Bijlage 1 Toelichting en verantwoording CHWK Rhenen
Tekst van het document
Cultuurhistorische waardenkaart
Gemeenten Renswoude, Rhenen, Woudenberg en Utrechtse Heuvelrug Projecttoelichting, verslag en verantwoording
1
1. Projectopdracht Doelstelling en opgave Sinds 2012 zijn gemeenten in het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro artikel 3.6.1 lid 2) verplicht om cultuurhistorie expliciet mee te wegen in ruimtelijke plannen. Ook in het licht van de nieuwe Erfgoedwet (1 juli 2016) en de op handen zijnde Omgevingswet komt het erfgoed (waaronder gebouwde rijksmonumenten) meer onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten te vallen. Gemeenten werken ieder voor zich aan het vormgeven van deze taak, waarbij een Cultuurhistorische Waardenkaart een geëigend middel biedt om inzichtelijk te maken welke waarden zich waar bevinden. De provincie Utrecht ondersteunt gemeenten hierbij met kennis en middelen.1 De gemeenten Rhenen, Renswoude, Woudenberg en Utrechtse Heuvelrug hebben deze opgave gezamenlijk opgepakt. Gebiedscoöperatie O-gen is de coördinerende leiding over het proces gegeven. De inhoudelijke opdracht voor het opstellen van de Cultuurhistorische Waardenkaart is als coproductie verstrekt aan SB4, Arcx en Nieuwland. Een Cultuurhistorische Waardenkaart is op de eerste plaats een kaart. Deze kaart biedt een overzicht van relevante ruimtelijke historische zaken, zowel beschermde monumenten als onbeschermde cultuurhistorische waarden. Dit kan gaan om gebouwen, lanen, wallen, wegen en waterlopen, terreinen of gebieden.
De historische achtergrond moet gestaafd kunnen worden aan verifieerbare gegevens, gebaseerd op historisch onderzoek, en niet zomaar worden opgetekend. De cultuurhistorische waardenkaart kan geen volledig overzicht van de gemeentelijke geschiedenis geven, omdat ook niet-ruimtelijke, verhalende historie daar onderdeel van is. Zoals de naam het al zegt, het betreft ook een waardenkaart. Dat houdt in dat de opgenomen objecten zijn gewogen en gewaardeerd om prioriteiten te kunnen stellen. Niet alles is even bijzonder of historisch waardevol. Sommige zaken hebben voor één persoon betekenis, andere voor de lokale gemeenschap en enkele voor de regio of het land. Deze schifting is van belang als basis voor gemeentelijk erfgoedbeleid: om aan te duiden waar het gemeentebestuur zich voor zou moeten inzetten. Tegelijk kan de betekenis van objecten wijzigen in de tijd, bijvoorbeeld omdat uit nieuw onderzoek blijk dat iets een bijzondere geschiedenis kent of een zeldzaam verschijnsel is. Mede daarom zal de kaart aanleiding geven tot gesprek. Technisch gezien omvat de Cultuurhistorische Waardenkaart het bijeenbrengen van actuele kennis in een digitaal geografisch bestand (Geografisch Informatiebestand, GIS). Wat betreft structuur en systematiek is dit afgestemd op het provinciale GIS-bestand, het CHAT.
Bestaande digitale informatie van rijk, provincie en gemeenten is hierin overgenomen, en indien nodig geactualiseerd en gecontroleerd. Juridische status De cultuurhistorische waardenkaart dient als informatiebron en schept zelf geen juridische voorwaarden. Het is nadrukkelijk wel de bedoeling dat relevante informatie van de cultuurhistorische waardenkaart wordt doorvertaald in andere instrumenten (zoals bestemmings- of omgevingsplannen, welstandsnota, bomenverordening, structuur- of omgevingsvisies e.d.), die wel een juridische status kennen en daarvoor een eigen planologische procedure kennen. Op deze wijze heeft de kaart een taak in de borging van cultureel erfgoed en geeft de gemeente invulling aan haar wettelijke verantwoordelijkheid voor het verankeren van cultuurhistorie in het gemeentelijke beleid, zoals het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) voorschrijft. Daarnaast wordt het gemeentelijk erfgoed in
1
Offerteverzoek CHWK Utrecht Oost, 5 december 2017.
2
kaart vastgelegd, dat ook voor een breder publiek (inwoners, onderzoekers, plannenmakers, recreanten) toegankelijk kan zijn. Uitgangspunten Voor het opstellen van de cultuurhistorische waardenkaart zijn vooraf duidelijke kaders geschetst, mede ingegeven door de beoogde diepgang van de inventarisatie en de kaart. Mede gezien de grote hoeveelheid beschikbare gegevens is gevraagd zo efficiënt mogelijk om te gaan met beschikbare bronnen en het veldwerk beperkt te houden en de rapportage beknopt. Over de hele linie is een evenwichtig product beoogd, dat een degelijke basis legt en een kapstok biedt om in de toekomst gegevens te actualiseren en verdiepend onderzoek aan toe te voegen. Als leeftijdgrens is “vóór 1966 tot stand gekomen” gehanteerd. Dit jaartal is tot voor kort gehanteerd door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed als begrenzing voor de zogenaamde ‘Wederopbouwperiode’.2 Dit houdt in dat ook de periode 1940-1965 deel uitmaakte van de inventarisatie, waarbij objecten uit deze periode vaak niet eerder zijn geïnventariseerd en momenteel geen status kennen. Verdere uitgangspunten: • Peildatum: 1 januari 2019. Wijzigingen na deze datum, zoals sloop van panden, zijn niet verwerkt op de kaart. • Archeologie maakt geen deel uit van deze kaart.
Hoewel archeologie onderdeel is van de cultuurhistorie, vormt het een eigen onderzoeksveld dat al is vastgelegd in archeologische waardenkaarten. • De opdracht betreft het gehele grondgebied van de vier gemeenten.
2
Het jaartal 1966 houdt tevens verband met een zekere afstand in de tijd, zodat er historische reflectie heeft kunnen ontstaan. Deze 50-jarengrens is ondertussen in het rijksmonumentenbeleid (MoMo) losgelaten.
3
2. Werkwijze In de inhoudelijke werkzaamheden voor de totstandkoming van de kaart zijn enkele stappen te onderscheiden: bronnenanalyse, bureau-inventarisatie en veldverkenning. Bronnenanalyse Uit de cultuurhistorische atlas (CHAT) van de provincie Utrecht is in principe alle informatie overgenomen. Enkele meer (te) grove en grote vlakken zijn echter niet overgenomen, waaronder ‘verkaveling’, ‘nederzetting’ en ‘boerderijlint’. Van de thematische verkenningen in het CHAT is uitgegaan dat deze correct zijn: militair erfgoed (Grebbelinie, Koude Oorlog, oorlogsmonumenten), buitenplaatsen (buitenplaatsbiotoop), infrastructuur (provinciale wegen, spoorwegen, vaarwegen, historische landwegen) en watermanagement (kades, dijken). Sommige objecten bleken meerdere keren in het CHAT aanwezig, bijvoorbeeld als vlak én als punt. Informatie bleek niet altijd accuraat (bijvoorbeeld bouwperiode); waar mogelijk is dit gecorrigeerd. Binnen de overgenomen inventarisaties in het CHAT bevonden zich tevens opvallend grote aantallen verdwenen schaapskooien, welke zijn overgenomen en plaatselijk zijn gecorrigeerd.
Rijks- en gemeentelijke monumenten zijn zoveel mogelijk geautomatiseerd omgezet van punt of adres naar een vlak (BAG-pand), of handmatig aan een vlak gekoppeld.3 Hierbij is ook zoveel mogelijk gebruik gemaakt van kadastrale percelen, indien dit een terrein betrof (bijvoorbeeld enkele parkaanleg en beschermd gezicht in gemeente Utrechtse Heuvelrug). Een authentiek deel van de Groeperkade in Renswoude bleek abusievelijk niet meegenomen in de aanwijzing als rijksmonument. De contouren van de Beschermde stads- en dorpsgezichten en Complex Historische Buitenplaatsen zijn één-op-één overgenomen van de Rijksdienst voor het Cultureel erfgoed. Voor de informatie uit het Monumenteninventarisatieproject (MIP) is gebruik gemaakt van het meer volledige en geactualiseerde bestand van de provincie Utrecht. De uit het MIP voortgekomen boekjes (uitgeverij Kerckebosch, Stichting Publicaties Oud-Utrecht) vormen een belangrijke gegevensbron voor de gebiedsgeschiedenis tot 1940, zowel de inleidingen als de objectbeschrijvingen. Waar relevant zijn de publicaties van de historische verenigingen geraadpleegd, zoals De Klapperman (Woudenberg), Oud-Rhenen en Vroeger en Nu (Driebergen-Rijsenburg).
