Bijlage 1 motivering OP Dwarsweg 10 Rhenen inclusief bijlagen
Tekst van het document
Besluiten als bedoeld in artikel 11.6, derde lid, onderc, van dit besluit (kolom 4)
Aanleg, wijziging of uitbreiding
Het omgevingsplan
Uit de bovenstaande tabel blijkt dat het uitvoeren van een m.e.r. geen noodzaak is. Wel is de m.e.r.-beoordelingsplicht van toepassing. Hierdoor dient nagegaan te worden of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Hiervoor dient nagegaan te worden of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu. Behandeld dienen te worden de ‘kenmerken van het project’, ‘locatie van het project’ en ‘soort en kenmerken van het potentiële effect’.
Pagina 30
SPA WNP ingenieurs
2400006.3100.r01
Uit de uiteenzetting van voorgaande milieuparagrafen blijkt dat de beoogde ontwikkeling geen onderdelen bevat die in hoge mate bijdragen aan de aspecten cumulatie met andere projecten, de locatie van het plan, verontreiniging- en hinder, risico’s van zware ongevallen en risico’s voor de menselijke gezondheid. Aspecten die voorgaand niet zijn behandeld, worden nader toegelicht.
Kenmerken van het project Cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten Door rekening te houden met cumulatie van effecten wordt beoogd te voorkomen dat een opeenstapeling van effecten uiteindelijk leidt tot aanzienlijke effecten. Om die reden moeten effecten van activiteiten beoordeeld worden in combinatie met andere projecten of handelingen van bijvoorbeeld al in uitvoering zijnde of te verwachten, (nagenoeg) reeds vergunde activiteiten. Om te bepalen of er in de relevante omgeving nog andere activiteiten zijn die tot cumulatie van de milieueffecten kunnen leiden, zijn de recent door de gemeente Rhenen gepubliceerde besluiten beoordeeld. Hieruit blijkt, dat in de nabije omgeving van het plangebied geen recente besluiten zijn genomen met betrekking tot ruimtelijke plannen, waarbij cumulatie kan optreden met het voorliggende initiatief. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen ten behoeve van de realisatie vindt plaats op een conventionele manier en geeft geen aanleiding aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen, zodanig dat daarvoor een MER dient te worden uitgevoerd. Productie van afvalstoffen Het ontstaan van afval tijdens de bouw is tevens vanzelfsprekend. Verontreiniging en hinder Er vinden bij de voorgenomen activiteit geen geur veroorzakende werkzaamheden plaats.
Tijdens de bouw wordt vanzelfsprekend energie gebruikt, dit zou echter op elke willekeurige locatie het geval zijn. De afvalstoffen worden zoveel mogelijk gescheiden ingezameld en afgevoerd. Afvoer geschiedt door een erkende inzamelaar. Bodem(kwaliteit) Door de realisatie en het gebruik van woningen is geen sprake van bodembedreigende activiteiten. (Afval)water Bij de bouw van het plan wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. Als gevolg van het plan ontstaat voornamelijk huishoudelijk afvalwater, afkomstig uit de woningen, dit zou op elke planlocatie het geval zijn. Verkeer en vervoer In paragraaf 5.4 is de verkeersaantrekkende werking van het initiatief uitgewerkt. In de beoogde situatie is er logischerwijs een stijging van de verkeersgeneratie te verwachten. Met een verkeersgeneratie van 8,6 extra motorvoertuigbewegingen per etmaal worden geen grote gevolgen voor de verkeersafwikkeling verwacht in de omgeving van het plangebied.
Pagina 31
SPA WNP ingenieurs
2400006.3100.r01
Lucht Binnen het plangebied wordt één nieuwe woning gerealiseerd. Met deze woning valt het bouwplan binnen het criterium voor de categorie woningbouwlocaties (de grens ligt op 1.500 woningen, bij één ontsluitingsweg). Met andere woorden, de realisatie van de woningen draag niet of nauwelijks bij aan de luchtverontreiniging en is in dat opzicht niet in betekenende mate. Op basis van voorgaande is er geen aanleiding om dit aspect nader te laten onderzoeken in het kader van het opstellen van een milieueffectrapport. Geluid Door de ontwikkeling ontstaat geen relevante geluidhinder naar de omgeving. Hoogstens de verkeersaantrekkende werking van het plan (zie paragraaf ‘verkeer- en vervoer’) leidt tot een toename van de geluidbelasting. Het verkeer gaat op in het heersende verkeersbeeld en daarnaast zijn de omliggende wegen onverhard, waardoor de geluidbelasting op de woningen verwaarloosbaar is. Trillingen Tijdens de nieuwbouw kunnen trillingen ontstaan. Dit zou op elke willekeurige locatie het geval zijn. De gevolgen zijn dusdanig beperkt door de kleinschalige omvang van het initiatief, dat de effecten van de trillingen verwaarloosbaar zijn. Risico van zware ongevallen en/of rampen Met de ontwikkeling wordt geen functie gerealiseerd, waar gevaarlijke stoffen worden opgeslagen of worden gebruikt. Ook worden zware ongevallen niet verwacht door de ontwikkeling.
Het plaatsgebonden risico vormt om die reden geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Risico’s voor de menselijke gezondheid De risico’s voor de menselijke gezondheid, als gevolg van de voorgenomen activiteit, zijn van beperkte omvang. De ontwikkeling betreft geen risicovolle inrichting. Bij een ongeval, als brand, ontstaan naast ‘reguliere’ rookgassen geen (zeer) gevaarlijke verbrandingsproducten die de gezondheid van omwonenden in gevaar kan brengen. De normale voorzorgsmaatregelen (ramen en deuren van woningen dicht) zijn afdoende ter bescherming van de gezondheid. Locatie van het project Relatieve rijkdom natuurlijke hulpbronnen Onder natuurlijke hulpbronnen wordt verstaan alle van nature aanwezige stoffen, die van economisch nut kunnen zijn (zoals zoet water, delfstoffen, bos als houtleverancier). Wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden Doordat in de directe omgeving van het plangebied geen wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden zijn, is er geen sprake van invloed op het opnamevermogen. Natuurreservaten- en parken, vogel- en habitatrichtlijnen In paragraaf 5.5 ‘Flora en Fauna’ zijn de aspecten gebiedsbescherming en soortenbescherming nader uitgewerkt. Hieruit blijkt dat het aspect flora en fauna geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
Pagina 32
SPA WNP ingenieurs
2400006.3100.r01
Landschappen van historische, cultureel of archeologisch belang In paragraaf 5.9 ‘Archeologie, cultuurhistorie en landschap’ is een nadere uitwerking gegeven aan het voorgenoemde aspect. Hieruit blijkt dat het aspect archeologie, cultuurhistorie en landschap geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Er wordt geen nader archeologisch onderzoek nodig geacht. Gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden. Het plangebied ligt niet in een gebied waar op basis van communautaire wetgeving reeds normen worden overschreden. Dit vormt dus geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Gebieden met hoge bevolkingsdichtheid Het plangebied is niet gelegen in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid. Dit aspect is dus niet relevant, waarmee het geen belemmering volgt voor de beoogde ontwikkeling. Soort en kenmerken van het potentiële effect De orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten Het bereik van de milieuaspecten (geografisch en naar grootte van de bevolking gemeten) is lokaal van aard en beperkt. De effecten zijn van een gangbare omvang. Er is geen aanleiding het bereik van het effect, in het kader van het opstellen van een milieueffectrapport, nader te onderzoeken.
