Bijlage 2 Motivering inclusief bijlagen bij het omgevingsplan Rhenen ontwikkellocatie Tinneweide.
Tekst van het document
Tinneweide, Rhenen Motivering WOP - gemeente Rhenen
COLOFON Gegevens over het plan: Plannaam:
Tinneweide, Rhenen
Datum:
8 augustus 2024
Projectnummer Buro SRO:
46.10.18
Opdrachtgever:
Mevr. C.W. Hooijer
Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO:
Mevr. L. Brouwer
Bezoekadres vestiging Arnhem:
Sweerts de Landasstraat 50, 6814 DG te Arnhem
Telefoon:
026 - 35 23 125
E-mail:
arnhem@buro-sro.nl
Internet:
www.buro-sro.nl
2
Tinneweide, Rhenen
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1
Inleiding
5
1.1
Aanleiding
5
1.2
Ligging van het plangebied
5
1.3
Leeswijzer
5
Hoofdstuk 2
Voorgenomen ontwikkeling
7
2.1
Huidige situatie
7
2.2
Toekomstige situatie
8
Hoofdstuk 3
Beleid en regelgeving
11
3.1
Rijksbeleid en rijksregels
11
3.2
Provinciaal beleid en provinciale regels
12
3.3
Gemeentelijk beleid
15
Hoofdstuk 4
Veilige en gezonde fysieke leefomgeving
20
4.1
Weging van het waterbelang
20
4.2
Activiteiten en milieuzonering
22
4.3
Bodem
24
4.4
Luchtkwaliteit
25
4.5
Geur
27
4.6
Geluid
29
4.7
Omgevingsveiligheid
31
4.8
Trilling
33
4.9
M.e.r.-beoordeling
33
Hoofdstuk 5
Goede omgevingskwaliteit
35
5.1
Zorgvuldig ruimtegebruik
35
5.2
Archeologie, cultuurhistorie en landschap
35
5.3
Ecologie
37
5.4
Verkeer en parkeren
39
5.5
Duurzaamheid en klimaatadaptatie
39
Hoofdstuk 6
Conclusie
41
Hoofdstuk 7
Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid
44
7.1
Participatie
44
7.2
Kostenverhaal
44
Tinneweide, Rhenen
3
Bijlagen
4
46 Watertoets
47
Onderzoek milieuzonering
48
Akoestisch onderzoek milieuzonering
49
Bodemonderzoek
50
Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai
51
Archeologisch onderzoek
52
Quickscan flora en fauna
53
Voortoets Stikstofdepositie
54
Participatieverslag
55
Tinneweide, Rhenen
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De initiatiefnemer is voornemens om op de locatie Tinneweide aan het Nagelkruid te Rhenen, op het kadastrale perceel A 1193 (gemeente Rhenen), zes woningen te realiseren. Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente Rhenen, maar wel wenselijk is, wordt middels een wijziging omgevingsplan medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In voorliggende onderbouwing wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) conform de Omgevingswet.
1.2
Ligging van het plangebied
Het plangebied is gelegen tussen de Cuneraweg en het Nagelkruid ten zuiden van de kern Veenendaal. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Globale ligging plangebied in de omgeving (bron: openstreetmap.org)
1.3
Leeswijzer
Onderhavige onderbouwing bevat de inhoudelijke onderbouwing van het besluit daar waar het gaat over een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoofdstuk 2 begint met een beschrijving van de huidige situatie, gevolgd door een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. In
Tinneweide, Rhenen
5
hoofdstuk 3 wordt verwezen naar de voor het plan relevante beleid van gemeente, provincie en Rijk. In hoofdstuk 4 en 5 wordt de nieuwe ontwikkeling getoetst aan diverse aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en de toedeling van functies aan locaties. In hoofdstuk 6 volgt de integrale weging van alle aspecten. Hoofdstuk 7 beschrijft tot slot de maatschappelijke uitvoerbaarheid en het kostenverhaal.
6
Tinneweide, Rhenen
Hoofdstuk 2
Voorgenomen ontwikkeling
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
2.1
Huidige situatie
Het plangebied ligt aan het Nagelkruid ten zuiden van de kern Veenendaal. Het plangebied bevindt zich tussen de aanwezige bebouwing aan de Cuneraweg, bestaande uit voornamelijk vrijstaande woningen en (kleinschalige) bedrijvigheid, en de aaneengebouwde woningen aan het Nagelkruid. Even ten oosten van het plangebied ligt de N233. In de huidige situatie is het plangebied onbebouwd en bestaat het vrijwel volledig uit grasland. De onderstaande afbeelding toont de huidige situatie in het plangebied.
Luchtfoto van het plangebied
Tinneweide, Rhenen
7
2.2
Toekomstige situatie
Voorliggend plan voorziet in het realiseren van zes woningen. De woningen worden gerealiseerd in de vorm van twee vrijstaande woningen in het zuidelijk deel van het plangebied en vier aaneengebouwde woningen in het noordelijk deel van het plangebied. De woningen worden ontsloten via het Nagelkruid. Bij de vrijstaande woningen is ruimte om op eigen terrein te parkeren. Daarnaast worden binnen het plangebied zeven parkeerplaatsen in de openbare ruimte gerealiseerd om te voorzien in de parkeerbehoefte. De onderstaande afbeeldingen geven een impressie van de toekomstige situatie. Hierop wordt voor de rijwoningen nog uitgegaan van vijf woningen, maar dit plan maakt vier rijwoningen mogelijk.
