CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Ruimtelijke onderbouwing

Raadsvergadering 7 maart 2023, gemeente RhenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Verklaring van geen bedenkingen voor de vervanging van een onderstation ten behoeve van het treinverkeer aan de Zuidelijke Meentsteeg 4N in Rhenen10.706 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Projectnummer: 378663 Referentienummer: Ruimtelijke onderbouwing onderstation Achterberg gemeente Rhenen definitief Datum: 28-10-2022

Onderstation Achterberg, gemeente Rhenen Ruimtelijke onderbouwing

Versie Definitief

Opdrachtgever: ProRail Moreelsepark 3 3511 EP UTRECHT

Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Maurits Moes Adviseur Ruimtelijke Ordening M +31 6 22 24 65 03

Verantwoording Titel

Onderstation Achterberg, gemeente Rhenen

Subtitel

Ruimtelijke onderbouwing

Projectnummer

378663

Referentienummer

Ruimtelijke onderbouwing onderstation Achterberg gemeente Rhenen definitief

Revisie

Definitief

Datum

28-10-2022

Auteur

Maurits Moes

E-mailadres

maurits.moes@sweco.nl

Gecontroleerd door

Luuk Vranken

Goedgekeurd door

Lourens Hogenbirk

2

Inhoudsopgave 1

Inleiding .................................................................................................................. 5

1.1

Aanleiding en doel ................................................................................................... 5

1.2

Ligging en begrenzing projectgebied....................................................................... 6

1.3

Vigerend bestemmingsplan ..................................................................................... 8

1.4

Planologische procedure ......................................................................................... 9

1.5

Leeswijzer ................................................................................................................ 9

2

Planvoornemen .................................................................................................... 10

2.1

Huidige situatie ...................................................................................................... 10

2.2

Toekomstige situatie .............................................................................................. 11

3

Beleidskader ........................................................................................................ 14

3.1

Algemeen ............................................................................................................... 14

3.2

Rijksbeleid en Europese richtlijnen........................................................................ 14

3.2.1

Nationale Omgevingsvisie...................................................................................................14

3.2.2

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ...............................................................................16

3.2.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening ......................................................................16

3.2.4

Ladder voor duurzame verstedelijking ................................................................................17

3.3

Provinciaal beleid................................................................................................... 18

3.3.1

Omgevingsvisie Utrecht ......................................................................................................18

3.3.2

Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht ...............................................................18

3.4

Gemeentelijke beleid ............................................................................................. 19

3.4.1

Stedenbouwkundige structuurvisie Rhenen ........................................................................19

3.4.2

Welstandsnota 2013 ...........................................................................................................19

4

Milieu- en omgevingsaspecten .......................................................................... 21

4.1

Inleiding ................................................................................................................. 21

4.2

Geluid .................................................................................................................... 21

4.3

Waterparagraaf ...................................................................................................... 24

4.3.1

Inleiding...............................................................................................................................24

4.3.2

Beleidskaders .....................................................................................................................24

4.3.3

Watertoets...........................................................................................................................25

4.4

Externe veiligheid .................................................................................................. 25

4.5

Ecologie ................................................................................................................. 26

4.6

M.e.r. beoordeling .................................................................................................. 31

4.7

Archeologie ............................................................................................................ 31

4.8

Luchtkwaliteit ......................................................................................................... 32

4.9

Bodem ................................................................................................................... 33

5

Uitvoerbaarheid ................................................................................................... 35

3

5.1

Economische uitvoerbaarheid ............................................................................... 35

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid ......................................................................... 35

5.2.1

Participatie ..........................................................................................................................35

5.2.2

Wettelijke procedure ...........................................................................................................35

5.3

Bestuurlijk overleg ................................................................................................. 35

5.4

Verklaring van geen bedenkingen ......................................................................... 36

6

Conclusie .............................................................................................................. 37

Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7 Bijlage 8

Afweging voor het niet plaatsen van zonnepanelen Akoestisch onderzoek Watertoets Quickscan flora en fauna Archeologisch bureauonderzoek Inventariserend archeologisch veldonderzoek Verkennend bodemonderzoek Landschappelijke inpassing

4

1

Inleiding

1.1 Aanleiding en doel Dit document behoort tot het project “Vervangen onderstation Achterberg (MLT R-556600)”. De afgelopen jaren zijn op diverse trajecten meer treinen gaan rijden, zonder dat daarvoor de Tractie-Energievoorziening (TEV) is aangepast. Hierdoor nadert het TEV-systeem zijn grenzen. Dit leidt ertoe dat de beschikbaarheid en betrouwbaarheid van het systeem onder druk komt te staan. De vervoerders op de spoorverbinding verwachten een betrouwbaar product en accepteren geen uitval. Deze groei zet zich in de komende jaren door. Hierom is besloten dat op een aantal locaties de energievoorziening moet worden versterkt. Een van de locaties betreft het onderstation Achterberg te gemeente Rhenen. Het verzwaren van dit onderstation draagt uiteindelijk bij aan de mogelijkheid om verlengde sprinters in te zetten tussen Amsterdam en Rhenen.

Afbeelding 1.1: Luchtfoto van onderstation Achterberg, waarbij het huidige onderstation is omcirkeld in rood en de beoogde locatie voor het nieuwe onderstation in blauw (bron: Railmaps en StreetSmart).

Het huidige onderstation is niet groot genoeg voor plaatsing van een tweede tractiegroep binnen het gebouw. Uitbreiding van het bestaande onderstation heeft niet de voorkeur, omdat dit problemen geeft in de fasering tijdens de uitvoering. Treinen moeten immers kunnen blijven rijden tijdens de uitvoering van het werk. Daarnaast is het huidige gebouw gedateerd. Er is voor gekozen om ten westen van het bestaande onderstation een nieuw onderstation te plaatsen, waarmee het huidige onderstation kan blijven functioneren gedurende de bouw van het nieuwe onderstation. Het nieuw te bouwen onderstation zal bestaan uit twee tractiegroepen van 3.3 MW. Ook worden er twee 10kV voedingsverbindingen aangelegd vanuit de netbeheerder naar het nieuwe onderstation (zie afbeelding 1.3 voor het vergunde kabeltracé). Na indienststelling

5

van het nieuwe onderstation, wordt het oude onderstation zowel elektrotechnisch als bouwkundig geheel gesaneerd. Omdat het nieuw te bouwen station niet binnen het vigerend planologisch kader gerealiseerd kan worden, moet worden afgeweken van het vigerende bestemmingsplan. Hiertoe wordt een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan (artikel 2.12 lid 1, sub a onder 3o Wabo) aangevraagd. Deze rapportage dient daarvoor als ruimtelijke onderbouwing. 1.2 Ligging en begrenzing projectgebied Het nieuw te realiseren onderstation is gelegen aan het baanvak Rhenen – De Haar aansluiting (locatie Geocode 109, km 26.878), ten zuidoosten van de spoorkruising van de Zuidelijke Meentsteeg en naast de woning op de Zuidelijke Meentsteeg 4 te Rhenen. De beoogde locatie voor het nieuwe onderstation is de groenstrook tussen het spoor, en het huidige onderstation.