Ook zijn de websites van Maarn-Maarsbergen Natuurlijk, Oud-Woudenberg, Stichting Grebbelinie of Utrechtse Stichting voor het Industrieel Erfgoed regelmatig geraadpleegd.4 Waar nodig en relevant zijn beeldbanken van archiefinstellingen geraadpleegd. Van de archeologische beleidskaarten is kennis genomen. De inventarisatie heeft plaatsgevonden met gebruikmaking van verschillende geografische bronnen. Voor panden is de BAG gebruikt. Voor terreinen is de OpenTopo-kaart, historische en recente topografische kaart, actuele kadastrale percelen, gedigitaliseerde kadastrale percelen uit 1832, actuele luchtfoto en de actuele hoogtekaart (AHN) gebruikt. Waar nodig en beschikbaar zijn andere historische kaarten, luchtfoto’s en gegevens benut, zoals de bodemkaart, RAF-luchtfoto’s uit 19441945, de topografische veldminuten van ca. 1850 of de kaart van Van der Meer van ca. 1790. Voor de aansluiting zijn de cultuurhistorische waardenkaarten van buurgemeenten Veenendaal en Wageningen bekeken.
3 4
Voor de juridisch correcte aanduiding geldt uitsluitend de oorspronkelijke registratie bij gemeente of RCE. De lijst per gemeente van USINE is op de kaart verwerkt.
4
Bureau-inventarisatie In de inventarisatie is ingezet op alle cultuurhistorie tot 1966 en volledige periodisering (datering van objecten). Alle (hoofd)panden van vóór 1966 zijn op kaart gezet. Vanuit bovenstaande bronnen is zoveel mogelijk de ruimtelijke informatie op kaart gezet. Wat betreft landschap zijn een aantal onderdelen integraal geïnventariseerd. Dit betreft: - infrastructuur: alle hoofdwegen en openbare wegen, met uitzondering van de bospaden en agrarische veldpaden - water: hoofdwaterlopen tot 1832 - bos: bosgebieden tot 1900 en indien van bijzondere aard ook na 1900. Deze zijn als agrarisch cultuurlandschap (terrein) geregistreerd. Wanneer een bos reeds als onderdeel van een buitenplaats is opgenomen (als parkbos), is deze niet dubbelop als bos op de kaart gezet. - historische dorpskernen: contour van bebouwing en erven in 1832 - begraafplaatsen De complexmatige villawijken, (hout- en wild)wallen, gedenkbomen, heidevelden, verblijfs- en dagrecreatieterreinen, schietbanen, instellingsterreinen en zandwinningsgaten zijn op kaart gebracht. Ook de strokenverkaveling, meenten en uiterwaarden zijn naar de thans nog herkenbare contour en afhankelijk van gaafheid in kaart gebracht. Incidenteel is een extra kasteel of buitenplaats toegevoegd, die nog niet in het CHAT was opgenomen, zoals Lambalgen, Engelaar, Natewisch, De Hught en De Tangh.
Vanuit de Ruimtelijke Verordening van Provincie Utrecht5 zijn de CHS-Historische buitenplaatszone (buitenplaatszones Stichtse Lustwarande, Langbroekerwetering, Maarsbergse Flank, Valleilandgoederen, Prattenburg-Remmerstein) en CHS-Militair Erfgoed (Grebbelinie) als aparte kaartlaag toegevoegd, vergelijkbaar met de van rijkswege begrensde Stads- en dorpsgezichten en Complex Historische Buitenplaatsen. Een aantal vanuit stakeholders aangedragen cultuurhistorische onderwerpen zijn in overleg met de projectgroep niet op de kaart opgenomen. Wat betreft oude of historische bomen is ervoor gekomen om deze niet op te nemen, vanwege een te hoog detailniveau, tenzij het een gedenkboom betreft. Gedenkbomen staan vaak op beeldbepalende locaties en bevatten naast de boom vaak een historisch hekwerk. Ook in geval van oorlogssporen zijn alleen oorlogsmonumenten of gedenktekens op kaart gezet, en geen crashsites of ondergrondse schuilplaatsen. Deze plaatsen en andere militaire grondsporen (loopgraven, artillerieopstelplaatsen, etc.) liggen op het raakvlak met archeologie en vergen nader gespecialiseerd onderzoek. Historische toponiemen zijn vaak historisch relevant, maar vergen een afzonderlijke inventarisatie en lokalisering. Gezien de beperkte ruimtelijkheid zijn deze alleen indien relevant op de kaart opgenomen in de ‘beschrijving’.
Heidevelden (als onderdeel agrarisch cultuurlandschap) en delfstofwinning (zandgaten, kleiputten) zijn wel op de kaart opgenomen. Veldverkenning Voor de veldverkenning golden enkele uitgangspunten. De inventarisatie heeft vanaf de openbare weg plaatsgevonden. Dit is praktisch, omdat het ondoenlijk is om overal toestemming te gaan aanvragen. Hierdoor kan het zijn dat verder op een terrein gelegen objecten niet zijn gezien, bijvoorbeeld recreatiewoningen. De veldverkenning heeft in het winterseizoen plaatsgevonden, waardoor er relatief veel doorzicht mogelijk was. Ook is vertrouwd op eventuele aanvullingen door participerende personen. Een focus op het hoofdobject. Bijgebouwen zoals stallen of garages vormen meestal onderdeel van het erf. Daarbij zijn zij vaak ondergeschikt aan het hoofdobject, zowel in vorm en architectuur, als in 5
Zie: https://ruimtelijkeplannen.provincie-utrecht.nl/
5
functie en beleving. Indien de bijgebouwen een beschermde status kennen, zijn deze zoveel mogelijk op de kaart gezet. Ook zijn de bijgebouwen van buitenplaatsen (veelal reeds geïnventariseerd door de provincie), alsmede specifiek aandacht vragende bijgebouwen als schaapskooien en tabaksschuren, zo goed mogelijk integraal opgenomen. De bestaande situatie was leidend (terughoudend met verdwenen objecten). In verband met het doel van de kaart is het enkel relevant om de bestaande situatie in beeld te brengen. En kan geen ruimtelijk beleid op verdwenen erfgoed worden gemaakt, tenzij het ondergronds en aldus archeologie betreft. Wanneer het echter verdwenen zaken betreffen die een groter verband verklaren (wanneer een deel is verdwenen) of de huidige landschappelijke situatie verklaren, zijn met name verdwenen lijnen in een enkel geval in beeld gebracht (te denken aan oude wegtracés, dichtgegroeide zichtlijnen of oude meanders van beeklopen) en soms vlakken om inzicht te geven in omvang en spreiding (te denken aan delen van buitenplaaten, bebosde en bebouwde engen en voormalig tabaksland). Daarnaast bevatte het CHAT een aantal verdwenen objecten, zoals verdwenen schaapskooien (opgenomen als punt). De objecten dienen topografisch te duiden zijn (vanaf bepaalde omvang).
Dat objecten een bepaalde omvang dienen te hebben, heeft in eerste instantie te maken met het detailniveau van de cultuurhistorische waardenkaart. Met opname van kunstwerken (o.a. bruggen) is terughoudend omgegaan, mede omdat deze vrijwel altijd onderdeel uitmaken van de historische infrastructuur, die op de kaart is opgenomen. De veldverkenning voor bouw- en architectuurhistorische waarden heeft plaatsgevonden in de maanden november 2018 tot april 2019. Hierbij zijn in principe alle panden vóór 1966 bekeken. De panden met een monumentenstatus (gemeentelijk of rijks) zijn niet bekeken. De panden die eerder in het Monumenteninventarisatieproject zijn bekeken en niet zijn aangewezen als monument, zijn gecontroleerd op aanwezigheid en gewaardeerd. Hierbij bleken de meest waardevolle panden reeds te zijn aangewezen als monument. Anderzijds bleek een deel van de destijds geïnventariseerde bebouwing thans niet meer aanwezig. De veldverkenning voor landschappelijke waarden heeft plaatsgevonden in maart 2019. Beleidsverkenning De implementatie van de CHW-kaart kent verschillende aspecten, welke samen met de projectgroep en klankbordgroep zijn verkend. Voorgesteld is om de (legenda van de) CHW-kaart door te vertalen naar een beleidskaart, waarbij geldt dat de waardestelling primair gezien mag worden vanuit een attentiewaarde.
