Bijlage 2 Nota van Beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan Achterberg West fase 2
Tekst van het document
Geen wijzigingen
8.3 Het plan leidt tot geluidsoverlast Door de toename van het aantal verkeersbewegingen zal de geluidsoverlast toenemen.
Verkeer van of naar de nieuwe woonwijk zal niet direct langs de woning van reclamant rijden. Gelet hierop, op de ruime afstand tussen de woning van reclamant en de nieuw te bouwen woningen, en op de aanwezigheid van hoog opgaande beplanting, is geluidoverlast niet te verwachten.
Geen wijzigingen
8.4 Aantasting van de privacy Om inkijk te voorkomen is een afschermende groenstrook met veel groenblijvende heesters van voldoende hoogte nodig. Aanleg en instandhouding hiervan moet worden vastgelegd d.m.v. een voorwaardelijke verplichting.
Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 6.3.
Geen wijzigingen
8.5 Uitzicht gaat verloren Om het uitzicht van reclamant zoveel mogelijk te beschermen, moet op plekken dicht bij bestaande woningen worden
Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 6.2.
Geen wijzigingen
Het geluidsonderzoek is onzorgvuldig uitgevoerd, omdat nieuw aan te leggen wegen en de Uitweg-Bovenweg niet zijn meegenomen.
gewerkt met lagere goot- en bouwhoogtes. 8.6 Strijd met beleid Het plan bevat meer woningen dan voorzien in de structuurvisie. Achterberg krijgt onevenredig veel woningen erbij.
Structuurvisie ‘De Achterbergse Erven’, waar dit bestemmingsplan op voortbouwt, definieert een aantal stedenbouwkundige uitgangspunten voor de inrichting van het plangebied. In paragraaf 3.3.3. van de toelichting is onderbouwd op welke manier invulling is gegeven aan deze structuurvisie. In deze structuurvisie is een maximum van 75 woningen opgenomen, zie hiervoor beantwoording van zienswijzeonderdeel 4.7.
Geen wijzigingen. Het aantal woningen in het plan is wel (ambtelijk) gewijzigd, en daarmee ook de onderbouwing in paragraaf 3.3.3.
Locaties voor woningbouw binnen de gemeente Rhenen zijn beperkt (zie beantwoording zienswijze 8.7). De woningbouw in dit plan bij Achterberg, komt ook tegemoet aan de woningvraag voor de kern Rhenen. Gelet op de maatschappelijke ontwikkelingen sinds de vaststelling van de structuurvisie in 2014, waaronder de grote behoefte aan woningbouw, is het noodzakelijk om het te realiseren aantal woningen naar boven bij te stellen. 8.7 Onvoldoende onderzoek naar alternatieve locaties Er is niet gemotiveerd welke andere locaties zijn onderzocht en waarom deze als ongeschikt zijn beoordeeld.
Locaties voor de bouw van 100 woningen zijn zeer schaars. Binnen stedelijk gebied zijn deze niet voorhanden in onze gemeente. Anders dan in deze zienswijze wordt gesteld, liggen namelijk ook de gronden tussen de Hogesteeg en De Dijk buiten stedelijk gebied. Al geruime tijd geleden is de onderhavige locatie aangemerkt als een geschikte uitbreidingslocatie buiten stedelijk gebied, juist omdat wordt aangesloten op bestaand stedelijk gebied, waaronder de woningbouw uit Achterberg-West fase 1, en de daarbij aanwezige infrastructuur. Om deze reden was deze locatie al opgenomen in onze stedenbouwkundige structuurvisie uit 2008. De uitbreidingslocatie is gehandhaafd in de Structuurvisie ‘De Achterbergse Erven’ uit 2014.
Geen wijzigingen
In de zienswijze wordt gesteld dat er locaties zijn die geschikter zijn als uitbreidingslocatie, maar dit wordt op geen enkele wijze onderbouwd. Bij afwezigheid van een onderbouwing door reclamant ziet de raad dan ook geen reden om aan de geschiktheid van deze locatie te twijfelen. 8.8 Planschade kan voorkomen worden
Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 6.5.
Geen wijzigingen
Een goede ruimtelijke ordening vraagt dat u het nadeel voor omwonenden zo klein mogelijk houdt. 8.9 Reclamant wil meedenken Reclamant wil de volgende wijzigingen van het bestemmingsplan: − een dichte groenstrook tussen haar woning en het plangebied; − terugbrengen van de bouwhoogte voor het noordelijke deel van de woningen tot 8m hoogte; − minder woningen in het noordoostelijke deel van het plangebied.
Het onderhavige bestemmingsplan heeft een participatietraject en voorbereidingsprocedure doorlopen, waarin eenieder kon meedenken. Reclamant heeft die mogelijkheden benut. De raad waardeert de betrokkenheid van de omgeving en betrekt de suggesties en ideeën bij de vaststelling van het plan. Los daarvan ziet de gemeenteraad geen aanleiding om afzonderlijk met partijen in overleg te treden. Er is daarom geen aanleiding om het bestemmingsplan aan te passen zoals voorgesteld door de reclamant.
Geen wijzigingen
2.2.9 Zienswijze 9 Zienswijze 9.1 Geur Er is geen geurverordening vastgesteld, zodat deze niet als uitgangspunt kan worden gebruikt.
Antwoord gemeente Tegelijk met het ontwerpbestemmingsplan is een ontwerpgeurverordening ter inzage gelegd. Voorafgaand aan het vaststellen van het bestemmingsplan is in dezelfde vergadering door de raad de geurverordening vastgesteld. Ten tijde van vaststelling van het bestemmingsplan was dan ook sprake zijn van een vastgestelde geurverordening.
Conclusie Geen wijzigingen
Volgend uit voorgaande beoordeling wordt onderkend dat de richtafstand niet wordt gehaald. Uit een indicatieve meting blijkt dat de stallen op ca. 60 meter liggen.
Volgens de handreiking bij de Wgv moet bij een toets omgekeerde werking (dus bij het planologisch mogelijk maken van geurgevoelige objecten nabij veehouderijen) uit worden gegaan van de vergunde of gemelde dieraantallen en stalsystemen. Dit is toegelicht in paragraaf 2.3 van het geurrapport. Met de vergunde of gemelde dieraantallen en stalsystemen moet vervolgens (inderdaad) worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Dit komt neer dat uit moet worden gegaan
Geen wijzigingen
van de rand van het bouwvlak van de veehouderij, tenzij in de richting van het plangebied sprake is van bestaande belemmeringen zoals bestaande woningen). Dit is in het rapport duidelijk toegelicht en voor elke veehouderij op de juiste manier inzichtelijk gemaakt. Op enkele plaatsen overlappen de afstanden met het plangebied. In het rapport is met een uitgebreide motivatie en geurberekening beoordeeld dat het mogelijk en wenselijk is om een aangepaste afstandseis op te nemen in de geurverordening. De voorgestelde geurnorm van 7,5 ouE/m3 voor de bebouwde kom is extreem hoog. Het bedrijf verwacht dat er geurklachten zullen ontstaan. Het gebied kan niet worden aangemerkt als overgangsgebied. Ook is maar de vraag of toekomstige bewoners zich hiervan bewust zijn. Er is geen sprake van een aanvaardbare geursituatie.
