Bijlage 1 Bestemmingsplan Utrechtsestraatweg ongenummerd (naast 21) ¿ Toelichting
Tekst van het document
Indien grond afgevoerd moet worden van de locatie, dient rekening gehouden te worden met gebruiksbeperkingen van de vrijkomende grond. Volgens de tijdelijke handreiking hergebruik PFAS houdende grond en bagger dient de grond ten behoeve van afzet aanvullend op de aanwezigheid van PFOS/PFOA geanalyseerd te worden. In het verkennend bodemonderzoek van NIPA Milieutechniek b.v. wordt verwezen naar een door BOOT uitgevoerd onderzoek van 23-05-2018 (rapportnummer P18-0164-009) en een eerder door NIPA Milieutechniek b.v uitgevoerd onderzoek (rapportnummer 16991, d.d. 18 oktober 2018) verwezen. Deze onderzoeken zijn voor de volledigheid als Bijlage 5 en Bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd. Beoordeling ODRU De Omgevingsdienst Regio Utrecht heeft dit bodemonderzoek beoordeeld. Het integraal advies van de Omgevingsdienst is als Bijlage 3 bij deze toelichting opgenomen. Hierin wordt geadviseerd: 1. Het bodemonderzoek dat als bijlage 3 is opgenomen in de bijlagen bij de toelichting van het (ontwerp)bestemmingsplan, te accepteren als bewijsmiddel voor een geschikte bodemkwaliteit. 2. De toelichting van het (ontwerp)bestemmingsplan, met hierin de bodemparagraaf, ter beoordeling aan de ODRU voor te leggen. 3.
De initiatiefnemer in de gelegenheid te stellen om aandacht te besteden aan het aspect Niet Gesprongen Conventionele Explosieven (NGCE) en een paragraaf NGCE aan de toelichting toe te voegen, inclusief explosievenonderzoek (conform WSCS-OCE) in de bijlagen hiervan. Opgenomen conclusie: Het onderzoek voldoet aan NEN 5740. Er zijn geen aanleidingen voor een aanvullend of nader bodemonderzoek. Conclusie Tegen de eventuele bebouwing van de onderzoekslocatie zijn conform het rapport geen zwaarwegende milieuhygiënische bezwaren aan te voeren. Het aspect bodem vormt derhalve geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
32/49 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPUSWnaast21-ON01 - 6 november 2020
4.3
Water
Algemeen Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Onderhavige ontwikkeling De waterbeheerder voor deze locatie is het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. In het kader van voorgenoemde wettelijke verplichting is voor het plangebied op 18 mei 2017 de digitale watertoets doorlopen via www.dewatertoets.nl. De volledige resultaten zijn opgenomen in Bijlage 7. Op basis van de watertoetsprocedure is geconcludeerd dat het plan geen groot effect geeft op water. Er kan daarom volstaan worden met een standaard wateradvies van het waterschap. Naast de standaard waterparagraaf gelden de volgende adviespunten van het waterschap ten aanzien van de gewenste ontwikkeling.
Basisprincipes omgaan met water: Vasthouden - bergen - afvoeren (waterkwantiteit) Schoonhouden - scheiden - zuiveren (waterkwaliteit) Waarborg tegen overstroming - overstromingsrobuust bouwen (veiligheid) Beleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. Water in relatie tot de ruimtelijke ontwikkeling De ruimtelijke ontwikkeling heeft weinig tot geen gevolgen voor het watersysteem. In het kort gaat het om: Het verhard oppervlak neemt gering toe. Deze geringe toename van verhard oppervlak heeft weinig gevolgen voor het watersysteem. Het bestaande watersysteem kan tijdens een hevige regenbui al het hemelwater vanaf dit oppervlak verwerken en bergen.
Het bestaande oppervlaktewater wordt niet aangepast. Water wordt niet buiten het plangebied geborgen. Er vindt geen lozing plaats van verontreinigingen en/of verontreinigd water naar oppervlaktewater. Het plangebied ligt niet op of nabij een waterkering of belangrijke watergang. Het plangebied ligt niet nabij een rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) of rioolpersleiding. Afvoer hemelwater Er is aangegeven dat hemelwater wordt afgevoerd via een hemelwaterriool. De capaciteit van dit hemelwaterstelsel is groot genoeg om wateroverlast te voorkomen. Hemelwater wordt opgevangen in het groene/sedumdak en geïnfiltreerd in de bodem, hetgeen in 33/49 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPUSWnaast21-ON01 - 6 november 2020
overeenstemming is met het de uitgangspunten van het waterbeleid. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Afvalwater Afvalwater wordt afgevoerd op het gemeentelijk rioolstelsel. Toekomstige ontwikkelingen Indien in de toekomst ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn, waarbij het verhard oppervlak uitbreidt met meer dan 500m2 in stedelijk gebied en/of 1000m2 in landelijk gebied, heeft dit tot gevolg dat het hemelwater van dit oppervlak versneld tot afvoer komt. Om de waterhuishouding niet te verslechteren, moet deze versnelde afvoer dan worden voorkomen of gecompenseerd. Adviespunten Waterschap: Kansen pakken Ondanks dat de ruimtelijke ontwikkeling weinig tot geen gevolgen heeft voor water, kan het zijn dat er kansen zijn om verbeteringen door te voeren ten behoeve van duurzaam waterbeheer. Het Hoogheemraadschap adviseert bijvoorbeeld om hemelwater niet af te voeren naar een gemengd rioolstelsel, maar te infiltreren in de bodem of af te voeren naar oppervlaktewater. De gemeente is verantwoordelijk voor het bepalen van (de methode van) hemelwaterafvoer, in overleg met het waterschap.
Aanleghoogte Het Hoogheemraadschap adviseert om de nieuwbouw aan te leggen met een ontwateringsdiepte van minimaal 80 centimeter, en bij voorkeur 1 meter. Dit is de afstand tussen de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) en het maaiveld. Bij het bouwen zonder kruipruimte kan worden volstaan met een geringere ontwateringsdiepte. Grondwater In oktober 2019 door NIPA milieutechniek b.v. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 4). Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt tevens dat het grondwater niet binnen de maximale boordiepte van 5,0 meter – mv is aangetroffen. Grondwateroverlast als gevolg van afwijkende aanleghoogten blijft echter voor de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemers. Waterketen Het plan heeft gevolgen voor de rioleringssituatie. Het Hoogheemraadschap adviseert om een rioleringsplan op te stellen en dit aan het waterschap voor te leggen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het onderhavige bestemmingsplan.