De aard van het effect De aard van de effecten zijn in het voorgaande omschreven en zijn zodanig gering dat aanzienlijke milieueffecten zijn uit te sluiten. In een nader onderzoek naar de aard van de effecten, in het kader van een milieueffectrapport, wordt geen toegevoegde waarde gezien. De mogelijke effecten betreffen de aspecten geluid en verkeer. Deze zijn lokaal van aard, er is geen sprake van getroffen bevolking. Grensoverschrijdende karakter van het effect Gezien de ligging van het plangebied en de effecten van het plan is er geen sprake van een grensoverschrijdend karakter. Intensiteit en complexiteit van het effect Voor zover beoordeeld kan worden, zijn er geen complexe, onoverzichtelijke effecten te verwachten. De intensiteit en complexiteit van de effecten zijn beperkt en worden voldoende ondervangen. Waarschijnlijkheid van het effect Het optreden van effecten is zeer waarschijnlijk. De effecten tijdens de realisatiefase zijn tijdelijk van aard. De andere effecten treden op bij het gebruik van de woningen en de daarbij gepaard gaande verkeersgeneratie. Deze effecten zijn niet onomkeerbaar, maar wel marginaal. Aanvang, duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect De initiatiefnemer is voornemens in 2025 te starten met het bouwen van het initiatief, om deze voor onbepaalde tijd te gebruiken.
Pagina 33
SPA WNP ingenieurs
2400006.3100.r01
Cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten Er is geen relevante bijdrage van stikstofdepositie op het Natura 2000-gebied Rijntakken, ook in cumulatie met andere projecten. Met de ontwikkeling is geen sprake van cumulatie van belangrijke nadelige effecten met overige in de omgeving milieubelastende activiteiten/ projecten. Mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen Zoals beschreven, zijn de verwachte effecten verwaarloosbaar. Er is geen aanleiding mogelijkheden te onderzoeken om effecten doeltreffend te verminderen. Naar aanleiding van milieuparagrafen in dit rapport en de uitgevoerde onderzoeken is de conclusie dat er geen belangrijke gevolgen voor het milieu te verwachten zijn. Het is aan het bevoegd gezag om dit te beoordelen. Conclusie Het aspect milieueffectenrapportage vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Pagina 34
SPA WNP ingenieurs
6
2400006.3100.r01
KOSTENVERHAAL Bij de voorbereiding van een wijziging omgevingsplan dient onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. De gemeente en de ontwikkelende partij sluiten een anterieure overeenkomst om afspraken, in geval van eventuele kosten, vast te leggen. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van het plan gewaarborgd.
Pagina 35
SPA WNP ingenieurs
7
2400006.3100.r01
AFWEGING EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES Initiatiefnemer wenst het terrein aan de Dwarsweg 10 in Rhenen te transformeren. Het voornemen is om het agrarische bedrijf te beëindigen en de locatie te transformeren naar een woongebied. In het gebied wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet in een burgerwoning en wordt er voorzien in één nieuwe burgerwoning. Vanwege het planologische strijdig gebruik is door het bevoegd gezag gevraagd om voor het plan een omgevingsplanprocedure doorlopen. Om die reden is onderliggende motivering opgesteld, waarin is toegelicht op welke wijze het plan zich verhoudt tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Uit deze motivering blijkt dat: · · ·
de ontwikkeling in lijn is met het Rijks, provinciaal- en gemeentelijk beleid; de functie passend is in de omgeving en er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties; op basis van toetsing aan de omgevingsaspecten het plan geen nadelige effecten heeft voor het milieu.
Er zijn derhalve geen belemmeringen voor de realisatie van het plan. SPA WNP ingenieurs
Pagina 36
Bijlage 1 motivering wijziging omgevingsplan Rhenen - Dwarsweg 10 Rhenen
Dwarsweg 10 in Rhenen
Beeldkwaliteitsplan
2 oktober 2025 Versie 1.3
Inleiding De initiatiefnemer runt een kleinschalig agrarisch bedrijf aan de Dwarsweg 10 in Rhenen. Gezien de huidige normen is het bedrijf te klein om nog levensvatbaar te zijn. Daarom is het de wens van de initiatiefnemer om de agrarische activiteiten te beëindigen. In plaats van de huidige agrarische opstallen wil hij op het terrein een nieuwe woning realiseren voor een van zijn kinderen. Voor deze plannen heeft de initiatiefnemer uitgebreid overleg gevoerd met de gemeente Rhenen, die bereid is om medewerking te verlenen. Hiervoor zijn diverse onderzoeken uitgevoerd en is er een plan opgesteld waarin functies op evenwichtige wijze aan locaties zijn toegedeeld. Een onderdeel van dit traject is het opstellen van een beeldkwaliteitsplan. Bij het opstellen van dit plan is gebruikgemaakt van stukken van de gemeente Rhenen, waaronder het Beeldkwaliteitsplan Binnenveld van BügelHajema, en van het advies van MooiSticht. Ook de kwaliteitsgids Utrechtse Landschappen, gebiedskattern Geldese Vallei, is gebruikt. De uitgangspunten van die stukken zijn uitgewerkt tot een locatiespecifieke uitwerking.
Historische ontwikkeling
1920
1980
1960
2000
2014
Heden
Analyse van de locatie De locatie is gelegen aan de Dwarsweg, in het buitengebied van Rhenen. Op de locatie is momenteel een boerderij met bedrijfswoning en bedrijfsgebouwen aanwezig. Op deze locatie is een rundveehouderij aanwezig. De locatie ligt in het broekontinningenlandschap De Meent. Dit gebied bestond voorheen voor een groot deel uit een open heideveld; De Meent. De openheid is nog goed terug te zien in het huidige landschap, ondanks dat het gebied ontgonnen is en een andere verschijningsvorm heeft gekregen. Het gebied is ontgonnen in een blokverkavelingsstructuur. De openheid van deze blokverkavelingen wordt doorsneden door bomenlanen. Aan deze bomenlanen liggen de meeste erven. Enkele erven liggen verder naar achteren op het perceel waardoor de bebouwing een vrij dominante positie in het landschap krijgt. Door de verspreide ligging van de erven wordt de openheid van het gebied aangetast. De ontwikkelingsrichting van de erven is divers. De erven ontwikkelen zich zowel in de breedte als in de diepte (lengte), waarbij de bouwrichting op de erven ook sterk kan variëren. In het gebied is één bosperceel gelegen met op de kop daarvan een landgoed. Doordat dit bosperceel een sterke rand vormt, geeft dit een aangename afwisseling met de bestaande openheid van het gebied.
Afwisseling van de openheid van blokverkavelingen en beslotenheid van de erven versterkt de belevingswaarde van het gebied. De beslotenheid van de erven dient dan ook toe te nemen.
Naast de ligging in het broekontginningenlandschap is ook de historische ontsluiting van het erf van belang voor de ruimtelijke beleving. Oorspronkelijk werd de boerderij ontsloten aan de Dwarsweg, die in het huidige landschap vrijwel geheel verdwenen is. De bebouwing oriënteerde zich destijds op deze route, waardoor zowel de boerderij als de schuren niet gericht zijn op de huidige Middenweg. Dit verklaart de afwijkende positionering van de gebouwen in vergelijking met veel andere erven in het gebied. Het erf oogt daardoor minder logisch vanuit de huidige wegstructuur, maar sluit juist aan bij de historische ontwikkelingsrichting.
