Bijlage 3 Bestemmingsplan Franseweg 95
Tekst van het document
Bestemmingsplan Franseweg 95 Gemeente Rhenen TOELICHTING
Bestemmingsplan Franseweg 95 Gemeente Rhenen TOELICHTING
GEGEVENS VAN DE AANVRAGER Land en Opstallen B.V. Korte Holk 1 3861 MK Nijkerk
Kerkewijk 156 3904 JJ Veenendaal T. 0318 – 50 56 37 I. www.kubiek.nu E. info@kubiek.nu
PLANGEGEVENS: IDN: Projectnummer: Titel:
NL.IMRO.0340.BPFranseweg95-VA01 K19037 Franseweg 95
Status Concept: Voorontwerp: Ontwerp: Vastgesteld:
Datum
Projectleider:
P. Wallenburg MSc
Auteur:
G. Jansen MSc
Inhoudsopgave
TOELICHTING
6
Hoofdstuk1
Inleiding
6
Aanleiding Ligging en begrenzing plangebied Vigerende planologische situatie Kern Elst 2012 Parkeren Opzet bestemmingsplan en toelichting
6 6 7 8 9 9
Beschrijving van de situatie
10
Huidige situatie Gewenste situatie Stedenbouw en beeldkwaliteit
10 12 13
Beleidskader
15
Rijksbeleid Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Ladder voor duurzame verstedelijking Provinciaal beleid Omgevingsvisie Utrecht Interim Omgevingsverordening Utrecht Gemeentelijk beleid Stedenbouwkundige structuurvisie Woonvisie 'Kiezen voor Rhenen'
15 15 16 16 17 17 20 21 21 22
Uitvoeringsaspecten
24
Flora en fauna Wettelijk kader Effect te vergunnen activiteiten Conclusie Cultuurhistorie en archeologie Wettelijk kader Cultuurhistorie Archeologie Conclusie Parkeren en verkeer Verkeer Parkeren Luchtkwaliteit
24 24 24 25 25 25 25 26 26 26 26 27 28
1.1 1.2 1.3 1.3.1 1.3.2 1.4 Hoofdstuk2 2.1 2.2 2.3 Hoofdstuk3 3.1 3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.2 3.2.1 3.2.2 3.3 3.3.1 3.3.2 Hoofdstuk4 4.1 4.1.1 4.1.2 4.1.3 4.2 4.2.1 4.2.2 4.2.3 4.2.4 4.3 4.3.1 4.3.2 4.4
Franseweg 95
3
4.4.1 4.4.2 4.4.3 4.5 4.5.1 4.5.2 4.5.3 4.6 4.6.1 4.6.2 4.6.3 4.7 4.7.1 4.7.2 4.7.3 4.8 4.8.1 4.8.2 4.8.3 4.9 4.10 4.11 4.11.1 4.11.2 4.11.3 4.11.4 4.11.5 4.12 4.12.1 4.12.2 4.12.3 Hoofdstuk5 5.1 5.2 5.2.1 5.2.2 5.3 5.3.1 5.3.2 5.4 5.4.1 5.4.2 5.4.3 5.5 5.5.1 5.5.2
Franseweg 95
Wettelijk kader Beoordeling Conclusie Bodemkwaliteit Wettelijk kader Resultaten onderzoek Conclusie Geluidhinder Wettelijk kader Onderzoek / beoordeling Conclusie Bedrijven en milieuzonering Wettelijk kader Onderzoek / beoordeling Conclusie Externe veiligheid Wettelijk kader Onderzoek / beoordeling Conclusie Duurzaamheid Kabels en leidingen Water Inleiding Beleidskader Watertoets Wateropvang Conclusie M.e.r.-beoordeling Wettelijk kader Vormvrije m.e.r.-beoordeling Conclusie
28 28 29 29 29 29 30 30 30 30 31 31 31 32 32 32 32 34 34 34 35 36 36 36 37 37 37 37 37 38 38
Juridische planbeschrijving
39
Inleiding Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Bestemmingsregels Opbouw bestemmingen Bestemmingen Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene aanduidingsregels Overige algemene regels Overgangs- en slotregels Overgangsregel Slotregel
39 39 39 39 40 40 40 40 40 41 41 41 41 41
4
Hoofdstuk6 6.1 6.2 6.2.1 6.2.2 6.2.3
Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid
42
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid Overleg met omwonenden Overleg met overheidsinstanties Verslag zienswijzen
42 42 42 43 43
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1
Definitief Ontwerp - 07-09-2021
Bijlage 2
Quickscan flora en fauna - 18 mei 2020
Bijlage 3
Stikstofdepositieberekening - 17 januari 2020
Bijlage 4
Huismussenonderzoek- 1 mei 2020
Bijlage 5
Gierzwaluwonderzoek
Bijlage 6
Vleermuisonderzoek
Bijlage 7
Archeologisch bureauonderzoek - 1 april 2019
Bijlage 8 2021
Verkeersgeneratie en afwikkeling verkeer Plan Franseweg 95 te Elst 18 februari
Bijlage 9
Verkennend bodemonderzoek - 15 januari 2019
Bijlage 10
Resultaten watertoets - 8 november 2019
Bijlage 11
Zienswijzen
Bijlage 12
Nota Zienswijzen
Franseweg 95
5
TOELICHTING Hoofdstuk 1
1.1
Inleiding
Aanleiding
Dit bestemmingsplan heeft betrekking op de herontwikkeling van het bedrijfsterrein gelegen aan de Franseweg 95 te Elst. Dit betreft het terrein van een voormalig galvanisatiebedrijf. Inmiddels is het bedrijf al enkele jaren weg en staan de gebouwen nagenoeg leeg. Dit leidt tot een verpauperd straatbeeld. Met deze ontwikkeling worden de voormalige ontsierende bedrijfsgebouwen gesloopt. Herontwikkeling van het terrein zorgt voor een kwalitatieve impuls aan het gebied. In de directe omgeving van het perceel Franseweg 95 zijn alleen woningen aanwezig. Initiatiefnemer is voornemens ook op deze locatie woningen te realiseren, namelijk 12 grondgebonden woningen. Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, omdat de vigerende bedrijfsbestemming de beoogde woningbouw niet toestaat. Op 16 oktober 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders ingestemd met de herontwikkeling van het terrein van het voormalig galvanisatiebedrijf aan de Franseweg 95 te Elst. Het voorgenomen plan voldoet met 12 grondgebonden woningen aan de voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid. Een gedeelte van de gronden welke nu bestemd zijn als 'Wonen' worden in gebruik genomen voor verkeerstechnische doeleinden. Omdat hiermee afgeweken wordt van de wijzigingsbevoegdheid, wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen.
Om het voornemen planologisch-juridisch mogelijk te maken, wordt een procedure tot vaststelling van een nieuw bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) gevolgd. Met voorliggend bestemmingsplan wordt het plan voorzien van een ruimtelijk juridisch kader. In deze toelichting wordt de beoogde ontwikkeling beschreven en wordt aangetoond dat voldaan kan worden aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. 1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied is gelegen aan de Franseweg 95 te Elst (provincie Utrecht). Deze bedrijfslocatie ligt binnen de bebouwde kom van Elst. De planlocatie is gelegen op de percelen die kadastraal bekend staan als gemeente Rhenen, sectie H, perceel 3859, 4906, 3860, 3257, 6162, 7243 en een deel van 4907 . De projectlocatie heeft een totale oppervlakte van ca . 2.878 m². In de onderstaande figuren is de ligging van het plangebied aangegeven.
