Bijlage 2 Bijlagen behorende bij de toelichting bestemmingsplan Weteringsteeg 34 -34A Rhenen
Tekst van het document
NIEUWBOUW WETERINGSTEEG 34 TE ACHTERBERG
VOORLOPIG ONTWERP
-
APRIL 2023
-
WWW.RGGEURTSEN.NL
RG2022082 APRIL 2023 R.G. Geurtsen B.T.A. B.V. www.rggeurtsen.nl
-
0318 74 53 01
BESTAANDE SITUATIE
RG2022082 APRIL 2023 R.G. Geurtsen B.T.A. B.V. www.rggeurtsen.nl
RNN01 - K - 798
RNN01 - K - 799
RNN01 - K - 153
NR. 34A
NR. 34
9000
Snijdersteeg
Weteringsteeg
RNN01 - K - 152
20000
Vergroting bouwblok ca. 220 m²
Bestaande bouwblok
RNN01 - K - 1345 RNN01 - K - 1141
RNN01 - K - 1637
RNN01 - K - 1638
N
RNN01 - K - 1056
Situatie 1 : 500
NIEUWE SITUATIE
RG2022082 APRIL 2023 R.G. Geurtsen B.T.A. B.V. www.rggeurtsen.nl
RNN01 - K - 798
RNN01 - K - 799
RNN01 - K - 153
NR. 34A
20000
RNN01 - K - 152
Circa 80m² vergunningsvrij Nieuwe woning; bestaand huisnummer 8000
Snijdersteeg
Weteringsteeg
Staluitbreiding t.b.v. rundvee, dierenwelzijn en educatie
NR. 34
12000
RNN01 - K - 1141
Nieuwe aanplanting met inheemse bomen
N RNN01 - K - 1638
RNN01 - K - 1056
Situatie 1 : 500
IMPRESSIE UITBREIDING
RG2022082 APRIL 2023 R.G. Geurtsen B.T.A. B.V. www.rggeurtsen.nl
IMPRESSIE UITBREIDING
RG2022082 APRIL 2023 R.G. Geurtsen B.T.A. B.V. www.rggeurtsen.nl
AANZICHTEN + DOORSNEDEN
RG2022082 APRIL 2023 R.G. Geurtsen B.T.A. B.V. www.rggeurtsen.nl
Uitbreiding
+8900
+7000
+3500
+0 entree
Voorgevel
Rechterzijgevel
1 : 150
1 : 150
A
B
C
D
E
+8900
2200
800
1350 50
+7200
4230
+3500 1000
+0
Principe doorsnede 1 : 150
Linkerzijgevel 1 : 150
PLATTEGRONDEN
RG2022082 APRIL 2023 R.G. Geurtsen B.T.A. B.V. www.rggeurtsen.nl
Uitbreiding
Voergang
5000
Melkinstallaties
Klauwbekapbox ruimte
Strohok
Strohok
5000
5
5000
5 Kantoor
4
4
5000
5000
6450
Entree
20000
Strohok
Voergang
5000 20000
Garderobe
Seperatieruimte
7400
100
Strohok
6350
3 5000
5000
3
Toiletten
2
Educatieruimte ca. 100 personen
Toiletten
2 16x eenlingenhokken
5000
5000
Ruimte voor melkverwerking
Educatieruimte
Bar/keuken
Omkleedhok
1
1 A
6450
B
6200
C
6200
D
6450
E
A
6450
B
25300
Begane grond 1 : 200
6200
C 25300
Eerste verdieping 1 : 200
6200
D
6450
E
IMPRESSIE WONING
RG2022082 APRIL 2023 R.G. Geurtsen B.T.A. B.V. www.rggeurtsen.nl
IMPRESSIE WONING
RG2022082 APRIL 2023 R.G. Geurtsen B.T.A. B.V. www.rggeurtsen.nl
IMPRESSIE WONING
RG2022082 APRIL 2023 R.G. Geurtsen B.T.A. B.V. www.rggeurtsen.nl
AANZICHTEN
RG2022082 APRIL 2023 R.G. Geurtsen B.T.A. B.V. www.rggeurtsen.nl
WONING +9000
+6000
+3000
+0
Voorgevel
Rechterzijgevel
Achtergevel
Linkerzijgevel
1 : 100
1 : 100
+9000
+6000
+3000
+0
1 : 100
1 : 100
PLATTEGRONDEN
RG2022082 APRIL 2023 R.G. Geurtsen B.T.A. B.V. www.rggeurtsen.nl
WONING
A
B
B 300
A
4000
4000
Badkamer
Berging
4000
Berging Badkamer Overloop
Woonkamer Terras
Slaapkamer
Slaapkamer
Garderobe
4000
Toilet
4000
Keuken
Vide + 1500
Entree
+ 1500
300
MK
12000
+ 1500
4000
+ 1500
Bijkeuken
A 4000
A
B 4000
4000
4000
3000
1 : 100
4000 12000
15000
Begane grond
B
Eerste verdieping 1 : 100
4000
3000 3300
300
12600
Slaapkamer
PRINCIPE DOORSNEDEN
RG2022082 APRIL 2023 R.G. Geurtsen B.T.A. B.V. www.rggeurtsen.nl
WONING
F
C
B
A
F
C
B
A
+9000
+6000
2670
2670
330
+3000
+0
Principe doorsnede A 1 : 100
+0
Principe doorsnede B 1 : 100
TOTAAL IMPRESSIE
RG2022082 APRIL 2023 R.G. Geurtsen B.T.A. B.V. www.rggeurtsen.nl
Digitale Watertoets Res ultaat van de check gedaan op 20-04-2022
Digitale watertoets De watertoets helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toets en of u de belangen van het Waters chap raakt. Indien dit het geval is krijgt u teks t en uitleg over het vervolg proces .