De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om (middels een geurverordening) af te wijken van de inde Wgv opgenomen geurnormen. De voorgestelde geurnorm en afstandseis passen binnen de bandbreedte die de Wgv daartoe biedt. Er zijn dus situaties denkbaar dat ook met een geurnorm van 7,5 ouE/m3 en een afstandseis van 50 meter sprake kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in een bebouwde kom. Het woon- en leefklimaat is zorgvuldig afgewogen en aanvaardbaar bevonden. Daarnaast verandert er feitelijk niets aan de huidige en toekomstige geursituatie. De huidige geursituatie is nu eenmaal vergund en er wordt niet getornd aan de vergunningen. Voor elk van de veehouderijen geldt dat de toekomstige geursituatie afhangt van bestaande woningen buiten het plangebied en die niet in het verordeningsgebied zijn betrokken. Voor deze bestaande woningen veranderen de geurnormen en afstandseisen niet.
Geen wijzigingen
De beoordeling van het woonen leefklimaat kan niet worden weggeschreven met het feit dat er al bestaande woningen in de onmiddellijke nabijheid van de veehouderij zijn gesitueerd. Er moet immers binnen de nieuwe woonwijk ook een goed woonen leefklimaat worden gewaarborgd.
Het woon- en leefklimaat is niet weggeschreven, maar in het geurrapport juist zorgvuldig afgewogen (ondersteund met berekeningen) en aanvaardbaar bevonden. Bij een onderzoek naar de achtergrondbelasting worden alle relevante veehouderijen meegenomen. Dit zijn de veehouderijen waar dieren worden gehouden waarvoor in de Wgv geuremissiefactoren zijn vastgesteld.
Geen wijzigingen
De achtergrondbelasting in bijlage 2 en bijlage 3 is niet
De achtergrondbelasting is op juiste wijze in beeld gebracht. De afstand van 2 km in de handleiding V-Stacks gebied is een vuistregel. In dit geval is gekeken naar de
Geen wijzigingen
volledig in beeld gebracht. Niet alle bedrijven binnen 2 km zijn in beeld gebracht. De cumulatieve belasting zal hoger zijn.
veehouderijen in de wijde omgeving en is beoordeeld dat alle relevante veehouderijen zijn meegenomen. Er zijn geen veehouderijen met een grote geuremissie waarvan verwacht wordt dat deze relevant bijdragen aan de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied, die niet zijn meegenomen in het onderzoek. Bovendien is de voorgrondbelasting bepalend voor de geurhinder in het plangebied, zie ook pagina 26 van het geuronderzoek.
Cuneraweg 253 binnen of buiten de bebouwde kom: Het is onduidelijk welke norm geldt voor Cuneraweg 253.
De locatie Cuneraweg 253 maakt onderdeel uit van het verordeningsgebied, zoals blijkt uit de bij de verordening behorende kaart.
Geen wijzigingen
9.2 Opslag agrarische bedrijfsstoffen Er bevindt zich op dit bedrijf, binnen de richtafstand van 100 meter, een opslag van vaste mest.
Voor de opslag van agrarische bedrijfsstoffen gelden afhankelijk van het op te slagen materiaal verschillende afstandseisen. Voor de mestopslag wordt de afstand van 100 meter gehaald en in zoverre leidt dit niet tot een beperking voor de onderhavige ontwikkeling. Bovendien zijn bestaande woningen maatgevend voor de mogelijkheden van de veehouderijen.
Geen wijzigingen
9.3 Geluid De akoestische effecten van de veehouderij op de nieuwe woningen is niet getoetst.
De bestaande woningen, die dichter bij het bedrijf van reclamant liggen, zijn al bepalend voor de geluidemissie van het bedrijf. Met andere woorden: de veehouderij dient het geluidniveau zodanig te beperken dat een goed woon- en leefklimaat in de bestaande woningen is gewaarborgd. Hierdoor staat vast dat ook in de nieuw te bouwen, verder van de veehouderij gelegen woningen sprake is van een goed woonen leefklimaat. Gelet daarop is het niet nodig om op dit punt aanvullend onderzoek uit te voeren.
Geen wijzigingen
9.4 Versie AERIUS-calculator
Na ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan is een nieuwe versie van de AERIUS-calculator verschenen (1 oktober 2024). De stikstofberekeningen zijn na deze datum geactualiseerd; er is dus gerekend met de meest actuele versie van de AERIUS-calculator.
De stokstofberekeningen (bijlage 14 van de toelichting) zijn geactualiseerd.
9.5 Inzet van mobiele werktuigen en de hoeveelheid
In de zienswijze worden diverse uitgangspunten van de AERIUS-berekeningen ter discussie gesteld. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan is beoordeeld wat de stikstofdepositie is van het bestemmingsplan op nabijgelegen Natura2000-gebieden.
Naar aanleiding van de zienswijze zijn de invoergegevens aangepast en
verkeersbewegingen/ Wat is er allemaal meegenomen in de berekening?/ Indeling bouwfasen/ Verkeersbewegingen/ Elektrische kranen vs. aggregaten/ Ureninzet mobiele werktuigen per woning
Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen de aanleg- en gebruiksfase. Volgens vaste rechtspraak dienen invoergegevens gehanteerd te worden die reëel en aannemelijk zijn. Ten aanzien van mobiele werktuigen is in deze vroege fase nog niet bekend wat de exacte inzet zal zijn. Daarom is de situatie gemodelleerd op basis van kengetallen. Dit is een gebruikelijk en toegestane aanpak.
9.6 De berekeningen niet als separate bijlage Door het niet opnemen van de berekeningen van de aanleg- en de gebruiksfase in een separate bijlage kunnen de ingevoerde gegevens en de andere parameters niet worden gecontroleerd.
De berekeningen van de bouwfase en de gebruiksfase zijn inderdaad opgenomen in één bijlage bij de toelichting op het bestemmingsplan. In deze bijlage zijn echter duidelijk afzonderlijke berekeningen opgenomen voor de twee verschillende fasen. Daarmee is de AERIUS-berekening voldoende inzichtelijk en controleerbaar.
Geen wijzigingen
9.7 Wegvakken voor berekening wegverkeer
In de zienswijze wordt ingegaan op de gekozen wegvakken voor het berekenen van de stikstofdepositie ten gevolge van het wegverkeer. Een algemeen criterium voor verkeer van en naar inrichtingen is dat de gevolgen niet meer aan de inrichting worden toegerekend wanneer het verkeer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld (bron: Instructie gegevensinvoer AERIUS Calculator). De instructie ten aanzien van het berekenen van wegverkeer en het modelleren van de wegvakken is niet specifiek beschreven. Het betreft een handreiking om richting te geven aan het modelleren van wegverkeer en bevat dus geen dwingende voorschriften.
Geen wijzigingen
Bij de nadere beoordeling van de AERIUS-berekeningen hebben wij geconstateerd dat de inzet/uren van mobiele werktuigen mogelijk aan de lage kant is en dat de berekening voor de realisatiefase in tweeën is gedeeld zonder argumentatie daarvoor. Om te voorkomen dat dit zou kunnen leiden tot een onjuiste conclusie, namelijk dat ten onrechte zou worden geconcludeerd dat er geen stikstofdepositie ten gevolge van de beoogde ontwikkeling zou optreden, zijn de stikstofberekeningen aangepast, waarbij wordt uitgegaan van meer realistische stikstofuitstoot gebaseerd op kengetallen van de Rijksoverheid. Deze wijzigingen leiden niet tot een andere uitkomst van de berekeningen.
verhoogd, om zo een realistischer beeld te geven van de uitstoot in zowel de aanleg als de gebruiksfase. De geactualiseerde stikstofberekeningen zijn opgenomen in bijlage 14 van de toelichting op het bestemmingsplan.