34/49 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPUSWnaast21-ON01 - 6 november 2020
4.4
Geluidshinder
In opdracht van DORPenLANDadvies heeft Lievense Milieu B.V. een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai (zie Bijlage 8) uitgevoerd ter plaatse van een perceel aan de Utrechtsestraatweg tussen nummer 21 en 25 te Rhenen. Het doel van het onderzoek is het bepalen van de optredende geluidbelastingen vanwege nabij gelegen wegen en het toetsen van de berekende waarden aan de grenswaarden uit de Wet geluidhinder en, voor zover van toepassing, aan het gemeentelijk geluidbeleid. Daarnaast dient ter onderbouwing van de goede ruimtelijke ordening de gecumuleerde geluidbelasting inzichtelijk te worden gemaakt. Resultaten onderzoek De woning in het plangebied is krachtens de Wet geluidhinder gelegen binnen de geluidzone van het gedeelte van de Utrechtsestraatweg en het Paardenveld, voor beide wegen geldt een maximum snelheid van 50 km/uur. Daarnaast ligt het plan binnen de invloedsfeer van de Donderberg en het Frankenveld, waarvoor een maximum snelheid van 30 km/uur geldt, deze wegen zijn daarmee niet zoneplichtig. Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van de Utrechtsestraatweg ten hoogste 52 dB bedraagt inclusief aftrek conform art 110g Wgh. Daarmee wordt de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh overschreden.
Maatregelen om de geluidbelasting te reduceren zijn technisch wel mogelijk en worden op basis van de regeling doelmatigheid geluidmaatregelen Wet geluidhinder doelmatig geacht. De werkelijke kosten van de maatregelen zijn echter zo hoog dat wordt geconcludeerd dat voor de realisatie van 1 woning, sprake is van bezwaren van financiële aard. De gemeente Rhenen wordt dan ook verzocht een hogere waarde vast te stellen. De overige wegen in de omgeving van het plangebied leveren geen relevante bijdrage aan de geluidbelasting. De cumulatieve geluidbelasting is gelijk aan de geluidbelasting als gevolg van de Utrechtsestraatweg. Tevens is gebleken dat met een standaardgevelwering wordt niet voldaan aan het Bouwbesluit. Volgens het Bouwbesluit dient het geluidniveau in een woning (binnenniveau) maximaal 33 dB te zijn. De maximale geluidbelasting op de woningen is 57 dB, exclusief aftrek ex. art. 110g Wgh. Dit betekent dat er een geluidwering van 24 dB is vereist om aan het vereiste binnenniveau van het Bouwbesluit te kunnen voldoen. Een standaard gevel heeft een geluidwering van 20 dB. Er moeten dus extra geluidwerende maatregelen worden genomen.
Deze dienen beschreven te worden in een akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de gevels dat bijgevoegd moet worden bij de omgevingsvergunning bouwen Conclusie Uit de berekeningsresultaten blijkt dat de geluidbelasting als gevolg van de Utrechtsestraatweg ten hoogste 52 dB bedraagt inclusief aftrek conform art 110g Wgh. Indien hogere waarden worden vastgesteld voor een geluidsbelasting van 52 dB op het voorliggende perceel, wordt aangetoond dat wordt voorzien in een goede ruimtelijke ordening. De overige wegen in de omgeving van het plangebied leveren geen relevante bijdrage aan de geluidbelasting. De cumulatieve geluidbelasting is gelijk aan de geluidbelasting als gevolg van de Utrechtsestraatweg. Wel is gebleken dat met een standaardgevelwering niet kan worden voldaan aan het Bouwbesluit. Uit een 'akoestisch onderzoek naar de geluidwering van de gevels', dat onderdeel uitmaakt van de nog in te dienen aanvraag Omgevingsvergunning, dient te blijken dat: Er extra geluidwerende maatregelen van 24 dB worden genomen om aan het vereiste binnenniveau van het Bouwbesluit te kunnen voldoen.
35/49 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPUSWnaast21-ON01 - 6 november 2020
4.5
Luchtkwaliteit
Algemeen De wet Milieubeheer bevat de belangrijkste luchtkwaliteitseisen. Hierin is van bepaalde projecten getalsmatig vastgelegd dat ze "niet in betekenende mate" (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Met de inwerkingtreding van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) op 1 augustus 2009, zijn deze grenzen verruimd. Doordat het NSL in werking is getreden, draagt op grond van het Besluit niet in betekenende mate een project niet bij zolang de toename van de concentratie fijnstof of stikstofdioxide maximaal 3% bedraagt van de grenswaarde. De 3%-grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m³ voor zowel PM10 als NO2. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van projecten (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Voor woningbouwlocaties geldt dat voor maximaal 1.500 woningen (in geval van één ontsluitingsweg) of 3.000 woningen (in geval van twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling) geen beoordeling op luchtkwaliteit meer hoeft plaats te vinden.
Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op de verplaatsing van één bouwrecht, waarmee de ontwikkeling ruimschoots onder de NIBM-waarde blijft. Het project draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Nadere toetsing van het project is daarom niet noodzakelijk. Besproeiing naastgelegen percelen De gronden naast het bouwperceel zijn in het bestemmingsplan voorzien van de bestemming 'agrarisch' met een functieaanduiding 'intensieve kwekerij'. Deze functieaanduiding maakt een agrarisch bedrijf gericht op het telen, kweken en verzorgen van sierteeltgewassen (bomen, heesters, planten en bloemen) of tuinbouwzaden mogelijk, waarbij de exploitatie van het bedrijf geheel of grotendeels gebonden is aan ter plaatse of in de nabijheid aanwezige gronden. Sinds 1 januari 2018 verplicht het Activiteitenbesluit, in de artikelen 3.78a en 3.83, bedrijven tot het toepassen van technische maatregelen bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen in de open lucht. Hiermee moet drift van die middelen tot een minimum worden voorkomen. Om op het bouwperceel een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen, dienen daarom maatregelen te worden getroffen. Een andere mogelijkheid is deze functieaanduiding te laten vervallen waardoor besproeiing van de gronden niet meer noodzakelijk is.
