CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2b Bijlagen bij de toelichting

Raadsvergadering 19 maart 2024, gemeente RhenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Ongewijzigd vaststellen Bestemmingsplan Stokweg 15b27.952 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 7

3 Natuurnetwerk Nederland 3.1 Inleiding In Nederland wordt het natuurbeleid vormgegeven door onder andere het NNN, welke per provincie is vastgelegd. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Provincies hebben hiervoor soms een andere benaming, zoals het GNN in Gelderland en het EHS (oude benaming) in Friesland. In provincie Utrecht wordt het Natuurnetwerk Nederland genoemd. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit Natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van de NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de (wezenlijke) kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer een ontwikkeling in strijd is met het bestemmingsplan en mogelijke effecten op de NNN denkbaar zijn, is het noodzakelijk een NNN-toetsing uit te voeren.

3.2 Juridische basis NNN Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is begrensd en planologisch vastgelegd. Het beschermingsregime is vastgelegd in de omgevingsvisie provincie Utrecht en de Interim Omgevingsverordening van maart 2021.

3.2.1 Basisbegrippen Binnen provincie Utrecht zijn er 3 categorieën natuur aangewezen: NNN, groene contour en militair terrein met natuurwaarden. De groene contour: binnen de Groene contour liggen gebieden die van belang zijn voor het functioneren van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), maar (nog) niet onder het NNN zelf vallen. Het doel van de Groene contour is het realiseren van nieuwe natuur. Dit gebeurt op vrijwillige basis. Na realisatie wordt deze nieuwe natuur onderdeel van het NNN. Een bestemmingsplan moet de mogelijkheden beschermen voor het omvormen van gronden binnen de Groene contour naar natuur. Ook moet het bestemmingsplan mogelijkheden creëren om de gewenste omvorming naar natuur te kunnen bereiken. Voor militaire terreinen met natuurwaarden gelden artikelen 6.2 en 6.3 van de omgevingsverordening niet. Deze terreinen worden als het militaire gebruik eindigt toegevoegd aan het NNN. Het NNN gebied zijn de al aangewezen gronden van het Nederlandse Natuurnetwerk. Deze bestaan uit: 1) NNN natuur 2) NNN te ontwikkelen natuur 3) NNN agrarisch 4) NNN overig Voor NNN natuur zijn in het natuurbeheerplan beheertypen aangewezen. Voor de NNN agrarisch en NNN overig geldt dat niet. Voor NNN te ontwikkelen natuur zijn er natuurdoelen (ambities) opgesteld.

Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 8

3.2.2 Basisregels NNN Het uitgangspunt van het NNN beleid is dat het bestemmingsplan bestemmingen en regels bevat die strekken tot bescherming, instandhouding en versterken van de kwaliteit, wezenlijke kenmerken en waarden en de samenhang van het NNN. Hierbij zijn wezenlijke kenmerken en waarden beschreven in bijlage 10 van de verordening, welke de huidige en potentiële kwaliteit en samenhang bepalen. Hier wordt in hoofdstuk 3.2 verder op in gegaan. Bij een ontwikkeling die in strijd is met het bestemmingsplan, dient in een NNN toets te worden bepaald of er negatieve effecten zijn op de wezenlijke kenmerken en waarden en of deze dan leiden tot een vermindering van kwaliteit, oppervlakte of samenhang van de NNN. Als de ontwikkeling negatieve effecten tot gevolg heeft, welke leiden tot een vermindering van kwaliteit, oppervlakte of samenhang van de NNN, dan is de ontwikkeling wel mogelijk als er sprake is van: 1) Ruimtelijke ontwikkelingen vanwege een groot openbaar belang, waarbij er geen reële alternatieven zijn die het Natuurnetwerk Nederland niet of minder aantasten. 2) Ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot aantasting worden gecompenseerd en binnen 10 jaar resulteert in meerwaarde voor het Natuurnetwerk Nederland voor wat betreft kwaliteit, oppervlakte en samenhang.

3) Ruimtelijke ontwikkelingen in het Natuurnetwerk Nederland die beperkt worden gewijzigd of worden toegevoegd, waarbij die wijziging of toevoeging noodzakelijk is voor de instandhouding van de bestaande bestemming. Verder zegt het artikel dat ontwikkelingen mogelijk zijn bij aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden als; 1) de aantasting zo veel mogelijk wordt beperkt; en 2) de overblijvende aantasting tijdig wordt gecompenseerd. In artikel 6.3 van de Interim Omgevingsverordening zijn deze regels opgenomen (zie kader). Artikel 6.3 instructieregel geen aantasting Natuurnetwerk Nederland 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen het Natuurnetwerk Nederland bevat geen nieuwe bestemmingen en regels die ruimtelijke ontwikkelingen toestaan die nadelige gevolgen kunnen hebben voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland, bedoeld in bijlage 10 Wezenlijke kenmerken en waarden van deze verordening, of die kunnen leiden tot een vermindering van de kwaliteit, de oppervlakte of de samenhang van het Natuurnetwerk Nederland, tenzij sprake is van: a.

ruimtelijke ontwikkelingen vanwege een groot openbaar belang, waarbij er geen reële alternatieven zijn die het Natuurnetwerk Nederland niet of minder aantasten;

b.

ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot aantasting worden gecompenseerd binnen een met die ruimtelijke ontwikkeling samenhangend gebied en met dusdanige activiteiten dat de uitvoering van die activiteiten gezamenlijk binnen 10 jaar resulteert in een duidelijk aantoonbare meerwaarde voor het Natuurnetwerk Nederland voor wat betreft kwaliteit, oppervlakte en samenhang; of

c.

ruimtelijke ontwikkelingen in het Natuurnetwerk Nederland die beperkt worden gewijzigd of worden toegevoegd, waarbij die wijziging of toevoeging noodzakelijk is voor de instandhouding van de bestaande bestemming.

2. Onder de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland als bedoeld in het eerste lid wordt in ieder geval niet de bestaande legale bebouwing, erven en verhardingen begrepen. 3. Aantasting van het Natuurnetwerk Nederland op grond van het eerste lid is slechts mogelijk als: a.

de aantasting zo veel mogelijk wordt beperkt; en

b.

de overblijvende aantasting tijdig wordt gecompenseerd.

4. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de voorwaarden is voldaan.

Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 9

3.2.3 Compensatieregels Ook aan de compensatie zijn regels gebonden, zodat er geen discussie hoeft te bestaan over hoe de compensatie zijn vorm krijgt. In artikel 6.5 (zie kader) zijn de eisen van de compensatie op een rij gezet. Compensatie moet op zo’n manier gebeuren dat deze de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) versterkt. Compensatie moet verder bij voorkeur buiten het NNN plaatsvinden, in directe aansluiting op het NNN of binnen de Groene contour. De compensatie kan in de hele provincie, maar bij voorkeur dicht bij de aantasting. In een aantal gevallen is compensatie in de nabijheid een eis. Dit is het geval als het voor het functioneren van het NNN nodig is. De compensatie moet dan gericht zijn op het in stand houden of herstellen van de verbinding. Daarnaast geldt voor compensatie in geval van uitbreiding en toevoeging van activiteiten bij ingesloten functies (artikel 6.3, lid 1, onder c) dat deze in de directe nabijheid en bij voorkeur op het terrein van de ingesloten functie moet plaatsvinden. Indien dit niet mogelijk is, kan deze compensatie in de nabijheid maar buiten het terrein van de ingesloten functie worden uitgevoerd. De begrenzing van het terrein betreft de locaties waarop een andere medefunctie dan natuur ligt (bijvoorbeeld recreatieterrein of zorginstelling).

Van de eis dat compensatie buiten het NNN moet plaatsvinden kan worden afgeweken in het geval van compensatie binnen NNN in de directe nabijheid van de aantasting, als deze compensatie leidt tot versnelling van de realisatie van het NNN. Het doel hiervan is vooral om te voorkomen dat in de directe nabijheid van de aantasting als compensatie nieuwe natuur buiten het NNN (waaronder Groene contour) wordt gerealiseerd, die de realisatie van nog te realiseren nieuwe natuur binnen het NNN in de directe nabijheid op korte termijn moeilijker maakt. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als er sprake is van afspraken over en/of ruiling van grond met betrokken grondeigenaren. Om te voorkomen dat het NNN en de bijbehorende ontwikkelingsopgave afneemt geldt als voorwaarde dat gedeputeerde staten de begrenzing van het NNN tegelijkertijd moeten uitbreiden met een even groot oppervlakte als die van de compensatie die binnen het NNN plaatsvindt. Dit geldt niet voor compensatie op agrarische gronden zonder natuurontwikkelingsopgave. Voor het bepalen van de oppervlakte van de compensatie worden toeslagen gebruikt. Deze toeslagen zijn afhankelijk van de leeftijd van de natuur die wordt aangetast en de natuurbeheertypen die worden aangetast. Deze toeslagen zijn opgenomen in de bijlage Berekenen compensatie ontwikkeling van groot openbaar belang.

Voor compensatie moet altijd een compensatieplan worden opgesteld. Dit plan moet minimaal voldoen aan de in lid 7 aangegeven specificaties.

Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 10

Artikel 6.5 Eisen compensatie aantasting Natuurnetwerk Nederland 1. Compensatie vindt zodanig plaats dat deze de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland versterkt. 2. De compensatie vindt in de nabijheid van de aantasting plaats indien het functioneren van het Natuurnetwerk dat vereist. 3. Indien sprake is van activiteiten als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid onder c, vindt de compensatie in de directe nabijheid van de aantasting plaats en eerst op het terrein van de bestaande activiteit. Indien deugdelijk is onderbouwd dat compensatie op het terrein van de bestaande activiteit blijvend onmogelijk is, volstaat het dat de compensatie in de directe nabijheid van de aantasting plaatsvindt. 4. Indien sprake is van activiteiten als bedoeld in artikel 6.3, eerste lid, onder a, of b, vindt de compensatie van het verlies in oppervlakte plaats: a. buiten het Natuurnetwerk Nederland en in directe aansluiting op het Natuurnetwerk Nederland; of b. buiten het Natuurnetwerk Nederland en binnen de Groene contour; of c. binnen agrarische gronden gelegen in het Natuurnetwerk Nederland waar geen nieuwe natuur is beoogd volgens kaart 1 behorende bij het Natuurbeheerplan. 5.

In afwijking van het vierde lid is compensatie van het verlies in oppervlakte binnen het Natuurnetwerk Nederland mogelijk, indien gedeputeerde staten de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland uitbreiden met een oppervlakte gelijk aan de compensatie wanneer die buiten het Natuurnetwerk Nederland zou plaatsvinden, en compensatie in de directe omgeving plaatsvindt op een locatie waar volgens het Natuurbeheerplan nog nieuwe natuur moet worden ontwikkeld en de compensatie leidt tot een versnelling van de realisatie van het Natuurnetwerk Nederland. 6. De oppervlakte van de compensatie wordt bepaald aan de hand van bijlage 11 Berekenen compensatieopgave ontwikkeling van groot openbaar belang bij deze verordening. 7. Aan de compensatie ligt een compensatieplan ten grondslag, gebaseerd op recent uitgevoerd ecologisch onderzoek ter plaatse, waarin worden beschreven: a. de natuurwaarden van de locatie en de directe omgeving waar het Natuurnetwerk Nederland wordt aangetast en het belang van deze waarden voor het functioneren van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving; b. de maatregelen die worden genomen om de aantasting zoveel mogelijk te beperken; c. de overblijvende aantasting na het treffen van de maatregelen; d. de maatregelen die worden uitgevoerd ter compensatie van de overblijvende aantasting; e.

de compensatieoppervlakte ten gevolge van de aantasting, conform bijlage 11 Berekenen compensatieopgave ontwikkeling van groot openbaar belang bij deze verordening; f. de wijze waarop de ontwikkeling, het beheer en de instandhouding van de maatregelen genoemd onder d, plaatsvinden; en g. indien compensatie van verlies van oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland met de realisatie van nieuwe natuur plaatsvindt: een inrichting- en beheerplan, waarin in ieder geval is opgenomen: i. de uitgangssituatie van het terrein waarop de nieuwe natuur wordt gerealiseerd; ii. de te treffen inrichtingsmaatregelen; iii. de motivering van de te treffen maatregelen; iv. de met de maatregelen beoogde eindsituatie van het terrein, waarbij de beoogde natuur- en landschapsbeheertypen en de oppervlakten daarvan worden aangegeven; en v. de wijze waarop na de inrichting de verdere ontwikkeling, het beheer en de instandhouding van de beoogde beheertypen plaatsvinden. 8. Bij de keuze van de beoogde natuur- en landschapsbeheertypen in het inrichtings- en beheerplan wordt het vigerende Natuurbeheerplan van de provincie Utrecht in acht genomen. 9. De motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 11

3.3 Bepalen wezenlijke kenmerken en waarden In bijlage 10 van de Interim Omgevingsverordening van maart 2021 staat aangegeven hoe de wezenlijke kenmerken en waarden kunnen worden beschreven (Bijlage 2). De wezenlijke kenmerken en waarden dienen te worden bepaald aan de hand van beschikbare informatie, zo nodig aangevuld met veldonderzoeken. De wezenlijke kenmerken en waarden kunnen worden beschreven aan de hand van een viertal aspecten, te weten: a. Bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem. b. De robuustheid en aaneengeslotenheid van het NNN. c. De aanwezigheid van bijzondere soorten. d. De verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen. Ad a) Bestaande en potentiële waarden van het ecosysteem De nadruk in dit aspect ligt op het functioneren van het (eco)systeem: 1. Functioneren van het huidige beheertype, inclusief oude boskernen (= bestaande waarden)? 2. Gewenst beheertype (= potentiële waarden en ambitie)? 3. Welke omgevingsfactoren vragen de actuele en potentiële systemen? Het ecosysteem kan alleen goed functioneren als de onderliggende omgevingsfactoren goed zijn. Deze factoren worden ook wel de abiotische of milieufactoren genoemd. Denk hierbij aan donkerte, stilte, bodemomstandigheden en – opbouw, grond- en oppervlaktewaterkwaliteit/kwantiteit of kwel. Deze factoren hangen samen met de potenties, maar ook met de actuele waarden.

