Bijlage 2a Bijlagen ontwerpomgevingsvergunning MFG Rhenen
Tekst van het document
Afbeelding 5: Openingen in het gebouw in het plangebied (rode pijlen), met name open stootvoegen (links) en onder de dakoverstekken (rechts) die gebouwbewonende vleermuissoorten toegang naar geschikte ruimtes bieden (Foto’s: Laneco, 2022).
Conclusie De aanwezigheid van zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van de gebouwbewonende gewone
grootoorvleermuis,
gewone
dwergvleermuis,
laatvlieger
en
ruige
dwergvleermuis, en massawinterverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis is in het plangebied niet uitgesloten. Het slopen van het gebouw tast deze mogelijke verblijfplaatsen aan, waardoor nader onderzoek naar bovengenoemde verblijfplaatsen van de desbetreffende soorten noodzakelijk is. Negatieve effecten door de geplande ingrepen op verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen in bomen en essentiële foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn in het plangebied uitgesloten.
LAN ECO Quick scan flora en fauna Groeneweg 58 te Rhenen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
13
2.5.4 Vogels Tijdens het veldbezoek zijn in en om het plangebied onder andere de vogelsoorten ekster (Pica pica), gierzwaluw (Apus apus), houtduif (Columba
palumbus)
en
huismus
(Passer
domesticus) waargenomen. In het gebouw is een
nest
van
koolmees
aangetroffen
afbeelding 6).
(zie Afbeelding 6: Aangetroffen nest (rode pijl) van koolmees (Foto: Laneco, 2022).
Alle vogels zijn strikt beschermd in de Wet natuurbescherming (Artikel 3.1/3.2 Wet natuurbescherming en Vogelrichtlijn). Aantasting van actief gebruikte nesten is niet toegestaan. Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten en nestlocaties (verblijfplaatsen en leefgebied) het gehele jaar door beschermd. Deze jaarrond beschermde vogelsoorten zijn onderverdeeld in vier categorieën: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil (Athene noctua)). 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden (voorbeeld: huismus). 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders (voorbeeld: kerkuil (Tyto alba) en slechtvalk (Falco peregrinus)). 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: ransuil (Asio otus)). De vogels uit deze categorieën zijn meestal zeer honkvast of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Door de leefwijze van deze soorten is het niet mogelijk om bij directe verstoring van de nesten te voldoen aan de bepalingen uit de Wet natuurbescherming. De lijst van jaarrond beschermde vogels is in september 2009 door het ministerie van LNV gepubliceerd.
Ook is er een lijst vogels aangewezen waarvan alleen bij effecten op populatieniveau maatregelen nodig zijn; de zogenaamde categorie 5. In het plangebied en de ruime omgeving komen volgens de verspreidingsgegevens de soorten boomvalk (Falco subbuteo), buizerd (Buteo buteo), gierzwaluw, grote gele kwikstaart (Motacilla cinerea), havik (Accipiter gentilis), huismus, kerkuil, oehoe (Bubo bubo), ooievaar (Ciconia ciconia), ransuil, roek (Corvus frugilegus), slechtvalk, sperwer (Accipiter nisus), steenuil en wespendief (Pernis apivorus). Roofvogels broeden zowel in cultuur- (bijvoorbeeld sperwer), half open cultuur(bijvoorbeeld boomvalk en slechtvalk) en natuurlandschappen (bijvoorbeeld buizerd, havik en wespendief). Ten tijde van het veldbezoek stonden de bomen in het blad,
LANECO 14
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quick scan flora en fauna Groeneweg 58 te Rhenen
waardoor eventuele nesten van boomvalk, buizerd, havik, sperwer en wespendief in boomkronen niet waargenomen konden worden. Nesten van en daarmee negatieve effecten op deze soorten zijn daarom in het plangebied niet uitgesloten. Echter broedt slechtvalk op hoge kantoorgebouwen en torens. Het gebouw in het plangebied is door een beperkte hoogte ongeschikt als broedlocatie voor slechtvalk en negatieve effecten op deze soort zijn uitgesloten. Gierzwaluw is een soort die alleen in de zomer in Nederland aanwezig is en erg kritisch ten aanzien van zijn nestlocatie is. De soort broedt graag in kolonies en in rotsachtig biotoop of in bebouwing en heeft minimaal 3 meter vrije ruimte onder de nestlocatie nodig om weg te kunnen vliegen. Huismus is een standsoort in Nederland en leeft in en nabij menselijke bebouwing, zowel binnen als buiten de bebouwde kom. Het dier bouwt zijn nest in of tegen bebouwing (bijvoorbeeld in een dichte klimop of onder een dakpan) en heeft voldoende schuilmogelijkheden en zandbaden nodig. Het gebouw in het plangebied biedt geen openingen naar geschikte ruimtes en nestlocaties voor deze soorten. Negatieve effecten door de beoogde ingrepen op gierzwaluw en huismus zijn in het plangebied uitgesloten.
De grote gele kwikstaart is een holenbroeder die graag langs snelstromende beken en rivieren in natuurlijke oevers, onder bruggen, bij watermolens en stuwtjes nestelt. De ooievaar komt voor in agrarische gebieden zoals beheerde weilanden en maakt vaak gebruik van kunstmatige nestgelegenheden, zoals telefoonpalen, schoorstenen, kerktorens en hoogspanningsmasten. In en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen wateren en watergangen aanwezig en hoge structuren die als nestgelegenheid voor ooievaar kunnen dienen ontbreken. Negatieve effecten door werkzaamheden in het plangebied op grote gele kwikstaart en ooievaar zijn uitgesloten. Steenuil en kerkuil komen voor in half open agrarisch landschap, broeden op relatief rustige plaatsen en zijn veelal afhankelijk van nestkasten. Oehoe broedt voornamelijk op rotsachtige richels. Tijdens het veldbezoek zijn geen nestkasten of sporen van uilen aangetroffen, met name braakballen, kalksporen, veren of (roestende) individuen. Ook ontbreken in het plangebied voor kerkuil, oehoe en steenuil geschikte nestgelegenheden en door de ligging in de bebouwde kom en een hoge mate aan menselijke verstoring zijn negatieve effecten op kerkuil, oehoe en steenuil in het plangebied uitgesloten.