Er geen wettelijke afstand is voorgeschreven voor een spuitzone, maar hiervoor wordt in het algemeen een afstand van 50 meter als uitgangspunt genomen. Door het toepassen van deze afstand tot het dichtsbijgelegen gevoelig object, kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. De initiatiefnemer heeft voor de laatste optie gekozen. Binnen een zone van 50 meter, gemeten vanaf de zijgevel van de woning, zal de functieaanduiding 'intensieve kwekerij' worden wegbestemd. Hierdoor zal op deze gronden geen besproeiing van gewassen meer plaats vinden. De bestemming 'Agrarisch' zal op dit deel conserverend worden overgenomen waardoor hiervoor geen onderzoeken nodig zijn. Hiermee kan daarom een binnen de bestemming 'Wonen' een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. De resterende gronden aan de Utrechtsestraatweg met de bestemming 'agrarisch' en de functieaanduiding 'intensieve kwekerij' maken geen deel uit van het plangebied en het voorliggend bestemmingsplan waardoor de gebruiksmogelijkheden ter plaatse niet wijzigen. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 36/49 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPUSWnaast21-ON01 - 6 november 2020
4.6
Externe veiligheid
Externe veiligheid heeft betrekking op de risico's die mensen lopen ten gevolge van mogelijke ongelukken met gevaarlijke stoffen bij bedrijven en transportverbindingen (wegen, spoorwegen, waterwegen en buisleidingen). Onderhavige ontwikkeling Hierna wordt ingegaan op het perceel Utrechtsestraatweg (ongenummerd) ten aanzien van externe veiligheid.
Afbeelding - Uitsnede risicokaart perceel Utrechtsestraatweg ongenummerd (bron: www.risicokaart.nl) Inrichtingen Ten noordoosten van het plangebied is 'Sport en recreatiecentrum 't Gastland' gelegen. Binnen dit centrum bevinden zich onder andere een zwembad, bowlingbaan en horeca. Het centrum ligt op ruim 570 meter afstand ten opzichte van het plangebied en vormt daarmee geen belemmering voor de onderhavige ontwikkeling. Ten zuiden van het plangebied, aan de andere kant van de Nederrijn is een agrarisch gebied met bovengrondse tank aanwezig. Deze installatie heeft een afstand van circa 750 meter tot het plangebied en vormt tevens geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Transportroutes Het plangebied is gelegen aan de provinciale weg N225 tussen Driebergen - Rhenen Oosterbeek. De voorgevel van de woning die wordt gerealiseerd op de rand van het bouwvlak, ligt op circa 30 meter ten zuiden van deze weg. De weg ligt op voldoende afstand van het de woning. 37/49 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPUSWnaast21-ON01 - 6 november 2020
Buisleidingen In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen die op basis van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) een belemmering vormen voor de voorgenomen ontwikkeling. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan. 4.7
Cultuurhistorie en archeologie
KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor de locatie aan de Utrechtsestraatweg ongenummerd (ten NW van huisnummer 21) in Rhenen (gemeente Rhenen). Het volledige onderzoek is opgenomen in Bijlage 9 van het voorliggende bestemmingsplan. Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging op een sandr afgedekt door een plaggendek, grenzend aan een lager gelegen riviervlakte en de archeologische vondstlocaties uit de omgeving is aan het plangebied een hoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Om de mate van de bodemverstoring ten gevolge van de tabaksteelt vast te stellen wordt geadviseerd om de hoge archeologische verwachting te toetsen door middel van een Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase. Met dit onderzoek wordt de bodemopbouw in kaart gebracht en wordt de intactheid van de bodem en het potentiële archeologische niveau vastgesteld. Voor het booronderzoek dient een Plan van Aanpak (PvA) te worden opgesteld, dat door het bevoegd gezag dient te worden goedgekeurd. Pas na goedkeuring kan het booronderzoek worden uitgevoerd.
Dit Plan van Aanpak (PvA) is 4 oktober 2019 door KSP Archeologie opgesteld en als Bijlage 10 in deze toelichting opgenomen. Het PvA door de ODRU getoetst en akkoord bevonden zoals is verwoord in het ROM Integraal Advies van 16 oktober 2020, zie Bijlage 11. Het booronderzoek en mogelijk vervolgonderzoek zullen worden opgepakt tijdens het traject van de omgevingsvergunning. Op het gronden met de bestemming 'Wonen' zal een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' worden opgenomen. Indien noodzakelijk kunnen in de Omgevingsvergunning voorwaarden omtrent archeologie worden opgenomen. Conclusie Er zal een Inventariserend Veldonderzoek (booronderzoek) worden uitgevoerd om de hoge archeologische verwachting ter plaatse van het plangebied te toetsen. Eventueel kunnen in de te verlenen Omgevingsvergunning nog voorwaarden omtrent archeologie worden opgenomen.
38/49 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPUSWnaast21-ON01 - 6 november 2020
4.8
Natuurwaarden
De Wet natuurbescherming voorziet in het wettelijk kader voor de bescherming van bepaalde gebieden (Natura 2000, Nederlands Natuurnetwerk, enz.), planten- en diersoorten en houtopstanden. In de Wet natuurbescherming is de Europese regelgeving omtrent natuurbescherming, zoals vastgelegd in de Vogelrichtlijn (Richtlijn 2009/147/EG, 30 november 2009) en Habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG, 21 mei 1992) als uitgangspunt genomen. In de Wet natuurbescherming zijn de provincies primair bevoegd gezag voor bescherming van soorten en natuurgebieden. Door Blom Ecologie B.V is 9 mei 2019 is een quick scan Natuurwetgeving uitgevoerd voor het plangebied aan de Utrechtsestraatweg. Deze rapportage is opgesteld om in kaart te brengen of er negatieve effecten ten aanzien van de instandhoudingsdoelen van het Natura2000-gebied 'Rijntakken' te verwachten zijn naar aanleiding van de beoogde ontwikkelingen. 4.8.1 Gebiedsbescherming Het plangebied heeft geen status als beschermd Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'de Rhijntakken' ligt op een afstand van circa 1,0 kilometer tot het plangebied. Gezien de afstand van het plangebied en de aard van de ingreep doet het voornemen wat deze aspecten betreft geen afbreuk aan de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied.
