CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3b Verbeelding bestemmingsplan Achterbergsestraatweg 134

Raadsvergadering 31 mei 2022, gemeente RhenenBij agendapunt: Raadsvoorstel ongewijzigde vaststelling bestemmingsplan Achterbergsestraatweg 13412.658 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Achterbergsestraatweg 134 Gemeente Rhenen

Planstatus:

ontwerp

Plan identificatie:

NL.IMRO.0340.BPAchterbergssw134-ON01

Datum:

2021-10-26

Contactpersoon Buro SRO:

dhr. R. van der Made, MSc. | dhr. R. van den Heuvel, MSc.

Kenmerk Buro SRO:

SR210167

Opdrachtgever:

De Jong Hout en Staalhandel

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 8

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 9 2.1 Bestaande situatie ............................................................................................................................................... 9 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 13 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 13 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 15 3.3 (Inter)gemeentelijk beleid ................................................................................................................................. 18

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 21 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 21 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 22 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 23 4.4 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 23 4.5 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 25 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 25 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................

28 4.8 Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................................................... 29 4.9 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 29 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 31

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 33 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 33 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 33 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 33 5.4 Artikelsgewijze toelichting ................................................................................................................................ 34

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 36 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 37 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 37 7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg ....................................................................................................................... 37 7.3 Verslag zienswijzen ........................................................................................................................................... 37

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Aan de Achterbergsestraatweg 134 in Rhenen is momenteel het bedrijf ‘De Jong Hout en Staalhandel BV’ gevestigd. Dit perceel beschikt over de bestemming ‘Bedrijf’ en maakt onderdeel uit van het bedrijventerrein ten zuiden van de kern Achterberg. Op 24 juni 2020 is het bestemmingsplan ‘Achterbergsestraatweg naast 130’ vastgesteld. Dit bestemmingsplan maakt de afronding van het bedrijventerrein en de bouw van een bedrijfsgebouw/-kantoor mogelijk. De verwerving van de achterliggende gronden, waar het bedrijf is begonnen en die eerder gehuurd werden, is voor De Jong Hout en Staalhandel reden om het bestaande bedrijfsterrein opnieuw in te richten. Initiatiefnemer is voornemens om binnen het bestaande bedrijfsterrein aan de Achterbergsestraatweg 134 in Rhenen een nieuw bedrijfsgebouw te realiseren. In de huidige situatie slaat het bedrijf een relatief groot deel van het hout en de bouwmaterialen op in de buitenlucht, onder overkappingen/stellingen. Voor de bedrijfsvoering is het gewenst als deze opslag binnen plaats kan vinden. Om die reden heeft het bedrijf de wens om binnen het bestaande bedrijfsterrein een nieuw bedrijfsgebouw te realiseren. De initiatiefnemer heeft een principeverzoek ingediend bij de gemeente Rhenen.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rhenen heeft onder voorwaarden ingestemd met het realiseren van een bedrijfsgebouw op het bestaande perceel en het positief bestemmen van de huidige bedrijfsactiviteiten, een groothandel in hout en bouwmaterialen. Binnen de geldende bestemmingsplannen 'Rhenen Buitengebied' en ‘Buitengebied 2010, partiële herziening 2012’ beschikt het bestaande bedrijfsterrein over de bestemming ‘Bedrijf’. Het deel van het terrein waar de initiatiefnemer een nieuw bedrijfsgebouw wil realiseren ligt buiten bouwvlak. Het realiseren van een bedrijfsgebouw buiten het bouwvlak is in strijd met het geldende bestemmingsplan. Het is tevens de wens het bestaande bedrijf, dat niet volledig in overstemming is met het geldend planologisch regime, met deze herziening positief te bestemmen. Om de realisatie van het bedrijfsgebouw en de positieve bestemming van de aanwezige groothandel in bouwmaterialen en hout juridisch-planologisch mogelijk te maken dient een partiele herziening van het bestemmingsplan opgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen aan het bedrijventerrein ten zuiden van de kern Achterberg in de gemeente Rhenen. Het betreft drie percelen die kadastraal bekend staan onder gemeentecode RNN01, sectie G, nummer 4685, 5071 en 5072 (oppervlakte totaal: ca. 3.750 m²).

5

De navolgende afbeeldingen tonen de ligging en de begrenzing van het plangebied.

