CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Bestemmingsplan Rhenen Populierenlaan 2a

Raadsvergadering 19 september 2023, gemeente RhenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Ongewijzigd vaststellen bestemmingsplan Rhenen, Populierenlaan 2a21.256 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Conclusie

Er is geen aanleiding om te verwachten dat de bodemkwaliteit een belemmering vormt voor de financiële haalbaarheid van het ruimtelijke plan. Ter plaatse van de bestaande bebouwing is aanvullend bodemonderzoek (NEN5740) nodig en zo nodig ook een bodemonderzoek gericht op asbest in (NEN5707/5897). Bodemonderzoek naar asbest is nodig wanneer er bijmengingen aan asbestverdacht materiaal in de bodem worden aangetroffen. Het aanvullend onderzoek wordt uitgevoerd na verwijdering van de bestaande bouw en (asfalt)verharding.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Algemeen

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •

Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen);

4.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •

woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

26

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 4.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 4.3.2

Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van dit project, in verhouding tot het hierboven beschreven aantal van 1.500 nieuwe woningen wordt gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Tevens wordt opgemerkt dat de functie wonen niet aangemerkt is als gevoelige bestemming in het kader van het Besluit gevoelige bestemmingen. Op basis van de “grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland”, welke zijn gepubliceerd door het Rijksinstituut Volksgezondheid en Milieu, zijn op een schaal van km2 de gemiddelde achtergrondconcentraties van diverse luchtverontreinigende stoffen aangegeven. Voor het plangebied geldt een achtergrond concentratie stikstofdioxide (NO2) van 12,43 µg/m3 voor het meetjaar 2021. Dit is ruim onder de grenswaarde van 40 µg/m3 voor NO2 op basis van de Wet milieubeheer. De achtergrondconcentratie fijnstof (PM10) voor het plangebied is voor het meetjaar 2021 17,5 µg/m3 . Dit is tevens ruim onder de grenswaarde van 40 µg/m3 op basis van de Wet milieubeheer bijlage 2, voorschrift 4.1. Tenslotte is de achtergrondconcentratie fijnstof (PM2,5) voor het plangebied in het meetjaar 2021 9,79 µg/m3. 4.3.3

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorgenomen ontwikkeling.

4.4

Externe veiligheid

4.4.1

Algemeen

Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •

het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.

Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: •

het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

27

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld • •

de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).

De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 4.4.2

Situatie plangebied

Aan de hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de Risicokaart met daarop middels een blauwe omlijning de locatie van het plangebied weergegeven.

Afbeelding 4.2

Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving)

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied: •

zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); • zich niet bevindt in een gebied waarbinnen een verantwoording van het groepsrisico nodig is; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; • niet is gelegen binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarnaast is een advies gegeven door de Veiligheidsregio Utrecht. Dit advies is opgenomen in bijlage 4 bij deze toelichting. De onderdelen van dit advies zullen worden meegenomen bij de realisatie van het voornemen.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

28

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld 4.4.3

Conclusie

Een en ander brengt met zich mee dat het plan in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.

4.5

Milieuzonering

4.5.1

Algemeen

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •

het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Hoewel deze richtafstanden indicatief zijn, volgt uit jurisprudentie dat deze afstanden geaccepteerd worden door de Raad van State bij de beoordeling of woningen op een passende afstand van bedrijven worden gesitueerd. 4.5.2

Gebiedstypen

Volgens de VNG-uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een ‘rustige woonwijk’ of een ‘gemengd gebied’. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot een met het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een gemengd gebied is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Ten aanzien van het plangebied en de omgeving kan worden gesteld dat sprake is van een ‘rustige woonwijk’. Milieucategorie 1 2 3.1

Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m

Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

29

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6

100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m

4.5.3

Situatie plangebied

50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m

4.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen. Zoals reeds hiervoor genoemd, wordt bij het realiseren van nieuwe functies gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functies gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. 2.

past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).