Het gaat om het functioneren van het gehele ecosysteem. De ecoloog moet de actuele en potentiële doelen onderbouwen en specificeren naar het niveau van het project. De informatie in onze provinciale kaarten en inventarisaties is hiervoor niet specifiek genoeg. De natuurtypen kunnen worden afgeleid uit het meest recente natuurbeheerplan waarin natuurbeheertypen zijn weergegeven. De natuur(beheer)typen dienen echter in het veld te worden gecheckt (type en kwaliteit). Om een eerste indruk te verkrijgen van kwaliteit van de betreffende natuur(beheer)typen kan gebruik gemaakt worden van de “webviewer karteersoorten”. Deze kaart geeft een beeld van de aantallen beschermde en bedreigde soorten en soorten gekoppeld aan de kwaliteit van het biotoop. De dichtheid aan soorten (aantal soorten per hok) geeft een indicatie voor de aanwezige natuurkwaliteit. Voor het in beeld brengen van de potenties kan gebruik gemaakt worden van de ambitiekaarten (klik op de kaart om de ambities op een locatie te vinden). De ambities per natuurtype zijn te vinden in tabel 1 van het meest recente natuurbeheerplan. Het feit dat er geen ambitie op kaart is weergegeven betekent niet dat er geen potenties en ambities zijn. Beoordeeld dient te worden welke ambitie kan worden bereikt, uitgaande van het meest waardevolle natuurtype.

Ad b) De robuustheid en aaneengeslotenheid van het NNN Dit criterium is niet vastgelegd op kaarten en zal door een deskundige in beeld moeten worden gebracht. Robuustheid hangt af van omvang, kwaliteit en versnippering van een gebied en heeft overlap met de criteria “verbindingen” en “samenhang”. Het effect van een ruimtelijke ontwikkeling op dit aspect hangt af van de aard daarvan in relatie tot de specifieke locatie. Grote eenheden in de NNN moeten groot blijven. Maar het is ook belangrijk dat natuur die al versnipperd is, niet verder versnippert. Bij een ontwikkeling op een kwetsbare plek, zoals een corridor naar een ecoduct, is eerder sprake van aantasting. Ad c) De aanwezigheid van bijzondere soorten Zowel de aandachtsoorten als de wettelijke beschermde soorten worden tot de wezenlijke kenmerken en waarden gerekend. In Utrecht is een lijst van ruim 500 soorten planten en dieren die binnen onze provincie voorkomen vastgesteld. De aandachtsoorten zijn habitatsoorten, rode lijst (categorieën verdwenen, ernstig bedreigd en bedreigd) en een aantal soorten die binnen de provincie Utrecht belangrijk zijn (bijvoorbeeld de Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 12

ringslang). Het gaat hierbij om het leefgebied en de instandhouding van deze soorten. De beschermde soorten zijn de soorten die in het kader van de Wet natuurbescherming beschermd zijn (passieve bescherming). Daarbij heeft het NNN specifiek voor de volgende, door de Wet benoemde waarden, een opgave. Het gaat hierbij om de hieronder benoemde onderdelen (deels overlappend met bovengenoemde categorieën): a. de bescherming, de instandhouding of het herstel van biotopen en leefgebieden in voldoende gevarieerdheid voor alle in Nederland natuurlijk in het wild levende vogelsoorten en in het bijzonder de vogelsoorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn die extra bescherming behoeven, en de niet in die bijlage genoemde geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten; b. het behoud of het herstel van een gunstige staat van instandhouding van de van nature in Nederland in het wild voorkomende soorten dieren en planten, natuurlijke habitats en habitats van soorten, genoemd in de bijlagen bij de habitatrichtlijn; en c. het behoud of het herstel van een gunstige staat van instandhouding van de met uitroeiing bedreigde of speciaal gevaar lopende van nature in Nederland in het wild voorkomende dier- en plantensoorten die voorkomen op de door de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit gepubliceerde rode lijsten.

Ad d) De verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen De provincie Utrecht kent geen formele verbindingszones meer. De verbindingsfunctie zal daarom moeten worden bepaald aan de hand van de lokale omstandigheden. Het aspect ‘verbindingen’ heeft allereerst te maken met regelmatige, soms dagelijkse, verplaatsingen via al dan niet vaste routes, bijvoorbeeld tussen voedsel- en rustgebieden. Maar ook met verbindingen tussen leefgebieden waardoor soorten kunnen migreren om hun leefgebied uit te breiden. Sommige verbindingen zijn nodig om het mogelijk te maken dat een passende soort in het ecosysteem voorkomt of om de genetische variatie te laten toenemen. Doorgaande landschappelijke structuren zijn een specifieke vorm van verbindingen. Soorten gebruiken deze voor het foerageren. Denk aan vlinders en vleermuizen die bosranden of singels volgen. Verbindingen zijn nodig in natuurgebieden, tussen natuurgebieden maar ook tussen natuurgebieden en hun omgeving. De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag.

Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied.

Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 13

4 NNN bij Stokweg te Rhenen 4.1 Ligging plangebied Perceel 6869 is onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland. Hierbij is perceel 6869 (het bestemmingsvlak) geclassificeerd als NNN – overig (Afbeelding 4) en valt het perceel onder het Landschapsdeelgebied Utrechtse Heuvelrug.

Afbeelding 4. Ligging van perceel 6869 (in rood omkaderd) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland. Bron: Provincie Utrecht, 2022.

4.2 NNN overig Leefgebied ‘droge dooradering’ Perceel 6869 is binnen het NNN geclassificeerd als NNN overig en is binnen het Natuurbeheerplan van provincie Utrecht, onderdeel van het leefgebied ‘droge dooradering’. In het Natuurbeheerplan zijn voor dit leefgebied doelsoorten genoemd die in de droge dooradering percelen extra aandacht krijgen. Dit zijn: 1) de prioritaire soorten: kamsalamander, steenuil, laatvlieger, rosse vleermuis, velduil, kievit, patrijs, torenvalk, kerkuil, ransuil, geelgors (nbrv) en keep (nbrv); 2) de meeliftsoorten: Franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, grijze grootoorvleermuis, boomvalk, boompieper, braamsluiper, ekster, fitis, gekraagde roodstaart, graspieper, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote lijster, heggenmus, houtduif, huismus, huiszwaluw, kauw, kneu, koekoek, koolmees, koperwiek, kramsvogel, matkop, ringmus, roek, sijs, spotvogel, spreeuw, staartmees, tuinfluiter, wielewaal, witte kwikstaart, torenvalk, houtduif, spreeuw, blauwe reiger, bunzing, das en argusvlinder. Om de doelsoorten binnen dit leefgebied te behouden, is door provincie Utrecht binnen het leefgebied ‘droge dooradering’ onderscheid gemaakt in verschillende type ‘zoekgebied’ (potentiegebieden): Akkerranden Soortenrijke akkers Soortenrijk grasland Deelgebied Landschap

Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 14

Voor ieder type ‘zoekgebied’ is subsidie voor (bepaalde vormen van) agrarisch natuurbeheer mogelijk om doelsoorten voor het leefgebied ‘droge dooradering’ te behouden en eventueel te verrijken. Voor perceel 6869 zijn de zoekgebieden ‘Akkerranden’ en ‘Deelgebied Landschap’ van toepassing (Afbeelding 5).

