Bijlage 1.5 ecologisch onderzoek Bureaustudie zoekgebieden Windmolens Wageningen en Rhenen (Antea Group)
Tekst van het document
Habitatsubtype
Oppervlak te
Kwalite it
Relatieve bijdrage
Kernopgave
H2310 - Stuifzandheiden met struikhei
>
>
A2
6.08; 6.09
H2320 - Binnenlandse kraaiheibegroeiingen
=
=
B2
6.08; 6.09
H2330 - Zandverstuivingen
>
>
A2
6.08; 6.09; 6.12
H3130 - Zwakgebufferde vennen
=
=
C
H3160 - Zure vennen
=
>
B1
6.03,W
H3260A - Beken en rivieren met waterplanten
waterranonkels
>
>
B
5.01,W
H4010A - Vochtige heiden
hogere zandgronden
>
>
B2
6.09
H4030 - Droge heiden
>
>
A2
6.08; 6.09
H5130 - Jeneverbesstruwelen
=
>
B
6.09
H6230* - Heischrale graslanden
>
>
A2
6.09
H6410 - Blauwgraslanden
>
>
C
H7110B* - Actieve hoogvenen
heideveentjes
>
>
B2
H7140A - Overgangs- en trilvenen
trilvenen
=
=
C
H7150 - Pioniervegetaties met snavelbiezen
>
>
A1
H7230 - Kalkmoerassen
=
=
C
H9120 - Beuken-eikenbossen met hulst
>
>
A3
H9190 - Oude eikenbossen
>
>
A4
6.04,W
6.13
blad 30 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V. H91D0* - Hoogveenbossen H91E0C* - Vochtige alluviale bossen
beekbegeleidende bossen
=
=
C
=
>
B1
Habitatrichtlijnsoorten Tabel 2.15. Aangewezen habitatrichtlijnsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe. Soort
Populati e
Omvang leefgebied
Kwaliteit leefgebied
Relatieve bijdrage
H1042 – Gevlekte witsnuitlibel
>
>
>
C
H1083 – Vliegend hert
>
>
>
H1096 – Beekprik
>
>
>
H1163 – Beek/Rivierdonderpad
>
>
=
H1166 – Kamsalamander
=
=
=
H1318 – Meervleermuis
=
=
=
B2
H1831 – Drijvende waterweegbree
=
=
=
C
Kernopgave n
6.13 B2
5.01, W
Broedvogels Tabel 2.16. Aangewezen broedvogels in Natura 2000-gebied Veluwe. Soort
Status doel
A072 - Wespendief
definitief
A224 Nachtzwaluw
Aantal broedparen
Omvang leefgebied
Kwaliteit leefgebied
Relatieve bijdrage
100
=
=
A
definitief
610
=
=
B2
A229 - IJsvogel
definitief
30
=
=
B1
A233 - Draaihals
definitief
>
>
A
A236 - Zwarte specht
definitief
400
=
=
A1
A246 Boomleeuwerik
definitief
2400
=
=
A2
A255 - Duinpieper
definitief
>
>
A
A276 Roodborsttapuit
definitief
1100
=
=
A1
A277 - Tapuit
definitief
100
>
>
B2
A338 - Grauwe klauwier
definitief
40
>
>
A1
(her)vestiging
(her)vestiging
Kernopgav en
6.08; 6.12
6.08; 6.12
6.08; 6.12
6.08; 6.12
blad 31 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
2.4.4
Natura 2000 gebied Binnenveld Het Natura 2000-gebied Binnenveld is aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Onderstaand zijn de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied weergegeven. Habitattypen Tabel 2.17. Aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebied Binnenveld.
Habitattype
Habitatsub type
Oppervlakte/omva ng leefgebied
Kwaliteit/kwalite it leefgebied
Relatieve bijdrage
Kerno pgave
H6410 – Blauwgraslanden
>
=
B1
5.05,S B,W
H7140A – Overgangs- en trilvenen
trilvenen
>
>
B1
5.03,S B,W
H7140B – Overgangs- en trilvenen
veenmosri etlanden
=
=
C
Habitatrichtlijnsoorten Tabel 2.17. Aangewezen habitatrichtlijnsoorten in Natura 2000-gebied Binnenveld.