Karakteristiek van de boerderij De huidige boerderij betreft een hallehuisboerderij, waarbij het voorhuis dwars op het bedrijfsgedeelte is geplaatst. Dit woondeel is gebouwd rond 1910. De gevels zijn opgetrokken uit bruinrode baksteen in kruisverband en aan de onderzijde afgewerkt met een gestuukte plint ter bescherming tegen opspattend water. De hoge raamkozijnen van het woonhuis worden aan de bovenzijde afgesloten met segmentbogen, mogelijk van verblendsteen, voorzien van decoratieve metselwerkvelden in rood en wit metselverband. De gevels van het voorhuis zijn verder voorzien van spekbanden van lichtere steen, die onderbroken zijn en aansluiten bij de positie van de ramen. Aan het midden van de achtergevel van het bedrijfsgedeelte bevinden zich dubbele baanderdeuren, met aan beide zijden een aparte mestdeur. Boven deze deuren bevindt zich een hooiluik dat toegang geeft tot de opslagruimte op de zolder. In de lage zijgevels zijn diverse mest- en loopdeuren opgenomen, evenals enkele halfronde gietijzeren vensters. Zowel het woon- als het bedrijfsgedeelte zijn voorzien van waterslagen van klinkers onder de ramen. Het woonhuis is voorzien van een ‘gebroken kap’, bedekt met blauwgesmoorde kruispannen. Dezezelfde dakpannen zijn ook toegepast op het hoge zadeldak van het aangrenzende bedrijfsgedeelte. Aan de achterzijde van dit deel loopt de kap uit in een markant wolfseind.
De dakconstructie boven het woonhuis is uitgevoerd als een gordingenkap, terwijl het bedrijfsgedeelte beschikt over een traditionele sporenkap, ondersteund door een klassiek gebintensysteem.
De boerderij heeft de status ‘karakteristiek’, wat inhoudt dat het pand van bijzondere waarde wordt geacht vanwege zijn architectonische kenmerken. Deze aanduiding is bedoeld om behoud, herstel en zorgvuldig onderhoud van de oorspronkelijke bouwkundige elementen en stijlkenmerken te waarborgen.
Beeldkwaliteitsplan Binnenveld Vanuit het Beeldkwaliteitsplan Binnenveld gelden voor functieveranderingen van agrarische erven in het broekontginningenlandschap De Meent de volgende uitgangspunten: 1. Beslotenheid van het erf Beslotenheid van het erf versterken. De openheid van het landschap wordt verstoort door de verspreide ligging van de erven. 2. Erfbeplanting Bij functieverandering dient een gedeelte van het voormalig agrarisch erf/ bouwperceel ingeplant te worden met opgaand groen voor de realisatie van een stevige groene achtergrond. De beplantingen dienen tevens als schakel tussen het zeer open landschap van het veenontginningenlandschap rondom De Grift en het boslandschap van de Utrechtse Heuvelrug. 3. Beplantingssoorten Beplantingen voor de bedrijfskavel, bijvoorbeeld: Eik, Ruwe berk, Meidoorn, Zwarte els, Boswilg. Beplantingen voor de woonzone, bijvoorbeeld: Kastanje(monumentale bomen), Eik (eikengaard), Fruitbomen 4. Erfbebouwing Op bebouwingsniveau zijn er in het Binnenveld geen onderscheidende eigenschappen per deelgebied. Het beeldkwaliteitsplan geeft dan ook geen gebiedsspecifieke criteria op bebouwingsniveau. Wel gelden algemene criteria, die hierna benoemd worden.
Richtlijnen voor beeldkwaliteit op erfniveau 1. Hergebruik van bestaande gebouwen Bij voorkeur worden bestaande gebouwen hergebruikt voor een nieuwe functie, waardoor het oorspronkelijke karakter van de bebouwing behouden blijft. In de oorspronkelijke agrarische erven zijn karakteristieke en waardevolle boerderijen te herkennen als hoofdgebouw. Indien op zo'n erf sprake is van functieverandering, dan is in beginsel het uitgangspunt dat alle nieuwe bebouwing, wat betreft goothoogte en positie op het erf onderschikt is aan de oude boerderij. Dit betreft in ieder geval de bijgebouwen en eventuele bedrijfsgebouwen. Maar het geldt ook als er een nieuw woongebouw wordt opgericht naast de oude boerderij. In dat geval dient het nieuwe woongebouw visueel ondergeschikt te zijn aan de oude boerderij. Dit kan worden bereikt door middel van de plaatsing van deze gebouwen achter of naast het woongebouw, door het hanteren van lagere goothoogtes (nokhoogte kan juist hoger zijn) en door het aanbrengen van beplanting. 2. Compacte erfindeling Een compacte erfindeling met één erftoegangsweg is het uitgangspunt. Clustering van bebouwing rond een gemeenschappelijk erf. Parkeerfaciliteiten worden op één plek op het erf aangelegd. Het nieuwe erf is aanzienlijk minder groot dan het oorspronkelijke agrarische erf. Het totale oppervlakte aan verharding mag niet toenemen. Beperkt gebruik van verharding. 3.
Kavelvorm Kavelvorm relateren aan de landschappelijke gebiedskarakteristiek (grillig/rationeel). 4. Bouwrichting Variërend. De bebouwing dient onderling een eenheid te vormen (door een bindend element). De bouwrichting oriënteren aan de landschappelijke gebiedskarakteristiek of het bestaande woongebouw. 5. Erfafscheidingen Opvallende terreinafscheidingen, zoals hekwerken en muren, moeten worden voorkomen. Bij voorkeur wordt hierbij gebruik gemaakt van beplanting. 6. Verhogingen en vergravingen Gelet op de karakteristieken van de deelgebieden van het Binnenveld zijn opgehoogde erven of terpen niet toegestaan. Vergravingen voor een van buiten bereikbare garage of kelder zijn niet wenselijk en mogen in ieder geval niet zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte.
Richtlijnen voor nieuwe woningen 1. Eén laag met kap • Er dient gebouwd te worden in één bouwlaag met kap. Bij meerdere bouwlagen begint de gevel beeldbepalender te worden, hetgeen ongewenst is in relatie met landschappelijke kwaliteiten. • Bij een asymmetrisch dak is het mogelijk een hoogte van maximaal 1,5 bouwlaag met kap aan te houden, indien deze hogere bouwlaag op het erf georiënteerd is. Voor de bebouwingszijde die op het landschap georiënteerd is, geldt nog steeds een maximale hoogte van één bouwlaag met kap. • Het dakvlak dient een sobere uitstraling te hebben, zonder veel detaillering. 2. Eenvoudige hoofdvorm • Het is gewenst dat de gebouwen een eenvoudige hoofdvorm hebben, in plaats van een geschakelde hoofdvorm. • De architectuur kan hier op een vernieuwende manier mee omgaan, zolang deze recht doet aan de richtlijnen van een sobere uitstraling en een beeldbepalend dakvlak. 3. Dakhelling De helling van het dak kan variëren van 30 tot 60 graden. 4. Bijgebouwen Bij voorkeur worden bijgebouwen in het hoofdgebouw opgenomen. 5. Kleurgebruik Gedekte tinten voor gevels en daken en mogelijkheden voor een traditionele bedekking (zoals daken van riet). 6. Materiaalgebruik Natuurlijke materialen, zoals hout en/of bakstenen voor de gevels hebben de voorkeur.
Kwaliteitsgids Gelderse Vallei Voor de Gelderse Vallei is in 2011 de Kwaliteitsgids voor de Gebiedskaternen opgesteld. Deze gids is ontwikkeld om richting te geven aan de ruimtelijke kwaliteit binnen de Vallei en vormt een belangrijk toetsingskader bij nieuwe ontwikkelingen. In de kwaliteitsgids zijn de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten van de Vallei beschreven en vertaald naar handvatten voor inrichting, bebouwing en erfstructuur. De gids behandelt de verschillende deelgebieden afzonderlijk en geeft per gebied de specifieke kwaliteiten en aandachtspunten. Voor het Binnenveld – het gebied waarin de locatie aan de Dwarsweg ligt – gelden richtlijnen die de samenhang tussen open landbouwgebieden, besloten erven en de overgang naar omliggende landschappen versterken. Het doel van de gids is niet alleen het behoud van bestaande kwaliteiten, maar ook het meegeven van duidelijke richtlijnen voor nieuwe ontwikkelingen, zodat deze bijdragen aan de herkenbaarheid, de samenhang en de toekomstbestendigheid van het landschap van de Gelderse Vallei.