Afbeelding 5. Verschillende type zoekgebied binnen leefgebied ‘droge dooradering’ en in rood perceel 6869. Bron: provincie Utrecht, 2022.

4.3 Landschapsgebied Utrechtse Heuvelrug Perceel 6869 is onderdeel van het Landschapsdeelgebied Utrechtse Heuvelrug, waarvoor kernkwaliteiten zijn opgesteld. Deze kernkwaliteiten bestaan uit robuuste eenheid, reliëfbeleving en extreme historische gelaagdheid. Bij ontwikkelingen in het landschap van de Utrechtse Heuvelrug wordt aandacht gevraagd voor het in stand houden van het reliëf en voor het in stand houden van het samenhangend boscomplex. Vanwege het reliëf en de overige kwaliteiten van de Heuvelrug zijn in dit gebied geen grootschalige ontgrondingen gewild. Kleinschalige ontgrondingen voor natuurontwikkeling of recreatieve ontwikkeling zijn wel mogelijk, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteiten. Rhenen is door zijn ligging nabij de cultuurhistorisch gebied de Grebbeberg een aandachtsgebied in het Landschapsdeelgebied Utrechtse Heuvelrug. Binnen het Kwaliteitsgids Landschapsdeelgebied Utrechtse Heuvelrug gelden voor ontwikkelingen in dit aandachtsgebied extra aandachtspunten: • Aandacht voor de bijzonder landschappelijke ligging van de Grebbeberg vanwege de overgang naar het Rivierengebied • Aandacht voor de bijzondere plek van de Grebbeberg vanwege de aanwezigheid van veel verschillende cultuurhistorische tijdlagen.

Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 15

5 Analyse toetsingscriteria Het uitgangspunt van de NNN is dat het bestemmingsplan bestemmingen en regels bevat die strekken tot bescherming, instandhouding en versterken van de kwaliteit, wezenlijke kenmerken en waarden en de samenhang van het NNN. Deze kenmerken zijn landelijk aangegeven bij de beschrijving van de kwaliteit van NNN-gebieden. Op basis van deze aspecten wordt een beschrijving gegeven van de huidige waarden in het plangebied en het effect van de ontwikkeling op deze waarden. Voornemens is de huidige recreatiewoning op perceel 6869 positief te (her)bestemmen. De effecten van deze herbestemming worden in onderstaande paragrafen getoetst.

5.1 Bestaande en potentiële waarden ecosysteem Aan de zuidoostzijde van perceel 6869 staan de recreatiewoning met een oppervlak van 55 m2 en een schuur en houtstal met een oppervlak van 70 m2. Rondom deze opstallen is een tuin aangelegd met een oppervlak van 691 m2 (minus opstallen). De recreatiewoning is met een onverharde oprit verbonden met een zandweg die het perceel aan de noordzijde begrenst. De tuin bestaat uit een bestraat terras, grasvelden, perken met sierplanten en verspreide struiken en bomen. Langs de oostgrens van het perceel is een haag aangeplant en nabij de toegang tot het perceel staat een solitaire eik. Het meest westelijke en noordelijke deel van het perceel bestaat uit grasland. De recreatiewoning en de aangrenzende tuin worden gebruikt om te wonen, te recreëren en te tuinieren. Het grasland rondom de tuin heeft geen specifiek gebruik (Van Den Bijtel, 2017). Het grasland op perceel 6869 bestaat uit een vegetatie die wordt gedomineerd door gestreepte witbol, gewoon struisgras, kropaar en ruw beemdgras. Het aandeel kruiden is gering. Verspreid komen soorten voor als gewone paardenbloem, gewoon biggenkruid, gewoon duizendblad, klein streepzaad, pinksterbloem, rode klaver, veldzuring en witte klaver.

Langs de rand van de zandweg in het noorden komt plaatselijk een iets schralere grazige begroeiing voor met onder andere kleine leeuwentand, knolboterbloem, muizenoor, schapenzuring en zandpaardenbloem (Van Den Bijtel, 2017). Perceel 6869 is onderdeel van het NNN overig. Voor het NNN – overig zijn door provincie Utrecht geen natuurambities of natuurbeheertypen opgesteld. Wel is het NNN overig aangewezen als leefgebied droge dooradering en is potentiegebied voor Landschap en Akkerranden. In de huidige situatie is perceel 6869 al jaren, sinds 1962 met het plaatsen van de recreatiewoning en sinds 1968 met het afgeven van een gedoogschikking, recreatief in gebruik. Voor perceel 6869 zijn subsidie mogelijkheden voor agrarisch beheer mogelijk. De potenties voor dit perceel liggen dan bij het creëren en verstevigen van akkerranden en het landschap. Hoewel er wel door middel van agrarisch natuurbeheer in de toekomst mogelijkheden zijn om akkerranden en landschap bij het perceel te creëren en versterken, biedt perceel 6869 door zijn huidige, recreatieve gebruik geen garantie dat er daadwerkelijk op termijn (extra) natuur gerealiseerd zal gaan worden.

5.2 De robuustheid en aaneengeslotenheid NNN Perceel 6869 ligt tussen NNN overige en NNN agrarische gebieden in. Ten noorden en oosten van het plangebied is (versnipperd) NNN natuur aanwezig. Perceel 6869 ligt te midden van NNN gebied. Door zijn huidige inrichting en recreatieve gebruik vormt perceel 6869 echter nauwelijks onderdeel aan robuustheid en aaneengeslotenheid van het NNN. Ook geeft het huidige recreatieve gebruik van het perceel 6869 geen potentie om de robuustheid en aaneengeslotenheid van het NNN te versterken. De toekenning van de bestemming ‘recreatiewoning’ zal effectief pas leiden tot wezenlijke veranderingen als de agrarische gronden vrijkomen, de opstallen worden gesaneerd en de gronden worden omgevormd naar natuur. Met de toekenning Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 16

van de bestemming ‘recreatiewoning’ zal dit niet gebeuren en zullen de gronden binnen het bestemmingsvlak ook in de toekomst niet worden omgevormd naar natuur. Met het positief bestemmen van de recreatiewoning op perceel 6869 wordt 852 m2 aan NNN aangetast.

