoe zijn in de woondeals afspraken gemaakt over een betere spreiding van de sociale huursector. Op de korte termijn is het zaak voldoende passend aanbod beschikbaar te krijgen voor de wettelijk urgenten en ook deze verhuisstromen beter te spreiden. In de regio Foodvalley heeft men nog geen exact beeld van de omvang van de urgente groepen. In de regio ontbreken actuele en een eensluidende onderzoeken en cijfers over de groepen. Bij de aangeleverde documenten gaat het voorname lijk om gemeentelijke, lokale stukken, of visie stukken. Het is hierdoor niet mogelijk om, op basis van de aangeleverde documenten een totaalbeeld te geven van de omvang van de verschillende groepen. In het kader van dit onderzoek is eind 2023 (onder meer in een interview) aangegeven dat het wenselijk is dat de regio deze gegevens zou verzamelen. De ervaring leert dat een maand of twee/drie duurt om dit soort gegevens boven tafel te krijgen en te verwerken (inclusief een uitvraag bij de in de regio werkzame instellingen). Dat er een half jaar later nog geen cijfers konden worden aangeleverd, heeft vermoedelijk te maken met andere prioriteiten en/of het gebrek aan capaciteit.
6
3.3
Inwoners met een lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking of psychische kwetsbaarheid
Van alle aandachtsgroepen is de aandachtsgroep ‘Inwoners met een lichamelijke, verstandelijke of zintuigelijke beperking of psychische kwetsbaarheid ’ erg breed gedefinieerd. Voor een goede interpretatie van de aantallen is het essentieel de groep op te splitsen: • Voor zintuiglijke en lichamelijke aandoeningen geldt dat het voorkomen van deze groepen nauw samenhangt met de vergrijzing. • De groep met verstandelijke beperkingen wordt in Nederland over het algemeen afgebakend door de groep te nemen met een IQ tussen de 50 en 85 én problemen heeft in de zelfredzaamheid. Deze beperking gaat vaak samen met een lagere sociaal economische status. • Voor psychiatrische problemen geldt dat iedereen ermee te maken kan krijgen. Als dat gebeurt, is het lastig een goed inkomen op te bouwen of te behouden. Vandaar dat deze groep wat vaker een lagere sociaal economische status heeft. Voor angst- en stemmingsstoornissen geldt dit ook, al zijn deze voor een deel ook ouderdom gerelateerd. De groepen zijn in beeld gebracht met de WoonZorgwijzer, die (op dit moment) alleen beschikbaar is voor de Gelderse gemeenten (zie ook www.woonzorgwijzer.nl) . De WoonZorgwijzer gaat alleen over de zelfstandig wonende populatie, de intramuraal wonende populatie zit er niet in (daar vinden we bijvoorbeeld de groep met ernstige lichamelijke beperkingen terug).
In tabel 3-1 staan de aantallen en aandelen per regiogemeente weergegeven. Met name Veenendaal en in mindere mate Wageningen vervullen een belangrijke rol bij het huisvesten van licht verstandelijk beperkten en mensen met psychiatrische problematiek. Renswoude en Scherpenzeel blijven achter bij het regionaal gemiddelde. Voor wat betreft somatische problematiek zijn de verschillen minder groot, maar ook hier speelt Veenendaal een belangrijke rol.
somatische problematiek zintuiglijke angst- en
psychiatrische problematiek
Barneveld Ede Nijkerk Renswoude Rhenen Scherpenzeel Veenendaal Wageningen Foodvalley
matig of ernstig verstandelijk beperkt
Het aantal zelfstandig wonende inwoners met verschillende aandoeningen in 2022 en als aandeel van het totaal aantal inwoners van 19 jaar en ouder in de regiogemeenten
licht verstandelijk beperkt
tabel 3-1
1.090 3.760 980 60 610 150 3.020 1.310 10.980
100 230 60 10 40 10 160 90 700
1.980 5.030 1.740 130 920 370 3.260 1.950 15.380
650 1.600 510 50 230 110 1.010 950 5.110
7
licht verstandelijk beperkt
matig of ernstig verstandelijk beperkt
somatische problematiek
psychiatrische problematiek
Barneveld Ede Nijkerk Renswoude Rhenen Scherpenzeel Veenendaal Wageningen Foodvalley
2,5% 4,1% 2,9% 1,4% 3,9% 1,9% 5,8% 4,0% 3,9%
0,2% 0,2% 0,2% 0,2% 0,2% 0,1% 0,3% 0,3% 0,2%
4,5% 5,4% 5,0% 3,1% 5,8% 4,7% 6,2% 5,9% 5,4%
1,5% 1,7% 1,5% 1,3% 1,4% 1,4% 1,9% 2,9% 1,8%
Bron: WoonZorgwijzer 4.0
De spreiding van de groepen met LVB problematiek of psychiatrische problematiek hangt nauw samen met de spreiding van de sociale huurwoningvoorraad (zie ook het voorbeeld in figuur 3-1). In de woondeal zijn afspraken gemaakt deze ongelijke verdeling te doorbreken (elke gemeente streeft naar 30% sociale huur ). In gemeenten met een laag aandeel sociale huurwoningen, zullen er in de komende periode meer worden toegevoegd. Uiteindelijk is het streven (van het Rijk) dat alle gemeenten e en min of meer gelijk aandeel sociale huur hebben. figuur 3-1
De spreiding van de inwoners met LVB-problematiek (boven) en het corporatiebezit (onder) in Ede
8
Bron: www.woonzorgwijzer.nl
In relatie tot de urgente groepen zijn deze aandachtsgroepen van groot belang. De groepen hebben een verhoogde kwetsbaarheid, dus juist bij deze groepen is met preventief beleid winst te behalen. In de gebieden waar de concent ratie (te) groot is, is dat lastig en zijn zorgverleners vaak overbelast. tabel 3-2
Het aantal zelfstandig wonende inwoners met verschillende aandoeningen in 2022, 2030 en 2040 in Foodvalley (alleen Gelderse gemeenten)
dementie (extramuraal) licht verstandelijk beperkt matig of ernstig verstandelijk beperkt somatische problematiek zintuiglijke aandoeningen angst- en stemmingsproblematiek psychiatrische problematiek jeugdproblematiek
2022 3.140 7.290 490 11.070 14.250 11.900 3.820 6.410
2030 3.940 8.070 520 11.410 15.650 14.550 4.240 7.140
2040 5.420 8.520 530 11.880 17.000 17.540 4.610 8.230
2022-2030 2022-2040 25% 73% 11% 17% 6% 8% 3% 7% 10% 19% 22% 47% 11% 21% 11% 28%
Bron: WoonZorgwijzer 4.0
Er is door In.Fact. een doorrekening gemaakt van de in de toekomst te verwachten ontwikkeling van de groepen. Daarbij is voor wat betreft de demografische ontwikkelingen aangesloten bij de Gelderse Primosprognose. In tabel 3-2 staan de resultaten voor Foodvalley weergegeven. Er zijn geringe verschillen in de ontwikkeling van de groepen, maar over het algemeen geldt dat de trend in lijn is met de ontwikkeling van de bevolking als geheel. Er zijn ook geen concrete aanleidingen om te veronderstellen dat dit
9
type aandoeningen vaker gaat voorkomen. Daarbij geldt wel een belangrijke kanttekening. Het kan wel zijn dat door een veranderende maatschappij een kleiner deel kan meekomen en dus een groter deel in de problemen raakt. Het is dus zaak ook te blijven beseffen dat niet iedereen automatisch mee kan in de verder digitaliserende en moderniserende maatschappij. In de tabel is te zien dat het aantal dementerenden wel sterk in aantal gaat toenemen. Op deze toename wordt in hoofdstuk 4 teruggekomen.
