Bijlage 3 Toekomstscenarios VRU
Tekst van het document
Om het huidige niveau van de basisbrandweerzorg te kunnen handhaven, is op aanvullende structurele financiering nodig. Voor de tankautospuiten die worden ingezet in de basisbrandweerzorg is alleen het ‘op orde’-scenario uitgewerkt. Dit scenario beoogt structurele
3 CCFM is de Franse afkorting voor: ‘Camion Citerne Feux de Forêt Moyen’. Dit is een bosbrandbestrijdingsvoertuig met medium tankcapaciteit.
28
financiering te realiseren voor het huidige spreidingsplan, zodat het benodigde materieel beschikbaar en inzetbaar blijft. Bestuurlijke richtinggevende keuze: Tankautospuiten De tankautospuiten voor de basisbrandweerzorg, zoals opgenomen in het materieelspreidingsplan, zijn structureel gefinancierd binnen de begroting van de VRU. Tabel 4.4: Benodigde investeringen tankautospuiten basisbrandweerzorg Bedragen x € 1.000
Tankautospuiten basisbrandweerzorg
2026
2027
2028
2029
2030 Categorie
Herzien afschrijftermijn tankautospuiten 20 > 15 jaar Tankautospuit De Bilt-Groenekan Tankautospuiten 2e basisbrandweereenheid Tankautospuiten vakbekwaamheid Vervanging combivoeruigen Veenendaal en Den Dolder Prijsverschil tankautospuiten Ingroei uit kapitaallastenreserve
459 58 393 -
459 58 393 -
459 58 393 298 116 -
459 58 393 298 116 -
459 Opnemen meerjarenraming 58 Opnemen meerjarenraming 393 Opnemen meerjarenraming 298 Opnemen meerjarenraming 116 Opnemen meerjarenraming - Besluit uitstellen: 1.176K Zie hoodstuk 10, tabel 10.1
Totaal effect bijdrage gemeentelijk basistakenpakket
910
910
1.324
1.324
1.324
Zonder deze investeringen komt de materiële paraatheid onder druk te staan. Voertuigen die niet zijn opgenomen in het vervangingsschema zullen uiteindelijk worden afgestoten, omdat ze dan economisch en technisch aan het einde van hun levensduur zijn. Dit geldt bijvoorbeeld voor tweede tankautospuiten en combivoertuigen, die zonder extra financiële middelen niet vervangen kunnen worden. Een vermindering van basisbrandweereenheden op de posten leidt tot een afname van de regionale slagkracht. Dit vraagt om een neerwaartse bijstelling van het materieelspreidingsplan, wat op zijn beurt gevolgen heeft voor het aantal benodigde vrijwilligers per post. Herzien afschrijftermijn tankautospuiten 20 > 15 jaar De huidige afschrijftermijn van 20 jaar voor tankautospuiten is gebaseerd op de verwachte technische levensduur van de voertuigen, zonder dat er middelen zijn opgenomen voor een midlife update. Uit een inventarisatie blijkt dat de VRU de enige veiligheidsregio is met een afschrijftermijn van 20 jaar; de standaard in andere regio’s is 15 jaar, waarbij sommige regio’s voor beroepsposten zelfs een termijn van 12 jaar hanteren. De afgelopen jaren zijn veel voertuigen vervangen, waardoor we nu over een moderne vloot beschikken. Om tijdige vervanging te waarborgen, wordt voorgesteld de afschrijftermijn aan te passen naar 15 jaar, in lijn met de gangbare praktijk.
Voor de huidige voertuigen in het meerjareninvesteringsplan leidt dit tot een jaarlijkse stijging van de kapitaallasten met €459.000. Voorgesteld wordt om deze structurele stijging vanaf 2027 op te nemen in de meerjarenraming, met een ingroeimodel. De incidentele kosten tijdens de ingroeifase worden gedekt uit de reserve kapitaallasten. Een voorstel voor het inzetten van de bedragen in dit ingroeimodel staan in hoofdstuk 10, tabel 10.1. Bestuurlijke richtinggevende keuze: Afschrijftermijn tankautospuiten Bijstellen van de afschrijftermijn van 20 naar 15 jaar.
29
Tankautospuit De Bilt-Groenekan Vooruitlopend op de uitkomst van het onderzoek naar de samenvoeging van de posten De Bilt en Groenekan is één tankautospuit minder opgenomen in de het meerjaren investeringsplan (MIP). Uiteindelijk is deze samenvoeging niet doorgegaan. Hierdoor ontbreekt één tankautospuit in de MIP. In de berekening wordt uitgegaan van het actuele prijsniveau en een afschrijvingstermijn van 15 jaar, inclusief bepakking. Voorgesteld wordt om deze structurele stijging van de lasten op te nemen in de meerjarenraming vanaf 2027, met een ingroeimodel. De incidentele kosten tijdens de ingroei worden gedekt uit de reserve kapitaallasten. Tankautospuiten 2e basisbrandweereenheid Op 10 posten4 staat een tweede tankautospuit voor de tweede basisbrandweereenheid ten behoeve van de regionale slagkracht. Al deze tweede tankautospuiten zijn gedekt met incidentele middelen uit de bestemmingsreserve kapitaallasten. Deze tien voertuigen zijn al aangeschaft, maar worden incidenteel gedekt uit de reserve kapitaallasten. Om de huidige kapitaallasten structureel te kunnen dekken is 393K aanvullend per jaar nodig. Voorgesteld wordt om deze structurele stijging van de lasten op te nemen in de meerjarenraming vanaf 2027, met een ingroeimodel. De incidentele kosten tijdens de ingroei worden gedekt uit de reserve kapitaallasten.
Tankautospuiten vakbekwaamheid Om de paraatheid op de posten te garanderen wordt gewerkt met aparte voertuigen voor vakbekwaamheid (opleiding en oefeningen buiten de posten). Hiervoor worden negen ‘dedicated’ voertuigen gebruikt (naast de drie tankautospuiten 2e basisbrandweereenheid die overdag worden ingezet voor vakbekwaamheid). Vijf van de negen vakbekwaamheidsvoertuigen zijn van het nieuwe type. Hiervan zijn drie voertuigen structureel gedekt in de begroting en twee incidenteel (uit de kapitaallastenreserve). De andere vier vakbekwaamheidsvoertuigen zijn afgeschreven tankautospuiten, die qua techniek en uitrusting afwijken van de reguliere voertuigen. Voor de vakbekwaamheid en veiligheid van onze brandweermensen is het belangrijk om bij het opleiden en oefenen te werken met de standaard voertuigen (train as you fight). Om de bestaande voertuigen structureel te kunnen dekken en de afgeschreven voertuigen te kunnen vervangen voor de reguliere voertuigen, is uiteindelijk 298K aanvullend kapitaallastenbudget nodig. Voorgesteld wordt om deze structurele stijging van de lasten op te nemen in de meerjarenraming vanaf 2027, met een ingroeimodel. De incidentele kosten tijdens de ingroei worden gedekt uit de reserve kapitaallasten.
Vervanging combivoertuigen Naast de dedicated natuurbrandvoertuigen (CCFM’s) zijn in het spreidingsplan twee bestaande combivoertuigen opgenomen die toen nog niet aan vervanging toe waren. Er is geen budget beschikbaar voor de vervanging van deze voertuigen. De voertuigen zijn in 2025 afgeschreven. Bij een bestelling van vervangende tankautospuiten in 2025, zal de levering naar verwachting in 2027 plaatsvinden. Dit vergt 116K aanvullend kapitaallastenbudget per jaar, inclusief bepakking. Conform het activabeleid start de afschrijving vanaf het jaar volgend op de het jaar van investeren, dus in 2028. Voorgesteld wordt het benodigde kapitaallastenbudget voor de vervanging van de combivoertuigen op te nemen in de meerjarenraming per 2028. In de tabel zijn
4 Dit betreft de posten: Amersfoort, Bunschoten, Mijdrecht, Lopik*, Nieuwegein Noord, Oudewater, Breukelen*, Maarssen*, Cothen-Langbroek,
Woerden. *Deze drie voertuigen zijn overdag (werkdagen 6-18u) beschikbaar voor vakbekwaamheid.