Franseweg 95
6
Luchtfoto met globale begrenzing plangebied (bron: Google Maps)
Uitsnede kadastrale kaart met ligging plangebied (bron: PDOK Viewer) 1.3
Vigerende planologische situatie
Het plangebied ligt binnen de de grenzen van het bestemmingsplan Kern Elst 2012 en van het paraplubestemmingsplan Parkeren. Beiden komen navolgend aan bod.
Franseweg 95
7
1.3.1
Kern Elst 2012
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan 'Kern Elst 2012'. Dit bestemmingsplan is onherroepelijk sinds 9 augustus 2013. In het bestemmingsplan kent het plangebied voor het grootste gedeelte de bestemming 'bedrijf'. Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor bedrijven in categorie 1 en categorie 2 van de staat van bedrijfsactiviteiten. Een klein gedeelte aan de westkant van het plangebied heeft de bestemming 'wonen'. Binnen deze bestemming is wonen toegestaan, evenals een beroep- en bedrijf aan huis en een bed and breakfast. Daarnaast geldt op deze locatie de dubbelbestemming 'waarde – archeologie 3'. Gronden hier zijn mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden. Binnen deze bestemming dient een archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden naar eventueel aanwezige waarden bij graafwerkzaamheden over een oppervlakte van meer dan 100 m² en dieper dan 30 cm. Op de percelen ligt de aanduiding 'wro-zone – wijzigingsgebied'. Middels deze wijzigingsbevoegdheid is het college bevoegd de gronden om te zetten naar de bestemming 'Wonen' voor de bouw van maximaal 14 woningen. Het voorgenomen plan voorziet in de bouw van 12 grondgebonden woningen. Een gedeelte van de gronden welke nu bestemd zijn als 'Wonen' worden in gebruik genomen voor verkeerstechnische doeleinden.
Omdat hiermee afgeweken wordt van de wijzigingsbevoegdheid, wordt een bestemmingsplanprocedure doorlopen.
Uitsnede vigerend bestemmingsplan met aanduiding plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Beoordeling De plannen zijn strijdig met het vigerende bestemmingsplan omdat woningen niet zijn toegestaan binnen de bedrijfsbestemming. Wel passen de plannen binnen de wijzigingsbevoegdheid die is gelegen op de percelen: voorliggend plan bevat minder dan 14 woningen, er wordt voldaan aan de genoemde bouwregels, er wordt voldaan aan het gestelde uit de Wet geluidhinder (zie paragraaf 4.6 Geluidhinder), de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden worden niet aangetast (zie paragraaf 4.7 Bedrijven en milieuzonering), er wordt voldoende parkeerruimte gerealiseerd (zie paragraaf 4.3 Parkeren en verkeer) en het waterschap heeft positief gereageerd op het voornemen (zie paragraaf 4.11 Water). Omdat een gedeelte van het plan buiten de wijzigingsbevoegdheid valt, wordt een reguliere bestemmingsplanprocedure gevolgd.
Franseweg 95
8
1.3.2
Parkeren
Op 6 maart 2018 heeft de gemeente Rhenen een paraplubestemmingsplan voor parkeren vastgesteld. Het doel van dit bestemmingsplan is uitsluitend het vastleggen van het gemeentelijk parkeerbeleid voor het grondgebied van de gemeente Rhenen. Alle 'onderliggende' bestemmingsplannen, waaronder dus ook het bestemmingsplan 'Kern Elst 2012', blijven van kracht. In dit parapluplan wordt vastgelegd dat bij nieuwe ontwikkelingen voldoende parkeergelegenheid dient te worden gerealiseerd, overeenkomstig de beleidsregels voor parkeren van de gemeente Rhenen. Conclusie In paragraaf 4.4 'Parkeren en verkeer' is getoetst aan de parkeernormen van de gemeente Rhenen. De plannen voldoen aan de parkeernormen, waardoor er geen strijdigheid is met dit paraplubestemmingsplan. 1.4
Opzet bestemmingsplan en toelichting
Het bestemmingsplan 'Franseweg 95' bestaat uit de volgende stukken: toelichting; verbeelding; planregels. De toelichting is niet juridisch bindend, maar vormt een belangrijk onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting geeft aan wat de beweegredenen en achtergronden zijn die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot heeft de toelichting als doel om het bestemmingsplan te begrijpen en de regels op een correcte manier na te leven. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en kunnen enkel in samenhang met elkaar 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden en opstallen aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels en bepalingen gekoppeld om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. De toelichting is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 2 staat stil bij de huidige en toekomstige situatie van het plangebied; In Hoofdstuk 3 is een beknopt overzicht opgenomen van de belangrijkste beleidsvisies van de verschillende overheden die relevant zijn voor het plangebied; de gevolgen of effecten op de planologische- en milieutechnische aspecten worden in Hoofdstuk 4 beschreven; In Hoofdstuk 5 worden de gehanteerde bestemmingen met bijbehorende regeling beschreven; Hoofdstuk 6 behandelt ten slotte de economische uitvoerbaarheid en maatschappelijke uitvoerbaarheid.
Hierin worden de resultaten beschreven van de participatie en het vooroverleg.
Franseweg 95
9
Hoofdstuk 2 2.1
Beschrijving van de situatie
Huidige situatie
Ligging in Elst De locatie ligt aan de zuidkant van de Franseweg, even ten westen van de kruising met de Verbindingsweg/Schoolweg, aan de noordkant van het dorp Elst. Het terrein loopt door tot aan de achtererven van de woningen aan de Schoolweg. De Fransweg en de Verbindingsweg/Schoolweg zijn twee voormalige landwegen die al op de eerste topografische kaart uit 1850 voorkomen en elkaar onder een scherpe hoek kruisen. De diagonale lijn van de Verbindingsweg/Schoolweg wordt vervolgd in de Larekamp maar die laatste weg is van recenter datum. Op de topografische kaart uit het jaar 2000 is de locatie zichtbaar door de langgerekte bedrijfsbebouwing.
Franseweg
Franseweg 95
10
De Franseweg, in het verleden ook wel Prinsenweg genoemd, loopt evenwijdig aan de Neder Rijn. De weg krult rond het grootste deel van de bebouwde kom van Elst en komt bij haar uiteinden weer bij de rivier uit. Het bebouwingslint van de Fransweg is zeer divers en heeft een lange ontstaansgeschiedenis. Behalve een enkele oude boerderij of bedrijf komen er zowel vrijstaande en dubbele woonhuizen voor alsmede korte rijtjes. De meeste woningen zijn door particulieren gebouwd maar er zijn tijdens de wederopbouw ook enkele kleine series neergezet. Vrijwel alle woningen hebben kappen met de nok haaks op of evenwijdig aan de weg. De kavels zijn aan de zuidkant gemiddeld minder diep dan aan de noordkant die de overgang vormt naar het landelijk gebied. Huidige situatie Aan de Franseweg 95 in Elst staan verouderde bedrijfsopstallen. Dit betreft het terrein van een voormalig galvanisatiebedrijf. De bebouwing bestaat uit een kantoorpand aan de straatzijde dat ver terug is gelegd ten opzichte van de aangrenzende woningen vanwege een parkeerterrein aan de Franseweg. Naast het kantoorpand bevindt zich aan de westkant een doorsteek naar een vrachtwagenparkeerterrein en naar de bedrijfshallen achter het kantoor. Inmiddels is het bedrijf al enkele jaren weg en staan de gebouwen nagenoeg leeg. Dit leidt tot een verpauperd straatbeeld. De bedrijfslocatie ligt te midden van een woonwijk.