2.4.5
Soort
Populati e
Omvang leefgebied
Kwaliteit leefgebie d
H1145 - Grote modderkruiper
=
=
=
H1393 - Geel schorpioenmos
=
=
=
Relatiev e bijdrage
Kernopgave n
B1
Natura 2000 gebied Kolland & Overlangbroek Het Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek is aangewezen als Habitatrichtlijngebied. Onderstaand zijn de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied weergegeven. Habitattypen Tabel 2.18. Aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebied Kolland & Overlangbroek.
Habitattype
Habitatsubty pe
Oppervlakte/omv ang leefgebied
Kwaliteit/kwalit eit leefgebied
H91E0C* - Vochtige alluviale bossen
beekbegeleid ende bossen
>
=
Relatieve bijdrage
Kerno pgave
B1
blad 32 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
2.4.6
Analyse Natura 2000-gebieden
2.4.7
Vogels (Broedvogels en Niet-Broedvogels) Voor de Natura 2000-gebieden Rijntakken en Veluwe zijn diverse broedvogel- en niet-broedvogelsoorten aangewezen (zie par. 2.4.1.1 en 2.4.1.2). Dit betekent dat deze soorten in het betreffende Natura 2000-gebied beschermd zijn. Per soort en gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd. Ook essentiële habitatfuncties van de betreffende populaties die zich buiten het Natura 2000-gebied bevinden, zijn beschermd. Navolgende tabel geeft een eerste analyse van de gevoeligheid van vogelsoorten in combinatie met de maximale foerageerafstand die bekend is van deze soorten. Wanneer soort specifieke gevoeligheid voor windturbines niet in de geraadpleegde bronnen is vermeld, is op basis van expert judgement een inschatting gemaakt van de gevoeligheid. Dit expert judgement is gebaseerd op gekende vlieghoogten van de soort tussen broed- en foerageergebieden (broedvogels) en tussen slaap- en foerageergebieden (niet-broedvogels). Wanneer relevant, is de betreffende soortgroep hierin meegewogen. Met name watervogels (aalscholvers, zwanen, ganzen, en eenden), steltlopers en roofvogels gebruiken vlieghoogten die risicovol zijn met betrekking tot aanvaring (en/of moeten uitwijken). Met behulp van de foerageerafstand is bepaald of de soort, op basis van deze generieke informatie, een aandachtspunt vormt in de diverse zoekgebieden.
Tabel 2.19 geeft een indicatie van de risico’s per zoekgebied. Wanneer het voornemen concreter is geformuleerd, dient een mortaliteitstoets te worden opgesteld voor vogels en vleermuizen (zie ook onderdeel soortbescherming). Hierbij dienen de effecten op aangewezen vogelsoorten (zoals benoemd in tabel 2.19) eveneens nader beschouwd te worden. Tabel 2.19. Gevoeligheid, foerageerafstand en relevantie per zoekgebied voor aangewezen Vogelrichtlijnsoorten. Soort
A004 Dodaars A017 Aalscholver A021 Roerdomp A022 Woudaap A072 Wespendief A119 Porseleinhoe n A122 Kwartelkonin g
Broedvo gel (B) of Nietbroedvo gel (NB)
B B B
Gevoelig voor windturbine s?6
