Bijlage 2b Bijlagen ontwerpomgevingsvergunning MFG Rhenen
Tekst van het document
Februari/maart 2022 Wachttijd bezwaar mogelijk op aanbesteding. Op 9 maart definitief. Op 10 maart presentatie aan de raad. Eind maart meeting met de gegunde partij en afspraken gemaakt rondom de voorbereiding voor de bouw. In deze afspraak is door de gegunde partij aangegeven het probleem rond de oorlog in Oekraïne. April/mei 2022 Doornemen ontwerp met gebruikers, omwonenden op 4 en 5 april. Hieruit kwamen wijzigingen. Deze wijzigingen zijn gepresenteerd op 16 mei. Zie bijgevoegde presentatie WIND Start gespreken rondom claimrecht vanuit artikel UAV-GC 2005 hierin is deze situatie als volgt beschreven: § 44 lid 1 sub c – onvoorziene omstandigheden: ‘Behoudens het bepaalde in § 45 heeft de Opdrachtnemer uitsluitend recht op indien: (..) (c) zich een onvoorziene omstandigheid voordoet van dien aard dat de Opdrachtgever naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag verwachten dat de Overeenkomst ongewijzigd in stand blijft.’ Juni/augustus 2022 In juni t/m augustus zijn veel onderzoeken uitgevoerd of opgestart. Denk hierbij aan bodemonderzoek, NGE onderzoek, archeologie, parkeren en ontwerpen verfijnd naar een definitief ontwerp t.b.v. de vergunning aanvraag. Opstellen 2e raadsvoorstellen Hellingbaan en indexering. Extra informatie rondom BDB verstrekt en BOT overleg met de raad op 22 augustus. September 2022 Indienen vergunningsaanvraag.
Behandeling raadsvoorstel rondom hellingbaan en indexering.
Bijlage 1 raadsbesluit 2 november 2021
Rapportage nader ecologisch onderzoek
Groeneweg 58, te Rhenen Vleermuizen
In opdracht van: Gemeente Rhenen 28 september 2022
Colofon © 2022 Laneco / Gemeente Rhenen Tekst en samenstelling: W. Wilbrink Tweede lezer:
R. Eversteijn
Projectnummer:
174.22.01
In opdracht van:
Gemeente Rhenen
Wijze van citeren:
Wilbrink, W. (2022). Rapportage nader ecologisch onderzoek Groeneweg 58 te Rhenen. Ede: Laneco.
Laneco is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus, brancheorganisatie voor kwaliteitsbevordering en belangenbehartiging.
Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd, gewijzigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van scanning, internet, druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de hierboven aangegeven opdrachtgever en Laneco. Noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander doel dan waarvoor het is vervaardigd. Laneco is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Laneco. De opdrachtgever vrijwaart Laneco voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing.
INHOUD 1
INLEIDING .................................................................................................... 4
1.1 1.2 2
ONDERZOEKSVRAAG ...................................................................................................................... 7 ONDERZOEKSMETHODIEK ................................................................................................................ 7 ONDERZOEKSRONDES ..................................................................................................................... 8
ONDERZOEKSRESULTATEN ............................................................................ 9
4.1 4.2 5
VLEERMUIZEN............................................................................................................................... 6
ONDERZOEKSVRAAG EN METHODE ................................................................ 7
3.1 3.2 3.3 4
GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEOOGDE INGREPEN ................................................................................... 4
SOORTBESCHRIJVING ................................................................................... 6
2.1 3
AANLEIDING ................................................................................................................................. 4
VLEERMUIZEN............................................................................................................................... 9 OVERIGE WAARNEMINGEN ............................................................................................................ 11
CONCLUSIE EN CONSEQUENTIES ................................................................. 12
5.1 5.2
CONCLUSIES EN EFFECTEN ............................................................................................................. 12 CONSEQUENTIES ......................................................................................................................... 12
BIJLAGE 1
LITERATUURLIJST ....................................................................... 13
BIJLAGE 2
WAARNEMINGEN OP KAART – VLEERMUIZEN KRAAMSEIZOEN ... 14
BIJLAGE 3
WAARNEMINGEN OP KAART – VLEERMUIZEN PAARSEIZOEN ...... 15
BIJLAGE 4
SOORTENBESCHERMING ............................................................. 16
1
INLEIDING 1.1 AANLEIDING In het plangebied aan de Groeneweg 58 te Rhenen (afbeelding 1) is men voornemens de bebouwing in het plangebied deels te slopen en uit te breiden. Hiervoor worden enkele bomen gekapt en het omliggende terrein heringericht.
Afbeelding 1: De globale ligging van het plangebied aan de Groeneweg 58 te Rhenen (rode contour).
Uit een door Laneco uitgevoerde quick scan flora en fauna (Geisler, 2022) is geconcludeerd dat de aanwezigheid van (1) verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen en (2) jaarrond beschermde nesten van roofvogels en eekhoorn in de bomen in het plangebied en (3) vliegroutes van vleermuizen langs het plangebied niet uit te sluiten is. In het nader ecologisch onderzoek is de bebouwing en de bomen in het plangebied onderzocht op deze beschermde functies voor deze soorten.
1.2 GEBIEDSBESCHRIJVING EN BEOOGDE INGREPEN Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom in het westelijke deel van de stad Rhenen (gemeente Rhenen, provincie Utrecht), in een woonwijk. Het plangebied bevindt zich op het bedrijfs- en omliggend terrein van sport- en recreatiecentrum ’t Gastland. Aan alle zijden bevinden zich voornamelijk woonhuizen en enkele bedrijfsgebouwen. Het
LANECO 4
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Nader ecologisch onderzoek Groeneweg 58 te Rhenen
plangebied zelf wordt ten noorden door het terrein en de gebouwen van de scholen CBS De Springplank en Pantarijn Sgm, ten westen en zuiden door de Groeneweg en ten oosten door de gebouwen van o.a. de politie en gemeente Rhenen begrenst. In en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen (natuurlijke) wateren en watergangen aanwezig.