Aan de noordkant van het plangebied (aan de Franseweg), en aan de zuidoostkant van het plangebied (aan de Kleingeel) overheerst de woonfunctie. Ten westen van de planlocatie is een nieuw woongebied gerealiseerd. Door het vrijkomen van deze locatie is het mogelijk om dit als woonlocatie te ontwikkelen. Door deze stap te zetten kan de kwaliteit van de (woon)omgeving sterk verbeterd worden. Navolgend volgen enkele beelden van de huidige situatie.
Aanzicht vanaf de Franseweg
Franseweg 95
11
Aanzicht vanaf Kleingeel 2.2
Gewenste situatie
In de gewenste situatie worden er 12 grondgebonden woningen gerealiseerd op de percelen: een vrijstaande woning aan de Franseweg en 11 rijwoningen aan de kant van het Kleingeel. Met de rijwoningen wordt aangesloten op de nieuwbouw aan de westkant van het plangebied aan De Klamp en de bestaande woningen aan de Schoolweg. De rijwoningen zullen worden georiënteerd op de Kleingeel. Door een verspringende gevellijn, wordt het bouwblok onderbroken. Het achterterrein is met de auto bereikbaar vanaf de ontsluiting met de Schoolweg. De vrijstaande woning wordt georiënteerd op de Franseweg. Deze woning voegt zich in het bestaande bebouwingslint. De voorgevellijn wordt afgestemd op de omliggende bebouwing.
Franseweg 95
12
Inrichting van de planlocatie
Impressie gewenste situatie 2.3
Stedenbouw en beeldkwaliteit
Het ruimtelijk voorstel bestaat uit twee delen, een vrijstaand woonhuis aan de Franseweg 95 en een blok van 11 rijwoningen, onderbroken door een woning met een dwarse kap. Dankzij het project wordt het bebouwingslint van de Franseweg versterkt en afscheid genomen van een diep binnenterrein met gedateerde en in minder goede staat verkerende bebouwing. Bovendien wordt met de rijhuizen aangesloten op de ontwikkeling van het Tabakserf. Vrijstaand woonhuis Franseweg De vrijstaande woning voegt zich op een vanzelfsprekende manier in het bestaande bebouwingslint. Doordat het bouwvolume dichter bij de weg komt te liggen dan het huidige kantoor, wordt het visuele gat in het lint gedicht. De bebouwingslijn is goed afgestemd op die van de naastgelegen panden. In plaats van het huidige, verharde voorterrein krijgt het kavel een voortuin, zodat nu ook het privé groen langs de weg doorloopt. Naast de woning zijn voor de garage twee achter elkaar gelegen parkeervakken voorzien. Rijwoningen aan het Kleingeel Het blok met rijwoningen is aan de voorzijde op het Kleingeel gericht, waardoor de straat een duidelijk ruimtelijk profiel krijgt. Alle woningen worden voorzien van een voortuin maar omdat de woningen halverwege ten opzichte van elkaar verspringen, zijn de voortuinen verschillend van diepte. Het zuidelijke deel, krijgt een ondiepe voortuin, het volgende deel een diepere voortuin.
Hierdoor ontstaat in het midden van het Kleingeel, tegenover de aansluiting van De Klamp, wat meer ruimte tussen de woningen. Beeldkwaliteit In het stedenbouwkundig plan is aangesloten op het plan Tabakserf en de bestaande woningen aan de Franseweg en de Schoolweg. Het is de bedoeling dit ook in architectuur te doen en op een subtiele manier aansluiting te vinden bij de nieuwbouwwoningen van Tabakserf enerzijds en de oudere rijwoningen aan de Schoolweg anderzijds. Er wordt, evenals bij Tabakserf, aan een kant van de blokken op de kop een gedraaide woning gerealiseerd. Daarnaast zal aangesloten worden bij de sobere rijtjesarchitectuur van de rijwoningen Schoolweg. De overeenkomsten zitten onder meer in kleurstelling, detaillering, kozijnen en type goot. Zowel de twee blokken als de vrijstaande woning krijgen een dorpse architectuur. Kenmerkend hiervoor is o.a. een functionele uitstraling, samenhang, soberheid en eenvoud. De
Franseweg 95
13
welstandscommissie Mooisticht heeft op 21 juli 2021 goedkeuring aan de plannen gegeven.
Franseweg 95
14
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), die op 13 maart 2012 door de minister is vastgesteld, vormt de overkoepelende rijksstructuurvisie voor de ruimtelijke ontwikkeling van Nederland tot 2028, met een doorkijk naar 2040. Het rijksbeleid richt zich op het versterken van de internationale positie van Nederland en het behartigen van de nationale belangen, zoals de hoofdnetwerken voor personen- en goederenvervoer, energie, natuur, waterveiligheid, milieukwaliteit en bescherming van het werelderfgoed. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Daarbij wordt ingezet op een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Om dit doel te bereiken werkt het Rijk samen met andere overheden. In de SVIR zijn ambities tot 2040 en doelen, belangen en opgaven tot 2028 geformuleerd. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd: het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur; het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid, waarbij de gebruiker voorop staat; het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.
Het beleid met betrekking tot verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk, onder het motto 'decentraal wat kan, centraal wat moet', zoveel mogelijk over aan provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen daarbij de ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. De sturing op verstedelijking, zoals afspraken over binnenstedelijk bouwen en doelstellingen voor herstructurering, laat het Rijk voor een groot deel los. In totaal zijn 13 onderwerpen van nationaal belang benoemd, die bijdragen aan het realiseren van de drie hoofddoelen. Het betreft onder meer het borgen van ruimte voor de hoofdnetwerken (weg, spoor, vaarwegen, energievoorziening, buisleidingen), het verbeteren van de milieukwaliteit, ruimte voor waterveiligheid, ruimte voor klimaatbestendige stedelijke ontwikkeling, ruimte voor behoud van unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten en ruimte voor een nationaal netwerk voor natuur. Verder is één van de nationale belangen die de SVIR benoemt, het belang van een 'zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten'. Concreet betekent dit onder meer dat ruimte zorgvuldig moet worden benut en overprogrammering moet worden voorkomen.
Om die doelstellingen te bereiken, is in 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Alle stedelijke ontwikkelingen dienen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking getoetst te worden. Conclusie Het voornemen betreft een ontwikkeling van relatief beperkte omvang zonder strijdigheid met rijksbelangen. Het rijksbeleid is voor het toevoegen van 12 grondgebonden woningen niet relevant. De ladder voor duurzame verstedelijking komt in paragraaf 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking aan de orde.
Franseweg 95
15
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Gemeenten moeten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen of uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. In het Barro worden een aantal projecten opgesomd die een groot Rijksbelang hebben. Per project worden regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. De regels zijn een uitwerking van de onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. In het Barro zijn veertien onderwerpen met bijzonder rijksbelang beschreven: Rijksvaarwegen; Project mainportontwikkeling Rotterdam; Kustfundament; Grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; Defensie; Hoofdvaarwegen en landelijke spoorwegen; Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen; Natuurnetwerk Nederland; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarden; Ruimtereservering parallelle Kaagbaan. Conclusie Het initiatief valt niet onder een van de projecten uit het Barro. Door het initiatief zal eveneens geen nationaal belang worden geschaad. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking
Nationaal belang 13, zoals geformuleerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), vraagt om een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Dit moet met behulp van de ladder voor duurzame verstedelijking worden onderbouwd. Deze verplichte toetsing is vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Het Barro verwijst naar het Bro; geformuleerd is dat deze toetsing een procesvereiste is bij alle nieuwe ruimtelijke besluiten en plannen ten aanzien van bijvoorbeeld kantoorlocaties en woningbouwlocaties. Gemotiveerd dient te worden hoe een zorgvuldige afweging is gemaakt ten aanzien van het ruimtegebruik. De kernbepaling van de Ladder, artikel 3.1.6 lid 2 Bro, luidt: 'De toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied.' Om dit te onderbouwen dienen de volgende stappen te worden doorlopen: 1.