30
alleen de lasten opgenomen van de vervangende normale tankautospuit. De aanvullende kosten voor het vervangende materieel voor natuurbrandbestrijding zijn opgenomen in paragraaf 4.6. Prijsverschil tankautospuiten De afgelopen jaren zijn de aanschafkosten voor het materieel sterk gestegen. De tankautospuiten zijn de laatste jaren aangeschaft voor gemiddeld 370K per stuk, exclusief bepakking. Voor deze aanschafprijs zijn de voertuigen ook structureel opgenomen in de meerjaren investeringsbegroting. De huidige aanschafprijs is ruim 560K. Een stijging van ruim 50%. Deze stijging is aanzienlijk hoger dan de reguliere prijsaanpassing, waarmee rekening wordt gehouden in het meerjareninvesteringsplan. Als de tankautospuiten tegen de huidige prijs moeten worden vervangen, vergt dit een aanvullend kapitaallastenbudget van circa € 1,2 miljoen per jaar. Aangezien de meeste voertuigen inmiddels zijn vervangen, is op dit moment nog geen ophoging van het budget voor de kapitaallasten noodzakelijk. De laatste voertuigen die zijn aangeschaft hadden een hogere aanschafprijs dan begroot. De hogere kapitaalasten die daaruit voorkomen worden opgevangen met middelen uit de kapitaallastenreserve. Ondersteuning hulpverlening Technische hulpverlening is binnen de VRU geen specialisme.
Hulpverleningsvoertuigen worden gebruikt als rijdende magazijnen met aanvullend (zwaar/technisch) materiaal voor de basisbrandweereenheden, waardoor alle manschappen met deze materialen moeten kunnen werken. Dit leidt tot een hoge oefenbelasting. De landelijke visie gaat uit van regionaal georganiseerde specialiste hulpverleningseenheden met kennis, kunde en middelen die de TSeenheid overstijgen. Het materieelspreidingsplan bevat 11 operationele hulpverleningsvoertuigen en 1 extra hulpverleningsvoertuig voor beheer en onderhoud. Van deze 12 voertuigen zijn 3 voertuigen uitgerust voor de ondersteuning van natuurbrandbestrijding (4x4). Twee voertuigen zijn incidenteel gedekt binnen de begroting, uit de reserve kapitaallasten. Tabel 4.5 Ondersteuning hulpverlening Ondersteuning hulpverlening
Hulpverleningsvoertuigen 4x2 Hulpverleningsvoertuigen 4x4 Reservevoertuig 4x2 i.v.m. onderhoud Totaal
Aantal hulpverleningsvoertuigen Structureel Incidenteel Geen Totaal gedekt gedekt dekking Operationeel 6 2 9 Operationeel 3 2 Ondersteunend 1 1 10
2
-
Aanvulling dekking kapitaallastenbudget hulpverleningsvoertuigen Om de kapitaallasten voor alle hulpverleningsvoertuigen uit het spreidingsplan structureel te kunnen dekken is 66K aanvullend per jaar nodig. Voorgesteld wordt om deze structurele stijging van de lasten op te nemen in de meerjarenraming vanaf 2027, met een ingroeimodel. De incidentele kosten tijdens de ingroei worden gedekt uit de reserve kapitaallasten. Een voorstel voor het inzetten van de bedragen in dit ingroeimodel staan in hoofdstuk 10, tabel 10.1.
31
Bestuurlijke richtinggevende keuze: Hulpverleningsvoertuigen De ondersteunende hulpverleningsvoertuigen ten behoeve van de basisbrandweerzorg uit het materieel spreidingsplan zijn structureel gedekt binnen de begroting van de VRU (structurele financiële dekking voor structurele taken). Inrichting hulpverlening als specialisme Voorgesteld wordt om bij het opstellen van het nieuwe dekkingsplan en het materieelspreidingsplan te onderzoeken of de hulpverlening conform de landelijke standaard kan worden georganiseerd. Naast de lagere opleidings- en oefendruk biedt dit kansen voor integratie van andere specialisaties bij de vernieuwde HV-teams (zoals scheepsbrandbestrijding, robotisering, bijzondere blusmiddelen). Bestuurlijke richtinggevende keuze: Ondersteuning hulpverlening Werk in het nieuwe dekkingsplan een voorstel uit voor specialistische hulpverleningseenheden. Zonder deze veranderingen moeten alle posten moeten geoefend blijven op het werken met hulpverleningsmiddelen. Dit zorgt voor een hoge oefendruk. Op termijn zal ook een financieel knelpunt ontstaan bij de vervanging van de huidige hulpverleningsvoertuigen, in verband met de toegenomen prijzen. Door aansluitend op de landelijke visie te werken met specialistische eenheden, kan de kwaliteit toenemen en kan dit worden gecombineerd met andere specialistische taken. Tabel 4.6 Ondersteuning hulpverlening Bedragen x € 1.000
Ondersteuning hulpverlening Aanvulling kapitaallastenbudget hulpverleningsvoertuigen Ingroei uit kapitaallastenreserve Inrichten hulpverlening als specialisme Totaal effect bijdrage gemeentelijk basistakenpakket
4.3
2026
2027
2028
2029
66
66
66
66
NTB
NTB
NTB
NTB
66
66
66
66
2030 Categorie 66 Opnemen meerjarenraming Zie hoodstuk 10, tabel 10.1 NTB Besluit uitstellen 66
Veilige energietransitie bij de brandweer
De transitie naar duurzame energiebronnen beïnvloedt de fysieke leefomgeving en veiligheid van burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden. Voor veel nieuwe duurzame energie thema’s ontbreekt regelgeving. Innovaties ontwikkelen zich sneller dan de regels kunnen worden opgesteld of omdat de risico’s nog onderzocht moeten worden. Veilige energietransitie Het is nodig om energietransitie-incidenten in het vakbekwaamheidsprogramma voor alle medewerkers te integreren inclusief ontwikkeling en aanschaf van benodigde oefenmaterialen. Denk hierbij aan de vervanging en aanschaf van de Cobra Cutter voor branden in elektrische voertuigen, en energieopslagsystemen, om sneller en effectiever op te treden bij meerdere incidenten. Procedures voor energietransitie-incidenten op basis van regionale risico’s, met
32
voortdurende actualisatie worden geïmplementeerd. Deze procedures worden vertaald in risicoinformatie naar het operationele informatiesysteem. De adviseurs gevaarlijke stoffen en de verkenningseenheden moeten nieuwe middelen en voorzieningen krijgen om nieuwe gevaren beter te detecteren en te meten. Indien nodig moet er een aanpassing of aanvulling komen in bestaand materiaal voor incidenten met duurzame en fossiele energiebronnen. Bij het opstellen van het materieelspreidingsplan wordt het behoud en/of herziening van het gaspakkenteam meegenomen. Daar waar mogelijk doen we onderzoek naar gebruik van robotica voor energietransitie-incidenten zoals elektrische voertuigen en energieopslagsystemen. Incidentbestrijding Gevaarlijke Stoffen Als gevolg van de energietransitie zijn er aanzienlijke risico's op het gebied van elektrificatie van de samenleving, groeiend aantal grootschalige energie opslagsystemen en het transport gevaarlijke stoffen. De Incidentbestrijding Gevaarlijke Stoffen (IBGS) is één manier om vanuit de brandweer met name de twee laatste geschetste risico's te adresseren. Naast een tekort aan personeel, worden we geconfronteerd met nieuwe risico’s zoals beschreven in ons risicoprofiel. Investeringen zijn nodig om de brandweerzorg effectiever en veiliger te maken.
Nieuwe risico’s door de energietransitie vragen meer van onze organisatie bij incidentbestrijding gevaarlijke stoffen. Medewerkers moeten beschikken over de juiste kennis en materieel. Door ons te richten op deze risico’s, vergroten we de veiligheid en bestrijden we risicovolle incidenten sneller en beter, wat de maatschappij ten goede komt. Om het bovenstaande te kunnen realiseren is nog een nadere onderbouwing en uitwerking noodzakelijk. Wel zijn indicatief onderstaande bedragen opgenomen. Tabel 4.7 Energietransitie en IBGS Bedragen x € 1.000
Veilige energietransitie en IBGS
2026
2027
2028
2029
2030 Categorie
Programmamanager specialist energietransitie/ IBGS coördinator energietransitie/ IBGS
134 104 94
134 104 94
134 104 94
134 104 94
134 Opnemen in kadernota 2026 104 Opnemen in kadernota 2026 94 Opnemen in kadernota 2026
Totaal effect bijdrage gemeentelijk basistakenpakket
332
332
332
332
332
4.4
Vakbekwaamheid
De afdeling Vakbekwaamheid binnen de brandweer houdt zich bezig met de opleiding en bijscholing van ongeveer 2000 brandweerfunctionarissen. Dit opleidingsaanbod wordt beïnvloed door diverse factoren, zoals nieuwe landelijke opleidingsrichtlijnen, technologische veranderingen en toenemende veiligheids- en milieueisen. Ook de risico’s voor de energietransitie hebben invloed op vakbekwaamheid waardoor we 2000 brandweermensen nieuwe en andere zaken moeten leren. Incidenten waarbij personeel gewond raakt, geven aanleiding om veiligheid en bewustwording te verbeteren en deze centraal te stellen in alle trainingen.