4.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast of het plan leidt tot hinder of belemmeringen voor de bedrijven in de omgeving. De functie ‘wonen’ betreft geen milieubelastende activiteit voor de omgeving. Van enige vorm van aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden is dan ook geenszins sprake. 4.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functie binnen het plangebied hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving. Omgekeerd gaat het om de vraag of bestaande functies in de omgeving belemmerd worden in de bedrijfsvoering door de nieuwe milieugevoelige functies. In de volgende tabel worden de activiteiten/functies benoemd die in de nabijheid van het plangebied liggen. Tevens is aangegeven tot welke milieucategorie deze activiteit of functie wordt gerekend, welke richtafstand aangehouden moet worden tussen de nieuwe woningen en het bouwvlak van de betreffende milieubelastende functie en wat de daadwerkelijke afstand hiertussen bedraagt. Adres

Omschrijving

Milieucategorie

Max. richtafstand (rustige woonwijk)

Populierenlaan 3, sportschool Nieuwe Veenendaalseweg 75, gemeentehuis Nieuwe Veenendaalseweg 53, huisartsenpraktijk Nieuw Rhenen

Fitnesscentra

2

30 meter

Daadwerkelijke afstand bouwvlak tot bouwvlak 30 meter

Openbaar bestuur (kantoren e.d.)

1

10 meter

70 meter

Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven

1

10 meter

70 meter

Uit de tabel blijkt dat voldaan wordt aan de richtafstanden. Geconcludeerd wordt dan ook dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de gewenste woningen. Omgekeerd worden bedrijven in de omgeving niet belemmerd in de bedrijfsvoering.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

30

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld 4.5.3

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het voorliggend plan.

4.6

Geur

4.6.1

Wet geurhinder en veehouderij

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader vergunningverlening, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •

ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat de geurbelasting, binnen een concentratiegebied, op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odour units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odour units per kubieke meter lucht. 4.6.2

Activiteitenbesluit

Vanaf 1 januari 2013 is het Activiteitbesluit ook van toepassing op agrarische activiteiten. Het Besluit landbouw milieubeheer is tegelijkertijd komen te vervallen. Agrarische bedrijven hebben geen vergunning meer nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 4.6.3

Situatie plangebied

Het plangebied is gelegen in het centrum van Rhenen. In de nabijheid zijn geen agrarische bedrijven gesitueerd. Gesteld kan dan ook worden dat gezien de onderlinge afstand op voorhand wordt geconcludeerd dat agrarische bedrijven de voorgenomen ontwikkeling niet belemmeren. Ter plaatse van de woningen is hiermee sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd vormt de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering voor agrarische bedrijven in de omgeving, temeer omdat dichterbij deze bedrijven reeds woonfuncties aanwezig zijn die maatgevend zijn voor de ontwikkelingsmogelijkheden. 4.6.4

Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor dit plan.

4.7

Ecologie

Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuurnetwerk Nederland BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

31

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. 4.7.1

Gebiedsbescherming

4.7.1.1 Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt op circa 570 meter afstand, zoals weergegeven in afbeelding 4.3.

Afbeelding 4.3

Ligging van Natura 2000 (blauwe kleur) in de omgeving van het plangebied (rode omlijning) (Bron: Atlas Leefomgeving)

Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor alle beschermde soorten en habitats die daar aanwezig zijn. Per soort of habitat is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is, danwel of uitbreiding of een verbetering nodig is. Niet alleen activiteiten binnen een Natura 2000-gebied maar ook activiteiten buiten een Natura 2000-gebied kunnen de instandhoudingsdoelstellingen in gevaar brengen. Dit wordt externe werking genoemd. Gezien de mogelijke externe werking van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebied, is het van belang om te toetsen of de realisatie van de beoogde ontwikkeling conflicteert met de waarden waarvoor dit gebied is aangewezen. Hiervoor is in elk geval een toetsing aan de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde. Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

32

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld Om na te gaan wat de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling zijn, is een stikstofonderzoek uitgevoerd. De bijbehorende rapportage is als bijlage 5 bijgevoegd aan deze toelichting. Hierna worden de belangrijkste conclusies besproken. Onderzoeksresultaten Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in zowel de aanlegfase als in de gebruiksfase van de voorgenomen ontwikkeling geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het plan is in het kader van de Wet natuurbescherming, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, niet vergunningsplichtig. 4.7.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN is ligt op minimaal 370 meter afstand, zoals weergegeven in afbeelding 4.4.

