Bijlage 1 Motivatie wijziging tijdelijk deel omgevingsplan Radboudweg 3 in Rhenen
Tekst van het document
Pagina 27 van 45
Wijziging Omgevingsplan Radboudweg 3 Rhenen
4.2 Geluid Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het geluid op de geluidgevoelige gebouwen beoordeeld worden. Hiertoe zijn in paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl instructieregels opgenomen. De instructieregels hebben tot doel het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Hiervoor zijn in het Bkl eisen gesteld aan het geluid op geluidgevoelige gebouwen in specifieke geluidaandachtsgebieden. Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied gelden de instructieregels uit afdeling 3.5 van het Bkl. Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een weg, spoorweg of rond industrieterrein waar geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). Bij het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw in een geluidsaandachtsgebied of het wijzigen of aanleggen van een geluidsbron met een geluidaandachtsgebied moet de geluidbelasting worden getoetst. Doorwerking plangebied Het plangebied ligt in de nabijheid van de Lijnweg (N233). Ook ligt er een spoorweg in de buurt. In dat kader is door K+ een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar geluidhinder van wegverkeer en spoorverkeer. Hierbij zijn alle relevante wegen in de omgeving meegenomen.
Er is onderzocht wat de geluidsbelasting is van de Lijnweg (N233), Radboudweg, Levendaalseweg, Kastanjelaan, Boslandweg en de spoorlijn Rhenen-Veenendaal. De maximale geluidbelasting van de gemeentewegen bedraagt 51 dB. Geluid van de provinciale weg komt niet boven de 49 dB uit, en voor het spoorwegverkeer geldt een maximale geluidbelasting van 43 dB. Daarmee worden de standaardwaarden niet overschreden. Nadere maatregelen zijn daarom niet nodig. De minimale gevelgeluidwering, zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving, volstaat. Omdat de ontwikkeling enkel voorziet in de realisatie van appartementen, wordt geen nieuwe functie toegevoegd die tot geluidhinder kan leiden. Er wordt juist een functie verwijderd die wel enige geluidhinder tot gevolg kan hebben. De geluidsituatie in de omgeving verslechtert daarom niet. Het aspect geluid vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.
Pagina 28 van 45
Wijziging Omgevingsplan Radboudweg 3 Rhenen
4.3 Bodemkwaliteit Bij een nieuwe ontwikkeling met bouwactiviteiten dient aangetoond te worden dat de bodem van voldoende kwaliteit is. Paragraaf 5.1.4.5 van het Bkl bevat instructieregels over het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. Indien er sprake is van een overschrijding van een toelaatbare waarde, zijn maatregelen benodigd, zoals sanering of andere beschermende maatregelen. Doorwerking planinitiatief In het plangebied is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek is gebleken dat een sterke verontreiniging met PAK aanwezig is. Om meer inzicht te geven in de aanwezige bodemverontreiniging is in oktober 2023 een nader bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 4). Ter plaatse van boring 02, 03 en 05 zijn sterke verontreinigingen met PAK aanwezig. Boring 09 heeft een matige verontreiniging met PAK. De totale omvang van de sterke PAK-verontreiniging bedraagt circa 72,5 m3. Daarmee is er sprake van een ernstige bodemverontreiniging. Het is daarom noodzakelijk om tijdens of na de sloop van het bestaande gebouw de sterke PAK-verontreiniging te saneren. Ook het bestaande asfalt is onderzocht. Deze is als teervrij aangemerkt en kan daarom worden hergebruikt. Nadat de verontreinigde bodem is gesaneerd, is de bodemkwaliteit voldoende voor de realisatie van het appartementengebouw.
Het aspect bodemkwaliteit vormt na sanering dan ook geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.