De bijdrage van wegverkeer aan de totale stikstofuitstoot is vrij gering. Ter illustratie: wij hebben de verkeersintensiteiten van het bouwverkeer in de berekening voor de bouwfase (kenmerk RTe1X8cB3KgW) verdubbeld, wat leidt tot een toename van de totale stikstofuitstoot (mobiele werktuigen + wegverkeer) van 52,6 kg/jr. NOx en 0,7 kg/jr. NH3 naar 55,1 kg/jr. NOx en 0,8 kg/jr. NH3. De bijdrage van mobiele werktuigen aan de stikstofuitstoot is veel groter en is daardoor veel maatgevender. Vanwege onzekerheden over aannames voor het wegverkeer is de eerdergenoemde proefberekening ‘worst case’ uitgevoerd. Met deze extra berekening is beoordeeld of er sprake zou kunnen zijn van een onjuiste conclusie. Uit deze berekening blijkt dat ook ten gevolge van deze fictieve, sterk verhoogde uitstoot geen depositie op Natura 2000-gebieden optreedt. Ook het verlengen van de gemodelleerde wegvakken zou hier niet leiden tot een andere conclusie. Op basis daarvan is geconcludeerd dat het aspect stikstofdepositie geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 9.8 Landschappelijke inpassing Met de bestemming “Groen” is de gewenste landschappelijke inpassing niet voldoende gewaarborgd.
De regels bij de bestemming “Groen” sluiten aan op de regels bij deze bestemming uit het plan “Kern Achterberg 2012”. Voor wat betreft de landschappelijke inpassing moet de verbeelding worden gezien in combinatie met het beplantingsplan en de regels. De bestemming “Groen” maakt uitvoering van het beplantingsplan mogelijk. Nu een voorwaardelijke verplichting wordt toegevoegd aan de regels (zie antwoord 9.9) is van onzekerheid over de landschappelijke inpassing geen sprake meer.
Geen wijzigingen
9.9 Beplantingsplan Beplantingsplan voorziet niet in afschermende beplanting tussen perceel van reclamant en plangebied. Genoemde voorwaardelijke verplichting ontbreekt.
Het perceel van reclamant ligt – ten opzichte van het plangebied – aan de andere zijde van de Cuneraweg. Gelet hierop acht de gemeenteraad het vanuit een goede ruimtelijke ordening niet noodzakelijk om afschermende beplanting aan te brengen, zoals reclamant betoogt.
Aan de regels wordt onder artikel een voorwaardelijke verplichting (regels artikel 6.6) toegevoegd voor het uitvoeren en instandhouding van de maatregelen uit het beplantingsplan.
9.10 Afwijken gebruiksregels De voorwaardelijke verplichting met betrekking tot het
Borging voorwaardelijke verplichting De voorwaardelijke verplichting voor het programma Groen Groeit Mee wordt gekoppeld aan de bestemming “wonen”. Op deze manier is, zei het op een indirecte
Het is juist dat een voorwaardelijke verplichting voor de landschappelijke inpassing per abuis ontbrak in het ontwerpbestemmingsplan. Dit is aangepast in het vast te stellen bestemmingsplan.
Door de inhoudelijke aanpassing in de maatregelen in het kader van het
programma “Groen Groeit Mee” zoals opgenomen in artikel 5.6 van het ontwerpbestemmingsplan heeft geen werkingsgebied op de verbeelding en verwijst niet naar een planregel.
manier, deze voorwaardelijke verplichting gekoppeld aan een werkingsgebied op de verbeelding.
De voorwaardelijke verplichting leidt tot rechtsonzekerheid voor reclamant. De toetsing van de maatregelen in het kader van “Groen Groeit Mee” worden daarmee namelijk doorgeschoven naar de fase van de beoordeling van de benodigde omgevingsvergunning.
Er is voor gekozen om in het vast te stellen bestemmingsplan ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan een nadere invulling op te nemen van de maatregelen die in het kader van Groen Groeit Mee zowel binnen als buiten het plangebied moeten worden genomen. Deze maatregelen zijn vastgelegd in het Landschapsplan, dat is opgenomen in bijlage 2 bij de regels op het vast te stellen bestemmingsplan. Deze maatregelen zijn in overleg met de provincie Utrecht tot stand gekomen en door de provincie akkoord bevonden. Aan de planregels wordt een voorwaardelijke verplichting met betrekking tot het landschapsplan toegevoegd (zie hierboven ‘borging voorwaardelijke verplichting’). Hiermee is van rechtsonzekerheid voor omwonenden en andere belanghebbenden geen sprake.
2.2.10 Zienswijze 10 Zienswijze 10.1 Geur Er is geen geurverordening vastgesteld, zodat deze niet als uitgangspunt kan worden gebruikt. Volgend uit voorgaande beoordeling wordt onderkend dat de richtafstand niet wordt gehaald. Uit een indicatieve meting blijkt dat de richtafstand ca 50 meter bedraagt. Bij het
programma Groen Groeit Mee zijn wijzigingen doorgevoerd in de toelichting, bijlage 2 bij de regels (Landschapsplan Achterberg West) en de voorwaardelijke verplichting uit artikel 6.6 van de planregels.
Antwoord gemeente Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 9.1.
Conclusie Geen wijzigingen
De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om (middels een geurverordening) af te wijken van de ‘verplichte’ afstandseis van 100 meter. De voorgestelde afstandseis van 50 meter en (feitelijke) afstand van 60 meter passen binnen de bandbreedte die de Wgv daartoe biedt. Dit houdt in dat ook met een afstandseis van 50 meter sprake kan zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat in een bebouwde kom. Om te onderbouwen dat ook in dit geval sprake is van een aanvaardbaar woon- en
Geen wijzigingen
beoordelen van de geurgevolgen in het ruimtelijk spoor moet in ieder geval worden uitgegaan van de uiterste planologische mogelijkheden en niet van de feitelijke situatie zoals deze nu op het perceel aanwezig is.
leefklimaat is in paragraaf 4.4.1 van het geurrapport een nadere motivatie met geurberekening opgenomen. Volgens de handreiking bij de Wgv moet bij een toets omgekeerde werking (inderdaad) worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Dit komt neer dat uit moet worden gegaan van de rand van het bouwvlak van de veehouderij, tenzij in de richting van het plangebied sprake is van bestaande belemmeringen zoals bestaande woningen). Dit is in het rapport duidelijk toegelicht en voor elke veehouderij op de juiste manier inzichtelijk gemaakt.
De voorgestelde geurnorm van 7,5 ouE/m3 voor de bebouwde kom is extreem hoog. Het bedrijf verwacht dat er geurklachten zullen ontstaan. Het gebied kan niet worden aangemerkt als overgangsgebied. Ook is maar de vraag of toekomstige bewoners zich hiervan bewust zijn. Er is geen sprake van een aanvaardbare geursituatie.
Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 9.1
Geen wijzigingen
Cuneraweg 253 binnen of buiten de bebouwde kom: Het is onduidelijk welke norm geldt voor Cuneraweg 253.
Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 9.1
Geen wijzigingen
10.2 Opslag agrarische bedrijfsstoffen Er bevindt zich op dit bedrijf, binnen de richtafstand van 100 meter, een opslag van kuilvoer.