De kwaliteitsgids benoemt voor de Gelderse Vallei als geheel De Kwaliteitsgids Gelderse Vallei benadrukt het behoud van de openheid van het landschap in combinatie met compacte, en specifiek voor het Binnenveld de volgende herkenbare erven die zorgvuldig zijn ingepast. Streekeigen kernkwaliteiten: beplanting, eenvoudige hoofdvormen en clustering van bebouwing vormen de belangrijkste middelen om deze Openheid en verkaveling kwaliteit te waarborgen. De gids biedt daarmee een helder Grote open ruimtes met een rationele blokverkaveling zijn kader voor het beoordelen en vormgeven van ontwikkelingen beeldbepalend. Verspreide bebouwing en verrommeling in de Vallei. doen hier afbreuk aan. Beslotenheid en erfstructuur Erven zijn compact, herkenbaar en vormen contrapunten in het open landschap. Ze worden omsloten door hagen, singels of boomgroepen met streekeigen soorten. Hiërarchie in bebouwing De boerderij vormt het centrale en beeldbepalende hoofdgebouw. Bijgebouwen en eventuele nieuwe functies zijn hieraan ondergeschikt in schaal en architectuur. Compacte inrichting Een erf wordt opgebouwd rond een duidelijke kern. Clustering van bebouwing en functies zorgt voor samenhang en herkenbaarheid. Architectuur en materialen Eenvoudige hoofdvormen, één bouwlaag met kap en gebruik van natuurlijke materialen (hout, baksteen, riet) zijn kenmerkend. Kleuren zijn gedekt en sober.
Landschappelijke overgang Erven fungeren als schakels tussen de open agrarische gronden en de meer besloten structuren van beplanting en bebouwing. Erfbeplanting versterkt deze overgang en verankert het erf in het landschap.
Uitgangspunten beeldkwaliteit Op basis van de uitgangspunten van het beeldkwaliteitsplan en de kwaliteitsgids voor het Binnenveld, de locatie-eigenschappen en de gewenste functieverandering zijn de specifieke uitgangspunten voor de beeldkwaliteit bepaald. Aan de hand hiervan en de referenties op de volgende pagina’s kan de functieverandering aan de Dwarsweg 10 in Rhenen zijn uitwerking krijgen. De herontwikkeling van het perceel dient aan de volgende uitgangspunten te voldoen: Vorm • De boerderij blijft herkenbaar als hoofdgebouw van het erf. • Nieuwe bebouwing, zoals de schuurwoning, is qua maat, vorm en uitstraling ondergeschikt aan de boerderij. • De afstand tussen boerderij en schuurwoning is zodanig dat de samenhang wordt versterkt en een compact erfbeeld ontstaat. • De bebouwing wordt geclusterd rond de erfkern; losse plaatsing of bebouwing over de volle breedte van het erf wordt vermeden. • Nieuwe gebouwen hebben een sobere verschijningsvorm die verwijst naar de (voormalige) agrarische context. • Lengte- en kaprichting sluiten aan bij de boerderij. • Rechthoekige hoofdvormen met zadeldak zonder wolfseinden. • Dakhelling tussen 30 en 60 graden. • Maximale goothoogte 3,5 meter; maximale bouwhoogte 8 meter.
Materiaal en kleurgebruik
Erfinrichting
•
•
Compacte opzet van het erf, met clustering van functies rond een centrale kern.
•
De boerderij blijft beeldbepalend; nieuwe functies worden hieraan ondergeschikt toegevoegd.
•
Erfbeplanting vormt een groene omlijsting en versterkt de beslotenheid; dwarsdoorsnijding van het erf met hagen wordt vermeden.
•
Parkeren wordt geïntegreerd in de erfstructuur, op één centrale plek, afgeschermd met beplanting.Verharding wordt tot een minimum beperkt en geconcentreerd rond de erfkern.
•
Inpassing sluit aan bij de landschappelijke omgeving, met toepassing van streekeigen soorten zoals meidoorn, zomereik en kastanje.
Voor het materiaal- en kleurgebruik dienen de woningen hoofdzakelijk te bestaan uit zwarte, donkergrijze of blanke, houten geveldelen. Donkere, metalen dak- en gevelbekleding en rood-bruine bakstenen zijn ook toegestaan.
•
De dakbedekking kan bestaan uit (keramische) dakpannen, hout of metaal.
•
Kop- en zijgevels mogen geheel of voor gedeeltes in glas worden uitgevoerd, als de kap dominant blijft in het architectuurbeeld.
•
Eenvoudige en sobere detaillering.
Inrichtingsplan
struweel
kastanjeboom w bij boerderij
bestaand bijgebou
beukenhaag
zomereiken schuurwoning met bijgebouw
meidoornhaag
struweel windsingel van populieren
Schaal 1:500
Referenties architectuur en volumes
Referenties materialisering en detaillering
Referenties erf- en groeninrichting
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 2.1
SPA WNP ingenieurs
2400006
Bijlage 2 motivering wijziging omgevingsplan Rhenen - Dwarsweg 10 Rhenen
N
W
O
Z
0m
10 m
project
: functiewijziging agrarisch bedrijf naar wonen met toevoeging van een extra woning onderdeel : situatie met te verwijderen agrarische gebouwen opdrachtgever : Dwarsweg 10 3911 TH RHENEN projectnummer: 220783 blad : S-02 schaal : 1:500 getekend : 10 april 2024
50 m
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 3.1
2400006
Bijlage 3 motivering wijziging omgevingsplan Rhenen - Dwarsweg 10 Rhenen
Rapport 2400006.3800.r01 Woningbouw Dwarsweg 10 Rhenen Onderzoek geurhinder veehouderijen
www.SPAWNP.nl
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 3.2
2400006
Rapport 2400006.3800.r01
IN
6 december 2024
Klinkenbergerweg 30a | 6711 MK EDE | 0318 614 383 Vrijlandstraat 33-c | 4337 EA MIDDELBURG | 0118 227 466 info@SPAWNP.nl | SPAWNP.nl
DENKKRACHT
Datum : Opdrachtgever : Behandeld door : Adviseur en goedgekeurd :
BOUW - MILIEU - RUIMTE
Woningbouw Dwarsweg 10 Rhenen Onderzoek geurhinder veehouderijen
| ISO 9001:2015 | kvk 0909.2661 | btw NL8053.02.530.B01
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 3.3
SPA WNP ingenieurs
INHOUD
2400006
2400006.3800.r01
PAGINA
1
INLEIDING
3
2
KADER 2.1 Algemeen 2.2 Voorgrond- en achtergrondbelasting 2.3 Waarden en afstanden 2.4 Gemeente Rhenen
4 4 5 5 6
3
ONDERZOEK EN BEOORDELING 3.1 Inleiding 3.2 Methodiek 3.3 Geurgevoelig gebouw/locatie 3.4 Voorgrondbelasting 3.5 Achtergrondbelasting 3.6 Geurhinderpercentage 3.7 Interpretatie
7 7 7 7 8 9 10 11
4
CONCLUSIE
11
BIJLAGEN 1
Resultaten berekening voorgrondbelasting Dwarsweg 2
2
Resultaten berekening voorgrondbelasting Veenweg 8
3
Resultaten veehouderijen achtergrondbelasting
4
Relatie tussen voorgrond- en achtergrondbelasting en de geurhinder
Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem/haar worden gebruikt voor het doel waarvoor het is opgesteld. Niets uit dit document mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en/of van SPA WNP ingenieurs. Kwaliteit en verbetering van product en proces zijn bij SPA WNP ingenieurs gewaarborgd middels een kwaliteitsmanagementsysteem dat is gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO 9001:2015.