Voor de hoog gewaardeerde objecten, welke thans nog geen juridische, beschermde status kennen, ligt een intentie tot verlening van een monumentenstatus voor de hand. Objectgericht detailonderzoek zou dan aan de basis moeten staan van nadere overwegingen. Ook kan worden gedacht aan een verwijzing naar de (aansluiting op kwaliteit van de) omgeving van een object. De kaart is de huidige stand van zaken, wat onverlet laat dat in de toekomst wijzigingen nodig kunnen zijn. Een deel van het beheer zal bestaan uit het doorvoeren van nieuwe inzichten, bijvoorbeeld als gevolg van nieuwe vondsten, gewijzigde situaties of aangedragen informatie (specifieke onderzoeken, hist. verenigingen, etc.). Deze periodieke actualisatie vraagt om een zorgvuldige procedure, te denken aan autorisatie door een deskundige, op de eerste plaats bij de betreffende gemeente en desgewenst met raadpleging van externe deskundigheid. Het uiteindelijk gekozen beleid is tevens bepalend voor het beheer van de CHW-kaart. Indien voor elke wijziging van de CHW-kaart een gemeenteraadbesluit nodig is, zou dit periodieke actualisaties en effectieve werkbaarheid van de kaart in de weg staan. Anderzijds dient de rechtszekerheid van burgers geborgen te zijn wanneer wijzigingen juridische implicaties hebben. 6
3. Proces: afstemming Gespreksrondes In maart-april 2018 zijn alle gemeentes bezocht en bevraagd op onder meer beschikbare informatie, algemeen beeld van de cultuurhistorische waarden binnen de gemeente, bestaand beleid ten aanzien van cultuurhistorie, actuele ontwikkelingen en gebruik van GIS. Hieronder een samenvatting van genoemde punten per gemeente. Rhenen hoofdzaak: Tweede Wereldoorlog, tabak, Cunera, landgoederen beschikbaar: wederopbouw binnenstad aandacht: weinig gemeentelijke monumenten (op vrijwillige basis) Renswoude hoofdzaak: kasteel en dorp, grebbelinie beschikbaar: wederopbouw en landschapselementen aandacht: nader in te vullen Woudenberg hoofdzaak: dorp, piramide, grebbelinie, landgoederen beschikbaar: inventarisatie INBO + Landschapsontwikkelingsplan aandacht: wederopbouw, schaapskooien Utrechtse Heuvelrug hoofdzaak: buitenplaatsen, dorpen, ontginningen en boerderijcomplexen beschikbaar: wederopbouw Maarn, waardekaart Maarn-Maarsbergen Natuurlijk aandacht: boshistorie, wijkkarakter Participatie Klankbordgroep Er hebben drie bijeenkomsten van de klankbordgroep plaatsgevonden, die respectievelijk in het teken stonden van introductie van het project en informatie verzamelen; bespreking van de conceptwaardenkaart en bespreking van het beleid. Voor de samenstelling, zie bijlage 1.
Publieksavonden Er hebben twee reeksen van publieksavonden plaatsgevonden, per gemeente afzonderlijk. De eerste reeks (januari-februari 2019) was introducerend en informerend; in de twee reeks (juni-juli 2019) is de concept-waardenkaart voorgelegd. De publieksavonden waren goed bezocht. Naast de ambtelijke vertegenwoordiging was de bestuurlijk verantwoordelijke eveneens aanwezig. De inbreng was nuttig en de sfeer was goed, waarbij de genoemde zaken tevens relevant zijn als indicatie voor cultuurhistorische onderwerpen en plekken die onder de bewoners leven. Inhoudelijk waren de opmerking vaak nuttig en konden worden verwerkt; enkele opmerkingen vielen buiten het kader van de Cultuurhistorische Waardenkaart bijvoorbeeld omdat genoemde zaken van na 1966 waren, niet ruimtelijk of te klein waren, archeologisch van aard of verdwenen waren, of niet voldoende onderbouwd konden worden. Woudenberg Rhenen 1e avond 13 30 2e avond 15 14 Aantal (geregistreerde) deelnemers op de publieksavonden
Utrechtse Heuvelrug 34 14
Renswoude 15 12
7
Raadpleegkaart Ten behoeve van het meekijken met de vorderingen en maken van opmerkingen en aanvullingen door project- en klankbordgroep is een digitale, interactieve webkaart beschikbaar gesteld. Tussen 11 april en 1 mei 2019 hebben project- en klankbordgroep opmerkingen bij de conceptkaart kunnen plaatsen. De raadpleegkaart is tussen 15 juni en 4 augustus 2019 opengesteld, waarop diverse reacties zijn gevolgd en waar relevant zijn verwerkt.
4. Verhaallijnen Ter illustratie van de geïnventariseerde en gewaardeerde gegevens zijn vanuit de gebiedskarakteristiek vijf verhaallijnen opgesteld. Deze verhaallijnen dienen om overzicht en focus te brengen in de grote hoeveelheid aan gegevens, om voor te sorteren op gebiedsspecifiek beleid, en om de kaart toegankelijk te maken voor zowel geïnteresseerden in een bepaald thema als een breed publiek. Ook om grip te krijgen op de waardestelling en deze op gebiedskarakteristieken te baseren, is met verhaallijnen gewerkt. Deze verhaallijnen vormden een clustering van de thema’s zoals deze in het CHAT worden gehanteerd.6 Door middel van een selectie in het GIS-bestand wordt per verhaallijn een themakaart gepresenteerd. Ter duiding is deze voorzien van een korte toelichting (zie bijlage 2). 1. Ontgonnen land (agrarische productie): agrarisch cultuurlandschap, (wederopbouw)boerderijen, meenten, kampen, cope-ontginning, afwatering, tabaksteelt, schaapskooien, afgravingen, verveningen, productiebossen, landgoederen, graften, etc. 2. Strijd en strategie (militair): walburg, schans Woudenberg, Grebbelinie met inundatievelden en stoplijn, verwoesting en wederopbouw, kastelen, MOB-complex, commandobunker, etc. 3. Wonen en werken (nederzettingen): stad en dorpen, kerken, begraafplaatsen, scholen, wijken, villa’s, etc. 4.
Naar buiten! (ontspanning): recreatieterreinen, dierentuin, pensions, zwemplassen en bosbaden, schietbanen, buitenplaatsen, etc. 5. Van A naar B (verkeer): vaarwegen, spoorwegen, rangeerterrein, wachthuisjes, wegen, uitspanningen, woningen spoorwegpersoneel, etc.
6
De cultuurhistorische atlas van de provincie Utrecht (CHAT) hanteert als thema’s: 1. Agrarisch cultuurlandschap; 2. Archeologie [n.v.t.]; 3. Bedrijvigheid; 4. Bestuur; 5. Cultuur; 6. Delfstofwinning; 7. Groenaanleg; 8. Historische buitenplaatsen; 9. Infrastructuur; 10. Militair erfgoed; 11. Onderwijs; 12. Recreatie; 13. Sport; 14. Religieus erfgoed; 15. Waterbeheer; 16. Wonen; 17. Zorg
8
5. Waardering Uitgangspunten De geïnventariseerde objecten zijn voorzien van een waardering. Deze waardering is gebaseerd op de Richtlijnen bouwhistorisch onderzoek (Rijksgebouwendienst, RCE e.a., 2009)7, Richtlijnen tuinhistorisch onderzoek (Rijksgebouwendienst, RCE e.a., 2012)8 en de richtlijnen Cultuurhistorisch onderzoek in de vormgeving van de ruimtelijke ordening (RCE, 2013).9 In deze richtlijnen worden cultuurhistorische waarden in drie gradaties onderscheiden: • waardevaste elementen, bij wet of verordening beschermde objecten met een hoge monumentwaarde, van cruciaal belang voor de structuur en/of de betekenis van het gebied (bijvoorbeeld Rijksmonumenten, Gemeentelijke monumenten, Stads- en Dorpsgezichten); • waardevolle elementen, niet formeel beschermde objecten met een positieve monumentwaarde, van belang voor de structuur en/of de betekenis van het gebied (bijvoorbeeld MIP-objecten, Beeldbepalende historische panden, verder aangevuld tijdens onderzoek); • indifferente elementen met een beperkte monumentwaarde, van weinig belang voor de structuur en/of de betekenis van het gebied.
Aan de waarderingsmethodiek ligt een gebiedsgerichte benadering van erfgoed ten grondslag. De eindwaarde die aan geïnventariseerde items is toegekend, is gebaseerd op een evenwichtige weging van zowel object-, ensemble-, als gebiedswaarden. Zo kan een schuur in Renswoude vanuit de betekenis die op die plek eraan gehecht wordt, een hogere waarde hebben gekregen dan een (fysiek) zelfde schuur in Doorn. Bij beschermde monumenten was een herwaardering in het kader van de cultuurhistorische waardenkaart niet aan de orde, deze objecten zijn in het verleden al gewaardeerd als ‘waardevast’. Deze waardering behoefde geen verdere onderbouwing en de juridische status staat verder niet ter discussie. Objecten van na 1966 vallen buiten dit onderzoek en zijn dus ook niet gewaardeerd. Aangezien de inventarisatie met name een selectie – en geen inhoudelijke doorgronding – van elementen betrof, kan feitelijk beter over een kwalificatie of categorisering van elementen worden gesproken dan van een waardering. Selectie van elementen is op basis van een deskundigheid en consequentheid getoetst aan de waarderingscriteria. Elementen zijn met name op ouderdom (vóór 1966), onveranderlijkheid in de tijd (ruimtelijk beeldbepalend), aanwezige samenhang (relatie tot grotere structuur, ensemble of compositie) en kenmerkendheid (voor regio of gebruiksgeschiedenis) beoordeeld en gewaardeerd.
