CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 motivering OP Dwarsweg 10 Rhenen inclusief bijlagen

Raadsvergadering 7 juli 2026, gemeente RhenenBij agendapunt: Wijziging Omgevingsplan Dwarsweg 1024.782 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

De Quickscan natuurwaardenonderzoek is uitgevoerd als één van de verschillende

(milieu)onderzoeken in het kader van besluitvorming binnen de Ruimtelijke Ordening (doorgaans het

wijzigen van het bestemmingsplan) of het aanvragen van een Omgevingsvergunning. Het onderzoek is

uitgevoerd om antwoord te kunnen geven op de vraag: is er sprake van een goede ruimtelijke ordening (is de voorgenomen activiteit uitvoerbaar?). Het is nadrukkelijk geen ecologisch werkprotocol dat

opgesteld wordt om te voorkomen dat de Wet natuurbescherming overtreden wordt als gevolg van de voorgenomen activiteiten. De Wet natuurbescherming is tijdens de uitvoering van voorgenomen activiteiten altijd van toepassing en het is aan de uitvoerende partijen om de noodzakelijke

zorgvuldigheid te betrachten tijdens de uitvoering. Om een goed ecologisch werkprotocol op te

kunnen stellen is meer detailinformatie vereist, zoals de planning in uitvoering, in te zetten materieel en informatie over type bebouwing, bouwwijze, materiaalgebruik etc.

In hoofdstuk 2 wordt de ontwikkeling beschreven. Hier wordt ingegaan op de ligging en beschrijving van het plangebied, de voorgenomen activiteiten en het vaststellen van het onderzoeksgebied. Hoofdstuk 3 bevat uitleg

van natuurwetgeving en -beleid van voorliggend rapport. Hoofdstuk 4 bevat de uitwerking van gebiedsbescherming. De uitwerking van soortenbescherming wordt in hoofdstuk 5 beschreven. In hoofdstuk 6

komt de uitwerking van de houtopstanden aan bod. In hoofdstuk 7 komt de conclusie aan de orde. In hoofdstuk 8 wordt het advies en de vervolgstappen beschreven. Voor de geraadpleegde bronnen wordt verwezen naar

hoofdstuk 9. In de bijlage zijn foto’s van het onderzoeksgebied en aanvullende informatie te vinden.

6

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.7

2400006

2. De ontwikkeling 2.1.

Plangebied

Situering

Het plangebied is gesitueerd aan de Dwarsweg 10 te Rhenen. De locatie is in het buitengebied gelegen ten noorden van Rhenen en ten zuidoosten van Veenendaal. In figuur 2.1 wordt de globale ligging van het plangebied

(blauwe ster) weergegeven op een topografische kaart.

Figuur 2.1: Globale ligging van het plangebied (blauwe ster) (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Beschrijving

Het plangebied bestaat uit bebouwing, verharding, gazon en beplanting. Binnen het plangebied zijn oude vervallen agrarische opstallen aanwezig welke niet meer in gebruik zijn. Ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een boerderijwoning welke behouden blijft.

Schuur 1 beschikt over bakstenen buitengevels zonder luchtspouw en het dak bestaat uit een met dakpannen gedekt zadeldak. Her en der missen dakpannen. De schuur beschikt niet over dakisolatie.

Schuur 2 beschikt over betonnen buitengevels zonder luchtspouw en het dak is gedekt met asbest-golfplaten. Het dak beschikt over isolatieplaten. Wegens de voormalige functie (veestal) zijn de ruimtes tussen de golfplaten

7

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.8

2400006

met de buitengevels afgedicht met materiaal om predatoren te weren. Verder sluiten de kozijnen nauw aan met de buitengevels.

Schuur 3 beschikt over betonnen buitengevels zonder luchtspouw en het dak is gedekt met metalen golfplaten. Er is geen dakisolatie aanwezig. De schuur wordt gebruikt voor opslag.

Schuur 4 beschikt over enkel houten buitengevels. Het dak is gedekt met dakpannen en er is geen dakisolatie aanwezig.

Schuur 5 is een grote kapschuur welke voor opslag gebruikt wordt. De schuur beschikt over houten buitengevels en de achterzijde en het dak zijn gedekt met metalen damwandplaten. Er is geen dakisolatie aanwezig.

Schuur 6 beschikt over betonnen buitengevels zonder luchtspouw welke vanaf de buitenzijde aan de oostkant grotendeels gedekt zijn met houten betimmering. De betimmering sluit nauw op elkaar en op de buitengevels aan. Het dak is gedekt met asbestgolfplaten en beschikt niet over isolatie.

Schuur 7 beschikt over buitengevels van houten betimmering en het dak is gedekt met asbest golfplaten. De onderzijde van de gevels bestaat uit bakstenen. Er is geen dakisolatie aanwezig en er staan spullen opgeslagen in de schuur.

Schuur 8 beschikt over bakstenen buitengevels zonder luchtspouw. Het dak is een met asbest golfplaten gedekt zadeldak. Verder is dakisolatie aanwezig. Wegens de voormalige functie (veestal) zijn de ruimtes tussen de

golfplaten met de buitengevels afgedicht met materiaal om predatoren te weren. De golfplaten en kozijnen sluiten nauw aan met de buitengevels. Ten zuiden van schuur 8 is een metalen mestsilo aanwezig.