Impressie toekomstige situatie van het plangebied (bron: architect)
Impressie toekomstige situatie van het plangebied (bron: architect)
8
Tinneweide, Rhenen
Impressie toekomstige situatie van het plangebied (bron: architect)
Stedenbouwkundig plan Veeneind Rhenen De gemeente Veenendaal heeft in 2004-2005 een visie opgesteld voor het gebied Veeneind, waar het plangebied deel van uitmaakt. Het woningbouwplan voor het perceel binnen het gebied Veeneind in Rhenen is een belangrijke stap in de verdere ontwikkeling van dit gebied. Ondanks dat de oorspronkelijke visie uit 2004 voor de ontwikkeling van Veeneind enigszins is achterhaald, blijft de kern van deze visie een waardevolle leidraad voor de huidige plannen. Deze toelichting biedt een onderbouwing van hoe het huidige plan aansluit op de totale gebiedsontwikkeling Veeneind, met specifieke aandacht voor de locatie ‘Tinnenweide’.
In de visie van 2004-2005 werd voor de locatie Tinnenweide een toekomstbeeld geschetst waarin woningen rondom een collectieve ruimte aan de voorzijde en een collectieve weide rondom de woningen centraal stonden. De locatie zou omgeven worden door een rand van groen. Hoewel het huidige plan dit stedenbouwkundige beeld niet volledig realiseert, is er wel ruimte om dit beeld in de toekomst te creëren. De voorliggende ontwikkeling houdt rekening met de integrale ontwikkeling van het deelgebied Tinnenweide. Dit betekent dat het plan is opgesteld met oog voor de bredere gebiedsontwikkeling en dat toekomstige uitbreidingen mogelijk blijven. De ontsluitingsweg die in het plangebied ligt, kan bijvoorbeeld verder naar het westen worden doorgetrokken om meer woningen te ontsluiten. Hierdoor wordt voorsorteren op de bereikbaarheid van buurpercelen mogelijk gemaakt.
Hoewel de huidige ontwikkeling niet volledig strookt met de oude visie, is er altijd rekening gehouden met de clustergewijze ontwikkeling van het gebied. Dit houdt in dat woningen in clusters worden ontwikkeld, wat zorgt voor een samenhangende en geïntegreerde woonomgeving. Deze benadering sluit aan bij de oorspronkelijke intenties van de visie, ondanks dat de specifieke invulling ervan kan verschillen.
Tinneweide, Rhenen
9
Daarnaast is in het huidige plan nadrukkelijk rekening gehouden met de bereikbaarheid van toekomstige buurpercelen. Door de ontsluitingsweg door te trekken, wordt niet alleen de huidige ontwikkeling optimaal bereikbaar, maar wordt ook de weg vrijgemaakt voor verdere woningbouw in het gebied. Dit draagt bij aan een duurzame en goed bereikbare woonomgeving.
Het woningbouwplan voor het perceel binnen Veeneind, en specifiek binnen de locatie Tinnenweide, is ontworpen met oog voor zowel de oorspronkelijke visie als de noodzaak voor een flexibele en toekomstgerichte aanpak. Hoewel de visie uit 2004 enigszins achterhaald is, blijft de kern ervan - de integrale ontwikkeling van het gebied - van groot belang. Het huidige plan houdt rekening met deze kern en maakt verdere ontwikkeling mogelijk, waardoor het bijdraagt aan de totale gebiedsontwikkeling van Veeneind.
10
Tinneweide, Rhenen
Hoofdstuk 3
Beleid en regelgeving
In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.
3.1
Rijksbeleid en rijksregels
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie
Per januari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.
Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.
De NOVI is vastgesteld op grond van de geldende regelgeving omdat de Omgevingswet nog niet in werking is. De NOVI voldoet tevens aan de eisen die de Omgevingswet stelt aan een omgevingsvisie. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet geldt deze omgevingsvisie ook als de Nationale Omgevingsvisie in de zin van deze wet.
Gebiedsgericht De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. 3.1.2
Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in een Omgevingsplan of bij het vergunnen van een Buitenplanse Omgevingsplanactiviteit moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden.
Tinneweide, Rhenen
11
Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op:
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed;
Natuurbescherming.
Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden
Veiligheid primaire waterkeringen;
Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk;
Kwaliteit van de buitenlucht;
Waterkwaliteit;
Kwaliteit van de zwemlocatie.
Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is. 3.1.3
Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid
Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl. Het initiatief heeft daarmee op voorhand geen effect op één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang.
Voor de laddertoets wordt verwezen naar paragraaf 5.1 waar ingegaan wordt of er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik.
De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4.
3.2
Provinciaal beleid en provinciale regels
3.2.1
Omgevingsvisie provincie Utrecht
In de Omgevingsvisie provincie Utrecht beschrijft de provincie het ruimtelijk beleid voor de periode tot 2050. De Omgevingsvisie provincie Utrecht is vastgesteld door de Provinciale Staten op 10 maart 2021.