Afbeelding 1.2: Luchtfoto met beoogde locatie nieuwe onderstation Achterberg Het onderstation komt op circa 15 meter afstand van de bestaande woning aan de noordzijde (Zuidelijke Meentsteeg 4) te liggen en op circa 6 meter afstand van de buitenste spoorstaaf van het spoor. De beoogde nieuwe locatie van het nieuwe station is in eigendom van Railinfratrust. Een deel van de toegangsweg naar het nieuwe onderstation is in eigendom van de gemeente. Over de uitvoering hiervan worden separate afspraken gemaakt tussen gemeente en initiatiefnemer (zie verder paragraaf 2.2).

6

Afbeelding 1.3: vergunde tracévariant tussen locatie nieuw onderstation Achterberg (zuidelijke cirkel) en Veenendaal

7

1.3 Vigerend bestemmingsplan Voor de gronden binnen het plangebied vigeren de volgende bestemmingsplannen: Bestemmingsplan

Status

Bestemming plangebied

Rhenen Buitengebied

Onherroepelijk, vastgesteld 10 november 2011

Enkelbestemming Wonen, enkelbestemming BedrijfNutsvoorziening, dubbelbestemming Waarde-Archeologie, gebiedsaanduiding overige zone-hoge verwachtingswaarde, gebiedsaanduiding reconstructiewetzoneverwevingsgebied.

Paraplubestemmingsplan Parkeren

Onherroepelijk, vastgesteld op 6 maart 2018

Betreft het vastleggen van het gemeentelijk parkeerbeleid voor het grondgebied van gemeente Rhenen

Tabel 1.1: overzicht vigerende bestemmingsplannen Op onderhavig plangebied van toepassing zijnde regels, volgen uit het bestemmingsplan Rhenen Buitengebied (onherroepelijk op 10 februari 2015).

Afbeelding 1.4: uitsnede Rhenen buitengebied, gemeente Rhenen.

8

Het bestaande onderstation is daarin bestemd als Bedrijf – Nutsvoorziening. Gronden met deze bestemming zijn bestemd voor een rioolwaterzuiveringsinstallatie, een stroomdistributiecentrum, zendmasten en gemalen met de daarbij behorende erven en terreinen en bouwwerken. Voorts geldt de dubbelbestemming Waarde – Archeologie met een hoge verwachtingswaarde. Voor gronden met een gebiedsaanduiding ‘reconstructiewetzone – verwevingsgebied’ geldt dat voor gronden die bestemd zijn als Wonen voor zover het betreft met de ‘specifieke bouwaanduiding – voormalig agrarisch bedrijf’ onder voorwaarden gewijzigd kunnen worden in bestemming ‘Bedrijf’. Dit is in onderhavig geval niet van toepassing gezien het ontbreken van de specifieke bouwaanduiding. Op grond van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ zijn regels gesteld ten aanzien van het oprichten van bebouwing. Die luiden als volgt: a. het bevoegd gezag verbindt op basis van de uitgevoerde archeologische onderzoeken aan de omgevingsvergunning voor het bouwen de volgende voorwaarden: 1. de bouwactiviteiten die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een archeologisch deskundige; en 2. de verplichting om na beëindiging van de bouwactiviteiten schriftelijk verslag uit te brengen waaruit blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan; b.

alvorens een omgevingsvergunning te verlenen wordt advies ingewonnen bij de Monumentencommissie. Deze voorwaarden gelden niet, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel dat de grond waarop het bouwplan betrekking heeft anderszins aantoonbaar geroerd is door bestaande c.q. voormalige bebouwing of andere handelingen. Omdat de nieuw te bouwen gebouwen een groter oppervlakte kennen dan 100 m2 geldt deze vrijstelling van de voorwaarden niet en is met archeologisch onderzoek aantoonbaar gemaakt of sprake is van archeologische binnen het plangebied (zie paragraaf 4.7). De voorgenomen bouw van het onderstation is strijdig met de bestemming ’Wonen’. Om het onderstation te kunnen realiseren wordt ’buitenplans’ afgeweken van het vigerende bestemmingsplan. 1.4 Planologische procedure Om de beoogde herontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken, wordt gebruik gemaakt van een buitenplanse afwijkingsprocedure op grond van artikel 2.12, eerste lid, sub a onder 3 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo). Hiervoor wordt de uitgebreide procedure uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorlopen. Voorliggende rapportage vormt de ruimtelijke onderbouwing voor deze procedure.

Deze onderbouwing toont aan of het initiatief tot de aanleg van het onderstation binnen geldend rijks, provinciaal en gemeentelijk ruimtelijk beleid past en voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. 1.5 Leeswijzer In hoofdstuk 2 van deze ruimtelijke onderbouwing wordt het planvoornemen beschreven, in hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader op de verschillende bestuursniveaus. Hoofdstuk 4 toetst het plan op de sectorale wet- en regelgeving op gebied van milieu- en omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 wordt de haalbaarheid op maatschappelijk en economisch vlak beschreven en ten slotte wordt in hoofdstuk 6 de procedure beschreven die de vergunning volgt.

9

2

Planvoornemen

2.1 Huidige situatie Naast de woning aan de Zuidelijke Meentsteeg 4 te Rhenen, staat het bestaande onderstation (zie onderstaande afbeelding). Tussen het spoor en het bestaande onderstation ligt een reststrook groen die niet openbaar toegankelijk is. Hier vindt nu sporadisch opslag van goederen plaats. In het vigerende bestemmingsplan heeft deze grond een bestemming ‘Wonen’, maar is in eigendom van Railinfratrust.

Afbeelding 2.1: huidige situatie plangebied

10

2.2 Toekomstige situatie Onderstation In de toekomstige situatie komt ter plaatse van de groenstrook een onderstation van ProRail te staan die ervoor zorgt dat de energievoorziening op dit deel van baanvak Rhenen – De Haar wordt versterkt. Het verzwaren van dit onderstation zal bijdragen aan de mogelijkheid om verlengde sprinters in te zetten tussen Amsterdam en Rhenen.

11

Afbeelding 2.2: visualisaties toekomstige situatie onderstation Achterberg (zichtpunt achtereenvolgens: noordoosten, zuidwesten en oosten) Het onderstation is 12,95 meter lang, op het breedste punt 10,50 meter breed en 4,12 meter hoog. Het gebouw wordt ten westen van het bestaande onderstation, ten zuiden van de bestaande woning en parallel aan het spoor gebouwd. Het zal worden ontsloten via de bestaande toegang aan de Achter de Lijn. Bij de terreininrichting wordt voorzien in parkeerplaatsen voor het onderhoudspersoneel. Het gebouw is vooral bemand bij onderhoudswerkzaamheden. Zonnepanelen Initiatiefnemer ProRail heeft de mogelijkheid voor het plaatsen van zonnepanelen onderzocht. Gebleken is dat door de bomen die rondom het station staan, de energieopbrengst gering zal zijn (zie bijlage 1). Daarom heeft ProRail besloten om op dit nieuw te bouwen onderstation geen zonnepanelen te plaatsen. Toegangsweg Het initiatief is besproken met de Veiligheidsregio Utrecht (VRU). De VRU heeft aangegeven dat het voor hulpdiensten goed kunnen bereiken en verlaten van een incident met eigen materieel en eigen personeel van cruciaal belang is. Hiervoor is het van belang dat wegen zo veel mogelijk een onbelemmerde doorgang bieden.