VOOR DE ACTIVITEIT DIGITALE WATERTOETS IS OP BASIS VAN DE GEGEVEN ANTWOORDEN NODIG: 1.
normale procedure
2.
Advies Algemeen
3.
Advies leggerwatergang
OP BASIS VAN ONDERSTAANDE LOCATIE
20-04-2022, 10:38
P agina 1 van 8
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets VRAGEN EN ANTWOORDEN UIT DE CHECK 1.
Gaat het om een ruimtelijk plan dat uits luitend een functiewijziging betreft van bes taande bebouwing zonder fys ieke aanpas s ing van bebouwing en ruimte? nee
2.
Wordt er in de huidige s ituatie wateroverlas t ervaren binnen het plangebied? nee
3.
Gaat u verhard oppervlak toevoegen? nee
4.
Raakt het plangebied een A of B watergang? ja
5.
Raakt het plangebied een riooltrans portleiding? nee
6.
Raakt het plangebied een waterbergings gebied? nee
7.
Raakt het plangebied een waterkering? nee
8.
Raakt het plangebied een grondwaterbes chermings gebied? nee
9.
Raakt het plangebied de grondwaterfluctuatiezone? nee
10.
Raakt het plangebied "natuurwateren" (voorheen wateren met HEN- of SED-functie)? nee
11.
Raakt het plangebied een KRW-waterlichaam? nee
20-04-2022, 10:38
P agina 2 van 8
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets DETAILS 1.
normale procedure Op bas is van uw locatie en gegeven antwoorden blijkt dat u waters chaps belangen raakt.
Wat moet ik doen? Uw plan heeft invloed op het waters ys teem, waterkeringen en/of afvalwaterketen. Het waters chap wil graag met u overleggen wat deze invloed is en welke maatregelen wellicht genomen kunnen worden in uw plan. Wij s treven ernaar binnen twee weken contact met u op te nemen om nadere afs praken te maken en advies te geven. Als u eerder een afs praak wilt maken, dan kunt u contact met ons opnemen via het algemene nummer (055-5272911) en vragen naar de planadvis eur voor de gemeente waarin uw plan zich bevindt. In het overleg tus s en u en het waters chap worden afs praken gemaakt over het borgen van de waterbelangen in uw plan. Het is van belang dat u de uitkoms ten van het overleg en de gemaakte afs praken vas tlegt in de ruimtelijke onderbouwing van uw plan. Waar nodig vraagt het ook om verwerking op de verbeelding en/of in de regels . Dit zal blijken uit het overleg met het waters chap. De waterparagraaf dient in ieder geval een bes chrijving van de huidige en toekoms tige waterhuis houdkundige s ituatie te bevatten waarbij de relevante wateras pecten worden bes chreven. Daarnaas t dienen bij een bes temmings plan de primaire watergangen, waterkeringen, riooltrans portleidingen en waterbergings gebieden op de verbeelding bij het bes temmings plan zichtbaar te zijn. LET OP: het invullen van de digitale watertoets is geen aanvraag voor een watervergunning.