LAN ECO Nader ecologisch onderzoek Groeneweg 58 te Rhenen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
5
2
SOORTBESCHRIJVING 2.1 VLEERMUIZEN Vleermuizen zijn vliegende zoogdieren die aan de hand van echolocatie hun positie bepalen. Deze nachtdieren verblijven overdag in besloten ruimtes. Vleermuizen worden globaal onderverdeeld in gebouwbewonende soorten en boombewonende soorten. Er zijn echter ook soorten die van beide elementen gebruik maken. Ook is onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Een groot aantal soorten overwintert in bunkers, grotten en kelders. Dit geldt ook voor sommige soorten die ’s zomers in boomholten verblijven. Andere soorten vleermuizen verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen en dergelijke) of bomen (in holten of achter de bast). Vanaf begin april komen vleermuizen tevoorschijn uit hun winterverblijven. Afhankelijk van het weer verschijnt de ene soort wat later dan de andere. Van half mei tot half juli vormen de vleermuizen kraamkolonies waarin de jongen worden geboren en grootgebracht. De mannetjes verblijven dan apart in kleinere groepen. In het paarseizoen, vanaf half augustus tot september, vallen de kraamkolonies uiteen. Sommige soorten vleermuizen trekken dan uit hun voortplantingsgebied weg, terwijl andere soorten nooit ver vliegen tussen zomer- en winterverblijf. De meeste vleermuissoorten paren in deze periode.
Vanaf oktober gaan de verschillende soorten in winterslaap, waarbij de ene soort zich eerder terugtrekt in zijn winterverblijf dan de anderei. De
soorten
maken
vaak
jarenlang
gebruik
van
vaste
aanvliegroutes
tussen
verblijfsplaats en foerageergebied en volgen daarbij lijnelementen zoals bomenrijen of bebouwing. Het behoud van zulke lijnelementen kan daarom cruciaal zijn voor de instandhouding van het leefgebied. Alle vleermuissoorten, hun verblijfplaatsen en belangrijke
onderdelen
van
het
leefgebied
zijn
strikt
beschermd
in
de
Wet
natuurbescherming (artikel 3.5 van deze wet en bijlage IV van de Habitatrichtlijn).
LANECO 6
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Nader ecologisch onderzoek Groeneweg 58 te Rhenen
3
ONDERZOEKSVRAAG EN METHODE 3.1 ONDERZOEKSVRAAG Het doel van het onderzoek is om vast te stellen of het plangebied essentiële onderdelen van het leefgebied van beschermde vleermuissoorten en roofvogelcontrole bevat. Als de werkzaamheden effecten hebben op deze beschermde soorten moet een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor de ingrepen worden aangevraagd.
3.2 ONDERZOEKSMETHODIEK 3.2.1 Vleermuizen Het onderzoek is verricht met behulp van een batdetector D240X. De batdetector vertaalt het voor mensen onhoorbare ultrasone geluid van vleermuizen naar hoorbare geluiden. Vleermuizen zijn op naam gebracht door interpretatie van het ritme en de klank van hun sonargeluid, gecombineerd met zichtwaarnemingen van vliegstijl en grootte. De geluiden zijn waar nodig opgenomen en later geanalyseerd in het programma Batsound en/of Batexplorer. Onderzoek
naar
dwergvleermuis
verblijfplaatsen (Pipistrellus
van
de
pipistrellus),
gebouwbewonende laatvlieger
soorten
(Eptesicus
gewone
serotinus),
meervleermuis (Myotis dasycneme) en ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) is uitgevoerd
volgens
de
richtlijnen
vanuit
het
vleermuisprotocol
van
het
Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus. Ook is steeds gelet op de aanwezigheid van foerageergebieden en vliegroutes. Kraamseizoen Om de aanwezigheid van zomer- en kraamverblijfplaatsen te onderzoeken, zijn in het kraamseizoen van 2022 in totaal 3 onderzoeksrondes uitgevoerd in de periode tussen 15 mei t/m 15 juli. Gezien het mogelijke voorkomen van laatvlieger betroffen de 3 onderzoeksrondes 2 avondonderzoeken en 1 ochtendonderzoek met een minimale periode van 20 dagen tussen de onderzoeksrondes. Om conform het protocol minimaal 75 % van het gebouw te overzien, zijn de avondonderzoeken door 3 personen uitgevoerd. Vanwege de mogelijke aanwezigheid van gewone grootoorvleermuis startten de avondonderzoeken op zonsondergang en duurden deze tot minimaal 2 uur en 30 minuten na zonsondergang. Het ochtendonderzoek is uitgevoerd door 1 persoon, omdat vleermuizen in de ochtend enige tijd zwermen en dit goed zichtbaar en overzichtelijk is. Vanwege het mogelijk voorkomen van gewone grootoorvleermuis, startte de ochtendronde 3 uur voor zonsopgang en duurde tot zonsopgang. Paarseizoen Om de aanwezigheid van paarverblijfplaatsen en massawinterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis te onderzoeken, zijn in het paarseizoen van 2022 in totaal 3
LAN ECO Nader ecologisch onderzoek Groeneweg 58 te Rhenen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
7
onderzoeksrondes uitgevoerd in de periode tussen 15 augustus t/m 15 september. De minimale periode tussen de eerste en laatste onderzoeksrondes was minimaal 20 dagen. De
onderzoeksrondes,
/nachtonderzoeken:
uitgevoerd
omdat
de
door
2
spouwmuur
personen, mogelijk
betroffen
groot
3
genoeg
avondis
voor
massawinterverblijfplaats van gewone dwergvleermuis zijn er drie onderzoeksrondes uitgevoerd waarvan 2 na middernacht.