Pagina 2
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 3.4
SPA WNP ingenieurs
1
2400006
2400006.3800.r01
INLEIDING In het kader van de beoogde ontwikkeling aan de Dwarsweg 10 in Rhenen is een onderzoek naar geurhinder van veehouderijen uitgevoerd. Voor het plan dient een ruimtelijke procedure gevolgd te worden. Dit onderzoek is onderdeel van deze ruimtelijke procedure. In de huidige situatie kent het plangebied agrarisch gebruik met een oppervlakte van circa 6.600 m². Rondom het plangebied liggen voornamelijk agrarische percelen en enkele agrarische bedrijven. Afbeelding 1: Huidige situatie plangebied (globaal omlijnd)
Het voornemen is om het agrarische bedrijf te beëindigen en de locatie te transformeren naar een woongebied. In het gebied wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet in een burgerwoning en wordt er voorzien in één nieuwe burgerwoning. Het betreft hiermee de toevoeging van geurgevoelige bebouwing binnen het plangebied. Een schets van de beoogde situatie is weergegeven in afbeelding 2.
Pagina 3
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 3.5
SPA WNP ingenieurs
2400006
2400006.3800.r01
Afbeelding 2: Schets beoogd plan
2
KADER
2.1
Algemeen Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) ziet toe op een toelaatbare geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw en locatie. In het Bkl staan instructieregels met landelijk geldende waarden en afstanden waaraan getoetst moet worden bij het houden van landbouwhuisdieren ten opzichte van een geurgevoelig gebouw (bijvoorbeeld woningen). Het Besluit kwaliteit leefomgeving maakt in hoofdzaak onderscheid in de volgende geurgevoelige gebouwen: · ·
een geurgevoelig gebouw dat een functionele binding heeft met dierenverblijf in de directe omgeving daarvan; een ‘gewoon’ geurgevoelige gebouw.
Er is geen sprake van een geurgevoelig gebouw als het verblijf van mensen een ondergeschikte rol speelt. Daarnaast geldt er geen beoordelingskader voor een geurgevoelig gebouw dat is toegelaten voor een duur van minder dan tien jaar. Naast de instructieregels uit het Bkl kan de gemeente in haar omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen en locaties vastleggen, welke ze beschermt tegen geurhinder.
Pagina 4
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 3.6
SPA WNP ingenieurs
2400006
2400006.3800.r01
De instructieregels uit het Bkl wijzen geurgevoelige gebouwen aan die per definitie beschermd moeten worden. Verder zijn in het Bkl eisen opgenomen die gelden voor het opslaan van mest en kuilvoer. De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks. Dit verspreidingsmodel geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in het Bkl. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden aan te houden afstanden. 2.2
Voorgrond- en achtergrondbelasting De belangenafweging voor de veehouder wordt gebaseerd op de voorgrondbelasting. Daarmee wordt de geurbelasting van die veehouderij bedoeld, welke de meeste geur bij het geurgevoelig gebouw veroorzaakt. De voorgrondbelasting wordt berekend met behulp van de vergunningsmodule. Als blijkt dat gebouwd wordt binnen de geurcontour waarop vergund is, dan is in het algemeen sprake van inbreuk op het vergunde recht. Een uitzondering op het voorgaande vormt een al overbelaste situatie. In een bestaande overbelaste situatie zijn nieuwe geurgevoelige gebouwen binnen de contour toegestaan voor zover deze geen verdere beperking voor het bedrijf tot gevolg hebben. Dit betekent doorgaans dat de geurbelasting op de nieuwbouw niet hoger mag zijn dan de geurbelasting op de bestaande woning(en). Of er voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL), wordt ook gebaseerd op de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting is de geurbelasting als gevolg van alle veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig gebouw of locatie. Deze belasting wordt berekend met behulp van de gebiedsmodule. Vervolgens wordt geurbelasting ‘vertaald’ naar geurhinder en wordt een uitspraak gedaan of het percentage gehinderden acceptabel is.
Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting maatgevend is, indien die ten minste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Op grond hiervan zijn twee situaties te onderscheiden: 1. 2.
2.3
Bedraagt de voorgrondbelasting minder dan de helft van de achtergrondbelasting, dan is de achtergrondbelasting bepalend voor de hinder. Als de voorgrondbelasting meer bedraagt dan de helft van de achtergrondbelasting, dan zal de voorgrondbelasting altijd tot het hoogste geurhinderpercentage leiden.
Waarden en afstanden Op basis van het Bkl gelden standaardwaarden, grenswaarden en afstanden. De standaarden grenswaarden zijn waarden voor de toelaatbare geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw. Tabel 1: Standaardwaarden en grenswaarden toelaatbare geur Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Binnen bebouwingscontour
Buiten bebouwingscontour
Concentratiegebieden
3,0 (in ouE/m3)
14,0 (in ouE/m3)
Niet-concentratiegebieden
2,0 (in ouE/m3)
8,0 (in ouE/m3)
Voor veehouderijen met landbouwhuisdieren zonder een geuremissiefactor wordt uitgegaan van afstanden en ondergrensafstanden.
Pagina 5
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 3.7
SPA WNP ingenieurs
2400006
2400006.3800.r01
Tabel 2: Afstand en ondergrens-afstand Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) Binnen bebouwingscontour
Buiten bebouwingscontour
Afstand
100 meter
50 meter
Afstand
50 meter
25 meter
Voor enkele geurgevoelige gebouwen geldt dat er bij de beoordeling van de toelaatbare geur standaardafstanden gelden, ook wanneer het een veehouderij betreft met landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor. Het gaat hier om de volgende geurgevoelige gebouwen: · ·
Een geurgevoelig gebouw dat op of na 19 maart 2000 heeft opgehouden een functionele binding te hebben met een dierenverblijf in de directe omgeving daarvan of; ruimte-voor-ruimte woningen.
Voorgenoemde gebouwen worden uitsluitend beschermd met een vaste afstand van 100 meter (binnen bebouwingscontour) en 50 meter (buiten bebouwingscontour). Daarnaast geldt er een minimumafstand van de buitenzijde van dierenverblijven tot de buitenzijde van geurgevoelige gebouwen. Deze afstand geldt voor alle diercategorieën en bedraagt 50 meter (binnen bebouwingscontour) en 25 meter (buiten bebouwingscontour). 2.4
Gemeente Rhenen Omgevingsplan Voor het plangebied en omgeving geldt sinds 1 januari 2024 het Omgevingsplan van de gemeente Rhenen. Dit omgevingsplan betreft een omgevingsplan van rechtswege. Een omgevingsplan van rechtswege bestaat uit een tijdelijk en nieuw deel. Het tijdelijke deel bestaat uit bestaande ruimtelijke besluiten, zoals een eerder geldend bestemmingsplan. Het nieuwe deel is ten tijde van dit onderzoek nog leeg. Dit betekent dat er op grond van de Omgevingswet (nog) geen specifieke omgevingswaarde voor geur is opgenomen in het omgevingsplan. Geurverordening Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft gemeenten de mogelijkheid om gebiedsgericht beleid vast te stellen door middel van een geurverordening. De standaardwaarden, zoals opgenomen in het besluit, mogen binnen een bandbreedte naar boven en beneden worden bijgesteld. Als een gemeente niet beschikt over een geurverordening worden de standaardwaarden als toetsingskader gehanteerd. De gemeente Rhenen heeft geen geurverordening vastgesteld. Om die reden zijn in dit onderzoek de eerder genoemde wettelijke toetsingskaders aangehouden. Concentratiegebied Een concentratiegebied is als aangegeven in bijlage I bij de Meststoffenwet, of een zodanig gemeentelijke verordening aangewezen gebied. Het plangebied ligt in een gemeente dat is aangewezen als concentratiegebied Oost (I).