De uitkoms ten van de digitale watertoets zijn bedoeld voor de (ruimtelijke) planvormingfas e. Eventueel benodigde vergunningen worden niet binnen de watertoets procedure of met deze Digitale Watertoets geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden. Een watervergunning van het waters chap is bijvoorbeeld nodig voor het dempen en/of vergraven van watergangen, het lozen van water op oppervlaktewater en het onttrekken van grondwater. Informatie over een watervergunning kunt u vinden op de webs ite van het waters chap (https ://www.vallei-veluwe.nl/toptaken/vergunning-aanvragen/). Op www.omgevings loket.nl kunt u een watervergunning aanvragen. Dien deze aanvraag in door op de knop "DIRECT AANVRAGEN" te drukken. Hiervoor is een eenmalige regis tratie benodigd. Het waters chap ontvangt dan een afs chift van deze aanvraag.
Waar moet ik op letten? U dient deze aanvraag in te dienen door op de knop "DIRECT AANVRAGEN" te drukken. Als u dit niet doet, wordt de aanvraag niet doorgezet naar het waters chap en zijn wij nog niet op de hoogte van uw plan. U dient afs temming te hebben met het waters chap. Hier wordt bepaald welke invloed uw plan heeft en welke maatregelen genomen moeten worden. De uitkoms ten van de afs temming dient u op te nemen in uw plan en de maatregelen 20-04-2022, 10:38
P agina 3 van 8
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets moeten hierin opgenomen worden. Met deze watertoets is uw plan naas t het beleid van het waters chap gelegd. Hieruit is de conclus ie naar voren gekomen dat het plan invloed heeft op de waterhuis houding en/of de afvalwaterketen. Deze beoordeling heeft plaats gevonden vanuit het beleid van het waters chap. Voor het waters chap leidt een toename van verharding alleen tot een watercompens atieopgave (noodzaak tot waterberging) als er een toename is van 1500 m2 of meer. Een groot aantal gemeenten s telt ook eis en bij de reas liatie van nieuw verhard oppervlak of bij herontwikkeling van bes taand verhard gebied. Het kan dan ook zijn dat de gemeente wel/ook eis en aan uw plan s telt. Het is van belang om dit na te vragen bij de betreffende gemeente.
Achtergrondinformatie
20-04-2022, 10:38
P agina 4 van 8
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets DETAILS 2.
Advies Algemeen Waterinclus ieve bebouwde omgeving Stedelijke in- en uitbreiding, ten behoeve van de groeiende bevolking, moet worden gekoppeld aan klimaat- en duurzaamheids opgaven. Dit biedt enorme kans en om de s tad aantrekkelijker te maken. Idealiter wordt overal waar wordt gebouwd, rekening gehouden met het as pect water(waterinclus ief bouwen) en wordt de buffercapaciteit van de bodem verbeterd: de s tad als s pons . Groenblauwe dooradering in de openbare ruimte en op de daken houdt de s tad bovendien leefbaar bij toenemende hittes tres s en heftige regenval. Dit vraagt om zorgvuldig en zuinig ruimtegebruik en de garantie op voldoende ruimte bij binnens tedelijke verdichting.
Wat moet ik doen? Maak afwegingen over eventuele nieuwe, s tedelijke uitbreidingen vanuit de ondergrond, met het oog op de waterhuis houding en altijd klimaatadaptief. Voor meer informatie verwijzen we u naar onze Blauwe Omgevings vis ie voor het jaar 2050 (https ://bovi2050.nl/verhaal/waterinclus ieve-bebouwde-omgeving/). Z o zou kunnen worden gedacht aan het aanbrengen van 'groene daken' op nieuwe gebouwen, eventueel met meervoudig ruimtegebruik en waterbergingcapaciteit. Ook kan bij bijvoorbeeld de aanleg van nieuwe parkeerplaats en gebruik worden gemaakt van waterdoorlatende verharding met bijbehorende afvoer vertragende onderlaag of waterberging op s traat en in verlaagde groens troken. Z ie voor uitleg en ins piratie hierover: http://www.ruimtelijkeadaptatie.nl, https ://www.deltaprogramma.nl/themas /ruimtelijke-adaptatie, https ://klimaatvalleienveluwe.nl/atlas / en https ://www.urbangreenbluegrids .com/. Algemene aandachts punten Vas thouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vas tgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater.
Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiverings ins tallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlas t in benedens trooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waters chap. Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlas t te voorkomen advis eert het waters chap om boven de gemiddelde hoogs te grondwaters tand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat as pecten zoals ontwaterings diepte en infiltratie van hemelwater, bes chouwd worden ten opzichte van de GHG. Het s tructureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplos s ing en moet worden voorkomen. Het waters chap advis eert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heers ende grondwaters tanden en GHG. Eventuele grondwateroverlas t is in eers te ins tantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Schoon houden - s cheiden - s choon maken Om verontreiniging van bodem, gronden/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afs tromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eis en / randvoorwaarden te s tellen aan bijvoorbeeld de toegepas te (bouw)materialen. Wij vragen de 20-04-2022, 10:38
P agina 5 van 8
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan u hiermee verder helpen.