Pagina 29 van 45
Wijziging Omgevingsplan Radboudweg 3 Rhenen
4.4 Luchtkwaliteit In paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl staan instructieregels voor het beschermen van de luchtkwaliteit. De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10) (artikel 5.51 lid 2 tot en met 5 van het Bkl). In de aandachtsgebieden kan niet worden uitgesloten dat lokaal een overschrijding van de rijksomgevingswaarden kan optreden, rekening houdend met de realisatie van eventuele werken en activiteiten in deze gebieden. Boven genoemde paragraaf heeft betrekking op activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied. In sommige gevallen kunnen activiteiten buiten het aandachtsgebied zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Om deze reden dient een gemeente een initiatief soms te toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. Indien een project of activiteit weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging is toetsen aan de omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) voor luchtkwaliteit niet nodig (artikel 5.52 van het Bkl).
In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Dus het ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 μg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties (artikel 5.53 en 5.54 Bkl). Afdeling 8.5.1.2 van het Bkl bevat specifieke beoordelingsregels over milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over:
▪ ▪ ▪
beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ammoniakemissies van veehouderijen; geologische opslag van CO2.
Doorwerking planinitiatief Interne werking Het plangebied bevindt zich niet in een aandachtsgebied zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 tot en met 5 van het Bkl. In het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit zijn langs de belangrijkste wegen de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor de monitoringsronde 2023 en monitoringsjaar 2030 bepaald. De dichtstbijzijnde meetpunten zijn gelegen aan de Kastanjelaan. Hier zijn de volgende waarden gemeten: • NO2: 12,74 µg/m3; • PM10: 17,62 µg/m3; • Overschrijdingsdagen PM10: 6,22 per jaar • PM2,5: 9,85 µg/m3; Bovenstaande gemeten waarden liggen ver onder de grenswaarden. Ook zijn er in de directe omgeving geen bedrijven aanwezig die een hoge hoeveelheid fijnstof uit kunnen stoten. Daarmee kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit in het plangebied voldoende is voor het beoogde gebruik. Externe werking De ontwikkeling valt in een categorie die niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Om de toename van uitstoot van NO2 en PM10 te onderzoeken, is de daarvoor ontwikkelde nibm-tool ontwikkeld. Deze is weergegeven in de onderstaande afbeelding. De toename aan
Pagina 30 van 45
Wijziging Omgevingsplan Radboudweg 3 Rhenen
verkeersbewegingen is gebaseerd op de berekening uit paragraaf 4.11. Er is hierbij geen rekening gehouden met de compensatie van verkeersbewegingen van de huidige sportschool. Uit onderstaande afbeelding blijkt dat de extra uitstoot ruim onder de grenswaarde van 1,2 µg/m3 blijft. De ontwikkeling leidt daarom niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Afbeelding 8: Uitsnede NIBM-tool
Pagina 31 van 45
Wijziging Omgevingsplan Radboudweg 3 Rhenen
4.5 Geur Geurhinder kan bij verschillende bedrijfsmatige activiteiten voorkomen, onder meer bij landbouwactiviteiten, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties en overige milieubelastende activiteiten. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl zijn instructieregels gesteld over activiteiten die geur veroorzaken op geurgevoelige gebouwen. In artikel 5.91 Bkl is bepaald dat de woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang als geurgevoelige gebouwen worden aangemerkt. Deze gebouwen moeten in ieder geval beschermd worden tegen geurhinder. De instructieregels moeten zorgen voor een aanvaardbaar geurhinderniveau (artikel 5.92 lid 2 van het Bkl). De gemeente bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Indien er nog geen aanpassing van het tijdelijk omgevingsplan heeft plaatsgevonden dient een activiteit tevens te voldoen aan de geurregels uit de bruidsschat: Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden ineen dierenverblijf (par. 22.3.6.2 bruidsschat):
▪ ▪
Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 bruidsschat);
▪
Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 bruidsschat).
Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, compost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 bruidsschat);
In afdeling 8.5 van het Bkl staan beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit. Ten slotte voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal. Doorwerking planinitiatief In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijfsmatige activiteiten die tot geurhinder kunnen leiden. Het dichtstbijzijnde agrarische bouwvlak ligt op ruim 900 meter afstand van het plangebied. Daarmee kan geurhinder door bedrijfsactiviteiten op voorhand worden uitgesloten. Daarnaast ontstaat door de voorgenomen ontwikkeling geen geurhinder voor de omgeving. Het aspect geur vormt daarom geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.