Wet Natuurbescherming Op basis van de Wet natuurbescherming (verder: Wnb) is het verboden om een plan vast te stellen of een project te realiseren dat significante gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Indien de instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar komen, zijn significante gevolgen uitgesloten. Toetsing aan de Wnb vindt plaats in 2 stappen: een voortoets en een passende beoordeling. Wet Stikstofreductie en natuurverbetering Op 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. Hiermee is de Wet natuurbescherming gewijzigd en is een gedeeltelijke vrijstelling van de vergunningplicht opgenomen in artikel 2.9a van de Wet natuurbescherming. Deze vrijstelling geldt voor alle projecten die in de gebruiksfase geen tot weinig stikstofemissie veroorzaken en heeft betrekking op de bouwfase van woningen, utiliteitsgebouwen en andere bouwwerken (waaronder buisleidingen) inclusief de daarmee gepaard gaande vervoersbewegingen. Wel bestaat er een verplichting om de emissie van stikstof te beperken voor bouw- en sloopwerkzaamheden waarvoor een omgevingsvergunning of melding noodzakelijk is. Hiermee wordt beoogd dat machines en andere processen (eerder) worden vervangen door alternatieven met een lagere uitstoot.
Voor aanvang van de werkzaamheden moet het bevoegd gezag worden geïnformeerd over de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de verplichting van het beperken van de emissie. Stikstofdepositie Voor de gebruiksfase is een AERIUS-berekening gemaakt om aan te tonen dat er als gevolg van deze fase geen toename van de stikstofdepositie wordt veroorzaakt. Daarnaast wordt door middel van een AERIUS-berekening voor de bouwfase onderzocht hoe realistisch het is dat er als gevolg van de bouwfase een (relevante) toename van de depositie wordt veroorzaakt. Indien het aannemelijk is dat de bouwfase kan worden uitgevoerd zonder dat een toename van de depositie wordt veroorzaakt, dan wel zonder dat een toename van de depositie wordt veroorzaakt groter dan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar (of een equivalent hiervan2) dan zal dit plan in ieder geval niet leiden tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Hiermee is dan ook aangetoond dat er voldoende maatregelen worden getroffen om de emissie te beperken. Op basis daarvan is dan 39/49 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPUSWnaast21-ON01 - 6 november 2020
in ieder geval ook de vrijstelling voor de bouwfase van toepassing. Resultaten: Stikstofdepositie gebruiksfase Voor de gebruiksfase van de 1 nieuwbouwwoning is berekend dat de stikstofemissie als gevolg van de verkeersaantrekkende werking van het plan niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op relevante nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Stikstofdepositie bouwfase Omdat de uitstoot van stikstof over grote afstand effect kan hebben, is een berekening van de mogelijke stikstofdepositie, voor de realisatie en het gebruik van de woning uitgevoerd. De notitie 'S21900718b01_200120 Stikstof depositie' is als Bijlage 12 bij deze toelichting opgenomen. Uit het onderzoek blijkt dat tijdens aanlegfase geen toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden plaats vindt, als de emissie niet hoger wordt dan 436 kg NOx op jaarbasis. Binnen deze randvoorwaarden zijn significante gevolgen voor beschermde habitats en hieraan gekoppelde soorten als gevolg van stikstofdepositie op voorhand uitgesloten. De instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied worden gerespecteerd en de natuurlijke kenmerken worden niet aangetast. Tijdens de gebruiksfase is vindt een emissie van 1.460 kg NOx op jaarbasis plaats waardoor eveneens geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
Voortoets Natura2000 Ten aanzien van mogelijk overtreding Wet natuurbescherming is in oktober 2018 een quickscan flora en fauna uitgevoerd door NIPA milieutechniek b.v. (zie paragraaf 4.8.2). Op basis van de bevindingen wordt geconcludeerd dat er geen procedurele gevolgen zijn ten gevolge van de voorgenomen ingrepen. De planlocatie bevindt zich aangrenzend aan het Natura 2000-gebied 'Rijntakken'. Ten behoeve van de procedure inzake de bestemmingsplanwijziging word door de gemeente Rhenen een Voortoets Natura 2000 vereist. Deze voortoets Natura2000 is op 9 mei 2019 uitgevoerd door Blom Ecologie B.V. en als Bijlage 13 bij deze toelichting opgenomen. Uit deze voortoets is gebleken dat de realisatie van een woning aan de Utrechtseweg ong. te Rhenen, mits enkele mitigerende maatregelen* worden getroffen, aannemelijk niet leidt tot de aantasting van het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' en zijn instandhoudingsdoelen. In de aanlegfase treden mogelijk tijdelijke niet-significant effecten op welke worden ondervangen door maatregelen te treffen of buiten de kwetsbare periodes van specifieke fauna te werken. Voorgestelde mitigerende maatregelen: De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli).
Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten. Mocht dit desondanks toch een vereiste zijn, dient hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel, branduren minimaliseren). Om verdere effecten op vleermuizen te voorkomen de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Gelet op het bovenstaande kan worden geconcludeerd dat de Wet natuurbescherming voor het voorliggend plan geen belemmering vormt. 40/49 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPUSWnaast21-ON01 - 6 november 2020
4.8.2 Soortenbescherming In dit rapport wordt verwezen naar een quickscan flora en fauna die in oktober 2018 door NIPA milieutechniek b.v. is uitgevoerd naar de potentie voor beschermde flora en fauna op het plangebied en de directe omgeving (van der Stroom, 2018). Het onderzoek bestaat uit een veldbezoek en een bureaustudie. Op basis van verspreidingsgegevens, habitatpreferentie en aanwezig habitat is het voorkomen van beschermde soorten uitgesloten, en werd geconcludeerd dat vereiste habitats voor beschermde soorten niet aanwezig zijn binnen het plangebied. In Bijlage 13 is de volledige quickscan Natuurwetgeving te vinden. Navolgend wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten en conclusies. Ten aanzien van aanwezige flora en fauna wordt geadviseerd mitigerende maatregelen te treffen. De realisatie van een woning aan de Utrechtseweg ong. te Rhenen leidt, mits enkele mitigerende maatregelen worden getroffen, aannemelijk niet tot de aantasting van het Natura2000-gebied 'Rijntakken' en zijn instandhoudingsdoelen. Dit wil zeggen dat voorafgaand aan de uitvoering van werkzaamheden door een ter zake deskundige in een ecologisch werkprotocol dient te zijn vastgelegd hoe effecten op aanwezige flora en fauna zoveel als redelijk mogelijk te minimaliseren zijn.