De volgende eisen worden gesteld aan een goede bereikbaarheid: • De minimale beschikbare rijstrookbreedte kan variëren per wegkenmerk, maar dient minimaal voor 3.25 meter te worden verhard en een vrije ruimte met een breedte van 3.50 meter. • De doorgangshoogte moet minimaal 4.20 meter zijn. • Er dient rekening gehouden te worden met de draaicirkels van de voertuigen en de hiermee gepaarde rijcurve en sleeplijn. • Als richtlijn voor verharding geldt een totaal gewicht van 30 ton en een asbelasting van 11,5 ton.

12

(Bron: Handreiking bereikbaarheid en bluswater) De Handreiking Bereikbaarheid en bluswater beschrijft welke eisen gesteld worden aan een goede bereikbaarheid. Deze eisen vormen condities om de bereikbaarheid voor hulpdiensten zo veel mogelijk te vergroten en zijn hiermee een zwaarwegend advies. Zij staan niet gelijk aan wet -en regelgeving, hoewel zij wel zijn opgesteld binnen de kaders daarvan. De bestaande half verharde weg is lange tijd de toegang geweest tot een bedrijf. De weg is geschikt voor zware belasting. In ieder geval het verkeer van de VRU kan hier zonder problemen gebruik van maken. Dit standpunt wordt gedeeld door de gemeente. Bouwverkeer Tijdens de bouwfase maakt zwaarder materieel gebruik van de toegangsweg. Het zwaarder materieel wordt ingezet om de (tractie)transformatoren in het onderstation te hijsen. Er is een opname gedaan van de weg naar het onderstation. Bij aanvang van de bouwwerkzaamheden wordt opnieuw een nul-opname uitgevoerd door de aannemer, zodat na uitvoering van de bouwwerkzaamheden kan worden gecontroleerd of de weg is beschadigd en of deze hersteld moet worden. Overige verkeer Nadat de bouwwerkzaamheden voltooid zijn, rijdt er geen zwaar materieel over de weg.

In plaats daarvan wordt het gebruikt door personenauto’s of ‘bestelbusjes’ (denk aan VW Transporter) voor bijvoorbeeld periodiek/correctief onderhoud, opnames en dergelijke, zodat de weg niet zwaar wordt belast. Onderstation Stedin ProRail en Stedin delen in de bestaande situatie het onderstation dat is gevestigd op het perceel Rhenen K 944, maar zijn voornemens beide een nieuw onderstation te realiseren op deze locatie op korte afstand van elkaar. Daarvoor wordt het huidige station gesloopt. Railinfratrust B.V. is voornemens om een gedeelte van perceel K 944 en K 1151 te verkopen ten behoeve van het realiseren van een onderstation door Stedin. Stedin gaat op de door haar verworven grond een nieuw gebouw neerzetten waarin zij haar apparatuur onderbrengt die nu nog in het oude bestaande onderstation zit. Daarna wordt het oude onderstation door ProRail gesloopt. Voor de ontwikkeling van haar onderstation, worden de benodigde ontheffingen en ruimtelijke procedures door Stedin zelf verzorgt. Deze staan los van onderhavige procedure.

13

3

Beleidskader

3.1 Algemeen Voor een goede ruimtelijke ordening is het belangrijk om het eerder vastgestelde ruimtelijke beleid van overheden na te gaan. In dit hoofdstuk wordt getoetst of de bouw van het onderstation past binnen het ruimtelijk beleid van de verschillende overheidslagen. Voor de bouw is een groot aantal beleidsstukken vanuit verschillende overheden van belang. De relevante beleidstukken betreffen: 3.2

Rijksbeleid en Europese richtlijnen

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van onze leefomgeving. Hiermee wil het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen Nederland staat, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes het Rijk maakt en welke richting het Rijk meegeeft aan decentrale keuzes. Deze keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. De NOVI komt voort uit de Omgevingswet (die naar verwachting medio 2022 in werking treedt). Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang met elkaar. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes gemaakt worden. Prioriteiten De NOVI schetst een toekomstperspectief naar 2050 waarin vier prioriteiten worden vastgesteld: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Zeespiegelstijging, hoge rivierafvoeren, wateroverlast en lange periodes van droogte zijn hier voorbeelden van. In 2050 zal Nederland klimaatbestendig en waterrobuust zijn. In 2050 moet Nederland ook een duurzame energievoorziening hebben.

Dit vraagt ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Voorwaarde is dat bewoners goed betrokken zijn en invloed hebben op het gebruik en kunnen meeprofiteren in de opbrengsten. Voor de ontwikkeling van duurzame energie zijn regionale energiestrategieën (RES) essentieel. Medeoverheden geven, in samenwerking met de energiesector, gebruikers en andere belanghebbenden, in de RES invulling aan de inpassing van duurzame energie op het land. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. De Nederlandse economie dient toekomstbestendig te worden, oftewel concurrerend, duurzaam, en circulair. Het gebruik van duurzame energiebronnen en verandering van productieprocessen wordt gestimuleerd. Hiernaast zijn de steden erg belangrijk voor onze economie, een optimale afstemming van wonen, werken

14

en verplaatsen in en bij deze steden is van groot economisch belang. Steden en stedelijke regio's zijn belangrijk voor onze economie. Dit geldt vooral daar waar sprake is van een aantrekkelijke en gezonde omgeving en diversiteit in aanwezige economische functies, opleidingen en andere voorzieningen. De steden, hun aantal inwoners, culturele én economische activiteiten groeien de laatste jaren in hoog tempo. De leefbaarheid in de steden moet dan wel blijvend aandacht krijgen en op een nog hoger niveau uitkomen. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. De leefbaarheid van stedelijk gebied staat voorop. Hiervoor dienen deze gebieden in te zetten op klimaatadaptatie om de gevolgen van klimaatverandering tegen te gaan. Ook dient de bouw van nieuwe woningen te zijn gericht om een zo breed mogelijk aantal inwoners te bereiken. Mobiliteit dient aan te sluiten op nieuwe ontwikkelingen waarbij onder meer de CO2 uitstoot wordt verminderd. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.

Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. Er dient een balans tussen de ontwikkeling van natuur en landbouw te worden gevonden. Hiernaast dient het een prettige omgeving te zijn om te werken, wonen en te recreëren. Biodiversiteit van gebieden en de verduurzaming van landbouw zijn kernpunten. Afwegingsprincipes Het stellen van de bovenstaande prioriteiten kan een situatie maken dat belangen soms botsen. Om in zo'n situatie keuzes te maken worden er drie afwegingsprincipes gebruikt: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoekt het Rijk naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. De uitvoering van de NOVI moet gezamenlijk worden aangepakt.