De ransuil leeft in verschillende gebieden en maakt vaak gebruik van oude kraaien- en eksternesten om in te broeden, voornamelijk in hoge, donkere plekken in grote bomen. De bomen in het noordelijke deel van het plangebied zijn potentieel geschikt als nestgelegenheid voor ransuil. Echter stonden ten tijde van het veldbezoek de bomen in het blad, waardoor eventuele nesten niet waargenomen konden worden. Nesten van en daarmee negatieve effecten op deze soort zijn daarom in het plangebied niet uitgesloten. Roek leeft in grote kolonies en maakt meerdere nesten bij elkaar in vrijstaande, hoge groepen bomen langs snelwegen, treinsporen, kanalen en soms ook in dorpen. Tijdens
LAN ECO Quick scan flora en fauna Groeneweg 58 te Rhenen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
15
het veldbezoek zijn geen individuen en kolonies van roek in het plangebied vastgesteld. Hierdoor zijn negatieve effecten op roek in het plangebied uitgesloten. De directe omgeving van het plangebied biedt geschikt leefgebied en nestlocaties voor diverse categorie 5-soorten, zoals ringmus (Passer montanus). Soorten van deze lijst vallen onder de bescherming van de Wet natuurbescherming als er effecten op populatieniveau op kunnen treden door een ingreep. De directe omgeving van het plangebied wordt door de geplande werkzaamheden niet aangetast. Effecten op deze soorten worden dan ook niet verwacht. Verder moeten de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden, die globaal loopt van half maart tot half juli. De werkzaamheden mogen alleen in het broedseizoen uitgevoerd worden als er een gerichte controle naar broedvogels is gedaan binnen drie dagen voor aanvang van de werkzaamheden. Conclusie Op
basis
van
veldverkenning
de
verspreidingsgegevens
zijn negatieve
effecten
en
biotoopinschattingen
door de geplande
tijdens
de
werkzaamheden
op
gierzwaluw, grote gele kwikstaart, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, roek, slechtvalk en steenuil in het plangebied uitgesloten. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Echter is de aanwezigheid van nesten van en daarmee negatieve effecten door de geplande werkzaamheden op boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief in boomkronen in het plangebied niet uitgesloten. Middels een veldbezoek, wanneer er geen blad aan de bomen zit, kan worden onderzocht of binnen het plangebied potentieel nesten van deze soorten aanwezig zijn. Indien geschikte nesten aanwezig zijn, is nader onderzoek naar bovengenoemde soorten noodzakelijk. 2.5.5 Amfibieën en reptielen Het habitat van amfibieën is onder te verdelen in water- of voortplantingshabitat (vaak een poel, vijver of smalle watergang zonder grote vissen) en landhabitat (bosjes, struwelen en dergelijke en voor sommige soorten vergraafbaar zand). Ook reptielen stellen strikte eisen aan hun omgeving. Alle inheemse reptielen zijn in de Wet natuurbescherming beschermd. Van amfibieën kunnen diverse nationaal beschermde soorten in en in de directe omgeving van het plangebied voorkomen zoals bruine kikker (Rana temporaria), gewone pad (Bufo bufo) en kleine watersalamander (Lissotriton vulgaris).
Voor deze soorten geldt in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling een vrijstelling voor het aantasten van vaste rust- en verblijfplaatsen. Uit de ruime omgeving is het voorkomen van de nationaal beschermde soorten en Europees beschermde soorten amfibieën en reptielen bekend, met name hazelworm (Anguis fragilis), kamsalamander (Triturus cristatus), levendbarend hagedis (Zootoca
LANECO 16
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quick scan flora en fauna Groeneweg 58 te Rhenen
vivipara), poelkikker (Pelophylax lessonae), ringslang (Natrix natrix), rugstreeppad (Epidalea calamita) en zandhagedis (Lacerta agilis). Het plangebied ligt in de bebouwde kom, wordt omgeven door infrastructuur en bebouwing en natuurlijke en/of permanente wateren ontbreken in en in de directe omgeving van het plangebied. Het centrale en westelijke deel van het plangebied is bijna volledig verhard, bebouwd en open. De oostelijke helft van het plangebied bestaat uit open en parkachtig terrein met vegetatie en ondergroei; echter vindt hier veel verstoring door mensen en vooral honden plaats en wordt het terrein intensief beheerd. Samenvattend is het plangebied ongeschikt als leefgebied voor amfibieën en reptielen. Negatieve effecten door de beoogde ingrepen op amfibieën en reptielen zijn in het plangebied uitgesloten. Er wordt geadviseerd, tijdens de werkzaamheden het vormen van waterhoudende laagtes te voorkomen om een kolonisatie door rugstreeppad, een pionierssoort die in gebieden met vergraafbaar zand en onbeschaduwde terreinen voorkomt, te voorkomen. 2.5.6 Overige soortgroepen Vissen, insecten (vlinders, libellen, sprinkhanen) en overige soortengroepen stellen strikte eisen aan hun omgeving.
De soorten hebben vaak natuurlijke watergangen (poel, vijver of smalle watergang zonder grote vissen), specifieke waardplanten of specifieke natuurlijke biotopen nodig zoals heide, bos, heischraal grasland en/of kleine landschapselementen (met vergraafbaar zand). Het plangebied ligt in de bebouwde kom in een stedelijke omgeving, is deels verhard en bebouwd, en deels een parkachtig terrein onder sterke menselijke invloed. In en in de directe omgeving is geen toegankelijk en geschikt water met natuurlijke oevers of natuurlijk biotoop met natuurlijke begroeiing aanwezig. Daarom zijn negatieve effecten op vissen, insecten (vlinders, libellen, sprinkhanen) en overige soortengroepen binnen het plangebied uitgesloten.
LAN ECO Quick scan flora en fauna Groeneweg 58 te Rhenen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
17
3
CONCLUSIE Het plangebied ligt aan de Groeneweg 58 te Rhenen en omvat het gebouw van sporten recreatiecentrum ’t Gastland met een open parkeerplaats en omliggend terrein. Hier is men voornemens om het gebouw te slopen en de omgeving te herinrichten. Laneco heeft in opdracht van gemeente Rhenen de beoogde herinrichting getoetst aan de Wet natuurbescherming en een quick scan flora en fauna uitgevoerd. 3.1.1 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN. Door de geplande werkzaamheden zal geen NNN-gebied verloren gaan. Gezien de lokale aard van ingreep, de huidige situatie en tussenliggende elementen zijn effecten op het dichtstbijzijnde NNN-gebied (140 meter ten zuidoosten) niet te verwachten. Vanuit het NNN gaat geen externe werking. 3.1.2 Overige beleidskaders In het plangebied zijn geen andere beleidskaders uit het Natuurbeheerplan (NBP) van toepassing. Het plangebied ligt in de bebouwde kom.
3.2 WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL GEBIEDSBESCHERMING Het plangebied ligt op circa 450 meter ten oosten van de dichtstbijzijnde Natura 2000gebied “Rijntakken”. Door de voorgenomen ingrepen gaat geen Natura 2000-gebied verloren. Effecten op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied door externe invloeden van de werkzaamheden, zoals geluid, licht, menselijke aanwezigheid en trilling, zijn gezien de tussenliggende elementen op voorhand uitgesloten. In deze fase is nog niet bekend hoe de aanleg- en gebruikersfase uitgevoerd worden. Tijdens
de
aanlegfase,
i.e.
het
realiseren
van
nieuwbouw,
kunnen
hogere
stikstofemissies in vergelijking met de huidige situatie ontstaan.
3.3 WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL HOUTOPSTANDEN Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom Boswet. Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming is dan niet van toepassing. Voor het kappen van bomen in het plangebied kan een kapvergunning en/of omgevingsvergunning van de gemeente noodzakelijk zijn.
LANECO 18
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quick scan flora en fauna Groeneweg 58 te Rhenen
3.4 WET NATUURBESCHERMING – ONDERDEEL SOORTENBESCHERMING In het kader van de Wet natuurbescherming moet worden getoetst of er door de ingreep sprake is van negatieve effecten op (potentiële) vaste rust- en verblijfsplaatsen of belangrijke onderdelen van leefgebied van (beschermde) plant- en diersoorten. Binnen het plangebied kunnen een aantal nationaal en Europees beschermde soorten voorkomen,
waarvoor
voor
aantasting
van
rust-
en
verblijfplaatsen
een
ontheffingsplicht in het kader van de Wet natuurbescherming geldt. Op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezige habitats en de biotoopeisen van de individuele diersoorten zijn gebouwbewonende vleermuissoorten (gewone grootoorvleermuis, gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis) in het gebouw en boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer, wespendief en eekhoorn in bomen in het plangebied niet uit te sluiten. De geplande werkzaamheden tasten mogelijke nest- en verblijfplaatsen van deze soorten aan. De overige in de omgeving voorkomende (niet-vrijgestelde) nationaal of Europees beschermde plant- en diersoorten zijn in het plangebied uitgesloten. Ook zijn verblijfplaatsen of belangrijke onderdelen van leefgebied van beschermde soorten uitgesloten.