Aan de westzijde van schuur 7 en 8 ligt een bult zand opgeslagen en verder is grotendeels Engels raaigras aanwezig waar enkele schapen lopen te grazen. Er staan enkele (fruit)bomen op het terrein. Rondom de boerderijwoning is

een heg aanwezig en bestaat de tuin grotendeels uit een moestuin. Verder is klinkerverharding aanwezig. Voor

een verbeelding van het plangebied wordt verwezen naar bijlage 1. In figuur 2.2 wordt de begrenzing (blauw

kader) van het plangebied weergegeven.

8

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.9

6 7

1

5 8

9

2400006

2

4 3

Figuur 2.2: Begrenzing (blauw kader) van het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

2.2.

Voorgenomen activiteiten

Initiatiefnemer is voornemens de agrarische opstallen te slopen en het terrein te herontwikkelen in het kader van

rood-voor-rood. De boerderijwoning met tuin blijft behouden. Verder zal verharding worden verwijderd. Een

verbeelding van het wenselijk eindbeeld ontbreekt. Mogelijk wordt enkele beplanting gerooid. De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: •

• • • • •

slopen agrarische opstallen; rooien beplanting;

verwijderen verharding;

bouwrijp maken bouwplaats; bouwen woning;

aanleggen verharding.

2.3.

Onderzoeksgebied

Mogelijk effect op beschermde soorten en/of gebieden

De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden:

9

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.10

2400006

Mogelijke tijdelijke invloeden: •

verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden.

Mogelijke permanente invloeden: • • •

mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of voortplantingsplaatsen en/of jaarrond

beschermde nesten;

vernielen/verdwijnen van beschermde soorten;

aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten.

Vaststellen van de invloedsfeer

Naast een tijdelijk effect op het plangebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect

heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het plangebied. Dit wordt invloedsfeer

genoemd. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of

permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep.

In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals sloop- en bouwwerkzaamheden.

Vaststellen van het onderzoeksgebied

Om de effecten van de voorgenomen activiteiten goed in beeld te kunnen brengen, is het van belang ook buiten

het plangebied te kijken. In voorliggend geval grenst het plangebied aan agrarische percelen en openbare ruimte. Vanwege de lokale invloedsfeer wordt het onderzoeksgebied gelijkgesteld aan het plangebied. Er is geen

aanleiding te veronderstellen dat beschermde soorten en/of -waarden buiten het onderzoeksgebied op een

dusdanige wijze aangetast worden, dat dit leidt tot wettelijke consequenties.

10

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.11

2400006

3. Natuurwetgeving en -beleid 3.1.

Inleiding

Bij een ruimtelijke ontwikkeling worden voorgenomen activiteiten op verschillende aspecten beoordeeld,

namelijk Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden. Hierbij is de provincie het bevoegd gezag. Op een aantal terreinen vormt het Rijk echter het bevoegd gezag.

3.2.

Gebiedsbescherming

Natura 2000

Het onderdeel gebiedsbescherming van de Wet natuurbescherming heeft als doel het beschermen van Natura 2000-gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen

voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan. Ook het vaststellen

van plannen zoals een bestemmingsplan of een inpassingsplan is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben op Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook

gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets

niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een vergunning noodzakelijk op grond van artikel 2.7 Wet natuurbescherming. Beleid t.a.v. Natuurnetwerk Nederland

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau

vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN)/Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is verankerd. De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Structuurvisie infrastructuur en ruimte (SVIR). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN/EHS zijn opgenomen in het Besluit algemene regels

ruimtelijke ordening (Barro). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN/EHS vallen moet het belang van de

natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief

uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven.

Concrete beleidsregels ten aanzien van het NNN in Utrecht zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke

verordening van de provincie Utrecht. In Utrecht wordt gesproken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), Groene contour (GC), Weidevogelkerngebied (WK) en Ganzenrustgebied (GR).

3.3.

Soortenbescherming

In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen

met beschermde soorten. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Artikel 3.1: Soorten Vogelrichtlijn 11

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.12

2400006

1.

Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in

2.

Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen

3.

Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben;

5.

Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op

4.

artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen;

of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen;

Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Artikel 3.5: Soorten Habitatrichtlijn 1.

Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen;

2.

Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren;

4.

Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te

3.

5.

Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; beschadigen of te vernielen;

Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Artikel 3.10: Andere Soorten 1.

Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a.

onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers

b.

onderdeel b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a

c.

onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun

van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of;

natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Zorgplicht

Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor eenieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.

De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de

zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat eenieder die weet of

redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: a.

12

dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel,

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.13

2400006

b.

indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft

c.

voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan

om die gevolgen te voorkomen, of maakt.

Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV)

de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit ontheffingsplicht artikel 3.10 uit de Wet natuurbescherming. Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld

dient bij overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb een ontheffing te worden aangevraagd. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding

niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categoriesoorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing nodig.

3.4.