Rijk, provincies en gemeenten gaan meer samenwerken als één overheid. Ook staat participatie centraal. Daarnaast is de NOVI continu in beweging. Het is de bedoeling dat het zich continu aanpast aan ontwikkelingen, in een permanent en cyclisch proces. Betekenis voor het plan: Met de bouw van het onderstation, wordt een knelpunt opgelost dat zich voordoet op het baanvak Rhenen – De Haak. In de NOVI wordt als Nationaal belang en - opgave het ‘in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit’ benoemd. Het hierop van toepassing zijnde bestaande beleid, de SVIR, gaat op dit punt op in de NOVI. De opgave voor dit nationale belang betreft het realiseren van de aanleg en uitbreiding van infrastructuur daar waar knelpunten niet met andere maatregelen kunnen worden voorkomen, en het onderhouden, verjongen, vernieuwen en verduurzamen van de bestaande infrastructuur netwerken. Het onderhoud aan het baanvak Rhenen – De Haak is

15

met de oplossing van een knelpunt op het gebied van de energievoorziening op dit traject, is niet strijdig met de doelstellingen in de NOVI. 3.2.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (hierna: SVIR) die op 13 maart 2012 is vastgesteld, geeft het Rijk haar ruimtelijk- en mobiliteitsbeleid weer voor Nederland tot 2040. De SVIR betreft een integraal kader dat de basis vormt voor bestaand en nieuw Rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Hierbij is het de hoofdgedachte dat er in de ruimtelijke ordening meer over wordt gelaten aan gemeenten en provincies; het Rijk richt zich vooral op decentralisatie. Daarnaast wil het Rijk dat de belangrijkste economische regio’s, woongebieden en werkgebieden goed bereikbaar en leefbaar zijn. Om dit te bereiken zijn er in de SVIR nationale belangen geformuleerd. Voor de periode tot 2028 zijn de ambities van het Rijk in drie hoofddoelen uitgewerkt: Vergroten van de concurrentiekracht door versterking van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland; Verbeteren van de bereikbaarheid; Zorgen voor een leefbare en veilige omgeving met unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Om deze rijksdoelen te halen, zijn dertien onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van deze hoofddoelen.

Deze belangen zijn in de SVIR gebiedsgericht uitgewerkt in concrete opgaven voor de verschillende regio’s. Het betreft onder meer het waarborgen van het mobiliteitssyteem (wegen, spoorwegen en vaarwegen), het verbeteren van de milieukwaliteit, waterveiligheid en klimaat bestendige stedelijke ontwikkeling. Betekenis voor dit plan De bouw van het onderstation in Achterberg, met als doel om de energievoorziening te versterken, is in overeenstemming met de doelen uit de SVIR. Door de energievoorziening te versterken, wordt een knelpunt op het gebied van de energievoorziening op dit traject opgelost wat tot gevolg heeft dat de bereikbaarheid van de regio verbetert. In de toekomst is het hierdoor bijvoorbeeld mogelijk om verlengde sprinters in te zetten op de verbinding Amsterdam – Rhenen. 3.2.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro) legt het beleid van de dertien vastgestelde doelen uit de SVIR vast in de regelgeving. In het Barro zijn nationale belangen vastgelegd waar provincies en gemeenten rekening mee moeten houden als zij inpassingsplannen en bestemmingsplannen opstellen. Betekenis voor dit plan De bouw van een onderstation in Achterberg is in overeenstemming met de nationale belangen uit de SVIR.

Nationaal belang 6 geeft namelijk aan dat de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem beter benut moet worden. Door het onderstation te bouwen, wordt een bestaand knelpunt in de energievoorziening opgelost en verbetert de capaciteit op het spoor op de verbinding Amsterdam – Rhenen.

16

3.2.4 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) is de verplichting opgenomen om, in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierin wordt uitgegaan van de ‘ladder van duurzame verstedelijking’. De ladder is uitgewerkt in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro: •

Lid 2: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

•

Lid 3: Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel.

•

Lid 4: Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

In de SVIR is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' (hierna: Ladder) geïntroduceerd. Bij besluit van 28 augustus 2012 is de Ladder toegevoegd aan artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en vervolgens op 1 oktober 2012 in werking getreden. Op 1 juli 2017 is het Bro gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Betekenis voor dit plan Volgens jurisprudentie (uitspraak van 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1123) blijkt dat een transformatorstation (150/20 kV) niet als stedelijke ontwikkeling wordt beschouwd. Het onderstation, waar onderhavige ruimtelijke onderbouwing betrekking op heeft, is er één van een lagere orde en behoeft daarmee eveneens niet als stedelijke ontwikkeling beschouwd te worden. Ook is de grond waar het onderstation voorzien is, vanwege de ligging direct aan het spoor, niet aan te wenden voor andere functies. Hiermee is het voornemen in lijn met het doel van de Ladder, namelijk een duurzaam ruimtegebruik.

17

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Utrecht Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten van Utrecht de Omgevingsvisie Provincie Utrecht vastgesteld. In de Omgevingsvisie worden de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vastgelegd tot 2050. De provincie Utrecht zet in op een gezonde en veilige leefomgeving, aan de hand van zeven samenhangende beleidsthema's: • Stad en land gezond • Klimaatbestendig & waterrobuust • Duurzame energie • Vitale steden & dorpen • Duurzaam gezond & veilig bereikbaar • Levend landschap erfgoed & cultuur • Toekomstbestendige natuur & landbouw Binnen het thema ‘duurzaam gezond & veilig bereikbaar’ streeft de provincie naar het beter benutten van het spoor- en hoogwaardig OV-netwerk met aandacht voor het beter benutten van het hoofdwegennet en het provinciale weggennet. De provincie beziet bereikbaarheid in samenhang met wonen, werken, voorzieningen, duurzaamheid, gezondheid en veiligheid. Daarbij zetten zij in op knooppuntontwikkeling om overstap tussen vervoerwijzen mogelijk te maken en het OV- en fietsgebruik te stimuleren. Al dan niet in combinatie met nieuwe parkeervoorzieningen. Door verschillende vervoerswijzen beter op elkaar te laten aansluiten, wil de provincie bereiken dat men straks naadloos kan overstappen van de ene naar de andere vervoerswijze en zorgeloos kan reizen.