3.3 ONDERZOEKSRONDES 3.3.1 Vleermuizen Tabel 1: Onderzoeksrondes vleermuizen. Datum Start/einde Zon op/ Windkracht (uur) onder (uur) (Bft) Kraamseizoen (zomer- en kraamverblijfplaatsen) 2022: 30-05-2022 21:48-00:18 21:48 1-2 30-06-2022 02:24-05:24 05:24 0-1 14-07-2022 21:57-00:27 21:57 0-1 Paarseizoen (paarverblijfplaatsen) 2022: 15-08-2022 00:00-02:00 21:02 0-1 30-08-2022 00:00-02:00 20:34 0-2 12-09-2022 23:30-01:30 19:58 0-1
LANECO 8
Temperatuur (°C)
Weer
12 14 16
Bewolkt Bewolkt Helder
20 15 17
Deels bewolkt Helder Deels bewolkt
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Nader ecologisch onderzoek Groeneweg 58 te Rhenen
4
ONDERZOEKSRESULTATEN 4.1 VLEERMUIZEN 4.1.1 Kraamseizoen 2022 Resultaten van het onderzoek naar vleermuizen zijn visueel samengevat in bijlage 1. Eerste onderzoeksronde, 30 mei 2022 Tijdens
de
eerste
onderzoeksronde
op
de
avond
van
30
mei
zijn
gewone
dwergvleermuizen en laatvliegers waargenomen. De eerste waarneming was een gewone dwergvleermuis om 22:05. De laatvliegers zijn enkel langsvliegend buiten het plangebied waargenomen om 23:15. Een klein aantal gewone dwergvleermuizen zijn foeragerend waargenomen rond de bomen binnen het plangebied. In totaal zijn vijf gewone dwergvleermuizen en twee laatvliegers waargenomen tijdens de eerste ronde. Tijdens de eerste onderzoeksronde zijn geen verblijfplaatsen of andere essentiële onderdelen van het leefgebied van vleermuizen vastgesteld. Tweede onderzoeksronde, 30 juni 2022 De tweede onderzoeksronde op 30 juni was een ochtendronde. Tijdens de ochtendronde zijn enkel gewone dwergvleermuizen waargenomen. Het grasveld in het zuiden van het plangebied wordt regelmatig gebruikt om te foerageren door een enkele gewone dwergvleermuis. Ook bij de bomen ten noordoosten van het plangebied was regelmatig activiteit
van
een
enkele
gewone
dwergvleermuis.
In
totaal
zijn
3
gewone
dwergvleermuizen waargenomen. Ruim 40 minuten voor zonsopkomst is de laatste waarneming gedaan. Er zijn geen verblijfplaatsen of andere essentiële onderdelen van het leefgebied van vleermuizen binnen het plangebied vastgesteld. Derde onderzoeksronde, 14 juli 2022 De derde onderzoeksronde was een avondronde. Tijdens deze avondronde zijn slechts twee
tot
drie
gewone
dwergvleermuis
foeragerend
waargenomen
binnen
het
plangebied. De eerste waarneming was om 22:14. De individuen foerageerde gedurende de avond rondom de bomen in het noorden, oosten en zuiden van het plangebied. Ook tijdens deze ronde zijn er geen verblijfplaatsen of andere essentiële onderdelen van het leefgebied van vleermuizen binnen het plangebied vastgesteld. Samenvatting Tijdens de onderzoeksrondes in het kraamseizoen 2022 zijn de soorten gewone dwergvleermuis en laatvlieger waargenomen. Een klein aantal foeragerend gewone dwergvleermuizen zijn binnen het plangebied waargenomen. De overige individuen zijn overvliegend
waargenomen.
Binnen
het
plangebied
zijn
geen
verblijfplaatsen,
vliegroutes of andere (essentiële) onderdelen van het leefgebied van vleermuizen vastgesteld.
LAN ECO Nader ecologisch onderzoek Groeneweg 58 te Rhenen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
9
4.1.2 Paarseizoen 2022 Resultaten van het onderzoek naar vleermuizen (paarseizoen) zijn visueel samengevat in bijlage 2. Eerste onderzoeksronde, 16 augustus 2022 De eerste onderzoeksronde in het paarseizoen betrof een middernachtronde. Tijdens de eerste onderzoeksronde is enkel 1 gewone dwergvleermuis binnen het plangebied waargenomen. De gewone dwergvleermuis vloog paarroepend langs het plangebied maar heeft zijn paarverblijfplaats in de wijk ten westen van het plangebied. In het plangebied zijn tijdens de onderzoeksronde geen (paar)verblijfplaatsen of andere essentiële onderdelen van het leefgebied van vleermuizen aangetroffen. Tweede onderzoeksronde, 30 augustus 2022 De tweede onderzoeksronde was ook een middernachtronde in de paarperiode om massawinterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis en paarplaatsen van ruige dwergvleermuis te onderzoeken. De gewone dwergvleermuis is de enige waargenomen vleermuissoort tijdens deze onderzoeksronde. Binnen het plangebied zijn geen waarneming van paarverblijfplaatsen of andere essentiële onderdelen van het leefgebied van vleermuizen gedaan. Ten oosten riep een gewone dwergvleermuis vanuit de richting van het gemeentehuis, ten westen bij de huizenblokken is een andere individu roepend waargenomen en ten slotte is er ook ten noorden bij de school een roepende gewone dwergvleermuis waargenomen.
Derde onderzoeksronde, 12 september 2022 De laatste onderzoeksronde van het paarseizoen was een avondronde. Ook tijdens deze onderzoeksronde is enkel een tweetal gewone dwergvleermuis overvliegend over het plangebied waargenomen. Wederom zijn er geen paarverblijfplaatsen of andere essentiële onderdelen van het leefgebied van vleermuizen binnen het plangebied vastgesteld. De roepende mannetjes ten noorden en ten westen van het plangebied die tijdens de tweede ronde zijn waargenomen zijn ook ditmaal buiten het plangebied roepend gehoord. Samenvatting Tijdens de onderzoeksrondes in het paarseizoen in 2022 zijn de soorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger waargenomen. Tijdens de onderzoeken zijn enkel langsvliegende individuen van deze soorten waargenomen die geen binding met het plangebied
hadden. Binnen het plangebied zijn geen
paarverblijfplaatsen of andere (essentiële) onderdelen van het leefgebied van vleermuizen vastgesteld. Buiten het plangebied zijn wel paarroepende gewone dwergvleermuizen waargenomen.