Buiten broedseizoen (in km)
0 (gebiedsgebon den)
0 (gebiedsgebon den)
X
70
0
X
0,4 0 (gebiedsgebon den)
nvt
X
nvt
X
nvt
0
10 0 (gebiedsgebon den) 0 (gebiedsgebon den) 0 (gebiedsgebon den)
1
2
0 niet gespecificee rd 0 1 1
B 0 B 0 B
A153 Watersnip A197 Zwarte stern
B
Doelsoort8
In broedseizoen (in km)
B B
Maximale foerageerafstand7
Rijntakk en
Velu we
1
2
Relevantie Zoekgebied 3 4 5 6
7
8
X
nvt
X
nvt
X
nvt
X
geen gegevens
X
6 Bron: Buij et al. 2018. ‘Oranje’: gevoelig voor windturbines op basis van voorgenoemde bron; ‘groen’: gevoelig voor
windturbines op basis van voorgenoemde bron; ‘grijs’: geen gegevens o.b.v. voorgenoemde bron, beoordeling op basis van expert-judgement. 7 Bron: Van der Vliet, R., z.d. 8 Bron: instandhoudingsdoelstellingen Natura 2000. Zie Natura2000.nl
blad 33 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V. Soort
A224 Nachtzwalu w A229 IJsvogel
Broedvo gel (B) of Nietbroedvo gel (NB)
Gevoelig voor windturbine s?6
B
niet gespecificee rd niet gespecificee rd niet gespecificee rd niet gespecificee rd
B B
A233 Draaihals A236 Zwarte specht A246 Boomleeuwe rik A249 Oeverzwaluw
B B B B
A255 Duinpieper A272 Blauwborst A276 Roodborstta puit
B B B
A277 - Tapuit A298 - Grote karekiet A338 Grauwe klauwier A005 - Fuut A017 Aalscholver A037 - Kleine zwaan A038 - Wilde zwaan
B B
NB NB NB NB NB
A041 Kolgans A043 Grauwe gans A045 Brandgans
NB NB NB
A048 Bergeend A050 Smient
NB
1 niet gespecificee rd niet gespecificee rd niet gespecificee rd niet gespecificee rd niet gespecificee rd niet gespecificee rd niet gespecificee rd niet gespecificee rd niet gespecificee rd niet gespecificee rd niet gespecificee rd niet gespecificee rd niet gespecificee rd niet gespecificee rd niet gespecificee rd niet gespecificee rd
Maximale foerageerafstand7 In broedseizoen (in km)
Buiten broedseizoen (in km)
6 0 (gebiedsgebon den) 0 (gebiedsgebon den) 0 (gebiedsgebon den) 0 (gebiedsgebon den)
nvt
6 0 (gebiedsgebon den) 0 (gebiedsgebon den) 0 (gebiedsgebon den) 0 (gebiedsgebon den) 0 (gebiedsgebon den) 0 (gebiedsgebon den)
nvt
nvt
Doelsoort8 Rijntakk en
Velu we
1
2
Relevantie Zoekgebied 3 4 5 6
7
8
X X
X
nvt
X
nvt
X
nvt
X X
nvt nvt
X
nvt
X
nvt
X
nvt
X
nvt
nvt 0 (gebiedsgebon den)
X X
70
20
X
nvt
12
X
nvt
10
X
nvt
30
X
nvt
30
X
nvt
30
X
nvt
3
X
nvt
11
X
blad 34 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V. Soort
A051 Krakeend A052 Wintertaling
Broedvo gel (B) of Nietbroedvo gel (NB)
Gevoelig voor windturbine s?6
NB
niet gespecificee rd niet gespecificee rd niet gespecificee rd
NB NB
A053 - Wilde eend A054 Pijlstaart A056 Slobeend
A061 Kuifeend
NB NB NB
A068 Nonnetje A125 Meerkoet A130 Scholekster A140 Goudplevier A142 - Kievit A151 Kemphaan A156 - Grutto A160 - Wulp A162 Tureluur A702 Toendrarietg ans
2.4.8
Doelsoort8
In broedseizoen (in km)
Buiten broedseizoen (in km)
Rijntakk en
nvt
5
X
nvt