Zo kan een sloot, talrijk aanwezig en dus niet zeldzaam, toch een hoge waarde hebben gekregen vanuit hoge ouderdom en als essentieel voor het karakter van een gebied. Aanvullend detail- en archiefonderzoek maakte geen onderdeel uit van deze aanbieding. Er mag van worden uitgegaan dat nader detail- en archiefonderzoek ook de waardering kan specificeren. Bij de waardering van niet eerder geïnventariseerde objecten is alleen de verschijningsvorm vanaf de openbare weg op basis van ‘best professional judgement’ getoetst aan de criteria, en zijn andere belangrijke onderzoeksgegevens niet of slechts in beperkte mate betrokken (namelijk van het gebouw zelf het interieur, de constructie, de bijgebouwen, het erf en de beschikbare archiefgegevens incl. bouwdossier). Daarbij is het onvermijdelijk dat gegevens die van belang zijn voor de waardering (zoals exacte datering, oorspronkelijke functie, verbouwingen, uitbreidingen, architect en oorspronkelijk gebruik) niet in de waardering en dus de selectie voor de Cultuurhistorische Waardenkaart betrokken zijn. Dit is evenwel inherent aan het schaalniveau en de doelstelling van de Cultuurhistorische Waardenkaart.
In de toekomst kan en zou een waardenkaart moeten worden 7 https://cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/publications/richtlijnen-bouwhistorisch-onderzoek.pdf 8 https://cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/publications/richtlijnen-tuinhistorisch-onderzoek.pdf 9 https://cultureelerfgoed.nl/sites/default/files/publications/cultuurhistorisch-onderzoek-in-de-vormgeving-van-ruimtelijke-ordening.pdf;
zie ook: https://kennisbank.monumentengemeenten.nl/cultuur-en-bouwhistorische-waarden/cultuurhistorische-waarden/; https://www.mooinoord-holland.nl/inhoud/uploads/2015/11/Cultuurhistorische-waarden-in-bestemmingsplannen-april-2013.pdf
9
bijgesteld, aangevuld en geactualiseerd. Met name voor gebouwen is de kaart geen eindstation, maar vervult zij een signaalfunctie voor vervolgonderzoek. Monumentenstatus Ten eerste is onderscheid te maken tussen juridische of wettelijke status en (cultuurhistorische) waardering. Een object kent een juridische status indien het is aangewezen als rijksmonument of gemeentelijk monument (en als zodanig is ingeschreven in het beperkingenregister).10 Voor de inventarisatie is gebruik gemaakt van de gegevens t.a.v rijks- en gemeentelijke monumenten die beschikbaar worden gesteld door respectievelijk de RCE en de gemeenten.11 Doordat deze waarden juridisch zijn vastgelegd, wordt gesproken over ‘waardevaste elementen’. Omdat deze objecten en complexen juridisch vastliggen, zijn er (in het kader van de cultuurhistorische waardenkaart) geen wijzigingen in aan te brengen. Naast de beschermde monumenten, zoals hierboven bedoeld, zijn er andere objecten, structuren en gebieden met cultuurhistorische waarde, op de cultuurhistorische waardenkaart aangeduid als ‘waardevol’. Deze als cultuurhistorisch waardevol aangeduide zaken zijn zorgvuldig en deskundig geselecteerd en breed besproken, maar kennen daarmee niet automatisch een planologische status. Hiertoe zal een afzonderlijk, passend planologisch proces dienen te volgen, zoals opstelling van een omgevingsplan.
In het omgevingsplan kan aan een object, structuur of gebied een (dubbel)bestemming als cultuurhistorische waardevol of beeldbepalend worden gegeven. De CHWK fungeert hierdoor hoofdzakelijk als attentiekaart.12 De afwegingen hierbij zijn nader uitgewerkt in het onderdeel ‘beleid’. Waarderingsniveaus Naast de ‘status’ vraagt het CHAT om waardering op drie niveaus: hoog, middel, laag.13 Omdat het voor de CHWK wenselijk is de trits ‘waardevast, waardevol en indifferent’ te vertalen naar ‘hoog, middel en laag’ is voorgesteld om de als waardevol beoordeelde elementen te verdelen over de waarderingsniveaus ‘hoog’ en ‘middel’: •
indien een element eerder is gecategoriseerd, maar geen monumentenstatus heeft gekregen (MIPobject, beeldbepalend pand, etc.): o in principe ‘middel’; o tenzij nu (via waarderingscritaria) als uitzonderlijk beoordeeld, dan ‘hoog’; o of als blijkt dat object ondertussen niet meer aanwezig is of zwaar is aangetast, dan ‘laag’ of afvoeren van lijst/kaart.
10 Zie: http://wetten.overheid.nl/BWBR0016876/2016-07-01; https://www.kadaster.nl/wkpb 11 Zie: https://cultureelerfgoed.nl/monumentenregister; https://cultureelerfgoed.nl/rijksmonumenten%20kaartlagen 12
Zie ook voorbeelden elders: - Westerveld – Cultuurhistorische waardenkaart, RAAP, 2012: inventarisatie, geen waardering. - Ede – Cultuurhistorische waardenkaart, RAAP/Overland/Van Meijel, 2013: gaat uit van meerdere niveaus: “Door in de integrale waardering niveaus te hanteren (hoog, middelhoog, middellaag, laag) kan de gemeente bovendien prioriteiten stellen.” - Krimpen aan de IJssel – Cultuurhistorische waardenkaart, Hazenberg Archeologie, 2013: selectie op 4 thema’s, passend bij de lokale ontstaansgeschiedenis. - Bloemendaal - Cultuurhistorische waardenkaart, Vestigia, 2014: gaat uit van waardevaste en waardevolle objecten. Waardevolle objecten geïnventariseerd en geselecteerd op basis van 4 thema’s volgend uit gemeentelijke structuurvisie. - Wageningen – Cultuurhistorische waardenkaart, RAAP/Overland/Van Meijel/Bet, 2016: gaat uit van 5 waarderingsniveaus, gewogen naar: “1) Verandering van de topografische structuur (weging 30%). In hoeverre is het landschap sinds de 19e eeuw veranderd wat betreft perceelsindeling, perceelsgrenzen, sloten-, beken- en wegenpatroon? 2) Verandering van de fysiognomie (weging 30%). In hoeverre is het landschap veranderd wat betreft de (spreiding van) verticale elementen in het landschap (bos, houtwallen, bebouwing)? 3) Bijzondere kenmerken (weging 40%).
Dit criterium staat voor de aanwezigheid van een bijzondere waarde die niet in de veranderingscriteria is te vangen (zeldzaamheid, historische zeggingskracht van een gebied, aanwezigheid bijzondere fenomenen, zichtbaarheid). Omdat dit criterium enigszins ‘subjectief’ is, bestaat er voor elk deelgebied een nadere toelichting.” - Lopik – Cultuurhistorische waardenkaart, Lantschap/BBA/Optifield, 2017: waardering in hoog, middel en laag; rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten zijn genoteerd als ‘hoge waarde’. De waardering is een gewogen oordeel over de cultuurhistorische betekenis van het object op basis van: herkenbaarheid, herinneringswaarde, zeldzaamheid, kenmerkendheid, gaafheid, (landschaps-)architectuur, samenhang (ensemblewaarde), structurerende werking, gaafheid omgeving en informatiewaarde. 13 In de Richtlijnen wordt eveneens in drie niveaus gewaardeerd en gesproken over hoog, positief of indifferent.
10
•
•
indien een element als uitzonderlijk wordt beoordeeld en voldoet aan selectiecriteria (maar buiten eerdere monumentenselecties viel): hoog (en met de suggestie om een monumentenstatus te overwegen) indien een element via ander beleid is aangewezen (met cultuurhistorische motivatie), bijvoorbeeld inventarisatie Kleine Landschapselementen in PRV: hoog
Dit houdt dus in dat waardevaste elementen automatisch geclassificeerd zijn als ‘hoog’, maar daarbinnen een uitzonderlijk niveau (status) behouden. In eerdere monumenteninventarisaties en – selecties afgevallen elementen, zoals de MIP-objecten, worden thans in principe geclassificeerd als ‘middel’; tenzij deze volgens de waarderingscriteria uitblinken en ‘hoog’ worden gewaardeerd. De als ‘middel’ gekwalificeerde objecten zouden bijvoorbeeld in het beleid de positie van ‘karakteristiek’ of ‘beeldbepalend’ kunnen krijgen. De als indifferent gewaardeerde elementen, die wel onderdeel zijn van de inventarisatie-selectie maar doordat deze te algemeen zijn of anderszins niet aan de waarderingscriteria voldoen, is een classificatie ‘laag’ toegekend. De binnen het project van de CHW-kaart als ‘hoog’ gekwalificeerde elementen, die dus nog geen wettelijke status kennen, worden aangedragen om in de toekomst een monumentenstatus te krijgen. In schema ziet dit er als volgt uit: Huidig kenmerk/status Rijks- of gemeentelijk monument MIP MIP (geen) (geen) (geen)
Waardering volgens criteria: n.v.t. (waardevast) waardevol → selectie waardevol → normaal waardevol → selectie waardevol → normaal indifferent
Uitkomst voor CHW-kaart Hoog (+ Wettelijke status) Hoog Middel Hoog Middel Laag
Criteria De Cultuurhistorische Waardenkaart betreft een overzicht van bekende (geïnventariseerde), zichtbare (thans aanwezige) en bovengrondse (niet-archeologische) waarden. Als eerste selectiecriterium voor de inventarisatie geldt een aanleg/ontstaan vóór 1966, waarbij het element: • •
thans nog aanwezig is, of thans verdwenen is, maar in sterke mate samenhangt met nog aanwezige delen (van tracé of structuur), of in sterke mate van invloed is op een huidige structuur (bijvoorbeeld een verdwenen wegtracé in de stedebouwkundige structuur van een dorp, of een verdwenen parkaanleg in de verkaveling).