De provincie geeft aan welke doelstellingen zij van provinciaal belang acht, welk beleid bij deze doelstellingen hoort én hoe zij uitvoering geeft aan dit beleid. Deels geeft zij uitvoering aan het beleid via de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht die tegelijk met de Omgevingsvisie is vastgesteld.
12
Tinneweide, Rhenen
Met betrekking tot de pijler 'vitale dorpen en steden' heeft de provincie de volgende punten als provinciaal belang gedefinieerd:
Bevorderen van binnenstedelijke ontwikkeling;
Voldoende ruimte bieden voor het realiseren van een op de behoefte aansluitend aanbod van woningen en woonvoorzieningen;
Voldoende ruimte bieden voor het functioneren en versterken van een vitale, circulaire en innovatieve regionale economie;
3.2.2
Voldoende ruimte bieden voor behoud en versterking van een goede retailstructuur. Omgevingsverordening provincie Utrecht
In de Omgevingsverordening provincie Utrecht zijn onder ander de regels uit de Omgevingsvisie rechtstreeks overgenomen, waarbij een verduidelijking is gegeven op de wijze van het overnemen van de provinciale regeling in (gemeentelijke) ruimtelijke plannen. De Omgevingsverordening vervangt de Interim Omgevingsverordening. Doel van de verordening is om een aantal provinciale belangen te laten doorwerken naar gemeentelijk niveau. 3.2.3
Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid
Navolgend worden de relevante thema’s uit het provinciale beleid toegelicht:
Aandachtsgebied stiltegebied Het plangebied ligt in een door de provincie aangewezen ‘Aandachtsgebied stiltegebied’. In de verordening is opgenomen dat een Aandachtsgebied stiltegebied een zone is van 1500 meter rondom een stiltegebied. Binnen een stiltegebied is het algemene uitgangspunt dat het toelaatbare of gewenste geluidsniveau van niet gebiedseigen geluiden 40 decibel (A) is. Om te voorkomen dat geluidsbronnen buiten het stiltegebied een ongewenste aantasting van de akoestische kwaliteit in het stiltegebied veroorzaken, zijn instructieregels opgenomen met als doel dat geluidsbronnen buiten het stiltegebied niet in het stiltegebied een geluidsniveau van meer dan 35 dB (A) veroorzaken. Woningen binnen de bebouwde kom worden beschouwd als bronnen met gebiedseigen geluid. Daarmee is het voorgenomen initiatief passend binnen het aandachtsgebied stiltegebied.
Cultuurhistorische hoofdstructuur & Archeologisch waardevolle zone Het plangebied is gelegen binnen een zone Cultuurhistorische hoofdstructuur. Deze bestaat uit vijf gebieden, waarbij het plangebied onderdeel uitmaakt van de ‘Archeologisch waardevolle zone’. Voor alle locaties binnen de cultuurhistorische hoofdstructuur dient rekening te worden gehouden met de waarden en worden regels gesteld ter bescherming en benutting van deze waarden. In het plangebied zijn bovengronds geen gebouwen of restanten aanwezig met cultuurhistorische waarde die door onderhavige ontwikkeling kunnen worden geschaad. Tevens wordt in paragraaf 5.2 toegelicht dat het aspect archeologie het initiatief niet in de weg staat.
Tinneweide, Rhenen
13
Landschap Gelderse Vallei Het plangebied ligt binnen het landschapstype ‘Gelderse Vallei. Kernkwaliteiten van dit gebied zijn de rijk gevarieerde kleinschaligheid, het stelsel van beken, griften en kanalen, de Grebbelinie en de overgang van Vallei naar stuwwal. De nieuwe woningen liggen binnen de bebouwde kom van Rhenen en het plangebied herbergt geen landschappelijke waarden van de Gelderse Vallei die door onderhavig initiatief eventueel geschaad kunnen worden.
Stedelijk gebied Het plangebied is gelegen in ‘Stedelijk gebied’. Op grond van artikel 9.17 lid 2 uit de verordening is het toevoegen van woningen in stedelijk gebied mogelijk onder voorwaarden: a. De woningbouw past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken; b. De woningbouw leidt niet tot extra bodemdaling.
Ad. In 2022 is het woningbouwprogramma voor de regio Foodvalley opgenomen in de Woondeal Foodvalley. De Woondeal bevat concrete afspraken over het aantal te bouwen en transformeren woningen per regio. De regionale programmering maakt onderdeel uit van de cyclus van regionale programmering, waar ook het Provinciaal Programma Wonen en Werken is vastgesteld in 2023. Via het Provinciale Programma Wonen en Werken worden de uitkomsten van de tweede ronde regionale programmering verankerd in het provinciale beleid van de provincie Utrecht. Uit het Programma blijkt dat de druk op de Utrechtse woningmarkt hoog is. Om aan de behoefte te voldoen is het nodig om tot 2040 ongeveer 165.000 woningen te bouwen. Navolgende tabel toont een detaillering van het programma en de behoefte.
De gemeente Rhenen ligt binnen de regio Foodvalley. In de periode tot 2040 moeten er binnen het Utrechtse gedeelte van Foodvalley 7.900 tot 9.100 woningen worden gebouwd om tegemoet te komen aan de geprognotiseerde woningbehoefte. De totale plancapaciteit (hard, zacht en potentieel) omvat 7.771 woningen. Er is daarmee nog ruimte om extra woningen te realiseren in deze regio om aan de woningbehoefte te voldoen. Voorliggend plan draagt met 6 woningen bij aan de invulling van de woningbehoefte. Hiermee is het initiatief passend binnen het Provinciale Programma Wonen en Werken.
