Bijlage 1 Toelichting en verantwoording CHWK Rhenen
Tekst van het document
Rijksdienst voor de monumentenzorg, Huis Doorn te Doorn – Bijdragen tot het bronnenonderzoek naar de ontwikkeling van Nederlandse historische tuinen, parken en buitenplaatsen nr. 13, Zeist, 1983. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, De Groep en omgeving, Toonbeeld van de wederopbouw, 2016. Rombout, Sander, Mariska de Boer, Tuinhistorisch onderzoek Hydepark, Copijn Tuin- en Landschapsarchitecten, 20 november 2013. SB4 en Arcx, Inventarisatie van Historische Vaarwegen in de provincie Utrecht, 22 november 2017. SB4, Inventarisatie van Historische Landwegen in de provincie Utrecht, 21 augustus 2018. SB4, Provincie Utrecht, Cultuurhistorische visie voor Heel de Heuvelrug in Utrecht en Noord-Holland, Wageningen, 2009. SB4, Toelichting Buitenplaatsbiotopen Utrecht: Vecht, Stichtse Lustwarande, Langbroekerwetering, 30 september 2013. Somsen, Erik, Cultuurhistorische waarden Maarn-Maarsbergen, Cultuurhistorische commissie MaarnMaarsbergen, 2005. Stichting Kleine geschiedenis van de heuvelrug, Ode aan Driebergen Rijsenburg, december 2005. 23
Stichting tot behoud van Particuliere Historische Buitenplaatsen, Concept-Beheerplan Sandenburg, Elburg, 1993. Utrechtse Stichting voor het Industrieel Erfgoed, Lijst industrieel erfgoed per gemeente, Utrechtse Heuvelrug, juli 2016. Willigen, Michiel van, Inventarisatiekaart militaire relikten / oorlogserfgoed Gemeente Utrechtse Heuvelrug, 21-02-2018. www.heuvelrugopdekaart.nl http://www.mmnatuurlijk.nl/ http://www.historischeverenigingleersum.nl https://historischleersum.nl/
24
Bijlage 1 Samenstelling projectgroep R. Pot Provincie Utrecht M. Jansen Gemeente Renswoude J. van Maanen Gemeente Rhenen M. Wiegertjes Gemeente Rhenen A. de Geest Gemeente Utrechtse Heuvelrug A. van Rooij Gemeente Utrechtse Heuvelrug M. Valé Gemeente Woudenberg E. Anker Gemeente Woudenberg E. Blok SB4 K. van Dam SB4 P. Boer ARCX J. Vromen ARCX H. Vervoort Nieuwland Geo-informatie E. Zanstra Nieuwland Geo-informatie B. Rietberg O-gen J. Voordendag O-gen J. Overweg O-gen J. Floor O-gen Samenstelling klankbordgroep P. van Deelen MooiSticht P. Vesters Stichting Het Utrechts Landschap B. van Donselaar Land en Tuinbouworganisatie (LTO) M. Visser Steunpunt Archeologie en Monumenten Utrecht (STAMU) G. de Kruif Platform Utrechts Agrarisch Cultuurlandschap J. Lagerweij Stichting Grebbelinie in het Vizier C. Keuning Stichting Grebbelinie E. Wolleswinkel Historische Ver. Oud-Renswoude N. Willigenburg Monumentencom. Renswoude D. Vroon / K. van Lambalgen / F. Warnaar Vereniging Maarn-Maarsbergen Natuurlijk P. Schilperoord Vereniging Tussen Heuvelrug en Wetering H. Pagnier Stichting Driebergen-Rijssenburg Vroeger en nu. M. Woldring Stadsmuseum Rhenen W.H. Strous Historische Ver.Oudheidkamer Rhenen H. Brons Stichting Slag om de Grebbeberg B. Corniele Stichting De Greb M. Boosten / T. Maas Monumentencom. Rhenen J. de Kruijf Historische Ver. Woudenberg
25