In de richtlijnen bouwhistorisch en tuinhistorisch onderzoek worden de volgende deelwaarden onderkend, die allen op vooraf benoemde criteria worden beoordeeld, zoals gaafheid en zeldzaamheid: 1. 2. 3.
Algemene historische waarden (gerelateerd aan maatschappelijke ontwikkelingen/brede context); 14 Ensemblewaarden (samenhang) en stedenbouwkundige waarden; 15 Architectuurhistorische, bouwhistorische of tuinhistorische waarden (tuinarchitectuurhistorisch en tuintechnisch);16
14
(Add. 1) Wat betreft algemene historische waarde gaat het onder meer om: representatie van culturele, sociaaleconomische en/of geestelijke ontwikkeling, representatie van geografische, landschappelijke en/of bestuurlijke ontwikkeling, representatie van technische en/of typologische ontwikkeling, of als innovatief / vroeg / pionier. 15 (Add. 2) Bij ensemblewaarde kent een object belang als onderdeel van een groter geheel dat van betekenis is, dat vanwege de situering verbonden is met de (geschiedenis van de) omgeving, vanwege de wijze van ontginning/verkaveling/inrichting/voorzieningen, voor het aanzien van de omgeving of vanwege de kwaliteit van samenhangende onderdelen en de ruimtelijke relatie met omgeving (groen, wegen, water, bodem). 16 (Add.
3) Een object kent architectuurhistorische, bouwhistorische of tuinhistorische waarde vanuit een belang voor de geschiedenis van de (tuin)architectuur en/of tuin- of bouwhistorie, voor het oeuvre van de (tuin- en landschaps)architect, wegens het idee achter de aanleg en/of motief van de opdrachtgever, vanwege de afleesbaarheid van de historische gelaagdheid, vanwege de esthetische en ruimtelijke kwaliteiten (van het ontwerp), ornamentiek en/of interieurafwerking, vanwege de compositie, onderlinge samenhang en/of ordening van onderdelen, of vanwege het (innovatieve) materiaalgebruik, horticulturele traditie, gebruikte beplanting en/of dendrologische aspecten. Landschapshistorische waarde wordt tevens ontleent aan de kenmerkendheid van de gebiedsontwikkeling, ontginningsgeschiedenis of inrichtingswijze en/of de samenhang met de ondergrond.
11
4.
Waarden vanuit de gebruikshistorie (gerelateerd aan het object van onderzoek). 17
Om aan deze waarderingscriteria handen en voeten te geven zijn de volgende indicatoren gehanteerd voor het signaleren en toekennen van waarden: •
•
•
herkenbaarheid (beleving): herkenbaarheid van de historische waarde kan zich manifesteren in zowel vormeigenheid als gelaagdheid. Bij vormeigenheid, in de zin van herkenbaarheid van oorspronkelijke vorm of onveranderlijkheid in de tijd, speelt gaafheid ten opzichte van de primaire vorm een rol (originaliteit van de materie, authenticiteit). Dan is er ook sprake van informatiewaarde. In de loop der tijd kan de vorm ook gewijzigd zijn, waarbij de primaire vorm is aangetast in fysieke staat en/of herkenbaarheid, en waarbij zich nieuwe historische lagen hebben gevormd (maar ook ouderdom zichtbaar is in de vorm van ‘patina’). Een functiewijziging kan grote impact op de vormgeving hebben, terwijl in andere gevallen de functie wel is gewijzigd, maar qua vorm of uitvoering is aangepast aan of ingepast in de historische situatie. Ouderdom of periode van ontstaan kan een belangrijke graadmeter zijn voor bijzonderheid (zeldzaam of zeldzaam geworden), continuïteit in vorm en functie (gaafheid) en de beleving. Bijvoorbeeld omdat groen erfgoed vergankelijkheid kent, zijn oudere elementen in de regel ook relatief zeldzaam. Wat betreft beleving kan herkenbaarheid ook leiden tot ruimtelijk beeldbepalende objecten.
Indicator: onveranderlijkheid in tijd (ouderdom); samenhang (context): in haar context of samenhang kan een element onderdeel zijn van een (grotere) structuur of patroon, dat fysiek of in betekenis met elkaar in verbinding staat; bewust zo gemaakt (compositie) of in samenhang (geleidelijk) ontstaan (ensemble). Een dergelijke relatie kan bijvoorbeeld bestaan uit een logisch (en als geheel gerealiseerd) ontwerp/plan of een functionele samenhang tussen gebouwen en terreinen (boerderij en landerijen; landhuis en tuin). Beleving speelt ook hierbij een rol, aangezien een complex van herkenbaar samenhangende en structurerende objecten of een object in een congruente en gave omgeving bijzonderder en interessanter is dan (enkel) een individueel object. Indicator: verbondenheid met andere objecten; kenmerkendheid (intrinsiek): het kan gaan om representativiteit van een voor de regio, plaats of gebruiksgeschiedenis kenmerkende ontwikkeling of om een in ontwerpstijl of oeuvre exemplarisch object. Een object kent mogelijk ook een hoge informatie- of wetenschappelijke waarde. Hierbij speelt ook zeldzaamheid of bijzonderheid een rol, die kan worden aangeduid als de betekenis of relevantie voor het gebied, waarbij verschil kan worden gemaakt in wezenlijke elementen (systeemdelen of gebiedsdragers) en juist uitzonderlijke elementen met een nadrukkelijk verhaal.
Ook herinneringswaarde van een monument aan een ontwikkeling, gebeurtenis of persoon speelt hierbij een rol. Indicator: verhaal.
Bovenstaande aspecten dienen met name als checklist bij de (motivatie van de) beoordeling; er wordt geen weging per object geformuleerd. Bij de waardering wordt enerzijds uitgegaan van consequentheid: indien een object op de ene plaats vergelijkbaar is met een object op een andere plaats, worden beiden gelijk beoordeeld. Anderzijds kan vanuit de gebiedsgeschiedenis de betekenis verschillen die aan een object wordt verleend, zodat deze in waarderingsniveau kan stijgen. Bij een sterke samenhang, bijvoorbeeld in geval van een woningbouwcomplex, kan een gebied als ensemble worden aangewezen. Nieuwe monumenten Het toekennen van een (nieuwe, gemeentelijke) monumentenstatus aan een hoog gewaardeerd object is op termijn mogelijk en kan binnen het CHWK-project worden aanbevolen of gesuggereerd. Het ligt echter niet in de aard en schaal van het onderzoek van de Cultuurhistorische Waardenkaart om monumenten aan te wijzen. Hiertoe zou aanvullend (archief) onderzoek nodig zijn per individueel object om tot een zorgvuldige onderbouwing, externe waardering (vergelijkende waardestelling) en (juridisch-planologische) aanwijzingsprocedure te komen.
17 (Add. 4) Gebruikshistorische waarde komt voort uit een belang vanwege (de ordening, samenhang of inrichting van onderdelen, passend
bij) een (historisch) gebruik, functie of productie, of als herinnering aan een historische gebeurtenis of prominente bewoner, gebruiker of opdrachtgever. Hier speelt tevens belevingswaarde een rol, vanuit een belang van afleesbaarheid van (historisch) gebruik, continuïteit, verhaal en gelaagdheid, van ruimtelijke kwaliteit en verzorgdheid, en van aanzicht, beeld of silhouet.