Afhankelijk van het op te slaan materiaal gelden verschillende richtafstanden. Voor kuilvoer wordt er in het omgevingsplan van Rhenen artikel 22.116 geen onderscheid gemaakt tussen binnen en buiten de bebouwde kom. De afstand tot een afgedekte opslag is minimaal 50 meter en bij een niet afgedekte opslag 25 meter tot een geur gevoelig object. Analoog aan de redenering met betrekking tot de emissiepunten van stallen geldt dat beoogde geurgevoelige objecten binnen het plangebied op voldoende afstand liggen en dat bestaande woningen buiten het plangebied maatgevend zijn voor de mogelijkheden van de veehouderijen.
Geen wijzigingen
Uitgaande dat kuilvoeropslag is afgedekt wordt er geen probleem voorzien. 10.3 Geluid
Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 9.3
Geen wijzigingen
10.4 Versie AERIUS-calculator
Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 9.4
Geen wijzigingen
10.5 Inzet van mobiele werktuigen en de hoeveelheid verkeersbewegingen/ Wat is er allemaal meegenomen in de berekening?/ Indeling bouwfasen/ Verkeersbewegingen/ Elektrische kranen vs. aggregaten/ Ureninzet mobiele werktuigen per woning
Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 9.5
Geen wijzigingen
10.6 De berekeningen als separate bijlage
Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 9.6
Geen wijzigingen
10.7 Wegvakken voor berekening wegverkeer
Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 9.7
Geen wijzigingen
10.8 Landschappelijke inpassing
Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 9.8
Geen wijzigingen
10.9 Beplantingsplan
Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 9.9 Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 9.10
Zie conclusie 9.10
10.10 Afwijken gebruiksregels
Zie conclusie 9.11
2.2.11 Zienswijze 11 Zienswijze 11.1 Geur Er is geen geurverordening vastgesteld, zodat deze niet als uitgangspunt kan worden gebruikt.
Antwoord gemeente Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 9.1
Conclusie Geen wijzigingen
De vergunde geurbelasting ter plaatse van het plangebied bedraagt volgens de bij het bestemmingsplan opgenomen gebiedsvisie 7,5 ouE/m3. Als de norm wordt aangepast naar 7,5 ouE/m3 worden volgens de gebiedsvisie veehouderijen niet de belangen geschaad. Het is onduidelijk waarom in de toelichting op het bestemmingsplan wordt voorgesteld om een geurnorm van 7,0 ouE/m3 in de verordening op te nemen. In dat geval wordt de veehouderij aan de Cuneraweg 168 alsnog in haar belangen geschaad.
De zienswijze is ongegrond. Door ontwikkeling van het plangebied ontstaat een gebied met een hogere ruwheid dan in de huidige situatie. De geurnorm van 7,5 ouE/m3 is gebaseerd op de ruwheid van het gebied zonder de nieuwe woningen. Op basis van de ruwheid van het gebied met de nieuwe woningen is de geurnorm 7,0 ouE/m3. Zie hoofdstuk 6 van de Gebiedsvisie.
Geen wijzigingen
De voorgestelde geurnorm van 7,5 ouE/m3 voor de bebouwde kom is extreem hoog. Het bedrijf verwacht dat er geurklachten zullen ontstaan. Het gebied kan niet worden aangemerkt als overgangsgebied. Ook is maar de vraag of toekomstige bewoners
Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 9.1
Geen wijzigingen
zich hiervan bewust zijn. Er is geen sprake van een aanvaardbare geursituatie. De berekeningen in bijlage 2 en bijlage 3 verschillen.
Bijlage 3 bevat extra veehouderij Lijnweg 21 en meest recente milieutoestemmingen, omdat dit onderzoek later is uitgevoerd. Dit laatste onderzoek is maatgevend. De afweging van het aspect geur en de geurverordening is gebaseerd op de geurgebiedsvisie in bijlage 3 van het ontwerpbestemmingsplan. Om verwarring te voorkomen is ervoor gekozen om de memo uit bijlage 2 bij het ontwerpbestemmingsplan te laten vervallen.
Bijlage 2 (Memo veehouderij en milieuzonering) bij het ontwerpbestemmingsplan komt te vervallen.
De achtergrondbelasting in bijlage 2 en bijlage 3 is niet volledig in beeld gebracht. Niet alle bedrijven binnen 2 km zijn in beeld gebracht. De cumulatieve belasting zal hoger zijn.
Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 9.1
Geen wijzigingen
Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 9.1
Geen wijzigingen
Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 3.1
De formulering uit de beantwoording van deze zienswijze wordt opgenomen in paragraaf 4.4 van de toelichting op het bestemmingsplan.
Cuneraweg 253 binnen of buiten de bebouwde kom: Het is onduidelijk welke norm geldt voor Cuneraweg 253. 11.2 Gezondheid Gezondheid: Het advies GGD is niet meegenomen. Er is aanvullend onderzoek nodig. Dit ter bescherming van de ontwikkelings- en exploitatiemogelijkheden van de geitenhouderij. En om een goede belangenafweging te kunnen maken. Het kan niet zo zijn dat het een bewuste keuze is van toekomstige bewoners.
In de aanmeldnotitie m.e.r. staat niks over gezondheidsrisico’s. De korte afstand in samenhang met het aantal dieren is een bijzondere omstandigheid waarvoor en milieueffectrapportage moet worden opgesteld. De bijgevoegde aanmeldnotitie m.e.r. is op dit punt onvolledig.
De zienswijze is gegrond voor wat betreft het niet ingaan op het aspect ‘gezondheid’ (in relatie tot de geitenhouderij) in de aanmeldingsnotitie. Dit dient alsnog plaats te vinden. We kunnen ons echter niet vinden in de stelling dat de gezondheidsrisico’s die hier een rol (kunnen) spelen op voorhand een zodanige bijzondere omstandigheid is dat direct een milieueffectrapport (planMER) zou moeten worden opgesteld. Het m.e.r.beoordelingsbesluit heeft juist het doel om dit inzichtelijk te maken. Uit de aangepaste aanmeldnotitie m.e.r., die inmiddels door het college is genomen, en die als bijlage 1 bij de toelichting op he bestemmingsplan is gevoegd, blijkt dat ook met meeweging van het aspect gezondheid geen planMER noodzakelijk is. Het college heeft op basis hiervan inmiddels besloten om geen m.e.r.-(beoordelings)procedure te doorlopen in verband met de beoogde ontwikkeling van Achterberg-West fase 2.
De aanmeldnotitie wordt M.e.r. wordt aangepast, waarbij het aspect gezondheid wordt meegewogen. Ook wordt de notitie aangepast n.a.v. de wijzigingen in het plan.
11.3 Geluid
Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 9.3
Geen wijzigingen
11.4 Versie AERIUS-calculator
Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 9.4
Geen wijzigingen
11.5 Inzet van mobiele werktuigen en de hoeveelheid verkeersbewegingen / Wat is er allemaal meegenomen in de berekening? / Indeling bouwfasen / Verkeersbewegingen / Elektrische kranen vs. aggregaten / Ureninzet mobiele werktuigen per woning
Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 9.5
Geen wijzigingen
11.6 De berekeningen als separate bijlage
Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 9.6
Geen wijzigingen
11.7 Wegvakken voor berekening wegverkeer
2.2.12 Zienswijze 12 Zienswijze 12.1 Gebruik van beschikbare informatie, tijd van uitvoer ecologisch onderzoek Er is onvoldoende gebruik gemaakt van beschikbare bronnen om het belang van het plangebied vast te stellen voor soorten die ten tijde van de onderzoeksperiode (winterhalfjaar) niet aanwezig waren.