Belangrijkste uitgangspunten hierbij zijn werken buiten kwetsbare periode van voortplanting en overwintering van aanwezige fauna alsmede het uitvoeren van werkzaamheden tussen zonsopkomst en zonsondergang. In de aanlegfase treden mogelijk tijdelijke niet-significant effecten op welke worden ondervangen door maatregelen te treffen of buiten de kwetsbare periodes van specifieke fauna te werken. Mitigerende maatregelen: De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten. Mocht dit desondanks toch een vereiste zijn, dient hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel, branduren minimaliseren). Om verdere effecten op vleermuizen te voorkomen de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes).
De ODRU heeft de quickscan flora en fauna getoetst en in het ROM Integraal Advies van 3 november 2020 (zie Bijlage 15) onder voorwaarden akkoord bevonden. Voorwaarden: Als voorwaarde in de vergunning op te nemen: 'Vestiging van rugstreeppad op de ontwikkelingslocatie dient te worden voorkomen door het plangebied volledig af te schermen met een reptielen- en amfibieënscherm voorafgaand aan het uitvoeren van mogelijke grondwerkzaamheden. Het scherm dient een hoogte van 40/50 centimeter te hebben en minimaal vijf centimeter in de grond te worden geplaatst. De functionaliteit van de afscherming moet tijdens de werkzaamheden voortdurend in stand worden gehouden. Bovendien wordt aanbevolen het scherm te plaatsen in het late voorjaar en de zomer, voordat de rugstreeppad kans krijgt zich te vestigen in het gebied.' 4.8.3 Conclusie De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de Wet natuurbescherming. In de nog te verlenen Omgevingsvergunning dienen wel de volgende voorwaarden te worden opgenomen: De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio 41/49 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPUSWnaast21-ON01 - 6 november 2020
maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten. Mocht dit desondanks toch een vereiste zijn, dient hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toegepast te worden (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel, branduren minimaliseren). Om verdere effecten op vleermuizen te voorkomen de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes); Vestiging van rugstreeppad op de ontwikkelingslocatie dient te worden voorkomen door het plangebied volledig af te schermen met een reptielen- en amfibieënscherm voorafgaand aan het uitvoeren van mogelijke grondwerkzaamheden. Het scherm dient een hoogte van 40/50 centimeter te hebben en minimaal vijf centimeter in de grond te worden geplaatst. De functionaliteit van de afscherming moet tijdens de werkzaamheden voortdurend in stand worden gehouden.
Bovendien wordt aanbevolen het scherm te plaatsen in het late voorjaar en de zomer, voordat de rugstreeppad kans krijgt zich te vestigen in het gebied. 4.9
Bedrijven en milieuzonering
Algemeen Ten aanzien van de milieuzonering rond in het plan voorkomende bedrijfsactiviteiten is aangesloten bij de publicatie Bedrijven en Milieuzonering 2009 van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Hierbij gaat het om de in deze publicatie opgenomen categorisering van bedrijfstypen en de daarbij behorende richtafstanden ten opzichte van woonbebouwing (uitgaande van een rustige woonwijk of een rustig buitengebied). In de nabije omgeving van het plangebied zijn de volgende niet-agrarische bedrijven gelegen: Ten noordoosten van het plangebied is het autobedrijf BP Puyk gevestigd. Het gaat om een benzineservicestation zonder LPG, en behoort daarmee tot een categorie 2 bedrijf. Op basis van de publicatie Bedrijven en Milieuzonering 2009 (VNG) geldt een richtafstand van 30 meter voor geur en geluid (SBI 2008 473). Deze richtafstand van de VNG-publicatie gelden voor het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In bepaalde gevallen kan gemotiveerd worden dat er geen sprake is van een 'rustige woonwijk', maar een 'gemengd gebied'. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een lint in een dorpskern waar meerdere functies naast elkaar zitten. Of bij een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt. Bij een 'gemengd gebied' kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap verkleind worden.
De nieuwe woning is gelegen aan een drukke ontsluitingsweg (N225) en tevens zijn in de nabijheid van het perceel meerder verschillende functies aanwezig. Daarom is er sprake van een gemengd gebied en geldt een richtafstand van 10 meter. De afstand gemeten vanaf de perceelsgrenzen is ongeveer 20 meter en derhalve heeft het perceel voldoende afstand tot dit bedrijf. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
42/49 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPUSWnaast21-ON01 - 6 november 2020
4.10
Verkeer en parkeren
Verkeer Het onderhavige perceel wordt ontsloten op de Utrechtsestraatweg. Dit is de provinciale weg (N225) die Rhenen en Driebergen met elkaar verbindt. De locatie is hierdoor goed bereikbaar. Er zal een toename plaatsvinden van één woning op het betreffende perceel. Het ligt niet in de lijn van verwachting dat er sprake zal zijn van een toename van onevenredige hinder. Parkeren Op basis van het gemeentelijk beleid (Paraplubestemmingsplan "Parkeren" d.d. 6 maart 2018) geldt een parkeernorm van 2,2 parkeerplaatsen per woning. Parkeren dient op eigen erf te gebeuren. Aangezien het toekomstige erf voldoende ruimte biedt aan parkeergelegenheid op eigen erf, zal er geen afwenteling van parkeerdruk op de omgeving plaatsvinden. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan. 4.11
Niet Gesprongen Conventionele Explosieven
Uit de toetsing van het bodemonderzoek (zie het ROM Integraal Advies Bijlage 3) is voor het plan een onderzoek niet gesprongen conventionele explosieven uitgevoerd door Euro Radar. Het hiertoe behorend rapport van 15 oktober 2020 is als Bijlage 20 bij deze toelichting opgenomen. Uit het rapport blijkt dat het opsporingsgebied is onderzocht op de aanwezigheid van CE. Het gebied heeft een totaaloppervlak van 1.750m2 waarvan 670m2 realtime is onderzocht. Een deel van de toegangsweg is niet onderzocht i.v.m. asfaltverharding en is derhalve niet vrijgegeven. Er zijn geen verdachte objecten benaderd die voldoen aan de gestelde criteria. Er zijn geen (restanten van) CE aangetroffen. Met de gebruikte zoekmethodiek zijn na het verwijderen van de objecten geen overige significante objecten welke overeenkomen met die van een CE meer aangetroffen en is het gebied vrijgegeven om toekomstige werkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren. Het gehele opsporingsgebied is vrijgegeven tot een diepte van 2,00m -mv, met uitzondering van het asfaltpad. De hoogte van het maaiveld lag, ten tijde van het onderzoek, (gemiddeld) op 14,18m +NAP. E.e.a. is weergegeven in een vrijgavetekening met tekeningnummer EU20-249-PVO-01-TEK-01 en als bijlage 1 aan de rapportage toegevoegd.