Bijlage 2: Verhaallijnen voor Renswoude, Rhenen, Utrechtse Heuvelrug en Woudenberg Om de cultuurhistorische karakteristieken en kenmerken van de vier gemeenten te illustreren zijn vijf verhaallijnen opgesteld. Deze zijn gebaseerd op de geïnventariseerde en gewaarde zaken en helpen om overzicht en focus te brengen in de grote hoeveelheid aan gegevens. Tevens zijn zij van waarde als basis voor gebiedsspecifiek beleid of toeristische informatie. 1. Ontgonnen land Het cultuurlandschap betreft de ‘in cultuur gebrachte’ gronden, welke zijn ingericht voor een agrarisch of bosbouwkundig gebruik. Deze gebieden hebben een relatief lange historie en verschillen onderling in dynamiek: sommige landschappen zijn in de afgelopen eeuwen sterk veranderd, terwijl andere een blik in het verre verleden bieden. Bepalend voor de vier gemeenten is de stuwwal, ontstaan in de ijstijden: de Utrechtse Heuvelrug maar ook de Emmikhuizerberg. Ten noorden van de Heuvelrug ligt de Gelderse Vallei, waarin van oudsher water stagneerde zodat veen werd gevormd en beken slingerend een weg zochten naar het noordwesten. Kleine kasteelnederzettingen en verspreide boerderijen werden strategisch op de hogere terreinen of aan kruispunt van doorgaande wegen gevestigd. Een kleinschalig landschap met door beplante wallen omgeven akkers en velden was het gevolg.
De veengronden werden meer planmatig ontgonnen met een verkaveling in stroken, zoals bijvoorbeeld te vinden rondom Woudenberg. Dikke veenkussens werden in de 16e eeuw grootschalig afgegraven om turf te winnen en daarna verdeeld in kilometers lange perceelstroken, zoals bij Overberg en De Groep en tussen Achterberg en Veenendaal. Ten zuiden van de Utrechtse Heuvelrug was de Rijn van invloed, die in 1122 bij Wijk bij Duurstede werd afgedamd. Hierna kwam het Kromme Rijngebied tot ontwikkeling met onder meer de copeontginningen en ridderhofsteden van Langbroek. In de middeleeuwen lagen nederzettingen op de flanken, als gunstig gelegen overgang tussen de hogere en lagere gronden. Het landbouwsysteem bestond toen uit bouwlanden onder aan de flank (engen), gemeenschappelijke weidegronden (meenten) en hooilanden (maten) op de lagere en nattere delen en hakhoutcultuur op de hogere delen. De agrarische erven vormden een schakel tussen de verschillende terreinen, met de schaapskooi op het erf, of als vooruit geschoven post op de rand van de heide, om de schapenmest voor op de akkers te verzamelen. Vee- of schaapsdriften verbonden de boerderijen met de heidevelden of andere beweidingsgronden. Om erosie op de steilere hellingen tegen te gaan werden terrassen met houtwallen aangelegd. Zeldzame voorbeelden van deze terrasranden (graften) zijn nog te vinden bij Rhenen.
De heuvelrugflanken bleken geschikt voor de teelt van tabak, een cultuur die rondom Amerongen, Elst en Rhenen tot grote bloei kwam en onder andere de karakteristieke houten schuren heeft nagelaten. Met een toename van de bevolking na 1000 veranderde de Heuvelrug ingrijpend, niet alleen aan de voet van de stuwwal, maar op ook de hogere delen. Begrazing door schapen en houtkap veroorzaakten uitgebreide zandverstuivingen. De Heuvelrug was begin 18de eeuw veranderd in een nagenoeg kale heidevlakte met hier en daar een overgebleven plukje hakhoutbos. Na de verdeling van de gemeenschappelijke heidegronden in de 19e eeuw nam de bebossing van de Heuvelrug een vlucht. In veel gevallen waren de eigenaren van de buitenhuizen hiervoor verantwoordelijk, zoals bij Den Treek-Henschoten, Sparrendaal, Schoonoord, Amerongen en Remmerstein. Na 1880 volgde ook bebossing van rijkswege (Staatsbosbeheer), onder andere ten behoeve van de opkomende mijnbouw. Deze nieuwe productiebossen bestonden vooral uit naaldhout waarbij een netwerk van rechte ontsluitingswegen en paden werd uitgezet. Een groot deel van de bebossing van de Heuvelrug vond na 1900 plaats.