Ter beantwoording van dit zienswijzeonderdeel wordt verwezen naar de reactie onder 9.7
Geen wijzigingen
Antwoord gemeente Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan is een zogenaamde quickscan uitgevoerd. Een quickscan wordt gebaseerd op bekende verspreidingsgegevens (bijvoorbeeld uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF)), een beoordeling van de locatie door een ter zake deskundige (ecoloog), aangevuld met een veldbezoek. Dit veldbezoek kan in principe het gehele jaar worden uitgevoerd, ondanks dat sommige soorten niet het gehele jaar door (goed) waarneembaar hoeven te zijn. Een ecoloog zal op basis van verspreidingsgegevens en een beoordeling van het (potentieel beschikbare) habitat beoordelen of beschermde soorten op de locatie met voldoende zekerheid kunnen worden uitgesloten of niet. Zo niet, dan moet een nader ecologisch onderzoek worden uitgevoerd, waarbij in de meeste gevallen slechts bepaalde tijden in het jaar geschikt zijn om dit onderzoek uit te voeren. Voor dit plan is vastgesteld dat een aantal soorten potentieel aanwezig kunnen zijn. Naar deze soorten is nader onderzoek uitgevoerd op de daarvoor aangewezen momenten. Wij zien in de opzet en aanpak van dit onderzoek geen redenen voor twijfel over de onderzochte soorten. De ingediende zienswijze leidt dan ook niet tot heroverweging hiervan.
Conclusie Geen wijzigingen
Als ook volgt uit bovenstaande zien wij in de opzet en aanpak van het onderzoek voldoende motivatie voor het wel en niet uitsluiten van beschermde soorten op de locatie. Dit geldt ook voor de genoemde trekvogels. In aanvulling daarop merken we op dat de meeste soorten jaarlijks een nieuw nest maken dat slechts beschermd is voor de periode dat het in gebruik is. Zodra de jongen het nest hebben verlaten, is het nest niet meer beschermd. Ook de functionele omgeving van in gebruik zijnde nesten is beschermd. Niet elk gebied waar een (beschermde) vogelsoort zich bevindt is echter strikt beschermd. Dit is slechts het geval voor zover het essentieel leefgebied is voor het functioneren van het nest, het succes van het broedsel en tot het moment dat het broeden voltooid is.
Er zijn vogelsoorten die jaarlijks afhankelijk zijn van hetzelfde nest, bijvoorbeeld omdat deze soorten slecht in staat zijn zelf een nieuw nest te maken. Deze jaarrond beschermde nesten zijn benoemd in de ecologische quickscan en voor drie soorten is nader onderzoek uitgevoerd (huismus en steenuil) of vastgesteld dat een ontheffing nodig is (ooievaar). De zienswijze geeft geen aanleiding om dit onderzoek als onvoldoende te beschouwen op dit punt. Uit onze beoordeling van de ecologische quickscan, waarbij het plangebied op 8 februari 2022 is bezocht, volgde dat de quickscan op een aantal punten moest worden aangevuld en dat nader onderzoek nodig was. De quickscan is daarna dus aangevuld met een extra locatiebezoek op 16 november 2023. Tegelijkertijd was al duidelijk dat nader onderzoek naar een aantal soorten nodig was, waarvoor ook veldbezoek buiten de winterperiode om heeft plaatsgevonden. Er is kortom wel degelijk gebruik gemaakt van bestaande (spreidings)gegevens. Waar nodig is deze informatie aangevuld met veldbezoeken. De beschikbare informatie is daarmee toereikend om het belang van het projectgebied voor de verschillende soorten te bepalen. 12.2 Het belang van het gebied voor insectenetende vogels
De nesten van gierzwaluwen zijn jaarrond beschermd. Uit het onderzoek volgt dat deze niet in het plangebied aanwezig, omdat er geen geschikte bebouwing aanwezig is. Verder zijn er geen negatieve effecten op de nesten buiten het plangebied te verwachten ten gevolge van de ontwikkelingen binnen het plangebied. De nesten van huis- en boerenzwaluwen zijn in principe niet jaarrond beschermd. Er zijn bovendien geen negatieve effecten op aanwezige nesten buiten het plangebied te verwachten ten gevolge van de ontwikkelingen binnen het plangebied. Er is voldoende geschikt foerageergebied aanwezig in de omgeving en de functionaliteit van de nesten zal door de beoogde ontwikkeling niet (wezenlijk) negatief worden beïnvloed. In aanvulling op het bovenstaande merken we op dat de genoemde insectenetende vogelsoorten inderdaad in de omgeving aanwezig kunnen zijn. Deze specifieke soorten foerageren in de lucht en kunnen daarbij grote afstanden afleggen. Hoe ver ze van het nest foerageren is afhankelijk van bijvoorbeeld het weer en het voedselaanbod, maar deze soorten zijn zeker niet afhankelijk van de directe
Geen wijzigingen
omgeving van het nest. Voor gierzwaluwen geldt zelfs dat deze meer dan 100 km van het nest kunnen foerageren. Overigens kunnen deze dieren ook boven het plangebied blijven foerageren, zowel tijdens de werkzaamheden als ook in de nieuwe situatie. Bovendien is in de ruime omgeving zeer veel vergelijkbaar foerageergebied aanwezig. 12.3 Ongeschiktheid periode voor onderzoek naar broedvogels De sporen van broedvogels zijn in de winterperiode vele malen minder aanwezig.
Zoals hierboven al aangegeven zijn er jaarrond beschermde vogelnesten en nietjaarrond beschermde vogelnesten. Deze laatste categorie is alleen beschermd (inclusief functionele omgeving) zolang de nesten in gebruik zijn. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is ingeschat in de ecologische quickscan, en van die soorten waar nesten van verwacht konden worden (huismus en steenuil) is nader ecologisch onderzoek uitgevoerd. Voor de ooievaar was direct duidelijk dat deze aanwezig was en dat een ontheffing moet worden aangevraagd. Dit is een gebruikelijke werkwijze waarop dergelijk onderzoek wordt uitgevoerd en er is geen aanleiding om de werkwijze en conclusies in twijfel te trekken. Het onderzoek van het plangebied op jaarrond beschermde nesten kan goed in het winterseizoen worden gedaan, omdat de bomen dan geen blad hebben. Nesten in bomen zijn daardoor goed zichtbaar. Als er nesten worden gezien, dan kan dat aanleiding geven om deze in het broedseizoen nader te onderzoeken. In dit geval zijn in de winterperiode echter geen nesten aangetroffen, die nader onderzocht moesten worden. Nesten van soorten die jaarrond op het nest aanwezig zijn, zoals uilen, kunnen aan de hand van prooiresten, braakbalen, schijtsporen, etc. het gehele jaar worden gevonden. Daarvan was in het plangebied geen sprake.
Het plangebied is van zodanig omvang, dat het zeer onwaarschijnlijk is dat het door slechts 1 veldmedewerker binnen beperkte tijd naar behoren kan worden onderzocht op dergelijke sporen.
Er zijn in beperkte mate bomen en bebouwing aanwezig en verder bestaat het plangebied uit open grasland. Jaarrond beschermde nesten kunnen in bomen of bebouwing aanwezig zijn, maar niet in het open veld. Het inventariseren van het gebied door één veldmedewerker geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de methoden of conclusies van het ecologisch onderzoek.
