Bijlage 3 Ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Een ontheffing in het kader Wet natuurbescherming is voor de sloop daarom niet nodig. De bomen zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van jaarrond beschermde (roofvogel)nesten. Deze zijn niet aangetroffen. Een ontheffing in het kader Wet natuurbescherming is niet nodig. In principe worden de grote bomen niet gekapt maar indien dit toch gaat gebeuren is een check vóór eventuele kap wel van belang. Het gemakkelijkst is dat in de periode zonder bladeren aan de bomen. De struiken, opgaande begroeiing en kleine bomen, inclusief de conifeer binnen het plangebied, zijn geschikt als nestlocatie voor vogels. Dit groen wordt verwijderd. Om overtredingen van de Wet natuurbescherming te voorkomen ten aanzien van broedgevallen van vogels, moet in de realisatiefase rekening worden gehouden met het broedseizoen (grofweg buiten 15 maart – eind juli). Voor aantasting van actieve vogelnesten bestaat geen mogelijkheid voor het verkrijgen van een ontheffing in het kader van de Wnb. Reptielen, amfibieën en vissen Een geschikte habitat om te rusten, zich voort te planten of te overwinteren is voor beschermde reptielen, amfibieën en vissen in het plangebied niet aanwezig. Ook gezien de verspreiding worden ze niet in het plangebied verwacht. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Flora In het plangebied zijn geen beschermde planten waargenomen of te verwachten.
Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Ongewervelden In het plangebied worden geen beschermde ongewervelden verwacht. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Houtopstanden Er worden in principe geen grote bomen gekapt. Meld- en herplantplicht is hierbij dus niet van toepassing.
30
Invasieve exoten Er zijn geen invasieve exoten aangetroffen binnen het plangebied. Invasieve exoten zijn daarom niet van toepassing. 4.6
M.e.r. beoordeling
Kader Hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer gaat in op de verplichting van een milieueffectrapportage (afgekort: MER). Het Besluit milieueffectrapportage beschrijft categorieën van aangewezen activiteiten die MER-plichtig (categorie C) of m.e.r.beoordelingsplichtig (categorie D) zijn. Planspecifiek Het planvoornemen is niet opgenomen in categorie C of categorie D van het Besluit MER. De realisatie van het onderstation in Achterberg is daarom niet MER-plichtig of m.e.r.beoordelingsplichtig. Dit aspect vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 4.7
Archeologie
Kader In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Het nieuw te bouwen onderstation ligt in de bestemming Waarde archeologie, hoge verwachtingswaarde van het bestemmingsplan Buitengebied 2010 Rhenen. Voor deze bestemming geldt dat voor ingrepen groter dan 100 m² een archeologisch onderzoek vereist is. Onderhavig plan betreft een ingreep van circa 100 – 150 m².
Hierom is een archeologisch bureauonderzoek (conform de protocollen uit de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie) uitgevoerd. Deze is als bijlage 5 toegevoegd2. Het plangebied is gelegen in het Utrechts Gelders zandgebied. De ondergrond bestaat uit dekzand dat afgedekt is met een esdek. Dit esdek en de historische informatie schetsen het beeld van langdurig agrarisch gebruik van dit gebied waarbij grote ruimtelijke ingrepen achterwege zijn gebleven. Archeologische vindplaatsen vanaf het Mesolithicum tot de Romeinse tijd kunnen voorkomen in de top van het dekzand. Archeologische vindplaatsen vanaf de Middeleeuwen tot aan de Nieuwe tijd kunnen in principe voorkomen in het esdek.
2 Huisman, J.J. (2022). Onderstation, Zuidelijke Meentsteeg Achterberg. ProRail BoPro
2021-02
31
Daarbij is het wel van belang dat in het dekzand nog een oorspronkelijk podzol-profiel aanwezig is en het esdek een gelaagde opbouw heeft. Op basis van archeologische onderzoeksgegevens uit de directe omgeving en milieukundige boringen 3 in het plangebied is gebleken dat sprake is van een recent opgebracht of geroerd esdek. Resten van plastic en piepschuim in dit esdek tonen dit aan. Daarnaast is uit de boorbeschrijving van de milieukundige boringen op te maken dat in het plangebied geen sprake meer is van een natuurlijke opbouw en/of intacte podzol. Er is sprake van een verstoord dekzandprofiel. Op basis van het bureauonderzoek is gebleken dat er geen sprake meer is van een bodem waarin intacte archeologische vindplaatsen kunnen voorkomen. Uit het archeologisch bureauonderzoek volgt het advies geen nader archeologisch onderzoek uit te voeren en het terrein, voor wat betreft het aspect archeologie, vrij te geven voor ontwikkeling. Dit onderzoek is meegeleverd als indieningsvereiste voor de aanvraag van de benodigde vergunning. De Gemeente Rhenen heeft op advies van de ODRU besloten af te wijken van de conclusie uit het bureauonderzoek. De gebruikte boorbeschrijvingen van het milieukundig onderzoek tonen naar oordeel van ODRU de bodemverstoring onvoldoende aan.