3.5 CONSEQUENTIES 3.5.1 Stikstofberekening Om significante effecten op omliggende Natura 2000-gebieden door het project te bepalen,
en
indien
een
bestemmingsplanwijziging
noodzakelijk
is,
is
een
stikstofberekening noodzakelijk. Deze berekening kan uitsluitsel geven over de stikstofemissie als gevolg van de ruimtelijke ontwikkeling en de depositie op Natura 2000-gebieden. Als sprake is van een toename aan stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten, dan moet nader onderzoek middels een voortoets stikstofdepositie uitwijzen of er sprake is van significant negatieve effecten. 3.5.2 Nader onderzoek In het kader van de Wet natuurbescherming dient daarvoor te worden nagegaan of vaste rust- en verblijfsplaatsen of belangrijke onderdelen van leefgebied van soorten door de ingreep worden aangetast. Dit kan niet worden uitgesloten zonder nader veldonderzoek voor de volgende in de vorige paragraaf genoemde soorten: •
Boomvalk,
buizerd,
havik,
ransuil,
sperwer
en
wespendief,
nestplaatsen
(Vogelrichtlijn) en eekhoorn, rust- en verblijfplaatsen (Wet natuurbescherming): Eenmalige controle op de aanwezigheid van potentieel geschikte nesten in een periode wanneer er geen blad aan de bomen zit. Indien potentieel geschikte nesten aanwezig zijn, is nader onderzoek noodzakelijk.
LAN ECO Quick scan flora en fauna Groeneweg 58 te Rhenen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
19
•
Gebouwbewonende vleermuizen; zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen (Wet natuurbescherming
en
Vleermuisprotocol
(Netwerk
bijlage
IV Habitatrichtlijn): Onderzoek conform het Groene
Bureaus,
2021)
bestaat
uit
drie
onderzoeksrondes in de periode half mei t/m half juli en twee onderzoeksrondes in de periode half augustus t/m eind september. Onderzoeken gedurende beide periodes dienen plaats te vinden om een volledig beeld te krijgen van de functie van het gebouw voor vleermuizen. •
Gewone dwergvleermuis, massawinterverblijfplaatsen (Wet natuurbescherming en bijlage IV Habitatrichtlijn): Onderzoek conform het Vleermuisprotocol (Netwerk Groene Bureaus, 2021) bestaat uit twee onderzoeksrondes vanaf middernacht in de periode augustus t/m half september.
3.5.3 Algemene voorwaarden Twee algemene voorwaarden vanuit de Wet natuurbescherming zijn altijd van toepassing: •
De start van werkzaamheden dient buiten het broedseizoen van vogels (globaal half maart tot half juli) plaats te vinden om verstoring van broedvogels en het broedsucces te voorkomen. Alleen op basis van gericht onderzoek (naar broedende vogels) door een ervaren specialist mag van deze voorwaarde worden afgeweken.
•
Op basis van de zorgplicht dient bij de uitvoering van de werkzaamheden voldoende zorg in acht te worden genomen voor de in het wild levende planten en dieren en hun leefomgeving. Verstoring moet worden beperkt en dieren moeten de gelegenheid hebben om uit te wijken en mogen niet opzettelijk worden gedood. Dit kan door: o
Werkzaamheden, zoals graaf- en kapwerkzaamheden en het verwijderen van begroeiing, te starten buiten het voortplantingsseizoen (april - augustus) en het winter(slaap)seizoen (november - februari);
o
Het beperken van verlichting tijdens de avonduren ten behoeve van vleermuizen en andere nachtdieren.
3.6 AANBEVELINGEN Er zijn vanuit ecologisch oogpunt aanbevelingen te doen ten aanzien van een natuurinclusieve inrichting en een verhoging van de biodiversiteit: •
Bij het aanbrengen van beplanting wordt aanbevolen om gebruik te maken van inheemse bes- en bloemdragende struiken en planten zoals: zwarte els (Alnus glutinosa), gewone esdoorn (Acer pseudoplatanus), zomerlinde (Tilia platyphyllos), winterlinde (Tilia cordata), zomereik (Quercus robur), zoete kers (Prunus avium), vuilboom (Rhamnus frangula), gewone vogelkers (Prunus padus), Gelderse roos (Viburnum opulus), wilde kardinaalsmuts (Euonymus europaeus), lijsterbes (Sorbus aucuparia), hazelaar (Corylus avellana), heggenroos (Rosa corymbifera), hondsroos (Rosa canina), bosroos (Rosa arvensis), sleedoorn (Prunus spinoza) en eenstijlige meidoorn (Crataegus monogyna). Dergelijke soorten bevorderen de aanwezigheid van een keten aan soorten (zoals insecten, vogels en vleermuizen). Ook is het
LANECO 20
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quick scan flora en fauna Groeneweg 58 te Rhenen
aangeraden
om
gevarieerde
plantensoorten
te
gebruiken
zodat
voedselmogelijkheden voor vogels en insecten verspreid zijn over het jaar. Tevens bevelen wij aan om een groot insectenhotel te plaatsen ter bevordering van de bevruchting van planten en het voedselaanbod voor vogels te vergroten. •
Gebruik bij de inrichting voor nieuwe verlichting gebundelde en naar beneden gerichte armaturen die niet uitstralen naar de omgeving.
•
Nieuwbouw kan geschikt worden gemaakt voor vleermuizen door het gebruik van inbouwvleermuiskasten of door op een hoogte van 2,5 meter en hoger in muren in verschillende windrichtingen (voorkeur voor zuidgerichte zijden) open stootvoegen van 2 centimeter bij 5 centimeter breed aan te brengen. Een andere optie is het creëren van 2 centimeter ruimte achter houten gevelbetimmering of het aanbrengen van kierende planken.
•
Nieuwbouw kan ook geschikt worden gemaakt voor huismus en gierzwaluw door bijvoorbeeld: o
Het plaatsen van gevelkasten;
o
Het twee pannen hoger plaatsen van vogelschroot;
o
Het laten oversteken van de nokpannen en het opruwen van de windveren onder de nokpannen.
LAN ECO Quick scan flora en fauna Groeneweg 58 te Rhenen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
21
BIJLAGE 1 WETTELIJK KADER 1.1
NATUURNETWERK NEDERLAND Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een onderdeel van het natuurbeleid en heeft als doel het behoud van biodiversiteit. Gebieden die zijn aangewezen als onderdeel van NNN vormen een samenhangend netwerk van bestaande en toekomstige natuurgebieden in Nederland. Per NNN-gebied zijn natuurdoelen vastgelegd in het ruimtelijke provinciale beleid, waarmee rekening gehouden moet worden bij planologische ontwikkelingen. Voor dergelijke gebieden geldt dat het natuurbelang prioriteit heeft en dat activiteiten niet strijdig mogen zijn met de natuurdoelen.
1.1.1 Overige beleidskaders Naast het NNN kunnen ook andere provinciale en gemeentelijke beleidskaders van toepassing zijn in het plangebied. Ook deze beleidskaders zijn niet verankerd in natuurwetgeving, maar dienen wel een rol te spelen in de planologische afweging. 1.2
WET NATUURBESCHERMING
1.1.2 Onderdeel gebiedsbescherming – Natura 2000 Natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna kunnen op basis van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn worden aangemerkt als speciale beschermingszones (SBZ’s) in het kader van Natura 2000. De verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen in de Wet natuurbescherming die per 1 januari 2017 van kracht is. Het is verboden projecten of andere handelingen te realiseren of te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstelling, de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten kunnen verslechteren, of een verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. 1.1.3 Onderdeel houtopstanden Het onderdeel houtopstanden van de Wet natuurbescherming (voorheen de Boswet) heeft als doel bossen te beschermen en de bestaande oppervlakte bos- en houtopstanden in Nederland in stand te houden. Kort gezegd, alles wat bos is, moet bos blijven. Indien een houtopstand onder de Wet Natuurbescherming valt en deze gekapt gaat
worden,
moet
een
kapmelding
worden
gedaan.