Geen wijzigingen
12.4 Soortgroepen uitsluiten op basis van enkel landschappelijke kenmerken
Zoals ook eerder is aangegeven, is de manier waarop de (mogelijkheden van) aanwezigheid van beschermde soorten in beeld is gebracht gangbaar. Er is voor dit plan geen afwijkende of onzorgvuldige werkwijze gehanteerd en het ecologisch onderzoek wordt voldoende geacht om een representatief beeld te vormen van de in het plangebied te verwachten/ aanwezige beschermde soorten.
Geen wijzigingen
In de zienswijze wordt niet nader ingegaan op de stelling ‘dat relevante openbaar beschikbare informatie over gebiedsgebruik in het zomerhalfjaar niet is bekeken’. Inventarisatiegegevens die zijn opgenomen in het NDFF hebben betrekking op alle jaargetijden en niet slecht op de wintermaanden. Wij zien dan ook geen redenen om te twijfelen aan het rapport. 12.5 Volledigheid ecologisch onderzoek In het ecologisch rapport wordt enkel aangegeven dat het onder geschikte weersomstandigheden is uitgevoerd. Er wordt echter niet aangegeven wat de weersomstandigheden waren.
De zienswijze maakt niet duidelijk welk ecologisch onderzoek wordt bedoeld, maar wij nemen aan dat dit de ecologische quickscan betreft. In het nader ecologisch onderzoek staan namelijk weersomstandigheden vermeld in de tabellen met de details over de diverse veldbezoeken. Voor de ecologische quickscan geldt dat het veldbezoek een aanvulling is op de inventarisatie van bekende verspreidingsgegevens en de ‘geschiktheidsinschatting’ van de betrokken ecoloog. Voor het veldbezoek in het kader van een quickscan gelden geen specifieke voorwaarden ten aanzien van de weersomstandigheden.
Geen wijzigingen
De weersomstandigheden zijn door talrijke weerstations van het KNMI terug te zoeken voor specifieke data (bijvoorbeeld via https://www.wetterzentrale.de). Op de data van de veldbezoeken is te vinden dat op 08/02/2022 de temperatuur ca. 10ºC (gem.) was, met windkracht 3 en nauwelijks neerslag en op 16/11/2023 de temperatuur ca. 10,2ºC (gem.) was, met windkracht 3 en enige neerslag (3,7mm) om 1 en 2 uur ’s nachts. Dit zijn geschikte weersomstandigheden voor een veldbezoek voor een geschiktheidsinschatting. 12.6 Nader ecologisch onderzoek naar steenuil en huismus De gevonden relevantie van het plangebied voor steenuilen en huismussen is niet in lijn met
De ecologische onderzoeken zijn door ons getoetst en voldoen aan de geldende onderzoeksprotocollen voor de betreffende soorten (Kennisdocumenten BIJ12). Als een vogelsoort in een bepaald gebied wordt waargenomen, betekent niet automatisch dat er sprake is van essentieel leefgebied. Daarom is het ook niet zo dat het betreffende gebied omwille van deze vogels beschermd moet worden. Wanneer het gebied verandert treden er niet per definitie wezenlijke negatieve
Geen wijzigingen
beschikbare informatie. Er wordt wel degelijk door steenuilen en huismussen gebruik gemaakt van het plangebied. Hier zijn ook waarnemingen van, zowel via internet als door onszelf.
effecten op de betreffende soorten op. Soms zijn de waargenomen vogels passanten of hoeft het gebied niet te worden beschouwd als essentieel leefgebied. Ten aanzien van de huismus en steenuil geldt dat sprake is van essentieel leefgebied als het voortbestaan van de nestgelegenheid niet meer gegarandeerd kan worden als dit gebied verloren gaat. Het ecologisch onderzoek is – volgens relevante protocollen – de aanwezigheid van onder andere (jaarrond beschermde nesten van) de huismus en steenuil onderzocht. Er zijn geen nesten of essentieel leefgebied van deze soorten geconstateerd. Voor de huismus geldt bovendien dat het functioneel leefgebied zich voornamelijk relatief dicht bij het nest bevindt. Het plangebied is grotendeels open grasland en zal naar verwachting van betrekkelijk gering belang zijn voor de huismussen in de omgeving. We zien dus geen aanleiding voor het uitvoeren van nader onderzoek naar deze soorten.
12.7 In het nader onderzoek is voor wat betreft steenuil en huismus alleen bebouwing onderzocht Dit terwijl zowel steenuil en huismus ook aanwezig kunnen zijn in de vegetatie binnen het plangebied.
De nesten van huismus bevinden zich in bebouwing. Het functioneel leefgebied bevindt zich in de directe omgeving van een eventueel nest. Er zijn middels onderzoek (conform het relevante onderzoeksprotocol) geen nesten geconstateerd.
Verzoek is dan om voor deze soorten niet alleen de bebouwing te beschouwen in nader ecologisch onderzoek, maar het gehele plangebied.
12.8 Nader ecologisch onderzoek naar vleermuizen
Geen wijzigingen
Het plangebied is behoorlijk open gebied en omvat relatief weinig opgaande begroeiing en bomen. Buiten het plangebied - de woonbebouwing waar mogelijk nesten van huismus aanwezig zijn - zijn wel opgaand groen en bomen te vinden. Er is geen reden om aan te nemen dat het plangebied essentieel leefgebied vormt voor broedgevallen buiten het plangebied. Het essentieel leefgebied van de huismus bevindt zich immers op korte afstand van het nest. Voor de steenuil geldt ook dat onderzoek is gedaan (volgens het relevante onderzoeksprotocol) en de soort niet is geconstateerd. Als vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig zouden zijn in het plangebied of het plangebied essentieel leefgebied van een nabijgelegen nest zou zijn, dan mag worden verwacht dat met de onderzoeksinspanning die volgens het protocol is gepleegd, de aanwezigheid van de soort zou zijn aangetoond. In het onderhavige geval zijn daar geen aanwijzingen voor. Wij zien dan ook geen reden voor nader aanvullend onderzoek. De ecoloog die de ecologische onderzoeken ten behoeve van het vast te stellen bestemmingsplan heeft uitgevoerd, is dinsdag 17 september 2024 ter plaatse geweest en heeft geen sporen van vleermuizen aangetroffen in de kasten die aan de
Geen wijzigingen
Alleen de onderzochte bebouwing is aangemerkt als mogelijk rustplaats voor vleermuizen. De vleermuiskasten die aan de in het plangebied aanwezige ooievaarspaal hangen zijn in het onderzoek ten onrechte niet meegenomen.
2.2.13 Zienswijze 13 Zienswijze 13.1 Begrenzing plangebied Bij de begrenzing van het plangebied aan de achterzijde van het perceel van reclamant wordt niet uitgegaan van de juiste kadastrale grens. Hierdoor ligt een deel van het perceel van reclamant in het plangebied, zonder dat hiertoe een ruimtelijke noodzaak bestaat. 13.2 Bebouwing in directe omgeving Op minder dan twee meter van het perceel van reclamant komt een grens van een bouwvlak te liggen. Binnen dit bouwvlak is een bouwhoogte van 11 meter toegestaan, of 12,10 meter met binnenplanse afwijking. De gevolgen ten aanzien van schaduwwerking en lichtinval zijn onvoldoende onderzocht.
ooievaarspaal hingen. De vleermuiskasten zijn daarop verwijderd. Vleermuiskasten die niet gebruikt worden kennen immers geen bescherming. Verplaatsing van deze vleermuiskasten is daarmee niet meer aan de orde. Nu de vleermuiskasten zijn verwijderd is de aanvankelijke omissie in het ecologisch onderzoek hersteld. Het is niet nodig dit onderzoek aan te passen.