26
Zowel in de Gelderse Vallei als langs de Rijn werd het water uiteindelijk bedwongen door dijken: de Grebbedijk, de Lekdijk en de Slaperdijk. Tegelijk ontstond een heel eigen landschap: de uiterwaarden. Het Valleikanaal bood vanaf de 20e eeuw een belangrijke oplossing voor de afvoer van water. Tegelijk speelden landbouwkundige verbeteringen, zoals de ruilverkaveling bij Achterberg en Veenendaal, waarmee de bruikbaarheid en ontsluiting van het gebied werd vergroot. 2. Strijd en strategie Door haar ligging aan de belangrijke Rijn is de Grebbeberg één van de oudste strategische punten op de Heuvelrug. De aanleg van de walburg dateert uit het eind van de 7e eeuw en diende vermoedelijk om de handelsroute over de Rijn en de landroute over de noordelijke Rijnoever te beheersen. De Grebbeberg ligt tevens nabij de grens tussen Sticht en Gelre. In de middeleeuwen moest de Utrechtse bisschop zich teweer stellen tegen Holland aan de ene kant en Gelre aan de andere kant van het Sticht. Op strategische plaatsen liet hij weerbare kastelen bouwen, zoals Ter Horst bij Achterberg (ca. 1163). Met het verlenen van stadsrechten kregen de steden toestemming om muren en poorten op te richten. Rhenen (1346) kreeg zo ommuring, grachten en de kenmerkende ovale vorm.
Een andere belangrijke route die bescherming behoefde was over Woudenberg, zodat daar aan het eind van de 16e eeuw een schans werd opgeworpen. Het succes van de (oude) Hollandse waterlinie en oorlogsdreiging in het begin van de 18e eeuw zorgden ervoor dat in 1744 werd gestart met werkzaamheden voor de Grebbelinie. Deze linie zou bestaan uit een reeks van verdedigingswerken op hogere plaatsen en inundatiekommen daartussen. Deze inundatiekommen waren nodig om het hoogteverschil tussen Rijn en Zuiderzee te overbruggen, en bestonden uit een kade langs de Grift met dwarskades haaks daarop. Om de toegangen door de waterlinies te beperken had het ministerie van Oorlog een dikke vinger in de pap bij de aanleg van nieuwe infrastructuur. Zo werd de spoorlijn tussen Utrecht en Arnhem niet onderlangs de Heuvelrug geleid, maar dwars er door heen, via Maarn en de Emminkhuizerberg, over het dan al bestaande Fort aan de Buursteeg. Ook de spoorlijn tussen Amersfoort en Rhenen diende ten westen van de Grebbelinie te blijven. Op de vooravond van de Tweede Wereldoorlog besloot generaal Winkelman de voorkeur te geven aan de Grebbelinie boven de Nieuwe Hollandse Waterlinie als hoofdweerstandslijn in de nationale verdediging.