er dient een beoordeling plaats te vinden door betrokken overheden of de beoogde ontwikkeling voorziet in een behoefte; 2. indien er een vraag is aangetoond, dient een beoordeling plaats te vinden door betrokken overheden of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten. Indien het bestemmingsplan de ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, is een motivering benodigd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Stedelijke ontwikkeling
Franseweg 95
16
Om aan deze verplichting uit het Bro te kunnen voldoen dient allereerst te worden nagegaan of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In het Bro is het begrip stedelijke ontwikkeling als volgt vastgelegd: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie (ABRvS d.d. 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921) blijkt dat een woningbouwplan dat voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een dorpskern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Een woningbouwplan dat voorziet in de ontwikkeling van 12 woningen wordt daarentegen wel aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS d.d. 25 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:953). Gelet op het woningbouwprogramma van het plan wordt gesteld dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro. Daarom is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient de behoefte aan de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt te worden beschreven. De behoefte dient te worden bepaald binnen het ruimtelijk verzorgingsgebied van de ontwikkeling.
De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het verzorgingsgebied moet van geval tot geval worden bekeken en kan sterk verschillen per functie. Op basis van het Regio Foodvalley onderzoek zal het kwantitatief kader van de huidige woonvisie moeten worden aangescherpt naar 85-90 woningen per jaar tot 2030 en 10-25 woningen per jaar tussen 2030 en 2040. Dit is inclusief de 30% extra plancapaciteit om planuitval te voorkomen. Naast het Regio Foodvalley onderzoek heeft de gemeente een Kleine Kernen onderzoek uitgevoerd. Uit het Kleine Kernen onderzoek komt naar voren waar de behoefte voor nieuwbouw het grootst is in de kernen. In Elst ligt er een grote behoefte aan kleinschalige woonconcepten voor ouderen, rijwoningen (huur en koop) en enkele koopappartementen om een gevarieerder aanbod te creëren. Er worden nu 12 woningen toegevoegd die passend zijn in de woningbouwbehoefte van de kern Elst( zie ook paragraaf 3.3.2). Voorts betreft voorliggend plan een transformatie van een bedrijfslocatie naar een woonlocatie binnen bestaand stedelijk gebied. Bestaande bedrijfsopstallen worden geamoveerd en zullen plaatsmaken voor een kleiner oppervlak aan verharding binnen de kern van Elst. Conclusie Het woningbouwplan voorziet in een behoefte en is gepland binnen bestaand stedelijk gebied.
Er wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. 3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Utrecht
De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht is vastgesteld door de Provinciale Staten op 10 maart 2021. De provincie Utrecht is, vooruitlopend op de Omgevingswet, aan de slag gegaan met de uitvoering van het omgevingsbeleid, zoals beschreven is in de Omgevingsvisie. De Omgevingsvisie geeft aan hoe de provincie Utrecht wenst dat de provincie er in 2050 uitziet. De Omgevingsvisie gaat over de fysieke leefomgeving. Dit omvat alle aspecten van de fysieke leefomgeving op, onder en boven de grond. De Omgevingsvisie van de provincie Utrecht is uitgewerkt in thema's en gebieden. Het betreft de volgende beleidsthema's: Stad en land gezond; Klimaatbestendig en waterrobuust; Duurzame energie; Vitale steden en dorpen;
Franseweg 95
17
Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar; Levend landschap, erfgoed en cultuur; Toekomstbestendige natuur en landbouw. Voor het voorgenomen plan zijn de volgende thema's uit de Omgevingsvisie direct relevant. Stad en land gezond – Stedelijk gebied De provincie Utrecht kent een grote diversiteit aan steden, dorpen en kernen en een grote diversiteit aan woon- en vestigingsmilieus. De grote steden Utrecht en Amersfoort zijn een populaire vestigingsplaats voor zowel inwoners als bedrijven en groeien snel. Naar verwachting verwelkomt de stad Utrecht in 2024 de 400.000e inwoner. Samen met omliggende kernen maken deze Utrechtse steden deel uit van het stedelijk netwerk van de noordelijke Randstad. Naast deze agglomeraties ligt de charme van de provincie voor een belangrijk deel juist in kleinschaligheid en een aantrekkelijke, vriendelijke leefomgeving in de kleinere, landelijk gelegen kernen. Prognoses wijzen uit dat de provincie de komende decennia nog fors gaat groeien, en dat er extra ruimte nodig is om deze groei op te vangen. De toekomstige ontwikkeling van woon- en werklocaties hangt samen met bereikbaarheid, en in samenhang met de overige opgaven en kwaliteiten zoals in de visie wordt verwoord.
Bij de locatiekeuze voor nieuwe verstedelijking de volgende basisprincipes gehanteerd: zo veel mogelijk binnenstedelijk/binnendorps (binnen het stedelijk gebied) nabij knooppunten; daarnaast in overig stedelijk gebied; eventuele nieuwe (grootschalige) uitleg koppelen aan hoogwaardig openbaar vervoer en aan (bestaande of nieuwe) knooppunten van de belangrijkste infrastructurele corridors. De planlocatie wordt in de Omgevingsvisie bestempeld als stedelijk gebied. Daarmee wordt nieuwe verstedelijking als gevolg van het voorgenomen plan binnenstedelijk gerealiseerd. Vitale dorpen en steden Het is belangrijk dat iedereen in de provincie Utrecht een woning moet kunnen vinden die past bij de persoonlijke voorkeur, gezinssituatie en portemonnee. Daarbij streven we naar een inclusieve samenleving, bijvoorbeeld door menging van typen woningen en woonmilieus in stadsdelen, wijken en kernen. Om te voldoen aan de ambitie van een CO2-neutrale provincie in 2050, is het uitgangspunt dat alle woningbouwplannen die worden gerealiseerd energieneutraal zullen zijn dan wel gebruik maken van duurzame vormen van energie. Gezien de grote ruimtevraag die op de provincie afkomt, is het zaak om zorgvuldig om te gaan met de ruimte. Een groot gedeelte van de mensen woont graag in een stedelijke of dorpse omgeving.
De menging en aanwezigheid van functies zoals wonen, werken en voorzieningen draagt bij aan deze aantrekkelijkheid. Binnen het stedelijk gebied van steden en dorpen is nog veel ruimte aanwezig die kan worden benut voor verdichting, herontwikkeling of intensivering. De beoogde ontwikkeling ziet op de herontwikkeling van een binnenstedelijke locatie, waar eerst een bedrijf was gesitueerd. Landschap Utrechtse Heuvelrug Een aantrekkelijke leefomgeving draagt bij aan het welzijn van mensen. Daarom zet de provincie in op het doorontwikkelen van deze aantrekkelijke landschappen, het beschermen en benutten van historisch erfgoed en het ondersteunen van een goed cultureel aanbod. Het Utrechtse landschap is mooi, verrassend en veelzijdig. De landschappelijke kwaliteiten en structuren zijn belangrijk voor het goede woon-, werk- en leefklimaat, het vestigingsklimaat en de recreatieve aantrekkelijkheid van de provincie. Landschappelijke kwaliteit is een belangrijk onderdeel van een gezonde leefomgeving. De diversiteit aan Utrechtse landschappen is groot: de extreme openheid van Eemland of de Lopikerwaard, een open plek midden in het bos van de Utrechtse Heuvelrug en de overgang van de historische Grebbeberg naar het robuuste rivierenlandschap van Nederrijn en Lek.