5.3 De aanwezigheid van bijzondere soorten Op dit moment heeft het perceel een verspreiding van 14 karteersoorten1. Dit is relatief laag volgens de legenda (Afbeelding 6). Binnen het bestemmingsvlak met perceel 6869 komen vier soorten vleermuizen en acht soorten broedvogels voor (Van Den Bijtel, 2017). Deze soorten voldoen aan de criteria van bijzondere soorten. De toekenning van de bestemming ‘recreatiewoning’ aan het bestemmingsvlak zal niet leiden tot een sterke achteruitgang of tot het verdwijnen van deze soorten.

Afbeelding 6. Flora en Fauna karteersoorten provincie Utrecht. Bron: provincie Utrecht, 2022.

5.4 De verbindingsfunctie van het gebied voor soorten en ecosystemen Ecologische verbindingsfuncties zijn aanwezig aan de randen van het perceel waar bomenrijen aanwezig zijn. Hierlangs zullen vleermuizen foerageren, maar ook kleine zoogdieren die hier beschutting hebben. In perceel 6869 zelf komen geen ecologische verbindingszones, robuuste verbindingen, ecoducten en faunapassages (tussen kerngebieden NNN) voor.

5.5 Conclusie effecten perceel 6869 Hoewel er wel bijzondere soorten binnen perceel 6869 aanwezig zijn, zijn de bestaande ecologische waarden en de robuustheid en aaneengeslotenheid van het NNN bij perceel 6869 laag. Met het positief (her)bestemmen van de recreatiewoning op perceel 6869 zal dit niet verslechteren echter zal dit in de toekomst ook niet verbeteren. Door het positief (her)bestemmen vindt planologisch een aantasting plaats van oppervlakte van

1 Karteersoorten zijn alle minder algemene of indicatieve planten- en diersoorten die de provincie sinds 1975 respectievelijk

2005 karteert. Het betreft vaatplanten, dagvlinders, libellen, sprinkhanen, amfibieën, reptielen, vissen en zoogdieren, op deze kaart aangevuld met de minder algemene broedvogels. De gegevens zijn in oktober 2017 betrokken uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De kaart met de Karteersoorten geeft de verspreiding weer vanaf 2000 op 250 x 250 m niveau. Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 17

852 m2 NNN. Compensatie in de vorm van oppervlakte en/of het treffen van maatregelen voor de natuur zijn daarom van toepassing.

6 Compenserende maatregelen Het positief herbestemmen van de recreatiewoning kan alleen als de bestemmingswijziging onderdeel wordt van een plan waarin voldoende meerwaarden voor de natuur zijn opgenomen. Met het positief (her)bestemmen van de recreatiewoning op perceel 6869 is er sprake van een aantasting van 852 m2 aan oppervlakte NNN. Met de bestemmingswijziging worden daarom bij de aangrenzende percelen 7541 en 7542 extra maatregelen voor de natuur genomen om deze aantasting van het oppervlakte natuur te compenseren. De plannen voor de aangrenzende kadastrale percelen 7541 en 7542 omvatten de volgende onderdelen. • De grenzen van het als recreatiewoning bestemde vlak vormen tevens de grenzen van de tuin rond de recreatiewoning. • Het aanwezige grasland wordt omgevormd naar droog schraal grasland. • Er wordt een poel (met een kunstmatige bodem) met een oppervlakte van minimaal 250 m 2 aangelegd. • Langs de eikensingel, langs de westrand van perceel 7542, wordt een struweelrand ontwikkeld. Deze rand krijgt een oppervlakte van ca. 500 m2. De nieuwe inrichting en de wijze waarop de ontwikkeling, het beheer en de instandhouding van de maatregelen plaatsvinden is weergegeven in Afbeelding 7.

Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 18

Afbeelding 7. Voorgenomen herinrichting van het plangebied. Bron: Buro SRO, 2021.

Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 19

6.1 Ligging compensatiegebied Volgens de compensatieregels moet compensatie bij voorkeur buiten het NNN plaatsvinden, in directe aansluiting op het NNN of binnen de Groene contour. De compensatie kan in de hele provincie, maar bij voorkeur dicht bij de aantasting. Het plangebied (perceel 6869) is NNN gebied en is onderdeel van een groter NNN gebied (Afbeelding 8). Voor perceel 6869 is er in de nabije omgeving geen mogelijkheid een compensatiegebied buiten NNN te vinden. Hoewel ten zuiden van perceel 6869 een aangewezen gebied Groene contour aanwezig is, vindt in dit gebied al natuurontwikkeling plaats (Afbeelding 9).

Afbeelding 8. Recreatiewoning op perceel 6869 ten opzichte van NatuurNetwerk Nederland (in groen) en Groene contour (in licht geel). Bron: provincie Utrecht, 2022.

Afbeelding 9. Kaart 1 Natuurbeheerplan met Te ontwikkelen natuur 2022 met in rood omcirkeld de recreatiewoning op perceel 6869. Bron: provincie Utrecht, 2022.

Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 20

Percelen 7542 en 7541 liggen aangrenzend aan perceel 6869 en zijn, eveneens als perceel 6869 onderdeel van NNN en vallen onder het Landschapsdeelgebied Utrechtse Heuvelrug. Beide percelen zijn geclassificeerd als NNN - agrarisch, de eikensingel aan de westzijde van het plangebied (westelijk deel perceel 7542), langs de Stokweg, is geclassificeerd als NNN – natuur. Om de percelen heen is NNN natuur, NNN agrarisch en NNN overig aanwezig. In Afbeelding 10 is dit in kaart gebracht. Percelen 7541 en 7542 zijn beide geclassificeerd als NNN – agrarisch waarbij er geen nieuwe natuur is beoogd Afbeelding 10). Volgens de compensatieregels is het mogelijk om compenserende maatregelen te treffen binnen NNN gebied, indien het een gebied betreft met agrarische gronden gelegen in het NNN waar geen nieuwe natuur is beoogd volgens kaart 1 behorende bij het Natuurbeheerplan. Percelen 7541 en 7542 voldoen daarmee aan de eis dat zij als compensatiegebied gebruikt mogen worden.

Afbeelding 10. Percelen 7541 en 7542 (in rood omkaderd) met NNN agrarisch en NNN natuur. Bron: provincie Utrecht, 2022.