9
X
nvt
26
X
0 niet gespecificee rd niet gespecificee rd niet gespecificee rd niet gespecificee rd
nvt
2
X
nvt
1
X
nvt
15
X
nvt
15
X
nvt
X
0 niet gespecificee rd
nvt
geen gegevens 0 (gebiedsgebon den)
nvt
15
X
1 1
15 geen gegevens
X X
0 0 0
nvt nvt 0 (gebiedsgebon den) nvt nvt
geen gegevens geen gegevens 15
X X X
0
nvt
2
X
1
nvt
geen gegevens
X
Velu we
1
2
Relevantie Zoekgebied 3 4 5 6
7
8
NB NB
A059 Tafeleend
Maximale foerageerafstand7
NB NB
X
NB NB NB NB NB NB NB
Meervleermuis Voor de Natura 2000-gebieden Rijntakken als Veluwe is de meervleermuis aangewezen (zie par. 2.4.1.1 en 2.4.1.2). Dit betekent dat deze soort in het betreffende Natura 2000-gebied beschermd is, per gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd. Ook essentiële habitatfuncties van de betreffende populaties die zich buiten het Natura 2000-gebied bevinden, zoals vliegroutes, zijn beschermd. Op basis van het onderdeel soortbescherming is de meervleermuis als ‘groen’ aangemerkt. Gezien de vlieghoogte van de meervleermuis wordt de kans, dat de meervleermuis slachtoffer wordt van een windturbine, als zeer gering beoordeeld. Zie ook paragraaf 2.3.3.
blad 35 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
2.4.9
Scoretabel Natura 2000-gebieden Tabel 2.20. Scoretabel Natura 2000-gebieden en bijbehorende instandhoudingsdoelstellingen. Storingsfactor Zoekgebied 1 2 3 4 5 6 7 8
Stikstofdepositie9 Mogelijke effecten door stikstofdepositie (aanlegfase, meerdere gebieden) Ruimtebeslag/verstoring Natura 200010 Rijntakken Veluwe Binnenveld Kolland & Overlangbroek Instandhoudingsdoelstellingen vogels Rijntakken Aalscholvers Zwanen, ganzen en eenden Steltlopers Overige niet-zangvogels Zangvogels Veluwe Roofvogels Overige niet-zangvogels Zangvogels Instandhoudingsdoelstellingen meervleermuis Rijntakken Veluwe
Met de kans op vogelslachtoffers, dient het effect van de aanvaringen op de gunstige staat van instandhouding (GSVI) te worden beoordeeld. Om deze effecten te beoordelen dient het ORNIS-criterium te worden gehanteerd (Kistenkas F., 2018). Dit criterium stelt dat wanneer sprake is van <1% van de jaarlijkse natuurlijke sterfte, er (voor de meeste soorten) geen negatief effect op de gunstige staat van instandhouding kan zijn. Deze 1%-norm dient bepaald te worden in een nader onderzoek. Hierbij dienen aantallen worden bepaald van vogels die zich in de omgeving van de geplande windturbines bevinden. Daarbij dienen naast aantallen ook gedragingen van vogels worden betrokken, zoals vliegbewegingen en vlieghoogten van aanwezige vogelsoorten, zodat de inschatting gemaakt kan worden of er daadwerkelijk sprake is van mogelijke slachtoffers van betreffende soort(en). Vervolgstappen Nader onderzoek naar aantallen en gedragingen (vliegbewegingen en vlieghoogten) van aanwezige vogelsoorten op of nabij geplande windturbinelocaties.