Afbeelding 4.4 PDOK)

Ligging van Natuurnetwerk Nederland (groene kleur) in de omgeving van het plangebied (rode omlijning) (Bron:

Gelet op de ligging buiten het NNN, in relatie met de aard en omvang van de voorgenomen activiteit, wordt uitgesloten dat sprake is van een aantasting van de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

33

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld 4.7.2

Soortenbescherming

4.7.2.1 Algemeen Wat betreft de soortenbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In voorliggend geval heeft BJZ.nu een Quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Daarnaast is een aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. De volledige rapportages van deze onderzoeken zijn opgenomen in bijlage 6 en bijlage 7. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten. 4.7.2.2 Situatie plangebied Quickscan natuurwaardenonderzoek De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Voor beschermde soorten die niet op de vrijstellingslijst van de provincie staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verstoren en om opzettelijk de vaste rust- en voortplantingsplaats te mogen beschadigen en te vernielen. Voor het doden van beschermde diersoorten geldt geen vrijstelling van de verbodsbepalingen.

Afhankelijk van de status van de beschermde soorten, kan soms ook gewerkt worden conform een door de minister goedgekeurde, en op de situatie toepasbare, gedragscode. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van bezette vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september - februari. Voorgenomen werkzaamheden mogen juridisch beschouwd wel plaatsvinden tijdens het broedseizoen van vogels, mits geen bezette vogelnesten beschadigd/vernield worden. Indien de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, dient een broedvogelscan uitgevoerd te worden om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te sluiten. Vleermuizen bezetten mogelijk een vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied, en gebruiken het als (niet essentieel) foerageergebied. Om de voorgenomen werkzaamheden te kunnen uitvoeren moeten de gebouwen op functionele waarden worden onderzocht om overtreding van de verbodsbepalingen van de Wnb te voorkomen.

Vleermuizenonderzoek Zoals in voorgaande aangegeven, blijkt dat binnen het plangebied mogelijke verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Het aanvullende onderzoek richt zich op het aantonen, dan wel betrouwbaar uitsluiten van vleermuizen met een binding aan het plangebied en in relatie met de invloedsfeer die uit de ontwikkeling straalt. Er zijn tijdens het onderzoek geen zomer-, kraam- of paarverblijven aangetroffen, waardoor de aanwezigheid van een verblijfsfunctie van dwergvleermuizen, meervleermuis, laatvlieger en gewone grootoorvleermuis uit te sluiten valt. Het slopen van de bebouwing zal derhalve niet leiden tot overtreding van verbodsbepalingen als benoemd in de Wnb ten aanzien van verblijfplaatsen van de voorgenoemde soorten. 4.7.3

Conclusie

Er worden geen negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Daarnaast zijn er geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten. Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

34

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld

4.8

Archeologie & Cultuurhistorie

4.8.1

Archeologie

4.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor kan archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door Laagland Archeologie een Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek uitgevoerd. Hierna zijn de resultaten opgenomen. Voor het volledige onderzoek wordt verwezen naar bijlage 8 van deze toelichting. 4.8.1.2 Situatie plangebied Op basis van het uitgevoerde booronderzoek kan een archeologische vindplaats in het plangebied nog niet worden uitgesloten. Vanwege het grotendeels intacte potentiële archeologische sporenniveau adviseren wij om vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van een Proefsleuvenonderzoek (IVO-P).

Wij adviseren een noord-zuid gerichte proefsleuf aan te leggen op het binnenterrein, dit is nu goed toegankelijk voor het proefsleuvenonderzoek. De werkwijze van het onderzoek dient vastgelegd te worden in een door de bevoegde overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). De geldende dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’ blijft in het voorliggende plan van toepassing ter bescherming van de archeologische waarden in het plangebied. Voorafgaand aan verlening van de omgevingsvergunning voor het bouwen dient inzicht te worden verschaft in de manier waarop rekening wordt gehouden met de mogelijk aanwezige archeologische waarden. 4.8.2

Cultuurhistorie

4.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan/ bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 4.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorische geen belemmering vormt met betrekking tot voorliggend plan. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor voorliggend plan.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

35

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld 4.8.3

Conclusie

Voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt inzicht verschaft in de manier waarop rekening wordt gehouden met de mogelijk aanwezige archeologische waarden.