3.4
Mantelzorgverleners en -ontvangers
In de toekomst moet er in de zorg en ondersteuning meer werk worden verzet, met minder handen (en financiële middelen). Het is dan ook logisch dat mantelzorgers en -ontvangers door het Rijk zijn benoemd als aandachtsgroep. Al langere tijd gold voor deze groep een wettelijk verplichte urgentie (als men een urgentieregeling in de huisvestingsverordening opnam). De praktijk wijst uit dat het beroep dat hierop gedaan wordt beperkt is. Voor het faciliteren van mantelzorg is voor al ander beleid van belang, bijvoorbeeld op het vlak van respijtzorg en het realiseren van mantelzorgwoningen. Daar waar het gaat om fair share is het echter een vreemde aandachtsgroep. Regionale spreiding van deze groep is immers niet gewenst, je wilt mantelzorger en -ontvanger samenbrengen en ondersteunen. In dit onderzoek is het aantal mantelzorgers in beeld gebracht aan de hand van de volgende bronnen: • Het RIVM biedt inzicht het aandeel inwoners dat mantelzorg verleend. Daarbij geldt
de Gezondheidsmonitor 2022 als bron. Het gaat hier om een enquête-onderzoek. In figuur 3-2 staat aangeven welke aandelen uit dit onderzoek naar voren kome n. • In.Fact.Research heeft op basis CBS-Microdata bepaald in hoeverre er (per 31-12-2021) gebruik wordt gemaakt van persoonsgebonden budgetten (Pgb ’s) in het kader van de Wlz (dus exclusief de Wmo en Zvw). Het merendeel van deze pgb’s wordt informeel ingezet en daarmee leveren ze een goede indicator voor de inzet/spreiding van ‘serieuze’ mantelzorg. In figuur 3-3 staan de aantallen per regio weergegeven. Daar waar het gaat om de toekomst geldt demografisch gezien dat het aantal potentiële mantelzorgontvangers sterk gaat toenemen. Dit terwijl het aantal potentiele mantelzorgverleners sterk gaat afnemen. Het potentieel dat er is zal daardoor vaker moeten worden aangeboord en dat vergt naast faciliterend beleid vooral een verandering in de maatschappij. In paragraaf 5.6 wordt deze ontwikkeling nader geduid.
10
figuur 3-2
Het aandeel inwoners dat mantelzorg verleent in de regiogemeenten
aandeel volwassenen 2022
18% 15%
16%
15%
16%
16% 13%
14%
12%
13%
12%
10%
10% 8% 6% 4% 2%
Wageningen
Veenendaal
Scherpenzeel
Rhenen
Renswoude
Nijkerk
Ede
Barneveld
0%
Bron: RIVM
Het aantal personen met wlz-gebruik via leveringsvorm PGB als indicatie voor mantelzorg
Wageningen
Veenendaal
Scherpenzeel
Rhenen
Renswoude
Nijkerk
0,0080% 0,0070% 0,0060% 0,0050% 0,0040% 0,0030% 0,0020% 0,0010% 0,0000% Ede
400 350 300 250 200 150 100 50 0 Barneveld
aantal wlz-pgb's
figuur 3-3
verpleging en verzorging
GGZ-wonen
verstandelijke beperking (VG)
lichamelijke beperking
aandeel inwoners
Bron: CBS-Microdata
3.5
Uitstromers uit intramurale zorginstellingen
Voor de regio Foodvalley geldt dat we een aantal regionale gegevens ontvangen hebben. Voor de uitstromers uit Beschermd Wonen geldt dat het regionaal gaat om ca. 130 personen per jaar (2020). Voor uitstromers uit de vrouwenopvang geldt dat het regionaal gaat om circa 37 inwoners per jaar (2023). Verder hebben we voornamelijk lokale cijfers ontvangen. Voor uitstromers uit de Maatschappelijke Opvang weten we bijvoorb eeld dat het gaat om een verwachte uitstroom van 5 tot 10 inwoners in de gemeente Rhenen 11
per jaar (Bron: Actualisatie woonvisie gemeente Rhenen, juni 2021) . Voor uitstromers uit Jeugdzorg gaat het in de gemeente Veenendaal om 55 uitstromers per jaar (2020) en in Barneveld om 25 per jaar (2024).Voor uitstromers uit mensenhandel en klinische GGZ en forensische zorg geldt dat wij geen (bruikbare) gegevens hebben ontvangen.
3.6
Woningzoekenden na detentie
Gemeenten zijn altijd al een belangrijke partner voor de Die nst Justitiële Inrichtingen bij de re-integratie van (ex-)gedetineerden. Veel gemeenten en corporaties hebben al afspraken om deze groep, waar nodig, aan een woonruimte te helpen. Dit vaak via directe bemiddeling of een urgentie. in de Wet versterking regi e volkshuisvesting wordt dit voor alle gemeenten een verplichting. Er waren lange tijd geen volledige cijfers over hoeveel gedetineerden op jaarbasis in de regiogemeenten worden gehuisvest. Wel zijn er cijfers beschikbaar over het aantal gehuisveste nazorgkandidaten in 2021 (onafhankelijk van de duur dat men heeft gezeten). In figuur 3-4 staat aangegeven om hoeveel kandidaten het in de regiogemee nten ging. Zowel in absolute als relatieve zin leverde Ede in 2021 de grootste bijdrage aan het huisvesten van deze groep. In de recentelijk beschikbaar gestelde landelijke monitor aandachtsgroepen van de VNG zijn voor de periode 2018 t/m 2022 cijfers opgenomen die specifiek ingaan op de groep die langer dan 3 maanden in detentie heeft gezeten én daarna een sociale huurwoning heeft betrokken. Helaas zijn de hierin opgenomen aantallen nog exclusief jeugddetentie of forensische zorg. Exclusief deze categorieën werd in 2022 0,2% van alle beschikbare sociale huurwoningen is betrokken door een gedetineerde (die langer dan drie maanden in detentie heeft gezeten).