Pagina 32 van 45
Wijziging Omgevingsplan Radboudweg 3 Rhenen
4.6 Trillingen Net als geur en geluid kunnen trillingen nadelige invloed hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Trillingen kunnen effect hebben op de gezondheid en het welzijn. Om trillinghinder te voorkomen, zijn er streef-, standaard- en grenswaarden voor trillingen. Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl bevat instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen. Hierin zijn onder meer regels opgesteld die voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Overigens gaat het om trillingen van alle activiteiten samen. In artikel 5.87 en 5.78a van het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen die aan de eis van aanvaardbaarheid voldoen. Overigens kan een gemeente gemotiveerd afwijken van de standaardwaarden (artikel 5.86 lid 2 van het Bkl). Daarnaast heeft de gemeente de mogelijkheid om hogere waarden toe te staan (artikel 5.88 en 5.89 van het Bkl). In afdeling 8.5 van het Bkl staan beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit. Ten slotte voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal. Doorwerking planinitiatief In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen activiteiten die trillingen veroorzaken. Wel ligt een spoorlijn op circa 105 meter afstand van het plangebied.
Het plangebied ligt niet in een zone waarvoor onderzoek naar trillingen door spoorwegverkeer noodzakelijk is. Overlast door trillingen wordt daarom ook niet verwacht.
Pagina 33 van 45
Wijziging Omgevingsplan Radboudweg 3 Rhenen
4.7 Externe veiligheid Paragraaf 5.1.2 van het Bkl bevat instructieregels over de manier waarop het omgevingsplan externe veiligheid moet waarborgen bij het toedelen van functies aan locaties; de zogeheten omgevingsveiligheid. Gemeenten dienen regels op te nemen in het omgevingsplan om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen vanwege externe veiligheidsrisico’s. In de instructieregels van het Bkl wordt onderscheid gemaakt in de kwetsbaarheid van gebouwen en locaties. Hierin wordt uitgegaan van drie niveaus: 1. Zeer kwetsbare gebouwen; 2. Kwetsbare gebouwen en locaties; 3. Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. De exacte indeling van de bovengenoemde gebouwen en locaties is te vinden in Bijlage VI van het Bkl. Hieronder vallen ook gebouwen die nog niet aanwezig zijn, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning mogen worden gebouwd (geprojecteerd gebouw). Het staat de gemeente vrij om een gebouw of locatie tot een zwaardere categorie te rekenen. Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. Voor deze activiteiten dienen gemeenten regels op te nemen in het omgevingsplan. De instructieregels hiervoor staan in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De activiteiten welk zijn aangewezen als risicobronnen zijn aangewezen in bijlage VII van het Bkl.
Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar iemand die onbeschermd en continu op een plek verblijft komt te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Dit kan zijn: blootstelling aan hitte door brand, overdruk door een explosie of een concentratie giftige stoffen in de lucht. Deze kans is groter of gelijk aan 1 op één miljoen, of te wel PR 10-6. Het plaatsgebonden risico is ruimtelijk vertaald naar vaste afstanden tot gebouwen en locaties. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Deze afstanden zijn genoemd in Bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Groepsrisico en aandachtsgebieden Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de kans dat als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen een groep van tien of meer personen overlijdt (het groepsrisico). Bij een beoordeling van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn een kenmerk van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s.
Het zijn gebieden rond een activiteit met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er zijn een drietal aandachtsgebieden: 1. Een brandaandachtsgebied, 2. Een explosieaandachtsgebied, en 3. Een gifwolkaandachtsgebied. Deze gebieden en hun begrenzing zijn beschreven in artikel 5.12 Bkl. Voor bepaalde activiteiten kan de omvang van deze gebieden worden afgelezen uit een tabel in Bijlage VII bij het Bkl en in bepaalde gevallen moet de omvang van deze gebieden worden berekend. Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).