Antwoord gemeente In het ontwerpbestemmingsplan was een klein deel van het plangebied geprojecteerd op het perceel van reclamant. In onderling overleg met reclamant is afgesproken dat zijn perceel in zijn geheel in het plangebied zal worden opgenomen. Daarbij wordt het perceel van reclamant bestemd in overeenstemming met het huidige feitelijke gebruik. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan de zienswijze van reclamant.
Conclusie De percelen, kadastraal bekend gemeente Rhenen, sectie G, nummers 5084 en 5085, worden opgenomen in het plangebied.
Er zijn geen wettelijke normen voor bezonning. Ook heeft de gemeente Rhenen geen beleid hiervoor opgesteld waaraan getoetst moet worden.
Geen wijzigingen
De afstand van het bouwvlak van de nieuwe woningen ten zuiden van het perceel van reclamant tot de perceelgrens is ten minste 2,5 meter en is daarmee gelijk aan de afstanden die wij standaard in onze bestemmingsplannen voor woningen hanteren. Ook de opgenomen goot- en bouwhoogten van respectievelijk 4,5 en 11 meter overschrijden niet de gebruikelijke maatvoeringen voor woningen. Tussen de woning van reclamant en de nieuw te bouwen woningen ten zuiden van deze woningen staan enkele bijgebouwen op het perceel van reclamant. Deze bijgebouwen zorgen al voor schaduwwerking in de woning en het perceel bij deze
woning. Ook is dat deel van het perceel dat tussen de woning van reclamant en de nieuw te bouwen woningen ligt door de aanwezigheid van de bijgebouwen niet meer geschikt voor inrichting als tuin of terras. Het is door bovenstaande, mede gelet op de beperkte diepte van het nieuwe bouwvlak van 10 meter en op het feit dat rondom het perceel van reclamant voldoende onbebouwde grond over zal blijven, niet aannemelijk dat de bezonningssituatie op het perceel aan de Cuneraweg 243 onaanvaardbaar zal verslechteren. 13.3 Groenstrook De groenbestemming die direct ten oosten van het perceel van reclamant is voorzien, doet in onevenredige mate afbreuk aan de privacy van reclamant.
Zoals blijkt uit het landschapsplan en het beplantingsplan is in de desbetreffende groenbestemming een sloot voorzien met aan beide zijden hellingen. Er zal dan ook geen sprake zijn van het aanbrengen van speeltoestellen of (wandel)paden. In de praktijk zal de groenstrook fungeren als een buffer tussen de (bedrijfs)woning van reclamant en de nieuwe woning die ten oosten daarvan is gepland.
Geen wijzigingen
De uitvoering en instandhouding van het landschapsplan en het beplantingsplan is gewaarborgd met een voorwaardelijke verplichtingen in de planregels. 13.4 Ontsluiting UitwegBovenweg Door het verplaatsen van de uitweg-Bovenweg kan reclamant deze niet meer gebruiken voor het ontsluiten van zijn garage. Bij de aankoop van het perceel heeft reclamant een erfdienstbaarheid verkregen ten behoeve van het ontsluiten van zijn perceel op de UitwegBovenweg. Er is dan ook sprake van een onaanvaardbare en evidente privaatrechtelijke belemmering die vaststelling van
Het perceel wordt in de huidige situatie ook ontsloten op de Cuneraweg. Deze ontsluiting zal ook in de nieuwe situatie behouden blijven, waardoor een afdoende ontsluiting van het perceel gewaarborgd is. Bij de verkaveling van het plangebied worden ook de grenzen van het perceel behorende bij deze woning aangepast. De beoogde verkaveling is in de toelichting op het bestemmingsplan opgenomen in onder andere figuur 2.4. Door het verleggen van de perceelsgrenzen zal meer ruimte ontstaan op het perceel direct voor de vrijstaande garage op het achtererf. Hierdoor is ook deze garage goed toegankelijk via de ontsluiting op de Cuneraweg. Overigens staat het bestemmingsplan ontsluiting van de garage op de Bovenweg ook na verlegging van de Bovenweg zoals voorzien in het project, niet uit. Deze ontsluiting zou namelijk volledig op gronden met een woonbestemming komen te liggen.
Geen wijzigingen
het bestemmingsplan in de weg staat.
3.
Overzicht wijzigingen
3.1
Wijzigingen naar aanleiding van beantwoording zienswijzen
Op basis van de ingediende zienswijzen zijn de volgende wijzigingen aangebracht:
1
2 3 4 5 6
7 8 9 10 11
3.2
Wijziging Naar aanleiding van zienswijze 1 en 3 is bijlage 16 (Aanvullende verkeersstudie) toegevoegd aan de toelichting en paragraaf 4.14 van de toelichting bestemmingsplan gewijzigd. De conclusies van bijlage 16 zijn verwerkt in deze paragraaf. Naar aanleiding van zienswijze 3, 4, 7 en 11 is paragraaf 4.4 van de toelichting (gezondheid m.b.t. veehouderijen) gewijzigd. Naar aanleiding van zienswijze 3 en 13 zijn kadastrale percelen Rhenen G 5084 en Rhenen G 5085 opgenomen in het plangebied. Naar aanleiding van zienswijze 3 is bijlage 9 (trillingsonderzoek) toegevoegd aan de toelichting en is paragraaf 4.8 van de toelichting gewijzigd. Artikel 5.7 van het ontwerpbestemmingsplan is komen te vervallen. Naar aanleiding van zienswijze 3 is paragraaf 4.15 van de toelichting (hittestress) gewijzigd. Naar aanleiding van zienswijze 5 is de locatie en het formaat van het appartementengebouw gewijzigd en toelichting paragraaf 3.3.3 (toetsing aan structuurvisie Achterbergse Erven) is aangevuld. Naar aanleiding van zienswijze 5 is de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen – ontmoetingsruimte’ toegevoegd op de verbeelding en in de regels. Naar aanleiding van zienswijze 5 en 8 is artikel 13 (voorwaarde parkeren voor omgevingsvergunning) toegevoegd aan de regels.
Naar aanleiding van zienswijze 9 is artikel 6.6 (voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing) toegevoegd en bijlagen 2 en 3 zijn toegevoegd aan de regels. Naar aanleiding van zienswijze 11 is de aanmeldnotitie M.E.R. aangepast (aspect gezondheid). Bijlage 2 van de toelichting ontwerpbestemmingsplan (Memo veehouderij en milieuzonering) is naar aanleiding van zienswijze 11 komen te vervallen. Ambtshalve wijzigingen
Ten opzichte van het ontwerp is een groot aantal ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. Dit komt onder andere doordat de aanpassingen in het planontwerp, die slechts deels naar aanleiding van zienswijzen zijn doorgevoerd, op vele plekken doorwerken. Hieronder een overzicht van de belangrijkste ambtelijke wijzigingen:
1 2
3 4 5
6
Wijziging algemeen Bijlage 14 (stikstofonderzoek/ AERIUS-berekening) is aangepast naar aanleiding van een gewijzigd aantal woningen en de invoering van een nieuwe AERIUS-calculator. De opzet en aantal woningen in het zuidoostelijk deel van het plangebied is aangepast. Dit is gewijzigd in de verbeelding, en het aantal woningen (108 in plaats van 101) is aangepast in meerdere artikelen in de regels en paragrafen in de toelichting. Toelichting paragraaf 3.2.2 is aangepast, de toets aan artikel 9.13 omgevingsverordening en Groen Groeit Mee is gecorrigeerd. Maatregelen in et kader van GGM zijn in overleg met de provincie Utrecht aangepast en toegevoegd in bijlage 4 Landschapsplan Regels artikel 6.4.1 is aangepast, 15% goedkope koopwoningen is vervangen door 31% betaalbare koopwoningen. De functieaanduiding ‘specifieke vorm van verkeer – stalling’ is verwijderd van de verbeelding en uit de regels. Toelichting 1.1 Inleiding / Algemeen in de gehele toelichting
Perceel Cuneraweg 243 en Bovenweg 22 zijn meegenomen in het plangebied.
