CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3b Verbeelding bestemmingsplan Achterbergsestraatweg 134

Raadsvergadering 31 mei 2022, gemeente RhenenBij agendapunt: Raadsvoorstel ongewijzigde vaststelling bestemmingsplan Achterbergsestraatweg 13412.658 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.

Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan.

Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en

26

vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek De volgende afbeelding toont een uitsnede van de risicokaart externe veiligheid.

Uitsnede risicokaart externe veiligheid (plangebied: blauwe ster)

Uit raadpleging van de risicokaart blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Ook het vervoer van gevaarlijke stoffen via het spoor of door buisleidingen is in de omgeving van het plangebied niet aan de orde. Wel is ten westen van het plangebied op circa 140 m (provinciale weg N233) een transportroute gevaarlijke stoffen gelegen. De bijbehorende risicoafstand (plaatsgebonden risico) betreft 0 m. Het plangebied valt daarmee ruim buiten de bijbehorende risicocontour. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Bovendien voorziet de voorgenomen ontwikkeling in een beperkte uitbreiding van het bestaande bedrijf. Daarmee neemt het aantal personen dat aanwezig is in het plangebied niet of nauwelijks toe. Wanneer zich een ramp zou voordoen op de N233 hebben personen in het plangebied diverse mogelijkheden om zich in veiligheid te brengen. Zo ligt het plangebied op voldoende afstand tot de weg om te kunnen vluchten. Het aspect externe veiligheid vormt zodoende geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

27

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Soortbescherming De locatie van het beoogde bedrijfsgebouw is al ingericht als bedrijfsterrein. Het slopen van bebouwing of het kappen van bomen is niet aan de orde. Werkzaamheden zullen daarmee niet leiden tot aantasting van beschermde soorten. Indien er ruimtelijke ingrepen plaatsvinden moet rekening worden gehouden met de zorgplicht. Er moet tijdens de werkzaamheden voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura-2000 gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Wel wordt een vervolgonderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening noodzakelijk geacht. Voor de Natuurnetwerk Nederland gebieden geldt dat geen rekening gehouden dient te worden met externe effecten bij ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied grenst aan de noordoostzijde aan een strook die behoort tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Er vinden geen werkzaamheden plaats binnen het NNN, waardoor geen sprake is van aantasting van wezenlijke waarden en kenmerken van dit NNN. Bij het NNN is externe werking geen toetsingskader. Er is dus geen vervolgonderzoek noodzakelijk voor de Natuurnetwerk Nederland gebieden.

Er zal wel rekening gehouden worden met de waarden en kenmerken van het aangrenzende NNN. Er zijn op de planlocatie geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Stikstofdepositie Omdat de beoogde ontwikkeling gepaard gaat met de uitstoot van stikstof in de bouw- en de gebruiksfase moet er in beeld worden gebracht wat de mogelijke effecten van de ontwikkeling zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Natura 2000-gebied 'Rijntakken', dat zich op een afstand van 1,4 km bevindt, is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied. In de bouwfase zorgen werktuigen en vervoer van personeel voor de uitstoot van stikstof. In de gebruiksfase zorgen verkeersbewegingen van bewoners en bezoekers voor uitstoot van stikstof. Het bedrijfsgebouw veroorzaakt tijdens de gebruiksfase geen stikstofuitstoot. Uit de berekening (Buro SRO, 6 mei 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4) blijkt dat de stikstofdepositie als gevolg van de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar. Conclusie Het aspect ecologie vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

28

4.8 Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin overgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Archeologie De gronden in het plangebied zijn aangeduid met de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ en de gebiedsaanduiding ‘overige zone - hoge verwachtingswaarde’. Dit betekent dat alle bouwactiviteiten vanaf 100 m² en dieper dan 30 cm zijn uitgesloten, totdat archeologisch onderzoek aantoont dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn.