4.9

Kabels & leidingen

4.9.1

Algemeen

In het kader van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of een ruimtelijke onderbouwing ten behoeve van een omgevingsvergunningen dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van ondergrondse planologisch relevante leidingen. Indien daartoe aanleiding bestaat dient rondom een leiding een zone te worden aangegeven waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. 4.9.2

Onderzoeksresultaten kabels en leidingen

Binnen het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen gelegen. Ook zijn er geen hoogspanningslijnen, straalpaden of telecomverbindingen in de omgeving van het plangebied aanwezig. Er wordt derhalve geconcludeerd dat het aspect kabels en leidingen geen belemmering oplevert voor de uitvoering van het plan. 4.9.3

Conclusie

Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor het voornemen.

4.10

Duurzaamheid

Binnen het plan is voldoende aandacht voor het aspect duurzaamheid. De nieuw te realiseren bebouwing wordt conform de Wet Voortgang Energietransitie niet op het gasnet aangesloten. Ook zal de bebouwing voldoen aan de nieuwe BENG (Bijna-Energieneutraal Gebouw) eisen, de steeds oplopende Rc-waardes en zal gebruik worden gemaakt van de laatste installatietechnieken. Dit betreft een grote verbeteringsslag ten opzichte van de bestaande aanwezige bebouwing. Verder neemt de hoeveelheid verharding af en wordt de nieuwe bebouwing voorzien van een groen dak, waardoor meer ruimte is voor hemelwater om te infiltreren.

4.11

Besluit Milieueffectrapportage

4.11.1 Algemeen De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een plan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: •

•

•

Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (kolom 3, plannen); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het plan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (kolom 4, besluiten); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het plan genoemd is in kolom 4 (besluiten).

In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd. Als voor de activiteit BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

36

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld eerst één of meerdere uitwerkings- of wijzigingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van ‘kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. 4.11.2 Situatie plangebied 4.11.2.1 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ ligt op circa 570 meter afstand van het plangebied. In dit geval is uit de stikstofberekening reeds gebleken dat er geen sprake is van significante negatieve effecten ten aanzien van dit Natura-2000 gebied. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming is in verband met deze ontwikkeling dan ook niet noodzakelijk.

Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 4.11.2.2 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het partieel herzien van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten mogelijk worden gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In het voorliggende geval is geen sprake van activiteiten die op grond van onderdeel C van het Besluit milieueffectrapportage m.e.r.-plichtig zijn. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1. 2. 3.

een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.

Gezien de drempelwaarden (2.000 woningen of meer) wordt geconcludeerd dat voorliggende ontwikkeling van een significant kleiner schaalniveau is. Van een directe m.e.r.-plicht is in dit geval geen sprake. Echter dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Hiertoe is een vormvrije m.e.rbeoordeling opgesteld, deze is opgenomen in bijlage 9. Uit deze notitie blijkt dat het voornemen geen belangrijke nadelige milieugevolgen tot gevolg heeft die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maakt. 4.11.3 Conclusie Het plangebied is niet binnen een kwetsbaar of waardevol gebied gelegen en heeft ook geen belangrijke nadelige milieugevolgen voor de omgeving, waardoor het voornemen in het desbetreffende gebied niet m.e.r.beoordelingsplichtig is.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

37

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld

HOOFDSTUK 5

WATERASPECTEN

5.1

Vigerend beleid

5.1.1

Beleidskader algemeen

In het algemeen is het beleid van het Rijk, de Provincie Utrecht, de Gemeente Rhenen en het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden gericht op een duurzaam en robuust waterbeheer. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden (indien doelmatig) de waterkwaliteitstrits 'gescheiden inzamelen - gescheiden afvoeren - gescheiden verwerken' en de waterkwantiteitstrits 'water vasthouden - bergen - vertraagd afvoeren' gehanteerd. Dit beleid is per overheidsniveau onder andere in de onderstaande beleidsdocumenten verankerd: • • • •

