Bijlage 3 Bestemmingsplan Franseweg 95
Tekst van het document
Het saneringsplan behoeft de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde. In het besluit van 9 maart 2021 is ingestemd met het saneringsplan en is een beschikking Wet bodembescherming afgegeven. Na de uitgevoerde saneringsmaatregelen is de locatie geschikt voor de bestemming 'wonen en tuin'. In de huidige situatie en na de sanering is geen sprake van risico's voor mens, plant, dier of van verspreiding. Inherent aan het saneren door middel van het realiseren van een leeflaag is dat er sprake is van nazorgverplichtingen bestaande uit het in stand houden van de leeflaag. De nazorg voor de restverontreinigingen in de ondergrond van de saneringslocatie (onder de signaleringslaag) bestaat primair uit het in stand houden van de leeflaag. Graafwerkzaamheden in de leeflaag zelf kunnen zonder restricties plaatsvinden met dien verstande dat beschadiging van de signaleringslaag moet worden
Franseweg 95
29
voorkomen. Hierom blijven na sanering de volgende gebruiksbeperkingen van toepassing: Een verbod op diepwortelende beplanting Een verbod op het oppompen van grondwater Geen graafwerkzaamheden dieper dan de leeflaag Om dit te borgen is de aanduiding 'milieuzone - aandachtsgebied bodem' opgenomen. 4.5.3
Conclusie
Op basis van de resultaten van het bodemonderzoek blijkt er verontreiging aanwezig is in de bodem. Nadat de bestaande bebouwing is gesloopt, zal de bodem worden gesaneerd en geschikt gemaakt voor het beoogde gebruik. Hiervoor is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van het bestemmingsplan. Er is derhalve geen belemmering voor de wijziging naar wonen bij besluit van 9 maart 2021 Wbb. 4.6
Geluidhinder
4.6.1
Wettelijk kader
Wegverkeer en railverkeer Langs alle (spoor)wegen – met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de (spoor)weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken/spoorstaven en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op basis van jurisprudentie dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening ook bij 30 km/h-wegen de aanvaardbaarheid van de geluidsbelasting te worden onderbouwd. Industrielawaai Gezoneerde industrieterreinen hebben een vaste geluidzone die wordt vastgelegd door middel van een bestemmingsplan. Buiten de geluidszone wordt de voorkeurswaarde van 50 dB(A) niet overschreden. De maximale ontheffingswaarde binnen de geluidszone bedraagt 55 dB(A) etmaalwaarde voor nieuwe situaties. In tegenstelling tot weg- en railverkeer wordt voor industrielawaai niet getoetst aan de Lden (tijdgewogen jaargemiddelde geluidniveau in de dag, de avond en de nachtperiode) waarde maar aan de etmaalwaarde. De dosismaat Lden is voor wegverkeerslawaai en spoorweglawaai met ingang van 1 januari 2007 in de gewijzigde Wgh vastgelegd. Voor industrielawaai wordt Lden in het kader van de Wgh voorlopig niet ingevoerd. 4.6.2
Onderzoek / beoordeling
De planlocatie is gelegen in een 30 km/h gebied en valt buiten de geluidzones van wegen. Er zijn geen doorgaande wegen in de directe omgeving aanwezig. In de omgeving van de planlocatie heeft de woonfunctie sterk de overhand. Voorts is de planlocatie niet gelegen in een geluidzone van industriegebied. Van uit de Wgh zijn er dan ook geen beperkingen voor onderhavig initiatief. Voor de locaties waar als gevolg van de ontwikkeling meer verkeer komt is in Bijlage 8 een nadere motivatie opgenomen. Daarin wordt geconcludeerd dat de herontwikkeling ter plaatse van Franseweg 95 in het algemeen zorgt voor een substantiële afname van verkeer. Doordat het nieuwe plan niet alleen via de Franseweg wordt ontsloten zal op de Kleingeel en Schoolweg sprake zijn van een geringe toename van verkeer. Op beide wegen zal deze toename niet tot onaanvaardbare verkeersdruk leiden. Hetzelfde geldt voor geluid. Door de afname van het verkeer en de veranderende samenstelling van het verkeer (minder vrachtverkeer) zal ook de geluidsbelasting in het algemeen afnemen. Op locaties waar sprake is van een significante toename van verkeer is de totale hoeveelheid verkeer dusdanig laag dat de totale geluidsbelasting onder de voorkeurswaarde zal liggen.
Franseweg 95
30
4.6.3
Conclusie
Vanuit de Wet geluidhinder bestaan er geen beperkingen tegen onderhavige planontwikkeling, door de ligging buiten geluidzones. 4.7
Bedrijven en milieuzonering
4.7.1
Wettelijk kader
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stelt zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de onderstaande richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk' dan wel 'gemengd gebied'. Milieucategorie
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig buitengebied
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
Richtafstanden en omgevingstype Hiernaast gelden ten aanzien van bedrijven die onder de werkingssfeer van de Wet milieubeheer vallen, deze Wet en haar uitvoeringsbesluiten als toetsingskader voor de toegestane bedrijfshinder.