Pagina 34 van 45
Wijziging Omgevingsplan Radboudweg 3 Rhenen
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Doorwerking plangebied Het plangebied is niet gelegen in een gebied waar een plaatsgebonden risicocontour geldt. Ook heeft de ontwikkeling geen gevolgen voor het groepsrisico. Hoewel het aantal personen op bepaalde momenten van de dag in het plangebied wel toeneemt, neemt het risico op slachtoffers door een ongeval niet toe. Het plangebied ligt buiten de aandachtsgebieden voor brand, explosies en gifwolken die rondom de Nederrijn gelden. Daarom wordt voor het aspect externe veiligheid geen belemmering verwacht.
Afbeelding 9: Uitsnede Atlas Leefomgeving, plangebied globaal aangegeven met een paarse cirkel
Pagina 35 van 45
Wijziging Omgevingsplan Radboudweg 3 Rhenen
4.8 Archeologie en cultuurhistorie Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. De Erfgoedwet is de opvolger van de vervallen Monumentenwet 1988 en andere regelingen op het gebied van cultureel erfgoed. De huidige juridische basis in de Nederlandse wetgeving wordt gevormd door de Erfgoedwet (hoofdstuk 5) en de Omgevingswet. De Omgevingswet en de Erfgoedwet zorgen samen voor een integrale bescherming van het cultureel erfgoed. De Erfgoedwet en Omgevingswet worden daarmee complementair aan elkaar. De onderdelen van de vervallen Monumentenwet 1988 die van toepassing zijn op de fysieke leefomgeving zijn naar de Omgevingswet overgeheveld. De Omgevingswet is van groot belang voor het cultureel erfgoed, omdat daarin een zorgvuldige omgang met het cultureel erfgoed en de fysieke leefomgeving is geborgd. De grondslag van de Omgevingswet is opgenomen in hoofdstuk 2 van de Omgevingswet. Voorts heeft de bescherming van (archeologische) monumenten, stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen een belangrijke plek gekregen in de Omgevingswet. De aanwijzing en bescherming van stads- en dorpsgezichten is naar de Omgevingswet overgeheveld (artikel 2.34, lid 4 van de Ow). Het belang van de bescherming van stads- en dorpsgezichten is en blijft hiermee geborgd. Paragraaf 5.1.5.5 van het Bkl bevat instructieregels over cultureel erfgoed en werelderfgoed.
Artikel 5.130 Bkl ziet op het behoud van cultureel erfgoed en 5.131 Bkl ziet op het behoud van werelderfgoed. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels opgesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Daarnaast zijn in het Bal instructieregels opgenomen aangaande rijksmonumenten (hoofdstuk 13). Doorwerking plangebied Archeologie In het plangebied geldt op grond van het bestemmingsplan Rhenen Stad 2012 de dubbelbestemming Waarde – Archeologie 3. Bij grondroerende werkzaamheden met een oppervlakte vanaf 100 m 2 en een diepte van 30 cm dient een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Omdat deze oppervlakte en diepte worden overschreden, is door Lycens een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat er in het plangebied geen archeologische vindplaatsen bekend zijn. Nabij het plangebied zijn enkele vondsten bekend van keramiek uit de late middeleeuwen. Op basis van het onderzoek is geconcludeerd dat in het plangebied een lage archeologische verwachting geldt voor alle perioden tot aan de nieuwe tijd. De verwachting is dat de bodem binnen het plangebied dermate verstoord is door bebossing, tabaksplantage en bebouwing dat de geplande ingreep geen archeologische resten bedreigt. Lycens adviseert om het plangebied vrij te geven voor de geplande ingreep. Nader booronderzoek is niet nodig.
In een vrijgegeven gebied bestaat nog altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden gevonden. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2024 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Cultuurhistorie Het pand heeft geen monumentale status. Ook betreft het geen karakteristiek pand. Het plangebied is niet gelegen in een beschermd stads- of dorpsgezicht. Het huidige pand heeft daarom geen beschermde status. De sloop van het bestaande pand en de ontwikkeling van een appartementencomplex heeft dan ook geen gevolgen voor de cultuurhistorische waarde van het plangebied en de omgeving. Wel zal de aanvraag worden getoetst aan de redelijke eisen van welstand, zodat het pand stedenbouwkundig goed wordt ingepast in de omgeving.