5.1.2

Rijksbeleid: Nationaal Waterplan, WB21, NBW, Waterwet; Provinciaal beleid: Waterhuishoudingsplan, Beleidsplan Milieu en Water, Streekplan; Waterschapbeleid: Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Stroomopwaarts samen voor de toekomst’, Waterstructuurvisie, Beleidsregels en Uitvoeringsregels Keur 2018 en de Legger; Regionaal beleid: Regionaal Manifest Ruimtelijke Adaptatie van het Platform Water, Vallei en Eem (een samenwerkingsverband op het gebied van waterbeheer tussen Waterschap Vallei en Veluwe en gemeenten uit de regio). Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden

Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) hanteert voor nieuwbouwprojecten het ‘Handboek Watertoetsproces’ (versie mei 2015). Het handboek bevat richtlijnen en vertaalt het bestaande waterbeleid naar de gevolgen voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het watertoetsproces van HDSR berust op twee uitgangspunten: 1. 2.

Het standstill-principe: voorkom negatieve effecten van ruimtelijke ontwikkelingen op het watersysteem; Verbeteren: benut kansen die zich voordoen in ruimtelijke ontwikkelingen om knelpunten in het watersysteem op te lossen en de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren.

Bij een toename van verhard oppervlak van < 500 m2 in stedelijk gebied is er vanuit het HDSR geen verplichting, het advies is om infiltratiesysteem aan te leggen. Bij een toename verhard oppervlak van 500 – 10.000 m2 in stedelijk gebied is het advies van het waterschap een infiltratiesysteem aan te leggen met een berging van 45 mm. Bij een toename van > 10.000 m2 wordt maatwerk gevraagd. (bron: www.hdsr.nl/werk/info-op-maat/gemeenten/watertoetsproces) In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 ‘Stroomopwaarts samen voor de toekomst’ is Rhenen aangemerkt als ‘Stad als spons, investeren in een robuust watersysteem en een gezonde leefbare stad’. Het streven is naar een maximaal haalbare infiltratie op de heuvelrug. De maximale ledigingstijd van een bergingsvoorziening dient 83 uur te bedragen. Uit het oogpunt van gezondheid en hygiëne adviseert HDSR een ledigingstijd van maximaal 24 uur. 5.1.3

Gemeente Rhenen

In het verbreed GRP van de gemeente Rheden is het volgende beleid opgenomen: ‘Regenwater is in principe schoon. Het is niet efficiënt om het schone water eerst te mengen met afvalwater om het daarna op de rwzi weer te zuiveren. Het is slimmer om het schone regenwater gescheiden te houden. De beste oplossing is om het regenwater lokaal (op de plek waar het valt) te gebruiken of in de bodem te infiltreren. Er is dan geen afvoer nodig, het rioolstelsel heeft minder piekbelasting en het grondwater wordt op natuurlijke wijze aangevuld.’

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

38

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld Bij het ontwerpen van nieuwe maatregelen moet uitgegaan worden van het vasthouden van water. Bij het omgaan met extreme neerslag kan gedacht worden aan het aanleggen van tijdelijke aanvullende berging. Met betrekking tot water op straat heeft de Gemeente Rhenen in het verbrede gemeentelijke rioleringsplan de volgende normen opgenomen: In de praktijk is water op straat acceptabel mits de hoeveelheden beperkt zijn en het niet langer dan 30 minuten blijft staan. Deze situatie wordt gedefinieerd als “hinder”; Forse hoeveelheden water op straat, ondergelopen tunnels, opdrijvende putdeksel, zijn maximaal één keer per jaar acceptabel, mits het niet langer aanhoudt dan twee uur. Deze situatie wordt gedefinieerd als “ernstige hinder”; Wateroverlast met schade, langduriger en op grotere schaal water op straat, water in winkels en woningen met materiele schade en mogelijk ook ernstige belemmering van het (economische) verkeer, zijn “niet acceptabel”. Als niet aan deze eisen wordt voldaan dan bekijkt de gemeente of zij maatregelen kan nemen om risico’s te verminderen.