Franseweg 95
31
4.7.2
Onderzoek / beoordeling
Voor onderhavig project dient te worden getoetst of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen veroorzaakt voor bestaande functies in de omgeving en of de nieuwe functie mogelijk belemmeringen ondervindt als gevolg van de milieuhinder van naburige bedrijven en/of bedrijvigheid. De omgeving van het plangebied kan gekarakteriseerd worden als rustige woonwijk, gelet op de ligging in een omgeving waarin wonen de overhand heeft. Een woning zelf wordt niet gezien als een milieubelastende functie, waardoor milieugevoelige functies in de omgeving niet geschaad worden in hun woon- en leefklimaat. Andersom gezien wordt een woning wel gezien als een milieugevoelige functie, waardoor er voldoende afstand moet zijn tussen de gewenste woningen en al dan niet aanwezige milieubelastende functies. De dichtstbijzijnde milieubelastende functie is de snackbar 'Het Wapen van Elst' aan de Franseweg 87. Een snackbar valt onder milieucategorie 1, waarvoor een richtafstand van 10 meter geldt. De planlocatie ligt met ruim 40 meter op ruim voldoende afstand van de snackbar. Schuin tegenover de snackbar, aan de Franseweg 80, ligt een gemengde bestemming. Hier zijn naast het wonen ook bedrijfsactiviteiten mogelijk, namelijk tot en met categorie 2. Ook deze locatie ligt op ruim 40 meter van de planlocatie.
Voor categorie 2 geldt een richtafstand van 30 meter, waardoor er ruim voldoende afstand is om ter plekke van de gewenste woningen een goed woon- en leefklimaat te realiseren. 4.7.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande vormen de milieubelastende functies vanuit het oogpunt van milieuzonering geen belemmering voor de in dit plan besloten ruimtelijke ontwikkeling. Andersom leidt bouw van de 12 woningen niet tot milieutechnische problemen voor de omliggende milieugevoelige functies. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is te achten met een goede ruimtelijke ordening. 4.8
Externe veiligheid
4.8.1
Wettelijk kader
Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico's: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen.
De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare
Franseweg 95
32
objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven.
Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de Structuurvisie buisleidingen van belang. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.
Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico's voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet.
Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten
Franseweg 95
33
zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. 4.8.2
Onderzoek / beoordeling
Een woning betreft een kwetsbaar object, zodat de realisatie van de woningen getoetst dient te worden aan de wetgeving omtrent externe veiligheid. Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl) Transport gevaarlijke stoffen Er ligt in de directe omgeving van het plangebied geen hoofdvaarweg, spoorbaan, rijksweg of provinciale weg waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Ook ligt er geen buistransportleiding met transport van gevaarlijke stoffen in de directe omgeving. Inrichtingen In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen EV-relevante inrichtingen gevestigd, zodat er geen sprake is van een belemmering. Anderzijds is de voorgenomen planontwikkeling geen risicovolle inrichting in het kader van de BEVI. 4.8.3
Conclusie
Er bestaat vanuit het thema externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.9
Duurzaamheid
In een duurzame leefomgeving wordt bewust omgegaan met energie, klimaat, grondstoffen, ruimte, water en groen. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn een logisch moment om de verschillende aspecten van duurzame stedenbouw vanaf het begin in de planvorming mee te nemen. Bouwbesluit
Franseweg 95
34
Wettelijk kan er in Nederland geen verdere verduurzaming worden afgedwongen dan via het Bouwbesluit. Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. Sinds 2020 moeten alle nieuwe gebouwen voldoen aan de BENG-eisen. Dit is rijksbeleid, waarbij BENG staat voor Bijna EnergieNeutrale Gebouwen. Kansen Bij de herinrichting van een perceel en bij nieuwbouw liggen kansen om duurzaamheid te verbeteren. Het energieneutraal maken van een gebouw kan beter bij de bouw dan achteraf. Nieuwbouw biedt de kans om meteen voor een duurzame wijze van verwarming te kiezen, maar ook andere duurzaamheidsaspecten zijn bij nieuwbouw relatief eenvoudig te realiseren, zoals het opwekken van duurzame energie. Het is van belang de kansen voor het opwekken van duurzame energie te benutten om de gestelde toename van duurzaam opgewerkte energie te behalen. Sinds 01-07-2018 moeten nieuwe woningen gasloos worden gebouwd. Daarnaast kan bij de inrichting van de buitenruimte rekening worden gehouden met water- en hittestress. Het aanplanten van groen is goed voor de klimaatbestendigheid, omdat het bijdraagt aan het verminderen van de hittestress en het verbeteren van het watervasthoudend vermogen van het gebied. Planspecifiek Voor wat betreft de nieuwbouwwoningen is het doel om te komen tot een energielabe A+++.
Om dit te bereiken zijn de volgende maatregelen van toepassing: woningen worden conform BENG eisen gebouwd; ventilatiesysteem met winddrukgeregelde toevoerroosters en mogelijk CO2 gestuurde afzuiging; optimale kierdichting' HR++ beglazing HR ketel met hoog watertap-rendement' FSC hout voor kozijnen enz.; kloksthermostaat met weekprogramma' pv-panelen standaard' prefab kanaalplaatvloeren begane grond, 1e en 2e verdieping' milieuvriendelijke bouwmaterialen.