Waar moet ik op letten? Het waters chap vraagt u om in uw plan met de volgende drie aandachts punten rekening te houden. 1.
Vas thouden - bergen - afvoeren Een belangrijk principe is dat een deel van het hemelwater binnen het plangebied wordt vas tgehouden en/of geborgen en dus niet direct afgevoerd wordt naar de riolering of het oppervlaktewater. Hiermee wordt bereikt dat de waterzuiverings ins tallatie beter functioneert, verdroging wordt tegen gegaan en piekafvoeren in het oppervlaktewater (met eventueel wateroverlas t in benedens trooms gelegen gebieden) wordt voorkomen. Bij lozing op oppervlaktewater zal hiervan een melding gedaan moeten worden bij het waters chap.
2.
Grondwaterneutraal bouwen Om grondwateroverlas t te voorkomen advis eert het waters chap om boven de gemiddelde hoogs te grondwaters tand (GHG) te ontwerpen. Dit betekent dat as pecten zoals ontwaterings diepte en infiltratie van hemelwater, bes chouwd worden ten opzichte van de GHG. Het s tructureel onttrekken / draineren van grondwater is geen duurzame oplos s ing en moet worden voorkomen. Het waters chap advis eert de initiatiefnemer dan ook om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heers ende grondwaters tanden en GHG. Eventuele grondwateroverlas t is in eers te ins tantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar.
3.
Schoon houden - s cheiden - s choon maken Om verontreiniging van bodem, grond- en/of oppervlaktewater te voorkomen is het van belang dat het afs tromende hemelwater niet verontreinigd raakt. Dit kan door nadere eis en / randvoorwaarden te s tellen aan bijvoorbeeld de toegepas te (bouw)materialen. Wij vragen de initiatiefnemer om duurzame bouwmaterialen te gebruiken. De gemeente kan u hiermee verder helpen.
Achtergrondinformatie Bij grondwaterneutraal bouwen is het belangrijk om te kijken of de (geplande) ontwikkeling pas t bij de grondwaters tanden in het plangebied. Voor wonen, bedrijven en infras tructuur moet de grond niet te nat zijn en dus de grondwaters tand voldoende diep. Er zal geen grondwateroverlas t zijn als wordt voldaan aan de bij een bepaalde functie behorende ontwaterings diepte. Z o is de gangbare norm voor de ontwaterings diepte voor woningen (met kruipruimte) en s ecundaire wegen 70 cm beneden maaiveld. Wanneer grondwaters tanden s tructureel hoger liggen dan deze 70 cm dan kan wateroverlas t onts taan en kunnen de gebruiks functies worden aangetas t. Om voldoende ontwaterings diepte te bereiken, en toch aan te s luiten bij bes taande grond- en oppervlaktewaterpeilen kan overwogen worden het terrein integraal op te hogen, dan wel om over te gaan op s electief ophogen in combinatie met bijvoorbeeld bouwen zonder kruipruimtes te gebruiken. Waters chap heeft beleid rond drainage vas t gelegd in de Keur, en dan s pecifiek in algemene regel 3.2.54 Brengen van water in oppervlaktewaterlichaam A, B, en C. (https ://www.vallei-veluwe.nl/wat-doet-waters chap/voldoende-water/regels -rondom20-04-2022, 10:38
P agina 6 van 8
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets water/)
20-04-2022, 10:38
P agina 7 van 8
https://dewatertoets.nl
Digitale Watertoets DETAILS 3.
Advies leggerwatergang Het plangebied raakt een leggerwatergang.
Wat moet ik doen? "Wij verzoeken u om uw plan bij ons in te dienen, via de blauwe knop 'DIRECT AANVRAGEN"" in het overzicht op de vorige pagina. Het waters chap zal u dan uitnodigen voor een overleg. In dit overleg bes preken we welke gevolgen de ontwikkeling heeft voor de A- en/of B-watergangen in het plangebied en met welke regels (Keur) rekening gehouden moet worden bij de verdere uitwerking van het plan. U dient uw plan eventueel aan te pas s en zodat het voldoet aan de eis en die het waters chap s telt omtrent A- en B-watergangen. De res ultaten van het overleg dient u op te nemen in de toelichting van het bes temmings plan. LET OP: met het aanvragen van de watertoets gaat u in ges prek met het waters chap over de waters chaps belangen. Dit is geen vergunningenprocedure. Mogelijk moet u nog een watervergunning aanvragen voor uw plan. Daarnaas t zijn er mogelijk nog andere belangen in het gebied (provincie, gemeente). U dient zelf contact op te nemen over de mogelijke gevolgen voor uw plan."