Betekenis voor dit plan Op het gebied van mobiliteit en bereikbaarheid, zet de provincie in op het samenhangend en betrouwbaar maken van het netwerk voor auto, openbaar vervoer, fiets en goederen over de weg, spoor. De beoogde ontwikkeling heeft vooral betrekking op het thema mobiliteit en bereikbaarheid in de omgevingsvisie. Door het onderstation te bouwen, wordt een bestaand knelpunt in de energievoorziening op het baanvak Rhenen- De Haar opgelost en wordt het mogelijk langere sprinters tussen Rhenen en Amsterdam in te zetten. Dit is in overeenstemming met de Omgevingsvisie Utrecht, waarin wordt gestreefd naar een provincie die veilig en goed te bereiken is. 3.3.2 Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht Op 10 maart 2021 hebben Provinciale Staten van Utrecht de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht vastgesteld. In de omgevingsverordening staan de regels die nodig zijn om het beleid uit de Omgevingsvisie uit te voeren. In de verordening zijn alle regels voor de leefomgeving van circa 20 verordeningen samengebracht naar één verordening. Een omgevingsplan waarin nieuwe ontwikkelingen zijn voorzien, waarborgt dat de nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een toename van de knelpunten in de bereikbaarheid. Bij voorkeur leiden de nieuwe ontwikkelingen tot een afname van knelpunten in de bereikbaarheid. Betekenis voor dit plan

18

Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke instructieregels van toepassing. Het voornemen is daarmee niet strijdig met de Interim Omgevingsverordening van de Provincie Utrecht. 3.4

Gemeentelijke beleid

3.4.1 Stedenbouwkundige structuurvisie Rhenen De gemeente Rhenen heeft op 23 september 2008 de stedenbouwkundige structuurvisie opgesteld. De structuurvisie gaat met name in op het bebouwde gebied (Elst, Achterberg en Rhenen) en beschrijft de mogelijke woningbouwlocaties tot 2020. In de nota wordt beschreven dat er tot 2020 gebouwd wordt voor de eigen bevolking (starters en senioren) en dat de eigenheid van Rhenen en haar kernen centraal blijft staan. Daarnaast bestaat de visie uit een aantal aandachtspunten, waar rekening mee dient te worden gehouden: • •

•

• • • • • •

Zicht op het silhouet van Rhenen: het beeld vanaf de zuidzijde op het rivierfront wil men handhaven. Meervoudig ruimtegebruik: vanuit het perspectief ‘zuinig met de ruimte’ en vanwege het feit dat Rhenen een goede draagkrachtige bodem heeft, is het gewenst dat hier creatief mee wordt omgegaan. Denk hierbij aan ondergrondse parkeerplaatsen en woningen boven commerciële voorzieningen. Zuinig met cultuurhistorie: bij het slopen van gebouwen moet er gekeken worden naar de cultuurhistorische waarden. Gebouwen van cultuurhistorische waarde die variatie aan het straatbeeld geven en de geschiedenis beleefbaar en afleesbaar maken, kunnen een tweede kans krijgen. Gevarieerde woonmilieus: het aanbod aan verschillende soorten woningen moet omhoog. Parkeeroplossingen: het vrij parkeren op openbaar gebied kan zo veel mogelijk ten dienste van bezoekers zijn. Het kapitale landschap: er moet zuinig worden omgegaan met het landschap. Imago van de entrees: de entrees kunnen verbeterd worden qua inrichting. Projectmatige aanpak: zo weinig mogelijk losse plannen (postzegelplannen) ten opzichte van woningbouw Relatie wonen en werken: er moet rekening worden gehouden met de nieuwe vormen van werken (bijvoorbeeld thuiswerken) en de nieuwe woningen moeten hierop worden afgestemd.

Betekenis voor dit plan De bouw van het onderstation heeft geen betrekking op de aandachtspunten genoemd in de stedenbouwkundige structuurvisie aangezien het geen woningbouw betreft. Echter wordt er in de structuurvisie ook gesproken over een integrale ontwikkeling. Verkeersoplossingen, wijkverbetering, nieuwe routes, economische impulsen, bouw- en verblijfslocaties, en voorzieningen worden aan elkaar gekoppeld om zo een ruimtelijke meerwaarde te realiseren. De bouw van het onderstation is hier in overeenstemming mee. Er wordt hiermee een knelpunt in de energievoorziening met betrekking tot het transport per spoor opgelost. 3.4.2 Welstandsnota 2013 Op 23 april 2013 heeft de gemeente Rhenen de ‘Welstandnota 2013’ vastgesteld. De nota beschrijft het welstandsbeleid van de gemeente Rhenen en dient als toetsingskader voor de welstandstoetsing in het kader van een omgevingsvergunning voor bouwen. Daarbij gaat het om de beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in

19

strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Voorkomen moet worden dat er gebouwen worden gerealiseerd die afbreuk doen aan de omgeving. Bij de toetsing aan welstand wordt rekening gehouden met de specifieke kenmerken van het gebied waarbinnen het bouwwerk ligt. Op basis van de verschillen in gebiedskenmerken zijn in de bebouwde kom negen deelgebieden aangegeven, waarvoor telkens de welstandscriteria zijn geformuleerd. Verschillende criteria komen in meerdere gebieden voor. Het onderstation bevindt zich in ’Overgangsgebied Binnenveld’. In het overgangsgebied richting het Binnenveld wordt het beeld gedomineerd door boerderijen en woningen die sterk georiënteerd zijn op de ontsluitingswegen. Het beleid van de gemeente is gericht op het behouden en versterken van de landschappelijke kenmerken van de overgangsgebieden. Belangrijk is dat aangesloten wordt bij het agrarische karakter van het gebied. In het plangebied zijn de volgende regels van toepassing: Algemeen • de bouwwerken dienen te passen in de omgevingskarakteristiek, rekening houdend met de bestaande organisatie op het perceel en passend binnen de landschappelijke inrichting. Plaatsing • bijgebouwen zijn in plaatsing ondergeschikt ten opzichte van de hoofdmassa. Massa en vorm • aan- en uitbouwen zijn in een zelfde stijl uitgevoerd als de hoofdmassa; • er is sprake van een samenhangende en evenwichtige gevelopbouw.

Detaillering, kleur- en materiaalgebruik • er wordt gebruik gemaakt van ingetogen kleuren. Hiermee worden tinten bedoeld als bruin, donkerrood, groen e.d.; • daken worden gedekt door pannen en/ of riet. Betekenis voor dit plan Het beoogde onderstation betreft een functioneel gebouw dat ten dienste staat aan het functioneren van het treinverkeer op het spoor. Het heeft dan ook een functionele en doelmatige uitstraling. Qua kleurstellen en materiaalgebruik wordt aangesloten bij de eisen uit de welstandsnota (ingetogen kleuren). Toe te passen baksteen krijgt een donkere, natuurlijke kleurstelling. Landschappelijke inpassing van het station wordt bereikt door de bestaande bomen te handhaven. Om het zicht van aanwonenden op het onderstation te beperken, wordt op een meter achter de bestaande schutting voorzien in een groen blijvende haag (meidoorn/sleedoorn). Het hekwerk wordt uitgevoerd in een donkere kleur. Aan de wegzijde wordt het Heras hekwerk voorzien van Hedera Helix. De toegangspoorten blijven echter vrij van beplanting. Tot slot wordt sedumbeplanting aangebracht op het dak van het onderstation. Deze heeft een waterbergend vermogen van 30 liter per m2. De eiken en struiken in de nabijheid van het onderstation blijven behouden. Zie bijlage 8 voor een overzicht van deze maatregelen.