Globale ligging plangebied (rode cirkel) (bron: Google Earth)

Begrenzing plangebied (rood omkaderd) (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

6

1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van de bestemmingsplannen 'Rhenen Buitengebied' en ‘Buitengebied 2010, partiële herziening 2012’. De gemeenteraad van de gemeente Rhenen heeft het bestemmingsplan 'Buitengebied 2010' op 20 september 2011 vastgesteld. Na uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en een partiële herziening is het geheel samengevoegd in een geconsolideerd plan ('Consolidatieplan Buitengebied Rhenen'). Op 6 maart 2018 is het 'Paraplubestemmingsplan Parkeren' vastgesteld. Hierin is bepaald dat voldoende parkeergelegenheid, overeenkomstig de beleidsregels van de 'Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds', gerealiseerd moet worden. Voor de westelijke uitbreiding van De Jong Hout en Staalhandel is op 24 juni 2020 het bestemmingsplan ‘Achterbergsestraatweg naast 130’ vastgesteld. Dit bestemmingsplan grenst aan de westzijde van het plangebied. De navolgende afbeelding toont een fragment van de verbeeldingen van de geldende bestemmingsplannen.

Uitsnede geldende bestemmingsplannen (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De gronden waar de beoogde ontwikkeling is voorzien hebben de bestemming ‘Bedrijf’. Binnen deze bestemming zijn bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en een aannemersbedrijf toegestaan. Voorts gelden de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie’ en de gebiedsaanduidingen ‘overige zone - hoge verwachtingswaarde’ en ‘wetgevingzone - wijzigingsgebied 3’. Het realiseren van een bedrijfsgebouw buiten het bouwvlak is niet toegestaan. Bij het initiatief is het bedrijfsgebouw buiten het bouwvlak voorzien. Het bouwvlak mag voor 60% bebouwd worden. Uitgaande van de theoretische situatie dat het bedrijfsgebouw wel binnen het bouwvlak gebouwd zou worden, zijn de oppervlakte aan gebouwen die extra binnen dat bouwvlak gebouwd mag worden en de binnenplanse afwijking van artikel 4.3 niet toereikend.

7

Gezien het voorgaande is het beoogde initiatief in strijd met de geldende bestemmingsplannen. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt het beoogde initiatief juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het plan beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 bevat vervolgens een juridische planbeschrijving. Tot slot wordt in de hoofdstukken 6 en 7 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

8

2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Het plangebied ligt ten oosten van de kern van Rhenen. Het spoor en de Lijnweg (N233) scheiden het gebied van de bebouwingskern af. De Achterbergsestraatweg is van oudsher de weg die Achterberg verbindt met Rhenen. Waar Rhenen nog op het hogere gedeelte van de Utrechtse heuvelrug ligt, ligt dit gebied op de overgang tussen de hoger gelegen delen naar lagere (agrarische) gebieden. Aan het einde van de vorige eeuw bestond dit gebied nog uit een enkele (boeren)woning en weilanden. Het terrein is aan het begin van deze eeuw ontwikkeld tot een gebied met bebouwing en bedrijvigheid tot het bedrijventerrein dat het nu is. Drie wegen (Achterbergsestraatweg, Bergweg en Boslandweg) en de bosrand aan de noordzijde vormen de begrenzing tot het bebouwd gebied met bedrijfsactiviteiten. Hiermee ontstaat er een compacte cluster als contrast tussen het open agrarische gebied en de dichte bebouwing met meer massa. De wegen en de bosrand vormen de natuurlijke grens tussen deze gebieden. Het bebouwde gebied is zo opgezet dat het de sfeer uitstraalt van een woongebied met vrijstaande woningen met bijgebouwen op het achterterrein. De (bedrijfs)woningen hebben allemaal een ruime groene voortuin, wat de sfeer van woningen in het buitengebied benadrukt.

De woningen en de tuinen nemen voor een gedeelte het zicht weg van de achterliggende bebouwing met de daar bijbehorende bedrijvigheid. De architectuur van de (bedrijfs)woningen is divers, van modern tot agrarisch/ boerderij sfeer. De nokrichtingen staan haaks of parallel op de verkavelingsrichting. De noordkant van het plangebied wordt begrensd door een bosrand. Aan de zuidkant en aan de oostkant van het plangebied bevinden zich andere bedrijven. Aan de westkant van het plangebied heeft de initiatiefnemer een nieuw bedrijfskantoor met parkeerplaatsen gerealiseerd. Deze ontwikkeling is juridischplanologisch mogelijk gemaakt met het bestemmingsplan 'Achterbergsestraatweg 130'. Met deze toevoeging van het bedrijfskantoor is de bebouwing langs de Achterbergsestraatweg aangevuld en het bebouwingslint afgemaakt. Het gebouw heeft de maat en de sfeer van een vrijstaande woning in agrarisch gebied gekregen. Met deze ontwikkeling is het zicht op het achterliggende bedrijventerrein en de beoogde parkeerplaatsen afgeschermd door groen en bebouwing.

9

De navolgende afbeelding toont een inrichtingsschets van de huidige situatie, na de realisatie van het bedrijfskantoor aan de westzijde van het plangebied.