14
Tinneweide, Rhenen
Tevens leidt het initiatief niet tot extra bodemdaling. Het initiatief voldoet daarmee aan de voorwaarden voor het toevoegen van woningen in stedelijk gebied.
Conclusie De activiteit past binnen het beleid en regels van de provincie Utrecht.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Omgevingsvisie: Visie op Rhenen 2035
Sinds 1 januari 2024 heeft de Omgevingsvisie de voormalige structuurvisie vervangen als onderdeel van de Omgevingswet.
Gebiedsgericht Het plangebied is gelegen in het deelgebied Veeneind, gelegen tussen de Cuneraweg en de wijk Petenbos in Veenendaal. De bebouwing aan weerszijden van de Cuneraweg is langzaam gegroeid en zal nog verder groeien (Stedenbouwkundigplan 2004-2005, zie ook paragraaf 3.3.2). In dit deelgebied zijn de woningen veelal vrijstaand. Er is lintbebouwing op langgerekte kavels. Kenmerken bij dit gebied betreffen:
Veelal vrijstaande woningen in woonwijk, daarnaast lintbebouwing op langgerekte kavels;
Kavels voorzien van erfrandbeplanting;
Bomenrijen in verkavelingsrichting;
Laanbeplanting langs wegen;
Gemeente-overschrijdende samenwerking met Veenendaal.
Planspecifiek Het plangebied betreft in de huidige situatie een onbebouwd stuk grond in het verder bebouwde gebied in Veeneind. Met het toevoegen van de woningen levert het initiatief een bijdrage aan het benutten van de bestaande vrije tussenruimtes voor woningbouw. Een gedeelte van de woningen wordt, aansluitend bij de bestaande bebouwing, vrijstaand. Tevens is voor totstandkoming van het plan overleg gevoerd met de gemeente Veenendaal. Het initiatief is hiermee passend binnen de gemeentelijke visie. 3.3.2
Stedenbouwkundig Plan Veeneind
Het Stedenbouwkundig Plan Veeneind (2005) formuleert de gemeentelijke visie voor de ontwikkeling van de zone tussen de Cuneraweg en het Veenendaalse uitbreidingsgebied Petenbos. Hierbij worden onderscheiden de lintbebouwing direct langs de Cuneraweg, het woongebied van Petenbos en de tussenliggende zone.
Het plan is gericht op particuliere ontwikkeling van het plangebied met behoud en versterking van de identiteit en de kwaliteit van het bebouwingslint langs de Cuneraweg en op het afronden van de wijk
Tinneweide, Rhenen
15
Petenbos. De clusters zijn van elkaar gescheiden door houtwallen en/of doorsteken tussen Cuneraweg en Petenbos. Enkele clusters vallen gedeeltelijk in Petenbos. De betreffende clusters hebben dus een Lintdeel (domein) en een Petenbosdeel. Elk cluster of clusterdeel dat in het Lint valt, heeft binnen de planopzet een domeinkarakter en krijgt zijn eigen naam.
Planspecifiek Voorliggend plan ligt binnen het deelgebied ‘Tinneweide’. Dit domein bestaat in de visie uit een compacte verkaveling van geschakelde woningen met privétuin/terras, een grote collectieve weide eromheen en een enigszins besloten plein waaromheen de huizen zijn gegroepeerd. Met onderhavig plan wordt een gedeelte van dit deelgebied ontwikkeld, waarbij de uitgangspunten van aaneengebouwde woningen, groenstroken en een open ruimte tussen de rijwoningen en vrijstaande woningen worden gehanteerd. Op deze wijze wordt op een passende wijze aansluiting gevonden bij de ideeën voor dit deel van Veeneind. 3.3.3
Woonvisie ‘Kiezen voor Rhenen, vier redenen voor Rhenen’
De gemeente Rhenen heeft in 2018 haar woonvisie 'Kiezen voor Rhenen' vastgesteld. Hierin formuleert de gemeente de ambities en strategieën om met de verschillende woonopgaven om te gaan. In de visie staat beschreven dat de gemeente een grote aantrekkingskracht heeft, wat leidt tot een grote woningbehoefte. De ruimte is echter beperkt. De visie gaat in op de wijze waarop lage inkomens, senioren en zorgbehoevenden een thuis in de gemeente kunnen vinden, hoe de kernen vitaal gehouden worden en hoe de bestaande woningvoorraad toekomstbestendig te maken is. De woonvisie heeft een horizon tot 2030, maar is concreet tot 2022. Daarom is het de bedoeling om de woonvisie na twee jaar te actualiseren.