20

4

Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Inleiding De gevolgen voor de milieu- en omgevingskwaliteit vormen een belangrijke afweging bij het al dan niet toelaten van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. In dit hoofdstuk komen de voor het plan relevante milieu- en omgevingsaspecten aan bod. 4.2

Geluid

Kader Een onderstation is niet vergunningplichtig volgens de Wet milieubeheer. Omdat voor het nieuwe onderstation afgeweken wordt van het vigerende bestemmingsplan, dient te worden aangetoond dat voor onder meer het onderdeel geluid sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Bij het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de bestaande situatie, in onderhavig geval omliggende bestaande woningen. In het geval van ruimtelijke ontwikkelingen kan in eerste instantie worden uitgegaan van de richtafstanden zoals genoemd in de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, 2009). Op basis van een categorie-indeling van bedrijfstypen worden hierin richtafstanden gegeven voor diverse milieuaspecten, waaronder ‘geluid’. Indien deze in acht worden genomen, kan gesteld worden dat ter plaatse van de woningen sprake is van een (akoestisch) acceptabel woon- en leefklimaat. Bij het stellen van de richtafstanden wordt onderscheid gemaakt in twee gebiedstyperingen, te weten een ‘rustige woonwijk met weinig verkeer’ en een ‘gemengd gebied’, zie onderstaand kader:

Afbeelding 4.1: tabel omgevingstypen (bron: Sweco, 2021) Indien sprake is van een gemengd gebied, kunnen de richtafstanden in algemene zin met één afstandsstap worden gereduceerd. Zie onderstaande tabel:

Tabel 4.1: richtafstanden en omgevingstype (bron: Sweco, 2021)

21

De publicatie ‘Bedrijven & Milieuzonering’ betreft geen wetgeving, echter gelet op jurisprudentie kan het wel als ‘harde eis’ worden gezien. Echter, uit uitspraken van de Raad van State kan blijkt dat, mits gemotiveerd, afgeweken kan worden van de VNGrichtafstanden. De motivatie kan hierbij bestaan uit het feit dat vergunningvoorschriften wellicht strenger zijn dan de richtafstanden of dat sprake is van een werkelijke geluiduitstraling die een kortere afstand rechtvaardigt. In het laatste geval dient een en ander met een akoestisch onderzoek te worden onderbouwd. Hierbij kunnen de toetsingswaarden uit de VNG-publicatie gehanteerd worden (zie onderstaande tabel).

Tabel 4.2: geluidnormen volgens VNG-richtlijnen (bron: Sweco, 2021) Planspecifiek Het plangebied ligt tussen het spoortraject Veenendaal-Rhenen en de Zuidelijke Meentsteeg in Rhenen. Tussen de woningen Zuidelijke Meentsteeg 4 en 6 bevindt zich een bestaand onderstation. Dit bestaande onderstation wordt verwijderd en vervangen door een nieuw onderstation dat dichter bij het spoor komt te liggen.

Afbeelding 4.2: schematisch overzicht bestaande en nieuwe onderstation (bron: Sweco, 2021)

22

In het kader van de beoogde ontwikkeling is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Deze is als bijlage 2 bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Het onderzoek richt zich op: 1. het vaststellen van de juiste normering, op basis van gebiedstype volgens de publicatie ‘Bedrijven & Milieuzonering’; 2. vaststellen of er sprake kan zijn van tonaal geluid, op basis van uitgevoerde geluidmetingen; 3. het berekenen en toetsen van de optredende geluidbelasting ter plaatse van de maatgevende geluidgevoelige bestemmingen aan de normstelling uit de VNG publicatie. Ad 1: De omgeving van het plangebied kan worden beschouwd als ‘rustige woonwijk’: het gebied ligt buiten stedelijk gebied, er is weinig storing door verkeer en er zijn nauwelijks verblijfsfuncties anders dan woningen aanwezig. In dit geval bestaan de normeringen uit: - langtijdgemiddelde beoordelingsniveau: 45, 40 en 35 dB(A) in respectievelijk dag-, avond- en nachtperiode; - maximale geluidniveau: 65, 60 en 55 dB(A) in respectievelijk dag-, avond- en nachtperiode. Ad 2: Tijdens de veldmetingen is geen tonaal geluid auditief waargenomen en gemeten. Op basis van de meetwaarden en de auditieve waarneming is geconcludeerd dat er geen sprake is van tonaal geluid vanuit de transformatoren. Ad 3: Voor de metingen en berekeningen is gebruik gemaakt van referentietransformatoren van onderstation Oudewater te Papekop.

Uit de rekenresultaten blijkt dat de geluidbelastingen op de woninggevels voldoen aan de grenswaarden: - het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau bedraagt hoogstens 34 dB(A) in de dagavond- en nachtperiode met een etmaalwaarde van hoogstens 44 dB(A). De grenswaarden van 45, 40 en 35 dB(A) in respectievelijk dag-, avond- en nachtperiode worden niet overschreden; - het maximale geluidniveau bedraagt 33 dB(A) in de dagperiode en 33 dB(A) in de avond- en nachtperiode. De grenswaarden van 65, 60 en 55 dB(A) in respectievelijk dag-, avond- en nachtperiode worden niet overschreden. Op basis van de rekenresultaten met het referentie onderstation Oudewater te Papekop, kan worden geconcludeerd dat grenswaarden niet overschreden worden en geen aanvullende maatregelen nodig zijn om de geluidemissie van het nieuwe onderstation te reduceren. Voorwaarde is wel dat de transformatoren in geval van onderhavige ontwikkeling gelijkwaardig zijn aan voornoemd onderstation. Het eventueel afschermen of binnenpandig plaatsen van de transformatoren levert akoestisch geen nadelen op: in dat geval zal de geluidbelasting op de omliggende woningen niet hoger worden dan hier in de basissituatie is berekend. De realisatie van nieuwe functies binnen richtafstanden is mogelijk indien aangetoond wordt dat geen hinder bij gevoelige objecten te verwachten is.

Op basis van de uitkomsten van het akoestisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat er in de toekomstige situatie sprake is van goed woonklimaat bij de omliggende woningen. Daarom vormt het aspect geluid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

23

4.3

Waterparagraaf

4.3.1 Inleiding Het is op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening wettelijk verplicht een watertoets uit te voeren bij ruimtelijke ontwikkelingen. Met de watertoets wordt de waterbeheerder vroegtijdig in de plannen betrokken. In ruimtelijke plannen dient vervolgens een waterparagraaf te worden opgenomen. Deze waterparagraaf geeft weer hoe met de wateraspecten van het plan wordt omgegaan. Waterschap Vallei en Veluwe heeft in haar vooroverlegreactie aangegeven akkoord te zijn met onderstaande waterparagraaf. 4.3.2 Beleidskaders Waterwet De Waterwet stelt integraal waterbeheer op basis van de watersysteembenadering centraal. Er wordt uitgegaan van het geheel van relaties tussen waterkwaliteit, waterkwantiteit, oppervlaktewater, grondwater, watergebruikers en grondgebruikers. Hierbij wordt het kader geschept voor het Nederlandse waterbeheer in de komende decennia. Waterbeheer 21e eeuw WB21 anticipeert op toekomstige ontwikkelingen zoals klimaatverandering, bodemdaling en zeespiegelstijging. Deze ontwikkelingen stellen strengere eisen aan het waterbeheer. In WB21 wordt uitgegaan van twee principes (tritsen) voor duurzame waterkwantiteit- en duurzaam waterkwaliteitsbeheer: • vasthouden, bergen en vertraagd afvoeren; • schoonhouden, scheiden en zuiveren.