Houtopstanden

Om het bosareaal in stand te blijven houden zijn regels opgenomen in de Wet Natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden (hoofdstuk 4). Meldplicht, herplantplicht en mogelijke oplegging van een kapverbod vormen hierbij de kern. Deze regels zijn in het belang van zowel nationale als internationale natuur-, landschaps- en

milieudoelstellingen. In de Wet wordt een houtopstand gedefinieerd als zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend die: a.

een oppervlakte grond beslaat van 10 are of meer, of

b.

bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen.

Indien een houtopstand geheel of gedeeltelijk gerooid wordt, dient de rechthebbende binnen drie jaar dezelfde

grond her te beplanten. Herbeplanting die niet is aangeslagen dient binnen drie jaar vervangen te worden.

Wanneer natuurlijke verjonging geen optie is, moeten boomsoorten die bij de groeiplaats aansluiten worden geplant.

Zoals beschreven in Artikel 4.1 heeft de Wet natuurbescherming geen betrekking op houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom, houtopstanden op erven en tuinen,

fruitbomen en windschermen om boomgaarden, naaldbomen die bedoelt zijn als kerstbomen (niet ouder dan

twintig jaar), kweekgoed, éénrijige beplanting van populier of wilg langs landbouwgronden, wegbeplanting en

langs waterwegen, dunnen van een houtopstand en populieren, wilgen, essen of elzen die bedoelt zijn voor de

productie van houtige biomassa.

Wanneer bomen binnen de bebouwde kom van de Wet Natuurbescherming gekapt zullen worden is de bomenverordening van de desbetreffende gemeente van kracht. Er zal nagegaan moeten worden wat de gevolgen zijn en of er een gemeentelijke (omgevings-)vergunning nodig is voor het rooien van de houtopstanden.

13

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.14

2400006

4. Gebiedsbescherming 4.1.

NNN, Groene contour, Weidevogelkerngebied en Ganzenrustgebied

Ligging onderzoeksgebied t.o.v. NNN, GC, WK & GR

Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland, Groene contour,

Weidevogelkerngebied en Ganzenrustgebied behoren. Gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren

liggen op minimaal 820 meter afstand van het onderzoeksgebied. In figuur 4.1 wordt de ligging van het

Natuurnetwerk Nederland (felgroene kleur) en de Groene contour (lichtgroene kleur) in de omgeving van het onderzoeksgebied (blauwe ster) weergegeven. Gronden die tot de Groene contour, Weidevogelkerngebied en Ganzenrustgebied behoren liggen op minimaal 2,3 kilometer afstand van het onderzoeksgebied.

Figuur 4.1: Ligging onderzoeksgebied (blauwe ster) t.o.v. NNN en GC (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Effectbeoordeling

De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. Vanwege de ligging buiten deze

gronden hoeft er niet getoetst te worden aan het NNN ten aanzien van het provinciaal beleid. Daarnaast is de invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten lokaal en is de afstand met het onderzoeksgebied dusdanig groot

dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de Groene contour, Weidevogelkerngebied en Ganzenrustgebied hebben.

Consequenties t.a.v. provinciaal beleid

14

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.15

2400006

Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland, Groene contour, Weidevogelkerngebied en Ganzenrustgebied behoren. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent

geen externe werking. Vanwege de ligging buiten deze gronden hoeft er niet getoetst te worden aan het NNN ten aanzien van het provinciaal beleid. Daarnaast is de invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten lokaal en is de afstand met het onderzoeksgebied dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de Groene contour, Weidevogelkerngebied en Ganzenrustgebied hebben.

Er hoeft dan ook niet getoetst te worden aan provinciaal beleid. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot consequenties ten aanzien van provinciaal beleid.

4.2.

Natura 2000

Ligging onderzoeksgebied t.o.v. Natura 2000

Het onderzoeksgebied ligt buiten Natura 2000-gebied. Het Natura 2000-gebied Binnenveld is het meest

nabijgelegen Natura 2000-gebied en ligt op minimaal 950 meter afstand van het onderzoeksgebied. In figuur 4.2

wordt de ligging van Natura 2000-gebied (okergele kleur) in de omgeving van het onderzoeksgebied (blauwe ster) weergegeven.

Figuur 4.2: Ligging onderzoeksgebied (blauwe ster) t.o.v. Natura 2000-gebied (bron: pdok.nl)

Beoordeling uitvoering fysieke activiteiten

De uitvoering van fysieke activiteiten in een onderzoeksgebied zou kunnen leiden tot een negatief effect op

instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied in de omgeving van een onderzoeksgebied. Als gevolg van

15

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.16

2400006

fysieke werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden, zoals een toename van geluid, trillingen, kunstlicht, visuele verstoring, areaalverlies en aantasten hydrologie.

Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen het onderzoeksgebied

en Natura 2000-gebied, wordt in voorliggend geval een negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebied uitgesloten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal en gelet op de afstand tussen het onderzoeksgebied en Natura 2000-gebied is een negatief effect uitgesloten.

Stikstofgevoelige habitattypen

Niet alle habitattypen in Natura 2000-gebied zijn even gevoelig voor verzuring, als gevolg van stikstofdepositie, maar het Natura 2000-gebied Binnenveld bestaat voor een aanzienlijk deel uit stikstofgevoelige habitattypen. Beoordeling stikstof: Realisatie- en gebruiksfase

Ten behoeve van de totale ontwikkeling wordt materiaal met een verbrandingsmotor ingezet en vindt er een tijdelijke toename plaats van verkeersbewegingen als gevolg van de aan- en afvoer van materialen en personeel.