Dit betekent dat de maximale toegestane geurbelasting 14,0 ouE/m³ mag bedragen.
Pagina 6
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 3.8
SPA WNP ingenieurs
3
ONDERZOEK EN BEOORDELING
3.1
Inleiding
2400006
2400006.3800.r01
Bij nieuwbouwplannen en/of herbestemming van een perceel in de omgeving van een veehouderij moet onderzocht worden of dit gerealiseerd kan worden. Dit opdat voldaan wordt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL), zonder dat de rechten van de veehouder in kwestie worden aangetast. 3.2
Methodiek Het onderzoek heeft gefaseerd plaatsgevonden. De doorlopen stappen zijn hierna vermeld: 1. De voorgrondbelasting ter plaatse van het plangebied is berekend. 2. De achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied is berekend met alle als relevant beschouwde veehouderijen samen, waaruit de geurhindersituatie is afgeleid. 3. De maximale geurhindersituatie is afgeleid uit de berekende geurconcentratie op leefniveau. De geurbelasting vanuit de dierenverblijven van de omliggende veehouderijen is bepaald op basis van: · berekeningen met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning, KEMA, versie 2020; · berekeningen met het verspreidingsmodel V-Stacks gebied, KEMA, versie 2020.1.
3.3
Geurgevoelig gebouw/locatie Zoals uit de inleiding duidelijk is geworden, is de beoogde situatie voor wat betreft de situering van de woningen ten tijde van dit onderzoek nog niet uitgewerkt. Daarom zijn voor de berekeningen van de geurbelasting de uiterste grenzen van het plangebied aangehouden, zodat een compleet beeld van het plangebied ontstaat. De receptorpunten zijn geplaatst aan de buitengrenzen van het plangebied. In de volgende afbeelding zijn de receptorpunten weergegeven waarmee is gewerkt.
Pagina 7
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 3.9
2400006
SPA WNP ingenieurs
2400006.3800.r01
Afbeelding 3: Receptorpunten in plangebied
1 2
4
3
3.4
Voorgrondbelasting Er is aan omliggende veehouderijen vergunning verleend voor het uitstoten van een bepaalde hoeveelheid geur. Samen met parameters als schoorsteenhoogte, uittreesnelheid et cetera leidt dit tot een geurprofiel op leefniveau in de omgeving. Voor de invoergegevens van de berekeningen is uitgegaan van de gegevens zoals die verstrekt zijn door de Omgevingsdienst Regio Utrecht (ODRU). De ODRU heeft geen specifieke eigenschappen kunnen aangeven van de desbetreffende veehouderijen, om die reden is in het onderzoek uitgegaan van default waarden. Via separate berekeningen is ten opzichte van een aantal veehouderijen de voorgrondbelasting berekend. Uit de berekeningen blijkt dat de veehouderij aan de Dwarsweg 2 de hoogst berekende voorgrondbelasting heeft. De berekeningen zijn opgenomen in bijlage 1 van deze rapportage. Uit de berekeningen blijkt dat de veehouderij aan de Dwarsweg 2 de hoogste geuremissie heeft op de beoogde ontwikkeling. Dit bedrijf kan als de meest dominante veehouderij worden gezien. Het plangebied ligt op een afstand van circa 195 meter van het bedrijf aan de Dwarsweg 2. De geurbelasting bedraagt maximaal 0,3 ouE/m3 op de receptorpunten in het plangebied. De receptorpunten zijn te zien in afbeelding 3. In afbeelding 4 is de ligging van de dominante geurbronnen weergegeven.
Pagina 8
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 3.10
2400006
SPA WNP ingenieurs
2400006.3800.r01
Tabel 3: Resultaten voorgrondbelasting Dwarsweg 2 Nr.
X-coördinaat
Y-coördinaat
Standaardwaarde (in ouE/m3)
Geurbelasting
1
167528.9
444285.9
14,0
0,3
2
167597.4
444093.9
14,0
0,3
3
167663.2
443909.1
14,0
0,3
4
167726.3
443725.5
14,0
0,3
Afbeelding 4: Ligging veehouderij Dwarsweg 2 (globaal geel omlijnd) en plangebied (globaal blauw omlijnd)
Plangebied
Dwarsweg 2
Uit de resultaten van de voorgrondbelasting blijkt dat er geen overschrijding van de geurnorm (14,0 ouE/m3) optreedt. Er is in het plangebied een maximale voorgrondbelasting te verwachten van 0,3 ouE/m3. 3.5
Achtergrondbelasting De beoordeling van het woon- en verblijfklimaat wordt gebaseerd op de achtergrondbelasting. De achtergrondbelasting is de geurbelasting, als gevolg van alle veehouderijen in de omgeving van een geurgevoelig gebouw. De (gecumuleerde) achtergrondbelasting is bepaald via een berekening met de invoergegevens van alle veehouderijen in een straal van minimaal 2 kilometer. Voor de invoergegevens van de berekening van de achtergrondbelasting, is uitgegaan van de gegevens, zoals die gegeven zijn door de Omgevingsdienst Regio Utrecht. Een weergave van deze invoergegevens is opgenomen in tabel 4. Hierbij zijn de x- en y-coördinaten opgenomen van de veehouderijen, welke zijn bepaald op de grens van het perceel die het dichtstbij het plangebied ligt. In de berekening is voor het percentage rekenuren uitgegaan van het standaardpercentage van 10%.
Pagina 9
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 3.11
2400006
SPA WNP ingenieurs
2400006.3800.r01
Tabel 4: Overzicht gehanteerde veehouderijen ID 1 2
X 168693.5 168775.9
Y 445005.3 445124.4
Geuremissie 81251.16 445353.7
Adres Veenweg 8, 3911TJ Rhenen Dwarsweg 2, 3911TH Rhenen
Resultaten De berekende achtergrondbelasting is opgenomen in bijlage 3. Hieruit blijkt dat er een maximale achtergrondbelasting te verwachten is van 0,07 ouE/m3. Tabel 5: Resultaten achtergrondbelasting
3.6
Nr.