6.2 Compensatie oppervlakte Met het oog op het voorkomen van nettoverlies van areaal, samenhang en kwaliteit van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN, wordt de compensatieopgave bepaald aan de hand van de uitgangspunten uit Bijlage 11 - Berekenen compensatie ontwikkeling van groot openbaar belang (Bijlage 2). Hierbij zijn de volgende uitgangspunten van toepassing: a. de oppervlakte van de te realiseren compensatie is ten minste net zo groot als de oppervlakte natuur die verloren gaat; en b. het aantal natuurpunten voor de compensatie die gerealiseerd gaat worden is groter dan of gelijk aan het aantal natuurpunten voor de te realiseren compensatie. Waarden Perceel 6869: Met het positief bestemmen van de recreatiewoning gaat 852 m 2 oppervlakte NNN verloren. Aan het NNN overig is geen beheertypen toegewezen. Een compensatietoeslag is hiermee niet van toepassing. Circa 250 m2 grasland wordt omgevormd tot poel. Voor een poel geldt geen compensatietoeslag. Perceel 7541: Aan het NNN agrarisch is geen beheertypen toegewezen. Een compensatietoeslag is hiermee niet van toepassing.

Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 21

-

Circa 475 m2 grasland wordt omgevormd naar Droog schraalgrasland (N11.01). Hiervoor geldt een compensatie toeslag van 0,6 (Klasse 1).

Perceel 7542 Circa 655 m2 (eikensingel) bestaat uit beheertype N16.03. Hier vinden geen ontwikkelingen in plaats. Een compensatietoeslag is hiermee niet van toepassing. Aan het NNN agrarisch is geen beheertype toegewezen. Een compensatietoeslag is hiermee niet van toepassing. Circa 500 m2 grasland wordt omgevormd tot struweelrand. Voor een struweelrand geldt geen compensatietoeslag. Circa 2.395 m2 grasland wordt omgevormd tot Droog schraalgrasland (N11.01). Hiervoor geldt een compensatietoeslag van 0,6 (Klasse 1). Berekening Met het positief bestemmen van de recreatie woning gaat 852 m2 oppervlakte aan NNN verloren. De compensatie zonder eventuele toeslagen, is: 250 m2 + 475 m2 + 500 m2 + 2.395 m2 = 3.620 m2 De compensatie met een toeslag, is: (2.395*1,6) + (475*1,6) = 4.592 m2 Conclusie Beide berekeningen geven aan dat de compensatie maatregelen, het verlies van NNN zowel in oppervlakte als in kwaliteit compenseren en zelfs vergroten.

6.3 Natuurwaarden compensatiegebied Percelen 7541 en (het grootste deel) 7542 zijn geclassificeerd als NNN agrarisch. Evenals NNN overig is ook NNN agrarisch binnen het Natuurbeheerplan van provincie Utrecht, onderdeel van het leefgebied ‘droge dooradering’ waarvoor doelsoorten zijn opgesteld en verschillende type zoekgebieden. Voor de percelen 7541 en 7542 zijn alle vier de type zoekgebieden (akkerranden, soortenrijk grasland, akkerrijk grasland en Deelgebied Landschap) van toepassing.

Afbeelding 11. Verschillende type zoekgebied binnen leefgebied ‘droge dooradering’ en in rood het compensatie gebied bestaande uit de percelen 7541 en 7542. Bron: provincie Utrecht, 2022.

Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 22

Een klein deel van perceel 7542 is onderdeel van NNN natuur (Afbeelding 10). Dit deel, aan de westzijde van het plangebied langs de Stokweg, komt natuurbeheertype N16.03 Droog bos met productie voor (Afbeelding 12).

Afbeelding 12. Overzicht beheertypen in plangebied (in rood omkaderd) en omgeving. Bron: provincie Utrecht, 2022.

N16.03 Droog bos met productie Droog bos met productie bestaat uit verschillende, veelal van oorsprong aangeplante, bosopstanden van den, (winter)eik, beuk, Douglas, lariks of fijnspar. De voedselarmere delen worden grotendeels gedomineerd door den, eik en beuk, op de wat rijkere bodems is er een hogere groei van beuk, Douglas, lariks en spar, met betere mengingsmogelijkheden. Dit bostype is de productievariant van het bostype dennen-, eiken- en beukenbos (zonder productie; 15.02). Het bostype komt voor op een voedselarme tot lemige, zandige, zure ondergrond van het Droge Zandlandschap zoals op de Veluwe, delen van Drenthe en Brabant. Lokaal is het bostype te vinden in het Heuvellandschap, kalkarme duinen en strandwallen. Het bostype is veelal uit hakhout, heide- en stuifzandterreinen ontstaan, maar kan ook aangelegd zijn op voormalige landbouwgronden waardoor de bovengrond verrijkt is. Het is het omvangrijkste bostype en combineert een redelijk tot goede groei met een ruime variatie aan, en mengingsmogelijkheden van, loof- en naaldboomsoorten, vooral op de wat lemigere bosgroeiplaatsen. Het maakt dit type tot het belangrijkste type voor de houtproductie. De diversiteit is (nog) relatief laag.

Dit wordt onder andere veroorzaakt door de uniforme aanleg en beheer in het verleden, door de jonge leeftijd van de bossen en onvoldoende abiotische kwaliteit als gevolg van verzuring en vermesting. Oudere bossen en bossen op of grenzend aan oude bosgroeiplaatsen, hebben een relatief hoge natuurpotentie vooral wanneer deze een gevarieerde structuur met substantieel aandeel zware bomen en dood hout hebben. De betekenis voor de biodiversiteit bestaat vooral uit (vaak bedreigde) paddenstoelen, korst- en bladmossen, enkele vaatplanten, insecten en broedvogels. Vanuit provincie Utrecht zijn in het Natuurbeheerplan 2022 voor beheertype N16.03 natuurdoelen opgesteld. Het gaat hierbij om de volgende natuurdoelen: Prioriteit 1: N06.04 vochtige heide; N06.05 zwakgebufferd ven; N10.01 nat schraalland. Prioriteit 2: N06.06 zuur ven of hoogveenven; N07.01 droge heide; N07.02 zandverstuiving; N10.02 vochtig hooiland; N11.01 droog schraalgrasland.

Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 23

Prioriteit 3: Prioriteit 4:

N12.02 kruiden- en faunarijk grasland; N12.05 kruiden- en faunarijke akker*); N14.03 haagbeuken- en essenbos; N15.02 dennen-, eiken- en beukenbos. n.v.t.

6.3.1 Huidige natuurwaarden De kadastrale percelen 7541 en 7542 worden extensief gebruikt als agrarisch grasland, met uitzondering van het zuidelijke deel van 7541, dat als akker of volkstuin wordt gebruikt. Het westelijk deel van perceel 7542, de eikensingel, is aangewezen als NNN – natuur met beheertype N16.03 Droog bos met productie. De singel bestaat uit een matig ontwikkelde zoomvegetatie met onder andere fluitenkruid en look-zonder-look. Hoewel de eikensingel relatief smal is, en ten opzichte van de omliggende NNN-natuur en beheertype N16.03 versnipperd ligt, biedt de eikensingel geschikt leefgebied voor verschillende soorten (broed)vogels als boomklever en grauwe vliegenvanger. Daarnaast kan de eikensingel door vleermuizen, grondgebonden zoogdieren als boommarter en algemene soorten als gewone pad en bruine kikker gebruikt worden als migratieroute en leefgebied (ecologische verbindingsfunctie).