Ook
verplicht
de
Wet
natuurbescherming om de betreffende grond binnen drie jaar opnieuw in te planten, de zogenaamde herplantplicht. Als bos definitief gekapt wordt, zal een ontheffing of compensatie van deze herplantplicht verleend moeten worden. De herplantplicht is niet van toepassing voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel.
LANECO 22
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quick scan flora en fauna Groeneweg 58 te Rhenen
Houtopstanden vallen onder de Wet natuurbescherming als het zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend betreffen die: •
buiten ‘de bebouwde kom Boswet’ liggen;
•
een oppervlakte hebben van 10 are of meer;
•
rijbeplantingen die meer dan 20 bomen omvatten, gerekend over het totaal aantal rijen.
1.1.4 Onderdeel soortenbescherming Wettelijk kader Soortenbescherming is altijd aan de orde. Hiervoor is de Wet natuurbescherming bepalend. De Wet natuurbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van natuurlijke habitats en wilde flora en fauna in hun natuurlijke leefomgeving. Deze wet heeft de beschermingsregels, zoals die ook in de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn opgenomen, overgenomen en voor de Nederlandse situatie toegepast. Deze bescherming is, afhankelijk van het beschermingsregime, als volgt in de Wet Natuurbescherming opgenomen: Vogelrichtlijn •
Artikel 3.1 lid 1: Het is verboden in het wild levende vogels opzettelijk te doden of te vangen.
•
Artikel 3.1 lid 2: Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
•
Artikel 3.1 lid 3: Het is verboden eieren te rapen en deze onder zich te hebben.
•
Artikel 3.1 lid 4 en 5: Het is verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Habitatrichtlijn, Bern bijlage II, Bonn bijlage I •
Artikel 3.5 lid 1: Het is verboden soorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
•
Artikel 3.5 lid 2: Het is verboden dieren opzettelijk te verstoren.
•
Artikel 3.5 lid 3: Het is verboden eieren van dieren in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
•
Artikel 3.5 lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen.
•
Artikel
3.5
lid
5:
Het
is
verboden
plantensoorten
in
hun
natuurlijke
verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
LAN ECO Quick scan flora en fauna Groeneweg 58 te Rhenen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
23
Nationaal beschermde soorten •
Artikel 3.10 lid 1a: Het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen.
•
Artikel 3.10 lid 1b: Het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
•
Artikel
3.10
lid
1c:
Het
is
verboden
plantensoorten
in
hun
natuurlijke
verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Procedurele gevolgen De procedurele consequenties zijn afhankelijk van de soorten die door de ingreep worden
beïnvloed.
Kortweg
kunnen
er
drie
beschermingsregimes
worden
onderscheiden: •
Soorten van de Vogelrichtlijn: Dit betreffen alle vogelsoorten die in Nederland als broedvogel, standvogel, wintergast of doortrekker aanwezig kunnen zijn, met uitzondering van exoten en verwilderde soorten, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
•
Soorten van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn: Dit zijn alle soorten in onderdeel A van bijlage IV van de Habitatrichtlijn inclusief bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I van het Verdrag van Bonn, voor zover hun natuurlijke verspreidingsgebied zich in Nederland bevindt. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.
•
Nationaal beschermde soorten: Dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het betreft hier de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
Een project kan in strijd zijn met de Wet natuurbescherming wanneer een ruimtelijke ingreep direct of indirect leidt tot het aantasten van verblijf- en/of rustplaatsen van de aangewezen, niet vrijgestelde beschermde soorten of hun leefgebied. Afhankelijk van de ingreep en de soort kan dan een ontheffing noodzakelijk zijn. Ontheffingen worden slechts verleend wanneer er geen andere bevredigende oplossing voor de ingreep bestaat, de ingreep vanwege een in de wet genoemd belang dient plaats te vinden en de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Vaak worden hierbij mitigerende en compenserende maatregelen gevraagd. Wettelijke belangen Om een ontheffing te krijgen voor soorten van bijlage IV van de Habitatrichtlijn moet worden voldaan aan een van de volgende belangen: •
Ter bescherming van de wilde flora en fauna en instandhouding van natuurlijke habitats.
•
Wanneer de volksgezondheid en/of de openbare veiligheid in het geding is.
•
Andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten.
LANECO 24
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quick scan flora en fauna Groeneweg 58 te Rhenen
Om een ontheffing te krijgen voor soorten van de Vogelrichtlijn moet worden voldaan aan een van de volgende belangen: •
Wanneer de volksgezondheid en/of de openbare veiligheid in het geding is.
•
Wanneer de veiligheid van het luchtverkeer in het geding is.
•
Ter bescherming van flora en fauna.
Voor nationaal beschermde soorten geldt: •
Er is sprake van een bij de wet genoemd belang.
Zorgplicht Voor alle aanwezige soorten geldt volgens de Wet natuurbescherming altijd de zorgplicht (artikel 1.11). De zorgplicht schrijft voor dat we nadelige gevolgen voor inheemse planten en dieren moeten voorkomen – of ze nu beschermd zijn of niet – en zorgvuldig met onze omgeving om moeten gaan. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.
LAN ECO Quick scan flora en fauna Groeneweg 58 te Rhenen
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
25
BIJLAGE 2 LITERATUURLIJST Broekhuizen, S., Spoelstra, K., Thissen, J.B.M., Canters, K.J. & Buys, J.C. (redactie), 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur in Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M. & Van Delft, J.J.C.W. (redactie). (2009). De amfibieën en reptielen van Nederland. Nederlandse Fauna 9. Leiden, Nederland: Nationaal Historisch Museum Naturalis, European Invertabrate Survey-Nederland. De Wild, W.W., Brekelmans, F.L.A., Van Emmerik, W.A.M. & Spier, J.L. (2016). Atlas van Amfibieën en Reptielen. Utrecht, Nederland: RAVON. Limpens, H., K. Mosterd en W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Netwerk
Groene
Bureaus,
werkgroep
'Standaarden
en
protocollen'
(2017).
Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, versie juli 2017. www.netwerkgroenebureaus.nl Vleermuisvakberaad Vleermuisprotocol
Netwerk 2021,
Groene
januari
Bureaus,
2021.