9
Alle zoekgebieden liggen binnen 25 kilometer van de genoemde Natura 2000-gebieden, een AERIUSberekening is nodig om effecten door stikstofdepositie in kaart te brengen. 10
Wanneer een zoekgebied (deels) in Natura 2000-gebied ligt, is categorie ‘rood’ gekozen. Indien het zoekgebied minder dan 2 kilometer van Natura 2000-gebied ligt, is categorie ‘oranje’ aangehouden. zoekgebieden die op meer dan 2 kilometer afstand van Natura 2000 liggen, zijn gemarkeerd als ‘groen’. blad 36 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
2.5
NNN
2.5.1
Analyse NNN De zoekgebieden bevinden zich (deels) binnen de begrenzing van het NNN. Zie ook tabel 2.21 en figuur 2.6 t/m 2.13. Als gevolg van het planvoornemen kan er sprake zijn van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN-gebied. Dit dient nader onderzocht en beoordeeld te worden. Tabel 2.21. Globale percentages NNN-oppervlakte per zoekgebied. NNN Zoekgebied 1 2 3 4 5
Globale percentages NNN-oppervlakte binnen zoekgebied
40%
10%
10%
1%
90%
6
7
8
60%
90%
100%
Figuur 2.6. Ligging van NNN-gebied in zoekgebied 1. Bron: Provincie Gelderland.
Figuur 2.7. Ligging van NNN-gebied in zoekgebied 2. Bron: Provincie Gelderland en provincie Utrecht.
Figuur 2.8. Ligging van NNN-gebied in zoekgebied 3. Bron: Provincie Gelderland en provincie Utrecht.
Figuur 2.9. Ligging van NNN-gebied in zoekgebied 4. Bron: Provincie Gelderland.
blad 37 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
2.5.2
Figuur 2.10. Ligging van NNN-gebied in zoekgebied 5. Bron: Provincie Gelderland en provincie Utrecht
Figuur 2.11. Ligging van NNN-gebied in zoekgebied 6. Bron: Provincie Gelderland en provincie Utrecht.
Figuur 2.12. Ligging van NNN-gebied in zoekgebied 7. Bron: Provincie Gelderland.
Figuur 2.13. Ligging van NNN-gebied in zoekgebied 8. Bron: Provincie Gelderland.
Scoretabel NNN Indien windturbines in NNN worden geplaatst, is sprake van vervolgstappen, waaronder compensatie. Dit dient nader te worden beoordeeld wanneer de locaties van de windturbines zijn bepaald. Om een eerste beeld te geven per zoekgebied is in tabel 2.22 – indicatief – een inschatting gegeven op de kans op negatieve effecten. Tabel 2.22. Globale percentages NNN-oppervlakte per zoekgebied. NNN Zoekgebied 1 2 3 4 5 6 Globale risico-inschatting NNN (o.b.v. NNN-oppervlakte binnen zoekgebied)11
7
8
11
‘Rood’: hoog percentage NNN-oppervlak binnen zoekgebied; ‘oranje’: gemiddeld percentage NNN-oppervlak binnen zoekgebied; ‘groen’: laag percentage NNN-oppervlak binnen zoekgebied. blad 38 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
2.6
Overig provinciaal beleid Zoekgebied 5 ligt deels binnen de begrenzing van ganzenrustgebied. Als gevolg van het planvoornemen kunnen er effecten optreden indien de windturbines binnen het ganzenrustgebied worden geplaatst. Deze effecten dienen dan nader beschouwd te worden. Voor de overige zoekgebieden zijn geen vervolgstappen aan de orde.
Figuur 2.14. Ligging van de Ganzenrustgebieden ten opzichte van de diverse zoekgebieden. Bron: Provincie Gelderland en Provincie Utrecht. Tabel 2.23. Scoretabel Ganzenrustgebied. Overig provinciaal beleid 1
2
Zoekgebied 3
4
5
6
7
8
Ligging in Ganzenrustgebied12
2.7
Beschermde houtopstanden In (de directe omgeving van) de zoekgebieden zijn bomen aanwezig. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kan het zijn dat houtopstanden worden gekapt en/of aangetast. Een nadere toetsing beschermde houtopstanden is daarom noodzakelijk. In deze nadere toetsing wordt in eerste instantie bepaald of de houtopstanden beschermd zijn, en zo ja onder welk beschermingsregime (buiten de bebouwingscontour houtkap en/of Omgevingsplan). Daarnaast wordt in de nadere toetsing houtopstanden bepaald of eventuele vervolgstappen noodzakelijk zijn. Mogelijke vervolgstappen bij kap van bomen zijn: een melding houtkap (op basis van Bal – Omgevingswet) of een omgevingsvergunning houtkap (gemeentelijke beleid). Ook kan het noodzakelijk zijn een Boom Effect Analyse (BEA) op te stellen, waarbij wordt getoetst in hoeverre bomen in de invloedssfeer daadwerkelijk negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden ondervinden.