LANECO 10
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Nader ecologisch onderzoek Groeneweg 58 te Rhenen
4.2 OVERIGE WAARNEMINGEN Tijdens de onderzoeksrondes werden geen andere belangrijke waarnemingen gedaan.
LAN ECO Nader ecologisch onderzoek Groeneweg 58 te Rhenen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
11
5
CONCLUSIE EN CONSEQUENTIES In het plangebied aan de Groeneweg te Rhenen(afbeelding 1) is men voornemens de bebouwing in het plangebied deels te slopen en uit te breiden. Hiervoor worden enkele bomen gekapt en het omliggende terrein heringericht. Uit een door Laneco uitgevoerde quick scan flora en fauna (Geisler, 2022) is geconcludeerd dat de aanwezigheid van (1) verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen en (2) jaarrond beschermde nesten van roofvogels en eekhoorn in de bomen in het plangebied en (3) vliegroutes van vleermuizen langs het plangebied niet uit te sluiten is. Omdat de aanwezigheid van bovengenoemde beschermde soorten/soortgroepen niet kan worden uitgesloten, is middels nader ecologisch onderzoek onderzocht of deze soorten/soortgroepen (mogelijk) gebruik maken van het plangebied.
5.1 CONCLUSIES EN EFFECTEN 5.1.1 Vleermuizen Bij het gerichte onderzoek naar de gebouwbewonende vleermuissoorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger, zijn in het plangebied geen kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen vastgesteld. Ook zijn geen essentiële vliegroutes of andere (essentiële) onderdelen van het leefgebied van vleermuizen in en rondom het plangebied vastgesteld. Door het ontbreken van verblijfplaatsen en essentiële onderdelen van het leefgebied, hebben de beoogde ingrepen geen negatief effect op de aanwezigheid van vleermuizen. 5.1.2 Overige waarnemingen Omdat er geen andere van belang zijnde waarnemingen zijn gedaan, zijn negatieve effecten door de beoogde ingrepen op andere beschermde soorten uitgesloten.
5.2 CONSEQUENTIES Voor de beoogde ingrepen in het plangebied aan de Groeneweg 58 te Rhenen zijn er voor vleermuizen en andere beschermde soorten geen consequenties in het kader van de Wet natuurbescherming te verwachten. Echter dienen altijd de voorwaarden ten aanzien van het broedseizoen en de zorgplicht in acht te worden genomen, om o.a. verstoring van actieve nesten te voorkomen (zie bijlage 4).
LANECO 12
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Nader ecologisch onderzoek Groeneweg 58 te Rhenen
BIJLAGE 1 LITERATUURLIJST Geisler, J., (2022). Quick scan flora en fauna Groeneweg 58 te Rhenen. Laneco, Ede.
LAN ECO Nader ecologisch onderzoek Groeneweg 58 te Rhenen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
13
BIJLAGE 2 WAARNEMINGEN OP KAART – VLEERMUIZEN KRAAMSEIZOEN Kaart 1: Waarnemingen van vleermuizen gedurende het kraamseizoen 2022 in en rondom het plangebied (groene contour).
LEGENDA Gewone dwergvleermuis
-
Langs-/overvliegend
Gewone dwergvleermuis
-
Foeragerend
Laatvlieger
-
Langs-/overvliegend
LANECO 14
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Nader ecologisch onderzoek Groeneweg 58 te Rhenen
BIJLAGE 3 WAARNEMINGEN OP KAART – VLEERMUIZEN PAARSEIZOEN Kaart 2: Waarnemingen van vleermuizen gedurende het paarseizoen 2022 in en rondom het plangebied (groene contour).
LEGENDA Gewone dwergvleermuis
-
Langs-/overvliegend
LAN ECO Nader ecologisch onderzoek Groeneweg 58 te Rhenen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
15
BIJLAGE 4 SOORTENBESCHERMING Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is de Wet natuurbescherming bepalend. De Wet natuurbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. Deze wet heeft de beschermingsregels, zoals die ook in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn opgenomen, overgenomen en voor de Nederlandse situatie toegepast. Deze bescherming is, afhankelijk van het beschermingsregime, als volgt in de Wet Natuurbescherming opgenomen: Vogelrichtlijn •
Artikel 3.1 lid 1: Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
•
Artikel 3.1 lid 2: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
•
Artikel 3.1 lid 3: Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.
•
Artikel 3.1 lid 4 en 5: Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Habitatrichtlijn, Bern bijlage II, Bonn bijlage I •
Artikel 3.5 lid 1: Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
•
Artikel 3.5 lid 2: Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.
•
Artikel 3.5 lid 3: Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
•
Artikel 3.5 lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.
•
Artikel
3.5
lid
5:
Het
is
verboden
plantensoorten
in
hun
natuurlijke
verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Nationaal beschermde soorten •
Artikel 3.10 lid 1a: Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.
•
Artikel 3.10 lid 1b: Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
•
Artikel
3.10
lid
1c:
Het
is
verboden
plantensoorten
in
hun
natuurlijke
verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
LANECO 16
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Nader ecologisch onderzoek Groeneweg 58 te Rhenen
Procedurele gevolgen De procedurele consequenties zijn afhankelijk van de soorten die door de ingreep worden beïnvloed. Kortweg kunnen drie beschermingsregimes worden onderscheiden: •
Soorten van de Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
•
Soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn: Dit zijn alle soorten van onderdeel A van bijlage IV van de Habitatrichtlijn inclusief bijlage II van het verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.
•
Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
Een project kan in strijd zijn met de Wet natuurbescherming wanneer een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Wettelijke belangen Om een ontheffing te krijgen voor soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn moet worden voldaan aan een van de volgende belangen: •
Ter bescherming van de wilde flora en fauna en instandhouding van natuurlijke habitats.
•
Wanneer de volksgezondheid en/of de openbare veiligheid in het geding is.
•
Andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.
Om een ontheffing te krijgen voor soorten van de Vogelrichtlijn moet worden voldaan aan een van de volgende belangen: •
Wanneer de volksgezondheid en/of de openbare veiligheid in het geding is.
•
Wanneer de veiligheid van het luchtverkeer in het geding is.
•
Ter bescherming van flora en fauna.
Voor nationaal beschermde soorten: Er is sprake van een bij de wet genoemd belang.
LAN ECO Nader ecologisch onderzoek Groeneweg 58 te Rhenen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
17
Zorgplicht De Wet natuurbescherming schrijft voor dat we nadelige gevolgen voor inheemse planten en dieren moeten voorkomen - of ze nu beschermd zijn of niet - en zorgvuldig met onze omgeving om moeten gaan. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.