Onderhavige ontwikkeling voorziet in de realisatie van een bedrijfsgebouw van meer dan 100 m². De gronden worden hierbij mogelijk opgehoogd. De gronden van het plangebied lopen af naar het noorden. De ophoging is nodig om het terrein te egaliseren en een goed functionerende afwatering te kunnen realiseren. Na de ophoging zal het terrein ten hoogste een vergelijkbare hoogte als de Achterbergsestraatweg hebben, waardoor landschappelijke waarden niet verloren gaan. Door de ophoging zullen er mogelijk geen bodemingrepen plaatsvinden dieper dan 30 cm beneden het huidige maaiveld. In dat geval is een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk. Wanneer er wel dieper dan 30 cm (en over een oppervlakte groter dan 100 m²) gegraven wordt, is een archeologisch onderzoek wel noodzakelijk. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zal dit beoordeeld worden. Cultuurhistorie In het plangebied bevinden zich geen rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten. De locatie betreft een bedrijfsterrein waar geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn. Er zijn tevens geen waardevolle bomen in het plangebied aanwezig.

4.9 Waterhuishouding Op grond van artikel 3.1.6 uit het Besluit ruimtelijke ordening dient in bestemmingsplannen een waterparagraaf te worden opgenomen. In de paragraaf wordt aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie. Het is de schriftelijke weerslag van de zogenaamde watertoets: 'het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren (door de waterbeheerder), afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in de ruimtelijke plannen en besluiten'. Ten aanzien van de waterhuishouding is het geldende beleid van de verschillende overheden leidend. Het Waterschap Vallei en Veluwe heeft het Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 vastgesteld en heeft in samenwerking met haar waterpartners het Waterhuishoudingsplan opgesteld. Beleidskader Het streven naar een veilig, gezond en duurzaam waterbeheer staat landelijk in de belangstelling. Het landelijk waterbeleid is beschreven in het Nationaal Waterplan, de Startovereenkomst 'Waterbeleid 21e eeuw' (WB21) en het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW). Op regionaal niveau is het waterbeleid beschreven in het Waterbeheersplan (Waterschap Vallei en Veluwe). De Kaderrichtlijn Water (KRW) is het Europees waterbeleid.

29

De KRW streeft naar duurzame en robuuste watersystemen. Basisprincipes van het nationaal (WB21) en Europees (KRW) beleid zijn:

• • •

meer ruimte voor water; voorkomen van afwenteling van de waterproblematiek in ruimte of tijd; standstill situatie: géén verdere achteruitgang in de huidige (2000) chemische en ecologische waterkwaliteit.

Dit heeft geresulteerd in de twee drietrapsstrategieën voor:

• •

Waterkwantiteit: vasthouden, bergen, afvoeren; Waterkwaliteit: schoonhouden, scheiden, zuiveren.

Waterbeheerprogramma 2016 - 2021 Het algemeen bestuur van waterschap Vallei en Veluwe heeft op 30 september 2015 het waterbeheerprogramma vastgesteld. In het waterbeheerprogramma beschrijft het waterschap haar ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, het zorgen voor voldoende én schoon oppervlaktewater, het zuiveren van afvalwater en het verder ontwikkelen van de vele samenwerkings- en innovatiemogelijkheden. De waterbeheerder heeft het bovenregionale oppervlaktewaterbeleid vertaald naar regionale richtlijnen, normen en vergunningsvoorschriften. Toename van verhard oppervlak dient gecompenseerd te worden door het realiseren van voldoende extra waterberging. Ten aanzien van het afkoppelen van verhardoppervlak van het riool heeft het waterschap een afkoppelbeslisboom opgesteld. Indien het regenwater van de daken naar het oppervlaktewater wordt afgevoerd, of in de bodem geïnfiltreerd wordt mag er geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen, zoals koper, lood en zink, voor dak- gevelbekleding en goten. Waterbeleid gemeente Rhenen De gemeente Rhenen heeft haar waterbeleid vastgesteld in een verbreed gemeentelijk rioleringsplan plus (2015-2019). In het vGRP+ is ook het waterplan “een berg mooi water” van de gemeente Rhenen geëvalueerd en opgenomen. In het vGRP+ streeft de gemeente naar:

• • •

bescherming van de volksgezondheid; een goede leef- en werkomgeving; bescherming van het milieu.