33
Druk op trainingsfaciliteiten De trainingsfaciliteiten op lokale brandweerposten voldoen steeds minder door beperkte ruimte, geluidsoverlast en stijgende kosten voor materiaalvervoer. Het voorstel is om een centrale opleidingslocatie op te zetten om de druk op de lokale posten en bijbehorende woonkernen te verlichten. Daarnaast zien we stijgende kosten voor externe oefenlocaties en de daarmee gepaarde grotere reistijd. Het totale aanbod aan opleiden, trainen en (realistisch) oefenen is groot. Een punt van aandacht hierbij is de belasting voor de vrijwilliger. Naast de reguliere oefenavonden wordt het steeds lastiger om ruimte in de agenda te maken voor een training in het buitenland en kan een belasting zijn op de werk-privé situatie. Arbeidsveiligheid en lessen uit incidenten Veiligheidsbewustzijn moet onderdeel zijn van alle trainingen. Uit ongevalsrapportages blijkt dat realistische oefeningen cruciaal zijn om risico’s in te schatten en onder druk te leren werken. RI&E’s geven aan dat arbeidsveiligheid prioriteit moet krijgen om incidenten te verminderen. De belasting van de vrijwillige brandweermensen wordt alsmaar groter Er wordt een steeds groter beroep gedaan op kennis en vaardigheden van brandweermensen. Zij moeten goed voorbereid zijn op hun taak.
Dit houdt in dat men getraind moet zijn op de basiseenheid maar daarnaast ook geschoold en getraind moet worden op andere specifieke onderdelen zoals taakspecialisatie, de bijzondere risico’s in het eigen verzorgingsgebied, het leren van incidenten, het trainen op risico’s en de nieuwe ontwikkelingen zoals de energietransitie. Met een oefen- en bijscholingsprogramma dat past bij de lokale brandweerpost kan de belasting van de vrijwilliger beperkt worden. Capaciteitstekort Door stijgende eisen aan training en het intensievere oefenprogramma is uitbreiding van de personeelsformatie bij de afdeling Vakbekwaamheid nodig. Een benchmarkstudie toont aan dat de huidige formatie in Utrecht achterloopt op andere regio’s. Met het uitbreiden van de formatie Vakbekwaamheid zorgt deze afdeling enerzijds voor het structureel verhogen van het kwaliteitsniveau in de afdeling, doorwerkend op de basisopleiding en de specialistische opleidingen. Daarmee borgen we de aandacht voor de veiligheid van de eigen mensen. Anderzijds geeft het de gelegenheid om met voldoende menskracht in te kunnen spelen op ontwikkelingen die de maatschappij vraagt en wat er vanuit vakinhoudelijke ontwikkelingen op de brandweer afkomt. Om richting te geven aan vakbekwaamheid is een visie nodig.
Hieronder is op hoofdlijnen de onderzoeksopdracht weergegeven: Onderzoeksopdracht: Vakbekwaamheid De VRU laat momenteel een extern onderzoek uitvoeren naar de benodigde structurele capaciteit. Daarbij is ook aandacht voor een aanpassing van de positionering (beter aansluiten bij maatschappelijke ontwikkelingen vertaald naar veiligheidsniveau) en het ambitieniveau (realistische doelen en resultaten), verandering van cultuur, communicatie en leiderschap (meer proactieve rolneming in houding en gedrag), aanpassing van het business model (meer flexibiliteit
34
en samenwerking), wijziging van de formatie (op hoger niveau, in verbinding met Voorbereiding Incidentbestrijding). Het voorstel is om de resultaten van het onderzoek af te wachten en daarna met een voorstel naar het bestuur te komen. Een paar noodzakelijke investeringen voor de korte termijn (capaciteit, onderzoek, tijdelijke locatie, etc.) willen we opnemen in de kadernota. Tabel 4.8: Vakbekwaamheid Bedragen x € 1.000
Vakbekwaamheid
2026
2027
2028
2029
2030 Categorie
Herregistratie duikkosten Nieuwe landelijke opleiding “bediener redvoertuig” Tijdelijke opleidingslocatie Verhoging digitaal leerplatform ELO en VMS (VP) Verhoging kosten realistisch oefenen Onderzoek/Ontwikkeling eigen oefencentrum VRU
44 15 250 100 150 80
44 15 250 100 150 80
44 15 250 100 150 80
44 15 250 100 150 80
44 Opnemen in kadernota 2026 15 Opnemen in kadernota 2026 250 Opnemen in kadernota 2026 100 Opnemen in kadernota 2026 150 Opnemen in kadernota 2026 80 Onderzoek
Totaal effect bijdrage gemeentelijk basistakenpakket
639
639
639
639
639
Nieuwe externe verplichtingen aan vakbekwaamheidseisen van brandweermensen Vanaf 2025 moeten brandweerduikers een her-certificering ondergaan conform landelijke richtlijnen. Het gaat hier om de herregistratie van brandweerduikers, duikploegleiders en duikmedisch begeleiders om de veiligheid en vakbekwaamheid van brandweerduikers te waarborgen. De her-certificering houdt in dat brandweerduikers regelmatig hun vaardigheden en kennis moeten laten toetsen, om ervoor te zorgen dat ze voldoen aan de gestelde eisen en procedures. Dit met als doel om de veiligheid van zowel de brandweerduikers als de slachtoffers te waarborgen. Deze aanpassingen volgen uit ongevalsrapporten en evaluaties binnen de brandweerwereld. De nieuwe landelijke opleiding “bediener redvoertuig” waarborgt uniformiteit, veiligheid en vakbekwaamheid voor brandweerpersoneel. Door een gestandaardiseerd curriculum leren alle bedieners dezelfde technieken en veiligheidsprincipes, wat samenwerking tussen regio’s verbetert en risico’s vermindert. Daarnaast verhoogt de centralisatie de efficiëntie en maakt het integreren van leerpunten uit incidenten eenvoudiger, wat de algehele kwaliteit versterkt. Vanaf 1 juli 2025 moeten iedereen die een redvoertuig wil bedienen in het bezit zijn van een opleiding.
(Overgangsregeling brandweeropleidingen versie 1.15, NIPV 2024) Tijdelijke opleidingslocatie De opleidings- en trainingsfaciliteiten op lokale brandweerposten staan onder druk door strengere veiligheids- en milieueisen. Gebrek aan ruimte leidt tot conflicten bij het verzorgen van opleidingen. Brandweerposten in woonkernen veroorzaken geluidsoverlast bij structureel gebruik van de binnenplaats voor scholing. Daarnaast nemen de kosten voor het vervoeren en verplaatsen van materialen toe. Het voorstel is om op korte termijn een centrale opleidingslocatie in te richten om overbelasting en overlast op de posten en woonkernen te verminderen.
35
Verhoging kosten realistisch oefenen en digitale leer- en registratieplatformen. De Veiligheidsregio heeft een digitaal leerplatform. Dit is in beheer bij het Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid (NIPV). De kosten hiervan zijn aanzienlijk verhoogd. Deze kosten dienen meegenomen te worden in de toekomstige begroting om nieuwe opleidingen aan te melden en de cursisten te faciliteren. Realistisch oefenen De kosten voor het gebruik van het huidige externe oefencentrum voor onder meer realistisch oefenen in Weeze (Duitsland) zijn aanzienlijk gestegen. Deze kosten dienen meegenomen te worden in de structurele begroting van deze kostenpost voor de komende vier jaar. Onderzoek Oefencentrum In het verleden hebben we samen met de veiligheidsregio’s Gooi en Vechtreek en Flevoland de intentie gehad om een gezamenlijk oefencentrum te realiseren. Er was op dat moment onvoldoende financieel draagvlak om dit te bewerkstelligen. Daarbij is aangegeven dat als zich nieuwe strategische kansen zich voordoen, bestuurlijk een nieuwe opdracht te laten formuleren voor verdere verkenning of uitwerking. We hebben nog steeds de wens om een eigen brandweerschool te realiseren en herkenbaar te positioneren als een centrale opleidingslocatie. Bij voorkeur hebben wij het streven om dit gezamenlijk op te pakken met onze buur regio’s.