Het ging daarbij om 320 woningen. Companen heeft geraamd dat er voor de totale groep (inclusief jeugddetentie en forensische zorg) er landelijk jaarlijks tussen de 2.350 en 3.350 een zelfstandige woning nodig zijn. Het gaat hier hoe dan ook getalsmatig om een kleine groep.
3.7
Dreigend) dakloze mensen
In het ‘Nationaal Actieplan Dakloosheid: Eerst een thuis ’ (november 2022) is de ambitie uitgesproken om ervoor te zorgen dat in 2030 iedereen een dak boven het hoofd heeft. Het actieplan heeft een impuls gegeven aan de inspanningen van gemeenten om (regionaal) de dakloosheid fors en structureel terug te dringen. De aandacht die dakloosheid krijgt in het programma ‘Een thuis voor iedereen’ laat zien dat deze inspanningen, volgens het Rijk, nog niet voldoende zijn en er meer nodig is. Hoe de regio Foodvalley hier inrichting aan geeft is uit de documenten niet te herleiden. Er zijn geen provincie dekkende cijfers beschikbaar over het aanta l dak- en thuislozen. Er zal in de regiogemeenten dus vooralsnog moeten volstaan met lokale cijfers en inschattingen. Echter geldt voor de regio Foodvalley dat er in de aangeleverde informatie geen informatie staat over het aantal (dreigend) dakloze inwone rs in de regio.
12
Hoewel exacte cijfers over het aan dak- en thuislozen ontbreken, biedt het provinciale onderzoek voor deze aandachtsgroep wel relevante cijfers: • De groep inwoners met een verstandelijke en psychiatrische beperkingen (zoals gesproken in paragraaf 3.3) is een belangrijke risicogroep. • Waar het gaat om de groep die verblijft in de openbare ruimte, geldt dat deze op dit moment (landelijk) voor meer dan de helft bestaat uit arbeidsmigranten (waarop in paragraaf 3.10 wordt ingegaan). Volgens het landelijk actieplan zou het aantal dak- een thuislozen in 2030 tot minimale aantallen moeten zijn gereduceerd.
6 5
5 4
3
3
3
Wageningen
Veenendaal
Scherpenzeel
Rhenen
Renswoude
Nijkerk
Ede
0
100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0
aantal nazorgkandidaten 2021
7
Foodvalley
10 9 8 7 6 5 4 3 2 1 0
Het aantal in 2021 gehuisveste nazorgkandidaten in de regiogemeenten
Barneveld
nazorgkandidaten per 10.000 inwoners
figuur 3-4
per. 10.000 inw. abs
Bron: Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI)
3.8
Stoppende sekswerkers
Er is in Nederland een landelijk dekkend netwerk van uitstapprogramma ’s voor sekswerkers. Om dit in stand te houden is er een Decentralisatie Uitkering Uitstapprogramma’s Prostituees (DUUP) die aan achttien DUUP-gemeenten wordt versterkt. In de regio Foodvalley is Ede de (centrum)gemeente. Deze gemeenten hebben de taak om sekswerkers in hun regio te helpen de prostitutie te verlaten. Soms verandert men daarbij niet alleen van beroep, maar i s ook een andere woning/woonsituatie wenselijk. Vandaar dat deze groep van het Rijk een wettelijke urgentie krijgt. Exacte cijfers over het aantal vrouwen en mannen waarover het hier gaat ontbreken en er is geen landelijke monitor van het aantal uittredend e sekswerkers. Wel hebben we cijfers ontvangen van het aantal inwoners dat seksueel uitgebuit wordt. De cijfers houden niet de precieze regio-indeling aan, zoals in dit onderzoek. Voor de regio Foodvalley (ex. Veenendaal) geldt dat het gaat om 4 inwoners i n 2023.
13
3.9
Statushouders
Het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) koppelt vergunninghouders aan gemeenten, naar rato van het aantal inwoners van de gemeenten. Gemeenten moeten vervolgens zorgen voor passende woonruimte voor statushouders. Aan deze werkwijze verandert de wet versterking regie op de volkshuisvesting niet. De nieuwe coalitie lijkt deze ook in stand te houden, al ontmoedigt de coalitie constructies waarbij de statushouders voorrang krijgen op regulier woningzoekenden bij de to ewijzing van sociale huurwoningen. Alle regiogemeenten hebben zich de afgelopen jaren ingespannen om aan de taakstelling te voldoen. Het ene jaar lukte dat beter dan het andere. In figuur 3-5 staat de realisatie eind 2023 weergegeven. Het gaat hier nadrukkelijk op een momentopname, het zegt niets over de inspanningen en resultaten over een lange periode. In de landelijke monitor Een thuis voor iedereen van de VNG zijn de trends over de afgelo pen jaren terug te zien. Daaruit blijkt de realisatie jaarlijks te fluctueren. Daarnaast komt er een structurele trend naar voren, dat het door de toenemende druk op de woningmarkt steeds lastiger wordt aan de taakstelling te voldoen.
120% 100%
107% 90%
96%
109%
110%
300
101% 250
79%
80%
103%
73%
200
0
Rhenen
Wageningen
0%
Veenendaal
50
Scherpenzeel
20%
Renswoude
100
Nijkerk
40%
Ede
150
Barneveld
60%
taakstelling statushouders 2023 (incl.)
Taakstelling statushouders in de regiogemeenten
Foodvalley
perc. taakstelling gerealiseerd
figuur 3-5
aandeel gerealiseerd
taakstelling 2023 (incl.)
Bron: Ministerie van BZK, bewerking In.Fact.Research
Over de gehele provincie geldt dat 84% van de statushouders in 2023 is gehuisvest. In de regio Foodvalley ligt dit aandeel hoger, rond de 90%. Vooral in de gemeenten Wageningen, Scherpenzeel en Renswoude is men er in geslaagd om meer statushouders te huisvesten dan de taakstelling. Met name de gemeenten Ede en Nijkerk scoren lager. Bij de discussie omtrent de (problemen met de) huisvesting van statushouders wordt vaak ook gewezen op de bijdragen die gemeenten leveren aan het opvangen van Oekrainers en asielzoekers. De opvang van deze groepen maakt geen onderdeel uit van Een thuis voor iedereen, maar is als referentie toch in beeld gebracht:
14
• De ‘Wet gemeentelijke taak mogelijk maken asielopvangvoorzieningen (Spreidingswet)’ is in februari 2024 aangenomen en zou begin volgend jaar in werking treden. In figuur 3-6 staat de indicatieve taakstelling voor de regiogemeenten weergegeven. De nieuwe coalitie heeft aangekondigd de wet te willen intrekken.