Situatieschets huidige situatie plangebied (plangebied: rode omkadering)

Het plangebied is in de huidige situatie voor een groot deel in gebruik voor de opslag van hout en bouwmaterialen in de buitenlucht. Dit gebeurt gedeeltelijk onder overkappingen/stellingen. In het zuiden van het plangebied bevindt zich een loods waar in de huidige situatie hout en bouwmaterialen opgeslagen worden.

2.2 Toekomstige situatie De Jong Hout en Staalhandel heeft de wens om aan de noord(oost)zijde van zijn bedrijfsperceel, in aanvulling op de bestaande bedrijfsgebouwen en de uitbreiding met het in 2020/2021 gerealiseerde bedrijfskantoor, een nieuw bedrijfsgebouw te realiseren, zodat de opslag van hout en bouwmaterialen meer binnen plaats kan vinden. Met de uitbreiding van de opslagmogelijkheden zijn de materialen beter beschermd tegen de weeromstandigheden. Daarnaast is het aspect veiligheid (o.a. brandveiligheid) een reden waarom het bedrijf zijn materialen voor een deel binnen op wil slaan. Het beoogde bedrijfsgebouw heeft een omvang van circa 25 x 40 m en daarmee een oppervlakte van circa 1.000 m². Het gebouw is voorzien in de noordelijke hoek van het bedrijfsterrein. Hiermee zal het nieuwe gebouw, gezien van de Achterbergsestraatweg, grotendeels afgeschermd worden door de strook met bomen aan de noordzijde, die het bedrijventerrein begrenst en tot het Natuurwerk Nederland behoort. Met een nieuw bedrijfsgebouw en een toename aan inpandige opslagmogelijkheden is het mogelijk het bedrijfsterrein aan de zijde van de inrit een rustiger beeld te geven. De bouwhoogte zal aansluiten bij het andere op het terrein gelegen bedrijfsgebouw. Het dak zal voorzien worden van een duidelijke kap. Hierdoor sluit het nieuwe gebouw goed aan bij de bestaande bebouwing.

10

De navolgende afbeelding toont een situatieschets van de beoogde situatie. Op deze schets zijn het nieuwe bedrijfsgebouw en een voorstel voor het nieuwe bouwvlak (paarse vlak) weergegeven.

Situatieschets beoogde situatie

Naast het wijzigen van de bebouwingmogelijkheden, met als doel het kunnen realiseren van het nieuwe bedrijfsgebouw, wil de initiatiefnemer de gebruiksmogelijkheden overeen laten komen met de bestaande bedrijfsactiviteiten. De geldende bestemmingsplannen staan ter plaatse bedrijven tot en met categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en een aannemersbedrijf toe. Het betreffende bedrijf is een groothandel in hout en bouwmaterialen, die volgens de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering, net als een aannemersbedrijf, tot milieucategorie 3.1 behoort. Met de bouw en de terreininrichting wordt rekening gehouden met duurzaamheid. Zo wordt gekeken naar de mogelijkheid tot plaatsen van zonnepanelen en het gebruik maken van duurzame energiebronnen. Om de waterhuishouding zo min mogelijk te verstoren wordt er bewust omgegaan met de benodigde oppervlakte van de verharding en het bergen en afvoeren van hemelwater. In toelichting paragraaf 4.9 wordt dit nader beschreven. Stedenbouwkundige visie Naar aanleiding van het beoogde plan en om toekomstige ontwikkelingen beter te kunnen beoordelen is een stedenbouwkundige visie (Lievense, 18 december 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1) opgesteld. Hieruit volgt dat er rondom het bedrijventerrein aan de Achterbergsestraatweg enkele duidelijke structuren te herkennen zijn die van grote invloed zijn op het bedrijventerrein zelf.

Deze structuren dienen als uitgangspunt voor toekomstige ontwikkelingen. Het zijn namelijk sterke elementen waarop voortgebouwd kan worden voor een herkenbaar landschap. Deze structuren bestaan uit de smalle groene corridor tussen Achterberg en Rhenen, de groene buffer met landelijk woonmilieu en de relatie met de Utrechtse Heuvelrug.

11

Vanuit een stedenbouwkundige analyse van het gebied zijn voor toekomstige ontwikkelingen de volgende randvoorwaarden opgesteld:

•

Het groen langs de N233 en de randen van het bedrijventerrein worden doorgezet om het gebied in kaders in te delen en de karakteristieke groene ‘erven’ met besloten openheid van een engenlandschap terug te brengen in het plangebied. Door het doorzetten de groene rand langs de N223 wordt het bedrijventerrein aan het zicht van de N233 onttrokken en wordt nadruk gelegd op de relatie met het omliggend groen.

•

De relatie met de Utrechtse heuvelrug en de Achterbergsestraatweg dient gewaarborgd te worden door behoud van zichtassen. Om dit te waarborgen mag er buiten de groene ‘erven’ niet worden ontwikkeld. Het bedrijventerrein kan gezien worden als een groen erf. Binnen dit groene erf is bebouwing mogelijk.