Waar moet ik op letten? In de Keur en de legger van het waters chap is informatie vas tgelegd over de bes taande watergangen. Het is van belang dat uw plan geen negatieve invloed heeft op de aan- en afvoerfunctie van de watergang en de watergang bereikbaar is voor onderhoud. Om A- en B-watergangen te kunnen onderhouden, moet er bijvoorbeeld een vrije ruimte (onderhouds s trook) van minimaal 5 meter aan één of beide kanten (afhankelijk van breedte watergang) van de watergang bes chikbaar zijn. In overleg met het waters chap moet worden bekeken wat in uw s ituatie van belang is en hoe u binnen uw plan om kunt gaan met de aanwezige watergang(en).
Achtergrondinformatie A- en B- watergangen zijn watergangen die belangrijk zijn voor de watertoevoer of afvoer. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het belangrijk dat de functie van deze watergangen en de benodigde ruimte voor onderhouds werkzaamheden bes chermd wordt. Waar de leggerwatergangen zich bevinden en welke eis en eraan gekoppeld zijn kunt u vinden in de legger en de Keur van het waters chap. https ://www.valleiveluwe.nl/wat-doet-waters chap/voldoende-water/regels -rondom-water/
20-04-2022, 10:38
P agina 8 van 8
https://dewatertoets.nl
Quickscan natuurwaardenonderzoek Weteringsteeg 34-34A - Rhenen
Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000
Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Weteringsteeg 34-34A te Rhenen Effectbeoordeling in het kader van de Wet natuurbescherming, Natuurnetwerk Nederland en Natura 2000
Uitgevoerd door: Natuurbank Overijssel Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten BTW-ID: NL001388212B56 E: info@natuurbankoverijssel.nl Tel: 0543-451142 / 0614-435700
Opdrachtgever:
VanWestreenen
Abonnementhouder van de Nationale Databank Flora en Fauna
Projectnummer en versie: 4992 versie 1.0 Ligging plangebied: Weteringsteeg 34-34A te Rhenen Auteur: B. Wagener
Status: definitief Rapportdatum: 06-02-2023 Veldwerk uitgevoerd door: P. Leemreise
De vermelde medewerkers in deze rapportage zijn akkoord met openbaring van zijn of haar persoonsgegevens in het kader van de AVG-privacy wetgeving. 1
Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1
Inleiding .................................................................................................................................... 5
Hoofdstuk 2
Het plangebied ......................................................................................................................... 6
2.1 Situering ................................................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 6 Hoofdstuk 3
Voorgenomen activiteiten........................................................................................................ 8
3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 8 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden ................ 8 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................... 9 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 9 Hoofdstuk 4
Toetsingskaders ...................................................................................................................... 10
4.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 10 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 .................................................................................................. 10 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming ..................................................................................... 10 4.4
Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland ................................................................... 11
4.5 Wet natuurbescherming; Houtopstanden ............................................................................................. 11 Hoofdstuk 5
Gebiedsbescherming .............................................................................................................. 12
5.1 Algemeen ............................................................................................................................................... 12 5.2 Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................................................... 12 5.3 Natura 2000............................................................................................................................................ 13 5.4 Slotconclusie........................................................................................................................................... 15 Hoofdstuk 6
Soortenbescherming .............................................................................................................. 16
6.1 Verwachting en bureauonderzoek ......................................................................................................... 16 6.2 Methode ................................................................................................................................................. 16 6.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 18 6.4 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 20 6.5 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................. 22 6.6 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 22 Hoofdstuk 7
Conclusies ............................................................................................................................... 23
2
SAMENVATTING Er zijn plannen voor de uitbreiding van een melkveehouderij en de herbouw van een bedrijfswoning aan de Weteringsteeg 34-34Ate Rhenen, gemeente Rhenen. De vleesvarkenstak wordt beëindigd. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het plangebied is op 13 december 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde gebieden: Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied.
Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het NNN, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Utrecht. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Andere negatieve effecten op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, worden wél uitgesloten. Resultaten toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten: De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust- of verblijfplaats in het plangebied maar gebruiken het wel als foerageergebied. Het plangebied is geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen.
Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien beplanting wordt gerooid tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Als gevolg van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats van een beschermd grondgebonden zoogdier beschadigd of vernield. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren die een vaste (winter)rust en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘doden’ en `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaats’. Initiatiefnemer dient echter alles in het werk te stellen om het onnodig doden van beschermde dieren te voorkomen. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden, dient gepoogd te worden de dieren weg te jagen of om ze te vangen (om elders los te laten).
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende diersoorten tijdelijk af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: • Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels; 3
• •
Geen beschermde zoogdieren onnodig doden (zorgplicht); Stikstofberekening uitvoeren;
4
HOOFDSTUK 1
INLEIDING Er zijn plannen voor de uitbreiding van een melkveehouderij en de herbouw van een bedrijfswoning aan de Weteringsteeg 34-34Ate Rhenen, gemeente Rhenen. De vleesvarkenstak wordt beëindigd. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura 2000-gebied) en de Omgevingsverordening Utrecht (Natuurnetwerk Nederland).
Doel van deze rapportage: De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende (milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.
5
HOOFDSTUK 2
HET PLANGEBIED
2.1 Situering Het plangebied is gesitueerd aan de Weteringsteeg 34-34A te Rhenen, gemeente Rhenen. Het ligt in het buitengebied, op circa 2,3 kilomter afstand ten noordoosten van de woonkern Rhenen en wordt omgeven door landelijk gebied. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode cirkel aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit bebouwing, gazon, beplanting en erfverharding. De bebouwing in het plangebied bestaat uit een voormalige varkensschuur, een bedrijfswoning, een rundveestal en een jongveestal. De rundveestal die wordt uitgebreid is gebouwd van bakstenen en bedekt met golfplaten. De gevels van de stal zijn bekleed met damwandplaten. De varkensschuur, bedrijfswoning en jongveestal zijn allen gebouwd van bakstenen en bedekt met dakpannen. De jongveestal en de bedrijfswoning beschikken over een (holle) spouwmuur en beschoten kap. De achterzijde van de jongveestal beschikt over houten gevelbekleding. De varkensschuur heeft geen dakbeschot. De beplanting in het plangebied bestaat uit diverse sierplanten rondom de bedrijfswoning (o.a. een klimopstruik). Open water ontbreekt in het plangebied. Het plangebied wordt omgeven door verharde openbare ruimte (Weteringsteeg) en erfverharding. Op onderstaande afbeelding wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor een verbeelding van de huidige situatie wordt verwezen naar de fotobijlage.
6
Begrenzing van het plangebied wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl).
7
HOOFDSTUK 3
VOORGENOMEN ACTIVITEITEN
3.1 Algemeen Het voornemen bestaat een rundveestal op het erf uit te breiden. Om dit mogelijk te maken worden de voormalige varkensschuur, jongveestal en de bedrijfswoning gesloopt. Beplanting rondom de bedrijfswoning wordt gerooid. Vervolgens wordt de bedrijfswoning herbouwd en wordt het plangebied landschappelijk ingepast met beplanting. Op onderstaande afbeeldingen worden een plattegrond en een verbeelding van het wenselijke eindbeeld weergegeven.
Plattegrond van het wenselijke eindbeeld (bron: projectontwikkelaar).
Verbeelding van het wenselijke eindbeeld (bron: projectontwikkelaar).
De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: • Slopen bebouwing; • Rooien beplanting; • Verwijderen erfverharding; • Uitbreiden rundveestal; • Bouwrijp maken bouwplaats; • Bouwen woning; • Aanleggen erfverharding en beplanting;
3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –gebieden De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden: Mogelijke tijdelijke invloeden: 8
•
Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden;
Mogelijke permanente invloeden: • Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; • Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; • Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en bouwwerkzaamheden en het rooien van beplanting. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: Om de effecten van een voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het soms van belang ook buiten het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan bebouwd erf, verharde openbare ruimte en erfverharding. Er is geen aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of waarden buiten het plangebied op een dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties. 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.
9
HOOFDSTUK 4
TOETSINGSKADERS
4.1 Algemeen In dit Hoofdstuk worden de diverse toetsingskaders toegelicht waaraan het initiatief getoetst wordt. 4.2 Wet natuurbescherming; Natura 2000 Het gebiedsbeschermingsdeel van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. 4.3 Wet natuurbescherming; Soortenbescherming In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten.
In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.): • lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; • lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; • lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; • lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.); • lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; • lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; • lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; • lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; • lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: • onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; • onderdeel b.
de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of
10
•
onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wn een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorie soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig.
4.4 Beleid ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Utrecht zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Utrecht.