Daarnaast zal als gevolg van het realiseren van een extra woning een mogelijke toename van verkeersbewegingen plaatsvinden in de gebruiksfase. Gelet op de ligging van het onderzoeksgebied ten opzichte van Natura 2000-

gebied, kan een negatief effect van stikstof op Natura 2000-gebied niet uitgesloten worden. Geadviseerd wordt

om een stikstofdepositieberekening uit te laten voeren. Consequenties t.a.v. WNB

Voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura

2000-gebied en leiden daarom mogelijk tot wettelijke consequenties. Geadviseerd wordt om een stikstofdepositieberekening uit te laten voeren.

4.3.

Slotconclusie

Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland, Groene contour, Weidevogelkerngebied en Ganzenrustgebied behoren. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent

geen externe werking. Vanwege de ligging buiten deze gronden hoeft er niet getoetst te worden aan het NNN ten aanzien van het provinciaal beleid. Daarnaast is de invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten lokaal en is de afstand met het onderzoeksgebied dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de Groene contour, Weidevogelkerngebied en Ganzenrustgebied hebben.

Er hoeft dan ook niet getoetst te worden aan provinciaal beleid. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot

consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Een negatief effect van voorgenomen activiteiten op Natura 2000-gebied kan op basis van voorliggende studie niet uitgesloten worden. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden mogelijk tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Vanuit ecologisch

oogpunt dient een stikstofdepositieberekening te worden uitgevoerd.

16

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.17

2400006

5. Soortenbescherming 5.1.

Hypothese en bureauonderzoek

Het onderzoeksgebied is voorafgaand het veldbezoek bestudeerd aan de hand van literatuur. De mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten is bepaald aan de hand van de van regionale en landelijke

verspreidingsatlassen, zoals RAVON, SOVON, Zoogdiervereniging en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF).

De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied mogelijk tot een geschikte groeiplaats voor (beschermde) plantensoorten en tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde diersoorten. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het onderzoeksgebied mogelijk

tot functioneel leefgebied van beschermde en/of algemene flora- en faunasoorten uit onderstaande soortgroepen: • • • •

• •

amfibieën; flora;

grondgebonden zoogdieren; ongewervelden;

vleermuizen; vogels.

Reptielen

Het onderzoeksgebied is ongeschikt als leefgebied voor reptielen door het ontbreken van heide, broeihopen, een

goede ontwikkelde strooisellaag, ingerotte boomstobben of vegetatie van zeggen of russen. Tevens geven de

NDFF-verspreidingsgegevens van reptielen (NDFF, 2022) aan dat er in de omgeving van het onderzoeksgebied geen beschermde soorten voorkomen.

Vissen en kreeftachtigen

Omdat er geen open water (sloten, vijvers, watergangen) in het onderzoeksgebied aanwezig zijn of niet negatief

worden beïnvloed, zijn beschermde vissoorten en kreeftachtigen niet meegenomen in voorliggend onderzoek. Tevens geven de NDFF-verspreidingsgegevens van vissen en kreeftachtigen (NDFF, 2022) aan dat er in de omgeving van het onderzoeksgebied geen beschermde soorten voorkomen.

5.2.

Methode

Veldbezoek

In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het onderzoeksgebied op 4 mei 2023 tijdens de daglichtperiode

met geschikte weersomstandigheden bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid

en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief

onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker, zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. Amfibieën

17

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.18

2400006

De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën. Amfibieën hebben de

winterverblijfplaats verlaten en, afhankelijk van de soort, bezetten amfibieën de land- of voortplantingsbiotoop. Amfibieën in landbiotoop zitten overdag ook meestal weggekropen in holen en gaten in de grond of onder strooisel, bladeren, takken, rommel of opgeslagen goederen en zijn dan lastig waar te nemen.

Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van

de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het

onderzoeksgebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten. Flora

De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar de groeiplaats van beschermde planten. In deze tijd van het jaar bloeien de meeste soorten en is determinatie goed mogelijk. Het onderzoeksgebied is beoordeeld op

potentieel geschikte standplaatsen van planten. Beschermde planten komen hoofdzakelijk voor in de volgende

biotopen: zomen en ruigte, natte of droge storingsmilieu ’s, extensieve graslanden, akkers, moeras of pioniermilieus met open en zonnige standplaatsen. Grondgebonden zoogdieren

Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek. Verschillende beschermde grondgebonden

diersoorten hebben zogende zogen in deze tijd van het jaar en veel grondgebonden zoogdieren benutten de voortplantingsplaats als vaste rustplaats buiten de voortplantingsperiode.

Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Ongewervelden

De onderzoeksperiode geschikt voor onderzoek beschermde dagvlinders, libellen en overige ongewervelden. Ongewervelden komen voor in waterelementen, natuurlijke oevers of plekken met essentiële waardplanten voor beschermde ongewervelden zoals hooilanden, heidevelden en hoogveenmoerassen.

Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken en het voorkomen van essentiële waardplanten kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor ongewervelden. Vleermuizen

De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Er is in het

onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen in bomen

en gebouwen. De gebouwen en bomen zijn beoordeeld op de geschiktheid als verblijfplaats. Daarbij is gekeken naar potentiële verblijfplaatsen in en aan de gebouwen en bomen.

18

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.19

2400006

Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag dat vleermuizen foerageren of lijnvormige

landschapselementen benutten als vliegroute, maar de mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het onderzoeksgebied. Vogels

Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels omdat de meeste vogels in deze tijd van het jaar territorium-

indicerend gedrag (zingen/balts) vertonen en veel soorten een bezet nest hebben. Sommige standvogels (dit zijn vogels die niet wegtrekken in de winter), zoals de huismus, steen- en kerkuil zijn doorgaans het hele jaar

door aanwezig in de buurt van de nest-/rustplaats.

In het onderzoeksgebied is gekeken naar vogels, (oude) nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het onderzoeksgebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. De bebouwing is o.a. onderzocht op de aanwezigheid van

huismussennesten. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede

inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels.

5.3.

Resultaten en wettelijke consequenties

Amfibieën

Verspreiding en functie

Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel

leefgebied voor verschillende beschermde amfibieënsoorten beschouwd, zoals bastaardkikker, gewone pad en

kleine watersalamander. Er zijn geen waarnemingen bekend van (streng) beschermde amfibieënsoorten (NDFF, 2023).

Algemeen beschermde amfibieënsoorten benutten de buitenruimte mogelijk als foerageergebied en mogelijk

bezetten ze er een (winter)rustplaats. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het onderzoeksgebied. Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond en onder opgeslagen spullen.

Het onderzoeksgebied wordt niet als functioneel leefgebied van zeldzame amfibieënsoorten als kamsalamander, rugstreeppad of poelkikker beschouwd. In het onderzoeksgebied zijn geen vennen, poelen of kleine plasjes aanwezig.

Wettelijke consequenties

Door het uitvoeren van grondverzet en het opruimen van opgeslagen spullen wordt mogelijk een amfibie gedood en wordt mogelijk een (winter)rustplaats beschadigd of vernield. De in het onderzoeksgebied voorkomende amfibieën mogen niet gedood worden. Voor het beschadigen/ vernielen van de rust- en voortplantingsplaats

geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden,

dienen ze weggejaagd of weggevangen te worden en elders weer losgelaten te worden. Indien niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden)

19

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.20

2400006

aangevraagd te worden. De functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied neemt mogelijk tijdelijk af, maar dit leidt niet tot wettelijke consequenties.

Conclusie •

Voor de aanwezige amfibieën geldt dat deze niet mogen worden gedood. Ze moeten worden weggevangen of er dient ontheffing aangevraagd te worden.

Flora

Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Daarnaast wordt het

onderzoeksgebied op basis van verspreidingsatlassen en NDFF niet als geschikt beschouwd op het voorkomen van beschermde plantensoorten (NDFF, 2023).

Wettelijke consequenties

Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde plantensoorten aangetast. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

Conclusie •

Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties voor flora.

Grondgebonden zoogdieren

Verspreiding en functie

Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel leefgebied voor verschillende beschermde grondgebonden zoogdieren beschouwd en er is een waarneming

bekend van de haas en wezel (NDFF, 2023). Grondgebonden zoogdieren die in het onderzoeksgebied voor kunnen

komen zijn bosmuis, huisspitsmuis, steenmarter, haas en konijn.

De voorgenoemde muizensoorten bezetten mogelijk een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in holen en gaten

in de grond en onder opgeslagen spullen. De steenmarter bezet geen vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het

onderzoeksgebied. Er zijn geen gebruikssporen aangetroffen welke eenvoudig vast te stellen zijn aan de hand van prooiresten en latrines. De schuren welke over dakisolatieplaten beschikken zijn niet toegankelijk voor de steenmarter doordat het met materiaal is afgedicht. Verder zijn geen konijnenholen of hazenlegers aangetroffen in het onderzoeksgebied.

Op enkele honderden meters ten zuiden is een dood exemplaar op de weg bekend van een wezel (zuidelijke meentsteeg). Daarnaast zijn diverse waarnemingen bekend van de wezel in het natuurgebied ‘Binnenveldse

Hooilanden’ wat op circa 900 meter ten oosten van het onderzoeksgebied is gelegen. Kleine marterachtigen zijn sterk afhankelijk van beschutte landschapselementen welke met elkaar in verbinding staan. De wezel heeft

vermoedelijk gebruik gemaakt van dichtbegroeide wegbermen en oevers. Voorbeeld van beschutte landschapselementen zijn bosschages, dichtbegroeide oevers en houtwallen met onderbegroeiing. Kleine

marterachtigen gebruiken deze elementen om te foerageren en om te migreren tussen foerageergebieden en

vaste rust- en voortplantingsplaatsen. Binnen het onderzoeksgebied ontbreken lijnvormige elementen en is

20

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.21

2400006

weinig dekking aanwezig. Een vaste rust- en voortplantingsplaats van kleine marterachtigen wordt dan ook

worden uitgesloten binnen het onderzoeksgebied.