Franseweg 95
18
Aanduiding plangebied op visiekaart Aantrekkelijke landschappen (bron: Omgevingsvisie Utrecht) De provincie kent vijf karakteristieke landschappen met bijbehorende kernkwaliteiten. Het plangebied ligt bevindt zich in het landschap Utrechtse Heuvelrug met de kernkwaliteiten robuuste eenheid, reliëfbeleving en extreme historische gelaagdheid. De voorgenomen plannen hebben ter plaatse van het plangebied geen gevolgen voor de kernkwaliteiten van het landschap Utrechtse Heuvelrug. CHS-zones Het plangebied ligt binnen de 'CHS – archeologische waardevolle zone'. Het beleid van de provincie voor de archeologisch waardevolle zones richt zich op het bevorderen van duurzaam behoud en beheer van de archeologische resten in de bodem ('in situ'). Als ruimtelijke ingrepen onvermijdelijk zijn, vraagt de provincie aandacht voor het op goede wijze uitvoeren van archeologisch onderzoek. Ook richt de provincie zich op het versterken van de zichtbaarheid en de beleefbaarheid van archeologisch erfgoed, ook als inspiratiebron voor ruimtelijke ontwikkeling. In paragraaf 4.2 wordt nader ingegaan op het aspect archeologie.
Franseweg 95
19
Aanduiding plangebied op visiekaart Toegankelijke cultuur en waardevol erfgoed (bron: Omgevingsvisie Utrecht) 3.2.2
Interim OmgevingsverordeningUtrecht
De Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht is vastgesteld door de Provinciale Staten op 10 maart 2021. De interim omgevingsverordening bevat instructieregels over taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen. Daarnaast bevat de interim omgevingsverordening direct werkende regels. Dit zijn regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit. Andere voorbeelden van direct werkende regels zijn de meld- en informatieplichten en de specifieke zorgplichten. Regels over bijvoorbeeld een vergunningplicht gelden ook voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers. Voor het voorgenomen plan zijn de regels in de interim omgevingsverordening relevant die betrekking hebben op de cultuurhistorische hoofdstructuren en het landschap Utrechtse Heuvelrug. Cultuurhistorische hoofdstructuren De Cultuurhistorische hoofdstructuur bestaat uit vijf gebieden: Historische buitenplaatszone, Militair erfgoed, Agrarisch cultuurlandschap, Historische infrastructuur en Archeologisch waardevolle zone. In de toelichting op artikel 7.7 is opgenomen dat de archeologische waarden in beginsel behouden (in situ) moeten worden. Wanneer behoud in situ niet mogelijk is, kan behoud ex situ (opgraving) uitkomst bieden.
Om de archeologische waarden die in de bodem liggen te behouden is het belangrijk om zowel bekende als aantoonbaar te verwachten waarden te beschermen. Het plangebied bevindt zich in de archeologisch waardevolle zone. Om die reden is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd. In paragraaf 4.2 wordt hier nader op ingegaan.
Aandachtsgebied stiltegebied
Franseweg 95
20
Plannen binnen 1.500 meter van een stiltegebied liggen in het 'aandachtsgebied stiltegebied'. Dit houdt in dat er rekening moet worden gehouden met de doelstellingen voor het stiltegebied qua geluidsniveaus. Daar het gaat om een herontwikkeling van een bedrijfslocatie naar wonen zal de geluidsproductie binnen het plangebied afnemen. Ook nemen de verkeersbewegingen af (zie paragraaf 4.3.1), dus ook hierdoor zal de geluidsproductie afnemen. Het plan draagt daarmee bij aan de doelstellingen voor het stiltegebied. Kwaliteit van landschappen Het plangebied is gelegen in het Landschap Utrechtse Heuvelrug. Met betrekking tot deze gronden stelt artikel 7.9 van de Interim omgevingsverordening dat een bestemmingsplan bestemmingen en regels bevat ter bescherming van de voorkomende kernkwaliteiten en geen bestemmingen of regels die nieuwe activiteiten toestaan die de kernkwaliteiten onevenredig aantasten. Voor het landschap Utrechtse Heuvelrug wil de provincie Utrecht de volgende kernkwaliteiten behouden: 1. robuuste eenheid; 2. reliëfbeleving; 3. extreme historische gelaagdheid. Deze kernkwaliteiten hebben in de verschillende deelgebieden van Utrechtse Heuvelrug verschillende accenten. Er wordt rekening gehouden met de kernkwaliteiten van het landschap en de nieuwe woningen worden zorgvuldig ingepast.
Conclusie Er is geen sprake van strijd met de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht. 3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Stedenbouwkundige structuurvisie
In 2009 heeft de gemeente Rhenen een stedenbouwkundige structuurvisie opgesteld met mogelijke woningbouwlocaties tot 2020. De gewenste visie voor de stedenbouwkundige aanpak van Elst in de periode tot 2020 is te kenschetsen als: 'een vitale, afwisselende woonkern met het benutten van de prachtige ligging aan de rivier'.
Franseweg 95
21
De stedenbouwkundige structuurkaart Het plangebied is gelegen in de locatie wonen en voorzieningen. Deze locatie is ten tijde van het vaststellen van de stedenbouwkundige visie (2009) serieus onderzocht. De gemeente Rhenen wil op deze locatie dus al lange tijd woningbouw toestaan. In sommige delen van het gebied is dit reeds uitgevoerd op de huidige planlocatie is deze mogelijkheid al vastgelegd in een wijzigingsbevoegdheid. Woningbouw is op deze locatie dus wenselijk. Conclusie De gewenste ontwikkeling leidt tot een verbetering van woon- en leefklimaat, waardoor de functiewijziging van bedrijf naar wonen passend is binnen de stedenbouwkundige structuurvisie. 3.3.2
Woonvisie 'Kiezen voor Rhenen'
Begin 2018 is de woonvisie voor de gemeente Rhenen vastgesteld. Rhenen is een aantrekkelijke gemeente met kleinstedelijke en dorpse kwaliteiten. Door de goede woonkwaliteit heeft Rhenen een grote aantrekkingskracht op mensen van buiten. Er is een grote woningbehoefte, maar beperkte ruimte om te groeien. Dat leidt tot een gespannen woningmarkt. In de woonvisie worden de ambities en strategieën om met verschillende woonopgaven van de gemeente om te gaan geformuleerd. Opgaven Woningbouw concurreert met andere functies om de schaarse ruimte in de regio, zoals natuur en bedrijvigheid. Vanuit de Ladder voor Duurzame Verstedelijking en regionaal en provinciaal beleid wordt prioriteit gegeven aan toevoeging op inbreidingslocaties: binnen het bebouwde gebied van de kernen. Dan gaat het om herbenutten van bedrijfs- en schoollocaties, maar ook herstructurering van huurwijken. Om in de kwalitatieve woningbehoefte te voorzien, zijn er vooral grondgebonden koopwoningen en meer aanbod in de vrije sector nodig. Ook zijn er woningen nodig voor senioren. De afgelopen jaren is eens te meer duidelijk geworden dat verhuisgedrag sterk afhangt van de economische situatie en het vertrouwen in de toekomst. Momenteel is er door de economische groei een sterke focus op de koopmarkt. Uit het woningmarktonderzoek (2017) blijkt de volgende gewenste ontwikkeling van de voorraad, naar verschillende perioden:
Ontwikkeling woningbehoefte naar woningtype en eigendom in de gemeente Rhenen, exclusief het huidige tekort aan sociale huurwoningen, 2017-2027. Een groot gedeelte van de aanvullende behoefte slaat neer in de koopsector. In de koopsector zijn de wensen redelijk gespreid over de woningtypes. Door ruime woningen toe te voegen, wordt indirect in de behoefte aan kleinere woningen voorzien, doordat huishoudens uit kleine woningen doorstromen.