Pagina 36 van 45
Wijziging Omgevingsplan Radboudweg 3 Rhenen
4.9 Natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de (vervallen) Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb is met het zogenoemde aanvullingsspoor natuur opgenomen in de Omgevingswet. Het aanvullingsspoor natuur zorgt voor de integratie van de regelgeving over natuur en flora en fauna in de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl en Bal diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wnb. Het gaat in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Gebiedsbescherming Er zijn gebieden in Nederland die voor flora en fauna van groot belang zijn. Dit zijn de Natura 2000gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-activiteiten zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. De Omgevingswet geeft regels over die activiteiten om de natuur te beschermen. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8.74b van het Bkl bevat beoordelingsregels voor Natura 2000-activiteit.
In artikel 6.15 van de Omgevingsregeling wordt benoemd dat de stikstofdepositie moet worden berekend met AERIUS Calculator. Soortenbescherming Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Deze activiteit is vaak het gevolg van een andere activiteit zoals bouwactiviteit. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en faunaactiviteit. Artikel 8.74j tot en met 8.74n bevat beoordelingsregels voor flora- en fauna-activiteit. Doorwerking planinitiatief Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van NNN of Natura 2000. In eerste instantie wordt daarom geen schade aan beschermde natuurgebieden verwacht. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft de ‘Rijntakken’, gelegen op circa 600 meter afstand van het plangebied. Vanwege de ligging nabij het Natura 2000-gebied, is een stikstofberekening uitgevoerd. De berekening is te vinden in de bijlagen van deze motivatie.
De uitkomst van dit onderzoek is dat er in de realisatie- en gebruiksfase geen depositie van stikstof op Natura 2000-gebieden optreedt. Significante effecten kunnen daarom worden uitgesloten. Soortenbescherming Om de gevolgen van de ontwikkeling op beschermde flora en fauna in het plangebied te onderzoeken, is door Ecofect in mei 2024 een natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Hierin is onder andere een eerste scan gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten. Uit dit onderzoek is gebleken dat in het plangebied geen beschermde plantsoorten aanwezig zijn. Het plangebied wordt daarnaast niet geschikt geacht voor beschermde nesten van vogels, zoals de huismus, gierzwaluw of de Roek. Wel bestaat de kans dat in het broedseizoen gebruik wordt gemaakt van het plangebied als broedplaats voor diverse vogelsoorten. Daarom dienen de bouwactiviteiten buiten het broedseizoen aan te vangen. Ten aanzien van zoogdieren worden tevens geen schadelijke handelingen verwacht, omdat het plangebied geen geschikt leefgebied is voor beschermde zoogdieren. Ook voor reptielen en amfibieën worden geen nadelige gevolgen verwacht.
Pagina 37 van 45
Wijziging Omgevingsplan Radboudweg 3 Rhenen
Wel is het plangebied een geschikt leefgebied voor de vleermuis. In dat kader is door Ecofect in 2024 een nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen. Uit dit onderzoek blijkt dat er geen verblijfplaatsen van vleermuizen zijn aangetroffen. Er zijn ook geen essentiële vliegroutes, dan wel zwemlocaties van vleermuizen aangetroffen in en nabij de te slopen bebouwen. Het plangebied heeft ook geen waarde als jachtgebied of onderdeel van een vliegroute. De voorgenomen ontwikkeling heeft daarom geen gevolgen voor vleermuizen, omdat deze niet voorkomen in het plangebied. Er is dan ook geen vergunning noodzakelijk op dit punt.