•

De bestaande open velden binnen de groene ‘erven’ worden zo min mogelijk aangetast. Dit betekent dat verdere bouw binnen deze erven afgeraden wordt. Hierdoor wordt de groene buffer van Rhenen en het engenlandschap aangezet. Het bedrijventerrein kan als groene erf worden gezien door deze in meer groen te ontsluiten, waardoor de aanblik van het terrein rustiger is en deze minder opvalt in het landschap.

Vanuit de analyses en randvoorwaarden kan geconcludeerd worden dat het bedrijventerrein 'af' is als de randen omsloten worden door groene bosschages. Hierdoor ontstaat een nieuw groen erf welke past binnen het engenlandschap. Op deze manier wordt het bedrijventerrein aan het zicht van de N233 onttrokken. Er wordt afgeraden om buiten het bestaande bedrijventerrein te bouwen. Ontwikkeling op het bedrijventerrein zelf is mogelijk, mits de beeldkwaliteit past binnen de kenmerken van een engenlandschap. Ontwikkeling buiten het bestaande terrein wordt afgeraden.

12

3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek De NOVI is niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld.

Planspecifiek Onderhavig plan valt niet binnen een van de projecten aangewezen in het Barro. Vanuit het Barro vloeien dan ook geen specifieke randvoorwaarden voort voor onderhavig plan. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

13

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit een van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1442 (Wierden)) blijkt dat een ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als stedelijke ontwikkeling aangemerkt te kunnen worden. Wanneer een ontwikkeling voorziet in één van de andere in artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro genoemde stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m², kan deze ontwikkeling in beginsel niet als een stedelijke ontwikkeling worden aangemerkt. Het voorgenomen plan heeft betrekking op de realisatie van een bedrijfsgebouw met een omvang van circa 1000 m² op een bestaand bedrijfsterrein. In het geldende bestemmingsplan is een bouwvlak van circa 2.000 m² opgenomen, dat voor 60% bebouwd mag worden. Daarmee mag 1.200 m² aan gebouwen worden gebouwd. Het voorliggende bestemmingsplan staat circa 1.600 m² aan gebouwen toe.

Omdat de toename aan bebouwingsmogelijkheden kleiner is dan 500 m², wordt de voorgenomen ontwikkeling niet als een nieuwe stedelijke ontwikkeling beschouwd. Bovendien is de ontwikkeling op een bestaand bedrijfsterrein voorzien, waarmee het ruimtebeslag van stedelijke voorzieningen geïntensiveerd wordt op gronden die al zodanig in gebruik zijn. De ontwikkeling komt voort uit de behoefte aan extra opslagmogelijkheden en wens voor herindeling van het terrein van het bedrijf ‘De Jong Hout en Staalhandel BV’. Er is een behoefte om voor de bedrijfsvoering de opslag binnen plaats te kunnen laten vinden. Dit zorgt voor betere bescherming tegen weersomstandigheden en een betere veiligheid (o.a. brandveiligheid).De ontwikkeling voorziet de specifieke behoefte van het bedrijf. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

14

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:

• • • • • • •

waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.

Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers. Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zonne- en windenergie. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar de provincie voor staan kan zij niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie, medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.

Planspecifiek De voor dit plan relevante kaartlagen van de Omgevingsvisie provincie Utrecht worden hierna besproken. De kaartlaag 'Provincie Utrecht CO2 neutraal' geldt voor de gehele provincie. Voor het voorliggende plan heeft deze kaartlaag weinig invloed. Het betreft namelijk een bedrijfsgebouw voor de opslag van hout en bouwmaterialen. Mogelijk kan er gedacht worden aan het opwekken van energie door middel van het dak. De kaartlaag 'Vasthouden en infiltreren regenwater' is een aandachtspunt. De provincie Utrecht heeft de ambitie om het hydrologische systeem van de Utrechtse Heuvelrug te gebruiken om regenwater vast te houden en te infiltreren. Op dit moment is nog niet bekend op welke manier hier in het plan rekening mee gehouden wordt. Het is mogelijk om door middel van infiltratiekratten, waterdoorlatende verharding of een grind/groen strook achter het nieuwe gebouw water te laten infiltreren. Het uitgangspunt is dat er voldoende waterbergende voorzieningen aangelegd worden.