Een eigen brandweerschool faciliteert niet alleen een opleiding maar ook in kundige instructeurs en middelen en voldoet aan wet- en regelgeving. Daarnaast zien we mogelijkheden om technologische innovaties en digitale leermethoden met elkaar te integreren. Een dergelijk centrum bevordert vakbekwaamheid, biedt toegankelijke en effectieve training, bespaart kosten en vermindert de belasting van vrijwilligers, waardoor zij geen extra vrije dagen hoeven op te nemen voor buitenlandse trainingen. Een gedegen en divers trainingsprogramma is essentieel om aan de behoeften van lokale brandweerposten te voldoen. Elke post heeft unieke ploegensamenstellingen, specifieke taken en lokale risico’s. Het vereist een volledig vakbekwaamheidsaanbod met lokaal maatwerk en voldoende personele capaciteit. Om te kijken of het realiseren van een brandweerschool haalbaar is, willen we onderzoek doen door het laten uitvoeren van een businesscase van een regionaal oefen- en trainingscentrum, in samenwerking met veiligheidsketenpartners. Risico’s • De afdeling Vakbekwaamheid is afhankelijk van de deskundige ondersteuning van repressiepersoneel als oefenleider, cursusleider, waarnemer of instructeur. Hoe behouden en beheren we deze ervaring? Hoe binden we hen voldoende om maximale resultaten te behalen? Het risico is dat we onze opleidings- en oefendoelen niet halen door onvoldoende verbinding.
• Onvoldoende investeren in Vakbekwaamheid betekent onvoldoende investeren in het voorkomen van letsel bij eigen personeel. Vanuit de Arbowet zijn wij verantwoordelijk voor het welzijn van ons personeel.
36
4.5
Vergroten arbeidsveiligheid door toepassing van innovatie
Als organisatie hebben we te maken met nieuwe risico’s (klimaatverandering, energietransitie), zoals beschreven in ons regionaal risicoprofiel. Het vraagt iets anders van ons om complexe en langdurige incidenten het hoofd te bieden. Om ons personeel een zo veilig mogelijk arbeidsklimaat te kunnen bieden en zo kort mogelijk in een gevaarlijke omgeving te laten opereren, is investeren in innovatie (waaronder robotica) noodzakelijk. Innovatie zoals (onderwater)drones geven inzicht in de complexe situatie waardoor een veilige en effectieve inzetstrategie voor onze brandweermensen kan worden gekozen. Door in innovatie te investeren, investeren we in het ambacht brandweer op een veilige manier. Het is nodig structureel ruimte te maken en financiële middelen te hebben voor innovatie om de brandweermensen veilig voor te bereiden op de risico’s van nu en in de toekomst. Tabel 4.9: Innovatie arbeidsveiligheid Bedragen x € 1.000
Innovatie arbeidsveiligheid
2026
2027
2028
2029
2030 Categorie
Innovatie arbeidsveiligheid (pilots) Innovatie arbeidsveiligheid (pilots) Op Koers Innovatie arbeidsveiligheid (pilots) Op Kop
154 154
154 154
154 154
154 154
154 Opnemen in kadernota 2026 154 Opnemen in kadernota 2026 Uitstellen
Totaal effect bijdrage gemeentelijk basistakenpakket
308
308
308
308
308
Op orde We reageren op innovaties en ontwikkelingen via een innovatieloket en proces waarbij gewogen wordt welke innovaties we willen oppakken. Collega’s initiëren onderzoeken naar bestaande innovaties die, indien effectief, worden geïmplementeerd. Hierbij benutten we de kennis en ervaring van vaste collega’s en brandweervrijwilligers. Budgetten en capaciteit worden incidenteel beoordeeld. Om de VRU voor te bereiden op nieuwe risico's is het inrichten van een regionaal digitaal verkenningseenheid noodzakelijk. Ook onze werkprocessen kunnen we verbeteren door nieuwe technische mogelijkheden. Met name informatie gestuurd werken wordt een belangrijke verandering. Denk hierbij aan het versterken van de informatiepositie van de meldkamer(processen), de initiële opschaling en de informatievoorziening van alle operationele functionarissen en teams. Incidenteel wordt nu bekeken welke budgetten en capaciteit nodig / beschikbaar zijn. In het ‘op orde’ scenario gaan wij uit van 1 fte capaciteit en een materieel budget van 50K per jaar voor de opstart en ondersteuning van innovatiepilots. Risico’s We zijn onvoldoende voorbereid op nieuwe risico’s door de klimaatverandering en de energietransitie en afhankelijk van anderen, wat veilig repressief optreden in de toekomst niet garandeert. Dit voldoet niet aan onze kernwaarden.
Daarnaast zullen oplopende investeringen (van ‘op orde’ tot en met ‘op kop') op het gebied van personeel, organisatie en ontwikkelbudget ervoor zorgen dat onze medewerkers gaan beschikken over de juiste kennis en het juiste materieel om voortvarend maar verantwoord met de nieuwe uitdagingen om weten te gaan. Op koers
37
Dit is actief maar voornamelijk regionaal gericht. Hierbij maken we niet alleen gebruik van de kennis en ervaring van onze beroepsmedewerkers en brandweervrijwilligers, maar wordt ook actief gezocht naar oplossingen voor bestaande problemen en problemen die worden voorzien. Het loket gaat niet enkel wachten tot mensen zich met een oplossing voor een probleem komen melden (waarbij het risico bestaat dat er een probleem wordt bedacht om een gewenste oplossing te forceren). Het loket gaat naar de posten toe om te vragen tegen welke problemen men aanloopt en ze helpen met oplossingen. We participeren beperkt in landelijke ontwikkelingen en liften hierin mee op bestaande structuren. Tevens kunnen we zelf beperkt innovaties in pilot vorm opzetten en ontwikkelen. Er is hiervoor structurele capaciteit noodzakelijk om innovaties op te pakken of te begeleiden (indicatief ≥2fte) en onderzoeksbudget (≥100k) nodig. De VRU flexibel (o.a. budgettair) om na succesvolle pilots vernieuwingen te borgen als nieuwe standaard. Risico’s Zonder ruimte voor innovatie blijven we werken zoals nu, wat onvoldoende voorbereiding biedt op toekomstige ontwikkelingen. Dit maakt ons minder aantrekkelijk als werkgever en voldoet niet aan onze kernwaarden. Op kop De VRU kenmerkt zich als een kenniseconomie. Dit weerspiegelt zich in de VRU. Onze focus in vooruitziend, interregionaal en internationaal.
We doen hetgeen omschreven in ‘op koers’ maar aanvullend participeren we sterk in landelijke en internationale ontwikkelingen en netwerken en zijn in staat om mee te dingen naar (Europese) subsidies om onze ambities uit te voeren. Zelf ontwikkelingen initiëren, onderzoek doen, experimenteren, innoveren en als eerste in het land de stap vooruit te zetten. We werken samen met kennisinstituten. We investeren in evalueren en leren van de praktijk, maar ook voorbereiden op wat we voorzien. Om dit te realiseren is voortdurende kennisontwikkeling noodzakelijk, risicogericht door ontwikkelen, gericht op toekomstige ontwikkelingen die we voorzien. Hiervoor is binnen de organisatie onderzoekscapaciteit noodzakelijk, maar ook budget om te kunnen ontwikkelen, te experimenteren en te implementeren. We kunnen zelf innovaties in pilot vorm opzetten en ontwikkelen. Hier is een structureel budget voor (≥50k). Er is een programmamanager innovatie (1fte) die als een soort ‘makelaar’ fungeert tussen de regio en het netwerk daarbuiten. De makelaar haalt financiering op naar voorbeeld van Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond/ Gezamenlijke Brandweer voor formatie (de eerder genoemde 2fte), waardoor naar verwachting de ‘op kop’ variant goedkoper uitvalt dan de ‘op koers’ variant. Na succesvolle pilots is budgettair binnen de organisatie ruimte om vernieuwingen te borgen als nieuwe standaard.