Pagina 38 van 45
Wijziging Omgevingsplan Radboudweg 3 Rhenen
4.10 Milieueffectrapportage In het milieueffectrapport (MER) worden de effecten van een project op het milieu beschreven. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit kan worden afgeleid of een project mer-plichtig is. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Er zal niet meer getoetst worden aan de limitatieve lijst van MER-plichtige plannen en programma's uit de Bijlage bij het Besluit MER. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn. Doorwerking planinitiatief De voorgenomen ontwikkeling betreft een stedelijke ontwikkeling en is daarmee een activiteit dat is opgenomen in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarom dient een m.e.r.-beoordeling te worden doorlopen. In het kort wordt ingegaan op de relevante aspecten:
▪
Natuur: Uit de stikstofberekening is gebleken dat negatieve effecten op beschermde natuurgebieden zijn uitgesloten. Ook zijn er geen gevolgen voor beschermde flora en fauna door de ontwikkeling.
▪
Cultuur/Archeologie: Er worden geen archeologische waarden in het plangebied verwacht. Er zullen geen archeologische waarden worden geschaad. Ook zijn er geen gevolgen voor de cultuurhistorische waarden in de gemeente Rhenen.
▪
Verkeer: De ontwikkeling zorgt voor een beperkte toename aan verkeersbewegingen buiten het plangebied. Deze verkeersbewegingen kunnen worden opgevangen door de bestaande infrastructuur.
▪
Geluid: De ontwikkeling betreft geen nieuwe functie die tot geluidhinder kan leiden. Er wordt zelfs een functie verwijderd die wel tot geluidhinder kan leiden. Daarmee verbetert de geluidsituatie in de omgeving.
▪
Lucht: De luchtkwaliteit in het plangebied voldoet aan de normen. Daarnaast verslechtert de luchtkwaliteit niet door de voorgenomen ontwikkeling.
▪
Bodem: De bodem is voldoende onderzocht en geschikt voor de toekomstige bestemming en het gebruik. De ontwikkeling leidt niet tot nieuwe bodemverontreinigingen.
▪ ▪
Ongevallen: Er is geen sprake van een toename van het groepsrisico. Gezondheidseffecten: De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een belangrijke toename van risico’s voor de menselijke gezondheid.
Geconcludeerd wordt dat nadelige milieueffecten kunnen worden uitgesloten. Het opstellen van een milieueffectrapport is dan ook niet aan de orde.
Pagina 39 van 45
Wijziging Omgevingsplan Radboudweg 3 Rhenen
4.11 Verkeer en parkeren Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. Doorwerking planinitiatief Parkeren In de gemeente Rhenen geldt sinds 30 maart 2023 de Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds. In deze beleidsnota zijn de kaders bepaald voor het aspect parkeren voor nieuwe ontwikkelingen in de gemeente. Onderhavig planinitiatief voorziet in de realisatie van 23 woningen. Dit betreffen 14 woningen in het middensegment en 9 woningen in het goedkope segment. Alle woningen betreffen koopwoningen. Op basis van de parkeernormen van de gemeente Rhenen bedraagt de totale behoefte voor deze ontwikkeling dan 36 parkeerplaatsen. Om te voorzien in de parkeerbehoefte worden enkele maatregelen genomen. Er is eerst door de gemeente Rhenen een parkeertelling uitgevoerd in de omgeving. Hieruit blijkt dat er nog parkeercapaciteit over is. Voor onderhavige ontwikkeling kan gebruik worden gemaakt van 4 bestaande parkeerplaatsen in de openbare ruimte. Dat betekent dat er nog 32 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. In het plangebied worden 22 parkeerplaatsen aan de noord- en westzijde van het appartementengebouw gerealiseerd.