Geadviseerd wordt om op basis van de resultaten van het onderzoek de nog eventueel te bewerken, niet vrijgegeven gebieden in een later stadium te laten onderzoeken op de aanwezigheid van CE. Het proces-verbaal van oplevering heeft enkel zijn betrekking op het onderzoeksgebied zoals weergegeven in de bijgevoegde overzichtstekening. Hierin staat weergegeven welke gebieden zijn vrijgegeven op de aanwezigheid van mogelijke CE. Conclusie Het aspect niet gesprongen conventionele explosieven vormt geen belemmering voor de ontwikkeling van het plan. In de nog te verlenen Omgevingsvergunning dient wel de volgende voorwaarden te worden opgenomen: Indien bouw- en/of graafwerkzaamheden worden verricht die plaatsvinden onder de onderzochte diepte van 2,00m -mv en/of ter plaatse van het asfaltpad, dient onderzoek te worden gedaan naar de eventuels aanwezigheid van conventionele explosieven.
43/49 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPUSWnaast21-ON01 - 6 november 2020
Hoofdstuk 5 W ijze van bestemmen 5.1
Algemeen
In dit hoofdstuk wordt aangegeven hoe het beleid en de planuitgangspunten zijn verwoord in de planregels. Zo wordt een toelichting gegeven op het juridische systeem en op alle afzonderlijke bestemmingen. Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. 5.2
Algemene juridische opzet
In dit hoofdstuk worden, voor zover dit nodig en wenselijk wordt geacht, de van het bestemmingsplan deel uitmakende regels van een nadere toelichting voorzien. De regels behorende bij dit bestemmingsplan geven inhoud aan de aangegeven bestemming. Ze geven aan waarvoor de gronden en opstallen gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd mag worden. De regels van het onderhavige bestemmingsplan zijn ingedeeld in vier hoofdstukken, conform de systematiek in de SVBP2012, versie 1.3.1 (Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2012), te weten: 1. Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In artikel 1 zijn de begrippen omschreven die worden gehanteerd in het plan en die een eenduidige omschrijving behoeven. In artikel 2 is bepaald hoe de diverse maten, als bouwhoogte, goothoogte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken worden gemeten. 2. Bestemmingsregels In dit hoofdstuk worden regels gegeven voor de binnen het plangebied toegestane functies. Per bestemming zijn de doeleinden c.q. de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. In beginsel is iedere vorm van bebouwing, die past binnen de desbetreffende bestemming tot een bepaalde omvang rechtstreeks (dus zonder eventuele afwijkingsvergunningen of wijzigingen) toegestaan.
Indien wordt voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (bebouwingspercentage, bouwhoogte en dergelijke) en wordt gebouwd op de aangegeven plaats, kan hiervoor in de regel zonder meer omgevingsvergunning worden verleend. In het geval van bijbehorende bouwwerken (voorheen: aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) kan in bepaalde gevallen zonder omgevingsvergunning worden gebouwd (zie artikel 2 en 3, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht). 3. Algemene regels Hier zijn onder andere bepalingen ten aanzien van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken opgenomen. 4. Overgangs- en slotregels Dit hoofdstuk bevat de overgangsregels en de slotregel. Het overgangsrecht dient om bouwwerken en gebruiksvormen, die in het verleden legaal zijn gerealiseerd maar nu afwijken van het nieuwe plan, (voorlopig) gehandhaafd respectievelijk voortgezet mogen worden. Zolang voldaan wordt aan de overgangsregels, worden deze bouwwerken en gebruiksvormen gedoogd. In de slotregel is bepaald wat de officiële naam van het plan is.
44/49 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPUSWnaast21-ON01 - 6 november 2020
5.3
Bestemmingsregels
Bestemming "Agrarisch" Tussen de percelen Utrechtsestaatweg 21 en Utrechtsestraatweg 25 zijn enkele agrarische percelen gelegen. Deze hebben de bestemming 'Agrarisch' gekregen en zijn daarbij voorzien van een functieaanduiding 'Intensieve kwekerij'. Van het perceel dat naast de Utrechtsestraatweg 21 is gelegen zal de bestemming van 'agrarisch' worden gewijzigd naar 'wonen' en 'groen'. Van de andere percelen zal (deels) de functieaanduiding 'Intensieve kwekerij' worden wegbestemd om zodoende een goed woon- en leefklimaat binnen de woonbestemming te kunnen garanderen. De gronden met de bestemming 'agrarisch' kunnen worden gebruikt voor grondgebonden landbouwdoeleinden. Er is verder geen bebouwing op gelegen of mogelijk. Bestemming "Groen" De strook tussen het bouwperceel en de Utrechtsestaatweg 21 zal worden bestemd met de bestemming 'groen'. Deze strook zal worden voorzien van een functieaanduiding 'landschappelijk'. Deze strook zal niet openbaar groen worden en hierop mogen, op een plateaulift na, geen gebouwen worden opgericht. Bestemming "Wonen" Deze bestemming is opgenomen voor het deel van het plangebied waarop de woning zal worden gerealiseerd. Gronden met deze bestemming zijn onder andere bedoeld voor wonen, beroep- en bedrijf aan huis, bed & breakfast, tuinen en erven. In de bouwregels is de maatvoering aangegeven voor het bouwen van bouwwerken.