LANECO 18
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Nader ecologisch onderzoek Groeneweg 58 te Rhenen
ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK GROENEWEG 58 TE RHENEN
Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Groeneweg 58 te Rhenen Opdrachtgever
Wind Design + build Postbus 160 9200 AD Drachten
Rapportnummer
19370.001
Versienummer1
D1
Datum
Vestiging
6 oktober 2022
Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem 088 - 5001600 doetinchem@econsultancy.nl
Opsteller
De heer ir. E.M. ten Broeke
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer drs. A.H. Schutte
Paraaf
© Econsultancy bv, Doetinchem Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1
Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
Administratieve gegevens plangebied Projectcode
19370.001
Toponiem
Groeneweg 58
Opdrachtgever
Wind Design + build
Gemeente
Rhenen
Plaats
Rhenen
Provincie
Utrecht
Kadastrale gegevens
Gemeente Rhenen, sectie H, nummers 8362, 8363, 8364, 8371 en 8375 (ged.)
Omvang plangebied
Circa 16.625 m²
Kaartblad
39 E (1:25.000)
Coördinaten centrum plangebied
X: 167.325 / Y: 441.500
Bevoegde overheid
Gemeente Rhenen Contactpersoon: mevrouw N. Smits Postbus 201 3910 AE Rhenen Tel: 0317-681644 E-mail: Nicole.Smits@rhenen.nl
Deskundige namens de bevoegde overheid
Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) Postbus 13101 3507 LC Utrecht Tel. 088-0225000
ARCHIS3
Bureauonderzoek 5272000100
Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)
Booronderzoek 5272009100
Archeoregio NOaA
Utrechts-Gelders zandgebied
Beheer en plaats documentatie
Econsultancy, Doetinchem/Provinciaal Archeologisch Depot Utrecht
Uitvoerder
Econsultancy, ir. E.M. ten Broeke
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Wind Design + build een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Groeneweg 58 te Rhenen. De initiatiefnemer is voornemens het bestaande sportcentrum te slopen en een nieuw multifunctioneel gebouw (Feel Fit Center Rhenen, MFG Rhenen) te realiseren. Gespecificeerde archeologische verwachting Vanuit het bureauonderzoek geldt voor het plangebied een hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische waarden uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m de Middeleeuwen. Verzamelde landschappelijke gegevens geven aan dat het plangebied op de zuidelijke helling ligt van het stuwwallencomplex van de Utrechtse Heuvelrug/de stuwwal van Rhenen. Voor Jagers-Verzamelaars (Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum) had het plangebied een gunstige ligging als tijdelijke nederzettingslocatie (jachtkampementen), zeker wanneer nabijgelegen droogdalen gedurende deze perioden nog periodiek watervoerend waren en daarmee een beekdal vormde. Ook voor Landbouwers vormde het plangebied in principe een voldoende geschikte locaties voor permanente bewoning. De mineralogisch rijke bruine zanden en moderpodzolbodem, welke in het plangebied van nature worden verwacht in de top van de gestuwde afzettingen, hebben een hoge natuurlijke bodemvruchtbaarheid en daardoor een aantrekkelijke vestigingslocaties gevormd voor Landbouwers.
Uit het grote aantal vondstmeldingen in de directe omgeving blijkt ook dat in het gebied menselijke (bewonings)activiteiten hebben plaatsgevonden gedurende in de Late-Prehistorie (Neolithicum, Bronstijd, IJzertijd) en de Late-Middeleeuwen. Zelfs aangrenzend ten oosten van het plangebied zijn tijdens de bouw van het bestaande gemeentehuis in 2001 enkele aardewerkfragmenten uit de Late-Middeleeuwen aangetroffen. Het plangebied heeft binnen een oud bouwlandcomplex gelegen ten noorden van de historische stadskern van Rhenen en was bekend stond onder de naam Bruinen Ing. Historisch kaartmateriaal dat teruggaat tot in de 16e eeuw, laat zien dat het plangebied een langdurig gebruik heeft gekend als akkerland. De kans op het aantreffen van restanten van historische bouwwerken/bebouwing uit de Nieuwe tijd (bijvoorbeeld in de vorm van muurresten/fundering) binnen de begrenzing van het plangebied wordt daarom kleiner/minder waarschijnlijk geacht. Daarnaast geeft het geraadpleegde topografisch kaartmateriaal als het gedetailleerde beeld van het AHN aan dat er reeds binnen terreindelen afgravingen/nivellering/egalisatiewerkzaamheden hebben plaatsgevonden, waarschijnlijk ten behoeve de bouw van het bestaande sportcentrum en inrichting van de omliggende terreindelen.
Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) laten zien dat alleen in het noordelijke deel (noordelijk gelegen terreindelen rondom het bestaande sportcentrum) en het zuidoostelijke deel van het plangebied recente (diepgaande) ontgravingen hebben plaatsgevonden. Hier komen alleen cunet-/bouwzand en recent geroerde lagen grond voor, gevolgd door een scherpe overgang direct naar de C-horizont. Voor het zuidwestelijke tot westelijke, centraal-zuidelijke en oostelijke tot noordelijke deel van het plangebied is dit echter niet het geval. Onder een pakket recente bewerkte/verstoorde dan wel deel opgebrachte lagen grond en in het westelijke tot zuidwestelijke deel (ter plaatse van een groot deel van het parkeerterrein van sportcentrum) onder een dikke laag cunet-/stabilisatiezand is veelal nog een ongestoord/intact restant van een plaggendek (Aa en/of een deel van de van nature gevormde holtpodzolbodem aanwezig, vanaf een deel van de verbruinings-Bws-horizont en navolgend de overgangs-BChorizont (zie figuur 16).
Het duidt erop dat dit deel van het planbied, voordat het tot de bebouwde kom van Rhenen ging behoren, een dalvormige laagte/apex van een droogdal vormde, welke verder doorloopt in zuidwestelijke richting, waar een gedeelte van de Groeneweg en de Willem van Nasstraat lopen/bij elkaar komen. Bodemverstorende ingrepen hebben in het zuidwestelijke tot westelijke, centraal-zuidelijke en oostelijke tot noordelijke deel van het plangebied in mindere mate plaatsgevonden en juist vooral ophoging van de waarschijnlijk voorheen voorkomende dalvormige laagte.