15

Het plangebied is gelegen in de ‘kernrandzone’. De kernrandzone is het gedeelte van het landelijk gebied dat direct aansluit aan de rode contour. Als dit nodig is voor de realisatie van ruimtelijke kwaliteitsversterking kan met dit beleid ook nieuwe verstedelijking mogelijk worden gemaakt. De aard en omvang van deze verstedelijking dient in redelijke verhouding te staan tot deze gewenste kwaliteitsversterking. De verstedelijking die in een kernrandzone mogelijk wordt gemaakt middels een onderbouwing in het ruimtelijk plan dient ruimtelijk en landschappelijk goed ingepast te worden, zodat deze past bij de kenmerken en verstedelijkingsstructuren van kern en kernrandzone. De voorwaarden die hieraan verbonden zijn, zijn opgenomen in de Interim Omgevingsverordening. Het plangebied is ook gelegen in een archeologisch waardevolle zone. Het beleid van de provincie Utrecht is gericht op het bevorderen van duurzaam behoud en beheer van de archeologische resten in de bodem. Als ruimtelijke ingrepen onvermijdelijk zijn, vraagt de provincie aandacht voor het op goede wijze uitvoeren van archeologisch onderzoek. Ook richten zij zich op het versterken van de zichtbaarheid en de beleefbaarheid van archeologisch erfgoed, ook als inspiratiebron voor ruimtelijke ontwikkeling. Het aspect archeologie is verder toegelicht in toelichting paragraaf 4.8.

De planlocatie is reeds landschappelijk ingepast (zie toelichting paragraaf 2.2 en zie toelichting paragraaf 3.2.2). Vanwege het voorgaande is de realisatie van het nieuwe bedrijfsgebouw op deze locatie een passende ontwikkeling, waarbij de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse verhoudingsgewijs wordt versterkt. Daarmee is het initiatief in overeenstemming met het provinciaal beleid. 3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied.

In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. Planspecifiek Verstedelijking Het plangebied is gelegen in het landelijk gebied.

Met betrekking tot verstedelijking van het landelijk gebied stelt artikel 9.2 van de PRV dat verstedelijking niet is toegestaan, tenzij in de verordening anders is bepaald. In het voorliggende geval is artikel 9.5 van toepassing als uitzondering op dit verstedelijkingsverbod. Het bedrijventerrein kan als groen ‘erf’ met besloten openheid, te midden van het engenlandschap, gezien worden. Binnen de groene 'erven' is bebouwing toegestaan, maar buiten de groene 'erven' is dat niet

16

gewenst. Het voorgenomen plan bestaat uit de realisatie van een nieuw bedrijfsgebouw binnen het erf. Dit erf vormt een bebouwingsenclave in het landelijk gebied. Het plangebied is gelegen in een bebouwingsenclave maar er moet wel aan de voorwaarden van de uitzondering worden voldaan. In artikel 9.5 is bepaald dat verstedelijking in bebouwingsenclaves of bebouwingslinten mogelijk is, mits voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: a. b. c.

gelijktijdig met de verstedelijking de ruimtelijke kwaliteit wordt verhoogd; bebouwing vindt niet plaats buiten de bestaande bebouwingsenclaves of bebouwingslinten; en belangen van bestaande omringende functies worden niet onevenredig aangetast.

Ad a) Met de realisatie van het bedrijfsgebouw op het bestaande bedrijfsterrein, op een locatie die grotendeels afgeschermd wordt met beplanting, is de ruimtelijke impact op de omgeving zeer beperkt. De ruimtelijke kwaliteit van het bedrijventerrein als groen erf en bebouwingsenclave kan versterkt worden door het meer groen te ontsluiten, waardoor de aanblik van het terrein rustiger is en dit minder opvalt in het landschap. Bij de westelijke uitbreiding, die recent is gerealiseerd, is de landschapsstructuur aan deze zijde voortgezet door deze groen in te richten met streekeigen soorten die waardevol zijn voor de natuur. De mogelijkheden voor verdere kwaliteitsverbetering zijn beperkt en worden, gezien de aard en omvang van het initiatief, niet proportioneel geacht. Ad b) Onder een bebouwingsenclave wordt geconcentreerde bebouwing kleiner dan 5 ha, waarvoor geen rode contour is opgenomen, verstaan. De betreffende bebouwingsenclave heeft een omvang van circa 3 ha en is, gezien de aanwezige bebouwing en verharding, een duidelijke vorm van verstedelijking die aan alle zijden omringd wordt door het landelijk gebied. Het beoogde bedrijfsgebouw is binnen de bebouwingsenclave voorzien. Ad c) Zoals in toelichting paragraaf 4.4 is opgenomen, worden de aangrenzende functies niet in hun belangen geschaad.