6.3.2 Potentiele natuurwaarden Percelen 7541 en (het grootste deel van) 7542 vormen onderdeel van het NNN agrarisch. Voor het NNN – agrarisch zijn door provincie Utrecht geen natuurambities of natuurbeheertypen opgesteld. Wel is het NNN agrarisch aangewezen als leefgebied ‘droge dooradering’ en is potentiegebied voor Soortenrijk grasland, Akkerranden en Landschap. Voor de percelen 7541 en 7542 zijn subsidie mogelijkheden voor agrarisch natuurbeheer mogelijk. De potenties voor deze percelen liggen dan bij het creëren en verstevigen van soortenrijk grasland, akkerranden en het landschap. De graslanden in het plangebied kunnen door verschraling (hooilandbeheer, eventueel met voor- of nabeweiding) worden omgevormd naar een droog schraal grasland (Bal et al. 2001). Voor beheertype N16.03 zijn doelsoorten opgesteld (BIJ12, 2022). De doelsoorten voor dit beheertype bestaan uit broedvogels, te weten: appelvink, boomklever, boomleeuwerik, fluiter, geelgors, groene specht, keep, kleine bonte specht, middelste bonte specht, raaf, sijs, vuurgoudhaan, wespendief, wielewaal en zwarte specht. De eikensingel met beheertype N16.03 is relatief smal en ligt, ten opzichte van andere gebieden met beheertype N16.03, versnipperd in het landschap (Afbeelding 12).

Hoewel geschikt leefgebied voor deze broedvogels aanwezig is, zal onder andere door de smalheid van de eikensingel de impact van verstoringen uit de omgeving, zoals optische verstoring, licht, geluid en trillingen relatief groot zijn. Hierdoor zullen de (doel)soorten van het leefgebied eerder beperkt blijven tot de kleine(re) soorten. Met betrekking tot de doelsoorten gaat dit om broedvogels zoals boomklever, boomleeuwerik, fluiter en sijs. Grotere broedvogels, zoals de kleine en middelste bonte specht, zwarte specht, wielewaal en wespendief zullen zich in de huidige situatie minder snel vestigen. Dit is ook terug te lezen in de Karteerkaart van provincie Utrecht. Volgens de karteerkaart van provincie Utrecht heeft de eikensingel een verspreiding van 3 karteersoorten 2 (westelijk deel plangebied) en 14 karteersoorten (oostelijk deel plangebied). Beide karteringen zijn relatief laag, zie Afbeelding 13).

2 Karteersoorten zijn alle minder algemene of indicatieve planten- en diersoorten die de provincie sinds 1975 respectievelijk

2005 karteert. Het betreft vaatplanten, dagvlinders, libellen, sprinkhanen, amfibieën, reptielen, vissen en zoogdieren, op deze kaart aangevuld met de minder algemene broedvogels. De gegevens zijn in oktober 2017 betrokken uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De kaart met de Karteersoorten geeft de verspreiding weer vanaf 2000 op 250 x 250 m niveau.

Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 24

Afbeelding 13. Flora en Fauna karteersoorten provincie Utrecht. Bron: provincie Utrecht, 2022.

6.4 Motivering compenserende maatregelen Compensatie moet op zo’n manier gebeuren dat deze de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) versterkt. Graslanden Percelen 7541 en 7542 liggen tussen NNN overige, NNN agrarische en NNN natuur gebieden in. Ten noorden en oosten van het plangebied is (versnipperd) NNN natuur aanwezig. Percelen 7541 en 7542 liggen daarmee midden in NNN gebied. Op dit moment worden echter de percelen 7541 en 7542 extensief gebruikt als agrarisch grasland en wordt het zuidelijk deel van perceel 7541 gebruikt als akker of volkstuin. Hierdoor heeft het NNN agrarisch weinig ecologische waarden binnen het plangebied. Dit wordt ook bevestigd door de kartering 3 en 14, 2 relatief lage frequenties op de legenda. Robuust en aaneengesloten is het grotere NNN hierdoor niet. Het meest waardevolle natuurtype binnen het plangebied betreft natuurtype N16.03 droog bos met productie, welke de eikensingel aan de westkant van het plangebied betreft. Deze eikensingel is relatief smal en ligt, ten opzichte van natuurtype N16.03 in de omgeving, versnipperd. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt langs de westrand van het grasland, minimaal 500 m2 van, het huidige grasland omgevormd naar een struweelrand.

Hoewel dit voor het NNN-agrarisch een oppervlakteverlies is van minimaal 500 m2, past deze omvorming wel bij de natuurambities van het leefgebied droge dooradering en landschapsdeelgebied Utrechtse Heuvelrug. Met deze omvorming tot struweelrand wordt de meest waardevolle natuurtype binnen het plangebied, natuurtype N16.03 robuuster, zal daarmee ook (betere) aansluiting vinden met N16.03 en NNN-natuur in de omgeving. Dit zal resulteren in hogere natuurwaarden voor zowel het natuurtype N16.03 als het leefgebied droge dooradering. Met de voorgenomen ontwikkeling zal het overig deel van de graslanden met NNN-agrarisch worden omgevormd naar soortenrijk grasland (droog schraal grasland). Afgaande op de droge graslanden in de omgeving van het plangebied, bijvoorbeeld de graslanden op de Plantage Willem III, behoeft niet te worden gerekend op floristische of vegetatiekundige hoogstandjes. Wel kan op de locatie een begroeiing worden ontwikkeld die beduidend soortenrijker is dan de huidige graslanden. Door het instellen van een verschralingsbeheer kunnen soorten als bosdroogbloem, gewone ereprijs, gewone rolklaver, grasklokje,

Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 25

hazenpootje, klein vogelpootje, knolboterbloem, knoopkruid, mannetjesereprijs, wilde margriet en zandblauwtje zich op termijn in de vegetatie vestigen en kan het aandeel van soorten als gewoon biggenkruid en kleine leeuwentand toenemen. Voor ongewervelden als vlinders en insecten zal deze ontwikkeling meer voedselaanbod leveren, waardoor de graslanden interessanter worden voor ongewervelden. Met de toename van soorten als insecten en vlinders, zullen de graslanden in voedselaanbod ook interessanter worden voor meer soorten vogels, zoogdieren, reptielen en amfibieën die insecten en vlinders eten. (Van Den Bijtel, 2017). Met het realiseren van een poel wordt daarmee extra leefgebied gecreëerd voor soorten als reptielen en amfibieën en kunnen deze zich ook in het plangebied vestigen. De omvormingen van agrarisch grasland naar droog schraalgrasland en het realiseren van een poel past in het beleid van het agrarisch natuurbeheer binnen dit gebied en de ambities voor het leefgebied ‘droge dooradering’. Hiermee wordt ook het NNN agrarisch binnen het plangebied robuuster en sluit daardoor beter aan bij NNN natuur in de omgeving. Eikensingel. In de huidige situatie is de eikensingel met beheertype N16.03 relatief smal (niet robuust) en ligt, ten opzichte van geclassificeerd beheertype N16.03 in de omgeving, versnipperd en niet aaneengesloten Afbeelding 12).