4.5 Wet natuurbescherming; Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermd het areaal bos in ons land. Houtopstanden die voldoen aan één van onderstaande criteria vallen onder het beschermingsregime van de Wet natuurbescherming. Dit geldt voor bossen, houtwallen, heester- en struikhagen, struwelen en beplanting van bosplantsoen. De opstand moet buiten het erf liggen. - De houtopstand ligt buiten de bebouwde kom houtopstanden en vormt een zelfstandige eenheid groter dan 10 are (1.000m2); - De houtopstand ligt buiten de bebouwde kom houtopstanden en vormt een rijbeplanting van meer dan 20 bomen.
11
HOOFDSTUK 5
GEBIEDSBESCHERMING
5.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteiten op Natura 2000gebied en het Natuurnetwerk Nederland. 5.2 Natuurnetwerk Nederland Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (verder NNN genoemd). De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het NNN, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele NNN. Voor het NNN geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vastgelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan. De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden.
Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het NNN is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het NNN zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde NNN-spelregels gehanteerd: her-begrenzing van het NNN, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Utrecht. Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt op minimaal 560 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren.
Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
12
560 meter afstand tussen het plangebied en de gronden die tot NNN behoren
Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid. Gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren worden met de groene kleur op de kaart aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Beschermingsregime De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Toetsing aan provinciaal beleid Omdat het plangebied buiten het Natuurnetwerk Nederland ligt, hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciaal beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland.
5.3 Natura 2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: • de leefgebieden van vogels; • de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming).
In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief 13
mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied ligt op minimaal 2,25 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is het Binnenveld. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natura 2000gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
2,25 kilometer afstand tussen het plangebied en de gronden die tot Natura 2000 behoren
Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode stip aangeduid. Gronden die tot Natura 2000 behoren worden met de lichtgroene, gele en lichtblauwe kleur aangeduid (bron: pdok.nl).
Effectbeoordeling Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebied. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde. Ook zijn in het Natura 2000-gebied geen negatieve effecten, zoals trillingen waarneembaar. Met uitzondering van het aspect stikstof, kunnen negatieve effecten op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. Beoordeling stikstof (ontwikkelfase) Ten behoeve van de totale ontwikkeling, wordt materieel met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de afvoer van sloopmateriaal, de aanvoer van bouwmateriaal en vervoer van materieel en personeel. Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten, de duur van de ontwikkelfase en toename van stikstofemissie in de ontwikkelfase kan een negatief effect op Natura-2000 gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Beoordeling stikstof (gebruiksfase) Het aantal gehouden rundvee neemt toe ten opzichte van de huidige situatie als gevolg van de uitbreiding van de melkveehouderij.
Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen activiteiten en de kleine afstand tot Natura 2000-gebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden tijdens de gebruiksfase, niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of 14
uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden.
5.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland, hoeft het initiatief niet getoetst te worden aan beleidsregels voor de bescherming van het NNN, omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland geen externe werking kent in Utrecht. Een negatief effect op Natura 2000-gebied, als gevolg van de emissie van stikstofoxiden, kan niet op voorhand uitgesloten worden. Om te onderzoeken of uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebied, dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden. Andere negatieve effecten op Natura 2000-gebied, als gevolg van de voorgenomen activiteiten, worden wél uitgesloten.
15
HOOFDSTUK 6
SOORTENBESCHERMING
6.1 Verwachting en bureauonderzoek Uit de bureaustudie (bronnenonderzoek & NDFF) zijn geen veldbiologische gegevens naar voren gekomen die bruikbaar zijn voor deze studie. Het plangebied bestaat uit bebouwing, erfverharding, gazon en beplanting. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied mogelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen: • vogels; • vleermuizen; • grondgebonden zoogdieren; • amfibieën; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten, haften en kreeftachtigen omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die (soms) moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren, reptielen en voor planten.
6.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 13 december 2022 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50) en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28). Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: • veldbezoek door ervaren ecoloog; • aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); • NDFF; Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. • Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; • Atlas van de zoogdieren van Nederland; • Nieuwe atlas van de Nederlandse flora;
16
Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. Doorgaans hebben vogels geen bezet nest meer gedurende deze tijd van het jaar en zijn alle zomergasten al vertrokken naar de overwinteringsgebieden. In het plangebied is gekeken en geluisterd naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek, maar matig geschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Grondgebonden zoogdieren hebben geen zogende jongen meer in deze tijd van het jaar. Wel benutten veel grondgebonden zoogdieren de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode.