In het bestemmingsvlak is één woning toegestaan, waarbij de nieuw te bouwen woning een maximale inhoudsmaat van 660 m³ mag hebben. Er geldt een maximale goothoogte van 3,5 meter en een bouwhoogte van 8 meter. Bijbehorende bouwwerken dienen minimaal 1 meter achter de voorgevel te worden geplaatst. Binnen deze bestemming zijn specifieke gebruiksregels opgenomen voor het uitoefenen van beroep- en bedrijf aan huis. Voorwaardelijke verplichting In de bestemming 'Wonen' zijn twee voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Deze verplichtingen regelen dat: een goede landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd, in lijn met het LEU advies dat is opgesteld; voorzien wordt in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. Dubbelbestemming "Waarde - Archeologie" In het plangebied komengebieden van hoge archeologische verwachtingswaarden voor. Daarom is op de bestemming 'wonen' de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ opgenomen, met daaraan gekoppeld een omgevingsvergunningenstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, ten behoeve van de bescherming van deze waarden. Bij de bouwregels staat aangegeven, dat op deze gronden geen bouwwerken mogen worden gebouwd. Uitzondering hierop vormen vervanging of vernieuwing van bestaande bouwwerken met eenzelfde oppervlakte en bodemingrepen van minder dan 30 onder bestaand maaiveld.
Op basis van de archeologische verwachtingswaarde gelden verschillende oppervlaktes waarvoor een omgevingsvergunning vereist is. Op basis van een uit te voeren archeologisch onderzoek kan middels omgevingsvergunning worden afgeweken van de bouwregels. Een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd, indien werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden worden uitgevoerd die de bodem kunnen aantasten, en verder worden uitgewerkt in de betreffende regels, met uitzondering van normaal onderhoud en gebruik. Onder normaal onderhoud en gebruik wordt in elk geval verstaan het vervangen van bestrating 45/49 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPUSWnaast21-ON01 - 6 november 2020
en beplanting. Maar ook het vervangen en onderhouden van leidingen indien dit binnen hetzelfde tracé plaatsvindt.
5.4
Overige regeling
5.4.1 Algemene regels Het gaat hier om algemene regels die betrekking hebben op alle bestemmingen (en ook dubbelbestemmingen) in het plan. In plaats van bij elke bestemming dezelfde regel te plaatsen, kan gebruik worden gemaakt van een algemene regel. Zo zijn er algemene bouwregels, gebruiksregels en afwijkingsregels. Verder zijn in de regels van het bestemmingsplan de volgende aanduidingen opgenomen: specifieke vorm van wonen 'bijbehorende bouwwerken voor de voorgevel' De geplande woning betreft een specifieke c.q. geen standaard situatie. De bijbehorende bouwwerken zijn gelet op de locatie en het leven richting het water voor de voorgevel en als deel van het hoofdvolume ontworpen. Ze zijn onderdeel van het groene dak en liggen derhalve uit het zicht, mede omdat ze achter/in het talud zijn verwerkt. Hiermee staan ook geen auto's in het zicht. specifieke vorm van wonen 'kelder/ondergronds bouwwerk' Een deel van de gewenste kelder is gelegen buiten de contour van het hoofdgebouw. Gelet op de specifieke locatie en de behoefte aan een derde slaapkamer en een buitenberging zijn als deel van het hoofdvolume mee ontworpen. Gelet op de ondergrondse ligging, waarvan deels onder het terras, zijn de ruimtes in het talud en derhalve uit het zicht verwerkt. Deels is deze bebouwing ook buiten het bouwvlak gelegen.
Hierdoor zullen geen losse gebouwen op het perceel nodig zijn die het landschapsbeeld onevenredig zouden kunnen aantasten. specifieke vorm van wonen 'zonwering' In het ontwerp is ter plaatse van de achtergevel een lamellenluifel opgenomen. Deze luifel dient als functionele zonwering en zal 3 meter buiten de achtergevel uitkragen. Conform artikel 2 lid 8, Bijlage II van het Bor is een zonwering aangemerkt als categorie van gevallen waarin voor bouwactiviteiten en planologische gebruiksactiviteiten geen omgevingsvergunning is vereist. Derhalve is in de lijn van het gehele ontwerp ook voor een architectonisch kwalitatieve zonwering gekozen die als onderdeel van de woning is ontworpen. De anti-dubbeltelbepaling is onder de algemene regels opgenomen. Hiermee blijven gronden die eenmaal in aanmerking zijn genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, buiten beschouwing bij de beoordeling van latere bouwplannen. 5.4.2 Overgangs- en slotregels Hieronder zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Deze laatste regel geeft aan op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
46/49 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPUSWnaast21-ON01 - 6 november 2020
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1
Economische uitvoerbaarheid
Bij het opstellen van een ruimtelijke plannen dient op grond van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan. Het plan betreft een particulier initiatief op eigen gronden. Ten behoeve van het plan hoeven door de gemeente Rhenen geen voorzieningen te worden getroffen, noch aan- of verkopen te worden gedaan. Voor de uitvoering van het plan zijn financiële middelen beschikbaar; alle door de gemeente te maken kosten zullen via de gemeentelijke legesverordening en een nog af te sluiten anterieure overeenkomst worden verhaald op de initiatiefnemer. In de anterieure overeenkomst zal tevens worden voorzien in een overeenkomst met betrekking tot eventuele planschade die volgt uit onderhavig plan. De gemeente geeft met vorenstaande invulling aan het bepaalde in artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening, waardoor het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Een exploitatieplan behoeft daarom bij dit bestemmingsplan niet te worden vastgesteld. 6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Buurtspraak In 2017 hebben enkele omwonenden hebben bezwaren kenbaar gemaakt bij de gemeente. Mede naar aanleiding daarvan heeft DORPenLANDadvies in het voorjaar 2017, 12 keukentafel-gesprekken gevoerd met de bewoners aan de Utrechtsestraatweg, die belanghebbend zijn en zicht hebben op het betreffende perceel langs de Utrechtsestraatweg. In Bijlage 16 is het verslag van de buurtspraak opgenomen. Doel van de buurtspraak is geweest te achterhalen wat de argumenten zijn tegen het bouwplan van Mol en waar de pijn nu werkelijk zit. Tegelijkertijd is verkend wat de wensen van de mensen zijn, indien de plannen desondanks toch zouden doorgaan. Ook is nagegaan onder welke voorwaarden de bewoners eventueel met de bouw van de woning zouden kunnen instemmen. Voorwaarden van B&W voor een definitief besluit (door de gemeenteraad) zijn geweest om naast een goede ruimtelijke onderbouwing ook een goede landschappelijke inpassing en een toets van de maatschappelijke haalbaarheid van de woning. De gesprekken in het kader van deze buurtspraak zijn daarvoor mede bedoeld geweest. Naar aanleiding van de buurtspraak is, zoals reeds besproken in paragraaf 2.3, een inrichtingsschets opgesteld, waarbij zo veel mogelijk rekening gehouden is met de aandachtspunten die uit de buurtspraak naar voren zijn gekomen.