Wettelijke consequenties

Door het uitvoeren van grondverzet en het opruimen van opgeslagen spullen wordt mogelijk een beschermd

grondgebonden zoogdier gedood en wordt mogelijk een vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. De in het onderzoeksgebied voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten mogen niet gedood worden. Voor het beschadigen/vernielen van de rust- en voortplantingsplaats geldt een vrijstelling van de

verbodsbepalingen. Om te voorkomen dat deze dieren (opzettelijk) gedood worden, dienen ze weggejaagd of

weggevangen te worden en elders weer losgelaten te worden. Indien niet voorkomen kan worden dat

beschermde dieren gedood worden, dient een ontheffing van de verbodsbepalingen (doden) aangevraagd te

worden. De functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied neemt mogelijk tijdelijk af, maar dit leidt niet tot wettelijke consequenties.

Conclusie •

Voor de aanwezige grondgebonden zoogdieren geldt dat deze niet mogen worden gedood. Ze moeten worden weggevangen of er dient ontheffing aangevraagd te worden.

Ongewervelden

Verspreiding en functie

In het onderzoeksgebied zijn geen beschermde ongewervelden waargenomen en er zijn geen aanwijzingen

gevonden dat het onderzoeksgebied een geschikt habitat vormt voor beschermde ongewervelden. Er zijn eveneens geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde ongewervelden in en nabij het onderzoeksgebied

(NDFF, 2023). Beschermde dagvlinders en libellen zijn voornamelijk gebonden aan specifieke terreintypen zoals droge- en vochtige heiden, vennen en hoogveen welke voornamelijk in natuurgebieden te vinden zijn. In het

onderzoeksgebied ontbreekt dergelijk habitat en er zijn geen geschikte waardplanten aanwezig van beschermde ongewervelden.

Wettelijke consequenties

Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde ongewervelden gedood en wordt geen vaste rust- en voortplantingsplaats beschadigd of vernield. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen

ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

Conclusie •

Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties voor ongewervelden.

Vleermuizen

Verspreiding en functie: verblijfplaats

21

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.22

2400006

Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied als functioneel

leefgebied voor verschillende beschermde vleermuissoorten beschouwd. Er zijn geen waarnemingen bekend van

vleermuissoorten in het onderzoeksgebied (NDFF, 2023).

Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen gevonden dat

vleermuizen een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied bezetten. De schuren verkeren

allen in een slechte staat, waardoor er grote temperatuurschommelingen aanwezig zijn en daardoor niet geschikt is als verblijfplaats (zie figuur 5.1).

De schuren beschikken over éénsteens buitengevels of over enkel houten betimmering. Er is dus geen luchtspouw

aanwezig waar vleermuizen een verblijfplaats kunnen bezetten. Daarnaast beschikken de meeste schuren niet

over dakisolatie. De schuren waar dakisolatie aanwezig is (2 en 8) zijn afgedicht met materiaal om predatoren van het voormalige vee te weren en is dus niet toegankelijk voor vleermuizen. Bovendien is er tussen golfplaten en

panelen sprake van een continue luchtstroom. Vleermuizen prefereren locaties met stabiele klimatologische omstandigheden.

Figuur 5.1: Schuren verkeren in slechte staat waardoor er veel tocht in de schuren aanwezig is wat ongeschikt is voor vleermuizen

Het hout van de schuren met houten betimmering sluit nauw op elkaar aan en eveneens op de buitengevels (zie figuur 5.2). Daarnaast zijn enkele schuren toegankelijk voor vleermuizen maar wegens de zeer slechte staat van

de schuren heerst er veel tocht en is het microklimaat ongeschikt voor vleermuizen om er een verblijfplaats te 22

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.23

2400006

bezetten. De schuren worden eveneens niet als rustplaats benut. Rustplaatsen in gebouwen zijn doorgaans goed

vast te stellen aan de hand van uitwerpselen en prooiresten op de grond onder de hangplek. Verder zijn geen elementen aanwezig waar vleermuizen een verblijfplaats achter kunnen bezetten zoals boeiboorden en daklijsten. De opgaande beplanting vormt geen potentiële verblijfplaats voor vleermuizen, deze bomen beschikken niet over holen in de stam of losse schors.

Figuur 5.2: geen beschikbare ruimte voor vleermuizen om een verblijfplaats achter houten betimmering te bezetten

Verspreiding en functie: foerageergebied

Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het onderzoeksgebied als een geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren verschillende soorten rond de

bebouwing en beplanting en vliegen ze over het onderzoeksgebied terwijl ze foerageren rond bomen die net

buiten het onderzoeksgebied staan. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte, wordt het onderzoeksgebied niet als essentieel foerageergebied voor vleermuizen beschouwd.

Verspreiding en functie: vliegroute

Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen

die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantaarnpalen

en gevels van woningen. Het onderzoeksgebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen.

Wettelijke consequenties

Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt geen vleermuis verstoord of gedood, wordt geen vaste

rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield en wordt geen essentieel foerageergebied of vliegroute aangetast. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen

nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.

Conclusie •

Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties voor vleermuizen.