12
De waarderingsmethode vormt een raamwerk voor het opstellen van de Cultuurhistorische Waardenkaart. De uitkomsten van de waardestelling zullen telkens worden voorgelegd aan de projectgroep, en worden gespiegeld met klankbordgroep. Selectie De toekenning van een waarde is tevens een deskundige inschatting. Deze zijn geconcretiseerd in bovenstaande indicatoren. Eén of meerdere indicatoren bepalen de waardering voor genoemde objecten, structuren en gebieden, welke aldus als waardevol zijn opgenomen: waarde ‘hoog’. Vanuit de gebiedsgeschiedenis zijn er enkele thema’s en onderwerpen die hoog scoren. Deze zijn opgenomen in onderstaande lijst. De lijst geldt niet als voorwaardelijk: niet elk genoemd object, structuur, gebied is automatisch van hoge waarde. Genoemde zaken worden op basis van de indicatoren en in onderling vergelijk (op lokaal, regionaal of landelijk niveau) gewogen en gewaardeerd. 1. herkenbaarheid (beleving): onveranderlijkheid in tijd (ouderdom) • • • • •
lokale HISTORISCHE LANDWEGEN en veren, KASTELEN/KASTEELPLAATSEN, KERKEN en begraafplaatsen, WATERBEHEERSING door (slaper)dijken, kades, incl. HISTORISCHE WATEREN (Nederrijn, Luntersebeek, Langbroekerwetering) KAMPEN en ENGLANDSCHAP als ‘gegroeid’ landschap, met boerderijen en schaapskooien, meenten en heide
2. samenhang (context): verbondenheid met andere objecten, ensembles, composities, bovenregionale structuren • • • • • •
HISTORISCHE DOORGAANDE INFRASTRUCTUUR (Via Regia, Rijn, spoor, grift) MILITAIRE LINIES: Grebbelinie met forten, liniewal, inundatiekommen en -kades, etc.; incl. Grebbeberg, incl. WEDEROPBOUW met binnenstad Rhenen en wederopbouwboerderijen HISTORISCHE DORPSKERNEN met maatschappelijke en economische voorzieningen STEDEBOUWKUNDIGE ENSEMBLES, villa- of arbeiderswijken, woningbouwcomplexen BUITENPLAATSEN met parken en lanen ONTGINNINGSBLOKKEN met boerderijlinten en cope/strokenverkaveling, incl. vroege BOSONTGINNINGEN met wallen
3. kenmerkendheid (intrinsiek): verhaal, unica, gebiedsspecifiek, gebruiksgeschiedenis • • • •
TABAKsgeschiedenis met akkers, boerderijen en schuren, Plantage Willem III RECREATIE EN TOERISME met (dag- en verblijfs)voorzieningen, incl. UITZICHTSPUNTEN op de heuvelrug OORLOGSMONUMENTEN en GEDENKBOMEN lokale BEDRIJVIGHEID, incidenteel en dynamisch
13
Aangewezen object van hoge waarde Zie de lijst van hoog gewaardeerde bebouwing zonder status.
Ensembles (selectie) stedenbouwkundig: waarde ‘hoog’ • • • • • • • • • • • • •
Rhenen: MOB-complex Rhenen: tuindorp Vreewijk (stedenbouwkundig) Utrechtse Heuvelrug: Doorn, Woestduinlaan 15-53 en Mariniersweg 1 Utrechtse Heuvelrug: stuwcomplex Amerongen Utrechtse Heuvelrug: villawijk Burgemeesterpark Woudenberg: Stationsweg-Oost 209-231 dorpskern Achterberg dorpskern Doorn dorpskern Driebergen dorpskern Elst dorpskern Leersum dorpskern Renswoude (westzijde) dorpskern Woudenberg
landschappelijk: waarde ‘hoog’ • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • • •
arboretum Gimbornpark buitenplaats Amerongen: parkbosonderdelen manege en keuken buitenplaats Bornia buitenplaats Boschoord buitenplaats Broekbergen buitenplaats De Hught buitenplaats De Reehorst buitenplaats De Tangh buitenplaats De Viersprong buitenplaats en bos Remmerstein buitenplaats Lambalgen buitenplaats Sparrendaal-Semenariepark buitenplaats Stameren buitenplaats Zuylestein: parkbosonderdeel wafelijzer buitenplaats-boerderij Engelaar complex recreatieve attractie pyramide van Austerlitz engen van Amerongen en Leersum engen op de Laarsenberg kampenlandschap Darthuizen kampenlandschap Tuil kampenlandschap Maarn landschap Emmikhuizerberg meent Maarn Militaire Erebegraafplaats Rhenen Nieuwe Algemene Begraafplaats Doorn Nieuwe Algemene begraafplaats Driebergen Nieuwe Begraafplaats Rhenen Oude begraafplaats Rhenen slagenlandschap Woudenberg slagenlandschap Kolland en De Hoeven slagenlandschap Leersummerbroek slagenlandschap Tuilerbroek slagenlandschap Langbroekerwetering
14
stedenbouwkundig: waarde ‘midden’ • • • • • • • • • • •
Rhenen: Ouwehands Dierenpark Utrechtse Heuvelrug: Driebergen-Rijssenburg, Bouwlust 3-22 Utrechtse Heuvelrug: Driebergen-Rijssenburg, Palmstad (gedeeltelijk) Utrechtse Heuvelrug: instellingsterrein Valkenheide Utrechtse Heuvelrug: Leersum, Rijksstraatweg 293-303 Utrechtse Heuvelrug: Maarn, Bergweg 1-39 Utrechtse Heuvelrug: Overberg, Haarweg, Efrathakerk en voormalige pastorie Utrechtse Heuvelrug: terrein Van Braam Houckgeestkazerne Utrechtse Heuvelrug: villawijk Oranjepark Utrechtse Heuvelrug: villawijk Rosariumlaan Woudenberg: Geeresteinselaan 28-44
6. Aanbevelingen voor vervolg
Gedacht kan worden aan nadere aanvullende inventarisaties op gebied van: • geologische waarden • afstemming met archeologische waarden, o.a. oorlogssporen • afstemming bovenregionale structuren met buurgemeenten, bijvoorbeeld Grebbelinie • historische bomen • binnenstad Rhenen (interne voor-oorlogse bouwfragmenten)
15
Bronnenlijst Algemeen Baas, H., B. Groenewoudt, P. Jungerius en H. Renes (red.), Tot hier en niet verder, Historische wallen in het Nederlandse landschap; De stand van kennis, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, 2012. Bet, E.M., L.J. Keunen, L.M.P. van Meijel, J. Neefjes & N.W. Willemse, ‘… heerlijke vergezigten zijn er te genieten …’, Een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Wageningen, RAAP-RAPPORT 3200, 25 oktober 2016. Blijdenstijn, R., Sanatoria in de Utrechtse bossen; herstellingsoorden voor lichaam en geest. In: Verfürden, B.H. et al., Monumenten van een nieuwe tijd, architectuur en stedebouw 1850-1940, Jaarboek Monumentenzorg 1994, Waanders Uitgevers / Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zwolle / Zeist, 1994. Blijdenstijn, R., Tastbare Tijd 2.0, Provincie Utrecht, 2015. Blijdenstijn, R., Tastbare Tijd, Cultuurhistorische atlas van de provincie Utrecht, Uitgeverij PlanPlan, Amsterdam, 2005. Boosten, Martijn en Patrick Jansen, Quick scan Historische waarde van de beplanting op de Grebbelinie - Herziene uitgave, Wageningen, januari 2008. Boosten, Martijn, De historische beplanting van de Grebbelinie, Resultaten van een veldinventarisatie, Wageningen, oktober 2009. Keunen, L.J., E.H. Boshoven & C.J.
Frank, ‘… alles gebeurde met de hand …’, Een geactualiseerde archeologische waarden- en verwachtingskaart en een cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Veenendaal, RAAP-RAPPORT 3334, 26 april 2018. McCarthy, B. & J. van Ee, De Grebbelinie, een gelaagde geschiedenis, in: Historisch-Geografisch Tijdschrift, 25 (2007), p. 108-119. Mijnssen-Dutilh, Margriet, Amersfoort lag aan zee, Waterschapskroniek Vallei en Eem, deel 1: 7771616, 2007. Mijnssen-Dutilh, Margriet, Een vallei vol water, Waterschapskroniek Vallei en Eem, deel 2: 1616-2011, 2011. Olde Meierink, B., et al., Kastelen en ridderhofsteden in Utrecht, Uitgeverij Matrijs/Stichting Utrechtse Kastelen, Utrecht, 1995. Provincie Utrecht, De Grebbelinie boven water! Gebiedsvisie voor de Grebbelinie, deel 1: hoofdrapport, augustus 2006. Provincie Utrecht, OKRA Landschapsarchitecten, Adriaan Haartsen, Kees Volkers, Kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen, Koepelkatern, Gebiedskatern Rivierengebied, Gebiedskatern Utrechtse Heuvelrug, Gebiedskatern Gelderse Vallei, juli 2011. Rietberg, Bert, De Grebbelinie, een cultuurhistorische gids, 2007.