Bestuurlijke richtinggevende keuze: Innovatie Het is onontkoombaar om te investeren in innovatieve ontwikkeling voor het vergroten van arbeidsveiligheid van onze brandweermensen en voor onze leefomgeving.
4.6
Natuurbrandbestrijding
38
In onze regio heeft vooral de oostkant te maken met een bos- en hei gebied. Van de Utrechtse Heuvelrug tot aan de Lage Vuursche en Laapersheide. Kenmerkend voor dit gebied is het intensieve gebruik. Voorbeelden zijn diverse campings, zorglocaties, dierentuinen, dagrecreatie en woonkernen. Daardoor kan een natuurbrand met beperkte omvang toch een aanzienlijke impact hebben. Door klimaatverandering krijgen we vaker te maken met omstandigheden waarin onbeheersbare natuurbranden kunnen voorkomen. Dit heeft mogelijk grote maatschappelijke ontwrichting tot gevolg. De huidige aanpak van het natuurbrandrisico in Nederland is onvoldoende toekomstbestendig. De VRU werkt mee in een landelijke taskforce natuurbrand die een toekomstvisie ontwikkelt op natuurbrandbeheersing, op drie thema’s: • Proactie / preventie. • Slimme repressie en slagkracht. • Onderzoek en kennisontwikkeling. Met de betrokken gemeenten overlegt de VRU over prioritering en (her)inrichting van het gebied. Dit leidt tot een actieplan met in elk geval de volgende onderdelen: • Advies over meer preventieve maatregelen en de waar nodig wettelijke verankering. • Advies over hoe bij te dragen aan veerkracht op dit gebied in de samenleving. • Advies over passende repressieve slagkracht voor onze regio en bovenregionaal optreden.
Om de effecten van een natuurbrand zo goed mogelijk te kunnen beheersen is een aantal aanvullende investeringen nodig. In onderstaande tabel staat weergegeven welke investeringen noodzakelijk zijn. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen op het scenario ‘orde’ en ‘op koers’. Tabel 4.10 Natuurbrandbestrijding Bedragen x € 1.000
Natuurbrandbestrijding
2026
2027
2028
2029
2030 Categorie
5e peloton NBB Op Koers peloton NBB 2 pelotons grootschalige watervoorziening NBB Op Koers pelotons grootschalige watervoorziening 0 handcrew Op Koers 1 handcrew
-
-
269 73 210 45
269 73 210 45
269 Opnemen meerjarenraming 73 Opnemen meerjarenraming - Opnemen meerjarenraming 210 Opnemen meerjarenraming - Opnemen meerjarenraming 45 Opnemen meerjarenraming
Totaal effect bijdrage gemeentelijk basistakenpakket
-
-
597
597
597
5e peloton Natuurbrandbestrijding De brandweer heeft een beperkte periode waarin zij uitbreiding van de brand kan voorkomen als zij beschikt over voldoende koelend vermogen. Voorkomen van uitbreiding van natuurbrand door snel en adequaat op te treden is een essentieel element in het beperken van de impact van een natuurbrand. Natuurbranden ontstaan doorgaans door droge omstandigheden en de verandering van vegetatie. Ook door het intensiever gebruik van de natuur neemt het risico op een natuurbrand toe. De kans op grote natuurbranden die gelijktijdig op verschillende plekken in de regio plaats vinden wordt groter. Voor een effectieve natuurbrandbestrijding en slagkracht binnen onze regio is een volwaardig 5e peloton nodig. Dit zorgt niet alleen voor kortere aanrijtijden en een snellere inzet om verdere uitbreiding te voorkomen, maar stelt ons ook in staat om bijstand te
39
verlenen aan andere regio’s, zoals wij ook bijstand ontvangen uit omliggende gebieden. Het 5e peloton biedt daarnaast de capaciteit om eenheden af te lossen, wat essentieel is bij langdurige en intensieve incidenten. In het huidige dekkingsplan uit 2020 is het uitgangspunt dat vijf pelotons (20 operationele voertuigen) nodig zijn voor natuurbrandbestrijding. Het plan was om samen met de Veiligheidsregio Gooi- en Vechtstreek één gezamenlijke natuurbrandbestrijdingsorganisatie te vormen. Veiligheidsregio Gooi en Vechtstreek heeft echter andere natuurbrandvoertuigen aangeschaft waardoor de uitwisselbaarheid met ons materieel niet optimaal is. Momenteel beschikt de VRU over 19 natuurbrandbestrijdingsvoertuigen. Van deze 19 voertuigen zijn er twee afwijkend en niet structureel gefinancierd (zie paragraaf 4.2. Vervanging combivoertuigen). Om tot de benodigde 20 uniforme en structureel gefinancierde natuurbrandbestrijdingsvoertuigen te komen, zijn drie extra voertuigen nodig. In het ‘op koers’ scenario gaan we uit van een extra reservevoertuig volgens de huidige werkwijze. Dit voorkomt dat het vijfde peloton niet volledig operationeel is wanneer één voertuig niet inzetbaar is door bijvoorbeeld onderhoud. Vanwege de zeer lange levertijden (circa twee jaar) is het ook niet mogelijk om op korte termijn een vervangend voertuig te leveren als één van de voertuigen volledig uitvalt.
Grootschalige watervoorziening natuurbrandbestrijding Voor de natuurbrandbestrijding is voldoende bluswater nodig. De beschikbaarheid van bluswater is een kwetsbaar element bij het bestrijden van natuurbranden vanwege verdroging en langdurige droogte. Bij de bestrijding van grote natuurbranden in de afgelopen jaren zijn de landelijke bijstandsafspraken tussen regio’s (in de vorm van pelotons) en Defensie (blushelikopters) ingezet. Met name de beschikbaarheid van de capaciteit van Defensie is schaars en niet gegarandeerd. Bij de bestrijding wordt in principe aan twee flanken ingezet, waarbij ook aan twee kanten voor de watervoorziening moet worden gezorgd. Hiervoor zijn twee waterwagens nodig, die nu niet structureel zijn gefinancierd binnen de bestaande begroting. Het ‘op orde’ scenario gaat uit van het realiseren van structurele financiering voor de twee incidenteel gedekte waterwagens. Om voorbereid te zijn op minder beschikbaar water door toedoen van klimaatverandering zijn in het ‘op koers’ scenario twee extra waterwagens opgenomen. Dit vergt een uitbreiding van het aantal vrijwilligers. Handcrews De hoofdtaak van de handcrew is het verwijderen van brandbaar materiaal om een stoplijn te creëren. Daarnaast kan de handcrew ook bijdragen aan de daadwerkelijke brandbestrijding.
Dit gebeurt te voet en met handgereedschap, waardoor ze in staat zijn om gebieden te bereiken die voor voertuigen onbereikbaar zijn. In het buitenland waar men al jaren ervaring heeft met grote natuurbranden zijn handcrews een bekend fenomeen. Ook in Nederland zijn de eerste regio’s inmiddels al met Handcrews begonnen.
40
Bestuurlijke richtinggevende keuze: Natuurbrandbestrijding De VRU zet in op natuurbrandweerbestrijding met de daarvoor minimum benodigde investeringen. Daarmee dragen wij bij aan de landelijke afspraken, de visie en het op te stellen nationaal convenant Natuurbrandbestrijding. Visie op bluswatervoorziening Naast de specifieke waterwagens voor natuurbrandbestrijding kan deze toepassing ook voor de gehele regio een geschikt alternatief zijn voor brandkranen. In het kader van duurzaamheid en klimaatverandering is het de vraag of het nog verantwoord is om drinkwater te gebruiken voor het blussen van branden. De komende periode wordt een visie op bluswatervoorzieningen opgesteld. Onderdeel van deze visie is het onderzoeken naar alternatieven voor de traditionele bluswatervoorzieningen. Het beoogde effect van dit document is dat gemeenten, drinkwaterbedrijven en brandweer op basis van eenduidige kaders hun rol kunnen invullen met betrekking tot het organiseren van de bluswaterwatervoorziening in de VRU. Bestuurlijke richtinggevende keuze: Visie op bluswatervoorziening De VRU stelt een ‘visie op bluswatervoorziening’ op voor het bepalen, realiseren en borgen van adequate bluswatervoorziening binnen het verzorgingsgebied van de brandweer.