Vogels

Verspreiding en functie 23

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.24

2400006

Op basis van het veldbezoek, verspreidingsatlassen en NDFF wordt het onderzoeksgebied wordt als functioneel

leefgebied voor verschillende vogelsoorten beschouwd en zijn er waarnemingen bekend van boerenzwaluwen, huiszwaluwen, gele kwikstaart, kievit en patrijs (NDFF, 2023). Vogelsoorten gebruiken het onderzoeksgebied als

foerageergebied en mogelijk nestelen verschillende vogelsoorten aan de bebouwing en in de beplanting. Vogelsoorten die mogelijk in het onderzoeksgebied nestelen zijn heggenmus, roodborst, vink, winterkoning, houtduif, huismus en merel.

Tijdens het veldbezoek zijn geen (oude) nesten van de huis- en boerenzwaluw waargenomen. Het vee heeft de

stallen al enige tijd geleden verlaten waardoor het minder geschikt voor deze soorten is om te nestelen. Verder

zijn huismussen aangetroffen op het terrein. Huismussen bezetten mogelijk een nestplaats tussen de

damwandplaten van de schuren. Om deze reden heeft een nader onderzoek huismus plaatsgevonden. Tijdens

het nader onderzoek zijn enkel nesten van de huismus in de boerderijwoning aangetroffen (zie figuur 5.3). De agrarische opstallen maken geen onderdeel uit van essentieel leefgebied doordat er voldoende groen in de tuin aanwezig is waar de huismussen dekking en voedsel kunnen vinden.

Figuur 5.3: nestlocatie huismussen onder dakpannen van boerderijwoning

In het onderzoeksgebied zijn geen aanwijzingen gevonden dat roofvogels en/of uilen er een vaste rust- of voortplantingsplaats bezetten. In de omgeving zijn weliswaar meerdere waarnemingen bekend van de steenuil

(zie figuur 5.4). Daarnaast zijn enkele waarnemingen op circa 1 kilometer afstand bekend van kerkuilen. Deze uilen bezetten vermoedelijk nestplaatsen ter plaatse van de boerderijen in de omgeving. Echter zijn in de stallen binnen het onderzoeksgebied geen sporen aangetroffen van uilen als schijtsporen, braakballen en ruiveren. Daarnaast

zijn de schuren waar dakisolatie aanwezig is (2 en 8) afgedicht met materiaal om predatoren van het voormalige

vee te weren. Deze daken zijn dan ook niet toegankelijk voor vogels. Het foerageergebied bestaat uit kort gemaaide of begraasde weilanden waar ze regenwormen en veldmuizen kunnen vangen. Daarnaast zijn in

houtwallen, houtstapels en ruigtes insecten te vinden. Verder zijn boerderijen met vee belangrijk waar veel muizen te vinden zijn. Doordat er geen vee meer aanwezig is in de stallen zal weinig voedsel te vinden zijn binnen

het onderzoeksgebied. Daarnaast ontbreken begraasde weilanden. Deze elementen zullen wel aanwezig zijn in

de omgeving van de waarnemingen. Het onderzoeksgebied maakt dan ook geen onderdeel uit van essentieel

leefgebied voor uilen. Het agrarische perceel naast de bebouwing wordt niet als geschikt beschouwd voor vogels als gele kwikstaart, kievit en patrijs om te broeden wegens het intensieve beheer.

24

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.25

2400006

Figuur 5.4: Waarnemingen steenuil in omgeving van het onderzoeksgebied

Wettelijke consequenties

Als gevolg van de voorgenomen activiteiten wordt mogelijk een bezet vogelnest beschadigd, vernield en/of verstoord. Van de in het onderzoeksgebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd,

niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen/vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het

verstoren/vernielen van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van

vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Om dit te voorkomen dient dan een

broedvogelscan te worden uitgevoerd. De functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied neemt mogelijk tijdelijk af, maar dit leidt niet tot wettelijke consequenties.

Conclusie •

Uitvoeren voorgenomen activiteiten buiten de voortplantingsperiode (of broedvogelscan uitvoeren).

Overige soorten

25

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.26

2400006

Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten.

Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.

5.4.

Slotconclusie

In tabel 5.1 en tabel 5.2 worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Tabel 5.1: Samenvatting van de wettelijke consequenties Soortgroep

Functie

Beschermde soorten

Verbodsbepalingen

Aandachtspunt

Amfibieën

Foerageergebied

Diverse soorten

Niet van toepassing; vrijstelling

Geen

Amfibieën

(Winter)rustplaats

Diverse soorten

Niet van toepassing; vrijstelling

Geen

Amfibieën

Voortplantingsplaats

Niet aanwezig

Niet van toepassing

Amfibieën

onderzoeksgebied

Doden van dieren

Flora

Diverse soorten

Standplaats

Grondgebonden

Niet aanwezig

Foerageergebied

zoogdieren

Grondgebonden

Vaste

Grondgebonden

Doden van dieren

Ongewervelden

Vaste

Ongewervelden

Doden van dieren

zoogdieren

Diverse soorten

rust-

voortplantingsplaats

zoogdieren

rust-

en

Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling

Geen

Diverse soorten

Art. 3.10 lid 1a

Geen dieren doden:

i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling

aanvragen

Niet van toepassing

Geen

Vliegroute

Niet aanwezig

Niet van toepassing

Geen

Foerageergebied

Diverse soorten

Niet

Geen

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing van

toepassing; vrijstelling

i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling

Jaarrond beschermde

Niet aanwezig

Niet van toepassing

Vogels

Doden van dieren

Diverse soorten

Art. 3.1 lid 1

Dieren

Niet aanwezig

Niet van toepassing

nesten

(niet

nest- en rustplaats

functies

en

overige

Diverse soorten

Art. 3.1 lid 2

Tabel 5.2: Vereenvoudigde samenvatting van de wettelijke consequenties per soortgroep