Dit doet de gemeente door te voldoen aan haar wettelijke zorgplichten:

• • •

het afvalwater op te vangen en te vervoeren; het afvloeiend hemelwater op te vangen en te bergen; het nemen van maatregelen als er sprake is van structurele grondwateroverlast.

Concreet betekent dit dat er gewerkt wordt aan een duurzaam rioolstelsel waarbij het afkoppelen van hemelwater en infiltratie in de bodem centraal staat. Daarnaast hanteert de gemeente Rhenen haar gidsprincipes die in het waterplan zijn uitgewerkt. Een deel van deze gidsprincipes hebben een directe relatie met de ruimtelijke ordening en worden hieronder weergegeven:

• •

water is mede bepalend voor de ruimtelijke ordening;

•

afvoeren;

het waterkwantiteitsbeheer is gericht op water vasthouden, zo nodig bergen en pas in laatste instantie;

30

• • • •

zelfregulerende robuuste watersystemen; optimale functieverweving van oppervlaktewateren (zoals recreatief medegebruik); altijd goed en veilig drinkwater; efficiënt en effectief (her)gebruik van water.

Planspecifiek In de huidige situatie is het plangebied geheel in gebruik als bedrijfsterrein. Bij het initiatief is er geen sprake van een toename van verharding. Het bedrijfsterrein waar het nieuwe bedrijfsgebouw is voorzien is al volledig verhard. Watercompensatie is derhalve niet noodzakelijk. In het kader van klimaatadaptief bouwen en het voorkomen van wateroverlast zal een infiltratievoorziening worden gerealiseerd in en/of nabij het plangebied. Gelet op de hoogteverschillen op de planlocatie is het realiseren van voldoende voorzieningen voor infiltratie van belang. Het voornemen is om in het midden van het terrein, tussen de bestaande bedrijfshal en de beoogde bedrijfshal, een voorziening voor het bergen en afvoeren van water te plaatsen. Hierbij wordt gedacht aan grindputten of een bassin onder het terrein. Verder wordt overwogen om de groenvoorziening tussen de Achterbergsestraatweg, de inrit en het bedrijfsterrein te gebruiken voor een natuurlijke waterberging. In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A-watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. De hemelwaterafvoer en de vuilwaterafvoer zullen gescheiden worden aangeboden op de perceelsgrens en er zal geen gebruik worden gemaakt van uitlogende materialen.

4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. Voor de parkeernormering en verkeersgeneratie wordt door de gemeente Rhenen in de 'Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds' (d.d. 14 april 2011), aansluiting gezocht bij de CROW-publicatie 371. Deze publicatie is herzien. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' de recente kencijfers voor de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Verkeer In de huidige situatie is het bedrijfsperceel ontsloten via de Achterbergsestraatweg middels een eigen in- en uitrit. Dit zal ook in de toekomstige situatie zo zijn. In het kader van het akoestisch onderzoek industrielawaai (zie toelichting paragraaf 4.4) is in beeld gebracht dat gemiddeld per dag sprake is van circa 3 transporten van zware vrachtwagens en 10 personenwagens/bestelwagens.

Dit staat gelijk aan circa 26 voertuigbewegingen per dag. De verkeersaantrekkende werking neemt als gevolg van de ontwikkeling niet toe. Voorts is de verwachting dat de Achterbergsestraatweg over voldoende capaciteit beschikt om de verkeersgeneratie op te vangen. Parkeren In algemene zin dienen bij een ruimtelijke ontwikkeling voldoende parkeervoorzieningen gerealiseerd te worden. Het initiatief leidt niet of nauwelijks tot een toename aan parkeerbehoefte. Op het terrein is voldoende ruimte voor parkeren aanwezig. Hiermee wordt er voldaan aan de parkeernorm uit de beleidsnota van de gemeente Rhenen.