4.7
Bestuurlijke opdrachten
4.7.1
Bestuurlijke opdracht 1: Waterongevallenbestrijdingsorganisatie
Onderzoek naar de toekomstbestendigheid van de waterongevallenbestrijdingorganisatie Het algemeen bestuur vraagt om scenario's op te stellen voor de toekomst van de waterongevallenbestrijdingorganisatie. Hierbij worden de volgende uitgangspunten meegegeven: • De hulpverlener is uitgerust om veilig op te kunnen treden volgens geldende regels (arbeidsveiligheid, materieel, vakbekwaamheid, belastbaarheid van onze medewerkers/vrijwilligers en nieuwe technologische ontwikkelingen). • De wijze waarop de hulpverlening georganiseerd is, is gewogen op veiligheid, haalbaarheid, redelijkheid en betaalbaarheid (dit i.v.m. financiële situatie gemeenten). 4.7.2
Bestuurlijke opdracht 2: Analyse AED-taak
Analyse naar de maatschappelijke en financiële kosten en baten van de AED-taak Het algemeen bestuur vraagt om een beknopte analyse te verrichten naar de maatschappelijke en financiële kosten en baten van de AED-taak door de brandweer. Bij de uitwerking van deze bestuurlijke opdracht ligt de vraag voor wat het algemeen bestuur nodig heeft om de afweging over het continueren van de AED-taak te kunnen maken.
41
Voorgesteld wordt om een beknopte analyse uit te voeren. De beknopte analyse is gericht op het in beeld brengen van ontwikkelingen die niet eerder onderdeel zijn geweest bij de analyse AEDtaak. In deze analyse staan de volgende onderdelen centraal: • Aanleiding en context. • Relatie AED-taak en voorkomendheid PTSS bij brandweermedewerkers. • Ontwikkeling burgerhulpverlening in de provincie Utrecht. • Scenario’s toekomstige uitvoering taak, inclusief best practices uit andere veiligheidsregio’s. Als het bestuur behoefte heeft aan een meer uitgebreide analyse, dan kunnen de volgende elementen worden toegevoegd: • Maatschappelijke kosten en baten. • Financiële kosten en baten. • Belevingsonderzoek brandweermedewerkers. De uitgebreide analyse komt overeen met de analyse die tussentijds reeds twee keer is verricht. Aangezien op deze onderdelen geen nieuwe uitkomsten worden verwacht, wordt voorgesteld de analyse van de AED-taak te beperken. 4.7.3
Bestuurlijke opdracht 3: Verkenning doorbelasten dienstverlening ambulancezorg
Verkenning doorbelasten dienstverlening ambulancezorg Het algemeen bestuur vraagt om de mogelijkheden te verkennen voor het doorbelasten van de kosten voor tilassistentie en af- en inhijsingen. Onderzocht wordt of en zo ja, op welke wijze de kosten in rekeningen kunnen worden gebracht bij de ambulancedienst/zorgverzekeraars. Bij de uitvoering van deze bestuurlijke opdracht worden de volgende onderdelen meegenomen: • Juridische context taak. • Financiële kosten- en batenanalyse. • Maatschappelijke kosten- en batenanalyse. • Scenario’s doorbelasten kosten aan zorgverzekeraars, inclusief best practices uit veiligheidsregio’s. • Voorstel voor een toekomstbestendige werkwijze voor het doorbelasten van kosten aan zorgverzekeraars. 4.7.4
Bestuurlijke opdracht 4: Doorbelasten dienstverlening liftopsluitingen
Verkenning doorbelasten dienstverlening liftopsluitingen op verantwoordelijke partij Het algemeen bestuur vraagt te verkennen of en hoe de kosten voor het bevrijden van personen uit liften - in situaties waarbij er geen sprake is van een medisch urgentie situatie en daarmee geen wettelijke taak - kunnen worden verhaald op de verantwoordelijke partij. Bij deze verkenning dienen de volgende onderdelen te worden meegenomen:
42
• • • • •
4.8
Juridische context van de dienstverlenende taak. Maatschappelijke kosten- en batenanalyse (inclusief beleving brandweerpersoneel en maatschappij op doorbelasten kosten). Financiële kosten- en batenanalyse. Scenario's doorbelasting kosten voor deze taak, inclusief (best) practices uit andere veiligheidsregio's. Organisatorische consequenties (o.a. facturatie- en incassoprocessen).
Samenvatting Brandweer – Toekomstbestendige brandweerzorg
In onderstaande tabel staat de samenvatting van de investeringen voor de brandweer. Tabel 4.11 Samenvatting Brandweer - Toekomstbestendige brandweerzorg Bedragen x € 1.000
Samenvatting Brandweer – Toekomstbestendige brandweerzorg
2026
2027
2028
2029
2030
Personele paraatheid Tankautospuiten basisbrandweerzorg Ondersteuning hulpverlening Veilige energietransitie en IBGS Vakbekwaamheid Innovatie arbeidsveiligheid (pilots) Innovatie arbeidsveiligheid (pilots) Op Koers Natuurbrandbestrijding Natuurbrandbestrijding Op Koers
983 910 66 332 639 154 154 -
829 910 66 332 639 154 154 -
926 1.324 66 332 639 154 154 269 328
1.023 1.324 66 332 639 154 154 269 328
3.864 1.324 66 332 639 154 154 269 328
Totaal effect bijdrage gemeentelijk basistakenpakket
3.238
3.084
4.192
4.289
7.130
43
5 Risicobeheersing - Veilige en gezonde leefomgeving In de Bestuursagenda 2024 – 2027 is voor het programma Veilige en gezonde leefomgeving aangegeven wat we in deze beleidsperiode gaan doen om in 2027 een veilige(re) en gezonde(re) leefomgeving te bereiken. Dat is niet alleen gericht op een veilige en gezonde leefomgeving, maar daarbij horen een veerkrachtige en redzame samenleving en een breed gezamenlijk netwerk.
5.1
Risicogericht werken binnen een breed netwerk
De VRU zet zich in voor een veilige en gezonde leefomgeving. Onze ambitie is dat wij daarbij risicogericht werken. Dat wil zeggen dat we ons zoveel mogelijk richten op het beperken van die risico’s, waarbij we de meeste veiligheidswinst kunnen boeken. Hiervoor is al veel geïnvesteerd in de samenwerking met gemeenten op het gebied van voorlichting, advisering, vergunningverlening en toezichthouden. Wij willen ons inzetten om vroegtijdig in het proces als partner en adviseur betrokken te zijn bij de beoordeling van initiatieven en ontwikkelingen. Daarvoor zoeken we samen met andere relevante partijen naar de kwetsbaarheden, risico’s en kansen in onze regio en waar nodig op landelijk niveau. Op orde Dit betreft de huidige situatie. Wij dragen actief bij aan een veilige en gezonde leefomgeving door in te zetten op het voorkomen of beperken van (nieuwe) risico’s. Zowel toezicht als advies werken met name vraaggericht. Als gemeenten erom vragen denken wij mee in de ontwikkeling. We zijn hierbij met name reactief. Ons advies en toezicht is kwalitatief op orde, maar niet integraal. We maken gebruik van bestaand interventie-instrumentarium. Waar we deelnemen aan regionale samenwerkingen hebben we een signalerende rol als het gaat om nieuwe risico's.