De Archeologische Standaard Boorbeschrijving van dezelfde boringen tonen de bodemverstoring wel aan, maar mogen naar mening van de ODRU niet worden gebruikt zonder daarbij een archeologisch rapport conform de KNA aan te leveren. In navolging van dat besluit is in oktober 2022 in opdracht van ProRail bv archeologisch booronderzoek uitgevoerd4, zie bijlage 6. In vier van de vijf gezette boringen is wederom plastic, piepschuim, blik en ander recent materiaal aangetroffen in het esdek, met een verstoord dekzandprofiel daar onder. In een van de vijf boringen is een restant van een podzol aangetroffen. Deze boring bevindt zich aan de wegzijde van het perceel, buiten het te bebouwen oppervlak. De boringen van het archeologisch onderzoek bevestigen de eerdere conclusie van een verstoorde bodem waarin de kans op het aantreffen van intacte archeologische vindplaatsen op deze locatie vrijwel nihil is. Het advies is om voor het terrein geen verder onderzoek meer uit te laten voeren en het terrein vrij te geven voor ontwikkeling. Echter, de aanwezigheid van archeologische sporen of resten kan nooit volledig worden uitgesloten. Bij bodemverstorende activiteiten dient men daarom altijd alert te zijn op de aanwezigheid van archeologische waarden (zoals vondstmateriaal of grondsporen).
Bij het aantreffen van deze waarden tijdens de werkzaamheden, wordt hiervan onmiddellijk een melding gemaakt bij de Minister van OC&W (in de praktijk de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed) conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet. 4.8
Luchtkwaliteit
Kader In de Wet milieubeheer (hierna: Wm) zijn eisen opgenomen waaraan de luchtkwaliteit in de buitenlucht moet voldoen. Hierin is onderscheid gemaakt in grenswaarden waaraan nu moet worden voldaan en grenswaarden waarin in de toekomst moet worden voldaan. De meest kritieke stoffen zijn stikstofdioxide en fijnstof. Voor andere in de Wm genoemde 3 Tauw, Verkennend bodemonderzoek onderstation Zuidelijke Meentsteeg 4N, Rhenen.
april 2021 4 Wilbers, A.W.E. (2022): Inventariserend veldonderzoek, verkennende en karterende fase, Zuidelijke meentsteeg 4N, Rhenen, Gemeente Rhenen. IDDS rapport 2766
32
stoffen, wordt in Nederland, behoudens bijzondere situaties, overal voldaan aan de vereisten. Kern van het onderdeel luchtkwaliteit van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en op welke wijze overschrijdingen van de luchtkwaliteit dienen te worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit, hoeven niet meer te worden getoetst aan de hiervoor geldende grenswaarden. De beoordelingscriteria of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in het "Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)". In dit Besluit is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma, een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. In de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) zijn categorieën van gevallen aangewezen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Wanneer een ontwikkeling valt onder één van die categorieën is het niet nodig een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren. Planspecifiek De bouw van een transformatorstation ten behoeve van de elektriciteitsvoorziening van het aanpalende spoor maakt geen onderdeel uit van de gevallen die in ieder geval niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Het gebruik van het transformatorstation zorgt niet voor een significante toename van stikstofdioxide en fijnstof. Daarnaast is geen sprake van een verkeersaantrekkende werking, waarmee verkeer geen rol speelt in relatie tot de luchtkwaliteit. Het aspect luchtkwaliteit vormt daarmee geen belemmering voor het plan. 4.9
Bodem
Kader In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging, dient in enkele gevallen een bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem, waarop en waarbinnen deze ontwikkelingen plaatsvinden, geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Planspecifiek In onderhavig geval is sprake van een woonbestemming. Het onderstation bevindt zich dan ook naast de woning op Zuidelijke Meentsteeg 4, gelegen tussen het spoor, en de Zuidelijke Meentsteeg. Ten behoeve van de bouw en sloop van het onderstation is een bodemonderzoek uitgevoerd om zo volledig inzicht te verkrijgen in de milieuhygiënische bodemkwaliteit aan de Zuidelijke Meentsteeg 4N te Rhenen (Bijlage 7). In de bovengrond (0,0 – 0,65 m -mv) is een licht verhoogd gehalte lood aangetoond. In de ondergrond (0,5 – 1,3 m -mv) zijn licht verhoogde gehalten PAK en minerale olie aangetoond. Er zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen op het maaiveld of in de opgeboorde grond.
Op basis van de aangetoonde gehalten voldoet de bovengrond (0,0 – 0,65 m -mv) volgens de indicatieve toetsing aan bodemkwaliteitsklasse ‘Altijd toepasbaar’ en de ondergrond (0,5 – 1,3 m -mv) aan bodemkwaliteitsklasse ‘Industrie’.