Franseweg 95
22
Ambities De gemeente Rhenen ambieert het toevoegen van nieuwbouwwoningen in iedere kern, binnen bestaand gebied. Hiermee wordt de groene kwaliteit van de omgeving behouden. Om te kunnen voorzien in de woningbehoefte, gaat de gemeente nauwkeuring na waar kansen liggen voor inbreiding zonder het groene karakter aan te tasten. Hierbij wordt creatief gekeken naar mogelijkheden om plekken beter te benutten voor woningbouw, zoals een vrijkomend bedrijfspand of schuur. De gemeente legt de focus bij woningbouwprojecten op de realisatie van eengezinswoningen voor jongeren en jonge gezinnen, maar ze willen ook seniorenwoningen realiseren om doorstroming mogelijk te maken. Deze strategie betekent dat de gemeente in Rhenen-midden de mogelijkheden van verdichting en een toename van het aandeel koop wil onderzoeken. Notitie: Actualisatie Woonvisie Rhenen 2021 De gemeente Rhenen heeft in 2018 haar woonvisie ‘kiezen voor Rhenen’ vastgesteld. In deze visie is opgenomen dat de gemeente de visie na twee jaar evalueert en actualiseert. Deze notitie beschrijft de actualisatie van de woonvisie uit 2018. Daarin gaat het niet om een integrale herziening, maar om aanpassingen van punten aansluitend bij de actualiteit. Daarmee vormt de notitie een oplegger bij de woonvisie.
Door analyse van actuele ontwikkelingen, voortgang van de uitvoering van de woonvisie en gesprekken met stakeholders is een beeld gecreëerd van noodzakelijke aanpassingen in beleid. Relevante aandachtpunten voor dit project zijn: Op basis van het Regio Foodvalley onderzoek zal het kwantitatief kader van de huidige woonvisie moeten worden aangescherpt naar 85-90 woningen per jaar tot 2030 en 10-25 woningen per jaar tussen 2030 en 2040. Dit is inclusief de 30% extra plancapaciteit om planuitval te voorkomen. Naast het Regio Foodvalley onderzoek heeft de gemeente een Kleine Kernen onderzoek uitgevoerd. Uit het Kleine Kernen onderzoek komt naar voren waar de behoefte voor nieuwbouw het grootst is in de kernen. In Elst ligt er een grote behoefte aan kleinschalige woonconcepten voor ouderen, rijwoningen (huur en koop) en enkele koopappartementen om een gevarieerder aanbod te creëren. Met het realiseren van de rijwoningen in de kern van Elst draagt het plan bij aan de behoefte zoals deze blijkt uit de actualisatie van de woonvisie. Conclusie Met het voornemen worden op een inbreidingslocatie in Elst, gemeente Rhenen, 11 betaalbare rijwoningen en één vrijstaande woning gerealiseerd. De realisatie van koopwoningen op een inbreidingslocatie in het dorp, is in lijn met de uitgangspunten en ambities van de gemeente Rhenen.
Franseweg 95
23
Hoofdstuk 4
Uitvoeringsaspecten
In dit hoofdstuk zullen de relevante uitvoeringsaspecten bij het plan worden besproken. Hierin is aandacht voor de verschillende milieuaspecten zoals flora en fauna en luchtkwaliteit, en is er aandacht voor milieuzonering, verkeer en parkeren en externe veiligheid. 4.1
Flora en fauna
4.1.1
Wettelijk kader
Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet vervangen. Het doel is om met één wet en minder regels de wet makkelijker te kunnen toepassen. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies wat wel en niet mag in de natuur in hun gebied. Ook zorgen de provincies vanaf deze datum voor vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor het beleid van grote wateren, zoals het IJsselmeer. De Wet natuurbescherming regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden. Ter bescherming van deze Natura 2000-gebieden voorziet de Wet natuurbescherming in een vergunningenregime voor het realiseren of verrichten van projecten en andere handelingen die de natuurlijke kenmerken van een aangewezen Natura 2000-gebied kunnen aantasten. Voorts voorziet de Wet natuurbescherming in de bescherming van planten- en diersoorten binnen en buiten de beschermde natuurgebieden. Het uitgangspunt is dat beschermde planten- en diersoorten geen schade mogen ondervinden. Voor het uitvoeren van werkzaamheden in de openbare ruimte is het niet altijd nodig een vrijstelling of een ontheffing aan te vragen.
Voor onder andere reguliere werkzaamheden of ruimtelijke ontwikkelingen geldt een vrijstelling voor beschermde soorten op voorwaarde dat gehandeld wordt volgens een goedgekeurde gedragscode. Verder worden vrijstellingsregelingen op de nationaal beschermde soorten per provincie vastgesteld. Wanneer het onmogelijk is schade aan streng beschermde planten en dieren tijdens ruimtelijke ontwikkelingen en inrichting te voorkomen, moet altijd een ontheffing worden aangevraagd. De voorwaarden verbonden aan een vrijstelling of een ontheffing zijn afhankelijk van de status van de plantenen diersoorten die in het plangebied voorkomen. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het NNN liggen onder andere bestaande natuurgebieden en alle Natura 2000gebieden. Het NNN is op provinciaal niveau uitgewerkt en middels ruimtelijke nota's en verordeningen voorzien van juridische doorwerking. In sommige provincies bestaan er naast het NNN ook nog andere groene zones die een zekere mate van bescherming genieten. 4.1.2
Effect te vergunnen activiteiten
De planlocatie is niet gelegen in of nabij NNN gebied. Voorgenomen initiatief zal dan ook geen negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van het NNN. Het voornemen betreft de sloop van verouderde bedrijfsbebouwing. Dit kan mogelijk negatief effect hebben op beschermde soorten. Daarom is een quickscan flora en fauna uitgevoerd om de eventuele gevolgen van de planontwikkeling voor de flora en fauna in beeld te brengen (Bijlage 2 Quickscan flora en fauna - 18 mei 2020). Uit de resultaten van de quickscan is gebleken dat aanvullend onderzoek benodigd is naar de negatieve effecten op Natura-2000 gebieden door middel van een stikstofberekening. Op voorhand valt uit te sluiten dat de activiteiten negatieve effecten hebben op andere beschermde natuurgebieden. De werkzaamheden (sloop van de bebouwing) hebben mogelijk invloed op aanwezige voortplantings- en
Franseweg 95
24
vaste rust- en verblijfplaatsen van de huismus, de gierzwaluw en de vleermuizen. Aanvullend onderzoek is daarom uitgevoerd. Aanvullend onderzoek gebiedsbescherming Omdat op voorhand de effecten op beschermd stikstofgevoelig natuurgebied niet uit te sluiten zijn, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (Bijlage 3 Stikstofdepositieberekening - 17 januari 2020).Uit deze berekeningen is gebleken dat er met de gebruiksfase geen significante toename van de stikstofdepositie te verwachten is. Op grond van de Wet stikstofreductie en natuurherstel is niet langer een vergunning noodzakelijk is voor de tijdelijke stikstofdepositie in de bouwfase die het gevolg is van de realisatie van het bestemmingsplan. Er is dan ook geen belemmering voor het voorliggend bouwplan. Aanvullend onderzoek soortenbescherming Met het onderzoek naar huismussen (Bijlage 4 Huismussenonderzoek - 1 mei 2020) zijn er geen huismussen waargenomen in en rond de projectlocatie. Ook zijn er geen nesten of uistekend nestmateriaal en vaste rust- of verblijfplaatsen aangetroffen. Mede door het (op de projectlocatie) ontbreken van de groenblijvende struiken en heesters wordt de projectlocatie ongeschikt bevonden als broedbiotoop voor de huismus. Er is geen ontheffing benodigd. Uit nader onderzoek blijkt tevens dat de gierzwaluw niet aanwezig is in het plangebied.