Uit toelichting paragraaf 2.2 volgt dat de landschappelijke waarden in het gebied als gevolg van het plan niet worden aangetast. Ook ecologische, archeologische en cultuurhistorische waarden zijn niet in het geding vanwege het plan (zie ook toelichting hoofdstuk 4). Er zal rekening gehouden worden met de ecologische waarden van het aangrenzende Natuurnetwerk Nederland. Cultuurhistorische hoofdstructuur De plangebieden maken onderdeel uit van de Cultuurhistorische hoofdstructuur (CHS), specifiek voor het aspect archeologie. In toelichting paragraaf 4.8 worden de aspecten archeologie en cultuurhistorie toegelicht. Hieruit blijkt dat er geen archeologische en cultuurhistorische waarden verloren gaan als gevolg van het voorgenomen plan. Landschap Gelderse Vallei Uit de kaart 'Landschap' blijkt dat het plangebied valt binnen het landschap 'Gelderse Vallei'. Voor dit landschap wil de provincie de volgende kernkwaliteiten behouden:

• • • •

rijk gevarieerde kleinschaligheid; stelsel van beken, griften en kanalen; Grebbelinie; overgang van Vallei naar stuwwal (luwe Flank).

Deze kernkwaliteiten hebben in de verschillende deelgebieden van de Gelderse Vallei verschillende accenten. Uit de kwaliteitsgids blijkt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het deelgebied 'Binnenveld'. Omdat het gehele gebied al is verhard, is deze kaart niet van toepassing op dit plan. Daarmee worden geen kernkwaliteiten aangetast.

17

Conclusie Uit de raadpleging van verschillende kaarten, zoals weergegeven in de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht, kan worden geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling niet strijdig is met de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht.

3.3 (Inter)gemeentelijk beleid 3.3.1 Beeldkwaliteitsplan Binnenveld De gemeente Rhenen heeft in samenwerking met de gemeenten Ede, Wageningen en Veenendaal het beeldkwaliteitsplan Binnenveld opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan is vooral bedoeld als begeleiding van bouwaanvragen op de erven in het Binnenveld. Het moet leiden tot een betere landschappelijke inpassing van ontwikkelingen op de verschillende bebouwde erven in het Binnenveld. Het landschap in het Binnenveld onderscheidt vijf verschillende landschapstypen die verschillen in uiterlijke verschijningsvorm. Planspecifiek Het plangebied behoort tot het engenlandschap. Het landschap kenmerkt zich door een sterke glooiing van de akkers, graften en een geringe breedte van de engen. Het engenlandschap ligt aan de voet van de Utrechtse Heuvelrug en is door zijn openheid bepalend voor het zicht op de stuwwal. De ondergrens van het engenlandschap (de bovengrens is het boslandschap) wordt tegenwoordig voor een groot deel bepaald door de provinciale weg N233 (richting Veenendaal). De landschappelijke beplantingen bestaan veelal uit bosranden, bospercelen, houtwallen/-singels en bomenlanen, die de openheid van de engen inkaderen. Omdat er binnen het groene erf wordt gebouwd, zal de nieuwe ontwikkeling minder opvallen in het landschap.

Doordat het gebouw is voorzien in de noordelijke hoek van het bedrijfsterrein wordt het gebouw grotendeels afgeschermd door het groen. Daarnaast krijgt door voorgenomen ontwikkeling het bedrijfsterrein aan de zijde van de inrit een rustiger beeld. Hiermee is er rekening gehouden met de besloten vormgeving van het engenlandschap. 3.3.2 Stedenbouwkundige structuurvisie Rhenen De gemeente Rhenen heeft in 2008 een stedenbouwkundige structuurvisie opgesteld, die perspectief biedt voor de woningbouw op de langere termijn. Het is een ontwikkelingsvisie die richting geeft aan de gewenste bouwinitiatieven passend bij de schaal en het karakter van de drie kernen Elst, Achterberg en Rhenen. Planspecifiek Het bedrijventerrein behorende bij de planlocatie is op de visiekaart van Rhenen aangewezen als locatie waar de beeldkwaliteit moet worden verbeterd. Dit is op de navolgende afbeelding met de visiekaart, waarop het plangebied onderdeel uitmaakt van het paarse ovaal, aangeduid.

18

Uitsnede structuurvisiekaart (plangebied ter plaatse van paarse ovaal)

In de structuurvisie is opgenomen dat bij de entree van Achterberg vanaf de N233 de beeldkwaliteit van het Brinkhout bedrijventerrein, tussen Achterbergsestraatweg en Boslandweg, niet uitnodigend is. Verplaatsen van bedrijven is onmogelijk. Voorgesteld wordt om het aanzien van dit bedrijfsterrein te verbeteren, in de buitenruimte of op gebouwniveau. Het behoud van de speelse dorpsranden en rooilijnen die een vriendelijk beeld opleveren is gewenst. Mogelijke nieuwbouw en verdichting is mogelijk door compact te bouwen in de kern en de mogelijkheden in de linten te benutten. Aanvullende bebouwing langs de bestaande linten is mogelijk zonder dat het zicht op het landschap – het Binnenveld – wordt aangetast. De huidige beeldkwaliteit van het bedrijventerrein Brinkhout is niet uitnodigend en verplaatsen van bedrijven is onmogelijk. In de structuurvisie wordt voorgesteld om het aanzien van dit bedrijfsterrein te verbeteren, in de buitenruimte of op gebouwniveau. Onderhavige ontwikkeling bestaat uit de toevoeging van een bedrijfsgebouw. Het nieuwe gebouw zal ontworpen worden als een hoogwaardig gebouw, dat zoveel mogelijk natuurlijk ingepast wordt. Het pand is in maat en schaal passend bij de karakteristiek van het bedrijventerrein. Daarnaast krijgt door voorgenomen ontwikkeling het bedrijfsterrein aan de zijde van de inrit een rustiger beeld.