De Grebbelinie lag wat betreft terreinpositie gunstiger, waarbij de flank van de Heuvelrug geschikter was voor de legering van manschappen en de aanleg van stellingen en geschutsposities. Deze tactische ommezwaai op basis van de geomorfologische situatie had grote gevolgen voor de voorbereiding, waarna met spoed vele veldstellingen en betonnen werken werden aangelegd. Dit leidde tot intensieve gevechtshandelingen in de meidagen van 1940 en de Grebbelinie als ‘omgebouwde barrière’ (Pantherstellung) waar de geallieerde strijdkrachten in 1945 tegenaan liepen. Hierdoor kenmerkt de zone zich - naast de restanten van deze verdedigingswerken - door relatief veel gebouwen uit de periode 1940-1955 (wederopbouw), zoals het centrum van Rhenen en boerderijen. De militaire activiteit heeft ook haar weerslag op het gebied gehad doordat de woeste zandgronden geschikt en beschikbaar waren als oefenterrein, zoals het Leersumse Veld en Hoog Moersbergen. Een specifiek relict uit de periode van de Koude Oorlog is het Mobilisatie-complex bij Elst, waar ten tijde een eventuele oorlog de opgeroepen reservisten (oud-dienstplichtigen) materieel en munitie zouden kunnen komen ophalen. Belangrijke (deels) militaire gebeurtenissen zijn tastbaar gemaakt door de plaatsing van herdenkingsmonumenten, waarbij het ereveld op de Grebbeberg het meest prominent is.
27
3. Wonen en werken Het ontstaan van nederzettingen is meestal sterk verbonden aan de agrarische ontwikkeling en de aanwezigheid van handelsverkeer. Enkele bijzonderheden zijn noemenswaardig. Zo heeft (slechts) één nederzetting stadsrechten gekregen: Rhenen in het jaar 1258. Hier prijkt dan ook de meest prominente kerktoren van de regio, gerelateerd aan de Cuneralegende met Rhenen als ooit belangrijk bedevaartsoord. Eén van de vroege kerken bevond zich in Doorn, waar kerkenpaden vanuit omliggende dorpen als Langbroek, Leersum, Driebergen, Maarn en Woudenberg naartoe leidden. Bij veel dorpen was een aanzienlijk huis of kasteel aanwezig waar de adel zetelde, zoals Geerestein (lang afzonderlijk van Woudenberg), Amerongen en Renswoude. De dorpskern van Renswoude is in de 17e eeuw doelbewust gecreëerd als nederzetting bij het kasteel. Rijsenburg is als buurnederzetting van Driebergen opgekomen in de Franse Tijd, toen Petrus van Oosthuyse in 18051806 de buitenplaats Sparrendaal en heerlijkheid Rijsenburg kocht en een kern met kerk, woningen en werkplaatsen liet bouwen. Maarn, Maarsbergen en Overberg zijn relatief recent ontstaan als concentraties van bebouwing, vanuit de oorspronkelijk verspreid gelegen boerderijen en vanuit de abdij - en latere buitenplaats - bij Maarsbergen, alsmede door de komst van het spoor.
De kernen van de nederzettingen waren tot in de 19e eeuw relatief klein en bestonden soms uit slechts enkele huizen, verspreid gelegen zoals thans nog herkenbaar in Darthuizen of als lintbebouwing zoals herkenbaar in Woudenberg, in Renswoude, langs de Cuneraweg en in Elst. Kerk met pastorie en (voormalige) kerkhof, gemeentehuis en aanverwante functies als brandweerkazernes en scholen, en bedrijvigheid met winkels en horeca kenmerken de compacte dorpscentra. Hoewel dorpsbebouwing zoals gebruikelijk varieert tussen arbeiderscomplex en villa, voert de reguliere woning (middenstandswoning, twee-onder-één-kap) de boventoon. Begraafplaatsen zijn vanaf de 19e eeuw buiten de bebouwde kom geplaatst op veelal grote en bosrijke terreinen. De zandgronden dienden van oudsher voor zandwinning. Dit heeft zowel kleinschalig en plaatselijk als zeer grootschalig plaatsgevonden, soms met grote impact op het landschap, zoals bij Maarn, Rhenen en Kwintelooyen. Kleiwinning in de uiterwaarden en veenwinning in de Gelderse Vallei heeft daarentegen minder herkenbare sporen nagelaten.