X-coördinaat
Y-coördinaat
Geurbelasting
1
168 633
445 225
0,08
2
168 661
445 207
0,07
3
168 584
445 150
0,04
4
168 567
445 176
0,05
Geurhinderpercentage Uit tabel A in bijlage 5 van dit rapport is het geurhinderpercentage af te lezen dat op basis van de achtergrondbelasting ter plaatse van het plangebied te verwachten valt. De bij het plangebied maximaal berekende waarde (0,08 ouE/m3) correspondeert met ongeveer 2% gehinderden (uitgaande van een concentratiegebied). Uit tabel B in bijlage 5 is het geurhinderpercentage af te lezen dat in het plangebied te verwachten is op basis van de voorgrondbelasting. De berekende waarde vanuit de Dwarsweg (0,3 ouE/m3) correspondeert voor het plangebied met 4% gehinderden. Het hoogste van de twee geurhinderpercentages is maatgevend voor de toekomstige situatie, in dit geval de voorgrondbelasting. Dit komt overeen met de vuistregels zoals genoemd in paragraaf 2.2 van deze rapportage. Standaardwaarden Besluit kwaliteit en leefomgeving Bkl Een geurhinderpercentage van 4% is op basis van wettelijke waarden als aanvaardbaar te beschouwen. Dit blijkt uit onderstaande tabel 6 waarin de hinderpercentages zijn vermeld die overeenkomen met de standaardwaarden. Voor het plangebied geldt een ligging buiten de bebouwingscontour. Tabel 6: Geurhinderpercentages van de wettelijke waarden en de bandbreedtes Binnen bebouwingscontour
Buiten bebouwingscontour
Concentratiegebied
Min
Norm
Max
Min
Norm
Max
Geurbelasting
0,1
3
14
3
14
35
Hinder (groter of gelijk)
nihil
8%
25%
8%
25%
41%
Niet-concentratiegebied
Min
Norm
Max
Min
Norm
Max
Geurbelasting
0,1
2
8
2
8
20
Hinder (groter of gelijk)
nihil
11%
29%
11%
29%
46%
Pagina 10
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 3.12
SPA WNP ingenieurs
3.7
2400006
2400006.3800.r01
Interpretatie Voor het beoordelen van ruimtelijke initiatieven en plannen wordt in dit onderzoek aangesloten bij het rijksbeleid. Als vertaling van het criterium ‘een aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ uit stallen van veehouderijen, worden onderstaande waarden als toetsingswaarden gehanteerd die gelden ter plaatse van geurgevoelige gebouwen. Ter plaatse van het plangebied is het woon- en leefklimaat te typeren als ‘Zeer goed’. Tabel 7: Relatie geurbelasting -geurhinder – leefklimaat
4
Voorgrondbelasting in ouE/m3 (concentratiegebied)
Voorgrondbelasting in ouE/m3 (niet-concentratiegebied)
Geurgtehinderden
Beoordeling maat
≤ 1,7 1,8 – 3,9 4 – 6,8 6,9 – 10,3 10,4 – 14,6 14,7 – 19,7 19,8 – 25,9 26 – 33,6
≤ 0,6 0,7 – 1,7 1,8 – 3 3,1 – 4,6 4,7 – 6,5 6,6 – 8,8 8,9 – 11,6 11,7 – 15,1
< 5% 5% - 10% 10% - 15% 15% - 20% 20% - 25% 25% - 30% 30% - 35% 35% - 40%
Zeer goed Goed Redelijk goed Matig Tamelijk slecht Slecht Zeer slecht Extreem slecht
leefkli-
CONCLUSIE Voor de beoogde ontwikkeling van de Dwarsweg 10 in Rhenen is een geuronderzoek naar de geurbelasting uitgevoerd vanwege in de omgeving aanwezige veehouderijen. Wat betreft de voorgrondbelasting op het plangebied is de veehouderij aan de Dwarsweg 2 in Rhenen maatgevend. De geurconcentratie die veroorzaakt wordt door deze veehouderij voldoet aan de gemeentelijke norm. Het plan voor de Dwarsweg 10 leidt om die reden niet tot een belemmering in de bedrijfsvoering van de veehouderij aan de Dwarsweg 2 en Veenweg 8. De berekende waarde (0,3 ouE/m3) correspondeert voor het plangebied met 4% gehinderden. Uit de berekening van de achtergrondbelasting volgt dat er een maximale achtergrondbelasting is te verwachten van 0,08 ouE/m3. De bij het plangebied maximaal berekende achtergrondbelasting correspondeert met ongeveer 2% gehinderden. Dit percentage wordt op basis van de wettelijke waarden als aanvaardbaar beschouwd. Het hoogste van de twee geurhinderpercentages is maatgevend voor de toekomstige situatie, in dit geval de voorgrondbelasting. De vertaling in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is op basis van berekende achtergrondbelasting beschouwd als ‘Zeer goed’.
SPA WNP ingenieurs
Pagina 11
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 3.13
2400006
BIJLAGEN
SPA WNP ingenieurs Gegenereerd op: 12-11-2024
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 3.14 berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020
2400006
(c) DNV GL
Page 1
Naam van de berekening: 2400006 Dwarsweg 2 Gemaakt op: 2024-11-12 10:31:35 Rekentijd: 0:00:18 Naam van het bedrijf: 2400006 Dwarsweg 2 Berekende ruwheid: 0,204 m
Brongegevens: Volgnr. BronID 1
Dwarsweg 2
X-coord. 168 694
Y-coord. 445 005
EP Hoogte 6,0
EP Diam. 0,5
Geur gevoelige locaties: Volgnr. BronID
X-coord.
Y-coord.
Geurnorm
Geurbelasting
2
Receptorpunt 1
168 633
445 225
14,0
0,3
3
Recepterpunt 2
168 661
445 207
14,0
0,3
4
Receptorpunt 3
168 584
445 150
14,0
0,3
5
Receptorpunt 4
168 567
445 176
14,0
0,3
EP Uittr. snelh. E-Aanvraag 4,00
1 246
Geb. Hoogte 6,0
SPA WNP ingenieurs Gegenereerd op: 12-11-2024
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 3.15 berekend met : V-Stacks Vergunning 2020 Release juli 2020
2400006
(c) DNV GL
Page 1
Naam van de berekening: 2400006 Veenweg 8 Gemaakt op: 2024-11-12 10:33:50 Rekentijd: 0:00:18 Naam van het bedrijf: 2400006 Veenweg 8 Berekende ruwheid: 0,204 m
Brongegevens: Volgnr. BronID 1
Veenweg 8
X-coord. 168 776
Y-coord. 445 354
EP Hoogte 6,0
EP Diam. 0,5
Geur gevoelige locaties: Volgnr. BronID
X-coord.
Y-coord.
Geurnorm
Geurbelasting
2
Receptorpunt 1
168 633
445 225
14,0
0,1
3
Recepterpunt 2
168 661
445 207
14,0
0,1
4
Receptorpunt 3
168 584
445 150
14,0
0,0
5
Receptorpunt 4
168 567
445 176
14,0
0,1
EP Uittr. snelh. E-Aanvraag 4,00
390
Geb. Hoogte 6,0
SPA WNP ingenieurs Wijziging - Bijlage 3.16 Gegenereerd op: 11-12-2024 metomgevingsplan V-Stacks-Gebied Versie V-2020.1
2400006
Naam van de berekening: 2400006 Dwarsweg 10 Rhenen Gemaakt op: 11-12-2024 10:49:29 Rekentijd : 0:00:51 Naam van het gebied: 2400006 Dwarsweg 10 Berekende ruwheid: 0,33 m Meteo station: Nvt Rekenuren: 10
Bronbestand: Y:\2024 projecten\2400006 Rhenen\3800 geur\2400006.3800.r01\V-stacks\achtergrondbelasting\input\Bron files bestand v1.
Receptorbestand: Y:\2024 projecten\2400006 Rhenen\3800 geur\2400006.3800.r01\V-stacks\achtergrondbelasting\input\Receptor files bes Resultaten weggeschreven in: Y:\2024 projecten\2400006 Rhenen\3800 geur\2400006.3800.r01\V-stacks\achtergrondbelasting Rasterpunt linksonder x: 168428 m Rasterpunt linksonder y: 444886 m Gebied lengte (x): 5000 m , Aantal gridpunten: 24 Gebied breedte (y): 6000 m , Aantal gridpunten: 24
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 3.17
Cumulatieve geurbelasting op receptorpunten, zoals berekend RecepID X-coor Y-coor Geurnorm Geurbelasting [OU/m3] 1 168633 445225 6.00 0.08 2 168661 445207 6.00 0.07 3 168584 445150 6.00 0.04 4 168567 445176 6.00 0.05
2400006
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 3.18
Tabel A. Relatie tussen de achtergrondbelasting en de geurhinder Achtergrondbelasting * Geurhinder [ouE/m3 als 98-percentiel] Concentratiegebied Niet-concentratiegebied 1 2% 4% 1,5 3% 5% 2 4% 6% 3 5% 9% 4 6% 11% 5 7% 12% 6 8% 14% 7 10% 16% 8 10% 17% 9 11% 19% 10 12% 20% 12 14% 23% 14 16% 25% 16 17% 27% 18 19% 29% 20 20% 31% 22 21% 32% 24 22% 34% 26 24% 36% 28 25% 37% 30 26% 38% 32 27% 40% 34 28% 41% 36 29% 42% 38 30% 43% 40 31% 44% 42 32% 45% 44 32% 46% 46 33% 47% 48 34% 48% 50 35% 49% 55 37% (51%) 60 38% (52%) 65 40% (54%) 70 41% (56%) 75 43% (57%) 80 44% (58%) 85 45% (59%) 90 46% (61%) 95 47% (62%) 100 49% (63%) * Berekend met V-Stacks gebied.