Bij 'vasthouden, bergen en afvoeren' wordt regenwater zoveel als mogelijk bovenstrooms vastgehouden in de bodem en het oppervlaktewater. Wanneer er toch een wateroverschot ontstaat wordt het water eerst tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en dan pas afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het om een voorkeursvolgorde waarbij de voorkeur uitgaat naar het voorkomen van verontreiniging (schoonhouden). Als toch verontreiniging ontstaat, moeten schoon en vuil water zoveel mogelijk worden gescheiden. Ten slotte wordt het verontreinigde water zo goed mogelijk gezuiverd. Waterschapsbeleid Het beleid van het waterschap Vallei en Veluwe is vastgelegd in het Waterbeheerplan 20162021. Het waterschap laat in dit waterbeheerplan zien welke ontwikkelingen voor het waterbeheer van belang zijn en welke accenten ze in de samenwerking met haar partners willen leggen. De kerntaken van het waterschap vormen de basis voor het beleid: • Bescherming tegen overstromingen en proactief optreden in laag twee en drie van meerlaagseveiligheid. • Zorgen voor de juiste hoeveelheid water. Het waterschap wil samen met gemeenten gezamenlijke regie op waterbeheer organiseren en anticiperen op klimaatveranderingen. Het waterschap onderschrijft daarmee de trits sparen-aanvoeren-accepteren&adapteren voor droge situatie.

Voor wateroverlast onderschrijft het plan de trits vasthouden-bergenafvoeren. • Zorgen voor een goede waterkwaliteit door het implementeren van de KRW. • Het scheiden van vuil en schoonwater en voorkomen dat afvalwater een beperking vormt voor ecologische doelen. • Waarde halen uit water door reststromen uit afvalwater en het watersysteem zo veel mogelijk terug te brengen in de (circulaire) economie. • Beschouwen van de hele waterhuishouding (oppervlakte- grond- en afvalwater) als één systeem vanuit een gezamenlijk en integrale benadering.

24

Het waterschap beschikt over de Keur met bijbehorende beleidsregels en algemene regels. Hierin staat de regels die betrekking hebben op watergangen. Het beleid van het waterschap zijn uitgangspunten voor de uitwerking van de toekomstige waterhuishouding in het plangebied. 4.3.3 Watertoets In het watertoets document (bijlage 3) zijn de hoofdprincipes voor de toekomstige waterhuishouding van het plangebied uitgewerkt. Hieronder volgt een samenvatting van de belangrijkste aspecten. Bodem en grondwater Binnen het plangebied heeft het maaiveld een hoogteverschil van circa 0.7 meter met het hoogste punt aan de westzijde op NAP+9,90 meter en het laagste punt aan de oostzijde op NAP+9,20m. Op basis van grondwaterstandsmetingen is een GHG berekend op NAP+7,84m, oftewel circa 1,35 tot 2,15 meter beneden maaiveld. Er zijn geen aanwijzingen dat er binnen of nabij het gebied sprake is van wateroverlast. De bodem van het plangebied bestaat uit zandige gronden met een hoge doorlatendheid van circa 5 m/dag. De bodem is daarmee geschikt om regenwater te infiltreren. In de toekomstige situatie zal de hoogteligging aangesloten worden op omliggende percelen en loopt het hoogteverloop dusdanig dat het water zonder belemmering in zuidelijke richting af kan stromen. Het vloerpeil ligt bij voorkeur 30 cm boven het wegpeil.

Regenwater afvoer Op basis van het voorlopig ontwerp en de (lucht)foto is een inschatting gemaakt van het toekomstige verharde oppervlak en van het huidige verharde oppervlak. In de huidige situatie is circa 150m² verhard oppervlak aanwezig en in de toekomstige situatie 700m². Aangezien de toename in verhard oppervlak (550 m²) minder is dan 1500 m² geldt de uitzondering op Keur artikel 3.4. Er hoeft dus geen compenserende waterberging aangelegd te worden en het regenwater van het plangebied mag afgevoerd worden naar het bestaande oppervlaktewater. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt een C-watergang. Regenwater infiltreert in de huidige situatie op de onverharde oppervlakken en vanaf de verharde oppervlakken stroomt het af naar het onverharde oppervlak of de omliggende sloot. In de toekomstige situatie kan het overtollige water kan afstromen naar de bestaande sloot aan de zuidzijde van het plangebied. Overstroming Vanuit de Nederrijn is een middelgrote kans (circa 1/100 per jaar) op overstromingen. De overstromingsdiepte in het plangebied is in de huidige situatie dan maximaal 0,5m. Om het overstromingsrisico te verkleinen kan het plangebied opgehoogd worden. 4.4

Externe veiligheid

Kader In een plan dat kwetsbare objecten mogelijk maakt, moet aandacht worden besteed aan externe veiligheid. Nieuwe kwetsbare objecten mogen namelijk niet binnen de risicocontour (invloedsgebied van een risicobron) van bestaande risicobronnen liggen. Risicobronnen zijn bijvoorbeeld inrichtingen waar wordt gewerkt met gevaarlijke stoffen. Ook transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water en door buisleidingen vormt een risico. Tevens moet aandacht worden besteed aan risico’s die het gevolg zijn van de oprichting van een risicovolle inrichting, het transport van gevaarlijke stoffen over de weg en door buisleidingen

25

Het beleid voor externe veiligheid is geregeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In de genoemde besluiten zijn de diverse risicocontouren met betrekking tot externe veiligheid vastgelegd. Planspecifiek Met de aanleg van het onderstation wordt geen kwetsbaar object toegevoegd, noch betreft het een risicobron. Het plangebied ligt ook niet in de nabijheid van transportassen waarover het transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het aspect externe veiligheid vormt daarmee geen belemmering voor het plan.