Rapport 19370.001 versie D1
Bij een boring in het oostelijke deel van het plangebied is in de onderzijde van het intacte deel van het plaggendek zelfs een fragment met fijn zand gemagerd, handgevormd Zuid-Nederlands aardewerk aangetroffen, daterend uit de periode 875 tot 1050 na Chr. (9e tot 11e eeuw, einde Vroege-Middeleeuwen/begin Late-Middeleeuwen). Ter plaatse van het direct ten oosten gelegen gemeentehuis is tijdens de bouw in 2001 ook al laatmiddeleeuws aardewerk aangetroffen. Voor het zuidwestelijke tot westelijke, centraal-zuidelijke en oostelijke tot noordelijke deel plangebied geldt dan ook dat het archeologisch potentiële sporenniveau (merendeels) intact aanwezig is. Archeologische sporen, indien aanwezig, kunnen deels intact direct onder het plaggendek in de Bws-horizont worden aangetroffen en meest zichtbaar zijn in de BC-horizont en de overgang naar de C-horizont. Het archeologisch potentiële vondstniveau zal waarschijnlijk al wel reeds verstoord zijn ten gevolge van het agrarisch gebruik en het opbrengen van het plaggendek, waardoor vondsten hierin zullen zijn opgenomen. In situ gelegen vondsten kunnen nog wel worden aangetroffen in de vullingen van eventueel aanwezige archeologische sporen.
Voor het noordelijke deel en het zuidoostelijke deel van het plangebied, zijnde ook de terreindelen waar sprake is van steilranden veroorzaakt door de huidige inrichting van het terrein, is de verwachting dat het archeologisch potentiële sporen- als vondstniveau merendeels, zo niet volledig is verstoord door moderne bodemingrepen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat op basis van de resultaten van het booronderzoek de hoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten en/of sporen uit de perioden Laat-)Paleolithicum t/m de Middeleeuwen gehandhaafd blijft voor het zuidwestelijke tot westelijke, centraal-zuidelijke en oostelijke tot noordelijke deel plangebied. Voor het noordelijke deel en het zuidoostelijke deel van het plangebied kan de verwachting voor deze perioden bijgesteld worden naar een lage verwachting. Advies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO-O) wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om binnen het zuidwestelijke tot westelijke, centraal-zuidelijke en oostelijke tot noordelijke deel plangebied een vervolgonderzoek te laten uitvoeren. Hier is het archeologisch potentiële sporenniveau nog merendeels intact aanwezig zijn en behoudt dan ook zijn hoge verwachting op nog in situ aanwezige archeologische (bewonings)resten en -sporen van jagers-verzamelaars als van landbouwers.
Geadviseerd wordt een vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een waardestellend proefsleuvenonderzoek. Het doel hiervan dient te zijn de intactheid, spreiding, diepte en mate van verstoring van archeologisch kansrijke niveaus in kaart te brengen en op basis daarvan inzichtelijk te maken wat de consequenties zijn van de voorgenomen plannen op mogelijke archeologische resten. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld, waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen. Voor het noordelijke deel en het zuidoostelijke deel van het plangebied wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Binnen deze delen van het plangebied is sprake van een duidelijk verstoorde bodemopbouw en het archeologisch potentiële vondst- als sporenniveau is merendeels, zo niet geheel verstoord/aangetast. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. Ten aanzien van de vrij te geven delen van het plangebied kan de aanwezigheid van archeologische sporen of resten nooit volledig worden uitgesloten.
Mochten hier tijdens graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hiervan melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed).
Rapport 19370.001 versie D1
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 28 3.1 3.2
4
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 1 Methoden .......................................................................................................................... 1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 4 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 4 Archeologische waarden .................................................................................................. 9 Beschrijving van het historische gebruik ........................................................................ 20 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 25 Afweging gekozen onderzoeksmethode inventariserend veldonderzoek ...................... 27
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 28 Resultaten ....................................................................................................................... 28
CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 31 4.1 4.2
Conclusie ........................................................................................................................ 31 Advies ............................................................................................................................. 32
LITERATUUR ...................................................................................................................................... 34 BRONNEN .......................................................................................................................................... 35
Rapport 19370.001 versie D1
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V. Tabel VI. Tabel VII. Tabel VIII. Tabel IX.
Tabel X.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Overzicht AMK-terreinen Overzicht onderzoeksmeldingen Overzicht ARCHIS-vondsten Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Aangevraagde bouwvergunningen Gespecificeerde archeologische verwachting Bodemopbouw noordelijke deel (noordelijk gelegen terreindelen rondom het bestaande sportcentrum, boringen 1 t/m 3 en 13) en zuidoostelijke deel (boringen 11, 12, 17 en 18) van het plangebied Bodemopbouw zuidwestelijke tot westelijke, centraal-zuidelijke en oostelijke tot noordelijke deel plangebied (boringen 4 t/m 10 en 14 t/m 16)
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14. Figuur 15. Figuur 16.
Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidskaart van de gemeente Rhenen Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart van Nederland Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied met als achtergrond het AHN Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1819 (Minuutplan) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1870 (Bonneblad) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1912 (Bonneblad) Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1958 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1977 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1990 Boorpuntenkaart plangebied met als achtergrond de luchtfoto Resultaten van het booronderzoek en advieskaart voor het vervolgonderzoek
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Inrichtingsplan Bouwtekeningen met funderingsgegevens Overzichtsfoto’s plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen Boorprofielen
Rapport 19370.001 versie D1
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Wind Design + build een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Groeneweg 58 te Rhenen (zie figuren 1 en 2). De initiatiefnemer is voornemens het bestaande sportcentrum te slopen en een nieuw multifunctioneel gebouw (Feel Fit Center Rhenen, MFG Rhenen) te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het bureauonderzoek is uitgevoerd op 20 en 21 juni 2022 door ir. E.M. ten Broeke (Senior KNA Prospector). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd op 28 juni 2022 door ir. E.M. ten Broeke (Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (Senior KNA Archeoloog).