0,8%
800
0,7%
0,7%
0,6%
0,6%
0,6%
0,6%
0,6%
0,6%
700
0,6% 0,6%
0,5%
600 0,4%
500
0,0%
0
Barneveld
Wageningen
100
Veenendaal
200
0,1%
Scherpenzeel
0,2%
Rhenen
300
Renswoude
0,3%
Nijkerk
400
Ede
0,4%
indicatieve taakstelling opvang vluchtelingen
Indicatieve taakstelling opvang vluchtelingen in de regiogemeenten
Foodvalley
taakstelling vlichtelingen als % totaal aantal inwoners
figuur 3-6
taakstelling als % inwoners indicatieve taakstelling vluchtelingen
Bron: Ministerie van Justitie
3,0%
600
2,7%
2,5%
500
2,0%
400
1,5%
300
1,0% 0,5%
0,4%
200
0,6% 0,4%
0,4%
0,3%
0,4%
0,3%
0,5%
Wageningen
Veenendaal
Scherpenzeel
Rhenen
Renswoude
Nijkerk
Ede
0
Barneveld
0,0%
100
aantal ingeschreven Oekrainers
Aantal ingeschreven Oekraïners in de regiogemeenten
Foodvalley
Oekrianers als % totale bevolking
figuur 3-7
percentage inwoners ingeschreven Oekrainers
Bron: CBS
• In figuur 3-7 staat aangegeven hoeveel mensen met de Oekraïense nationaliteit staan ingeschreven in de verschillende gemeenten. De tabel levert daarmee een indicatie over hoeveel wordt bijgedragen aan de opvang van de vluchtelingen uit Oekraïne.
15
Dat is relevant omdat ook de Oekraïners ruimte nodig hebben om in te wonen en leven. De toekomstige ontwikkeling van het aantal statushouders is onzeker. Een blik op het verleden leert deze verloopt in pieken en dalen. Het is dan ook de verwachting dat er na de huidige piek een periode aanbreekt met lagere aantallen. Ook het beleid van de nieuwe coalitie kan hierbij een rol spelen.
3.10 Arbeidsmigranten In navolging van commissie Roemer wordt in het programma ‘Een thuis voor iedereen’ aandacht gevraagd voor de positie van arbeidsmigranten. In de hier gehanteerde definities gaat het om alle mensen die vanuit de EU naar Nederland komen om te werken. Er wordt onderscheid gemaakt in herkomst (de EU) maar niet in inkomen of verblijfsduur. Uiteraard moeten alle arbeidsmigranten ergens wonen, maar de problemen in de huisvesting manifesteren zich met name bij de lagere inkomens en de ‘short en mid stay’. En het zijn ook pensions voor deze groepen die in bestaande woon wijken soms voor overlast zorgen. In figuur 3-8 staat per regio aangegeven hoeveel arbeidsmigranten er in de regiogemeenten werken. Bron is de migratiemonitor van het CBS, die uitgaat van dezelfde definitie als in het programma van Etvi, hetgeen betekent dat bijvoorbeeld in Wageningen ook de aan de universiteit verbonden kenniswerkers zijn inbegrepen . In figuur 3-9 staat het aantal in de BRP ingeschreven personen uit Midden- en Oost-Europa weergegeven. Uit deze landen zijn de short stay arbeidsmigranten in de lage lonen vaak afkomstig. Voor de spreiding van deze arbeidsmigranten is dit vermoedelijk een betere indicator. Dit geldt niet voor de aantallen, want een deel van deze groep heeft zich natuurlijk permanent in Gelderland gevestigd. Aantal arbeidsmigranten in de regiogemeenten (2020) 4,2%
4,5%
4,0%
3,5%
3,5%
3,4%
2,1%
2,0%
2,0%
1,9%
2,0%
Veenendaal
2,5%
Scherpenzeel
3,0%
1,5% 1,0%
0,5%
0,5%
Bron: Migrantenmonitor CBS
16
Wageningen
Rhenen
Renswoude
Nijkerk
Ede
0,0%
Barneveld
aantal arbeidsmigranten als % totaal aantal inwoners
figuur 3-8
Beide figuren laten zien dat er vermoedelijk in elke gemeente arbeidsmigranten werken en wonen of verblijven. In Nijkerk en Renswoude is de problematiek rondom arbeidsmigranten vermoedelijk het grootst. Qua arbeidsmigranten scoort ook Wageningen relatief hoog, maar daarbij speelt de universiteit vermoedelijk een belangrijke rol. De weergegeven landelijke cijfers bieden eerste indicaties, lokaal zal het beeld verder moeten worden verfijnd. Voor de regio Foodvalley geldt dat er een document is aangeleverd waarin de provincie Utrecht is gekeken naar aantallen, ontwikkeling en huisvestingsopgave van deze groep. Hierin is ook de regio Foodvalley expliciet meegenomen. Hoe het aantal arbeidsmigranten zich in de toekomst gaat ontwikkelen is onzeker. Deze ontwikkeling is zowel afhankelijk van de ontwikkelingen in de landen van herkomst als het beleid in Nederland en de regio (met name op het vlak van de economie).
Aantal MOE-landers in de regiogemeenten (2023)
2,5% 1,9%
2,0% 1,4%
1,5%
1,2%
1,1% 1,0%
0,9%
0,8%
0,7%
1,0%
0,5%
Wageningen
Veenendaal
Scherpenzeel
Rhenen
Renswoude
Nijkerk
Ede
0,0% Barneveld
aantal MOE-landers als % totaal aantal inwoners
figuur 3-9
Bron: CBS
3.11 Studenten Alle personen die staan ingeschreven voor een voltijd mbo, hbo of universitaire opleiding worden in het programma Een thuis voor iedereen tot de aandachtsgroep ‘student’ gerekend. In figuur 3-10 staat per gemeente aangegeven hoeveel studenten er wonen. Het gaat hier zowel om thuis- als uitwonende studenten. Mede vanwege de Wageningen Universiteit is het aandeel studenten in Wageningen met bijna 20% relatief hoog. In de overige gemeenten, zonder grote onderwijsinstellingen, schommelt d it aandeel tussen 5,5% in Scherpenzeel en 6,8 in Ede. Het afgelopen decennia nam het aantal studenten sterk toe, met name door instroom vanuit het buitenland. Deze toename is enkele jaren gestopt en inmiddels wordt een afname van het aantal studenten verwacht. De afnemende studentenpopulatie maakt het oplossen van de tekorten aan studentenhuisvesting vermoedelijk eenvoudiger/overzich-
17
telijker. Lokaal is het vaak wenselijk de uitwonende studenten apart in beeld te brengen. De landelijke monitor aandachtsgroepen van de VNG biedt op dit punt meer informatie.