Het netwerk bestaat vooral uit klassieke partners en op een aantal thema’s zoals energietransitie, klimaatadaptatie en natuurbrandbeheersing bouwen we binnen dit netwerk aan goede coalities. Dit scenario is op orde en vraagt geen aanvullende investeringen. Op koers Dit betreft de gewenste ontwikkeling. In dit scenario dragen we proactief bij aan een veilige en gezonde leefomgeving door in te zetten op het voorkomen of beperken van (nieuwe)risico’s. We hebben zicht op de relevante risico’s en een systeem om nieuwe risico’s te signaleren en monitoren (een dynamisch Regionaal Risicoprofiel). Betrouwbare data zijn hiervoor een randvoorwaarde. We werken risicogericht; risico’s prioriteren de inzet van capaciteit en middelen. We adviseren integraal (intern en extern). Hiervoor hebben we positie bij de advisering van relevante partijen en organisaties, waarbij we zo vroeg mogelijk in het proces als vanzelfsprekend worden betrokken. Hierdoor zijn de risico's en beheersmaatregelen eerder duidelijk en is reparatie achteraf minder vaak noodzakelijk. We geven handelingsperspectief op relevante en nieuwe risico’s. Het optimaliseren van de externe dienstverlening is hierbij essentieel. Het intern en extern beschikbaar stellen van informatie zorgt voor een eenduidige boodschap vanuit de VRU
44
aan onze inwoners. Ook hebben wij zicht op netwerken en participeren hier actief in. Hierbij hebben wij als organisatie een coördinerende, faciliterende en verbindende rol. Risico’s Niet investeren in het scenario op koers, brengt een aantal risico’s met zich mee. De kans bestaat dat er tegenstrijdige adviezen worden gegeven door het ontbreken van de integraliteit van de adviezen. Een ander risico is dat als we niet aan de voorkant zitten van een proces, we moeten repareren aan de achterkant. Dat kost tijd en geld, ook bij repressie. Binnen de huidige capaciteit is geen ruimte voor nieuwe risico’s, projecten of actualiteit. Er is weinig tot geen ruimte voor ontwikkeling van kennis over nieuwe regelgeving en nieuwe ontwikkelingen in het veld. Er wordt geen toezicht uitgevoerd op brandveiligheid in parkeergarages. Met de komst van elektrische voertuigen zien we hier een toenemend risico. Er is geen eigenaar of aanjager om het aspect veiligheid bij nieuwe risico's te agenderen en samen met partijen tot realistische handelingsperspectieven te komen. De risicothema’s worden door partners niet integraal benaderd. Vaak is bij de partners (waaronder de gemeenten) onvoldoende capaciteit of kennis beschikbaar. We doen hier een stapje extra vanuit ons urgentiebesef en ons perspectief als hulpverlener, omdat we zicht hebben op waar we in de hulpverlening mee te maken krijgen.
We zien dat wij als aanjager nodig zijn bij de risicothema’s natuurbrandbeheersing, klimaatadaptatie, energietransitie, stedelijke verdichting en duurzaam bouwen. De huidige beschikbare capaciteit is ingezet op de eerste drie thema's. Er is onvoldoende ruimte om ook op de laatste twee thema’s of andere nieuwe thema’s goed in te zetten. We zien dat daar onze expertise ligt, maar er is nu onvoldoende capaciteit om op alle thema’s voldoende in te zetten. Er is coördinatie nodig op alle thema’s uit het RRP, maar daar is nu niet genoeg formatie voor. Per thema wordt voorgesteld om extra capaciteit beschikbaar te stellen. Er is geen ruimte voor een investering in de toepassing van nieuwe ontwikkelingen (bijvoorbeeld het gebruik van AI voor advisering). Dit betekent dat wat nu op orde is, op korte termijn een achterstand betekent. Om proactief en integraal te gaan werken is een investering of ombuiging noodzakelijk.
5.2
Vergroten van veerkracht en redzaamheid
Wij werken aan het vergroten van de veerkracht en redzaamheid in de samenleving. Nieuwe risico’s en geopolitieke dreigingen komen samen een daar komt bij dat het systeem waarin we leven complex is. Maatschappelijke ontwrichting is een reëel gevolg. De samenleving is zich nog maar zeer beperkt bewust van de dreiging. Naar verwachting is de weerbaarheid ook beperkt door het ontbreken van handelingsperspectieven. Om voldoende slagkracht en weerbaarheid te bereiken is er samenwerking nodig tussen de overheid en de samenleving. Dit doen we door risicocommunicatie te intensiveren, passend bij de behoefte van de diverse doelgroepen in de samenleving. Ook wordt ingezet op publiek-private samenwerking om de slagkracht te vergroten. Op orde Binnen dit scenario blijven we ons met name richten op het thema brand in huis en hebben dus geen aandacht voor de benodigde veerkracht bij nieuwe risico's.
45
Op koers Nationaal ligt er de opgave om tot een weerbare en veerkrachtige samenleving te komen. Deze opgave is belegd bij de NCTV. Wij onderzoeken op welke manieren wij kunnen bijdragen aan het vergroten van de weerbaarheid, redzaamheid en veerkracht in de samenleving. Dit past bij de ambities uit onze bestuursagenda, maar ook bij landelijke doelstellingen uit de Nationale Veiligheidsstrategie en de Landelijke Agenda Crisisbeheersing. Binnen het scenario op koers beschikken we over een VRU-brede visie op veerkracht en redzaamheid en geven hier uitvoer aan met het programma Veerkracht. We zorgen er samen met het rijk, gemeenten en partners voor dat de inwoners over de benodigde handelingsperspectieven beschikken. Hierbij spelen we in op een inclusieve maatschappij, met maatwerk voor verschillende doelgroepen. We zorgen ervoor dat we ook tijdens (langdurige) verstoringen als overheid in contact kunnen blijven staan met de samenleving. Hiervoor gaan we informatie- en ondersteuningspunten inrichten. We richten ons op het vormen van nieuwe civiel – publieke coalities voor het komen tot een weerbare en redzame samenleving en robuuste crisisorganisatie waarbij de totale slagkracht van de samenleving benutten (met mogelijk een Risk Factory als middel om hier actief aan bij te dragen). Tabel 5.1 Samenvatting risicobeheersing – Veilige en gezonde leefomgeving Bedragen x € 1.000
Risicobeheersing Coördinatie thema’s RRP (stedelijke verdichting en duurzaam bouwen) Besparing overhead Op Koers Extra formatie energietransitie en beleidsmedewerker Op Koers: ombuiging verlaging toezichtfrequentie
-132 -132 -132 -132 -132 Opnemen in kadernota 2026 220 220 220 220 220 Opnemen in kadernota 2026 -423 -423 -423 -423 -423 Opnemen in kadernota 2026
Totaal effect bijdrage gemeentelijk basistakenpakket
-203
2026 2027 2028 2029 2030 Categorie Opnemen in kadernota 2026 132 132 132 132 132
-203
-203
-203
-203
Voorstel voor ombuiging Voor het scenario op koers zijn financiële middelen nodig. We doen hiervoor een voorstel tot ombuiging. Om risicogericht werken mogelijk te maken en dit te bekostigen, wordt voorgesteld om de huidige toezichtfrequentie te verlagen. Dit betekent dat er jaarlijks minder controles ‘gebruik’ wordt uitgevoerd. Daardoor is er minder capaciteit nodig. Een deel van deze ombuiging, door het verlagen van de formatie, kan worden ingezet als besparing. Voor de rest van de formatie die vrijkomt door het verlagen van de toezichtfrequentie, stellen we voor om die in te zetten ten behoeve van het risicogericht werken (o.a. voor nieuwe en regionale risico’s) en het vergroten van veerkracht (risicogerichte acties). Risico’s Het verlagen de toezichtfrequentie brengt een aantal risico's met zich mee: • Minder toezicht houden kan gevolgen hebben voor de brandveiligheid (naleefgedrag van de gebruiker gaat omlaag). Dit kan leiden tot grotere incidenten met gevolgen voor repressie en de crisisbeheersingsorganisatie. • Het risico is dat de paraatheid van repressie vermindert, doordat er minder toezichthouders beschikbaar zijn voor piket en uitruk. • We zijn minder in staat om in te spelen op acute vragen vanuit de samenleving/gemeente (minder personeel, dus minder flexibel).
46
6 Crisisbeheersing - Versterking crisisbeheersing Economische, sociale en politieke veranderingen in de samenleving volgen elkaar steeds sneller op. We hebben te maken met klimaatverandering, digitalisering, (volks-)gezondheidscrises waaronder pandemieën, vergrijzing en (geo)politieke spanningen. Hierdoor hebben we te maken met een ander type crisis: langdurig, complex, grensoverschrijdend met stapelende dominoeffecten. Deze crises vragen van ons als veiligheidsregio een andere aanpak dan we gewend waren. We signaleren een vijftal risico’s die de komende jaren vragen om een versnelde aanpak in voorbereiding en preparatie: - Energie / netcongestie. - Water / overstroming. - Cyber. - Droogte / natuurbrand. - Militaire dreiging. We signaleren een trend waarbij bij veel organisaties een toename aan beleidscapaciteit samengaat met een afname van doe-capaciteit. De veiligheidsregio’s lijken een (van de) laatste bastion(s) in doe-capaciteit. We zullen, nu en in de toekomst, meer moeten vertrouwen op de weerbaarheid en veerkracht van onze bedrijven en inwoners. Het versterken van weerbaarheid en veerkracht in de samenleving vraagt om een grootschalige landelijke aanpak met regionale uitwerking. Versterking crisisbeheersing heeft zich vertaald in een tweetal projecten: - Versterking crisisbeheersing, waaronder informatiemanagement.