Actualisatie Woonvisie Rhenen In 2021 is de woonvisie van de gemeente Rhenen geactualiseerd. In de actualisatie staat beschreven dat tot 2040 nog steeds een grote woningbehoefte is in de gemeente Rhenen. Op grond van onderzoek van de regio Foodvalley wordt geadviseerd om een 130%-planning aan te houden en zo vooraf rekening te houden met eventuele effecten van planuitval. Terugval in productie is op dit moment een groter risico dan tijdelijke overproductie. Vanuit het rijk en de provincie Utrecht wordt ook gestimuleerd om de bouw van woningen te versnellen in de regio Foodvalley via de kamerbrief 'versnellen aanpak woningtekort'. In de periode tot 2030 dient het kwantitatief kader te worden bijgesteld naar 85-90 woningen per jaar. Een groot deel van de behoefte voor nieuwbouw zit hierbij in de kernen, stelt het Kleine Kernen onderzoek. Navolgende tabel toont het percentage van de behoefte voor de kern Elst.
Vertaling woningbehoefte naar de kernen (bron: Actualisatie Woonvisie)
16
Tinneweide, Rhenen
Planspecifiek Het initiatief voorziet in het toevoegen van 6 woningen in het plangebied. Hiermee levert het plan een bijdrage aan de kwantitatieve woningbehoefte in de gemeente. Het toevoegen van nieuwbouw levert tevens een bijdrage aan het kwalitatieve woonaanbod in de gemeente. Gelet hierop, kan gesteld worden dat het initiatief passend is binnen de Woonvisie. 3.3.4
Groenbeleidsplan Rhenen 2023-2028
In het Groenbeleidsplan Rhenen 2023-2028 'Multifunctioneel groen, van waarde voor iedereen' beschrijft de gemeente Rhenen waarom groen belangrijk is, wat zij wil met groen en wat zij gaat doen met groen. In het beleidsplan is opgenomen dat de gemeente naast het voortzetten van de bestaande koers (zoals het behoud van bomenstructuren en grotere groenzones en beheer conform beeldkwaliteitsplan) inzet op het behouden en versterken van groen aan de hand van 3 speerpunten: klimaatadaptatie, biodiversiteit en leefbaarheid. Vanuit die speerpunten wordt een concrete invulling gegeven middels projecten, initiatieven en samenwerking of stimulans.
Planspecifiek Navolgend wordt het plan getoetst aan de 3 speerpunten uit het Groenbeleidsplan:
Klimaatadaptatie Uitgangspunt van het plan is dat hemelwater op eigen terrein wordt opgevangen en geïnfiltreerd (zie ook paragraaf 5.5). Daarnaast worden woningen boven het maaiveld aangelegd, waardoor ter plaatse geen wateroverlast ontstaat. De nieuwbouw wordt gebouwd aan de geldende bouwnormen en voldoet hiermee aan de actuele eisen op het gebied van isolatie. Hiermee zijn de woningen minder gevoelig voor stijgende temperaturen. Bestaand groen wordt waar mogelijk in stand gehouden. In de omgeving van het plangebied bevindt zich opgaand groen, wat voor koelte zorgt.
Biodiversiteit Voorliggend plan heeft betrekking op een ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. In paragraaf 5.3 is beschreven dat het plan geen negatieve effecten heeft met betrekking tot soorten in het kader van soortenbescherming.
Leefbaarheid Het plangebied is gelegen op een, voor verschillende doelgroepen, goed toegankelijke locatie in stedelijk gebied. De woningen worden toegevoegd op een locatie waar in de omgeving reeds woningen aanwezig zijn. Als gevolg van het initiatief verdwijnen geen locaties die gebruikt worden ten behoeve van recreatie. Het initiatief doet daarmee geen afbreuk aan de leefbaarheid van de omgeving.
Het initiatief is passend binnen het Groenbeleidsplan.
Tinneweide, Rhenen
17
3.3.5
Beleidsplan Ruimtelijke Adaptatie 2023-2027
In het Beleidsplan Ruimtelijke Adaptatie beschrijft de gemeente Rhenen wat de gevolgen van extreem weer door klimaatverandering teweegbrengt voor de gemeente. De gemeente licht in het beleidsstuk toe wat de ambities zijn met betrekking tot een klimaatbestendig en waterrobuust Rhenen in 2050. Het betreft de volgende ambities:
Samenwerken met durf;
Groen leeft!;
Ontstenen en vergroenen;
Balans;
Voorbereid op noodsituatie;
Bewust;
Rust en Verkoeling;
Waterberging op de berg;
Hergebruik maakt water tot vriend.
Planspecifiek Het Groenbeleidsplan borduurt voort op het thema 'klimaatadaptatie' als gesteld in het Beleidsplan Ruimtelijke Adaptatie. In paragraaf 3.3.4 is toegelicht dat het initiatief passend is binnen het gemeentelijke speerpunt wat betreft klimaatadaptatie. Het initiatief is hiermee tevens passend binnen het Beleidsplan Ruimtelijke Adaptatie. 3.3.6
Omgevingsplan
Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan (archeologieverordening (artikel 38, Monumentenwet 1988), geurverordening (artikel 6, Wet geurhinder en veehouderij), verordening afvoer regen- en grondwater (artikel 10.32a, Wet milieubeheer), hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder), vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14, Besluit externe veiligheid inrichtingen) en de bruidsschat. Hierna wordt per aspect de ontwikkeling getoetst op strijdigheden. Om te bepalen of het initiatief past binnen het omgevingsplan, wordt getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan dat één op één is overgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
Op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan heeft het plangebied de enkelbestemming 'Bedrijf' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie', met de gebiedsaanduiding 'hoge verwachtingswaarde'. Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de verbeelding opgenomen.