Hiervoor is dus geen nadere actie verreist (Bijlage 5). Uit het nader onderzoek voor vleermuizen blijkt dat de vleermuizen geen verblijfsplaatsen hebben binnen het plangebied. Wel kan het gebruikt worden als jacht en foerageer gebied. Er is geen ontheffing nodig voor de vleermuizen wel zal er tijdens de bouw zorgvuldig gehandeld moeten worden. Aanbevelingen uit het onderzoeksrapport zullen worden overgenomen (Bijlage 6). Zorgplicht Voorts geldt bij uitvoering van werkzaamheden ten allen tijde een de algemene zorgplicht (artikel 1.11 Wet natuurbescherming). Deze schrijft voor dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel als mogelijk voorkomen moeten worden. Dit betekent dat wanneer tijdens uitvoering van de werkzaamheden een algemeen beschermde soort als konijn, veldmuis of gewone pad wordt aangetroffen zij de ruimte en tijd moet krijgen om een veilig heenkomen te zoeken. Indien nodig kunnen aangetroffen exemplaren verplaatst worden naar een naastgelegen ruimte waar geen werkzaamheden uitgevoerd worden. 4.1.3
Conclusie
Het aspect flora fauna staat de realisatie van de woningen niet in de weg, wel zal er zorgvuldig gehandeld moeten worden met betrekking tot de aanwezige vleermuizen rondom het plangebied. 4.2
Cultuurhistorie en archeologie
4.2.1
Wettelijk kader
Vanaf 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Doelstelling van de wet is de bescherming en het behoud van archeologische en cultuurhistorische waarden. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met het erfgoed van nationaal belang wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarin heeft en hoe het toezicht wordt geregeld. Als gevolg van deze wet wordt in het kader van de ruimtelijke ordening het behoud van het erfgoed meegewogen zoals alle andere aspecten die bij de voorbereiding van het plan een rol spelen. 4.2.2
Cultuurhistorie
Het pand kent geen aanduiding als rijks- of gemeentelijk monument en is niet aangemerkt als beeldbepalende pand in het geldende bestemmingsplan. Geconcludeerd kan worden dat met het plan geen schade wordt toegebracht aan bestaande cultuurhistorische panden of structuren.
Franseweg 95
25
4.2.3
Archeologie
Gemeenten zijn verplicht om bij het vaststellen van bestemmingsplannen rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. In het vigerende bestemmingsplan 'Kern Elst 2012' heeft de planlocatie een archeologische waarde toegekend gekregen. Bij graafwerkzaamheden van meer dan 100 m2 en dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek benodigd. Ten behoeve van de realisatie van 12 woningen zal de grond geroerd worden over een groter oppervlak dan 100 m2 en dieper dan 30 cm. Door The Missing Link is daarom een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Bijlage 7). Uit het bureauonderzoek is gebleken dat de locatie een hoge verwachting heeft voor het treffen van archeologische resten uit de periode Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Daarom wordt geadviseerd om een inventariserend veldonderzoek uit te voeren door middel van het aanleggen van proefsleuven (IVO-P), teneinde gaafheid, omvang, datering en conservering van de mogelijke aanwezige archeologische resten te onderzoeken. Het archeologisch proefsleuvenonderzoek vindt plaats nadat de bestaande bebouwing bovengronds is gesloopt. Daarnaast geldt dat elke vorm van ondergrondse sloop uitsluitend mag plaatsvinden onder archeologische begeleiding. Voordat de bouwwerkzaamheden starten, zal een proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd. 4.2.4
Conclusie
Ter bescherming van de verwachte archeologische waarden, is op de verbeelding de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen. Op de percelen met deze dubbelbestemming mogen geen gebouwen worden opgericht. Van dit verbod kan via het indienen van een omgevingsvergunning worden afgeweken, indien is gebleken dat het oprichten van dat gebouw niet zal leiden tot een verstoring van de archeologische waarden. Ook voor het uitvoeren van diverse werkzaamheden, zoals ophogen en ontgraven van de bodem, is een omgevingsvergunning vereist. Mogelijke archeologie waarden worden met dit plan voldoende beschermd en gewaarborgd. 4.3
Parkeren en verkeer
4.3.1
Verkeer
Het plangebied wordt ontsloten aan twee kanten, via de Franseweg en via Kleingeel. De Fransweg heeft een ontsluiting met de N416, de provinciale weg die Elst met Veenendaal verbindt. Het voornemen is om in de nieuwe situatie de vrijstaande woning de ontsluiting met de Franseweg te laten behouden en de rijwoningen via de achterzijde te ontsluiten, vanaf de Schoolweg. Aan de achterzijde van de woningen zullen ook parkeerplaatsen gerealiseerd worden, die met deze inpassing uit het zicht blijven. In de huidige situatie is de verkeersgeneratie te bepalen aan de hand van kencijfers van CROW in publicatie 381: 'Toekomstbestendig parkeren'. Het bouwvlak heeft een oppervlakte van circa 2.000 m2 en mag voor 100 % worden bebouwd. Voor een bedrijf van 2.000 m2 geldt er een verkeersaantrekkende werking van 154,0 tot 188,0 mvt/etmaal. Hierbij is rekening gehouden met een arbeidsintensief/bezoekersextensief bedrijf in de schil van het centrum van weinig stedelijk gebied. In de gewenste situatie is de verkeersaantrekkende werking op dezelfde manier te bepalen. Voor een vrijstaande koopwoning is de verwachte verkeersgeneratie tussen de 7,7 en 8,5 mvt/etmaal per woning. Voor tussen- of hoekwoningen is de verkeersgeneratie tussen de 6,9 tot 7,7 mvt/etmaal per woning - bij 11 tussen- of hoekwoningen gaat het dus om 75,9 tot 84,7 mvt/etmaal.
De totale verkeersgeneratie van de 12 gewenste woningen (11 tussen- of hoekwoningen en een vrijstaande woning) komt daarmee uit op 83,6 tot 93,2 mvt/etmaal. De herontwikkeling ter plaatse van Franseweg 95 zorgt in het algemeen voor een substantiele afname van verkeer. Wel wijzigt de verkeersafwikkeling aan de Schoolweg doordat er nu ook aan deze zijde auto's geparkeerd worden op het achtergelegen pleintje. Op dit moment wordt deze uitrit al gebruikt voor de 7 aanwezige garageboxen die op het achterliggend terrein staan. Ook wordt in de bestaande situatie geparkeerd buiten deze garageboxen.