Voor de woningen kunnen daarnaast ook een aantal mogelijkheden worden aangeboden, zoals het toepassen van: warmtepomp, lucht/water, maar ook d.m.v. bodemcollectoren (mogelijk standaard toepassing); meer PV-panelen; tripple beglazing; douche WTW; zonnecollectoren; extra aandacht voor luchtdichting; laag-temperatuurverwarming; overal dubbele kierdichting; thermostatsiche radiorkranen; zonwerende beglazing. 4.10
Kabels en leidingen
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgasleidingen afhankelijk van druk; defensiebrandstoffen; warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening met
Franseweg 95
35
een diameter groter of gelijk aan 18 inch. Uit de toelichting en verbeelding van bestemmingsplan 'Kern Elst 2012' is op te maken dat er geen planologisch relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. Voor de verdere realisatie van het plan zal indien nodig een KLIC-melding gedaan worden om te achterhalen of er relevante kabels en leidingen in het plangebied of in de directe omgeving daarvan aanwezig zijn. 4.11
Water
4.11.1
Inleiding
Water en ruimtelijke ordening hebben veel met elkaar te maken. Aan de ene kant is water één van de sturende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik zoals locaties voor stadsuitbreiding. Aan de andere kant kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Op Europees en nationaal niveau heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de verplichte 'watertoets'. Een watertoets geeft aan wat de gevolgen zijn van een ruimtelijk plan voor de waterhuishouding in het betreffende gebied. Zo'n waterparagraaf moet sinds 1 januari 2003 worden opgenomen in de toelichting bij ruimtelijke plannen. Doel van de watertoets is de relatie tussen planvorming op het gebied van de ruimtelijke ordening en de waterhuishouding te versterken. Een watertoets is verplicht als het gaat om een functieverandering en/of bestemmingswijziging. Op basis van informatie en randvoorwaarden vanuit waterbeheerder, het waterbeleid en relevante bodemgegevens worden de verschillende wateraspecten uitgewerkt in een waterparagraaf. De waterparagraaf beschrijft het huidige watersysteem alsmede de mogelijkheden en randvoorwaarden voor het toekomstig watersysteem. De waterparagraaf wordt afgestemd met de waterbeheerder. 4.11.2
Beleidskader
Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding. Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor onderhavige ontwikkeling relevante nota's. Europa Met ingang van december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht geworden. In het kader van de Kaderrichtlijn worden kwaliteitseisen gesteld, gericht op het beschermen en verbeteren van de aquatische ecosystemen (verplichting per stroomgebied). Deze richtlijn stelt als norm dat oppervlaktewateren binnen 15 jaar na inwerkingtreding moeten voldoen aan een 'goede ecologische' toestand (GET). Voor kunstmatige wateren, zoals de meeste stadswateren, geldt dat de oppervlaktewateren minimaal moeten voldoen aan een 'goed ecologisch potentieel' (GEP). Inmiddels zijn de GEP-normen per stroomgebied uitgewerkt. Rijk De Waterwet, die in werking is getreden in 2009, regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Op grond van deze wet moeten de provincies één of meer regionale waterplannen vaststellen die wat betreft de ruimtelijke aspecten de status van provinciale structuurvisie hebben. De Waterwet schrijft eveneens voor dat elke zes jaar een nieuw Nationaal Waterplan uitgebracht wordt. Op 10 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2 (NWP2) vastgesteld.
Het NWP2 is opgesteld vanuit het perspectief om een nationale Omgevingsvisie te ontwikkelen richting 2018 conform de Omgevingswet in wording. Het NWP2 geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit NWP2 zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede
Franseweg 95
36
waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Het beleid en de maatregelen in het nieuwe Nationaal Waterplan dragen bij aan het vergroten van het waterbewustzijn in Nederland. 4.11.3
Watertoets
In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit ruimtelijke ordening is voor dit ruimtelijke plan een watertoetsproces doorlopen. De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de gemeente en waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De inzet daarbij is om in elk afzonderlijk plan met maatwerk het reeds bestaande waterhuishoudkundige en ruimtelijke beleid goed toe te passen en uit te voeren.Het watertoetsproces voor het project Sloop bedrijfsbebouwing en nieuwbouw 12 woningen is op 8 november 2019 digitaal doorlopen via www.dewatertoets.nl. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is via deze weg door de initiatiefnemer van de ruimtelijke ontwikkeling op de hoogte gebracht van de plannen. Uit de digitale analyse blijkt dat er geen grote waterbelangen zijn (Bijlage 10). De ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de belangrijkste minimale voorwaarde: "het standstill beginsel". Dit beginsel houdt in dat door het plan geen verslechtering van de waterhuishouding ontstaat. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden adviseert positief over het ruimtelijk plan.