16
Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Complex Grebbelinie, overzichtskaarten, 2010-2011. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Provincie Utrecht - Dienst Ruimte en Groen, Monumenten Inventarisatie Project, diverse gemeentebeschrijvingen, 1991-1992. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Toelichting bij het besluit tot vaststelling van een beschermd dorpsgezicht, Rijsenburg, Amerongen en Renswoude, 1966-1967. SB4, Toelichting Buitenplaatsbiotopen Utrecht: Laagte van Pijnenburg, Amersfoortseweg, Valleilandgoederen, Amelisweerden, Landgoed Linschoten, Kasteel De Haar, 24 april 2014. SB4, Toelichting Buitenplaatsbiotopen Utrecht: Maarsbergse Flank, Prattenburg-Remmerstein, 19 oktober 2015. Scholte Lubberink, H.B.G., L.J. Keunen en N.W. Willems, Op het kruispunt van de vier windstreken Synthese Oogst voor Malta onderzoek de Gelderse Vallei (Utrechts-Gelders zandgebied), Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Nederlandse Archeologische Rapporten 048, 2015. Schoutens Advies & Begeleiding, Ad, Cultuurhistorische elementen en objecten bij Waterschap Vallei & Eem, 2011. Veldhuis, Henk, Roger Raat, Frank Fähnrich, Beeldkwaliteitsplan Grebbelinie - Zien en gezien worden, BügelHajema Adviseurs BV, april 2011. Volkers, K., Geheim Landschap; 200 jaar militairen op de Heuvelrug, Uitgeverij PlanPlan, Amsterdam, 2006. Wildschut, J .T., H.J. Brijker, E.
van den Dool, Oude boskernen van de Utrechtse Heuvelrug, Provincie Utrecht, sector RER, mei 2004. Zijlstra, H., Een schitterend panorama; Uitzichtpunten op de Utrechtse Heuvelrug, Utrecht, 2009. www.tracesofwar.nl www.grebbelinie.nl www.ahn.nl www.archiefeemland.nl www.cultureelerfgoed.nl www.hetutrechtsarchief.nl www.hisgis.nl www.pdok.nl www.provincie-utrecht.nl www.reliwiki.nl www.sabine.nu www.topotijdreis.nl www.utrechtsebuitenplaatsen.nl www.utrechtslandschap.nl www.wegenwiki.nl https://library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf#0
Rhenen Anoniem, Ruilverkaveling Veenendaal, Wageningen, ongedateerd. 17
Cuijpers, J.J., Inpassingsplan Landgoed Prattenburg Rhenen/Veenendaal, Cultuurhistorisch onderzoek en advies, ‘s-Hertogenbosch, maart 2013. Deys, H., F. Vogelzang, Rhenen: geschiedenis en architectuur, Uitgeverij Kerckebosch bv / SPOU, Zeist/Utrecht, 2010. Deys, H.P., De straten- en wegennamen van Rhenen, in: Oud Rhenen, 13 (1994) 3, p. 111-132; 14 (1995) 1, p. 15-36; 2, p. 100; 3, p. 103-114; 15 (1996) 1, p. 18-38; 2, p. 71-83; 3, p. 132-156; 16 (1997) 1, p. 33-50; 2, p. 103-112. Deys, H.P., De Gelderse Vallei, Geschiedenis in oude kaarten, 1988. Feijen, Markus, Beheerplan 2010-2020: Plantage Willem III, Remmerdense Heide en Elster Buitenwaard, Stichting Het Utrechts Landschap, 2009. Feijen, Markus, Beheerplan 2011-2021: Blauwe Kamer, Grebbeberg en Laarsenberg, Stichting Het Utrechts Landschap, 2011. Gemeente Rhenen, Erfgoedverordening gemeente Rhenen, 2016. Gemeentelijke monumentencommissie, lijst potentiële gemeentelijke monumenten, 14 januari 2014. Gemeentelijke monumentencommissie, Monumenten in Rhenen: voorstellen en aanbevelingen, 8 maart 2016. Halverstad, R.N. (red.), De stadsverdediging en vroegmiddeleeuwse bewoning te Rhenen, ADC Archeoprojecten, rapport 3680, maart 2015. Hoogeveen, H., Prattenburg: een kasteel met een boodschap? In: De Nederlandsche Leeuw, 129 (2012) 4, pag. 205-212.
Hummelen, Marlies (red.), De weg van de wederopbouw, Van Rhenen tot Arnhem, het bouwen en de tijdgeest, Stichting Wederopbouwarchitectuur Renkum e.o., 2016. Jong, A.J. de, De geschiedenis van het gehucht Grebbe, in: Oud Rhenen, jg. 12 (1993) 3, p. 107-128. Neefjes, Jan, Theo Spek, Edwin van Hagen, Verkenning Cultuurhistorie Laarsenberg, Wageningen | Rhenen, december 2008. Oud-Rhenen, Mededelingenblad van de Historische Vereniging Oudheidkamer Rhenen en Omstreken, diverse jaargangen. Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, Rhenen binnenstad, Toonbeeld van de wederopbouw, 2016. Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek, Rhenen - een heilige, een burg en een stekelvarken; Archeologische routes in Nederland 48, 2005. SB4, Herstelplan Remmerstein te Rhenen, januari 2008. SteenhuisMeurs BV, Binnenstad - Rhenen, input cultuurhistorie voor het bestemmingsplan Rhenen stad 2012, december 2012. 18
Utrechtse Stichting voor het Industrieel Erfgoed, Lijst industrieel erfgoed per gemeente, Rhenen, juli 2016. Veenstra landschapsarchitect, Abe, Bouwsteennotitie landschap, cultuurhistorie, archeologie, recreatie & toerisme verkenning Grebbedijk, 6 september 2017. Vestigia, Archeologische beleidskaart gemeente Rhenen, Toelichting op de totstandkoming en koppeling met de ruimtelijke ordening (planregels), Amersfoort, 4 oktober 2010. Vredenberg, Jan (eindred.), Geschiedenis van Rhenen, Uitgeverij Matrijs, 2008. Wijnen, J.A.T., Plangebied Cuneralaan Rhenen, Archeologische begeleiding van de reconstructie van de Cuneralaan in Rhenen, gemeente Rhenen, RAAP-RAPPORT 2830, 2014. Wijnen, J.A.T., Slagveldarcheologie op de Grebbeberg Gemeente Rhenen, Archeologisch veldonderzoek naar mobilia uit de Tweede Wereldoorlog door middel van metaaldetectie, RAAPRAPPORT 2606, 2013. www.grebbeberg.nl Woudenberg Beaufort, R.F.P. de, Louis H. Jansen, Over geschiedenis en volksleven van Woudenberg, 1969. Blijdenstijn, R., De Pyramide van Austerlitz; Een herinnering aan de Franse Tijd in Nederland, Stokerkade cultuurhistorische uitgeverij, Amsterdam, 3e druk, 2008. Boshoven, E.H., G.H. de Boer & D. Bekius, Gemeenten Renswoude en Woudenberg, Een archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart, RAAP-RAPPORT 2117, 2010. Does, A. van der, R.
Zweekhorst, Tuinhistorische waardering Buitenplaats De Viersprong Woudenberg, maart 2009. Eilander, D.A., Watergangen in Woudenberg rond de dorpskern vanaf de 12e eeuw, in: De Klapperman, Bijdragen tot de geschiedenis van Woudenberg - november 2014. Gemeente Woudenberg, afgevallen monumenten. Gemeente Woudenberg, boomstructuurkaart. Gemeente Woudenberg, gemeentelijke monumentenlijst. Honders, Ody G.A., diverse artikelen. Honders, Ody G.A., Woudenberg, reis door de tijd, Geschiedenis en canon, Stichting Oud Woudenberg, 2015. Immerseel, R.H.M. van en P. Verhoeff, Ensemble “Huis Scherpenzeel” - Historisch onderzoek en waardestelling huispark en parklandschap, Stichting In Arcadië, 2013. Inbo, Cultuurhistorische waarden Woudenberg, concept 23 januari 2013. 19
Inbo, Structuurvisie Woudenberg 2030, juni 2013. Olde Meierink, B., H. Tromp, A. Bakker, Geerestein en zijn bewoners: de geschiedenis van Huize Geerestein in Woudenberg, Inbo Architecten/Adviseurs, Woudenberg, 1995. Perks, W.A.G., Den Treek, van marke tot landgoed, Uitgeverij Bekking, Amersfortia Reeks deel 3, 2e editie, Amersfoort 1984. SB4, Inventarisatie en waardering van Lanen op landgoed Den Treek-Henschoten, Wageningen, maart 2009. Schipper, W. et al., Verleden en heden van de Treeker eik en zijn omgeving. Jubileumuitgave ter gelegenheid van de 250 jarige Treeker eik. Uitgave van Koninklijke BDU Uitgeverij B.V., 2003. Schipper, Wim, Schapen en schaapskooien, de moeite waard om te behouden, in: De Klapperman, Bijdragen tot de geschiedenis van Woudenberg - april 2004. Stades-Vischer, M.E., K. Veenland-Heineman, Woudenberg – Geschiedenis en architectuur, Uitgeverij Kerckebosch BV Zeist / SPOU Utrecht, Monumenten-inventarisatie Provincie Utrecht, 1999. Stichting Oud Woudenberg, Mededelingenblad en Tijdschrift De Klapperman, diverse nummers. Utrechtse Stichting voor het Industrieel Erfgoed, Lijst industrieel erfgoed per gemeente, Woudenberg, juli 2016. Wijnen, J.A.T., Loopgraven en een P.A.G.-stelling in de Post van Lambalgen, Gemeente Woudenberg, Een archeologische begeleiding, RAAP-RAPPORT 2927, 2015.