6,1%
6,0%
5,5%
Renswoude
Rhenen
Scherpenzeel
HBO/WO
6,3%
aantal studenten als % totaal aantal inwoners
6,4%
20,0% 18,0% 16,0% 14,0% 12,0% 10,0% 8,0% 6,0% 4,0% 2,0% 0,0%
Wageningen
6,8%
Veenendaal
6,1%
Nijkerk
MBO
19,8%
Ede
10.000 9.000 8.000 7.000 6.000 5.000 4.000 3.000 2.000 1.000 0
Barneveld
aantal studenten
figuur 3-10 Aantal studenten in de regiogemeenten
Perc.
Bron: CBS
3.12 Woonwagenbewoners Er wordt in Nederland niet op etniciteit geregistreerd dus het is onbekend hoeveel Roma, Sinti en Reizigers er exact in Nederland noch in de regiogemeenten wonen. Wel is bekend dat deze groep te maken heeft met specifieke problemen, onder meer veroorzaakt doordat gemeenten jarenlang een uitsterf- of nuloptiebeleid ten aanzien van woonwagenplaatsen hanteerden. Zowel het College voor de Rechten van de Mens als de Nationale ombudsman hebben hier uitspraken over gedaan. Ook een goede landelijke registratie van het exacte aantal standplaatsen ontbreekt. Het CBS levert het aantal permanent bewoonde standplaatsen, maar daaron der vallen ook caravans op campings. In.Fact.Research heeft om deze reden op basis van CBS -Microdata het aantal standplaatsen op ‘woonwagencentra’ in beeld gebracht. In figuur 3-11 staan beide aantallen weergegeven voor de regiogemeenten. Beide aantallen worden in de praktijk niet altijd herkend. Voor een goed beeld zijn lokale/regionale cijfers essentieel. Vanuit de regio Foodvalley zijn er echter geen integrale cijfers aangeleverd over het aantal woonwagenstandplaatsen in de regio. Wageningen geeft aan dat er twee woonwagenkampjes zijn met 5 standplaatsen op de ene en 12 standplaatsen op de andere.
Uit landelijke referenties (waaronder onderzoek in de Groene Metropoolregio) blijkt dat het tekort aan woonwagens ongeveer gelijk is aan 70 tot 90% van het huidige aantal
18
standplaatsen. Zodra dit aantal bekend is, kan op basis van deze percentages de regionale opgave indicatief worden bepaald.
0,4%
100
0,2%
50
0,0%
0 Rhenen
aantal standplaatsen
150
Wageningen
0,6%
Veenendaal
200
Scherpenzeel
0,8%
Renswoude
250
Nijkerk
1,0%
Ede
300
Barneveld
1,2%
Foodvalley
standplaatsen als % woningen
figuur 3-11 Aantal woonwagenstandplaatsen in de regiogemeenten
perm. bew. standpl. % woningen
standpl. woonwagencentr. % woningen
permanent bewoonde standplaatsen
standplaatsen functie woonwagencentrum
Bron: CBS
19
4 Ouderen In dit hoofdstuk wordt de vergrijzing met haar consequenties in beeld gebracht. De regio Foodvalley vergrijst minder snel dan de rest van de provincie, maar de consequenties zijn nog altijd groot. Zo komen er over de periode 2022-2031 komen er 1.120 ouderen met een behoefte aan verpleegzorg bij. Voor deze ouderen moet passende huisvesting met zorg en ondersteuning ontwikkeld worden. De mate van vergrijzing verschilt per gemeente. Lokaal maatwerk is vereist en dat geldt in bepaalde mate ook voor regionale afstemming.
4.1
Inleiding
Ook in Foodvalley neemt het aantal ouderen de komende snel toe. Deze vergrijzing levert maatschappelijke vraagstukken op veel terreinen, waaronder de woningmarkt. Op gemeentelijk niveau krijgt het thema in Foodvalley al aandacht, de aandacht op regionaal niveau is beperkt. Het Rijk verwacht van alle Nederlandse regio ’s dat ze deze zomer komen een regionaal afsprakenkader ouderenhuisvesting, dat als opmaat kan dienen voor de actualisatie van de woondeals in 2025.
4.2
De vergrijzing
Dat het aantal ouderen fors toe gaat nemen is een onomkeerbaar proces. Het is een direct gevolg van de ‘bult’ in de demografische opbouw, tussen de leeftijd van 50 en 75 jaar. In figuur 4-1 is deze in beeld gebracht, zowel voor Foodvalley als voor Gelderland en Nederland in totaliteit.
figuur 4-1
De leeftijdsopbouw in Foodvalley, Gelderland en Nederland per 1-1-2023
1,8%
1,6% 1,4% 1,2% 1,0% 0,8% 0,6% 0,4% 0,2%
0 jaar 4 jaar 8 jaar 12 jaar 16 jaar 20 jaar 24 jaar 28 jaar 32 jaar 36 jaar 40 jaar 44 jaar 48 jaar 52 jaar 56 jaar 60 jaar 64 jaar 68 jaar 72 jaar 76 jaar 80 jaar 84 jaar 88 jaar 92 jaar 96 jaar
0,0%
Nederland
Gelderland (PV)
Bron: CBS
20
Regio Foodvalley
Op basis van deze eenvoudige figuur, zijn al een aantal belangrijke conclusies te trekken: • Het grootste deel van de babyboomgeneratie moet de grens van de 85 jaar nog passeren. De toename van het aantal 85-plusssers staat dus nog maar het begin. • De bult heeft de vorm van een tafelberg. Dat betekent dat zodra de piek van de vergrijzing bereikt is, deze nog enige tijd op een hoog niveau zal blijven. • In Foodvalley zal de vergrijzing (in relatieve zin) gemiddeld wat minder sterk zijn dan in de rest van het land (de bult is hier wat lager ). De vergrijzing is een algemene trend, waarvan de gevolgen ove ral in de provincie voelbaar zullen zijn. Uiteraard zijn er wel belangrijke verschillen tussen gemeenten en kern en dorpen in de mate en het tempo van vergrijzing. Daar zal bij de uitwerking van het beleid oog voor moeten zijn.