4. Naar buiten! Terwijl de Heuvelrug voor landbouw weinig geschikt was, werd plaatselijk en geleidelijk steeds intensiever gebruik gemaakt van dit terrein. Voor de Utrechtse bisschoppen en de Hollandse graven was de Heuvelrug een rijk jachtgebied. De bisschop had zijn jachtgebied langs de weg tussen Zeist en Rhenen. Een opvallend overblijfsel van vroegere jachtpartijen is de Koningstafel op de Grebbeberg. De in 1629 naar Rhenen verbannen koning Frederik V van Bohemen benutte hier het uitzicht als rustpunt tijdens zijn jachtpartijen en liet voor de jagers een stenen tafel plaatsen. Later zouden ook vanuit de buitenplaatsen (jacht)bossen worden aangelegd, zoals bij Zuylestein, Amerongen en Remmerstein. Meest aansprekend zijn de sterrenbossen, waar vanuit het middelpunt het overstekende wild op de korrel genomen kon worden. Tevens waren het uitzichtpunten: het sterrenbos van Sparrendaal werd de ‘Zestien gezichten’ genoemd en vanuit de Manege bij Amerongen kon op de Dom in Utrecht en de kerk van Veenendaal worden gekeken. Eind 18de eeuw kwam onder invloed van de verlichting en de romantiek een ethisch-morele omschakeling in de natuurbeleving: de wildernis behoefde niet meer te worden getemd, maar was een bron van schoonheid en inspiratie. Met allerlei middelen werd bij de nieuwe buitenplaatsen een geïdealiseerde natuur gemaakt.
Resultaat was een gekunstelde natuur van welvende gazons met 28
boomgroepen en kunstmatige heuvels, vijvers als slingerende beken en verrassende doorzichten op follies die associaties moesten oproepen met voorbije perioden en verre landen. Straatwegen (1818) en spoor (1843) zorgden voor een betere ontsluiting van de landgoederen en de aantrekking van een nieuwe golf aan particulieren die een buitenplaats stichtten op de overgang van de Heuvelrug. Begin 20ste eeuw volgden enige buitenplaatsen hoger op de Heuvelrug, zoals De Ruiterberg en Huis te Maarn. Aan het eind van de 19e eeuw werden zandgronden populair om te wonen, te recreëren of te worden verzorgd. De gezonde uitwerking van de zandgrond weet men aan de frisse lucht van de bosrijke natuur en aan de beschikbaarheid van helder drinkwater. De bereikbaarheid via diligence, trein of tram bepaalde in zekere zin waar de stedeling neerstreek. De villaparken in Driebergen en Doorn werden ontsloten via de tram. Na 1920 lokten particuliere ondernemers en steeds meer gemeenten de stedeling met het gezonde buitenwonen. In de Lustwarande werden buitenplaatsen verkaveld tot dichter bebouwde middenstandswijken. De eerste villa’s, maar ook de hotels en pensions voor de toeristen, werden veelal gebouwd in de Zwitserse chaletstijl, die geassocieerd werd met gezondheid en vakantie.
Al vanaf het laatste kwart van de 18de eeuw raakte de Heuvelrug in trek bij wandelaars en reizigers vanwege de ‘fraaije en aangename verschietgezigten’. In 1804 was er al sprake van ‘massatoerisme’ tijdens de grote legermanoeuvres rond de opening van de Pyramide van Austerlitz. Overigens zou in de 19e eeuw de schietsport leiden tot aanleg van meerdere particuliere schietbanen, zoals bij de Pyramide en in Driebergen. Vanaf 1880 werd de Heuvelrug bij de stedeling populair voor dagjes uit of een korte vakantie. Steeds weer ging het om de combinatie van gezonde lucht en fraaie vergezichten die in de vele reisgidsen werd aangeprezen. In 1887 werd voor het eerst een ‘uitje’ georganiseerd voor Amsterdamse kinderen naar de Pyramide van Austerlitz. Na 1900 wonnen fiets- en wandelroutes aan populariteit. Naast de vele pensions, hotels en pannenkoekenrestaurants verrezen overal vakantiekolonies, jeugdherbergen en kampeerterreinen. Sport werd geassocieerd met lichamelijke gezondheid, en leidde tot de aanleg van bosbaden (Doorn, Leersum, Rhenen) en een skibaan bij Leersum, waar in de jaren 30 en 40 van de 20e eeuw het NK skiën werd georganiseerd. Vanaf de jaren 1920 kregen attracties aanvullingen met dierentuinen (Ouwehands in Rhenen) en hertenkampen (Driebergen).