18
Tinneweide, Rhenen
Uitsnede vigerende planologische situatie (bron: ruimtelijkeplannen.nl) Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan Zowel het bouwen van woningen als het gebruik van gronden ten behoeve van burgerwoningen is op grond van de vigerende planologische situatie niet toegestaan ter plaatse van het plangebied. Met onderhavig initiatief wordt zowel het bouwen als het gebruik mogelijk gemaakt. 3.3.7
Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid
De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. De activiteit is echter in strijd met de regels van het omgevingsplan. Daarom wordt het omgevingsplan gewijzigd waarvoor onderhavige motivering is opgesteld.
Tinneweide, Rhenen
19
Hoofdstuk 4
Veilige en gezonde fysieke leefomgeving
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze aangetoond wordt dat met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.
4.1
Weging van het waterbelang
Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen, betrokken.
De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld:
Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow);
Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow);
Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor het project moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.
Bodem- en waterprogramma provincie Utrecht 2022-2027 Het Bodem- en waterprogramma 2022-2027 is een uitwerking van ambities voor de bodem en het water uit de provinciale Omgevingsvisie. Onderdeel van het programma is het wettelijk verplichte Regionaal Waterplan onder de Waterwet. Onderwerpen van het programma hebben betrekking op
20
Tinneweide, Rhenen
duurzaam gebruik van de ondergrond, circulariteit, schoon oppervlaktewater, schone bodem en schoon grondwater, voldoende water, waterveiligheid en energie uit bodem en water.
Beleid waterschap Vallei en Veluwe Sinds 1 januari 2024 is de waterschapsverordening van kracht voor het beheergebied van het waterschap Vallei en Veluwe. De waterschapsverordening van Waterschap Vallei en Veluwe bevat regels over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor het watersysteem binnen het waterschapsgebied. De waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de keur van Waterschap Vallei en Veluwe en de daarbij horende algemene regels. Bovendien bevat het regels over lozingen, die voorheen op rijksniveau waren geregeld.
Waterbeleid gemeente Rhenen De gemeente Rhenen heeft haar waterbeleid vastgesteld in een verbreed gemeentelijk rioleringsplan plus (2015-2019). In het vGRP+ is ook het waterplan "een berg mooi water" van de gemeente Rhenen geëvalueerd en opgenomen. In het vGRP+ streeft de gemeente naar:
Bescherming van de volksgezondheid.
Een goede leef- en werkomgeving.
Bescherming van het milieu.
Dit doet de gemeente door te voldoen aan haar wettelijke zorgplichten:
Het afvalwater op te vangen en te vervoeren.
Het afvloeiend hemelwater op te vangen en te bergen.
Het nemen van maatregelen als er sprake is van structurele grondwateroverlast.
Concreet betekent dit dat er gewerkt wordt aan een duurzaam rioolstelsel waarbij het afkoppelen van hemelwater en infiltratie in de bodem centraal staat.
Daarnaast hanteert de gemeente Rhenen haar gidsprincipes die in het waterplan zijn uitgewerkt. Een deel van deze gidsprincipes hebben een directe relatie met de ruimtelijke ordening en worden hieronder weergegeven:
Water is mede bepalend voor de ruimtelijke ordening.
Het waterkwantiteitsbeheer is gericht op water vasthouden, zo nodig bergen en pas in laatste instantie afvoeren.
Zelfregulerende robuuste watersystemen.
Optimale functieverweving van oppervlaktewateren (zoals recreatief medegebruik).
Altijd goed en veilig drinkwater.
Efficiënt en effectief (her)gebruik van water.
Ruimte voor waterberging en een goede afvoer spelen een rol vanwege de extremere neerslagintensiteiten en hogere neerslaghoeveelheden (klimaatsverandering). Er zijn afspraken
Tinneweide, Rhenen
21
gemaakt om de kans op wateroverlast te verminderen tot een acceptabel niveau. Het Nationaal Bestuursakkoord Water en de actualisatie van dit rapport (NBW Actueel) bevat een strategie om de waterbergingsopgave gerealiseerd te hebben.
De gemeente heeft dit in haar vGRP+ verwerkt waarbij taken van gemeente.
Op een aantal locaties in Elst is in 2014 en 2015, maar ook in de jaren daarvoor, wateroverlast ervaren. Naar aanleiding daarvan is de Wateragenda Elst opgesteld om te komen tot een waterproof Elst. De Wateragenda bevat een analyse van de huidige situatie en een stresstest van het systeemgedrag bij extreme neerslag. Op basis van deze analyse stelt het rapport kansrijke maatregelen voor om de ervaren overlast te bestrijden en het systeem meer in te richten voor veranderende weersomstandigheden als gevolg van klimaatverandering. Per potentiële overlastlocatie zijn maatregelen voor de korte en lange termijn bepaald.
Planspecifiek Watertoets Voor dit plan is de digitale watertoets ingevuld, zie Bijlage 1. Hieruit blijkt dat er geen (beschermingszones van) beschermde waterkeringen/ watergangen in het plangebied liggen.