2
BUREAUONDERZOEK
2.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2
Methoden
Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24‑05‑2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06.2 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:
2
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04);
SIKB
Rapport 19370.001 versie D1
Pagina 1 van 36
opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: 2.3
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); de digitale cultuurhistorische Atlas van de Provincie Utrecht (CHAT); literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de archeologische beleidskaart van de gemeente Rhenen. Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 350 meter rondom het plangebied.3 Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 16.626 m² en ligt aan de Groeneweg 58, circa 350 meter ten noorden van de noordelijke begrenzing van de (historische stads)kern van Rhenen (zie figuren 1 en 2). Volgens het Algemeen Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte variërend tussen circa 37,5 en 42,5 m +NAP. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Rhenen, sectie H, nummers 8362, 8363, 8364, 8371 en 8375 (ged.). Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 39 E (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 167.325 / Y: 441.500. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens.
Het plangebied is bebouwd met een sportcentrum (Sportcentrum ’t Gastland). De onbebouwde delen van het plangebied zijn in gebruik als grasveld/groenstrook en met name ten westen en zuidwesten van het sportcentrum voorzien van een klinkerverharding en veelal in gebruik als parkeerterrein. Ook de zuidoosthoek van het plangebied is merendeels in gebruik als een met klinkers verhard parkeerterrein.
3
Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.
Rapport 19370.001 versie D1
Pagina 2 van 36
De Groeneweg loopt langs de west- en zuidzijde van het plangebied met aan de overzijde van deze weg voornamelijk woonpercelen. Ten oosten en noorden van het plangebied bevinden zich respectievelijk het gemeentehuis van de gemeente Rhenen en een tweetal schoolterreinen (basisschool De Springplank en middelbare school Pantarijn) (zie figuur 3). Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeologische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan Rhenen Stad 2012 (vastgesteld op 28-01-2014).4 Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een Waarde – Archeologische verwachting 3.
In deze gebieden dient bij planvorming en voorafgaand aan vergunningverlening, bij een plangebied gelijk of groter dan 100 m² en bodemingrepen dieper dan 30 cm -mv, vroegtijdig een inventariserend archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Op de archeologische beleidskaart van de gemeente Rhenen5 ligt het plangebied binnen een gebied met een onbekende archeologische verwachting, vanwege de ligging binnen de bebouwde kom (zie figuur 4). Huidig milieuhygiënisch bodemonderzoek Gelijktijdig met het archeologisch vooronderzoek is er voor het plangebied door Econsultancy een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd (Econsultancy rapportnummer: 19370.002). De resultaten van het milieuhygiënisch bodemonderzoek waren ten tijde van het afronden van het archeologisch vooronderzoek nog niet bekend. Bodemloket De overheid initieert middels het Bodemloket inzicht te geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit in Nederland in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat het Bodemloket zien waar vroeger (bedrijfs-) activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Ook worden op het Bodemloket voormalige potentieel bodembedreigende bedrijfsactiviteiten weergegeven. Gegevens van het Bodemloket dienen als indicatief te worden beschouwd.
Het raadplegen van het Bodemloket heeft voor het plangebied geen informatie opgeleverd.6
4
Portaal voor Ruimtelijke Plannen Brugman, et al., 2011 6 Bodemloket 5
Rapport 19370.001 versie D1
Pagina 3 van 36
2.4
Toekomstige situatie
Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het in-/ex-situ behoud van de archeologische waarde. De initiatiefnemer is voornemens het bestaande sportcentrum te slopen en een nieuw multifunctioneel gebouw (Feel Fit Center Rhenen, MFG Rhenen) te realiseren (zie bijlage 4). Ter plaatse van de toekomstige bebouwing zal naar verwachting, bij de aanleg van een standaard staalfundering op het gele zand (top van de C-horizont), de bodem tot een diepte van minimaal 1,2 m -mv worden afgegraven (bouwput). Een gedeelte zal worden onderkelderd, ter plaatse van het geplande wedstrijdbad in het zuidoostelijke deel van de geplande nieuwbouw. Tevens zullen diverse nutsvoorzieningen worden aangelegd (kabels en leidingen). De terreindelen rondom de nieuwbouw zal grotendeels worden heringericht als parkeerterrein en verder als groenstroken. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord. 2.5
Aardwetenschappelijke gegevens
Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie7
Gestuwde afzettingen van de formaties van Urk, Sterksel, Waalre en Peize, veelal rivierzand en grind (G1).
Geomorfologie8
Binnen een stuwwal (16B11).
Bodemkunde en grondwatertrap9
Niet gekarteerd, vanwege de ligging binnen de bebouwde kom. Meest waarschijnlijk hoge bruine enkeerdgronden, bestaande uit grof zand (bEZ30) en met grondwatertrap VII, dan wel holtpodzolgronden (bruine bosgronden), bestaande uit grof zand (gY30) en met grondwatertrap VII.
Landschappelijke ontwikkeling 10 Het plangebied bevindt zich op een naar het zuiden toe aflopende helling binnen het stuwwallencomplex van de Utrechtse Heuvelrug/de stuwwal van Rhenen. Verder ten zuiden bevind zich het stroomgebied van de Rijn. De voorlaatste ijstijd (het Saalien, circa 250.000 tot 130.000 jaar geleden) heeft een grote invloed gehad op de landschappelijke ontwikkeling van de omgeving waarin het plangebied is gelegen. In het Saalien reikte de maximale uitbreiding van het landijs tot de lijn Haarlem-Nijmegen. Aan de grens van het landijs “vloeide” het ijs in lobben uit en drong laagten binnen. Door de stuwende werking van het ijs werden er langs de rand van zulke laagtes, waarvan de Gelderse Vallei een voorbeeld is, stuwwallen gevormd.
7
De Mulder et al., 2003 Wageningen Environmental Research, 2017 9 Stichting voor Bodemkartering, 1973 10 De Mulder et al., 2003 / Berendsen, 2005, 2008 / Brugman, et al., 2011 8
Rapport 19370.001 versie D1
Pagina 4 van 36
Het opgestuwde materiaal zelf bestaat uit dikke lagen zand, grind en klei die eerder in een vlak en laaggelegen gebied waren neergelegd door de Rijn en Maas. Deze zijn door het ijs in grote schubben over elkaar opgedrukt en vormen nu hellende lagen. De Gelderse Vallei wordt ten westen en zuiden begrensd door het stuwwallengebied van de Utrechtse Heuvelrug en verder ten oosten door de Veluwe. Tijdens en na het ontstaansproces van de stuwwallen spoelde er in de zomer smeltwater van het landijs vanuit het stuwwallengebied naar de lager gelegen, omliggende gebieden. Het smeltwater nam veel zand en grind mee wat voorbij de ijsrand werd afgezet in een geleidelijk aflopende ijssmeltwatervlakte, ook wel bekend als een sandr of sandrvlakte. De verspoelde gestuwde afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Schaarsbergen, Formatie van Drente. Aan het einde van het Saalien trok het landijs zich definitief terug en begon de zeespiegel weer te stijgen. Er brak een relatief warme periode aan, het Eemien (circa 130.000 en 115.000 jaar geleden). Het was vergelijkbaar met het huidige klimaat in Midden-Frankrijk. In de door het landijs uitgeschuurde Gelderse Vallei ontstond de Eemzee.