2400006
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 3.19
Tabel B. Relatie tussen de voorgrondbelasting en de geurhinder Voorgrondbelasting * Geurhinder [ouE/m3 als 98-percentiel] Concentratiegebied Niet-concentratiegebied 1 4% 7% 1,5 5% 9% 2 6% 11% 3 8% 15% 4 11% 19% 5 12% 21% 6 14% 24% 7 16% 26% 8 17% 29% 9 19% 31% 10 20% 33% 12 23% 36% 14 25% 39% 16 27% 42% 18 29% 44% 20 31% 46% 22 32% 48% 24 (34%) 50% 26 (36%) 52% 28 (37%) (53%) 30 (38%) (54%) 32 (40%) (56%) 34 (41%) (57%) 36 (42%) (58%) 38 (43%) (59%) 40 (44%) (60%) * Berekend met V-Stacks gebied, V-Stacks vergunning of gelijk aan de norm voor de geurbelasting.
2400006
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 3.20
Klinkenbergerweg 30a | 6711 MK EDE | 0318 614 383 Vrijlandstraat 33-c | 4337 EA MIDDELBURG | 0118 227 466
2400006
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.1
2400006
Bijlage 4 motivering wijziging omgevingsplan Rhenen - Dwarsweg 10 Rhenen
Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.2
Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen Projectnummer: 2023-0334
Datum: 28-8-2024
Versie 2.0
Opdrachtgever: BTO Bouwplanning en Advies Adviseur Ecologie
Projectleider Ecologie
2400006
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.3
2400006
Inhoudsopgave
Samenvatting ................................................................................................................... 4 1. Inleiding ...................................................................................................................... 6 2. De ontwikkeling ........................................................................................................... 7 2.1. Plangebied .............................................................................................................................................................. 7
2.2. Voorgenomen activiteiten .................................................................................................................................... 9
2.3. Onderzoeksgebied................................................................................................................................................. 9
3. Natuurwetgeving en -beleid ....................................................................................... 11
3.1. Inleiding ................................................................................................................................................................ 11
3.2. Gebiedsbescherming .......................................................................................................................................... 11 3.3. Soortenbescherming .......................................................................................................................................... 11 3.4. Houtopstanden .................................................................................................................................................... 13
4. Gebiedsbescherming ................................................................................................. 14
4.1. NNN, Groene contour, Weidevogelkerngebied en Ganzenrustgebied ........................................................ 14 4.2. Natura 2000 .......................................................................................................................................................... 15
4.3. Slotconclusie ........................................................................................................................................................ 16
5. Soortenbescherming ................................................................................................. 17
5.1. Hypothese en bureauonderzoek ....................................................................................................................... 17 5.2. Methode ................................................................................................................................................................ 17 5.3. Resultaten en wettelijke consequenties .......................................................................................................... 19
5.4. Slotconclusie ........................................................................................................................................................ 26
6. Houtopstanden ......................................................................................................... 28
7. Conclusie .................................................................................................................. 29 8. Advies en vervolgstappen .......................................................................................... 31
9. Bronnen .................................................................................................................... 32 Bijlagen .......................................................................................................................... 33
Bijlage 1: Foto’s .............................................................................................................................................................. 34
Bijlage 2: Toelichting Wet natuurbescherming ......................................................................................................... 36
3
Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen
28-8-2024
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.4
2400006
Samenvatting
Er zijn concrete plannen voor de sloop van agrarische bebouwing en herontwikkeling aan de Dwarsweg 10 te
Rhenen. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op
voorhand niet uitgesloten worden. Lycens B.V. is gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen.
Het onderzoeksgebied is op 4 mei 2023 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten,
dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties en andere beschermde functies, zoals
foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief
effect hebben op houtopstanden en beschermd (natuur)gebied, zoals Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland,
Groene contour, Weidevogelkerngebied en Ganzenrustgebied. Wettelijke consequenties m.b.t. gebiedsbescherming
Het onderzoeksgebied ligt buiten gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland, Groene contour, Weidevogelkerngebied en Ganzenrustgebied behoren. De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland kent
geen externe werking. Vanwege de ligging buiten deze gronden hoeft er niet getoetst te worden aan het NNN ten aanzien van het provinciaal beleid. Daarnaast is de invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten lokaal en is de afstand met het onderzoeksgebied dusdanig groot dat de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van de Groene contour, Weidevogelkerngebied en Ganzenrustgebied hebben.
Er hoeft dan ook niet getoetst te worden aan provinciaal beleid. Voorgenomen activiteiten leiden niet tot
consequenties ten aanzien van provinciaal beleid. Een negatief effect van voorgenomen activiteiten op Natura 2000-gebied kan op basis van voorliggende studie niet uitgesloten worden. Uitvoering van de voorgenomen
activiteiten leiden mogelijk tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Vanuit ecologisch oogpunt dient een stikstofdepositieberekening te worden uitgevoerd. Wettelijke consequenties m.b.t. soortenbescherming
De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten maar wel tot een geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde diersoorten.
Beschermde diersoorten benutten het onderzoeksgebied als foerageergebied en mogelijk bezet een beschermd
grondgebonden zoogdier er een vaste rust- en/of voortplantingsplaats, bezetten amfibieën er een
(winter)rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen en beschermde ongewervelden bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het onderzoeksgebied en amfibieën bezetten er geen voortplantingsplaats.
Van de in het onderzoeksgebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten
dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield
worden.
Indien
de
voorgenomen
activiteiten
uitgevoerd
worden
tijdens
de
voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten.
4
Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen
28-8-2024
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.5
2400006
Mogelijk komen algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën voor binnen het
onderzoeksgebied. Deze soorten staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen. Er hoeft dan
ook geen ontheffing voor de uitvoering van voorgenomen activiteiten te worden aangevraagd. Aanbevolen wordt om buiten de kwetsbare periode (augustus-oktober) van de soorten aan het werk te gaan en één richting op te werken zodat de dieren de mogelijkheid hebben om te vluchten.
In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het onderzoeksgebied aanwezige
planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten
en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten wordt de functie van het onderzoeksgebied als foerageergebied tijdelijk aangetast. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Wettelijke consequenties m.b.t. houtopstanden
Wegens de ligging buiten de bebouwde kom van de Wet natuurbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. De in het onderzoeksgebied aanwezige bomen zijn niet beschermd op grond van de Wet
natuurbescherming zoals beschreven in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming: artikel 4.1 lid b. houtopstanden op erven of in tuinen.
5
Quickscan Flora & Fauna Dwarsweg 10 te Rhenen
28-8-2024
SPA WNP ingenieurs
Wijziging omgevingsplan - Bijlage 4.6
2400006
1. Inleiding
Er zijn concrete plannen voor de sloop van agrarische bebouwing en herontwikkeling aan de Dwarsweg 10 te
Rhenen. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op
voorhand niet uitgesloten worden. Lycens B.V. is gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen.
In het onderzoeksgebied is gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies. Ook is
onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied en houtopstanden.
Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening Utrecht. Doel van deze rapportage