33
Er is PFOS en PFOA aangetoond in de grond in een gehalte van maximaal 0,6 μg/kg ds. Op basis van de toetsingswaarden uit het tijdelijk handelingskader PFAS is voor de bovenen ondergrond een beperking voor toepassing in grondwaterbeschermingsgebieden (B1). In het grondwater is een licht verhoogde concentratie cadmium aangetoond. Het beoogde gebruik is een onderstation waarin in de basis gedurende dag geen mensen aanwezig zijn, tenzij sprake is van onderhoud. Op basis hiervan wordt het uitgangspunt gehanteerd dat de milieukundige bodemkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie niet in de weg zit. Voor de werkzaamheden geldt dat consequenties in termen van kosten en planning voldoende beheersbaar zijn en het aspect bodem geen belemmering vormt voor uitvoering van het planvoornemen. Op basis van de uitkomsten van het verkennend onderzoek is geen aanvullend onderzoek nodig.
34
5
Uitvoerbaarheid
5.1
Economische uitvoerbaarheid
Met dit plan wordt een ontwikkeling mogelijk gemaakt, die voldoet aan de definitie van ‘bouwplan’ zoals bepaald in art. 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Ruimtelijke ontwikkelingen gaan in de regel gepaard met gemeentelijke investeringen in gemeenschappelijk te gebruiken voorzieningen zoals bijvoorbeeld ontsluitingswegen. Voor het bouwplan wordt door ProRail een anterieure overeenkomst met gemeente Rhenen gesloten, waarmee de ontwikkelkosten van het onderstation worden gedragen door initiatiefnemer ProRail. Met de anterieure overeenkomst is het kostenverhaal anderszins verzekerd. De overige kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald. Het plan is hiermee financieel economisch uitvoerbaar. 5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1 Participatie Tijdens de voorbereiding van het planvoornemen heeft overleg plaatsgevonden met de bewoner van het naastgelegen perceel Zuidelijke Meentsteeg 4 te Rhenen. Bewoners hebben aangegeven geen bezwaar te hebben op het plaatsen van het nieuwe onderstation. Wel is verzocht om meer geluidsarm materialen en/of installaties toe te passen. Het huidige onderstation zoemt volgens de bewoner op warme en/of natte dagen. Uit het verrichte akoestisch onderzoek volgt dat tijdens de veldmetingen geen tonaal geluid auditief is waargenomen. Dit blijkt ook uit de meetgegevens. De gemeten tertsbanden (1/3 octaafbanden) geven een grote spreiding van het geluidniveau over de verschillende tertsbanden, van laagfrequent tot hoogfrequent. Op basis van de meetwaarden en de auditieve waarneming is geconcludeerd dat er geen sprake is van tonaal geluid vanuit de transformatoren. Verder hebben bewoners verzocht om op ongeveer een meter vanaf het hek een groen blijvende haag te planten (circa 2 – 3 meter hoog) om het zicht op het gebouwtje te verminderen. De groene haag wordt conform afspraken aangeplant. Deze afspraken zijn vastgelegd in bijgevoegde situatietekening (bijlage 8).
5.2.2 Wettelijke procedure Op grond van artikel 3.10 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing op de voorbereiding van een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan. Het ontwerpbesluit wordt gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegd. Gedurende deze periode kan een ieder een zienswijze indienen bij het college van burgermeesters en wethouders. Deze zienswijzen worden betrokken bij het uiteindelijke besluit van het college over de vergunningverlening. Na dat besluit kunnen belanghebbenden beroep instellen bij de rechtbank en vervolgens is hoger beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. 5.3 Bestuurlijk overleg Op de voorbereiding van een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan, is artikel 6.18 Besluit omgevingsrecht van toepassing. Daarin is bepaald dat het bij bestemmingsplannen verplichte bestuurlijke vooroverleg ex. artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening ook wordt gevoerd bij deze besluiten. Dit houdt in dat het college van burgemeester en wethouders van Rhenen overleg pleegt met de besturen van het
35
betrokken waterschap en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging welke in het plan in het geding zijn. 5.4 Verklaring van geen bedenkingen Op grond van artikel 6.5 lid 1 Besluit omgevingsrecht wordt een omgevingsvergunning waarbij wordt afgeweken van het bestemmingsplan niet verleend nadat de gemeenteraad heeft verklaard dat zij daartegen geen bedenkingen heeft. De verklaring van geen bedenkingen (verder: vvgb) kan slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening (lid 2) en de raad kan categorieën van gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist (lid 3). Voor zover dit laatste niet is gedaan, is een verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad vereist.
36
6
Conclusie
De beoogde herontwikkeling van een onderstation nabij de spoorwegovergang bij de spoorkruising van de Zuidelijke Meentsteeg en naast de woning op de Zuidelijke Meentsteeg 4 te Rhenen is niet in overeenstemming met het vigerende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, dient een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan aangevraagd te worden. Met voorliggende ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat de realisatie van het onderstation aansluit bij het rijks- provinciaal en gemeentelijk beleid. Daarnaast is de ontwikkeling getoetst aan relevante milieuaspecten. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot een aantasting van het milieu of overschrijding van wettelijke normen. De afwijking van het bestemmingsplan wordt hiermee aanvaardbaar geacht.
37