Op eigen initiatief heeft de eigenaar tijdens een tweede buurtspraak in januari 2020 de voorgang van het plan met de omwonenden besproken. Het ontwerp van de woning en de te volgen bestemmingsplanprocedure zijn hierbij ook toegelicht. Het verslag van deze bijeenkomst is als Bijlage 17 toegevoegd.
47/49 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPUSWnaast21-ON01 - 6 november 2020
6.2.2 Vooroverleg In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is in artikel 3.1.1 opgenomen dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten, waterschappen, de GasUnie en met de diensten van provincie en rijk die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Onderstaand zijn van de reacties van diverse instanties opgenomen. Provincie Utrecht Middels het schrijven van 10 november 2017 (zie Bijlage 18) heeft de Provincie Utrecht kenbaar gemaakt dat: Het bestemmingsplan voorziet in een bestemmingsplanwijziging voor de locatie langs de Utrechtsestraatweg naast 21. Deze locatie heeft een agrarische bestemming in het vigerende bestemmingsplan 'Consölidatiëplan Buitengebied Rhenen', geconsolideerd op 10 februari 2015.
Door de sloop van de bedrijfswoning aan de Cuneralaan 65 te Rhenen (waar de beoogde ecologische verbindingszone "Vogelenzang' ligt), is hiermee een bouwrecht voor één woning beschikbaar gekomen; Cultuurhistorie en Archeologie: Wij adviseren bij de uitvoering van dit plan uit te gaan van het advies van de ervenconsulenten bij het LEU door de woning op zorgvuldige wijze onderdeel van dit landschap te laten uitmaken en een extra kwaliteitsimpuls te bieden door passende inheemse beplanting; een groene uitstraling en de aanleg van een wandelpad; Mobiliteit: Wat betreft de uitritsituatie hebben wij geen bezwaar wanneer gebruik gemaakt wordt van de bestaande uitrit tegenover nummer 70. Wanneer een nieuwe uitrit gewenst is tegenover nummer 60A moet de ligging en vormgeving afgestemd worden met provinciale wegbeheerder (op grond van de provinciale wegenverordening 2010). Hetzelfde geldt voor de oversteeksituatie ten behoeve van het wandelpad naar Palmerswaard. Natuur: In paragraaf 3.3.4 van de toelichting wordt Natuurbeleid 2.0 genoemd als provinciaal natuurbeleid. Sinds december 2016 heeft de provincie Utrecht de Natuurvisie, waarin ook de nieuwe verantwoordelijkheden uit de Wet Natuurbescherming zijn opgenomen. Voor de volledigheid verzoeken wij u deze paragraaf hierop aan te passen; Voor het overige hebben wij geen opmerkingen.
Rijkswaterstaat Oost-Nederland Op 29 september 2017 heeft Rijkswaterstaat laten weten dat het plangebied net buiten het rivierbed ligt. Daarom ligt het plangebied dus ook buiten de invloed van de regels die het Barro en de Waterwet inzake de grote rivieren stellen. Verder zijn er ook geen aandachtspunten vanuit Rijkswaterstaat. Daarmee heeft Rijkswaterstaat geen opmerkingen bij het plan. Gasunie Transport en Services De Gasunie heeft middels een reactie van 10 oktober 2017 kenbaar gemaakt dat het plan is getoetst aan het huidige externe veiligheidsbeleid van het Ministerie van I&M voor onze aardgastransportleidingen, zoals bepaald in het per 1 januari 2011 in werking getreden Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Op grond van deze toetsing komen wij tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van onze dichtst bij gelegen leiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Het plan is ook ter toetsing aan het waterschap aan geboden. 5 oktober 2017 heeft het waterschap gereageerd op het plan met de volgende opmerkingen: Wij hebben geen aanvullingen of opmerkingen bij wat in het plan is opgenomen over 48/49 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPUSWnaast21-ON01 - 6 november 2020
'water, riolering'; Bij verdere uitwerking van het 'omgaan met hemelwater' blijven wij graag betrokken. Veiligheidsregio Utrecht De Veiligheidsregio Utrecht heeft middels het schrijven van 12 oktober 2017 (zie Bijlage 19) op het plan gereageerd. Hieruit is gebleken dat: Vanuit het oogpunt van de externe veiligheid zijn geen belemmeringen ten aanzien van de ontwikkelingen van het plangebied; Het plangebied is in voldoende mate voorzien van bluswatervoorzieningen. Ten aanzien van de bereikbaarheid en bluswatervoorziening is het dan ook niet noodzakelijk om u te adviseren om maatregelen te treffen; Voor het overige geen opmerken zijn op het plan.
6.2.3 Ontwerp bestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan en het ontwerpbesluit hogere waarde hebben vanaf van donderdag 21 januari 2021 tot en met woensdag 3 maart 2021, gedurende een periode van 6 weken voor eenieder ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn zienswijzen ingediend. Deze zienswijzen zijn beantwoord in de "Nota van zienswijzen", maar zullen niet leiden tot een inhoudelijk aanpassing van het voorliggend bestemmingsplan. Wel zullen enkel ambtshalve wijziging op het plan worden doorgevoerd. Deze wijzigingen zijn in de "Nota ambtshalve wijzigingen" opgenomen. Deze wijzigingen zullen niet leiden tot een inhoudelijke wijziging van het plan.
49/49 - ontwerp - NL.IMRO.0340.BPUSWnaast21-ON01 - 6 november 2020