In het vooroverleg geeft het Hoogheemraadschap aan dat om vervuiling van afstromend hemelwater en verslechtering van de (grond)waterkwaliteit te voorkomen, vwordt verzocht om geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, lood en koper) toe te passen. De ontwikkelaar zal dit advies overnemen. 4.11.4
Wateropvang
Een belangrijke voorwaarde van de gemeente Rhenen is om te voorzien in extra wateropvang om een veilige woonomgeving te creëren. Dat is van belang omdat er in de omgeving van de Franseweg bij hevige regenbuien sprake kan zijn van wateroverlast, zoals is gebleken uit een door de gemeente in 2017 uitgevoerd onderzoek. Een voornaam effect van de herstructurering van de locatie is de afname van verhard oppervlak. In de huidige situatie bestaat vrijwel het gehele terrein uit bebouwing en bestrating, waardoor het wateropnemend vermogen gering is. Zowel het percentage bebouwing als verharding neemt flink af, doordat ongeveer de helft van het gebied uit voor- en achtertuinen zal bestaan. Door op de bergingen sedumdaken toe te passen en onder de parkeervoorziening op het binnenterrein van een open verharding uit te gaan, wordt de wateropvang verder verbeterd. Daarnaast levert ook het groen in het profiel van het Kleingeel hieraan een belangrijke bijdrage. 4.11.5
Conclusie
Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden adviseert positief over het ruimtelijk plan. Daarnaast neemt het verharde oppervlak sterk af en wordt er voorzien in extra wateropvang. Er is dan ook geen belemmering vanuit het aspect water. 4.12
M.e.r.-beoordeling
4.12.1
Wettelijk kader
In de Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat op basis van selectiecriteria vastgesteld dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zal hebben of niet. Onderdeel D van de bijlage bevat activiteiten, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is. Voor elke activiteit die genoemd wordt in kolom 1 van onderdeel D van het Besluit m.e.r. moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) nadelige milieugevolgen. Voor activiteiten die onder de drempelwaarde zoals genoemd in kolom 2 van onderdeel D vallen, volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze motivering dient qua inhoud aan te sluiten bij de m.e.r.-beoordeling, maar heeft geen vormvereisten. Voorliggend initiatief kan gezien worden als 'stedelijk ontwikkelingsproject' (D 11.2). De gewenste ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen, waardoor een vormvrije m.e.r.-beoordeling volstaat.
Franseweg 95
37
In een vormvrije m.e.r.-beoordeling dient aandacht te worden besteed aan drie criteria die zijn opgenomen in Bijlage III van de Europese richtlijn 'betreffende milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Dit zijn achtereenvolgens de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect. 4.12.2
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Kenmerken van het project Binnen dit plan maakt een bedrijfspand plaats voor 12 woningen. Plaats van het project De planlocatie is gelegen op een bedrijfslocatie in de kern van Elst. Het ligt buiten bestaande natuurgebieden. Het dichtsbijzijnde natuurgebied ligt op circa 500 meter afstand. Kenmerken van het potentiële effect De ontwikkeling is van beperkte omvang en heeft geen nadelige effecten op beschermde diersoorten en natuurgebieden. 4.12.3
Conclusie
De kenmerken, plaats en potentiële effecten van de ontwikkeling geven op basis van het voorgaande geen aanleiding ernstige milieugevolgen te verwachten die het nodig maken om een m.e.r-procedure te doorlopen.
Franseweg 95
38
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het onderhavige bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door de gronden te beleggen met een bestemming. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In dit hoofdstuk wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht. De regels en verbeelding zijn opgesteld conform de RO-standaarden 2012, waarbij in het bijzonder het IMRO 2012 (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de SVBP 2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen) van belang zijn. Voor de regels is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan 'Kern Elst 2012'. Het bestemmingsplan 'Franseweg 95' bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding krijgen alle gronden binnen het plangebied een bestemming. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen zijn terug te vinden in de regels.
Een gedeelte van de informatie op de verbeelding heeft geen juridisch betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/BGT ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding. De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan 'Franseweg 95' zijn opgebouwd conform de door de SVBP 2012 voorgeschreven systematiek en omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels de overgangs- en slotregels. 5.2
Inleidende regels
De inleidende regels bestaan uit de volgende artikelen. 5.2.1
Begrippen
In de begripsregels worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. 5.2.2
Wijze van meten
Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Dit artikel geeft aan hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte e.d. van gronden en bouwwerken wordt gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de 'wijze van meten' worden in de SVBP 2012 richtlijnen gegeven.
Franseweg 95
39
5.3
Bestemmingsregels
5.3.1
Opbouw bestemmingen
De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat het gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend, welke dient te voldoen aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening. De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit: Bestemmingsomschrijving; Bouwregels; Nadere eisen; Afwijken van de bouwregels; Specifieke gebruiksregels; Afwijken van de gebruiksregels; Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk; Wijzigingsbevoegdheid. 5.3.2
Bestemmingen
Verkeer - Verblijfsgebied Binnen deze bestemming wordt het mogelijk gemaakt om wegen, parkeervoorzieningenen, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen te realiseren. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen gebouwd worden. Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: wonen, beroep- en bedrijf aan huis, bed and breakfast, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, parkeren, tuinen en erven,wegen en paden en bouwwerken. De woningen dienen binnen de bouwvlakken te worden gebouwd met de op de verbeelding aangegeven goot- en bouwhoogte. Waarde - Archeologie 3 De voor 'Waarde - Archeologie - 3' aangewezen gronden zijn naast voor de overige aangewezen bestemmingen mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden. Hierbij worden beperkingen aan de bouwmogelijkheden gelegd zodat de archeologische waarden beschermd blijven. Deze beperking kan worden opgeheven middels een omgevingsvergunning waarbij in de aanvraag duidelijk wordt dat het gebied afdoende is onderzocht en dat dat ofwel er geen archeologische waarden aanwezig zijn of deze anderzijds indien aanwezig behouden blijven. 5.4
Algemene regels
5.4.1
Anti-dubbeltelregel
Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering.