Geconcludeerd kan worden het initiatief aansluit op het gestelde in de stedenbouwkundige structuurvisie. 3.3.3 Duurzaam Bouwen De gemeente Rhenen heeft ambities voor duurzaam bouwen in beleid vastgesteld. Deze ambities zijn gebaseerd op het pakket GPR Gebouw, versie 3.2, waarbij voor zes verschillende modules een bepaalde score gerealiseerd kan worden. GPR (Gemeentelijke Praktijk Richtlijn) Gebouw is een bepalingsmethode voor de milieuprestatie van een gebouw. In het nieuwe pakket GPR versie 4.0 zijn 5 verschillende modules, namelijk energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Dit maakt voor de gemeentelijke ambities geen verschil. De gemeentelijke ambities zijn:

•

Alle nieuwbouw(woningen) waarbij de gemeente bij de ontwikkeling betrokken is laten voldoen aan het GPR-gebouw ambitieniveau met een gemiddelde van minimaal een 7. Voor het onderdeel energie is het ambitieniveau een 7,4. Het minimum per prestatieveld is een 6. Dit geldt uiteraard ook voor de eigen gemeentelijke gebouwen.

19

• •

Per bouwproject wordt het ambitieniveau opnieuw bekeken. In veel gevallen kan en zal een hoger ambitieniveau worden vastgesteld. Als gebouwd wordt op grond in eigendom van de gemeente kan in ieder geval een hoger ambitieniveau worden vastgesteld.

Planspecifiek Het bouwplan zal in elk geval aan de minimale ambities voldoen. Bij het pand zal sprake zijn van een hoge gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Er zullen zonnepanelen op het dak geplaatst worden, zodat het betreffende bedrijf gebruik kan maken van duurzame energie. De opgewekte energie wordt gebruikt voor het opladen van elektrische heftrucks. Verder is het voornemen om in de nieuwe bedrijfshal verrijdbare stellingen te plaatsen. De energie die hiervoor benodigd is wordt ook opgewekt met de zonnepanelen. Het doel is om energieneutraal te zijn, net als het bedrijf op dit moment al is. Om dit doel te bereiken zullen voldoende zonnepanelen geplaatst worden.

20

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018 en ECLI:NL:RBOBR:2017:3537, 29 juni 2017) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Onderstaande punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken:

21

1. 2. 3. 4.

De oppervlakte van het nieuwe bedrijfsgebouw is met 1000 m² van een relatief beperkte omvang. De omvang van de bedrijfsactiviteiten neemt niet toe. De ontwikkeling vindt op een bestaand bedrijfsterrein plaats. De bebouwing wordt gerealiseerd binnen de bestaande bebouwingsenclave.

Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals beschreven in de bijlagen van het Besluit milieueffectrapportage. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.(beoordelings)plicht geldt. Desalniettemin zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in dit hoofdstuk in beeld gebracht. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.

4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Conclusie Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming is met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. In het kader van de ruimtelijke vervolgprocedure is bodemonderzoek niet vereist, omdat de bestemming reeds ‘Bedrijf’ is en het gebruik niet wijzigt. Echter, is er in het verleden al een verkennend bodemonderzoek (PJ Milieu, 18 maart 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2) uitgevoerd.

Uit het onderzoek volgt dat in de bodem enkele parameters (PAK en minerale olie) in licht verhoogde gehalten aangetoond zijn. Op basis van het vooronderzoek is de locatie onverdacht ten aanzien van asbesthoudende materialen. Aanvullend onderzoek naar asbest in de grond of in het puingranulaat (repac) wordt niet noodzakelijk geacht. Op basis van het onderzoek dient geconcludeerd te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater geschikt is voor het bestaande en het beoogde gebruik. De onderzoeksresultaten vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

22

4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft); andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Het nieuw te realiseren bedrijfsgebouw betreft geen geluidsgevoelig object in het kader van de Wet geluidhinder. Akoestisch onderzoek naar spoorweg- en wegverkeerslawaai is niet noodzakelijk. In toelichting paragraaf 4.4 is aandacht voor het aspect milieuzonering. In deze paragraaf wordt gemotiveerd of de bedrijfsactiviteiten van het betreffende bedrijf een belemmering (kunnen) vormen voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van gevoelige bestemmingen (o.a. woningen) in de omgeving. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4 Bedrijven en milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