7
1.1 Inleiding / Algemeen in de gehele toelichting
8
1.2 ligging en begrenzing plangebied
9 10 11 12 13
1.2 ligging en begrenzing plangebied Figuur 1.2 Figuur 1.3 Figuur 1.4 Paragraaf 2.2
14 15 16 17 18
22 23
Paragraaf 2.2 Figuur 2.3 Figuur 2.4 Figuur 2.6 Paragraaf 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Paragraaf 3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht Paragraaf 3.2.3 provinciaal programma wonen en werken 2021 Paragraaf 3.3.2 Woonvisie Kiezen voor Rhenen Paragraaf 3.3.3 Structuurvisie Paragraaf 4.2 Milieuzonering
24
Paragraaf 4.6 Geluid
25
Paragraaf 4.7 Luchtkwaliteit
26
Paragraaf 4.10 Externe Veiligheid
27
Bijlage 1 aanmeldnotitie mer
28 29 30 31 32 33 34 35 36
Bijlage 2 geuronderzoek Bijlage 3 stedenbouwkundig plan Bijlage 4 landschapsplan Bijlage 5 beplantingsplan Bijlage 7 akoestisch onderzoek Bijlage 8 notitie geluidsbelasting Bijlage 9 trillingniveaus railverkeer Achterberg West Bijlage 10 watertoets Bijlage 11 verharding
37
Bijlage 12 externe veiligheid
38 39
Regels Artikel 3.1 lid d Artikel 3.2 lid b en c
19 20 21
Het woningbouwprogramma is gewijzigd van 101 woningen naar 111 woningen (inclusief Cuneraweg 243, Bovenweg 22 en één woning vervangende nieuwbouw). Per saldo gaat het om de toevoeging van 108 nieuwe woningen Aangepast waarbij ook de percelen Cuneraweg 243 en Bovenweg 22 zijn meegenomen in het plangebied Lijst met kadastrale percelen bijgewerkt Begrenzing plangebied aangepast Begrenzing plangebied aangepast Begrenzing plangebied aangepast Woningbouwprogramma aangepast en tekst aangepast naar het nieuwe plan Aangepast landschapsplan Aangepaste inrichtingstekening Aangepaste inrichtingstekening Aangepaste inrichtingstekening Herschreven naar het nieuwe woningbouwprogramma Herschreven naar het nieuwe woningbouwprogramma Herschreven naar het nieuwe woningbouwprogramma Herschreven naar het nieuwe woningbouwprogramma Herschreven. Toets structuurvisie toegevoegd. Toets m.b.t. omliggende agrarische bedrijven, verwezen naar paragraaf 4.3 geur. Akoestisch onderzoek geactualiseerd en bijlage gewijzigd. Tekst in toelichting aangepast op het akoestisch onderzoek. Aangepast naar het nieuwe woningbouwprogramma Aangepast aan het nieuwe aantalwoningen en het advies van de Veiligheidsregio Utrecht.
Aangepast/geactualiseerd naar juiste woningbouwprogramma en meest actuele onderzoeken geactualiseerd Aangepast naar nieuwe woningbouwprogramma Aangepast naar nieuwe woningbouwprogramma Aangepast naar nieuwe woningbouwprogramma Aangepast naar nieuwe woningbouwprogramma Aangepast naar nieuwe woningbouwprogramma Geactualiseerd naar juiste aantal woningen Aangepast naar nieuwe woningbouwprogramma Aangepast naar nieuwe woningbouwprogramma en inrichting plangebied Geactualiseerd naar juiste aantal woningen
Aangepast van ‘voetpaden’ naar ‘fiets- en voetpaden;’. Toegevoegd/aangepast: b. in afwijking van het bepaalde onder a zijn ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - bijgebouwen ten behoeve van wonen - 1' bergingen toegestaan met een maximum oppervlakte van 12 m² en een maximale bouwhoogte van 3,3 meter; c. in afwijking van het bepaalde onder a zijn ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - bijgebouwen
40
Artikel 4.2 lid b
41
Artikel 5 (Water) toegevoegd
42
nummering artikelen is hierdoor veranderd Artikel 6.2.1
43
Artikel 6.2.1
44
Artikel 6.2.1 lid j
45
Artikel 6.2.2 lid b
46
Artikel 6.2.2. lid e (bijbehorende bouwwerken) Artikel 6.4.1. Artikel 6.5.1 (inwoning) Artikel 6.6 (voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing) en 6.61. afwijken landschapsplan Voorwaardelijke verplichting groen groeit mee Artikel 9.2 onderkeldering
47 48 49
50 51
52
53 54
ten behoeve van wonen - 2' bergingen toegestaan met een maximum oppervlakte van 48 m² en een maximale bouwhoogte van 3,3 meter; Toegevoegd/aangepast in afwijking van het bepaalde onder a zijn ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van verkeer - verblijfsgebied bijgebouwen ten behoeve van wonen' bergingen toegestaan met een maximum oppervlakte van 66 m²; Artikel 5 Water (uit bp Rhenen buitengebied) toegevoegd.
Verwijderd: in afwijking van het bepaalde onder d zijn ter plaatse van de 'specifieke bouwaanduiding - afwijkend woningtype' eveneens vrijstaande woningen en twee-onderéénkapwoningen toegestaan; Toegevoegd: ter plaatse van de aanduiding 'bebo' mogen uitsluitend bebo woningen worden gebouwd, met dien verstande dat: woningen worden afgedekt met een kap waarvan de dakhelling niet minder dan 20 graden mag bedragen; de goot- en bouwhoogte mogen niet meer bedragen dan aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximale gooten bouwhoogte (m)'. Maximale hoogte voor dakkapellen in voor- en achterdakvlak toegevoegd van 1,75 meter (conform regels vergunningvrij bouwen) tenzij ter plaatse van de aanduiding ‘maximale goothoogte een andere goothoogte is aangegeven’ verwijderd, want staat niet op de verbeelding. Oppervlakte aangepast van 200 m² naar 240 m² Doelgroepen aangepast naar actuele afspraken Verwijzing lid 6.1 aangepast in 6.2.1 onder b Opgenomen voorwaardelijke verplichting voor landschappelijke inpassing en een afwijkingsmogelijkheid voor afwijken van landschapsplan opgenomen.
Samengevoegd met voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing 3 meter naar 4 meter
Verbeelding Bovenweg 22 en naast 22: verschuiving bouwvlak nieuwe woning Bijgebouwen 2 x 120 m² (i.p.v. 1x200 m²) Opnemen bestaande woning vanwege feit dat 1 vd bijgebouwen voor bestaande woning is. Parkeervakken opnemen in verkeersbestemming Vrijstaande woning wordt 2-1-kap (goot 6 m-bouw 11m) aanduiding twee-aaneen