26

wegvangen of ontheffing

Niet aanwezig

Niet aanwezig

Vogels

faunasoorten

Geen

Essentieel

of

jaarrond beschermd)

en

Geen

Niet van toepassing; vrijstelling

Bezette

flora-

aanvragen

Diverse soorten

Vogels

Overige

wegvangen of ontheffing

Geen

Doden van dieren

Vogels

Niet van toepassing

Geen

Geen dieren doden:

Niet van toepassing

foerageergebied

Vleermuizen

Art. 3.10 lid 1a

Niet aanwezig

voortplantingsplaats

Vleermuizen

i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling

Niet van toepassing

Rust-

Vleermuizen

i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling

Niet aanwezig

voortplantingsplaats

Vleermuizen

en

(Wet natuurbescherming)

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

Geen

Geen

Geen

Werken buiten

voortplantingsperiode of

broedvogelscan uitvoeren Geen

Werken buiten

voortplantingsperiode of

broedvogelscan uitvoeren Geen

SPA WNP ingenieurs

Soortgroep

Amfibieën Flora

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.27

Vaste

rust

Voort-

Vliegroute

Essentieel

standplaats

plaats

muizen)

gebied

plaats/ Ja

plantingsNee

(vleern.v.t.

foerageer-

Wettelijke

consequenties

Nee

Ja

2400006

Nader

onderzoek vereist Nee

Nee, tenzij dieren Nee

Nee

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Nee

Nee

Ongewervelden

Nee

Nee

n.v.t.

Nee

Nee

Nee

Vogels

Nee

Ja

n.v.t.

Nee

Ja

Nee

Grondgebonden zoogdieren

Vleermuizen

Ja

Nee

Ja

Nee

n.v.t. Nee

Nee Nee

Ja

Nee

Ontheffing vereist

Nee Nee

gedood worden

Nee, tenzij dieren gedood worden Nee Nee

Nee, tenzij vogels gedood, bezette

nesten verstoord,

beschadigd of vernield worden

27

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.28

2400006

6. Houtopstanden

Wegens de ligging buiten de bebouwde kom van de Wet natuurbescherming is de Wet natuurbescherming van

toepassing. De in het onderzoeksgebied aanwezige bomen zijn niet beschermd op grond van de Wet

natuurbescherming zoals beschreven in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming: artikel 4.1 lid b. houtopstanden op erven of in tuinen.

28

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.29

2400006

7. Conclusie

Conclusie m.b.t. gebiedsbescherming

Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland, Groene contour, Weidevogelkerngebied en Ganzenrustgebied behoren. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent

geen externe werking. Vanwege de ligging buiten deze gronden hoeft er niet getoetst te worden aan het NNN ten aanzien van het provinciaal beleid. Daarnaast is de invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten lokaal en is de afstand met het onderzoeksgebied dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de Groene contour, Weidevogelkerngebied en Ganzenrustgebied hebben.

Er hoeft dan ook niet getoetst te worden aan provinciaal beleid. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot

consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Een negatief effect van voorgenomen activiteiten op Natura 2000-gebied kan op basis van voorliggende studie niet uitgesloten worden. Uitvoering van de voorgenomen

activiteiten leiden mogelijk tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Vanuit ecologisch oogpunt dient een stikstofdepositieberekening te worden uitgevoerd. Conclusie m.b.t. soortenbescherming

De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten.

Beschermde diersoorten benutten het onderzoeksgebied als foerageergebied en mogelijk bezet een beschermd

grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een

(winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen en beschermde ongewervelden bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats.

Van de in het onderzoeksgebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten

dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield

worden.

Indien

de

voorgenomen

activiteiten

uitgevoerd

worden

tijdens

de

voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.

Mogelijk komen algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën voor binnen het

onderzoeksgebied. Deze soorten staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen. Er hoeft dan

ook geen ontheffing voor de uitvoering van voorgenomen activiteiten te worden aangevraagd. Aanbevolen wordt om buiten de kwetsbare periode (augustus-oktober) van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren de mogelijkheid hebben om te vluchten.

In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het onderzoeksgebied aanwezige

planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten

en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Door het uitvoeren

29

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

SPA WNP ingenieurs

Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.30

2400006

van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied tijdelijk aangetast. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties.

Conclusie m.b.t. houtopstanden

Wegens de ligging buiten de bebouwde kom van de Wet natuurbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. De in het onderzoeksgebied aanwezige bomen zijn niet beschermd op grond van de Wet

natuurbescherming zoals beschreven in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming: artikel 4.1 lid b. houtopstanden op erven of in tuinen.

30

Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen

28-8-2024

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17051253/1