Franseweg 95
40
5.4.2
Algemene aanduidingsregels
Binnen de aanduiding 'milieuzone - aandachtsgebied bodem' is geregeld dat ter plaatse, het pas na toestemming van het bevoegd gezag is toegestaan om graafwerkzaamheden dieper dan 1 meter onder maaiveld te mogen verrichten, grondwater te onttrekken of diepwortelende beplanting aan te brengen. 5.4.3
Overige algemene regels
Voor het hele plangebied geldt een aantal algemene regels. Het gaat hier om algemene bouw- en gebruiksregels, mogelijkheden om af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen, en procedureregels worden behandeld. 5.5
Overgangs- en slotregels
5.5.1
Overgangsregel
In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening en de Wabo, overgenomen. 5.5.2
Slotregel
Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.
Franseweg 95
41
Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1
Economische uitvoerbaarheid
De planontwikkeling komt geheel voor rekening en risico van de initiatiefnemer. De ontwikkeling zal geschieden conform hetgeen bepaald is in de Wet ruimtelijke ordening. De verwezenlijking van het plan is dan ook niet afhankelijk van gemeentelijke investeringen. De kosten voor de ambtelijke afhandeling van de procedure worden verrekend op basis van de daarvoor geldende leges. Voor wat betreft planschade zal de gemeente met initiatiefnemer een planschadeverhaalsovereenkomst afsluiten. De initiatiefnemer heeft aangegeven dat de saneringskosten financieel gedekt zijn. Het plan wordt dan ook economisch haalbaar geacht. 6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Voor onderhavig bestemmingsplan wordt de uniforme voorbereidingsprocedure gevolgd als bedoeld in hoofdstuk 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht, in samenhang met het gestelde in de Wet ruimtelijke ordening. 6.2.1
Overleg met omwonenden
Het voorontwerpbestemmingsplan zal middels een informatieavond worden voorgelegd aan de directe omgeving. De gemeente Rhenen vindt het belangrijk dat initiatiefnemers, belanghebbenden betrekken bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast gaat de Omgevingswet uit van het vroegtijdig betrekken van belanghebbenden bij het maken van plannen. De wet geeft daarbij aan dat de initiatiefnemer verantwoordelijk is voor deze participatie. Daarbij vraagt de Omgevingswet van gemeenten dat zij initiatiefnemers stimuleren om in gesprek te gaan met belanghebbenden over hun initiatief. De wijze waarop deze participatie plaatsvindt is vormvrij. Als gevolg van het Covid19-beleid waren geen fysieke bijeenkomsten met groepen mogelijk. Gedurende het traject is door initiatiefnemer gekeken naar de beste alternatieven. Initiatiefnemer heeft op 1 februari 2021 en 2 februari 2021 een online informatiebijeenkomst voor omwonenden georganiseerd. Er zijn uitnodigingen verspreid op 28 adressen. Aan de bijeenkomsten hebben 8 omwonenden deelgenomen. Van de bijeenkomst is door initiatiefnemer een verslag gemaakt en aan de aanwezigen verzonden, waarop men kon reageren. Bij 6 omwonenden is initiatiefnemer persoonlijk langs geweest of is schriftelijk / telefonisch contact geweest.
Omdat een deel van de woningen aan de Schoolweg in eigendom zijn van de Rhenense Woningstichting heeft er ook overleg plaatsgevonden tussen initiatiefnemer en deze partij. Over het algemeen wordt de herontwikkeling van het voormalige galvaniseer bedrijf en de sanering van de gronden als positief ervaren. Zorgen zijn er met name van enkele bewoners van de Schoolweg over de ontsluiting via de Schoolweg. Ook zijn er zorgen geuit omtrent de aanwezige sanering. Om de gevolgen voor het verkeer inzichtelijk te maken is een verkeersonderzoek uitgevoerd. In paragraaf 4.3.1 wordt hier nader op ingegaan. Er zijn geen verkeerstechnische problemen te verwachten. In paragraaf 4.5 is ingegaan op de aanwezige verontreiniging en de sanering hiervan. In de huidige situatie is de bodem niet geschikt voor de beoogde functie. Gezien het gewenste gebruik voor wonen is een sanering van de aanwezige verontreinigingen noodzakelijk. Deze sanering zal worden uitgevoerd nadat de bestaande opstallen zijn gesloopt. Ingevolge artikel 38, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bodembescherming dient de sanering zodanig uitgevoerd te worden dat de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt.
