CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Motivering inclusief bijlagen bij het omgevingsplan Rhenen ontwikkellocatie Tinneweide.

Raadsvergadering 8 juli 2025, gemeente RhenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Wijziging Omgevingsplan Tinneweide12.696 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Op de risicokaart is te zien dat het plangebied niet gelegen is binnen een relevant aandachtsgebied van in de omgeving gelegen risicobronnen. Op basis van de ligging ten opzichte van risicobronnen is

32

Tinneweide, Rhenen

een nadere verantwoording ten aanzien van het groepsrisico daarom niet aan de orde. Er zijn geen belemmeringen in het kader van omgevingsveiligheid.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.8

Trilling

Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en de uitzondering in artikel 22.87a (in verband met agrarische bedrijvigheid) van de Bruidsschat.

Planspecifiek In de ruime omgeving van het plangebied zijn geen activiteiten aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken zoals grote wegen, spoorlijnen en/of industriële machines.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.9

M.e.r.-beoordeling

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-

Tinneweide, Rhenen

33

beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit. 1. De eerste stap is te kijken of het project voldoet aan de omschrijving van een project in kolom 1. 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen. 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3. o

Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'.

o

Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'.

Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er dus ook voor omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Planspecifiek Het onderhavige initiatief behelst de ontwikkeling van 6 woningen. Staande jurisprudentie geeft aan dat woningbouw tot en met 11 woningen niet als stedelijk ontwikkelingsproject aangemerkt kan worden. Het plan is niet mer-plichtig.

34

Tinneweide, Rhenen

Hoofdstuk 5

Goede omgevingskwaliteit

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.

5.1

Zorgvuldig ruimtegebruik

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen.

Planspecifiek Voorliggend initiatief voorziet in het toevoegen van 6 woningen. Uit jurisprudentie blijkt dat pas van een stedelijke ontwikkeling sprake is als woningbouwprojecten voorzien in 12 nieuwe woningen of meer. Voorliggend initiatief blijft hier qua aantal onder, waardoor er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en een verdere toets aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.2

Archeologie, cultuurhistorie en landschap

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.

Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt straks op grond van de Omgevingswet. Datzelfde

Tinneweide, Rhenen

35

geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming). Deze aspecten vallen nu nog onder het Overgangsrecht in de Erfgoedwet.

Besluit kwaliteit leefomgeving In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

Planspecifiek Cultuurhistorie en landschap In (de omgeving van) het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig die door voorliggend plan zouden kunnen worden aangetast.

Archeologie Op grond van de vigerende planologische situatie geldt ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' met de gebiedsaanduiding 'hoge verwachtingswaarde' opgenomen. Hierbij geldt een onderzoeksplicht bij bouwwerken met een oppervlakte van meer dan 100 m² en dieper dan 30 cm. Met voorliggend plan wordt deze drempelwaarde overschreden. Daarom is er een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als Bijlage 6. Hierin wordt geconcludeerd dat op grond van de resultaten van het veldonderzoek de (middel)hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek is bevestigd. In het kader van de realisatie van de woningen wordt geadviseerd ter plaatse van de toekomstige bouwvlakken een archeologisch karterend en waarderend vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek. Dit onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen. Ter bescherming van eventueel aanwezige waarden blijft de bestaande dubbelbestemming gelden in het vigerende tijdelijke deel van het omgevingsplan.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

36

Tinneweide, Rhenen

5.3

Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijft ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden; 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.

Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Tinneweide, Rhenen

37

Soortenbescherming Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: 

er soorten aanwezig zijn; en

welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Planspecifiek Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is onderzoek gedaan naar deze aspecten. De belangrijkste conclusies zijn in het vervolg van voorliggende paragraaf opgenomen.

Soortenbescherming Het plangebied betreft in de huidige situatie een onbebouwd grasveld omringd door stedelijke functies. In het kader van voorliggende ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 7 toegevoegd. Hierin wordt geconcludeerd dat er geen nadelige gevolgen voor wat betreft streng en strikt beschermde soorten of hun beschermde verblijfplaats zijn. Er hoeft geen nader onderzoek plaats te vinden. De Algemene Zorgplicht blijft tijdens de werkzaamheden altijd van toepassing.

Gebiedsbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied betreft Binnenveld. Dit gebied ligt op circa 1.950 meter afstand van het plangebied. Gezien de aard van de werkzaamheden (realiseren 6 woningen) en de afstand tot beschermde gebieden, kunnen negatieve effecten op de Natura 2000-gebieden worden, zoals licht, geluid en trillingen worden uitgesloten. Om de gevolgen van stikstofuitstoot door het plan te bepalen is een stikstofberekening uitgevoerd, welke is toegevoegd als Bijlage 8. Hierin wordt geconcludeerd dat de stikstofdepositie door de ontwikkeling zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase niet toeneemt. Er is dus geen sprake van significant negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden. Daarmee bestaan er geen belemmeringen ten aanzien van het plan in het kader van gebiedsbescherming.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

38

Tinneweide, Rhenen

5.4

Verkeer en parkeren

De omgevingsvisie van de gemeente moet een visie op verkeer en vervoer op gemeentelijk niveau bevatten. Het initiatief dient hieraan getoetst te worden. Daarnaast blijven de bekende richtlijnen vanuit het CROW bestaan. Een toename aan functies zorgt voor extra verkeer. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden.

Planspecifiek Verkeersgeneratie en ontsluiting Het plangebied wordt ontsloten via het Nagelkruid. Met het toevoegen van zes woningen neemt het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied beperkt toe. Het Nagelkruid en de omliggende wegen hebben voldoende capaciteit om deze verkeerstoename op te vangen.

Parkeren Wat betreft parkeren moet worden voldaan aan de parkeernormen uit de 'Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds' van de gemeente Rhenen. Voor de twee vrijstaande woningen (dure segment) geldt een minimale parkeernorm van 2 parkeerplaatsen per woning. Bij de woningen is voldoende ruimte op eigen terrein om minimaal 2 parkeerplaatsen te realiseren. Voor de rijwoningen (goedkope segment) geldt een minimale parkeernorm van 1,4 parkeerplaatsen per woning (4 * 1,4 = 5,6). Ten westen van de rijwoningen worden 7 parkeerplaatsen in de openbare ruimte gerealiseerd. Hiermee wordt aan de parkeernormen voldaan.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.5

Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico’s voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten.

De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel Tinneweide, Rhenen

39

van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Planspecifiek Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering.

Wateroverlast Ter plaatse van het plangebied kan een toename van het aantal zeer natte dagen verwacht worden. Uitgangspunt van het plan is dat hemelwater op eigen terrein wordt geïnfiltreerd en geborgen. Hiertoe is voldoende ruimte aanwezig.

Hittestress Binnen het plangebied kunnen meer tropische dagen en langere hitte verwacht worden. De geplande nieuwbouw is goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee voldoen de woningen aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress. Daarbij zal het plangebied rondom de woningen zo groen mogelijk worden ingericht en met zo min mogelijk verharding, ter voorkoming van hittestress.

Droogte Ter plaatse van het plangebied kan een hoger neerslagtekort verwacht worden. Door het hemelwater binnen het plangebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf.

Overstroming Het plangebied ligt in de omgeving van de Rijn, Mochten ergens de dijken bezwijken is er een extreem kleine tot kleine kans tot overstroming. Binnen het plangebied zijn mogelijkheden tot schuilen in het geval van een overstroming. Daarnaast wordt het plangebied goed ontsloten, waarmee het plangebied in het geval van een overstroming bereikbaar is voor hulpdiensten.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

40

Tinneweide, Rhenen

Hoofdstuk 6

Conclusie

De Omgevingswet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang: 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.

Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat daartoe instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en de veiligheid tot doel hebben. Daarnaast kent het Besluit kwaliteit leefomgeving instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Evenwichtige toedeling van functies aan locaties Om het bouwplan te kunnen vergunnen, moet worden aangetoond dat er met het bouwplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In deze paragraaf wordt een conclusie getrokken ten aanzien van de integrale weging van de aspecten die bij een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (uit hoofdstuk 4) en een goede omgevingskwaliteit (uit hoofdstuk 5) van toepassing. Immers, één omgevingswaarde of –norm voor gezondheid en/of veiligheid bestaat er niet. Dit is een optelsom en weging van de verschillende deelaspecten.

Uit voorgaande hoofstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Ten aanzien van de aspecten geluid, geur, trilling, luchtkwaliteit, omgevingsveiligheid en bodem worden geen normen overschreden of bijna overschreden. Dat laatste is van belang omdat bij gezondheid en veiligheid juist de cumulatieve beoordeling van deze sectorale aspecten van belang is. Tevens leidt het plan er niet toe dat waarden worden geschaad.

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving kan worden gewaarborgd en dat daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Tinneweide, Rhenen

41

Hoofdstuk 7 7.1

Juridische planbeschrijving

Inleiding

De juridische basis voor het wijzigen van een omgevingsplan is vastgelegd in de in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb.

7.2

Juridische systematiek

Voor onderhavige wijziging omgevingsplan worden de Standaard officiële publicaties (STOP) en Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD) gehanteerd.