Zoogdiervereniging
(2021).
www.netwerkgroenebureaus.nl
en
www.zoogdiervereniging.nl Websites: Natura 2000, 2022. Natura 2000 gebieden. Geraadpleegd in mei 2022 van https://www.natura2000.nl/gebieden/utrecht NDFF & RAVON, 2022a. NDFF Verspreidingsatlas Amfibieën. Geraadpleegd in mei 2022 van https://www.verspreidingsatlas.nl/amfibieen NDFF & RAVON, 2022b. NDFF Verspreidingsatlas Reptielen. Geraadpleegd in mei 2022 van https://www.verspreidingsatlas.nl/reptielen NDFF & VAATPLANTEN, 2022. NDFF Verspreidingsatlas Vaatplanten. Geraadpleegd in mei 2022 van https://www.verspreidingsatlas.nl/planten NDFF & ZOOGDIEREN, 2022. NDFF Verspreidingsatlas Zoogdieren. Geraadpleegd in mei 2022 van https://www.verspreidingsatlas.nl/zoogdieren Provincie Utrecht, 2022a. Natuurnetwerk Nederland (NNN). Geraadpleegd in mei 2022 van https://ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl/NL.IMRO.9926.2020OWVISIEVA01?s=SANMmAIGAWuZIkGnJDgUkAoxloBTQTrEP4B_BA4jfv4AHMA Provincie Utrecht, 2022b. Natuurbeheerplan 2022. Geraadpleegd in mei 2022 van https://webkaart.provincieutrecht.nl/viewer/app/Webkaart?bookmark=109a0fed4acb445f8d74928f80f44ee5
LANECO 26
a d v i es b u r ea u v o or l a n d sc h a p en ec o l o gi e
Quick scan flora en fauna Groeneweg 58 te Rhenen
VERKENNEND BODEMONDERZOEK EN ONDERZOEK ASBEST IN BODEM GROENEWEG 58 TE RHENEN
Rapportage verkennend bodemonderzoek en onderzoek asbest in bodem Groeneweg 58 te Rhenen Opdrachtgever
Wind Design + build Postbus 160 9200 AD Drachten
Rapportnummer Versienummer
19370.002 D1
Status
Eindrapportage
Datum
22 juli 2022
Vestiging
Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem 088 - 5001600 doetinchem@econsultancy.nl
Opsteller
De heer R. Beij, MSc
Paraaf
Kwaliteitscontrole
De heer A.P. Bregman, BSc
Paraaf
Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodembeheer (VKB). De VKB is een vereniging van bodemadviesen -onderzoeksbureaus en heeft als doel kwaliteitsborging en continue verbetering van de dienstverlening van haar leden op het gebied van bodembeheer. Het VKB keurmerk geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de VKB aan haar leden stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit bodemonderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een bodemonderzoek wordt in zijn algemeenheid echter uitgevoerd door het steekproefsgewijs bemonsteren van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een bodemonderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Daarnaast betreft het bodemonderzoek een momentopname.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde bodemonderzoek neemt. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE ................................................................................... 1
3
MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM ................................................................. 2 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10
Geraadpleegde bronnen ................................................................................................... 2 Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie ............................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Calamiteiten ...................................................................................................................... 3 Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie ........................................ 3 Aangrenzende terreindelen/percelen ............................................................................... 4 Terreininspectie ................................................................................................................ 4 Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten ......................................................... 4 Bodemopbouw en geohydrologie ..................................................................................... 4 Niet-geëxplodeerde explosieven ...................................................................................... 5
4
CONCLUSIES MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM (ONDERZOEKSOPZET) 5
5
VELDWERK ................................................................................................................................ 6 5.1 5.2 5.3 5.4
6
LABORATORIUMONDERZOEK ................................................................................................ 9 6.1 6.2 6.3 6.4
7
Algemeen.......................................................................................................................... 6 Visuele inspectie toplaag/maaiveld op asbest .................................................................. 6 Grondonderzoek ............................................................................................................... 6 Algemene bodemopbouw en visuele inspectie opgegraven materiaal ............................ 7
Uitvoering analyses .......................................................................................................... 9 Toetsingskader ............................................................................................................... 11 Resultaten grond- en grondwatermonsters verkennend bodemonderzoek ................... 13 Resultaten verkennend onderzoek asbest ..................................................................... 15
SAMENVATTING, CONCLUSIES EN ADVIES ........................................................................ 16
19370.002
BIJLAGEN: 1. 2a. 2b. 3a. 3b. 4a. 4b. 4c. 5a. 5b. 6.
- Topografische ligging van de locatie - Locatieschets - Foto's onderzoekslocatie - Boorprofielen - Foto's asbestinspectiegaten, opgegraven en opgeboorde materiaal - Analysecertificaten - Getoetste analyseresultaten Circulaire bodemsanering - Getoetste analyseresultaten Regeling bodemkwaliteit (indicatief) - Toetsingskader Circulaire bodemsanering - Toetsingskader Regeling bodemkwaliteit - Eerder uitgevoerde bodemonderzoeken 19370.002
1
INLEIDING
Wind Design + build heeft Econsultancy opdracht verleend voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek en onderzoek asbest in bodem op de locatie Groeneweg 58 te Rhenen. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen nieuwbouw en ontwikkeling binnen het plangebied, alsmede een bestemmingsplanwijziging. Het onderzoek heeft tot doel met een relatief geringe onderzoeksinspanning vast te stellen of op de onderzoekslocatie bodemverontreiniging aanwezig is. Tevens heeft het onderzoek tot doel na te gaan of de verdenking van verontreiniging met asbest van het terrein terecht is en (zo nodig) een indicatieve uitspraak te doen over het asbestgehalte in de bodem. Op basis van de resultaten wordt bepaald of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de voorgenomen nieuwbouw en ontwikkeling binnen het plangebied, alsmede een bestemmingsplanwijziging. Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is verricht conform de NEN 5725:2017 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek". Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740+A1:2016 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond".
Het verkennend onderzoek asbest in bodem is uitgevoerd conform de NEN 5707+C1:2016/C2:2017 "Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond" Het veldwerk en de bemonstering zijn verricht onder certificaat op grond van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek", protocollen 2001, en 2018. De visuele inspectie is uitgevoerd door medewerkers, die gekwalificeerd zijn voor het protocol 2018 van de BRL SIKB 2000. De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering en aan de achtergrondwaarden voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1). Voor de specifieke toetsing wordt verwezen naar paragraaf 6.2. Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor de protocollen 2001 en 2018 van de BRL SIKB 2000. In dat kader verklaart Econsultancy geen eigenaar van de onderzoekslocatie te zijn of te worden.
2
AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE
Het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem omvat de onderzoekslocatie en de direct hieraan grenzende percelen en terreindelen binnen een afstand van 25 meter. De onderzoekslocatie (± 16.625 m²) is gelegen aan de Groeneweg 58 te Rhenen (zie bijlage 1). De onderzoekslocatie bestaat uit twee naastgelegen terreindelen van ± 13.925 m² en ± 2.700 m². De percelen, waar de onderzoekslocatie deel van uitmaakt, zijn kadastraal bekend gemeente Rhenen, sectie H, nummers 8375, 8371, 8364, 8362 en 8363. Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 39,5 m +NAP en zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 167.347, Y = 441.493.
R 19370.002 versie D1
Pagina 1 van 18
3 3.1
MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM Geraadpleegde bronnen
Voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden is een milieuhygiënisch vooronderzoek bodem uitgevoerd op basis van de NEN 5725. In tabel 1 zijn de in het kader van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem geraadpleegde bronnen weergegeven. Van de locatie en de directe omgeving zijn uit verschillende informatiebronnen gegevens verzameld over het historische, huidige en toekomstige gebruik, eventuele calamiteiten, eventueel eerder uitgevoerde bodemonderzoeken, de bodemopbouw en geohydrologie, verhardingen, kabels en leidingen. Tabel 1.