12
‘Oranje’: zoekgebied ligt deels in ganzenrustgebied; ‘groen’: zoekgebied ligt niet in ganzenrustgebied. blad 39 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
3.
Conclusie & advies In dit hoofdstuk is per onderdeel de conclusie en het advies gegeven dat voortkomt uit de uitgevoerde bureaustudie.
3.1
Soortbescherming Binnen het plangebied is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Ow) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: vogels, vleermuizen en overige beschermde soorten. In tabel 3.1 zijn de conclusies ten aanzien van deze beschermde soorten opgenomen. De onderbouwing van de conclusies zijn beschreven in paragraaf 2.3 van voorliggende bureaustudie. Voor alle soorten geldt daarnaast de zorgplicht. Tabel 3.1 Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming. Soort(groep) Essentieel leefgebied in Nader (directe omgeving van) onderzoek plangebied? nodig?
Vogels (Broedvogels, Niet-broedvogels en Trekvogels) Vleermuizen (vliegbewegingen) Vogels met een jaarrond beschermd nest Vogels (algemene broedvogels) Zoogdieren (diverse soorten vleermuizen) Overige beschermde soorten
Vrijgestelde soorten
Omgevingsvergunning flora- en faunaactiviteit Ow aan de orde? Afhankelijk van het gekozen zoekgebied is er grotere of kleinere kans op sterfte/aanvaring. Dit dient nader onderzocht te worden in een mortaliteitstoets.
Mogelijk, afhankelijk van het gekozen zoekgebied. Zie ook tabel 3.2 voor een nadere inschatting van de risico’s per zoekgebied.
Ja, er dient een natuurtoets (inclusief terreinbezo ek) uitgevoerd te worden. Mogelijk is nader onderzoek aan de orde
Maatregelen?
Nader te bepalen
Nog onduidelijk
Zie tabel 3.4
blad 40 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
Tabel 3.2 geeft een overzicht van de scoretabellen die in hoofdstuk 2 zijn opgenomen. Tabel 3.2 Overzicht scoretabellen Soortbescherming.
Soortgroep
Zoekgebied 1
2
3
4
5
6
7
8
Vogels - Nesten Jaarrond beschermde nesten Algemene broedvogels
Vogels – Kans op sterfte/aanvaring Broedvogels Niet-broedvogels Broedvogels en niet-broedvogels (cumulatief) Trekvogels
Vleermuizen Baard-/Brandts vleermuis Franjestaart Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Kleine dwergvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Vale vleermuis Watervleermuis
Overige soorten Mogelijke effecten overige soorten
In tabel 3.1 zijn meerdere vervolgstappen weergegeven. Deze vervolgstappen hangen samen met de verschillende fasen van het voornemen: Aanlegfase • In tabel 3.1 is opgenomen dat voor alle soorten (vogels, vleermuizen en overige beschermde soorten) een natuurtoets (inclusief terreinbezoek) plaats dient te vinden. • Mogelijke volgen hieruit vervolgstappen voor nader onderzoek. • Bij (potentiële) effecten op soorten is een vergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. • Om een vergunning te verkrijgen dient onderbouwd te kunnen worden dat geen sprake is van effecten op de gunstige staat van instandhouding van soorten. Mogelijk zijn hiervoor mitigerende en/of compenserende maatregelen noodzakelijk.
blad 41 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
Gebruiksfase • In tabel 3.1 is opgenomen dat voor vogels en vleermuizen in de gebruiksfase sprake kan zijn van aanvaringsslachtoffers. Potentiële effecten op de gunstige staat van instandhouding dienen nader beoordeeld te worden. Hiertoe dient de zogenoemde 1%-mortaliteitsnorm per soort te worden vastgesteld op basis van zowel regionale als landelijke gegevens (ORNIS-criterium). • Bij (potentiële) effecten op soorten is een vergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. • Om een vergunning te verkrijgen dient onderbouwd te kunnen worden dat geen sprake is van effecten op de gunstige staat van instandhouding van soorten. Mogelijk zijn hiervoor mitigerende en/of compenserende maatregelen noodzakelijk.