Vanaf de jaren 1950 werden de voorzieningen grootschaliger en ontstonden recreatieterreinen, veelal in voormalige zandafgravingen (Doornse Gat, Henschotermeer). Door toenemend eigen autobezit kwamen ook bungalowparken tot ontwikkeling (Leersum, Rhenen). In een enkel geval is een zandafgraving recent omgevormd tot natuur- en recreatiegebied, zoals Kwintelooijen. Typisch des Heuvelrugs zijn de vele zorginstellingen die vanaf eind 19de eeuw als aparte werelden in of nabij de bossen verrezen. In Doorn verrezen enkele sanatoria, in Woudenberg De Heijgraeff en in Rhenen kwam in 1927 op Heimerstein een jeugdinstelling. Ook goed verstopt en vooral afgesloten van de buitenwereld waren de instellingen waar gedwongen opname de regel was, zoals de opvoedingsinrichtingen (Valkenheide, Overberg). Van meer recente datum zijn blindeninstituut Bartimeus en de militaire zorginstelling Aardenburg in Doorn.
5. Van A naar B Doordat de vier gemeenten van de Cultuurhistorische Waardenkaart merendeels binnen de hogere gronden liggen, spelen waterwegen een beperkte rol. Wel ligt op de zuidgrens de - historisch gezien belangrijkste waterweg van het land: de Rijn. Nederzettingen als Rhenen en Elst zijn met veren, tollen, kades en steenfabrieken altijd in meer of mindere mate verbonden geweest met deze rivier. 29
In de Gelderse Vallei waren de natuurlijke beken slecht bevaarbaar. Door het verbeteren en graven van ‘griften’ (Bisschop Davidsgrift, Schoonebekergrift) werden de veengebieden onder Veenendaal bereikbaar en kon het turf over het water worden afgevoerd. Van de oude wegen over land is de ‘Via Regia’ of koningsweg tussen Utrecht en Rhenen (en verder naar Arnhem en Keulen) het meest van belang. Deze handelsweg passeerde de dorpen op de flank van de Heuvelrug en diverse gelegenheden openden hierlangs hun deuren (uitspanningen, herbergen). Vanuit de verschillende begaanbaarheid per seizoen ontstond een dubbelweg: een hoger gelegen weg voor het koude, natte seizoen (Oude Arnhemse Bovenweg) en een lager gelegen weg voor het warme, droge seizoen (Rijksstraatweg). Andere doorgaande routes liepen door Woudenberg en Renswoude (Amsterdam-Arnhem) en door Doorn (Amersfoort-Wijk bij Duurstede). Mede door de verschillende buitenplaatsen en landgoederen zijn veel wegen beplant als laan, waarvan Broekhuizerlaan, Geeresteinselaan, Sterkenburgerlaan en Rijsenburgerlaan de bekendste zijn. De industriële revolutie in de 19e eeuw bracht de regio spoorlijnen: het spoor Utrecht-Arnhem over Driebergen, Maarn en Maarsbergen en het spoor Amersfoort - Kesteren over Woudenberg en Rhenen. Na de verwoesting van de spoorbrug over de Rijn is Rhenen het eindstation geworden.