figuur 4-2
De mate van vergrijzing in de gemeenten in Foodvalley per 1-1-2023
25%
7%
2% 7% 6%
2% 6%
2% 6%
2% 7%
Nederland
Gelderland (PV)
Regio Foodvalley
9%
10%
10%
Nijkerk
10%
Ede
12%
Barneveld
11%
2%
7%
6%
8%
6%
10% 5%
1%
2%
9%
2% 6%
12%
10%
10%
9%
Wageningen
15%
3%
2%
Veenendaal
2%
Scherpenzeel
20%
65-75 jaar
75-85 jaar
Rhenen
Renswoude
0%
85 jaar of ouder
Bron: CBS
In Foodvalley geldt dat de vergrijzing in Rhenen het meest gevorderd is. Daar is momenteel circa 23% van de inwoners ouder dan 65 jaar. In Renswoude gaat het om 16% (zie ook figuur 4-2). Dit soort verschillen werken door in de toekomst. Zo is in Rhenen de toename van het aantal 65-plussers tot 2040 met 32% relatief beperkt, terwijl deze toename in Barneveld op ruim 60% ligt. Deze toename is weergegeven in figuur 4-3. Deze figuur maakt ook duidelijk dat de belangrijkste toename niet zozeer zit in het aantal 65-plussers, maar vooral in het aantal 85-plussers (de as is bij de leeftijdsgroep dubbel zo groot). In Renswoude neemt het aantal 85-plussers het meest toe. In Barneveld is deze toename het laagst, maar nog altijd 93%. 21
In figuur 4-4 is deze trend op andere wijze weergegeven. Hier is duidelijk zichtbaar dat het aantal ouderen in de leeftijd van 65 tot 70 jaar tot 2030 nog wat toeneemt, maar daarna gaat afnemen. De toename van het aantal oudere ouderen zet echter in versterkte mate door.
120%
60%
60%
30%
0%
0% Foodvalley
90%
Veenendaal
180%
Rhenen
120%
Renswoude
240%
Wageningen
150%
Scherpenzeel
300%
Nijkerk
180%
Ede
360%
Bron: Gelderse en Utrechtse Primos
figuur 4-4
Het aantal ouderen in Foodvalley in 2022, 2030 en 2040
160.000 140.000
95-plus
120.000
90-95 100.000
85-90
80.000
80-85
60.000
75-80
40.000
70-75
20.000
65-70
2022
2030
2040
Bron: Gelderse en Utrechtse Primos
22
procentuele toename 22-40 65-plus
De verwachte toename van het aantal ouderen per regio in de periode 2022-2040
Barneveld
procentuele toenae 22-40 85-plus
figuur 4-3
85-plus 65-plus
4.3
Ouderen met beperkingen
Met de vergrijzing neemt ook het aantal ouderen met beperkingen toe. De mate waarin, is niet exact te voorspellen. Jarenlang werd er van uitgegaan dat de levensverwachting weliswaar toe zou nemen, maar dat het hierbij lang niet altijd gaat om gezonde levensjaren. Actuele onderzoeken laten zien dat we er wel degelijk gezonde levensjaren krijg en. Het aandeel ouderen met somatische problemen neemt af, door betere behandelingen en hulpmiddelen. Voor dementie is er nog geen behandeling, waardoor de groep dementerende met het aantal ouderen sterk toeneemt. In.Fact.Research heeft een raming gemaakt van de verwachte ontwikkeling van het aantal ouderen met behoefte aan verpleegzorg (de groep met de meest intensieve zorgbehoefte, zorg waar een Wlz-indicatie voor is vereist). Daarbij is aangesloten bij de Gelderse Primosprognose en Utrechtse Primosprognose. In tabel 4-1 staan de uitkomsten per gemeente weergegeven.
tabel 4-1
De verwachte ontwikkeling van het aantal ouderen met beperkingen die leiden tot een behoefte aan verpleegzorg aantallen 2022
Barneveld
ontwikkeling 2031
ontwikkeling %
2035
2040 2022-2031 2022-2035 2022-2040 2022-2031 2022-2035 2022-2040
630
785
885
1.020
155
255
390
25%
40%
62%
1.090
1.360
1.520
1.720
270
430
630
25%
39%
58%
Nijkerk
400
515
570
635
115
170
235
29%
43%
59%
Renswoude
25
40
50
55
15
25
30
60%
100%
120%
Rhenen
195
255
280
305
60
85
110
31%
44%
56%
Scherpenzeel
115
180
205
215
65
90
100
57%
78%
87%
Veenendaal
660
900
1.020
1.155
240
360
495
36%
55%
75%
Wageningen
700
900
1.020
1.165
200
320
465
29%
46%
66%
Foodvalley
3.815
4.935
5.545
6.270
1.120
1.730
2.455
29%
45%
64%
Ede
Bron: In.Fact.Research op basis van de Gelderse Primos en de Utrechtse Primosprognose
De tabel maakt de omvang van de opgaven direct duidelijk. Er komen in Foodvalley tot 2031 ongeveer 1.120 ouderen bij met een behoefte aan verpleegzorg. Tot 2040 gaat het zelfs om ruim 2.455 ouderen, een toename van 64% ten opzichte van het huidige aantal. De toename is in relatieve zin het grootst in Renswoude (+120% tot 2040) en het kleinst in Rhenen (+56% tot 2040). Leveringsvormen Elk van deze ouderen heeft in de toekomst behoefte aan woonruimte, zorg en ondersteuning. De wijze waarop aan deze behoefte zal worden voldaan, is lastig vooraf (en van vooral bovenaf ) exact te bepalen. De groep ontvangt de zorg en ondersteuning op verschillende wijzen: •
Intramuraal. De ontwikkeling hiervan is mede afhankelijk van het landelijk beleid ten aanzien van de intramurale capaciteit en de invulling van dat beleid door de regionale zorginstellingen.
23
•
Geclusterd (Vpt). Er is geen exact zicht op het aantal vorm en van geclusterd Vpt binnen de regio en de ontwikkeling daarvan. Het is zaak het beeld hierop te verfijnen. In de Gelderse WoonZorgwijzer zijn kaarten opgenomen met clusters van indicaties, die hierbij kunnen helpen.
•
Individueel (Vpt/mpt/pgb). Ook hier geldt dat de huidige aantallen niet scherp in beeld zijn. Deze leveringsvorm is in trek, omdat hij ouderen niet alleen in staat stelt zelfstandig, maar ook ‘thuis’ te blijven wonen. De vraag is echter of deze vorm van zorg ook in de toekomst overal in de regio geleverd kan worden.
Qua aantallen gaat het bij deze categorieën om communicerende vaten. Wordt er van de ene vorm wat minder geboden, dan neemt de behoefte aan de andere vormen automatisch toe. Het totaal aantal ouderen met een behoefte aan verpleegz org blijft immers gelijk.