23

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Een bedrijfsgebouw betreft geen gevoelige functie in het kader van bedrijven en milieuzonering. Wel dient te worden nagegaan of de ontwikkeling passend is in de omgeving. Door de ligging van het plangebied aan een bebouwingslint met agrarische percelen, woningen en bedrijven is het gebied aan te merken als een gemengd gebied. De ontwikkeling betreft het toevoegen van een bedrijfsgebouw ten behoeve van het bedrijf ‘De Jong Staal en Houthandel BV’. Daartoe zal de ter plaatse reeds gevestigde groothandel in hout en bouwmaterialen positief worden bestemd. Dit perceel krijgt daarmee de bestemming ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - groothandel in hout en bouwmaterialen'. Dit is, net als het aannemersbedrijf dat het geldende bestemmingsplan toestaat, een bedrijf dat onder categorie 3.1 van de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' valt. De richtafstanden voor een groothandel in hout en bouwmaterialen zijn voor geur en stof lager dan voor een aannemersbedrijf. Voor geluid en gevaar zijn de richtafstanden gelijk, namelijk 30 m in gemengd gebied. Aan de richtafstand van 30 m tot de woning aan de Achterbergsestraatweg 130 wordt mogelijk niet voldaan. Dit geldt zowel voor het reeds toegestane aannemersbedrijf als de groothandel in hout en bouwmaterialen, die met het voorliggende bestemmingsplan positief bestemd wordt.

Om na te gaan of aan de eisen uit de VNG-brochure kan worden voldaan, zodat zowel een goed woon- en leefklimaat wordt gewaarborgd als voldoende akoestische ruimte resteert voor bedrijven, is in 2019 een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd (Adviesburo Van der Boom, 31 januari 2019, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Ten opzichte van de uitgangspunten van dit onderzoek zullen de bedrijfsactiviteiten niet uitgebreid worden. Mogelijk verbetert de akoestische situatie zelfs, omdat een deel van de bedrijfsactiviteiten inpandig uitgevoerd zal gaan worden. Uit het onderzoek volgt dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten gevolge van alle activiteiten bij het bedrijf bij de meest nabijgelegen woning overdag hooguit 49 dB(A) bedraagt. Daarmee worden de richtwaarden niet overschreden. De maximale geluidniveaus ten gevolge van alle activiteiten (laden/lossen op terrein maatgevend) bedragen bij de meest nabijgelegen woning hooguit 67 dB(A) overdag. Daarmee worden de richtwaarden niet overschreden. De 50 dB(A)-contour ten gevolge van verkeer van en naar de inrichting ligt op minder dan 2 m van de wegas. De geluidbelasting op de woningen langs de weg – binnen de invloedssfeer van het bedrijf - ligt onder de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). De conclusie is dan ook dat de inrichting akoestisch inpasbaar is. Dit is het gevolg van een verstandige indeling.

Een goed woon- en leefklimaat bij de woningen in de omgeving is gewaarborgd. Daarmee zijn het positief bestemmen van de groothandel in hout en bouwmaterialen en de realisatie van een bedrijfsgebouw mogelijk. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief uitvoerbaar is vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering.

24

4.5 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit 5 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om de voertuigaantrekkende werking. Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Planspecifiek De ontwikkeling voorziet in de realisatie van een bedrijfsgebouw. Uit toelichting paragraaf 4.10 blijkt dat het voorgenomen plan ten opzichte van de huidige planologische situatie leidt tot niet of nauwelijks extra voertuigbewegingen.

Het nieuwe bedrijfsgebouw zal in gebruik genomen worden voor de opslag van hout- en bouwmaterialen die nu buiten opgeslagen worden. De bedrijfsactiviteiten nemen hiermee niet in omvang toe. Het project is daarom aan te merken als een project van ‘niet in betekenende mate’ conform de NIBMtoets; de ontwikkeling heeft niet in betekenende mate invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. De ‘Wet luchtkwaliteit’ staat de uitvoering van het initiatief niet in de weg. Om te bepalen of de luchtkwaliteit in het kader van een goede ruimtelijke ordening voldoet aan de wettelijke eisen is de NSL-monitoringstool 2020 geraadpleegd. De achtergrondconcentratie NO2 bedraagt ter plaatse van de planlocatie (rekenpunt 39490) in het jaar 2020 maximaal 19,2 μg/m³. Voor fijnstof (PM10 en PM2,5) bedraagt dit respectievelijk maximaal 18,3 μg/m³ en 11,3 μg/m³. Daarmee wordt voldaan aan de wettelijke eisen. Het initiatief voldoet uit het oogpunt van luchtkwaliteit aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.

25

Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11386115/1