Standaard officiële publicaties (STOP) De Standaard officiële publicaties (STOP) ondersteunt het opstellen en publiceren van alle officiële overheidspublicaties via de Landelijke voorziening bekendmaken en beschikbaar stellen (LVBB). De standaard omvat de volgende functies: opstellen, vaststellen, bekendmaken, consolideren en het beschikbaar stellen van documenten.

Toepassingsprofielen (TPOD) Naast de STOP zijn er de Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD). Ieder omgevingsdocument heeft een eigen toepassingsprofiel. De toepassingsprofielen leggen vast hoe de tekst ingedeeld en geannoteerd moet zijn. Ook is vastgelegd hoe tekst een locatie is gekoppeld, welke waardelijsten van toepassing zijn en hoe de documenten uitgewisseld worden.

Hiermee wordt ervoor gezorgd dat in het Omgevingsloket op een kaart te zien is welke regels gelden op een bepaalde locatie gelden. Ook kunnen verschillende kenmerken gefilterd worden.

7.3

Beschrijving per functie

Onderhavig initiatief kent de volgende functies:

Wonen Deze gronden zijn onder meer bedoeld voor wonen, beroep of bedrijf aan huis, bed and breakfast, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, tuinen en erven. Binnen de functie ‘Wonen’ zijn bouwvlakken opgenomen met de bij de beoogde woningen behorende maatvoeringen en het maximum aantal hoofdgebouwen indien dit er meer dan zijn één per bouwvlak.

Verkeer Deze gronden zijn onder meer bedoeld voor wegen en paden, parkeer- en groenvoorzieningen.

42

Tinneweide, Rhenen

Groen Op deze gronden zijn onder andere plantsoenen, gazons, beplantingen en voetpaden toegestaan.

Tinneweide, Rhenen

43

Hoofdstuk 8

Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk worden twee onderwerpen aangehaald die onderdeel uitmaken van de brede motvering van het initiatief, maar geen onderdeel vormen van de onderbouwing etfal.

Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad moet aangeven in welke gevallen participatie verplicht wordt gesteld. Daarbij moet aandacht besteed worden aan de rol en/of het doel van de participatie. Of een initiatiefnemer heeft geparticipeerd is een vraag bij het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning. Het is echter geen weigeringsgrond. Wel is het zo dat de gemeente beoordeeld in hoeverre betrokkenen zijn meegenomen in de ontwikkeling en waartoe eventuele reacties hebben geleid. Deze betrokkenheid is dan ook geen onderdeel van de afweging of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Wel kan het inzicht geven in hoe het initiatief is ontvangen en/of er naar aanleiding van participatie planaanpassingen zijn gedaan.

De economische uitvoerbaarheid van een concreet initiatief dat met een omgevingsvergunning wordt gerealiseerd, wordt eveneens door de gemeente beoordeeld.

8.1

Participatie

Inspraak Voor het initiatief heeft de initiatiefnemer de direct belanghebbenden in de omgeving op de hoogte gebracht. Een verslag hiervan is opgenomen in Bijlage 9.

Overleg Onderhavig initiatief is in het kader van het wettelijk vooroverleg toegezonden aan de provincie, het waterschap, de Veiligheidsregio, de Gasunie en de aangrenzende gemeente Veenendaal. Adviezen zijn in samenspraak met de gemeente in voorliggend plan verwerkt.

8.2

Kostenverhaal

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

De overheid (meestal een gemeente) en een initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: een zogenoemde ‘anterieure overeenkomst’. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in

44

Tinneweide, Rhenen

paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie. Naast het kostenverhaal kan ook een vrijwillige ‘financiële bijdrage gebiedsontwikkeling’ worden afgesproken. Dat is een bijdrage voor ontwikkelingen die niet onder het kostenverhaal vallen, maar wel bijdragen aan de kwaliteit van een gebied.

Tinneweide, Rhenen

45

Bijlagen

46

Tinneweide, Rhenen

Watertoets

Tinneweide, Rhenen

47

Onderzoek milieuzonering

48

Tinneweide, Rhenen

Akoestisch onderzoek milieuzonering

Tinneweide, Rhenen

49

Bodemonderzoek

50

Tinneweide, Rhenen

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Tinneweide, Rhenen

51

Archeologisch onderzoek

52

Tinneweide, Rhenen

Quickscan flora en fauna

Tinneweide, Rhenen

53

Voortoets Stikstofdepositie

54

Tinneweide, Rhenen

Participatieverslag

Tinneweide, Rhenen

55

56

Tinneweide, Rhenen

Tinneweide, Rhenen

57

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15635028/1