Deze parkeerplaatsen zijn bereikbaar vanaf een inrit aan de Radboudweg. Deze parkeerplaatsen zijn voor bewoners en bezoekers toegankelijk. Verder zullen aan de straatzijde aan de Radboudweg 3 langsparkeerplaatsen aangelegd worden. Ook aan het Van Zwietenhof worden 4 parkeerplaatsen gerealiseerd. Deze 7 parkeerplaatsen liggen gedeeltelijk buiten het plangebied en op gemeentegrond. De aanleg van deze parkeerplaatsen gebeurt in overeenstemming met de gemeente. Om te voorzien in de totale parkeerbehoefte, zijn nog 3 aanvullende parkeerplaatsen benodigd. Deze worden in de openbare ruimte gerealiseerd, buiten het plangebied. Door de bovenstaande maatregelen te nemen, wordt voorzien in de parkeerbehoefte. Het aspect parkeren vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig planinitiatief. Het parkeren van fietsen vindt plaats in de bergingen naast het hoofdgebouw, en een speciale ruimte in het hoofdgebouw. Hier kunnen de bewoners hun fietsen overdekt stallen. Verkeer Om de verkeersgeneratie van het plan te berekenen, is gebruik gemaakt van de meest recente CROW publicatie 381. Hierin is per type woning aangegeven wat de verwachte verkeersgeneratie bedraagt. In dit geval is uitgegaan van de stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’ in het gebied ‘rest bebouwde kom’. De appartementen betreffen koopappartementen in het goedkope en midden segment.
In de onderstaande tabel is de verwachte verkeersgeneratie te zien. Type woning
Aantal
Verkeersgeneratie
Totaal
Goedkoop
9
6,0
54
Midden
14
6,4
89,6
Tabel 2: Verkeersgeneratie
Pagina 40 van 45
Wijziging Omgevingsplan Radboudweg 3 Rhenen
Uit de tabel blijkt dat de totale verkeersgeneratie 144 verkeersbewegingen per dag bedraagt. Dit betreft een kleine hoeveelheid verkeersbewegingen. Deze verkeersbewegingen betreffen hoofdzakelijk personenauto’s. Het verkeer zal hoofdzakelijk via de Radboudweg, de Levendaalseweg en de Kastanjelaan richting de Grebbeweg rijden. Vanaf hier kan men diverse richtingen op. Gezien de geringe hoeveelheid verkeersbewegingen en de huidige verkeerssituatie, worden geen belemmeringen verwacht voor het aspect verkeer. Er ontstaan geen gevaarlijke situaties en de ontwikkeling leidt niet tot een toename van verkeersdrukte.
Pagina 41 van 45
Wijziging Omgevingsplan Radboudweg 3 Rhenen
5
Uitvoerbaarheid
5.1 Economische uitvoerbaarheid Afdeling 13.6 van de Omgevingswet bevat de regeling voor het kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan wordt bepaald of kostenverhaal verplicht is en hoe de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. De verplichting tot kostenverhaal geldt voor particuliere grondeigenaren die een bouwplan als bedoeld in artikel 13.11 Omgevingswet en artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit kunnen realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de bouw van een of meerdere woningen of een nieuw hoofdgebouw. In dit geval wordt een bestaand gebouw gesloopt en een appartementengebouw daarvoor in de plaats gebouwd. Daarmee is sprake van een bouwplan. In dat kader wordt een anterieure overeenkomst gesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer. Hierin worden afspraken gemaakt over onder andere nadeelcompensatie en de kosten behorende bij de procedure. Daarmee is de financiële uitvoerbaarheid van het plan verzekerd. 5.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
5.2.1 Participatie De gemeente Rhenen heeft op 19 december 2023 de Nota Participatie vastgesteld. Deze nota is van toepassing op participatie bij ruimtelijke ontwikkelingen onder de Omgevingswet. Het gaat over hoe de gemeente Rhenen belanghebbenden betrekt bij de kerninstrumenten onder de Omgevingswet en hoe initiatiefnemer de omgeving betrekken bij hun ruimtelijke plannen. Onderhavig planinitiatief betreft een geval waarvoor verplichte participatie geldt. Het is een ontwikkeling tussen de 11 en 30 woningen zonder dat een door de raad vastgestelde stedenbouwkundige visie, stedenbouwkundige randvoorwaarden of daarmee te vergelijken ruimtelijk kader aanwezig is. De initiatiefnemer heeft een inloopavond georganiseerd voor de buurt. Ook zijn er naar aanleiding van deze avond diverse gesprekken geweest met omwonenden, om zorgen weg te kunnen nemen. Hierdoor is het ontwerp op enkele punten gewijzigd. Het participatieverslag is bijgevoegd als bijlage 10. Een aanvullende antwoordbrief aan enkele omwonenden is bijgevoegd in bijlage 11. 5.2.2 Vooroverleg Het plan zal worden voorgelegd aan het waterschap en de provincie Utrecht. Eventuele opmerkingen uit dit vooroverleg worden in deze paragraaf verwerkt. 5.2.3 Zienswijzen Het plan wordt door het college van B&W voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. Een ieder wordt in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te dienen.