Tijdens deze mariene fase werden grofzandige sedimenten afgezet, vaak rijk aan schelpen en schelpgruis; kleiige afzettingen werden in de eindfase van deze mariene periode afgezet en behoren tot de Eem Formatie. Langs de randzone van het mariene sedimentatiegebied vond op uitgebreide schaal veenvorming plaats, welke behoren tot de Formatie van Woudenberg. Beide formaties worden binnen het plangebied niet verwacht. Na het Eemien brak weer een nieuwe ijstijd aan, in dit geval de laatste ijstijd in onze geologische geschiedenis, het Weichselien (circa 120.000 en 10.000 jaar geleden). Het landijs bereikte Nederland echter niet. Wel was er toen gedurende langere periodes sprake van een zeer koud en droog klimaat. Het landschap in Nederland bestond uit een poolwoestijn, waarin vrijwel geen vegetatie aanwezig was. Onder periglaciale omstandigheden is de ondergrond periodiek permanent bevroren en is het regen en sneeuwsmeltwater gedwongen om over het oppervlak af te stromen. Hierdoor vond sterke erosie plaats van de stuwwallen, zo ook van de Stuwwal van Rhenen. Erosie vond vooral plaats doordat een geconcentreerde afstroming van sneeuwsmeltwater zich insneed in de permafrost. Hierdoor ontstonden sneeuwsmeltwaterdalen, welke vandaag de dag worden aangeduid als droge dalen.
Aan het einde van deze dalen zijn de meegevoerde sedimenten tot afzetting gekomen als sneeuwsmeltwaterafzettingen, ofwel een daluitspoelingswaaier. In de tweede helft van het Wiechselien veranderde het klimaat van koud en nat naar koud en droog. In de koudste en droogste perioden, met name tijdens het Laat-Pleniglaciaal (circa 26.000 en 15.700 jaar geleden) en in sommige perioden van het Laat-Glaciaal (circa 15.700 en 11.755 jaar geleden), is de vegetatie vrijwel verdwenen. Hierdoor is op grote schaal de fijnkorrelige zandbodems gaan verstuiven. Vooral in de open Gelderse Vallei ontstond een uitgestrekt duinlandschap met ruggen, vlakten en geïsoleerde laagten, het zogenaamde ‘dekzandlandschap’. Langs de hoge stuwwallen werd het dekzand afgezet in de vorm van een gordel, vandaar de term gordeldekzandafzettingen. Zowel de sneeuwsmeltwaterafzettingen als de dekzandafzettingen behoren tot de Formatie van Boxtel. Het dekzand wordt specifiek aangeduid als het Laagpakket van Wierden. Het Holoceen begon ongeveer 10.000 jaar geleden en duurt nog steeds voort. Door de temperatuursstijging aan het eind van de Weichselien smolten de ijskappen op het noordelijk halfrond waardoor de zeespiegel sterk steeg en er een vegetatieontwikkeling van vooral warmteminnende boomsoorten plaatsvond.
In de loop van het Holoceen kon in de lagere delen van het dekzandgebied een veenpakket ontstaan als gevolg van een sterke grondwaterspiegelstijging in het Atlanticum in combinatie met de invloed van kwelwater vanaf de Utrechtse Heuvelrug.
Rapport 19370.001 versie D1
Pagina 5 van 36
Verder zijn er door verwaaiing van de dekzanden lokaal stuifzandgebieden ontstaan. Bij het ontstaan hiervan speelde de mens een belangrijke rol, door beweiding, afbranden en het steken van plaggen op de heidevelden dat vooral plaatsvond in de Nieuwe tijd (zie bijlage 1). Zandverstuivingen hebben voornamelijk aan en op de flanken van de stuwwal plaatsgevonden. Plaatselijk hebben zij het oorspronkelijke reliëf sterk gewijzigd. Ze worden gekenmerkt door een grillig reliëf met hoge en lage landduinen waarin geen bodemvorming heeft plaatsgevonden. De stuifzanden worden gerekend tot het Laagpakket van Kootwijk, welke tevens behoort tot de Formatie van Boxtel. Daarnaast zijn er in (lokale) beekdalen afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoren tot de Formatie van Boxtel. Vaak nemen deze beekdalen dezelfde positie in als de in de laatste ijstijd gevormde sneeuwsmeltwaterdalen (nu aangeduid als droge dalen). Of dergelijke beekdalen nog watervoerend zijn is afhankelijk van de omvang van het stroomgebied en de opbouw van de ondergrond (doorlatendheid).
Vanaf de Late-Middeleeuwen, maar waarschijnlijk pas in de Nieuwe tijd, ontstonden op de flanken en langs de voet van de stuwwalgebieden en op verschillende dekzandruggen door de toepassing van plaggenbemesting her en der dikke en uitgestrekte plaggendekken. DINO11 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd. 12 Uit boring BHR000000353463, 420 meter ten noorden van het plangebied blijkt dat er overwegend zand tot 5 m -mv bevindt. Binnen dit pakket zand wordt sterk grindig zand afgewisseld met zand, siltig zand en sterk zandig grind. Boring B39E0210, 700 meter ten zuiden van het plangebied bevat tot 19,5 m -mv gestuwde afzettingen. Vanaf maaiveld is tot 0,4 m -mv zand en daaronder tot 3 m -mv fijn, sterk kleiig, grindig zand aanwezig. Boring B39E1438, 600 meter ten zuidwesten van het plangebied bevat tot 5 m -mv gestuwde afzettingen.