4.4
Woonvormen
Het is momenteel lastig vast te stellen via welke leveringsvorm de ouderen met een behoeft aan verpleegzorg in de toekomst zorg ontvangt. Daarbij speelt het rijksbeleid een rol, maar ook het beleid van de lokale stakeho lders. Gezamenlijk zal men tot afspraken moeten komen. Dat geldt ook voor de benodigde woonvormen. De samenstelling van het hier benodigde aanbod is uiteraard nauw verweven met de leveringsvormen. Het ministerie van BZK heeft ABF een berekening laten maken van het aantal benodigde zelfstandige woonvormen per gemeente. Daarbij is onderscheid gemaakt in zorggeschikte woningen, geclusterde woningen en nultredenwoningen. In tabel 4-2 staan de geraamde opgaven per gemeente weergegeven. BZK heeft een memo opgesteld met de definities zoals deze in de monitoring straks worden gehanteerd. Deze zal binnenkort breed worden verspreid.
tabel 4-2
De door ABF geraamde opgaven ouderenhuisvesting van 2022 tot 2031
Barneveld Ede Nijkerk Scherpenzeel Wageningen Renswoude Rhenen Veenendaal totaal
zorggeschikt geclusterd nultreden 120 205 520 205 555 1.580 105 40 280 40 25 70 60 160 285 10 0 35 40 120 35 190 395 985 770 1.500 3.790
Bron: BZK/ ABF
Voor een goede interpretatie van de aantallen is het volgende belang:
24
• Achter de bij ‘zorggeschikte woningen’ genoemde aantallen, gaat een raming schuil van het aantal ouderen dat nu nog in een verpleeghuis terecht kan, maar bij bevriezing van de capaciteit niet langer. • Achter de bij ‘geclusterd wonen’ genoemde aantallen, gaat een grote variatie aan ouderen schuil. Voor een deel gaat het om ouderen die verpleegzorg nodig hebben of voorzien deze binnen afzienbare termijn nodig te hebben. Voor een ander deel gaat het om een kwalitatieve vraag. • Bij ‘nultredenwoningen’ gaat het om een brede groep ouderen, met of zonder beperkingen. Toen deze aantallen eind 2023 (via de provincie) het land in werden gestuurd, hebben ze voor veel onrust gezorgd. Ook in de Foodvalley roepen ze (bijvoorbeeld bij gemeente Veenendaal) vragen op. Aan het begin van het provinciale onderzoek is daarom veel aandacht is besteed aan het doorgronden van de ABF-cijfers en het nader duiden van de betekenis. De uitkomsten daarvan zijn verwoord in een separate memo. Het ministerie van BZK heeft lang vastgehouden aan de aantallen van ABF, maar inmiddels is BZK zo ver dat lokale/regionale cijfers (mist goed onderbouwd) te prefereren zijn boven de aantallen van ABF. Lokale ramingen Het gemeentelijk beleid rondom wonen en zorg voor ouderen verschilt de mate van concreetheid.
In de ene gemeente is dit een paragraaf in de woonvisie, in de andere is er een woonzorgvisie opgesteld (of in wording). De uitgangspunten en aantallen in deze gemeentelijke stukken zijn niet op te tellen tot een integraal regionaal beeld, vanwege verschillen in definities en gehanteerde uitgangspunten. De reden waarom de lokale cijfers afwijken van de cijfers van ABF zijn terug te brengen tot de volgende drie verklaringen: • De gehanteerde demografische prognose (in oude prognoses zijn bijvoorbeeld de effecten van corona nog niet verdisconteerd). • Verschillende aannamen over ontwikkeling van de gezondheid van ouderen (er is steeds meer bewijs dat minder ouderen kampen met somatische problemen). • Verschillen in aangenomen beleid en gehanteerde definities. Om te komen tot een eenduidig integraal beeld in de regio is het wenselijk de cijfers (en het beleid) in regionale afstemming te actualiseren. Dit provinciale onderzoek biedt daarbij belangrijke houvast. Definities Bij het vergaren van dit regionale beeld is een helder begrippenkader uiteraard van belang. Waar het gaat om voor ouderen geschikte woonvormen is het daarbij van belang dat definities kunnen (en zelfs moeten) verschillen, afhankelijk van de doelstelling:
25
•
Monitoring. Het Rijk en de provincie willen grip/zicht krijgen op het aantal voor ouderen geschikte woningen. Daartoe zal er iets van een checklist moeten worden opgesteld om te bepalen in welke categorie een bepaalde woning valt.
•
Zoals gezegd zijn de gehanteerde parameters geen vast gegeven, maar input voor het gesprek in de regio. Voor de verpleegzorgplekken (homogeen geclusterd) geldt specifiek dat in Nederland zorgaanbieders vaak aangegeven geen nieuw vast goed te willen realiseren terwijl corporaties vaak aangegeven geen zorgvastgoed te willen realiseren. Het nieuwe kabinet heeft in het hoofdlijnenakkoord aangekondigd te willen investeren in verpleegzorgplekken. Mogelijk wordt daarmee de impasse op dit front doorbroken. Er zijn meer van dit soort onzekerheden die het lastig maken de opgaven in dit stadium heel concreet in te vullen.
•
De praktijk. In de praktijk wordt door zorginstellingen en c orporaties meer pragmatisch gekeken naar wat in welke woning voor welke inwoners mogelijk is. Daarbij gelden minder strenge regels dan bij de nieuwbouw en wordt niet alleen gekeken naar de woningkenmerken, maar ook naar de locatie.
Wat in ‘de praktijk’ als zorggeschikt wordt beschouwd, zal niet altijd voldoen aan de eisen in de nieuwbouw. En voor de monitoring gaat het te ver om alle bestaande woningen op te gaan meten om te kijken of ze aan die criteria voldoen. Er moet dus gewerkt worden aan verschillende begrippenkaders, die binnen de regio gedragen worden. De Gelderse benadering Daar waar ABF (en lokaal vaak Companen) in haar ramingen van de opgave direct de stap maakt het aantal benodigde vormen van (zelfstandig) wonen met zorg, is in deze provinciale studie voor een andere aanpak/zienswijze gekozen. Deze gaat ervan uit dat de gemeenten zich samen met de stakeholders zich in eerste instantie committeren aan de opgave om alle 4.935 ouderen met een behoefte aan verpleegzorg in de regio in 2031 van passende huisvesting en de benodigde zorg en ondersteuning te voorzien. Een dergelijke afspraak biedt meer mogelijkheden tot regionaal maatwerk, is meer flexibel en meer robuust dan alleen een afspraak over specifieke woonvormen. In deze benadering is het aan de regiogemeenten om samen met de stakeholders te komen tot een regio -specifieke ideale mix van woonzorgvormen. Uiteindelijk is het wel van belang ook afspraken over de bouwopgave te maken. Daar bij vraagt het ministerie van BZK om aan te sluiten op de landelijke definities inzake ‘zorggeschikt’, ‘geclusterd’ en ‘nultreden’.
In Foodvalley is men op dit vlak momenteel concrete stappen aan het zetten. De gemeenten (of in ieder geval een deel van de gemeenten) hadden liever gezien dat er door de provincie wél een concrete tabel werd gepresenteerd, die men kon vaststellen en als input kon gebru iken voor het gesprek met stakeholders. Dit terwijl de gedachte in dit rapport is dat een dergelijke tabel niet de input maar de output van het proces met stakeholders zou moeten zijn.