Het saneringsplan behoeft de instemming van gedeputeerde staten, die slechts met het plan instemmen indien door de daarin beschreven sanering naar hun oordeel wordt voldaan aan het bij of krachtens artikel 38 bepaalde. In het
Franseweg 95
42
besluit van 9 maart 2021 is ingestemd met het saneringsplan en is een beschikking Wet bodembescherming afgegeven. Na de uitgevoerde saneringsmaatregelen is de locatie geschikt voor de bestemming 'wonen en tuin'. De initiatiefnemer heeft regelmatig contact gehad met bewoners van het Kleingeel en Franseweg over overlast door het gebruik van een oud duivenhok als ontmoetingsplaats door jongeren. In onderling overleg is besloten de hokken alvast te slopen 6.2.2
Overleg met overheidsinstanties
In het kader van het vooroverleg, zoals bedoeld in artikel 3.1.1 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het voorontwerpbestemmingsplan verstuurd naar vooroverlegpartners. Reacties zijn ontvangen van Provincie Utrecht, Veiligheidsregio Utrecht, Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden en de Gasunie. Zij onderschrijven allereerst de conclusies uit de toelichting van het bestemmingsplan. Het Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden verzoekt daarbij om op te nemen dat er niet gebouwd zal worden met uilogende materialen. En de Veiligheidsregio Utrecht vraagt extra aandacht voor de bluswatervoorziening, dat de bestaande voorziening uitgebreid moet worden tot een capaciteit van 30 m3/h. 6.2.3
Verslag zienswijzen
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 13 januari 2022 tot en met 23 februari 2022 voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn 4 zienswijzen binnengekomen (zie Bijlage 11). In Bijlage 12 is de reactie van de gemeente op de zienswijze opgenomen. D De ingediende zienswijzen geven aanleiding tot de volgende aanpassingen van het ontwerpbestemmingsplan: Artikel 4.4.3 (zwembaden) is uit de regels geschrapt. De verbeelding is aangevuld met een aandachtsgebied bodem. In de regels in artikel 7.1 'milieuzone - aandachtsgebied bodem' is geregeld dat ter plaatse van deze aanduiding het pas na toestemming van het bevoegd gezag is toegestaan om graafwerkzaamheden dieper dan 1 meter onder maaiveld te mogen verrichten, grondwater te onttrekken of diepwortelende beplanting aan te brengen.
Franseweg 95
43
Kerkewijk 156 3904 JJ Veenendaal T. 0318 – 50 56 37 I. www.kubiek.nu E. info@kubiek.nu
Bestemmingsplan Franseweg 95 Gemeente Rhenen REGELS
Bestemmingsplan Franseweg 95 Gemeente Rhenen REGELS
GEGEVENS VAN DE AANVRAGER Land en Opstallen B.V. Korte Holk 1 3861 MK Nijkerk
Kerkewijk 156 3904 JJ Veenendaal T. 0318 – 50 56 37 I. www.kubiek.nu E. info@kubiek.nu
PLANGEGEVENS: IDN: Projectnummer: Titel:
NL.IMRO.0340.BPFranseweg95-VA01 K19037 Franseweg 95
Status Concept: Voorontwerp: Ontwerp: Vastgesteld:
Datum
Projectleider:
P. Wallenburg MSc
Auteur:
G. Jansen MSc
Inhoudsopgave
REGELS
4
Hoofdstuk1
Inleidende regels
4
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
4 8
Hoofdstuk2
Bestemmingsregels
9
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5
Verkeer - Verblijfsgebied Wonen Waarde - Archeologie 3
9 10 13
Algemene regels
15
Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10
Anti-dubbeltelregel Algemene aanduidingsregels Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels
15 16 17 18 19
Hoofdstuk4
Overgangs- en slotregels
20
Overgangsrecht Slotregel
20 21
Hoofdstuk3
Artikel 11 Artikel 12
Bijlagen bij regels Bijlage 1
Franseweg 95
Staat van bedrijfsactiviteiten
3
REGELS behorende bij het bestemmingsplan Franseweg 95
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
In deze regels wordt verstaan onder: 1.1
plan
het bestemmingsplan Franseweg 95 met identificatienummer NL.IMRO.0340.BPFranseweg95-VA01 van de gemeente Rhenen. 1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0340.BPFranseweg95-VA01 met de bijbehorende regels en bijlagen. 1.3
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5
achtererfgebied
erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw; 1.6
achtergevel
gevel aan de achterkant van een gebouw; 1.7
ambulante handel
de verkoop en het te koop aanbieden, alsmede de uitstalling daarvan, van waren aan consumenten buiten vestigingen. Onder ambulante handel wordt mede verstaan (week)markten en standplaatsen buiten de markten; 1.8
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.9
bebouwingspercentage
een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage, dat de oppervlakte van het deel van een bestemmings- of bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd met gebouwen en bijbehorende bouwwerken; 1.10
bed and breakfast
een kleinschalige overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt, waarbij de bed and breakfast ondergeschikt is aan de hoofdfunctie;
Franseweg 95
4
1.11
bedrijf
het bedrijfsmatig vervaardigen, repareren of opslaan van goederen, dan wel het verrichten van diensten; 1.12
bedrijfsgebouw
een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten; 1.13
bedrijfswoning/dienstwoning
een woning in of bij een gebouw of op een terrein, bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein, noodzakelijk is; 1.14
bedrijf aan huis
het verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke - geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen - bedrijvigheid, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende bedrijfsactiviteiten een ruimtelijke uitstraling hebben die in overeenstemming is met de woonfunctie; 1.15
beroep aan huis
de uitoefening van een beroep aan huis op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen terrein, alsmede een beroep op het terrein van persoonlijke verzorging, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt; 1.16
bestaand
1. ten aanzien van bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning; 2. ten aanzien van gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan; 1.17
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak; 1.18
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.19
bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde bouwperceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.20
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats; 1.21
bouwgrens
de grens van een bouwvlak; 1.22
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
Franseweg 95
5
1.23
bouwperceelgrens
een grens van een bouwperceel; 1.24
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.25
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.26
bouwwerk, geen gebouw zijnde
bouwwerk, geen gebouw en overkapping zijnde; 1.27
detailhandel
het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit en aan de verkoop verbonden reparatie; 1.28