5.2

Waterparagraaf

5.2.1

Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 5.2.2

Watertoetsproces

Het waterschap De Stichtse Rijnlanden is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'korte procedure' van de watertoets van toepassing is. Het waterschap concludeert dat het plan geen groot effect heeft op water (geen groot waterbelang). Er kan volstaan met een standaard wateradvies van het waterschap. De watertoets inclusief advies is opgenomen in bijlage 10 bij deze toelichting. Hierna wordt ingegaan op het waterhuishoudkundig plan. 5.2.2

Waterhuishoudkundig plan

Voor het voorgenomen plan is een memo waterberging opgesteld. In deze memo worden naast de uitgangspunten, de gestelde eisen en de berekende bergingscapaciteit een voorstel gedaan om de benodigde waterberging en escape te realiseren. Hierna zijn de hoofdzaken opgenomen. Voor het volledige plan wordt verwezen naar bijlage 11 bij deze toelichting. Binnen de beoogde nieuwbouwlocatie is ruimte genoeg om aan de minimale bergingseis van 45 mm van het HDSR te voldoen. Geadviseerd wordt om, gezien de ligging en het hoogteverloop van het terrein, klimaatbestendig te ontwerpen een de bergingsvoorzieningen te dimensioneren op neerslag met een uursom van 90 mm. De ondergrond heeft ruim voldoende infiltratiecapaciteit om bergingsvoorzieningen binnen een korte tijd te ledigen zodat het systeem weer volledig beschikbaar is voor een volgende bui. De overstortvoorziening voor het systeem vraagt aandacht en zal met de Gemeente Rhenen besproken moeten worden. Het aspect waterhuishouding vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

39

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld

HOOFDSTUK 6 6.1

TOELICHTING OP DE PLANREGELS

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels.

6.2

Opzet van de regels

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. 2. 3. 4. 6.2.1

Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: •

Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd.

•

Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

40

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld 6.2.2

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in o.a.: • • • • •

6.2.3

Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan; Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bouw- en goothoogte, bebouwingsoppervlak, etc.); Afwijken van de bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van aangegeven bouwregels; Specifieke gebruiksregels: welk gebruik van gronden en opstallen in ieder geval strijdig zijn; Afwijkingen van de gebruiksregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen; Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: •

Anti-dubbeltelregel (Artikel 7)

Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich met name voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. •

Algemene bouwregels (Artikel 8)

In dit artikel worden de regels omtrent onderkeldering en nutsvoorzieningen beschreven. •

Algemene gebruiksregels (Artikel 9)

In dit artikel worden vormen van strijdig gebruik en uitzonderingen op strijdig gebruik beschreven. •

Algemene afwijkingsregels (Artikel 10)

In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. •

Overige regels (Artikel 11)

In dit artikel zijn de overige regels opgenomen. Het gaat hierbij onder andere om regels omtrent parkeergelegenheid. 6.2.4

Overgangs- en slotregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.

6.3

Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

41

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld Tuin (artikel 3) De gemeenschappelijke tuin aan de westzijde van het plangebied is voorzien van de bestemming ‘Tuin’. Deze gronden zijn bedoeld voor: a. b. c. d. e. f. g.

tuinen; groenvoorzieningen; voetpaden; in- en uitritten; speelplaatsjes; nutsvoorzieningen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

met de daarbij behorende: h.

bouwwerken.

Het vergunningsvrij bouwen op deze plek is uitgesloten. Uit stedenbouwkundig oogpunt is niet gewenst dat er vergunningsvrij mogelijkheden bestaan om een fors volume aan bijgebouwen toe te voegen. Het plangebied bevindt zich in een naoorlogse uitbreidingswijk, welke zich kenmerkt door een ruime opzet met diepe (groene) achtertuinen. Het toevoegen van bijgebouwen in de gemeenschappelijke tuin zou de balans tussen bebouwd/verhard oppervlak en groen verstoren. Het bouwen van gebouwen is beperkt tot een totaal van maximaal 40 m2 en een maximum bouwhoogte van 3 meter. Dit om de mogelijkheid te hebben om bijvoorbeeld kweekkasjes en opbergruimte te realiseren. Omdat het niet gewenst is dat het totale oppervlakte in één volume wordt gerealiseerd is vastgelegd dat de oppervlakte per vrijstaand gebouw niet gebouw niet meer dan 15 m2 mag bedragen. Verkeer – Verblijfsgebied (artikel 4) De toegangsweg en de parkeerplaatsen hebben de bestemming ‘Verkeer – Verblijfsgebied’ gekregen. Binnen deze bestemming zijn ook nog, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Wonen (artikel 5) Het beoogde appartementengebouw, de grondgebonden woningen en de daarbij behorende gronden zijn voorzien van de bestemming ‘Wonen’. Deze gronden zijn bedoeld voor: i. j. k.