Na het aflopen van de zienswijzetermijn worden de zienswijzen beantwoord in een zienswijzennota. De zienswijzennota zal na de terinzagelegging worden verwerkt in deze paragaaf.
Pagina 42 van 45
Wijziging Omgevingsplan Radboudweg 3 Rhenen
6
Juridische aspecten
6.1 Inleiding Het omgevingsplan bestaat uit juridisch bindende regels en een verbeelding. Deze toelichting onderbouwt dat de wijziging van het omgevingsplan uitvoerbaar is. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het gebruik van gronden, de toegelaten bebouwing en het gebruik van de op te richten bebouwing. Op de verbeelding zijn de functies in beeld gebracht. 6.2 Opzet van de wijziging van het omgevingsplan Om de ontwikkeling mogelijk te maken binnen de kaders van het omgevingsplan, wordt de bestaande set aan regels van het omgevingsplan van de gemeente Rhenen als uitgangspunt genomen. Op de verbeelding worden de volgende functies en aanduidingen opgenomen:
▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪
Wonen (artikel 21.12 t/m 21.17) Maximum goothoogte 10 meter (artikel 21.15, lid 4) Maximum bouwhoogte 10 meter (artikel 21.15, lid 5) Woningen gestapeld (artikel 21.40). Bouwvlak Hoge verwachtingswaarde Parkeerterrein Dakhelling 0 graden
Daarnaast zijn enkele wijzigingen in de regels van het omgevingsplan benodigd om de ontwikkeling mogelijk te maken.
▪
In artikel 21.12 wordt lid 3 toegevoegd, zodat een parkeerterrein is toegestaan ter plaatse van het deelgebied ‘Parkeerterrein’;
▪
In artikel 21.15, lid 3, wordt toegevoegd dat de dakhelling niet minder dan 20 graden bedraagt, tenzij anders is aangegeven.
Door deze wijzigingen door te voeren, kan de ontwikkeling mogelijk worden gemaakt.
Pagina 43 van 45
Wijziging Omgevingsplan Radboudweg 3 Rhenen
7
Conclusie
Onderhavige ontwikkeling ziet op de sloop van een bestaand bedrijfsgebouw en de realisatie van een woongebouw met 23 koopappartementen. Daarvan vallen 9 appartementen in het goedkope segment, en 14 appartementen in het midden segment. Uit deze toelichting bij de wijziging van het omgevingsplan blijkt dat de ontwikkeling past binnen de beleidskaders van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente. Hoewel niet in sociale huurwoningen wordt voorzien, zijn in het plan uitsluitend betaalbare appartementen opgenomen. Daarmee wordt voorzien in een behoefte naar betaalbare woningen in Rhenen. Uit de omgevingsaspecten blijkt dat er geen belemmeringen zijn om de ontwikkeling uit te voeren. Er is sprake van een gezonde en veilige woonsituatie. Door de wijziging van het omgevingsplan uit te voeren, kan de ontwikkeling mogelijk worden gemaakt.
Pagina 44 van 45
Wijziging Omgevingsplan Radboudweg 3 Rhenen
8
Bijlagen
Bijlage 1: Watertoets Bijlage 2: Archeologisch bureauonderzoek Bijlage 3: Akoestisch onderzoek Bijlage 4: Nader bodemonderzoek Bijlage 5: Natuurwaardenonderzoek Bijlage 6: Nader ecologisch onderzoek Bijlage 7: Aerius rapportage Bijlage 8: Participatieverslag Bijlage 9: Antwoordbrief naar omwonenden
Pagina 45 van 45