Hemelwater Het waterschap Vallei en Veluwe hanteert het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1.500 m² verharding in stedelijk gebied of landelijk gebied. Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg. Het realiseren van zes woningen met bijbehorende bouwwerken zal niet leiden tot een toename van meer dan 1.500 m² (ca. 300 m2 voor de rijwoningen, ca. 370 m 2 voor de vrijstaande woningen en 450 m2 overige verharding) verharding. Daarmee is watercompensatie niet benodigd vanuit het beleid van het waterschap. Het hemelwater zal ter plaatse worden geïnfiltreerd. Er is op het terrein voldoende ruimte aanwezig om hemelwater op te vangen en te bergen. De concrete uitwerking van de waterberging wordt opgenomen bij de definitieve aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen.
Afvalwater Het afvalwater wordt gescheiden van het hemelwater. De afvoer van het afvalwater vindt plaats via het bestaande rioleringsnetwerk.
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.2
Activiteiten en milieuzonering
Bedrijven (die activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe woning bij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden.
22
Tinneweide, Rhenen
Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden.
Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.
Planspecifiek De toe te voegen woningen betreffen nieuwe milieugevoelige objecten. De omgeving van het plangebied wordt - gelet op de afwisseling van de woonfuncties, bedrijfsfuncties en maatschappelijke functies - aangemerkt als gemengd gebied. Om het woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied te beoordelen is een rapport in het kader van milieuzonering opgesteld (zie Bijlage 2). Navolgend worden de conclusies beschreven.
Cuneraweg 314 Direct ten zuidwesten van het plangebied ligt aan de Cuneraweg 314 een transportbedrijf. Voor dergelijke functies geeft de VNG-publicatie in gemengd gebied een richtafstand van 30 meter, waarbij het aspect geluid maatgevend is. Aan deze richtafstand wordt niet voldaan, omdat het bedrijf grenst aan het plangebied. Daarom is aanvullend akoestisch onderzoek uitgevoerd om aan te tonen of bij de nieuwe woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als Bijlage 3. Hierin wordt geconcludeerd dat de geluidbelasting, ter plaatse van de toekomstige woningen, niet beperkend is voor de bedrijfsvoering van het op de betreffende locatie aanwezige bedrijf. Na het treffen van maatregelen in de vorm van een scherm van 2,5 meter hoog, is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor woningen gelegen in een gemengd gebied. Deze maatregel is ook als zodanig opgenomen in de regels bij dit plan. Het aspect geluid vormt daarmee geen beletsel om een woonfunctie vast te stellen.
Tinneweide, Rhenen
23
Cuneraweg 306 Direct ten zuiden van het plangebied ligt aan de Cuneraweg 306 een autohandelaar (milieucategorie 2). Voor dergelijke functies geeft de VNG-publicatie, in gemengd gebied een richtafstand van 10 meter, waarbij de aspecten geluid en externe veiligheid maatgevend zijn. Het bedrijf grenst aan het plangebied. Het plan voldoet daarmee in beginsel niet aan de richtafstand. Echter, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is op voorhand te garanderen, omdat er wel meer dan 10 meter tussen de bedrijfsactiviteiten en de gevels van de woningen ligt. Daarnaast kan het bedrijf niet verder uitbreiden omdat het planologisch wordt belemmerd door het maximum bebouwingspercentage en omdat er naast het bedrijf reeds een andere woning is gelegen (Nagelkruid 30 Rhenen). Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is derhalve te garanderen.
Cuneraweg 385 Verder ten zuidwesten van het plangebied is aan de Cuneraweg 385 een mengvoederbedrijf gevestigd in milieucatergorie 4.1. Hiervoor geldt in gemengd gebied een richtafstand van 100 meter. Met een feitelijke afstand van 130 meter wordt aan de richtafstand voldaan.
Cuneraweg 298 Ten zuidoosten van het plangebied ligt aan de Cuneraweg 298 een agrarisch loonbedrijf (milieucategorie 2). Voor dergelijke functies geeft de VNG-publicatie, in gemengd gebied een richtafstand van 30 meter. Het beoogde bouwvlak voor de nieuwe woningen ligt op circa 130 meter van het bouwvlak van het betreffende bedrijf. Hiermee kan worden gesteld dat het plangebied ruim buiten de richtafstand is gelegen en aan de richtafstand wordt voldaan.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat, na het treffen van maatregelen bij de nieuwe woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat en dat er met het plan geen bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt.
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.3
Bodem
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang; beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen; evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem; duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.
24
Tinneweide, Rhenen
Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
Planspecifiek Met voorliggend plan worden nieuwe woningen gerealiseerd. Hiermee wordt er een bodemgevoelige functie toegevoegd aan het plangebied. Derhalve is een verkennend bodemonderzoek (Bijlage 4) uitgevoerd. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat er ten aanzien van de chemische kwaliteit van de grond en het grondwater geen belemmering tegen een bestemmingsplanwijziging/functiewijziging en de geplande herontwikkeling van de locatie bestaan. Het uitvoeren van een nader bodemonderzoek is niet noodzakelijk.
Slootdemping Binnen het plangebied zijn twee gedempte sloten aanwezig. Ter plaatse van de slootdemping zijn grondwerkzaamheden nodig voor de herinrichting van het plangebied. Bodemonderzoek ter plaatse van deze slootdempingen zijn niet benodigd. Het ontbreken van bodemonderzoek ter plaatse van de slootdempingen levert geen belemmeringen op voor het initiatief.