wonen; beroep- en bedrijf aan huis; water en waterhuishoudkundige voorzieningen,

met daarbij behorende: l. tuinen en erven; m. wegen en paden; n. Bouwwerken. Ten aanzien van de bouwregels is aansluiting gezocht bij het geldende bestemmingsplan. Door middel van de aanduiding ‘maximum aantal wooneenheden’ is het maximum aantal toegestane woningen vastgelegd. Ook is door middel van een aanduiding de maximale bouwhoogte vastgelegd. Daarnaast is door middel van de aanduiding ‘gestapeld’ en ‘geschakeld’ aangegeven waar de beoogde gestapelde woningen en de geschakelde woningen zijn toegestaan. Verder is in de specifieke gebruiksregels vastgelegd dat minimaal 3 van de te bouwen woningen gereserveerd dienen te worden voor de categorie ‘sociale koopwoningen’ danwel ‘sociale huurwoningen’ en 3 woningen voor de categorie ‘geliberaliseerde woning voor middenhuur’. Hiermee ontstaat een wettelijke basis om te borgen dat sociale huur-/koopwoningen en middenhuur woningen worden gerealiseerd binnen het plangebied. Ten slotte is de aanduiding ‘bijgebouwen’ opgenomen om zodoende bergingen bij de woningen op deze locatie mogelijk te maken.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

42

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld Waarde – Archeologie (artikel 6) De dubbelstemming ’Waarde – Archeologie’ is conform het geldende bestemmingsplan op het gehele plangebied opgenomen. De gronden met deze dubbelbestemmingen zijn behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

43

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld

HOOFDSTUK 7

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan/ bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan/ bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. In het voorliggende geval worden de gemeentelijke kosten, op basis van de legesverordening, verhaald op initiatiefnemer. Met initiatiefnemer wordt tevens een anterieure overeenkomst gesloten zodat het kostenverhaal voor de gemeente volledig is verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

44

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld

HOOFDSTUK 8

8.1

Vooroverleg

8.1.1

Het Rijk

VOOROVERLEG

In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Het Barro is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmings- en bestemmingsplannen. Geoordeeld wordt dat dit bestemmingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk. 8.1.2

Provincie Utrecht

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro is voorliggend bestemmingsplan voorgelegd aan de provincie Utrecht. 8.1.3

Waterschap Stichtse Rijnlanden

het kader van de watertoets heeft er een digitale watertoets plaatsgevonden via de website www.dewatertoets.nl. De uitkomsten van deze watertoets hebben voor de locatie geleid tot de ‘korte procedure'. Het bestemmingsplan is daarnaast in het kader van het wettelijk vooroverleg, voorgelegd aan het waterschap Stichtse Rijnlanden. Het waterschap heeft in reactie hierop het volgende advies gegeven. Om vervuiling van afstromend hemelwater en daarmee verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen, verzoeken wij u om geen uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, lood en koper) toe te passen. Deze materialen verontreinigen het water door uitloging. Hemelwater dat afstroomt langs deze materialen, bijvoorbeeld via regenpijpen, daken of dakgoten bevat daardoor concentraties aan uitlogende metalen. Deze verslechteren de (grond-)waterkwaliteit. 8.1.4

Gasunie

In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro wordt voorliggend bestemmingsplan voorgelegd aan de Gasunie. Het voornoemde plan is door de Gasunie getoetst aan het huidige externe veiligheidsbeleid. Op grond van deze toetsing komt de Gasunie tot de conclusie dat het plangebied buiten de 1% letaliteitgrens van de dichtst bij gelegen leiding valt. Daarmee staat vast dat deze leiding geen invloed heeft op de verdere planontwikkeling.

8.4

Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In voorliggend geval is geen voorontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Wel zijn omwonenden in een vroeg stadium betrokken bij de voorgenomen ontwikkeling. Zo heeft er een inloopavond/informatieavond plaatsgevonden waarbij belanghebbenden op het plan hebben kunnen reageren. De reacties waren overwegend positief. In bijlage 12 is een verslag van de bijeenkomst bijgevoegd.