Het uit gebruik genomen tracé in Woudenberg is nog herkenbaar aan het verhoogde talud, de wachterswoningen en de locatie van het bedrijventerrein in het voormalige stationsgebied. Hoewel het grote rangeerterrein bij Maarn vrijwel verdwenen is, herinneren de woningen van het spoorwegpersoneel aan de Bergweg er nog aan. Ook de tramlijnen hebben hun sporen nagelaten, zoals het lijntje over landgoed Sandenburg naar Wijk bij Duurstede. SB4, 2019 Verder lezen • • • • • • • • • • • • • •
Blijdenstijn, R., Tastbare Tijd 2.0, Cultuurhistorische atlas van de provincie Utrecht, Provincie Utrecht, 2015. Deys, H., F. Vogelzang, Rhenen: geschiedenis en architectuur, Uitgeverij Kerckebosch bv / SPOU, Zeist/Utrecht, 2010. Gaasbeek, F., S. van Ginkel-Meester, Driebergen-Rijsenburg – Geschiedenis en architectuur, Uitgeverij Kerckebosch BV Zeist, Monumenten-inventarisatie Provincie Utrecht, 1996. Groningen, C.L. van, De Utrechtse Heuvelrug, De Stichtse Lustwarande – Buitens in het groen, Waanders Uitgevers, Zwolle, 1999. Groningen, C.L. van, De Utrechtse Heuvelrug, De Stichtse Lustwarande – Dorpen en landelijk gebied, Waanders Uitgevers, Zwolle, 1999. Lägers, H. en K. Veenland-Heineman, Maarn - Geschiedenis en architectuur, Monumenteninventarisatie provincie Utrecht, Uitgeverij Kerckebosch B.V., Zeist en SPOU, Utrecht, 2003. Lägers, H.L.F., M. Prins-Schimmel, E. Stades-Vischer, Leersum – Geschiedenis en architectuur, Uitgeverij Kerckebosch BV Zeist, Monumenten-inventarisatie Provincie Utrecht, 2000. Laman, M., F. Gaasbeek, Doorn – Geschiedenis en architectuur, Uitgeverij Kerckebosch BV Zeist, Monumenteninventarisatie Provincie Utrecht, 1995. Olde Meierink, B., et al., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, Uitgeverij Matrijs/Stichting Utrechtse Kastelen, Utrecht, 1995.
Provincie Utrecht en SB4, Cultuurhistorische visie voor Heel de Heuvelrug in Utrecht en Noord-Holland, Wageningen, 2009. Rietberg, Bert, De Grebbelinie, een cultuurhistorische gids, Uitgeverij Matrijs, 2007. Roland Blijdenstijn, Kees Volkers, Over historische wegen, varen, rijden en sporen door de provincie Utrecht, 2018. Stades-Vischer, M.E., K. Veenland-Heineman, Woudenberg – Geschiedenis en architectuur, Uitgeverij Kerckebosch BV Zeist / SPOU Utrecht, Monumenten-inventarisatie Provincie Utrecht, 1999. Wolleswinkel, Egbert, Karen Veenland-Heineman, Renswoude - Geschiedenis en Architectuur, Uitgeverij Kerckebosch BV Zeist / SPOU Utrecht, Monumenten-inventarisatie Provincie Utrecht, 1998.
30
Colofon SB4 Costerweg 1-K 6702 AA Wageningen T: 0317 42 41 67 I: www.sb4.nl Contactpersonen: Eric Blok, Kees van Dam Arcx Bergstraat 41 6981 DB Doesburg T: 0313 650 190 I: www.arcx.nl Contactpersonen: Peter Boer, Jacco Vromen Nieuwland Geo-informatie Postbus 522 6700 AM Wageningen T: 0317 42 17 11 I: www.nieuwlandgeo.nl Contactpersonen: Edwin Eijpe, Hugo Vervoort, Eiso Zanstra
Wageningen, 3 september 2019
31