Dit maakt het NNN-natuur binnen het plangebied, met beheertype N16.03 kwetsbaar, onder andere in behoud van de huidige en potentiële natuurwaarden maar ook als migratieroute voor kleine marterachtigen en vleermuizen. Het positief herbestemmen van de recreatiewoning heeft geen negatieve invloed op de bestaande waarden van het N16.03 gebied. De positieve herbestemming heeft betrekking op het bouwvlak met de recreatiewoning in het zuiden van het plangebied, op zo’n 60 meter afstand van het NNN-natuur N16.03 gebied. Versnippering en oppervlakteverlies van het natuurtype N16.03 zijn daarmee niet van toepassing. Met het positief herbestemmen van de recreatiewoning wordt voorgenomen de eikensingel te versterken. Dit wordt gedaan door middel van een struweelrand langs de eikensingel, welke een minimale oppervlakte heeft van 500 m 2. Het versterken van de eikensingel met een struweelrand, van minimaal 500 m 2 en met een plantafstand van bij voorkeur 1,5 meter bij 1,5 meter, heeft een positief effect op de potentiële waarden van het ecosysteem bij N16.03. De struweelrand zal een overgangszone vormen tussen de twee versnipperde eikensingels en een meer geleidelijke overgangszone naar het grasland.

De eikensingel wordt daardoor robuuster en meer aaneengesloten, waardoor eventuele verstoringen, zoals licht, geluid, trillingen en optische verstoring nog minder invloed hebben op het beheertype N16.03. Ook zorgt het ontwikkelen van een struweelrand in de praktijk voor meer aaneengeslotenheid met NNN in de omgeving, zoals met de oude boskernen. Met het robuuster maken van de eikensingel, krijgt de eikensingel meer beschuttingsmogelijkheden voor soorten, waardoor de eikensingel (nog) aantrekkelijker wordt voor onder andere broedvogels en grondgebonden zoogdieren en daarmee als ecologische verbindingsfunctie wordt versterkt.

6.5 Conclusie effecten percelen 7542 en 7541 Met de herinrichting van de percelen 7541 en 7542, van agrarisch gebruikte gronden naar soortenrijkgrasland (droog schraal grasland), het realiseren van een poel en het ontwikkelen van een struweelrand, wordt voldaan aan de natuurambities van NNN agrarisch en NNN natuur. De herinrichting van de percelen 7541 en 7542 leiden tot positief effect in oppervlakte, kwaliteit en samenhang van het aanwezige NNN, en daarmee een robuustere en aaneengeslotenheid van de NNN.

Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 26

7 Conclusie Het uitgangspunt van het NNN beleid is dat het bestemmingsplan bestemmingen en regels bevat die strekken tot bescherming, instandhouding en versterken van de kwaliteit, wezenlijke kenmerken en waarden en de samenhang van het NNN. De wijziging van de bestemming zal niet leiden tot het ontstaan van een grote barrière tussen gebieden die onderdeel zijn van het NNN. Hoewel in theorie 852 m 2 aan NNN (overig) wordt aangetast, zal de natuur met deze herbestemming niet verslechteren. Met de herinrichting van de percelen 7541 en 7542 als compensatie opgave, wordt voldaan aan de natuurambities van NNN agrarisch en NNN natuur. Hiermee wordt het NNN in en rondom het plangebied in zowel oppervlakte, kwaliteit als samenhang juist versterkt.

Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 27

Literatuurlijst •

• • • •

BIJ12. (2022). N16.03 Droog bos met productie (nieuw per 01-01-2018). https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/natuurtypen/n16bossen-met-productiefunctie/n16-03-droog-bos-productie-nieuw-per-01-01-2018/ BIJ12. (2022). N11.01 Droog schraalgrasland. https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-enlandschap/index-natuur-en-landschap/natuurtypen/n11-droge-schraalgraslanden/n11-01/ Bijtel, van den H. (2017). Nee, tenzij-onderzoek ten behoeve van bestemmingswijziging Stokweg 15B gemeente Rhenen. Van Den Bijtel Ecologisch Onderzoek, Driebergen-Rijsenburg. Stevens, E. (2021). Bestemmingsplan Stokweg 15b, Rhenen, gemeente Rhenen. Projectnummer 46.90.34. Buro SRO, Arnhem Buro SRO. (2021). Inrichtings en beheerplan Stokweg 15b.

Provincie Utrecht: • Interim omgevingsverordening provincie Utrecht 10 maart 2021. https://omgevingswet.provincieutrecht.nl/sites/omgevingswet/files/202103/Omgevingsverordening%20provincie%20Utrecht%20PS%2010%20maart%202021_INTERACTIEF.pdf • Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen: https://www.provincieutrecht.nl/onderwerpen/natuur/landschap#utrechtse_heuvelrug • Kwaliteitsgids/ Gebiedskatern Utrechtse Heuvelrug: https://www.provincieutrecht.nl/sites/default/files/2020-03/kwaliteitsgids_utrechtse_heuvelrug_12-07-2011.pdf • Natuurbeheerplan 2022. https://www.provincie-utrecht.nl/sites/default/files/202103/Natuurbeheerplan%202022.pdf • Webkaart Ambitiekaart, Natuurbeheerplan 2022. https://webkaart.provincieutrecht.nl/viewer/app/Webkaart?bookmark=109a0fed4acb445f8d74928f80f44ee5 • Webkaart Beheertypen natuur, Natuurbeheerplan 2022. https://webkaart.provincieutrecht.nl/viewer/app/Webkaart?bookmark=109a0fed4acb445f8d74928f80f44ee5 • Webkaart Karteersoorten. https://webkaart.provincieutrecht.nl/viewer/app/Webkaart?bookmark=de6aefd44ac34723a699a1f446a3a1ed • Webkaart Leefgebied droge dooradering, Natuurbeheerplan 2022. https://webkaart.provincieutrecht.nl/viewer/app/Webkaart?bookmark=109a0fed4acb445f8d74928f80f44ee5 • Webkaart Te ontwikkelingen natuur, Natuurbeheerplan 2022. https://webkaart.provincieutrecht.nl/viewer/app/Webkaart?bookmark=109a0fed4acb445f8d74928f80f44ee5

Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 28

Bijlage 1 - Wettelijk kader Natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 3. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1).

De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • een ontheffing is verkregen.

3 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de

bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern

Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 29

Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).

Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort. Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid. Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 30

Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Nietopzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant…”.

Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. Zie ook kader – Staat van instandhouding. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort.

Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moeten inzicht worden gegeven in: 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort.

Kader - Staat van instandhouding •

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.

•

Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken

•

Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in

soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”. hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.

Stokweg 15b te Rhenen | Eelerwoude | 31

Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriele Regeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13783176/1