Geraadpleegde bronnen Onderdeel
Bron
Historisch, huidig en toekomstig gebruik
Opdrachtgever (contactpersoon de heer Terpstra ) d.d. 31 mei 2022
Bouw-/milieudossier, ondergrondse tanks, calamiteiten, eerder uitgevoerd bodemonderzoek
RUD Utrecht (contactpersoon de heer Csikós), d.d. 1 juni 2022 Omgevingsdienst regio Utrecht (contactpersoon mevrouw Staritsky), d.d. 7 juni 2022 Gemeente Rhenen (contactpersoon de heer Brugman) d.d. 24 juni 2022
Locatiegegevens van internet: - historisch topografisch kaartmateriaal - basisregistratie grootschalige topografie - kadastrale gegevens - hoogtekaart - luchtfoto's - Google streetview - provinciale bodeminformatie - bodemopbouw - geo(hydro)logie - kabels en leidingen
www.topotijdreis.nl www.pdok.nl www.kadaster.nl www.ahn.nl webservices.gbo-provincies.nl/lufo/services/wms maps.google.nl www.bodemloket.nl maps.bodemdata.nl www.dinoloket.nl www.kadaster.nl/klic-wion
Terreininspectie
Uitgevoerd door Econsultancy, d.d. 24 juni 2022
3.2
Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie
Uit historisch kaartmateriaal uit de periode 1900 - 2019 blijkt dat de onderzoekslocatie tot 1955 in gebruik was als agrarisch of natuurgebied met kleinschalige bebouwing. Op de kaart van 1962 is te zien dat het terreingebruik van directe omgeving gewijzigd is naar woonwijk. De indeling van de onderzoekslocatie is ook gewijzigd. Op de kaart van 1970 is te zien dat de in 1962 gerealiseerd pand gesloopt is en centraal op de onderzoekslocatie een nieuw pand gerealiseerd is. Op de kaart van 1978 is te zien dat aan de zuidoost kan van de onderzoekslocatie een ander pand gerealiseerd is. Op de kaart van 1988 is te zien dat de bebouwing uit 1970 vervangen is door een groter pand. Op de kaart van 1994 is te zien dat de bebouwing uit 1978 gesloopt is. Op de kaart van 2006 is te zien dat het pand uit 1988 uitgebreid is. Sindsdien hebben geen noemenswaardige ruimtelijke veranderingen plaatsgevonden. De onderzoekslocatie is bebouwd met een sportcentrum (Sportcentrum ’t Gastland). In het sportcentrum bevindt zich een zwembad. De onbebouwde delen van de onderzoekslocatie zijn in gebruik als grasveld/groenstrook, parkeerterrein. voetpad en skatepark. Het parkeerterrein is verhard met klinkers, de voetpaden zijn verhard met klinkers en asfalt en het skatepark is verhard met asfalt. Uit bouwvergunningen blijkt dat binnenpandig in de kelderruimte een chloorbleekloog ruimte aanwezig is.
Verder blijkt uit gegevens van de gemeente Rhenen dat het skatepark aangelegd is in de periode 1989 tot 1992.
R 19370.002 versie D1
Pagina 2 van 18
Voor zover bij de opdrachtgever, de gemeente Rhenen en de RUD Utrecht bekend, heeft er op de onderzoekslocatie nimmer opslag van oliehoudende producten in ondergrondse of bovengrondse tanks plaatsgevonden. Bij de gemeente Rhenen en de RUD Utrecht zijn geen gegevens aanwezig waaruit blijkt of er asbesthoudende materialen zijn toegepast op of in de (voormalige) bebouwing. Uit de geraadpleegde bronnen blijkt geen aanwezigheid van ophogingen, dempingen of stortingen. In bijlage 2a is de huidige situatie op een locatieschets weergegeven. Bijlage 2b bevat enkele foto's van de onderzoekslocatie. 3.3
Toekomstige situatie
De initiatiefnemer is voornemens de bebouwing op de locatie te slopen en nieuwbouw te realiseren. 3.4
Calamiteiten
Voor zover bij de opdrachtgever bekend hebben zich op de onderzoekslocatie in het verleden geen calamiteiten met een bodembedreigend karakter voorgedaan. Ook uit informatie van de gemeente Rhenen en de RUD Utrecht blijkt niet, dat er zich in het verleden bodembedreigende calamiteiten hebben voorgedaan. 3.5
Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie
Op het oostelijk terreindeel is in 2000 door Fugro een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (kenmerk: 87000111, d.d. 29 mei 2000). Destijds zijn er op en nabij onderhavige onderzoeklocatie 6 boringen verricht. Ter plaatse van deze boringen zijn zintuigelijk geen verdachte bijmengingen aangetroffen. In de bovengrond zijn lichte verontreinigingen met lood, PAK, minerale olie en EOX aangetoond. Aan de noordwest- en zuidoostzijde van het sportcentrum is in 2000 door BOOT een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in het kader van de voorgenomen uitbouw van het pand (kenmerk: M00186, d.d. 19 oktober 2000). Destijds zijn er 7 boringen verricht. Zintuiglijk zijn in de boven- en ondergrond bijmengingen met puin aangetroffen en in de bovengrond bijmengingen met kooldeeltjes. In de ondergrond is een lichte verontreiniging met nikkel aangetoond. In 2004 is ter plaatste van de bufferkelder een nulsituatie bodemonderzoek uitgevoerd door BOOT (kenmerk: M04119.01/mt, d.d. 20 augustus 2004). Het bodemonderzoek is uitgevoerd na het ontgraven van de put voor het aanleggen van de bufferkelder. De ontgraving had een diepte van ca. 3,0 meter en de grondmonsters zijn genomen van de putwanden en van de putbodem. De monsters zijn geanalyseerd op het standaardpakket grond en zuurgraad.
Uit de analyseresultaten is gebleken dat geen van de geanalyseerde parameters verhoogd aangetoond was en dat pH-waardes van 4,9 en 4,1 zijn aangetoond voor, respectievelijk, de bodem en de wanden.
R 19370.002 versie D1
Pagina 3 van 18
3.6
Aangrenzende terreindelen/percelen
In paragraaf 3.1 zijn de geraadpleegde informatiebronnen voor de omliggende terreindelen en aangrenzende percelen binnen 25 meter van de onderzoekslocatie opgenomen. Het bodemgebruik van de omliggende terreindelen is als volgt:
aan de noordzijde bevinden zich twee onderwijsinstellingen; aan de oostzijde bevindt zich een park en het gemeentehuis; aan de zuid- en westzijde bevindt zich een weg met aangrenzend woonhuizen en bijbehorende siertuinen;
Van de aangrenzende percelen zijn geen bodemonderzoeksgegevens bekend. Uit de verzamelde informatie blijkt, dat er vanuit de omliggende percelen geen grensoverschrijdende verontreinigingen zijn te verwachten. 3.7
Terreininspectie
Voorafgaand aan het bodemonderzoek is er een terreininspectie uitgevoerd. Deze is gericht op de identificatie van bronnen, die mogelijk hebben geleid of kunnen leiden tot een grond- en/of grondwaterverontreiniging. De tijdens de terreininspectie aangetroffen situatie komt grotendeels overeen met de locatiegegevens, zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.2. Als aanvulling op de locatiegegevens is gebleken dat ter plaatse van de chloorbleekloogruimte (meng)tanks aanwezig zijn. De ruimte is voorzien van een betegelde betonnen constructie dat afwatert naar het riool. Aan de buitenzijde van het gebouw zijn drie ontluchtingspunten aangetroffen. In de kelder vindt ook opslag van zakken zouttabletten en jerrycans met zoutzuur plaats. Deze ruimte is eveneens voorzien van een betegelde betonnen constructie met afwaterpunten naar het riool. 3.8
Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten
Op 19 november 2021 is een ontwerp Nota bodembeheer opgesteld voor een aantal gemeenten, waaronder gemeente Rhenen, die onder het werkgebied van de Omgevingsdienst Regio Utrecht vallen (ODRU, kenmerk: niet bekend). Volgens de Nota bodembeheer is de onderzoekslocatie gelegen in een gebied met bodemfunctieklasse ‘Wonen’. In dit gebied voldoet de bovengrond aan bodemkwaliteitsklasse ‘Wonen’ en de ondergrond aan bodemkwaliteitsklasse ‘Landbouw/natuur’. 3.9
Bodemopbouw en geohydrologie
De onderzoekslocatie ligt volgens de bodemkaart van Nederland in een niet-gekarteerd gebied. De dichtstbijzijnde kaarteenheid betreft hoge bruine enkeerdgronden, die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit een afwisseling van grof en midden zand, met weinig klei, zandige klei, fijn zand en grond en een spoor veen. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren hydrogeologisch gezien tot een gestuwde afzetting, welke een complexe eenheid betreft. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 8,5 m +NAP, waardoor het grondwater zich op ± 31,0 m -mv zou bevinden. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO in zuidoostelijke richting.