Bodemvreemd materiaal Indien tijdens het uitvoeren van werkzaamheden bodemvreemd materiaal wordt aangetroffen, worden de werkzaamheden gestaakt. In overleg met het bevoegd gezag wordt dan bepaald welke maatregelen benodigd zijn.
Het bodemonderzoek is in 2022 uitgevoerd conform NEN5740. De invoering van de Omgevingswet per 01-01-2024 leidt niet tot andere conclusies. Uit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige functie.
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.4
Luchtkwaliteit
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de ‘omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit’ opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).
Tinneweide, Rhenen
25
Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting;
het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.
Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.
Niet in betekende mate (NIBM) Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBMtool op een eenvoudige en snelle manier of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.
Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:
bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;
26
bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.
Tinneweide, Rhenen
Planspecifiek Het dichtstbijzijnde toetspunt voor luchtkwaliteit bij het plangebied is de receptor wegverkeer 30277172_36955. In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergeven. Hieruit blijkt dat de totale concentraties ruim onder de gestelde grenswaarden liggen. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn er geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
Gemeten totale concentratie
NO2
PM10
PM2,5 (fijnere
(stikstofdioxide)
(fijnstof)
fractie van fijnstof)
19,8 µg/m3
18,4 µg/m3
10,0 µg/m3
40 µg/m3
40 µg/m3
25 µg/m3
jaargemiddelde 2018 (µg/m3) Resultaatverplichting concentratie (µg/m3) kalenderjaargemiddelde
De concentraties stikstofdioxide en fijnstof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de huidige luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief. Daarnaast blijkt uit de resultaten ter plaatse van de gehanteerde receptor dat de luchtkwaliteit met betrekking tot de concentraties stikstofdioxide en fijnstof in de toekomst verbetert (rekenjaren 2025 en 2030).
Bijdrage van het initiatief Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, vergelijkbaar met 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven. Tevens ligt het plangebied niet binnen de genoemde aandachtsgebieden (artikel 5.51 luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) voor stikstofdioxide en/of fijnstof.
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.5
Geur
In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau.
Tinneweide, Rhenen
27
De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.
De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:
Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);
Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 BS);
Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 BS).
Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft.
Geurgevoelig gebouw
Standaardwaarde
Grenswaarde
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en
2,0 ouE/m3
8,0 ouE/m3
3,0 ouE/m3
14,0 ouE/m3
8,0 ouE/m3
20,0 ouE/m3
14,0 ouE/m
35,0 ouE/m3
buiten een concentratiegebied Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw
In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en nietconcentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze.
28
Tinneweide, Rhenen
Planspecifiek Voorliggend initiatief voorziet in het realiseren van woningen die aangemerkt kunnen worden als geurgevoelige gebouwen. In de omgeving van het plangebied zijn geen intensieve veehouderijen gelegen die tot belemmeringen voor het initiatief kunnen leiden.
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.6
Geluid
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).
Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel. Geluidbronsoort
Standaardwaarde, in dB.
Grenswaarde, in dB.
Rijks- en provinciale wegen. In Lden
50
60
Gemeente- en waterschapswegen. In Lden
53
70
Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden
55
65
Lden
50
55
Lnight
40
45
Industrieterrein
Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en .3.35 Bkl
Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluid door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit
Tinneweide, Rhenen
29
moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden:
op een aangewezen geluidgevoelig gebouw: o
op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw
o
op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw
op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen en in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte
Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze: 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid 1, onder a Bkl); 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bkl); 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl); 4. besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bkl). De karakteristieke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36 dB. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl); 5. het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl); 6. het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bkl).
In lijn met het Bkl dient bij het realiseren van geluidgevoelige functies gekeken te worden naar het aandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van het project tot de weg en eventuele afschermende bebouwing. Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied.
Planspecifiek De toe te voegen woningen zijn aan te merken als geluidgevoelige gebouwen. Hiervoor is het van belang te kijken naar de mogelijke effecten van wegverkeerslawaai. Om dit te beoordelen, is akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 5). Dit onderzoek is in 2022 uitgevoerd onder de regelgeving van de Wet geluidhinder, voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. Uit de berekeningen blijkt dat het geluid vanaf de gemeentelijke wegen niet leidt tot een overschrijding van de voorkeurswaarden. Ook onder de Omgevingswet zal de geluidbronsoort gemeentewegen voldoen
30
Tinneweide, Rhenen
aan de standaardwaarden. Voor wat betreft de provinciale weg (N233) zijn voor dit type weg nog geen GPP-waarden vastgesteld. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in de geluidzone van een provinciale weg waarvoor nog geen geluidproductieplafond (gpp) is vastgesteld, geldt de Wet geluidhinder (Artikel 3.5, Aanvullingswet geluid Omgevingswet). De resultaten van het onderzoek zijn ook nu de Omgevingswet in werking is getreden nog steeds bruikbaar en leiden niet tot andere conclusies. Vanuit het aspect geluid is er sprake van een goed woon- en leefklimaat
Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.
4.7
Omgevingsveiligheid
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico Bij groepsrisico is sprake van ‘aandachtsgebieden’. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een
Tinneweide, Rhenen
31
voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.
Planspecifiek Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de blauwe cirkel.
Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)