Woudenberg, Henk van, Volkuilen, een buurtschap onder Woudenberg en Leusden, 2006. http://www.oudwoudenberg.nl https://www.woudenbergopdekaart.nl/
Renswoude Debie & Verkuijl tuin- en parkrestauratie, Historisch Onderzoek Lanenstelsel, Kasteel Renswoude, 2014. Gemeente Renswoude, Erfgoedverordening Renswoude, 2011. Gemeentelijke monumentencommissie, Concept-wederopbouwlijst Gemeentelijke monumentenlijst, 1 januari 2018 Renes, J., De kaart van de Slaperdijk bij Veenendaal, in: M. V. Egmond, B. Jaski, & H. Mulder (Eds.), Bijzonder onderzoek; een ontdekkingsreis door de Bijzondere Collecties van de Universiteitsbibliotheek Utrecht, 2009, p. 182-187. Utrechtse Stichting voor het Industrieel Erfgoed, Lijst industrieel erfgoed per gemeente, Renswoude, juli 2016.
20
Wolleswinkel, Egbert, De boerderijen van Renswoude, eigendom en bewoning door de eeuwen heen, Historische Vereniging Oud-Renswoude, 2019. Wolleswinkel, Egbert, Dorpsstraat ons dorp, 375 jaar Renswoudse bewoningsgeschiedenis, 2009. Wolleswinkel, Egbert, Karen Veenland-Heineman, Renswoude - Geschiedenis en Architectuur, 1998. Wolleswinkel, Egbert, Kasteeldorp Renswoude, Een politieke creatie uit de Gouden Eeuw, in: Tijdschrift voor Historische Geografie, 2 (2017) 4, p. 236-242. https://www.renswoude.nl/portal/onderwerpen-van-a-totz_41453/product/boerderijenregister_862.html Utrechtse Heuvelrug Bemmel, A.A.B. van, De Lekdijk van Amerongen naar Vreeswijk: negen eeuwen bescherming van Utrecht en Holland, 2009. Blok, Olde Meierink en Partners, Ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis van De Ruiterberg te Doorn, maart 1998. Boekhorst-van Maren, E.N. te, Het landschap van de Kromme Rijn en de Langbroekerwetering, Staatsbosbeheer, afd. landschapsarchitectuur Utrecht, 1981. Botman, A., Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart gemeente Utrechtse Heuvelrug, ADC-project 4109065, 25 augustus 2010. Buro Maas, Landgoederen, buitenplaatsen en buitenhuizen in het gebied van de Kromme Rijn, de Langbroeker Wetering en de Utrechtse Heuvelrug – een planologische verkenning, deel 2, Zeist, januari 1983.
Debie & Verkuijl tuin en parkrestauratie, Historisch onderzoek & toekomstvisie, sterrenbos en lanenstelsels, landgoed Zuylestein, 31-07-2013. Debie & Verkuijl tuin park landschap, Historisch onderzoek + Visie Laanherstel Het Amerongse bos te Amerongen, 17-03-2017. Doesburg, J. van, Laan, B. van der, Renes, H., Kastelen in middeleeuwse veenontginningen, in: Tijdschrift voor historische geografie, 2 (2017) 4, p. 212 - 230. Feddes/Olthof Landschapsarchitecten bv, Franz Ziegler/Branderhorst, Wederopbouwlandschappen: ‘de laag van maakbaarheid’, onderzoek naar Haskerveenpolder en De Groep, maart 2014. Feijen, M. et al., Beheerplan Heidestein Bornia Noordhout, 2010-2020, Stichting Het Utrechts Landschap, De Bilt, december 2010. Feijen, M., Beheerplan De Woerd en Kromme Rijngebied, Het Utrechts Landschap, De Bilt, 2011. Feijen, Markus, Beheerplan 2010-2020, Moersbergen, Hoog Moersbergen en Stameren, Stichting Het Utrechts Landschap, december 2010. Feijen, Markus, Beheerplan 2011-2021, Sandenburg, Dartheide, Breeveen en Hoge Ginkel, Stichting Het Utrechts Landschap, 2011. 21
Gaasbeek, F., S. van Ginkel-Meester, Driebergen-Rijsenburg – Geschiedenis en architectuur, Uitgeverij Kerckebosch BV Zeist, Monumenten-inventarisatie Provincie Utrecht, 1996. Gaasbeek, Fred, Boscultuur, De esthetische aspecten van bosbouw op de landgoederen Zuilenstein en Amerongen, in: Jaarboek Oud-Utrecht, 2000, p. 53-102. Gebert, Vince, Naoorlogs erfgoed in Maarn, Cultuurhistorische rapportage, april 2014. Gemeente Utrechtse Heuvelrug, Buitens op de Heuvelrug - Beleidskader voor historische landgoederen en buitenplaatsen, 1 maart 2012. Gemeente Utrechtse Heuvelrug, Erfgoed in het Groen, Beleidsnota Cultuurhistorisch erfgoed 2010 – 2015, april 2011. Gemeente Utrechtse Heuvelrug, Historische Heuvelrug, Zorg voor monumenten, beschermde dorpsgezichten en historische buitenplaatsen, 2012. Gemeente Utrechtse Heuvelrug, Lijst waardevolle bomen, 2014. Gemeente Utrechtse Heuvelrug, Schaapskooien , Beleidsnota ten behoeve van het behoud van schaapskooien in de gemeente Utrechtse Heuvelrug, september 2011. Gemeente Utrechtse Heuvelrug, Tabaksschuren, Richtlijnen voor het behoud en de herbestemming van tabaksschuren in de gemeente Utrechtse Heuvelrug, mei 2012. Groningen, C.L. van, De Utrechtse Heuvelrug, De Stichtse Lustwarande – Buitens in het groen, Waanders Uitgevers, Zwolle, 1999. Groningen, C.L.
van, De Utrechtse Heuvelrug, De Stichtse Lustwarande – Dorpen en landelijk gebied, Waanders Uitgevers, Zwolle, 1999. Hees, E. van, Rondom Kraaybeek; Het groene hart, Wetenschapswinkel Wageningen UR, Rapport 204, februari 2005. Hemmen, Ferdinand van, Eckhart Heunks, Noordelijke Rijn- en Lekdijk Amerongen - Schoonhoven Verkennend onderzoek cultuurhistorie en archeologie, 24 juni 2015. Hof, J.C. van ‘t, M. Kooiman, Monumenten inventarisatie project, Gemeente Driebergen-Rijsenburg, Provincie Utrecht, 1991. Kingma, J., Buiten wonen; Villawijken in Driebergen 1920-1940, Uitgeverij Kleine Geschiedenis van de Heuvelrug, Driebergen-Rijsenburg, 2006. Kurpershoek, E., E. Kurpershoek, F. Gaasbeek, Amerongen – Geschiedenis en architectuur, Uitgeverij Kerckebosch BV Zeist, Monumenten-inventarisatie Provincie Utrecht, 1996. Lägers, H. en K. Veenland-Heineman, Maarn - geschiedenis en architectuur, Monumenteninventarisatie provincie Utrecht, Uitgeverij Kerckebosch B.V., Zeist en SPOU, Utrecht, 2003. Lägers, H.L.F., M. Prins-Schimmel, E. Stades-Vischer, Leersum – Geschiedenis en architectuur, Uitgeverij Kerckebosch BV Zeist, Monumenten-inventarisatie Provincie Utrecht, 2000. 22
Laman, M., F. Gaasbeek, Doorn – Geschiedenis en architectuur, Uitgeverij Kerckebosch BV Zeist, Monumenteninventarisatie Provincie Utrecht, 1995. Landschapsbeheer Utrecht, A. Verhagen, E. Swart, Richtlijnen lanen Langbroekerwetering en historische infrastructuur, Stuurgroep Kromme Rijnlandschap, Utrecht, maart 2007. Leffers-Dekker, S., A. van Buuren, De buitenplaats Sparrendaal te Driebergen, een park op historische grondslag, Doctoraalscriptie Landbouwhogeschool Wageningen, 1975. Luijt, J., Historisch onderzoek naar Buitenplaats Broekbergen Driebergen, december 2007. Mijnssen-Dulith, Margriet, Maren, Willem van, Middeleeuwse waterlopen in Maarsbergen en het schouwrecht van Woudenberg, in: Flehite: historisch jaarboek voor Amersfoort en omstreken, dl. 13 (2012), p. [40]-51. Oldenburger, Carla en Juliet, De groene geschiedenis van huis Amerongen, Amsterdam, november 2003. Oldenburger-Ebbers, Carla S., Korte samenvatting van de ontwikkeling en waarde van het landgoed Zuylestein. Osinga-Dubbelboer, Eva, Van Braam Houckgeestkazerne Doorn - Cultuurhistorische verkenning, 17 november 2016. Rijksdienst voor de monumentenzorg, Aardenburg te Doorn – Bijdragen tot het bronnenonderzoek naar de ontwikkeling van Nederlandse historische tuinen, parken en buitenplaatsen nr. 9, Zeist, 1982.