diepwortelende beplanting
beplanting met wortelstelsel dat meer dan 1 m onder het maaiveld reikt of dat naar verwachting in detoekomst zal doen; 1.29
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.30
hoofdgebouw
een gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een bouwperceel en, indien meer gebouwen op het bouwperceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is; 1.31
huishouden
de leefvorm of samenlevingsvorm van een alleenstaande of een gezin, waaronder mede wordt begrepen: 1. een woongroep van mensen met een lichamelijke of verstandelijke beperking; 2. de gezamenlijke huisvesting van een groep van maximaal vier personen die gebruik maken van de gemeenschappelijke voorzieningen in de woning; 1.32
inwoning
twee of meer huishoudens die één woning bewonen met gemeenschappelijk gebruik van één of meer voorzieningen of (verblijfs)ruimten van die woning en waarbij de woning één hoofdtoegang behoudt en de voorzieningen c.q. (verblijfs)ruimten onderling vrij toegankelijk zijn; 1.33
kantoor
het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen, waaronder congres- en vergaderaccommodatie; 1.34
mantelzorg
langdurende zorg die wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens sociale omgeving, waarbij de zorgverlening de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt, op vrijwillige, niet afdwingbare basis;
Franseweg 95
6
1.35
nutsvoorziening
een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten; 1.36
opslag
het opslaan of opgeslagen hebben van goederen en materialen, niet zijnde puin, afvalstoffen en aan hun gebruik onttrokken, gerede dan wel onklare machines, vaar-, vlieg-, en voertuigen, dan wel onderdelen daarvan; 1.37
overkapping
een bijbehorend bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overdekking en met maximaal één wand is omgeven; 1.38
peil
1. voor een bouwwerk op een bouwperceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; 2. voor een bouwwerk op een bouwperceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het aansluitende, afgewerkte maaiveld ter hoogte van het hoofdgebouw en waar geen sprake is van een hoofdgebouw de gemiddelde hoogte van het aansluitende, afgewerkte maaiveld ter hoogte van het bouwwerk; 1.39
tijdelijke woonunit
een mantelzorgwoning in de vorm van een tijdelijk op een perceel aanwezige unit die hetzij geheel hetzij in delen over de weg verplaatsbaar is; 1.40
voorgevel
de naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg of naar de openbare ruimte gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt; 1.41
voorste bouwgrens
de aan een weg of openbaar gebied gelegen bouwgrens, met dien verstande dat indien een bouwvlak gericht is op meerdere wegen of is gericht op meerdere openbare ruimtes, de bouwgrens die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt; 1.42
waarden
de aan een bouwwerk, gebied of specifiek element in een gebied toegekende kenmerkende waarde op het gebied van cultuurhistorie, archeologie, geografie, aardkunde, natuur en/of ecologie; 1.43
woning
een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden.
Franseweg 95
7
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.2
de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.3
de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.4
de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.5
de dakhelling
langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak. 2.6
Bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons, overstekende daken en reclameuitingen aan de gevel buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1 m.
Franseweg 95
8
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Verkeer - Verblijfsgebied
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen met een functie voor de ontsluiting van aanliggende gronden, met daarbij inbegrepen, voet- en fietspaden, bermen, bruggen, bushaltes en dergelijke; b. terrassen ten behoeve van horeca; c. parkeervoorzieningen; d. groenvoorzieningen; e. speelvoorzieningen; f. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, met de daarbij behorende: g. bruggen; h. nutsvoorzieningen; i. bouwwerken. 3.2
Bouwregels
a. Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan. b. Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de functies 'wegen' en 'parkeervoorzieningen' gelden de volgende regels: 1. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7,5 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van masten en verwijsborden niet meer mag bedragen dan 12 m. c. Voor het bouwen van bouwwerken ten behoeve van de overige functies gelden de volgende regels: 1. de bebouwing is beperkt tot bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 2. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m, met dien verstande, dat de bouwhoogte van vlaggen- en lichtmasten niet meer mag bedragen dan 8 m en dat de bouwhoogte van publicatieborden ten dienste van overheids- en niet commerciële mededelingen niet meer mag bedragen dan 4 m. 3.3
Afwijken van de bouwregels
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 3.2 sub a voor het bouwen van gebouwen met een oppervlakte en een bouwhoogte van niet meer dan respectievelijk 30 m² en 5 m.
Franseweg 95
9
Artikel 4 4.1
Wonen
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. beroep- en bedrijf aan huis; c. bed and breakfast; d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen, e. parkeren met de daarbij behorende: f. tuinen en erven; g. wegen en paden; h. bouwwerken.
Het aantal woningen bedraagt niet meer dan het bestaande aantal, dan wel het aangegeven aantal ter plaatse van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’. 4.2
Bouwregels
4.2.1
Woningen
Voor het bouwen van woningen gelden de volgende regels: a. woningen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. tussen twee niet aaneengebouwde woningen mag de afstand van elk van de woningen, uitgezonderd aan-en uitbouwen en bijgebouwen, tot de onderlinge zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 2,5 m bedragen, dan wel de bestaande afstand indien deze minder bedraagt; c. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd' mogen uitsluitend aaneen gebouwde woningen worden gebouwd, met dien verstande dat: 1. woningen worden afgedekt met een kap waarvan de dakhelling niet minder dan 20 graden mag bedragen; 2. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)'. d. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand' mogen uitsluitend vrijstaande woningen worden gebouwd, met dien verstande dat: 1. woningen worden afgedekt met een kap waarvan de dakhelling niet minder dan 20 graden mag bedragen; 2. de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)'.