Franseweg 95
26
Het gebruik van de uitrit op de schoolweg zal ten gevolge van de ontwikkeling toenemen. De verwachting is, op basis van huidig gebruik en worst-case toekomstig gebruik, dat deze uitrit 2x zo vaak gebruikt gaat worden. Gezien de breedte van de verbindingsweg (ruim 5 meter) zal dit op de verbindingsweg niet voor problemen zorgen. Ter hoogte van de garages van Schoolweg 93 en 95 hoeft men niet strak langs de bestaande garages te rijden. Bij het aanhouden van het midden van de weg kan men circa 1.5m afstand houden. Dit zal, in combinatie met de lage snelheid op deze verbinding, niet tot gevaarlijke situaties leiden. De inrichting van het terrein achter de huizen van de Schoolweg zal aangepast worden en voorzien worden van parkeerplaatsen en een speelvoorziening zodat kinderen veiliger kunnen spelen. Doordat het nieuwe plan niet alleen via de Franseweg wordt ontsloten zal op de Kleingeel en Schoolweg sprake zijn van een geringe toename van verkeer. Op beide wegen zal deze toename niet tot onaanvaardbare verkeersdruk leiden. Hetzelfde geldt voor de geluidsbelasting. Door de afname van het verkeer en de veranderende samenstelling van het verkeer zal ook de geluidsbelasting in het algemeen afnemen. Op locaties waar sprake is van een significante toename van verkeer is de totale hoeveelheid verkeer dusdanig laag dat de totale geluidsbelasting onder de voorkeurswaarde zal liggen.
(zie Bijlage 8) Conclusie Het aantal verkeersbewegingen neemt met onderhavig initiatief substantieel af ten opzichte van de huidige planologische situatie. Wel zal een deel van de verkeersbewegingen zich verplaatsen naar het Kleingeel en de Schoolweg maar dit zal niet leiden tot een onaanvaardbare verkeersdruk. Er zijn dan ook geen verkeerstechnische problemen te verwachten. 4.3.2
Parkeren
Het parkeerbeleidsplan 'Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds' is in 2011 vastgesteld door de gemeente Rhenen met als doel de regulering van parkeren binnen de gemeente een extra impuls te geven. Met het paraplubestemmingsplan 'Parkeren' wordt toetsing aan dit beleid verplicht gemaakt bij nieuwe ontwikkelingen. De gemeente heeft uniforme parkeernormen voor ruimtelijke ontwikkelingen opgenomen. Dit zijn de landelijke kengetallen van het CROW die zijn vertaald naar de lokale situatie in Rhenen. Voor een vrijstaande woning geldt er een parkeernorm van 2 parkeerplaatsen. Op het perceel van de vrijstaande woning wordt ruimte gereserveerd voor de realisatie van ten minste 2 parkeerplaatsen. Voor de 11 rijwoningen is de parkeernorm 1,8 parkeerplaats per woning. Voor de rijwoningen zijn dus 20 parkeerplaatsen benodigd. Hiervan zijn 12 parkeerplaatsen geprojecteerd aan het Kleingeel. 9 woningen krijgen een eigen parkeervoorziening aan de achterzijde. In totaal kunnen er voor de rijwoningen conform de norm dus 21 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Met de nieuwe publicatie van de CROW- normen zijn de aanwezigheidspercentages voor bezoekers en bewoners opgesplitst. Hierdoor blijkt dat op het maatgevende moment 2 parkeerplaatsen minder nodig zijn. De redenatie is als volgt. In beide publicaties zijn de parkeernormen voor woningen gelijk.
De norm uit de parkeernota in Rhenen kan dus gelijk blijven. In beide publicaties is 0,3 pp van de norm opgenomen voor bezoekersparkeren. In de nieuwe norm echter is in tegenstelling tot de oude norm een apart aanwezigheidspercentage opgenomen voor het bezoekersparkeren. Op het maatgevend moment zorgt dit ervoor dat er minder parkeerplaatsen nodig zijn. Zie vergelijkende tabel: Aanwezigheidspercentages werkdagavond (maatgevend moment):
Oude CROW
CROW 2018
Bewoners
100%
90%
Bezoekers
Franseweg 95
80%
27
Benodigd aantal parkeerplekken maximaal:
Oude CROW
CROW 2018
Bewoners
1,50
1,35
Bezoekers
0,30
0,24
Per woning
1,80
1,59
Totaal
19,8
17,5
De parkeerplaatsen in het plangebied Conclusie Op deze manier is er voldoende ruimte voor parkeren en is de uitvoerbaarheid op dit gebied aangetoond. Aan de verwachte parkeerbehoefte wordt voldaan. 4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Wettelijk kader
De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het niet in betekende mate (NIBM) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een toename van de NO2 en/of PM10 jaarconcentratie met maximaal 3% van de grenswaarden (of wel een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 en/of PM10). NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSLprogramma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door maatregelen. 4.4.2
Beoordeling
De ontwikkeling kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een project dat niet in betekenende mate van invloed is op de luchtkwaliteit. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Er behoeft dus niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Woon en leefklimaat Het RIVM maakt jaarlijks kaarten met grootschalige concentraties (in vaktermen GCN) en deposities (GDN) in Nederland in het kader van natuur- en milieubeleid. De kaarten zijn gebaseerd op een
Franseweg 95
28
combinatie van modelberekeningen en metingen en zijn bedoeld voor het geven van een grootschalig beeld van de luchtkwaliteit en depositie in Nederland zowel voor jaren in het verleden als in de toekomst. Op basis hiervan kan ook de concentratie bekeken ter hoogte van het plangebied. Op basis van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) blijkt dat de concentraties fijnstof (Pm10 en Pm2,5) ruim onder de grenswaarden van 40 µg/m3 jaargemiddelde blijven. De Pm10 blijft onder de 18 µg/m3 en de Pm2,5 blijft onder de 10 µg/m3. Hiermee is de luchtkwaliteit ter plaatse voldoende voor de woonfunctie. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat er ter plaatse van de woningen in het kader van het aspect luchtkwaliteit sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Een apart onderzoek naar de luchtkwaliteit hoeft dan ook niet uitgevoerd te worden. 4.4.3
Conclusie
Het project kan worden beschouwd als een NIBM-project. Nader onderzoek naar de luchtkwaliteit kan dan ook achterwege blijven. 4.5
Bodemkwaliteit
4.5.1
Wettelijk kader
Het Besluit op de ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6) schrijft voor dat in het kader van een ruimtelijk planologische procedure moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het gewenste nieuwe gebruik. De bodemkwaliteit kan (negatief) van invloed zijn op de gewenste nieuwe ontwikkeling. Indien sprake is van een functiewijziging zal er in veel gevallen een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd op de planlocatie. Door middel van zo'n onderzoek kan in beeld worden gebracht of de bodemkwaliteit en de beoogde functie van het plangebied bij elkaar passen. 4.5.2
Resultaten onderzoek
Onderhavig initiatief betreft de sloop van bedrijfsbebouwing en de realisatie van woningen. Woningen worden gezien als een milieugevoelige functie, waardoor een bodemonderzoek is uitgevoerd om na te gaan of de bodem geschikt is (te maken) voor de woonbestemming. Het rapport van het uitgevoerde onderzoek is als bijlage onderdeel van deze ruimtelijke onderbouwing (Bijlage 9 Verkennend bodemonderzoek - 15 januari 2019). Het vervolg onderzoek naar PFAS en asbest wordt uitgevoerd na de sloop en voor de start van de bouwwerkzaamheden. Op basis van de beschikbare informatie is voor de uitvoering van het onderzoek uitgegaan van een 'verdachte locatie', waarbij verontreinigingen kunnen worden verwacht. Met de resultaten van de boringen wordt deze gestelde hypothese bevestigd: op meerdere locaties is verontreiniging aangetroffen. Gezien het gewenste gebruik voor wonen is daarom een sanering van de aanwezige verontreinigingen noodzakelijk. Deze sanering zal worden uitgevoerd nadat de bestaande opstallen zijn gesloopt. Ingevolge artikel 38, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet bodembescherming dient de sanering zodanig uitgevoerd te worden dat de bodem ten minste geschikt wordt gemaakt voor de functie die hij na de sanering krijgt.