8.5

Zienswijzen

Het bestemmingsplan heeft voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Het bestemmingsplan wordt ongewijzigd vastgesteld.

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

45

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

46

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld

Bijlage 1

memo Mobiliteit & parkeren

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

47

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

48

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld

Bijlage 3

Bodemonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

49

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld

Bijlage 4

Advies Veiligheidsregio Utrecht

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

50

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld

Bijlage 5

Stikstofonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

51

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld

Bijlage 6

Quickscan natuurwaarden

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

52

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld

Bijlage 7

Vleermuizenonderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

53

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld

Bijlage 8

Archeologisch onderzoek

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

54

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld

Bijlage 9

Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

55

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld

Bijlage 10

Watertoetsresultaat

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

56

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld

Bijlage 11

Memo waterberging

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

57

Bestemmingsplan “Rhenen, Populierenlaan 2a” Vastgesteld

Bijlage 12

Verslag inloopbijeenkomst

BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies

58

Rhenen, Populierenlaan2a

Rhenen, Populierenlaan 2a vastgesteld

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2

Inleidende regels Begrippen Wijze van meten

4 4 8

Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6

Bestemmingsregels Tuin Verkeer - Verblijfsgebied Wonen Waarde - Archeologie

9 9 10 11 14

Hoofdstuk 3 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11

Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Overige regels

16 16 17 18 19 20

Hoofdstuk 4 Artikel 12 Artikel 13

Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

21 21 22

BJZ.nu Bestemmingsplannen

2

Rhenen, Populierenlaan 2a vastgesteld

Regels

BJZ.nu Bestemmingsplannen

3

Rhenen, Populierenlaan 2a vastgesteld

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels Begrippen

1.1 plan: het bestemmingsplan 'Rhenen, Populierenlaan 2a met identificatienummer NL.IMRO.0340.BPPopulieranlaan2a-VA01 van de gemeente Rhenen. 1.2 bestemmingsplan: de geometrische bepaalde planobjecten met bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanduiding: een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens: de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 achtererfgebied: erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw; 1.6 achtergevel: gevel aan de achterkant van een gebouw; 1.7 ambulante handel: de verkoop en het te koop aanbieden, alsmede de uitstalling daarvan, van waren aan consumenten buiten vestigingen.

Onder ambulante handel wordt mede verstaan (week)markten en standplaatsen buiten de markten; 1.8 bebouwing: één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.9 bebouwingspercentage: een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage, dat de oppervlakte van het deel van een bestemmings- of bouwvlak aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd met gebouwen en bijbehorende bouwwerken; 1.10 bed and breakfast: een kleinschalige overnachtingsaccommodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een toeristisch en veelal kortdurend verblijf met het serveren van ontbijt, waarbij de bed and breakfast ondergeschikt is aan de hoofdfunctie; 1.11 bedrijf aan huis: het verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van ambachtelijke - geheel of overwegend door middel van handwerk uit te oefenen - bedrijvigheid, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en de desbetreffende bedrijfsactiviteiten een ruimtelijke uitstraling hebben die in overeenstemming is met de woonfunctie;

BJZ.nu Bestemmingsplannen

4

Rhenen, Populierenlaan 2a vastgesteld

1.12 beroep aan huis: de uitoefening van een beroep aan huis op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen terrein, alsmede een beroep op het terrein van persoonlijke verzorging, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt; 1.13 bestaand: 1. ten aanzien van bebouwing: bebouwing, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning; 2. ten aanzien van gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals legaal aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan; 1.14 bestemminsgrens: de grens van een bestemmingsvlak; 1.15 bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met een zelfde bestemming; 1.16 bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of andere bouwwerk, met een dak; 1.17 bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.18 bouwgrens: de grens van een bouwvlak; 1.19 bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.20 bouwperceelsgrens: de grens van een bouwperceel. 1.21 bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en andere bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.22 bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.23 bouwwerk, geen gebouw zijnde: bouwwerk, geen gebouw en overkapping zijnde;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13043137/1