4.2.2
Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken bij woningen gelden de volgende regels: a. b. c. d.
4.2.3
bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd binnen het bouwvlak en het achtererfgebied; de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3,30 m; de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4,50 m; het bebouwingspercentage van het achtererfgebied mag maximaal 25% van de bij de woning behorende kadastrale percelen bedragen, met dien verstande dat het maximale oppervlak aan bijbehorende bouwwerken niet meer dan 150 m² mag bedragen; Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer bedragen dan 1 m voor (het
Franseweg 95
10
verlengde van) de voorgevel en 2 m daarachter; b. de bouwhoogte van lichtmasten en vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 8 m; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m. 4.3
Nadere eisen
Burgemeester en wethouders kunnen ten aanzien van het voorkomen van een onevenredige aantasting van: de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden; het bebouwingsbeeld; de verkeersveiligheid, nadere eisen stellen aan: a. de plaats van gebouwen in die zin dat bijbehorende bouwwerken 3 m achter de voorgevel van de woning moeten worden gebouwd; b. de plaats van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met een grotere oppervlakte dan 6 m² en/of een grotere bouwhoogte dan 1,5 m. 4.4
Specifieke gebruiksregels
4.4.1
Beroep- en bedrijf aan huis
Voor de uitoefening van het beroep- en bedrijf aan huis zijn de volgende regels van toepassing: a. de omvang van de uitoefening van het beroep- en bedrijf aan huis mag niet meer bedragen dan 25 m2; b. in afwijking van het bepaalde in sub a mag de omvang van de uitoefening van het beroep- en bedrijf aan huis niet meer bedragen dan 50% van het grondoppervlak van de woning en de bijbehorende bouwwerken, mits op eigen terrein in extra parkeerplaatsen wordt voorzien zoals is weergegeven in de navolgende tabel: Omvang van de uitoefening van het beroep- en bedrijf aan Aantal extra te realiseren parkeerplaatsen huis 26 - 50 m2
1
51 - 100 m2
2
101 - 150 m2
3
151 - 200 m²
4
201 m² of meer
5
c. bedrijfsactiviteiten uit categorie 1 van Bijlage 1 Staat van bedrijfsactiviteiten zijn ook toegestaan; d. detailhandel en buitenopslag zijn niet toegestaan; e. het beroep- en bedrijf aan huis wordt in ieder geval uitgeoefend door de bewoner. 4.4.2
Bed and breakfast
Voor het uitoefenen van een bed and breakfast mogen maximaal vijf kamers per bouwperceel worden gebruikt met een maximum van tien slaapplaatsen, met dien verstande dat: f. het gebruik niet leidt tot belemmeringen voor de omliggende functies; g. de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt; h. het gebruik geen nadelige invloed heeft op de normale afwikkeling van het verkeer en in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt voorzien; i. de bedrijfsvoering van de bed and breakfast uitsluitend door de bewoner(s) wordt uitgeoefend; j. aanverwante voorzieningen zoals een speeltuin -met uitzondering van kleinschalige speelvoorzieningen-, stallingsruimte en detailhandel bij de bed & breakfast zijn niet toegestaan.
Franseweg 95
11
4.4.3
Voorwaardelijke verplichting bodemsanering
Bodemroerende werkzaamheden, onder andere sloop-, graaf- en bouwactiviteiten overeenkomstig de bestemming, mogen slechts plaatsvinden, indien de betreffende gronden ter plaatse van de voorgenomen bodemingreep door middel van een door de provincie goedgekeurd saneringsplan of bus-melding zijn gesaneerd. 4.5
Afwijken van de gebruiksregels
4.5.1
Inwoning
Bij een omgevingsvergunning kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.1 ten behoeve van inwoning. 4.5.2
Bedrijfsactiviteiten categorie 2 bij beroep- en bedrijf aan huis
Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sublid 4.4.1 sub c ten behoeve van het vestigen van bedrijfsactiviteiten die zijn genoemd in categorie 2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten van Bijlage 1 die naar de aard en invloed op de omgeving gelijk te stellen zijn met de bedrijfsactiviteiten die zijn genoemd in categorie 1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten genoemd in Bijlage 1.
Franseweg 95
12
Artikel 5 5.1
Waarde - Archeologie 3
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Archeologie - 3' aangewezen gronden zijn naast voor de overige aangewezen bestemmingen mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden. 5.2
Bouwregels
a. Op de in lid 5.1 bedoelde gronden mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. b. Bouwwerken ten behoeve van de andere, voor deze gronden aangewezen bestemmingen zijn op de in artikel 5.1 bedoelde gronden slechts toelaatbaar, indien het betreft: 1. of vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; 2. of een bouwwerk met een oppervlakte tot ten hoogste 100 m²; 3. of het bouwwerk zonder graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst; 4. of een bouwwerk waarvoor een omgevingsvergunning of een vergunning met dezelfde strekking is verleend zoals bedoeld in artikel 5.3 of waarbij onomstotelijk door foto's of anderzins wordt aangetoond dat er sprake is van geroerde grond, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid en geen diepere graafwerkzaamheden plaatsvinden. 5.3