- Versterken weerbaarheid van de samenleving (zie hoofdstuk 6).
6.1
Programma Versterking Crisisbeheersing
Het programma Versterking Crisisbeheersing wordt uitgevoerd omdat er een landelijke opdracht vanuit het Rijk ligt om crisisbeheersing en informatiemanagement te versterken. Onze doelstelling is om als VRU in positie te komen als er sprake is van (dreigende) crisis of maatschappelijke ontwrichting. Onze missie is om te voorkomen, te voorzien en de effecten van de crisis te minimaliseren en de weerbaarheid van de samenleving te versterken. Het Rijk heeft voor deze opdracht extra geoormerkte midden via de rijksbijdrage beschikbaar gesteld aan de veiligheidsregio's. De besteding van deze middelen is vastgelegd in de meerjarenbegroting van de VRU, zoals deze is vastgesteld in juli 2024. Met het uitvoeren van het programma Versterking Crisisbeheersing, geven we uitvoering aan de Bestuursagenda 2024-2027. Het programma werkt aan een versterking op vier (hoofd)lijnen:
47
crisismanagement, netwerkmanagement, informatiemanagement en communicatiemanagement. Met het uitvoeren van de Bestuursagenda zijn we “op koers” voor dit thema. 1. Deze doorontwikkeling is een directe opdracht vanuit het Rijk, waarvoor structureel extra middelen beschikbaar zijn gesteld via de BDuR. Het is daarmee niet mogelijk om deze versterking niet uit te voeren of een bezuiniging te realiseren via deze extra middelen. 2. De doorontwikkeling die de VRU heeft ingezet met het Operationeel Kernteam – permanent (OKT-p) en is een voorbeeld voor Nederland: we werken met een gedegen visie en programmaplan om onze crisisbeheersing verder vorm te geven. Dit gaat verder dan het aannemen van extra personeel, maar maakt de VRU, gemeenten en partners samen sterker. 3. Het programma Versterking Crisisbeheersing werkt aan een permanent crisisteam (OKT-p) dat niet alleen inzetbaar is tijdens de crises, maar juist vóór de crisis probeert te komen door het volgen van het 24/7 veiligheidsbeeld en altijd parate kennis en expertise. 4. Tijdens de corona- en asielcrisis is een groot deel van het VRU-personeel ingezet in de crisisorganisatie. Hierdoor is er een achterstand opgelopen in het reguliere werk. Deze inzet heeft veel gevraagd van het personeel. Met deze versterking beogen we dat crisismanagement wordt ingericht als een vak en niet als neventaak: “wat je vaker doet, doe je vaker goed”.
Het dagelijkse reguliere werk vormt 75% van de functie, en crisismanagement 25%. Door deze professionaliseringsslag wordt er flexibiliteit en wendbaarheid ingebouwd die nodig om toekomstige crises het hoofd te bieden. (Waarbij we niet kunnen garanderen dat bij een extreme crises er geen achterstanden zullen ontstaan.) 5. Naast versterken van de crisisorganisatie gaan we projecten opstarten om de veerkracht en weerbaarheid van de samenleving en relevante ketenpartners te versterken. We zien nadrukkelijk winst aan de voorkant: door veerkracht in de samenleving te versterken, beperken we de effecten van een ramp of crisis. Het Rijk heeft kaders5 meegegeven bij de toewijzing van extra geoormerkte middelen voor deze versterking: “De ophoging van de Brede Doeluitkering Rampenbestrijding (BDuR) is bedoeld voor de versterking van de crisisbeheersing, ook op grond van de contourennota (…) Het is niet de bedoeling dat gemeentelijke bijdragen aan de veiligheidsregio’s – als effect van de ophoging van de BDuR – worden verlaagd. Ook is het niet de bedoeling met de extra financiële middelen gaten te vullen op het gebied van andere taakgebieden van de veiligheidsregio’s”. Risico's De afgelopen jaren is de VRU in touw geweest met diverse opeenvolgende langdurige crises. Hiervoor hebben we facturen gestuurd naar het Rijk.
Met het verstrekken van de extra BDuRgelden verwacht het Rijk van ons dat we ons zó robuust organiseren, dat we een toekomstige, langdurige crisis (deels) zelf op kunnen vangen. Bezuinigingen waardoor de robuustheid onder druk komt te staan, brengt dus risico’s met zich mee. Financieel omdat we de rekening dan bij gemeenten neer moeten leggen, inhoudelijk omdat we niet optimaal gesteld staan voor crises die we aan zien komen. Kosten die gepaard gaan met een pandemie, hetgeen wij helaas hebben moeten ervaren, zijn zeer omvangrijk en niet af te dekken vanuit de Veiligheidsregio’s en gemeenten.
5 Voorstel aanwending extra financiële middelen crisisbeheersing – 30 september 2022 (Ministerie van J&V):
48
6.2
Uniformeren piketregeling
Binnen de portefeuilles Crisisbeheersing en GHOR is, naast de hierboven genoemde versterking van Crisisbeheersing via de extra BDuR-gelden, één extra investering nodig. Dit betreft het uniformeren van het piketmodel. Op orde Er zijn momenteel binnen de VRU verschillende piketregelingen actief, wat zorgt voor onduidelijkheden en verschillen. Onder andere de vergoedingen voor piketmedewerkers in het ‘oude’ en ‘nieuwe’ piketmodel lopen enorm uit elkaar. Daarbij komt dat secundair niets geregeld is voor piketmedewerkers. Om dit recht te trekken is een VRU-brede herijking van het piketmodel nodig. Dit vraagt “goed werkgeverschap” door onze mensen gelijkwaardig betaald worden voor deze rol, niet de één uit oude rechten meer dan de ander. Deze investering is nodig om “op orde” te komen. De wens is om organisatiebreed te werken aan een nieuw, uniform piketmodel. Eerder zijn al uitgangspunten geformuleerd waar een nieuw piketmodel aan zou moeten voldoen. Door onder andere vanwege capaciteitsgebrek is het project nooit opgestart. Het voornemen is om in 2025 te starten met dit project. Met het uniformeren van de piketregeling dragen we bij aan het zijn van een “Great Place to Work” en het krijgen (en houden) van goede piketmedewerkers. Een goede vergoeding zorgt ervoor dat er minder verloop is in de piketgroepen en dat de motivatie hoog blijft.
Onderstaande tabel geeft inzicht wat de investeringen zijn om de piketregeling te uniformeren. Tabel 6.1: Meerkosten uniformeren piketregeling Bedragen x € 1.000
Meerkosten uniformeren piketregeling Uniformeren piketregeling
2026 2027 2028 2029 2030 Categorie 400 400 400 400 400 Opnemen in kadernota 2026
Totaal effect bijdrage gemeentelijk basistakenpakket
400 400 400 400 400
De inschatting is dat er structureel €400.000 nodig zal zijn om het piketmodel op orde te brengen en de vergoedingen te uniformeren. Dit bedrag vindt zijn basis in een onderzoek dat een paar jaar geleden is uitgevoerd naar de uniformering van piketgroepen. Uiteraard zullen we bij het in beeld brengen van het definitieve kostenplaatje door dat uitgevoerde onderzoek te updaten, ook bezien of er door wijzigingen in de piketstructuur (meer kanspiket, piketten samenvoegen e.d.) een deel van de meerkosten bespaard kan worden. Risico's Bij de huidige ongelijke vergoeding, blijven we het risico lopen dat de piketgroepen niet of te weinig bezet worden. Daardoor is de crisisorganisatie onvoldoende inzetbaar bij calamiteiten. Bestuurlijke richtinggevende keuze: Crisisbeheersing Onderzoek doen naar het uniformering van het piketmodel crisisbeheersing VRU.