R 19370.002 versie D1
Pagina 4 van 18
De onderzoekslocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied. 3.10 Niet-gesprongen explosieven Volgens de gemeente Rhenen is de locatie aangemerkt als ‘verdacht’ voor het voorkomen van nietgesprongen explosieven (NGE’s) in de bodem.
4
CONCLUSIES MILIEUHYGIËNISCH VOORONDERZOEK BODEM (ONDERZOEKSOPZET)
Ten behoeve van het bodemonderzoek is, op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem, een aantal deellocaties geïdentificeerd. In tabel 2 zijn de onderzoeksstrategieën, die van toepassing zijn op de betreffende deellocaties, weergegeven. Tabel 2.
Onderzoeksstrategie Deellocatie
Oppervlakte/volume
Verwachte stoffen
Onderzoeksstrategie
A
terreindelen rondom sportcentrum
13.925 m2
metalen, minerale olie, PAK, PCB, asbest
VED-HE-NL
B
terreindelen naast gemeentehuis
2.700 m2
metalen, minerale olie, PAK, PCB, asbest
VED-HE-NL
C
mengtanks, ontluchtingspunten, opslag van zout en zwavelzuur
15 m2
chloride, zuren en basen
VEP
D
bufferkelder
V > 50 m3
chloride, zuren en basen
NUL-OO/VEP-OO
Onderzoeksstrategieën volgens NEN 5740 / NEN 5707: VEP : Verdacht, plaatselijke bodembelasting, uitgezonderd ondergrondse opslagtanks VEP-OO : Verdacht, plaatselijke bodembelasting, één of meer ondergrondse opslagtank(s) VED-HE-NL: Verdacht, diffuse bodembelasting, heterogene verontreiniging, niet lijnvormig NUL-OO : Nulsituatie, toekomstige ondergrondse opslagtank(s)
Naar verwachting bevindt de grondwaterspiegel zich op een diepte van meer dan 5,0 m -mv. Derhalve is conform de NEN 5740 het grondwateronderzoek achterwege gelaten. Op basis van het “Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecies” blijkt dat vooralsnog heel Nederland (voornamelijk de bovengrond) als “verdacht” wordt aangemerkt met betrekking tot de parametergroep PFAS. Dit betekent echter niet dat alle locaties per definitie verdacht zijn op PFAS bóven de toetsnorm. Verwacht wordt, dat er verspreid over de onderzoekslocatie gelijke gehalten aan PFAS voorkomen. Op basis van de resultaten van het milieuhygiënisch vooronderzoek concludeert Econsultancy dat atmosferische depositie naar verwachting de enige (beperkte) bron van PFAS-verontreiniging op de locatie is. Atmosferische depositie kan leiden tot beperkt verhoogde PFAS-gehalten in bodem en water. Indien bij het ontgraven of saneren sprake is van afvoer van de grond naar elders, is het voor de toepassing elders of de acceptatie bij een grondbank, verwerker of stortplaats noodzakelijk om onderzoek te doen naar PFAS. Op aangeven van de opdrachtgever maakt PFAS geen deel uit van onderhavig onderzoek.
R 19370.002 versie D1
Pagina 5 van 18
Verkennend onderzoek asbest in bodem NEN 5707 Op basis van de huidige informatie is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie VED-HE-NL. De doelstelling van het onderzoek is om na te gaan of de verdenking van verontreiniging met asbest terecht is.
5
VELDWERK
5.1
Algemeen
Tijdens het opstellen van het boorplan is rekening gehouden met de doelstellingen en de richtlijnen, die geformuleerd zijn in de inleiding. Daarnaast is rekening gehouden met de gegevens voortvloeiend uit het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem en de ligging van kabels en leidingen. Bijlage 2a bevat de locatieschets met daarop aangegeven de situering van de boorpunten en gaten. In bijlage 3a zijn de bodemprofielen van de asbestinspectiegaten en de boringen opgenomen. Bijlage 3b bevat enkele foto’s van de asbestinspectiegaten en het opgegraven en opgeboorde bodemmateriaal. Het veldwerk is op 29 juni, 30 juni, 1 juli en 11 juli 2022 uitgevoerd onder kwaliteitsverantwoordelijkheid van de heren K. Gerrist en J.H.L. Vermorken. Deze medewerkers van Econsultancy staan geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2001 en 2018 van de SIKB BRL 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". 5.2
Visuele inspectie toplaag/maaiveld op asbest
Er zijn op het maaiveld geen asbestverdachte/asbesthoudende materialen aangetroffen. In tabel 3 zijn enkele algemene gegevens met betrekking tot de visuele inspectie van de toplaag opgenomen. Tabel 3.
Visuele inspectie toplaag Aandachtsgebied
Opmerking
Oppervlakte van geïnspecteerde locatie
12.625 m²
Conditie toplaag
Droog
Beperkingen van de inspectie
Verharding
Weersomstandigheden
Neerslag < 10 mm/dag Zicht > 50 m
Zand, klei/leem en/of veen
Zand
Los of (deels) vastgereden
Los
Geen/matige vegetatie
matige vegetatie
Geschatte inspectie-efficiëntie (tabel 2 NEN 5707)
80 %
Asbestverdacht materiaal op maaiveld aangetroffen?
Nee
5.3
Grondonderzoek
Aan de hand van de geldende onderzoeksstrategieën zijn de werkzaamheden uitgevoerd zoals die in tabel 4 zijn vermeld. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder continue begeleiding van T&A Survey. Hierbij zijn de locaties en het vrijgekomen materiaal van de boringen en asbestgaten beoordeeld op het voorkomen van NGE’s.
R 19370.002 versie D1
Pagina 6 van 18
Tabel 4.
Uitgevoerde werkzaamheden
Locatie
Oppervlakte onderzoekslocatie (in m2)
Aantal boringen en gaten * boring / gat tot 0,5 m in verdachte laag
Aantal te analyseren (meng)monsters
boring / gat tot max. 2,0 m -mv
boring tot max. 5,0 m -mv
grond verdachte laag
onverdachte ondergrond
A
terreindelen rondom sportcentrum
13.925
22 gaten met boringen (1,0 m mv)
5
2
standaardpakket (5x) PAK (4x) asbest (kwantitatief) (4x)
standaardpakket (2x)
B
terreindelen naast gemeentehuis
2.700
10 gaten met boringen (1,0 m mv)
3
1
standaardpakket (3x) asbest (kwantitatief) (1x)
standaardpakket (1x)
C
mengtanks, ontluchtingspunten, opslag van zout en zwavelzuur
15
2 boringen (3,0 m -mv)
0
1
pH + chloride (2x)
-
D
bufferkelder
V > 50
3 boringen (3,5 m -mv)
0
1
pH + chloride (2x) standaardpakket (2x)
-
*
De gaten ten behoeve van het verkennend onderzoek asbest in bodem hebben een afmeting van 0,3 x 0,3 x 0,5 m.