31

Bij de recente ontwikkeling ten westen van het plangebied is het achterterrein ingericht als parkeerplaats voor ca. 15 auto’s en als manoeuvreerruimte voor de heftruks. Deze parkeerplaatsen zijn bedoeld voor de werknemers en bezoekers van De Jong Hout en Staalhandel BV. Hiermee is er in de huidige situatie voorzien in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein.

32

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 3 de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

33

5.4 Artikelsgewijze toelichting Navolgend worden per artikel kort de belangrijkste aspecten weergegeven. Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Bedrijf De gronden waarop het bedrijfsgebouw is beoogd en het aangrenzende terrein zijn bestemd als 'Bedrijf'. De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven genoemd in categorie 1 en categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten, een groothandel in hout en bouwmaterialen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, met de daarbij behorende wegen en paden, erven en (parkeer)terreinen en bouwwerken. Gebouwen mogen worden gebouwd binnen het op de verbeelding aangegeven bouwvlak.

Dit bouwvlak mag, zoals op de verbeelding is aangegeven, voor 65% bebouwd worden. Dit percentage volgt uit de volgende berekening. Het bestaande gebouw (535 m²) en het nieuwe gebouw (1.000 m²) hebben samen een oppervlak van 1.535 m². Het nieuwe bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 2.500 m². Wanneer het oppervlak van de gebouwen gedeeld wordt door het oppervlak van het bouwvlak volgt afgerond een bebouwingspercentage van 65%. De goot- en bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan respectievelijk 4,5 en 8 m. Verder mogen bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, worden gebouwd. In de specifieke gebruiksregels zijn regelingen voor opslag en strijdig gebruik opgenomen. Artikel 4 Waarde - Archeologie Voor het behoud en de bescherming van archeologische waarden in de bodem is, gelijk aan het geldende bestemmingsplan, de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 5 Antidubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 6 Algemene bouwregels In dit artikel zijn algemene bepalingen over bouwen opgenomen.

Deze bepalingen hebben betrekking op afwijkende maatvoeringen en onderkeldering. Artikel 7 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van strijdig gebruik.

34

Artikel 8 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om – onder voorwaarden – af te wijken van hetgeen is bepaald in het bestemmingsplan. Artikel 9 Parkeren In dit artikel is een bepaling opgenomen die verplicht dat in voldoende parkeergelegenheid voorzien moet worden. Hierin wordt verwezen naar de Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds van 14 april 2011 of de gewijzigde versie daarvan. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 10 Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik. Artikel 11 Slotregel Als laatste wordt de slotregeling opgenomen. Deze regeling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsregeling.

35

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten. De kosten zijn dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd.

36

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub c Wro overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie De initiatiefnemer heeft zijn plannen kenbaar gemaakt bij de bewoners/eigenaren van Achterbergsestraatweg 128 en 130 en Boslandweg 33 en 35. Hieruit volgt dat de omwonenden geen bezwaren hebben tegen de bouw van de beoogde bedrijfshal. De initiatiefnemer zal de overige vragen die de omwonenden hebben in het vervolg blijven beantwoorden.

7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro is het plan voorgelegd aan de vooroverlegpartners. In deze periode heeft de Veiligheidsregio Utrecht een advies uitgebracht, waaruit volgt dat alle relevante zaken ten aanzien van externe veiligheid zijn meegenomen in het voorliggende bestemmingsplan. Verder zijn er geen inhoudelijke reacties ontvangen.

7.3 Verslag zienswijzen Te zijner tijd zullen eventueel ingediende zienswijzen op het ontwerp bestemmingsplan hier of in een separate bijlage samengevat worden en van een gemeentelijke reactie worden voorzien.

37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11386115/1