26
Onder bepaalde aannamen is het in dit onderzoek wel mogelijk een concre tiseringslag te maken. Daarbij geldt dat de gehanteerde parameters idealiter in overleg met de stakeholders worden vastgesteld. De in tabel 4-3 weergegeven aantallen zijn opgesteld op basis van de volgende aannamen: 1. Het huisvesten van de toenemende groep ouderen met een behoefte aan verpleegzorg is centraal gesteld (in de regio als geheel gaat het om 1.120 ouderen); 2. De aanname is dat 25% van deze ouderen in de thuissituatie kan blijven wonen en daar zorg en ondersteuning kan ontvangen (in de regio als geheel 280 ouderen). Het gaat dan men name om de groep 4 VV en delen van 5 en 6 VV. 3. De overige ouderen hebben een behoefte aan een zorggeschikte woning (in de regio gaat het om 840 ouderen); 4. Een deel van deze ouderen (we gaan uit van tussen de 20% en 40%) zal worden gehuisvest in een ‘verpleeghuis nieuwe stijl’ ook wel verpleegzorgplekken genoemd. 1 Het gaat hier (veelal) om complexen die lijken op een verpleeghuis (en vaak direct naast een bestaand verpleeghuis worden gerealiseerd), maar waar wonen en zorg gescheiden zijn. Deze complexen hebben vaak een homogene samenstelling (er wordt op zorgzwaarte toegewezen). 5. De overige (60% tot 80%) van deze ouderen kan worden gehuisvest in een gemengd complex.
In deze complexen wonen de ouderen met een behoefte aan verpleegzorg samen met meer vitale ouderen (of andere doelgroepen). Als wordt uitgegaan van een verhouding van 3 (vragers) tot 7 (dragers) levert dat ee n totale behoefte aan tussen de 1.685 en 2.235 gemengde geclusterde woningen. 6. Uiteraard geldt dat idealiter (bij nieuwbouw) ook de woningen voor de meer vitale ouderen zorggeschikt zijn, om te voorkomen dat de meer vitale ouderen (in het complex) moeten verhuizen op het moment dat men behoefte krijgt aan meer intensieve zorg. Zoals gezegd zijn de gehanteerde parameters geen vast gegeven, maar input voor het gesprek in de regio. Voor de verpleegzorgplekken (monotoon geclusterd) geldt specifiek dat in Nederland zorgaanbieders vaak aangegeven geen nieuw vastgoed te willen realiseren terwijl corporaties vaak aangegeven geen zorgvastgoed te willen realiseren. Het nieuwe kabinet heeft in het hoofdlijnenakkoord aangekondigd te willen investeren in verpleegzorgplekken. Mogelijk wordt daarmee de impasse op dit front doorbroken. Er zijn meer van dit soort onzekerheden die het lastig maken de opgaven heel concreet in te vullen. De regiogemeenten kunnen uiteraard ervoor kiezen het gesprek met de stakeholders in te gaan met een tabel waarin de opgaven ouderenhuisvesting worden geconcretiseerd.
Het kan zijn dat er plannen zijn de bestaande verpleeghuiscapaciteit (beperkt) uit te breiden. Dan kan een deel van deze ouderen daar worden gehuisvest. Als de verpleeghuiscapaciteit afneemt, moet niet alleen naar de toename van het aantal ouderen worden gekeken (zoals in de tabel) maar ook naar de vervangingsbehoefte. 1
27
Die tabel kan worden gebaseerd op de cijfers van Abf ( tabel 4-2) of tabel 4-3. Belangrijk is vooral een dergelijke tabel niet te hard als inzet te presenteren, dan bestaat het gevaar dat het gesprek alleen over de aantallen gaat. Dat gesprek kan een goede samenwerking op de langere termijn in de weg staan, terwijl juist die essentieel is om goed wonen, zorg en welzijn voor ouderen in de toekomst te garanderen.
tabel 4-3
Barneveld Ede Nijkerk Renswoude Rhenen Scherpenzeel Veenendaal Wageningen Foodvalley
Indicatieve opgaven ouderenhuisvesting over de periode 2022-2031 Toename ouderen met behoefte verpleegzorg ('22-'31) Totaal In Minimaal thuissituatie zorggeschikt 155 40 115 270 70 200 115 30 85 15 5 10 60 15 45 65 15 50 240 60 180 200 50 150 1120 280 840
Monotoom geclusterd Minimaal zorggeschikt 25 - 45 40 - 80 15 - 35 0- 5 10 - 20 10 - 20 35 - 70 30 - 60 170 - 335
Gemengd geclusterd Minimaal Idealiter zorggeschikt zorggeschikt 70 - 90 165 - 210 120 - 160 280 - 375 50 - 70 115 - 165 5 - 10 10 - 25 25 - 35 60 - 80 30 - 40 70 - 95 110 - 145 255 - 340 90 - 120 210 - 280 505 - 670 1180 - 1565
Totaal 235 - 300 400 - 535 165 - 235 15 - 35 85 - 115 100 - 135 365 - 485 300 - 400 1685 - 2235
Bron: In.Fact.Research op basis van de Gelderse en Utrechtse Primos
In hier gepresenteerde behoefteraming ontbreekt de categorie ‘nultreden’. De door Abf uitgevoerde raming (tabel 4-2) geeft een indicatief beeld van de toename van het aantal ouderen voor wie nultreden min of meer belangrijk is. Dit toenemend aantal ouderen leidt echter niet direct tot een bouwopgave, omdat : • er in de bestaande voorraad veel mogelijkheden liggen (zie ook paragraaf 5.4). • de nieuwbouw volgens het bouwbesluit vrijwel per definitie aanpasbaar of nultredenwoning is. Het is echter wel wenselijk: • goed na te denken over hoe en waar je (tijdige) aanpassingen in de voorraad stimuleert (bewustwording/voorlichting) en/of via de Wmo financiert. • mogelijk wat extra criteria in de nieuwbouw te stellen om de geschikth eid te vergroten (maar dat kan de gewenste versnelling ook bemoeilijken, dus wellicht beter adviezen of richtlijnen), • daarnaast blijft het voor de monitoring (van het Rijk) belangrijk bij te houden hoeveel nultredenwoningen er worden gepland en gerealiseerd. Voor wat betreft deze monitoring geldt dat in de definities van het Rijk alle clusters van nultredenwoningen groter dan 12 én een ontmoetingsruimte (inpandig of binnen ongeveer 100 loopafstand) tot een geclusterde woonvormen worden gerekend. Dat is een bredere definitie dan in deze behoefteraming is gehanteerd, ook daar moet bij de monitoring straks rekening worden gehouden.