In afwijking van het gestelde in de NEN 5740 zijn enkele boringen niet doorgezet tot de gewenste einddiepte vanwege het mogelijk voorkomen van NGE’s in de ondergrond, de aanwezigheid van een ondoordringbare laag of materiaal wat niet naar het oppervlak te krijgen was. Als gevolg hiervan is het veldwerk niet conform de NEN 5740 uitgevoerd. Op de beoordeling van de bodemkwaliteit en het advies heeft dit geen invloed. 5.4
Algemene bodemopbouw en visuele inspectie opgegraven materiaal
De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, matig fijn tot zeer grof zand. De boven- en ondergrond zijn licht tot sterk grindig en plaatselijk zwak humeus. Over het algemeen zijn in de bovengrond zintuiglijk bijmengingen met puin, bakstenen, beton, glas en aardewerk aangetroffen. Aan de oostkant van de onderzoekslocatie, ter plaatse van boring B14, is het traject 1,5 - 2,0 m -mv matig kolengruishoudend. Tijdens de werkzaamheden zijn er zintuiglijk geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Tabel 5 geeft een overzicht van de zintuiglijk waargenomen verontreinigingen, die in het opgegraven en opgeboorde materiaal zijn aangetroffen.
R 19370.002 versie D1
Pagina 7 van 18
Tabel 5.
Zintuiglijk waargenomen verontreinigingen
Gat/boring
Einddiepte (m -mv)
Traject (m -mv)
Waargenomen verontreinigingen
Deellocatie A: terreindelen rondom sportcentrum A01
1,00
0,00 - 0,30
zwak baksteenhoudend
A09
1,00
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
A11
1,00
0,00 - 0,50
zwak betonhoudend
A12
0,80
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
0,50 - 0,80
gestaakt, NGE verdacht
A13
1,00
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
A15
1,00
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
A16
1,00
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
A17
1,00
0,00 - 0,50
zwak glashoudend
A18
1,00
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
A19
0,60
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
A20
1,00
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
A21
1,00
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend, zwak aardewerkhoudend
A22
1,00
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
A23
2,00
0,30 - 0,50
zwak baksteenhoudend
A24
2,00
0,50 - 1,00
zwak kolengruishoudend, zwak baksteenhoudend
A25
2,00
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
A26
1,30
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
A27
2,00
0,00 - 0,50
sterk puinhoudend
A28
2,00
0,04 - 0,50
zwak baksteenhoudend
0,50 - 2,00
gestuit op harde laag
Deellocatie B: terreindelen naast gemeentehuis B07
1,00
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
B08
1,00
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
B09
1,00
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
B10
1,00
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
B11
1,00
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
B12
1,40
1,00 - 1,40
gestaakt i.v.m. verdacht object (mogelijk de fundering)
B13
2,00
0,00 - 0,50
zwak baksteenhoudend
B14
5,00
1,50 - 2,00
matig kolengruishoudend
Tabel 6 geeft een overzicht van de in het veld samengestelde asbest(meng)monsters.
R 19370.002 versie D1
Pagina 8 van 18
Tabel 6.
Overzicht van de samenstelling van de (meng)monsters
(Meng)monster
Monsters (in m -mv)
Bijzonderheden
Deellocatie A: terreindelen rondom sportcentrum ASB-MMA1
A02 (0,07-0,50) A06 (0,07-0,50) A04 (0,07-0,50) A05 (0,07-0,50) A10 (0,04-0,50)
onverdachte bovengrond (zintuigelijk schoon)
ASB-MMA2
A23 (0,07-0,30) A03 (0,07-0,50) onverdachte bovengrond A24 (0,07-0,50) A08 (0,07-0,50) (zintuigelijk schoon) A07 (0,07-0,50) A14 (0,04-0,50)
ASB-MMA3
A23 (0,30-0,50) A11 (0,00-0,50) verdachte bovengrond A01 (0,00-0,30) A09 (0,00-0,50) (zwak baksteenhoudend, zwak betonhoudend) A12 (0,00-0,50) A26 (0,00-0,50)
ASB-MMA4
A13 (0,00-0,50) A15 (0,00-0,50) verdachte bovengrond A18 (0,00-0,50) A19 (0,00-0,50) (zwak baksteenhoudend) A25 (0,00-0,50)
ASB-MMA5
A27 (0,00-0,50)
ASB-MMA6
A16 (0,00-0,50) A17 (0,00-0,50) verdachte bovengrond A20 (0,00-0,50) A21 (0,00-0,50) (zwak baksteenhoudend, zwak glashoudend, zwak aardewerkhoudend) A22 (0,00-0,50)
verdachte bovengrond (sterk puinhoudend)
Deellocatie B: terreindelen naast gemeentehuis
6 6.1
ASB-MMB1
B07 (0,00-0,50) B08 (0,00-0,50) verdachte bovengrond B09 (0,00-0,50) B10 (0,00-0,50) (zwak baksteenhoudend) B11 (0,00-0,50) B13 (0,00-0,50)
ASB-MMB2
B05 (0,25-0,50) B06 (0,30-0,50) onverdachte bovengrond (zintuigelijk schoon) B12 (0,35-0,50)
ASB-MMB3
B01 (0,00-0,50)
onverdachte bovengrond (zintuigelijk schoon)
LABORATORIUMONDERZOEK Uitvoering analyses
Verkennend bodemonderzoek NEN 5740 Alle grondmonsters zijn aangeboden aan een laboratorium dat is erkend door de Raad voor Accreditatie en AS3000-geaccrediteerd is voor milieuhygiënisch bodemonderzoek. In het laboratorium zijn grond(meng)monsters samengesteld. De grond(meng)monsters zijn geanalyseerd op de volgende pakketten: -
standaardpakket grond: droge stof, lutum, organische stof, metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), polychloorbifenylen (PCB), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en minerale olie;
-
chloride en zuurgraad: droge stof, organische stof, chloride, zuurgraad (pH-CaCl2);
Na bekend worden van de analyseresultaten zijn de individuele grondmonsters, waaruit grondmengmonster A-GMM2 (bovengrond) is samengesteld, separaat geanalyseerd op de parameter PAK. Tabel 7 geeft een overzicht van de samenstelling van de grond(meng)monsters en de analysepakketten.
R 19370.002 versie D1
Pagina 9 van 18
Tabel 7.
Overzicht van de samenstelling van de grond(meng)monsters en de analysepakketten
Grond(meng)monster
Meetpunt en traject (m -mv)
Analysepakket
Bijzonderheden
Deellocatie A: terreindelen rondom sportcentrum A-GMM01
A01 (0,00 - 0,30) A23 (0,30 - 0,50) A24 (0,50 - 1,00) A28 (0,04 - 0,50)
standaardpakket grond
verdachte laag (zwak baksteenhoudend, zwak kolengruishoudend)
A-GMM02
A11 (0,00 - 0,50) A15 (0,00 - 0,50) A19 (0,00 - 0,50) A25 (0,00 - 0,50)
standaardpakket grond
verdachte laag (zwak betonhoudend, zwak baksteenhoudend)
A-GMM03
A02 (0,50 - 1,00) A04 (0,50 - 1,00) A05 (0,50 - 1,00) A10 (0,50 - 1,00) A13 (0,50 - 1,00) A19 (0,50 - 0,60) A23 (1,50 - 2,00) A24 (1,50 - 2,00) A28 (1,50 - 2,00) A29 (1,50 - 2,00)
standaardpakket grond
onverdachte ondergrond (zintuiglijk schoon)
A-GMM04
A09 (0,00 - 0,50) A12 (0,00 - 0,50) A20 (0,00 - 0,50) A26 (0,00 - 0,50)
standaardpakket grond
verdachte laag (zwak baksteenhoudend)
A-GMM05