4.5

Ecologie

Kader Ontwikkelingen kunnen effect hebben op beschermde natuurwaarden. Dit betreft potentiële effecten op vogel- en vleermuissoorten, maar ook effecten op beschermde natuurgebieden zijn mogelijk. De Wet natuurbescherming (Wnb) bevat alle regels voor de bescherming van zowel soorten als natuurgebieden. In het kader van de Wet natuurbescherming is het noodzakelijk om inzicht te hebben in de mogelijke effecten van het plan op de beschermde natuurwaarden. Soortenbescherming De bescherming van in het wild voorkomende planten- en diersoorten is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. De Europese Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn zijn voor Nederland geïmplementeerd in deze wet. Op grond van de Wet natuurbescherming gelden diverse verbodsbepalingen, zoals het doden van specifiek aangewezen vogel- en vleermuissoorten. Gebiedsbescherming Natura 2000 gebieden Natura 2000 is een netwerk van Europese natuurgebieden. Deze gebieden zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen. In Nederland zijn deze richtlijnen geïmplementeerd in de Wet natuurbescherming. Nederland heeft ruim 160 Natura 2000-gebieden, waaronder het IJsselmeer en de Waddenzee. Per gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd voor de soorten waarvoor het gebied een belangrijke functie heeft.

Activiteiten in Natura 2000-gebieden zijn alleen toegestaan als significant negatieve effecten op de gestelde instandhoudingsdoelstellingen zijn uitgesloten, of als een afweging heeft plaatsgevonden over alternatieven, dwingende redenen van groot openbaar belang en de inzet van compenserende maatregelen. In de passende beoordeling worden de effecten op de instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Daarbij dient ook een eventuele externe werking van een initiatief op nabijgelegen Natura 2000-gebieden te worden bepaald. De Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn bieden een juridisch kader dat verzekert dat menselijke activiteiten worden ondernomen op een wijze die de integriteit van Natura 2000-gebieden niet negatief beïnvloeden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Wanneer (kleine) natuurgebieden en de daarin voorkomende soorten geïsoleerd komen te liggen, bijvoorbeeld door bebouwing en infrastructuur, bestaat het risico dat soorten niet kunnen overleven en het

26

natuurgebied zijn waarde verliest. Door het aaneenschakelen van natuurgebieden wordt een bijdrage geleverd aan het voorkomen van deze achteruitgang van natuur en biodiversiteit (veelheid van soorten). Provincies wijzen de NNN-gebieden aan en deze worden op hun beurt vastgelegd in ruimtelijke plannen van de gemeenten. De ecologische hoofdstructuur is planologisch beschermd met het 'nee, tenzij'-principe. Nieuwe ontwikkelingen zijn niet toegestaan als deze het gebied aantasten, tenzij er geen alternatieven zijn en de ontwikkeling van groot openbaar belang is. Schadelijke effecten op de natuur dienen te worden gecompenseerd. Planspecifiek Ten behoeve van onderhavige ontwikkeling is in september 2020 een quickscan flora en fauna uitgevoerd door bureau Ekoza (Ekoza, 20.235, d.d. 28 september 2020). Deze is als bijlage 4 bij deze ruimtelijke onderbouwing gevoegd. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Het plangebied ligt op 2,55 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Binnenveld en op 2,62 kilometer van Natura 2000-gebied Rijntakken (afbeelding 4.1).

Afbeelding 4.3: ligging van het plangebied ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000gebieden (bron: Ekoza, d.d. 28 september 2020)

Fysieke storingsfactoren die plaats kunnen vinden door de werkzaamheden, zijn er door de grote afstand niet. De werkzaamheden zijn beperkt van aard en worden op grote afstand

27

uitgevoerd van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Er liggen wel stikstofgevoelige en zeer stikstofgevoelige habitattypen op minder dan 3 kilometer van het plangebied. Dit wordt nader onderbouwd bij het navolgende onderdeel ’stikstofdepositie’. Er zijn buiten mogelijk effecten door de stikstofdepositie, geen negatieve effecten op beschermde gebieden te verwachten. Stikstofdepositie Stikstofdepositie kan plaatsvinden in de aanlegfase en in de gebruiksfase. De gebruiksfase in dit project bestaat uit het transport van opgewekte energie vanuit het onderstation naar aanpalende spoorverbinding. Hierin is geen sprake van enige vorm van stikstofemissie. Incidenteel zijn onderhoud en reparaties benodigd, waarbij sprake is van voertuigbewegingen. Dit is echter dusdanig weinig, dat dit met zekerheid niet leidt tot negatieve effecten. De gebruiksfase is daarom niet beschouwd. Daarnaast kan er stikstof worden uitgestoot in de aanlegfase. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering1 voorziet in een partiële vrijstelling voor de tijdelijke emissies gedurende de aanlegfase van bouwwerkzaamheden. De wet is per 1 juli 2021 in werking getreden. In de wet is opgenomen dat tijdelijke stikstofemissies (tijdens bouw, sloop en aanleg) vrijgesteld zijn van de vergunningplicht als bedoeld in artikel 2.7, tweede lid Wnb.

In de gebruiksfase van zowel het station als van het kabeltracé is geen sprake van significante stikstofemissies. Op basis van voornoemde beleidslijn is dit project tevens niet vergunningplichtig op grond van de Wet natuurbescherming. Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt buiten de grenzen van Natuurnetwerk Nederland, waardoor er geen effecten op de kernkwaliteiten van het gebied zijn. Het afwegingskader EHS hoeft niet te worden doorlopen.

1 Besluit van 14 juni 2021 tot wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en

natuurverbetering). https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2021-287.html

28

Afbeelding 4.4: ligging van het plangebied ten opzichte van nabijgelegen Natuurnetwerk Nederland (bron: Ecoza, d.d. 28 september 2020) Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Niet alleen de instandhouding van verblijfplaatsen is van belang, maar ook de instandhouding van het leefgebied. Te allen tijde dient men de zorgplicht in acht te nemen. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet worden voorkomen. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet. Tabel 4.1 geeft een overzicht van de maatregelen per soortgroep.

Tabel 4.3: samenvatting onderzoeksresultaten en maatregelen (bron: Ekoza, 28 september 2020)

29

Grondgebonden zoogdieren De voorgenomen werkzaamheden hebben geen negatief effect op grondgebonden zoogdieren. Voortplantingsplaatsen, vaste rust- of verblijfplaatsen en (functionele) leefomgeving van beschermde grondgebonden zoogdieren zijn in het plangebied niet aanwezig. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. Vleermuizen Op de locatie is het onderstation niet toegankelijk voor vleermuizen, waardoor verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen worden uitgesloten. Het plangebied is ook geen essentieel foerageergebied of essentiële vliegroute voor vleermuizen. Een ontheffing in het kader Wet natuurbescherming is voor de sloop daarom niet nodig. Eventueel te kappen bomen direct rond het plangebied zijn potentiële vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De werkzaamheden zullen niet ’s nachts plaatsvinden dus er wordt geen verstoring van mogelijke verblijfplaatsen verwacht. Indien bomen gekapt worden, dient nader onderzoek uit te wijzen wat de functie van de bomen voor vleermuizen is en of een ontheffing in het kader Wet natuurbescherming nodig is. In een later stadium wordt nagegaan of en welke bomen gekapt dienen te worden en wat de effecten hiervan zijn op de verblijfplaatsen van de vleermuizen. Vogels De bebouwing op de locatie is niet toegankelijk voor vogels. Gebouwbewonende soorten kunnen daarmee worden uitgesloten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12383877/1