Er is in het plangebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het plangebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is beperkt geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen omdat vleermuizen in deze tijd van het jaar de winterverblijfplaats bezetten. Sommige vleermuissoorten bezetten de winterverblijfplaats op enige afstand (>100km) van de zomerverblijfplaats. Sommige vleermuizen in winterrust zitten diep weggekropen in gebouwen of bomen, maar er zijn ook vleermuizen die open en bloot aan de binnenzijde van gebouwen hangen, zoals op tochtvrije zolders. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen. Het plangebied is bezocht op een moment op de dag dat vleermuizen niet foerageren en geen lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. De mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Amfibieën De onderzoeksperiode is matig geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën en ongeschikt voor onderzoek naar voortplantingswateren.
Amfibieën bezetten de winterrustplaats in deze tijd van het jaar en zitten dan weggekropen in de sliblaag van open water of diep weggekropen in holen en gaten in de grond, of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.
17
6.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en vermoedelijk nestelen er jaarlijks vogels in het plangebied. Vogels kunnen een nestlocatie bezetten in beplanting rondom de te slopen bedrijfswoning. De te slopen gebouwen zijn niet toegankelijk voor vogels. Vogelsoorten die mogelijk in de beplanting nestelen zijn vink, tjiftjaf, roodborst, merel, heggenmus en zanglijster. Er zijn tijdens het bezoek geen huismussen in het plangebied aangetroffen en er zijn geen geschikte nestlocaties voor deze soort aanwezig in het plangebied. Alleen de bedrijfswoning beschikt over een dakgoot maar er is geen ruimte onder de eerste rij dakpannen aangetroffen die huismussen de kans biedt een nestlocatie te bezetten. Er zijn geen oude of potentiële nesten van roofvogels of uilen in of rondom het plangebied waargenomen. Deze nesten zijn doorgaans gemakkelijk te vinden aan de hand van schijtsporen en braakballen.
Aan de achterzijde van de te slopen jongveestal zijn twee oude nesten van huiszwaluwen aangetroffen maar deze zijn reeds enkele jaren niet meer in gebruik. Er zijn geen sporen van boerenzwaluwen aangetroffen aan de te slopen bebouwing of in de uit te breiden rundveestal. Door het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode, wordt mogelijk een vogel gedood en een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels neemt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten tijdelijk af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Rooien beplanting tijdens voortplantingsperiode; - Rooien beplanting; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als huisspitsmuis, egel en steenmarter. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten huisspitsmuizen er ook een vaste rust- en voortplantingsplaats. Deze soorten kunnen een rust- en voortplantingsplaats bezetten in holen en gaten in de grond en tussen opgeslagen goederen.
Een geschikte plek voor steenmarter om een vaste rustof voortplantingsplaats, zoals een holle ruimte onder het dakvlak van de bebouwing, te bezetten, ontbreekt in het plangebied. Tevens zijn er geen sporen, zoals prooiresten of uitwerpselen aangetroffen in de bebouwing. Er zijn geen geschikte vaste rust- en voortplantingslocaties voor egels aangetroffen op het erf. Door het uitvoeren van grondverzet wordt mogelijk een grondgebonden zoogdieren gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats beschadigd en vernield. De betekenis van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren neemt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten tijdelijk af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Uitvoeren grondverzet; - Verwijderen opgeslagen goederen; Vleermuizen • Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rust- of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten. Er zijn in het plangebied geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen. De bedrijfswoning en de jongveestal beschikken 18
weliswaar over een (holle) spouwmuur maar er zijn geen openingen, zoals open stootvoegen, in de gevels aangetroffen die vleermuizen een mogelijkheid bieden om een verblijfplaats te bezetten. Ook zijn er geen holle ruimtes achter gevelbetimmering aangetroffen. Verder zijn er geen andere potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aangetroffen, zoals een holle ruimte achter een boeiboord, windveer, loodslab, vensterluik of zonnewering. De dakranden sluiten naadloos aan op de gevels. Er zijn ventilatieopeningen aangetroffen aan de gevels maar deze zitten laag bij de grond (op circa 20 cm hoogte). De bebouwing is niet toegankelijk voor vleermuizen. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood en wordt geen vaste rust- of voortplantingsplaats verstoord, beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; • Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende vleermuissoorten rond de bebouwing en beplanting in het plangebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd.
Door het rooien van beplanting neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen tijdelijk af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen bebouwing; - Rooien beplanting; • Vliegroute Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als functioneel leefgebied voor sommige algemene en weinig kritische amfibieënsoorten als gewone pad, bruine kikker en kleine watersalamander beschouwd. Voorgenoemde soorten benutten de buitenruimte vermoedelijk als foerageergebied maar bezetten er geen (winter)rustplaats. De bebouwing is niet toegankelijk voor amfibieën.