3.1.1
Zorgplicht Uit paragraaf 2.3.5 blijkt dat er in het plangebied soort(groep)en aanwezig (kunnen) zijn waarmee rekening dient te worden gehouden in het kader van de zorgplicht voor soorten. Maatregelen waaraan gedacht kan worden bij de invulling van de zorgplicht bij voorliggend planvoornemen zijn weergegeven in tabel 3.3. Tabel 3.3. Voorbeelden van zorgplicht gerelateerde maatregelen voor soorten. Soort(groep) Maatregel Grondgebonden zoogdieren Voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het plangebied kort maaien (alle soorten) Amfibieën en vissen Werken in de richting van een vluchtmogelijkheid bij het dempen van de watergang Planten (blauwe knoop) Voorkomen dat de standplaatsen worden aangetast door groeiplaatsen te markeren Zoogdieren (vos) Werken buiten de kwetsbare periode van voortplanting, handmatig vrijgaven van de vossenburcht.
Onder de Ow dient nadere aandacht te worden besteed aan soorten van de Rode Lijsten. Onder de Ow kunnen provincies beleidskaders opstellen over hoe en met welke soorten (van de Rode Lijsten) rekening dient te worden gehouden in het kader van de Zorgplicht. Vooralsnog zijn deze aanvullende beleidskaders nog niet opgesteld. In de voorliggende rapportage is daarom gekozen voor het opnemen van waarnemingen van de Rode Lijst soorten in de NDFF in het plangebied. Door middel van de maatregelen beschreven in tabel 3.4 kunnen op negatieve effecten worden gemitigeerd op (een deel van) de opgenomen Rode Lijst soorten. Zie ook paragraaf 3.4 voor kansen voor biodiversiteit. Ook hier kunnen (Rode Lijst) soorten van profiteren.
blad 42 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
3.2
Gebiedsbescherming
3.2.1
Natura 2000 In tabel 3.4 zijn de conclusies ten aanzien van beschermde Natura 2000-gebieden opgenomen. De onderbouwing van de conclusie is beschreven in paragraaf 2.4 van voorliggende bureaustudie. Tabel 3.4. Conclusies Natura 2000-gebieden.
Zijn er Natura 2000-gebieden aanwezig waarop effecten kunnen optreden? Treden er negatieve effecten op of zijn deze te verwachten?
Zijn er vervolgstappen aan de orde?
Natura 2000 Stikstofdepositie Overige effecten Ja, Rijntakken, Veluwe, Binnenveld, Kolland & Overlangbroek Ja, er kan sprake zijn van verzuring en vermesting door stikstofdepositie in de aanlegfase.
Ja, er dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd wanneer het voornemen nadere invulling heeft gekregen. Indien sprake is van een toename in stikstofdepositie, dient een ecologische voortoets stikstof te worden opgesteld.
Mogelijk. Afhankelijk van de gekozen locaties binnen een zoekgebied zijn er effecten te verwachten. Daarnaast is er mogelijk sprake van effecten op aangewezen soorten. Ja, om de kans op significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden te kunnen beoordelen, dient een voortoets (Overige storingsfactoren) te worden opgesteld. In het kader van soortbescherming dient reeds een mortaliteitstoets te worden opgesteld. Aangewezen Natura 2000-soorten dienen hierin eveneens nader beschouwd te worden.
Omgevingsvergunning Natura 2000activiteit of akkoord van de provincie noodzakelijk?
Nader te bepalen
Nader te bepalen
blad 43 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
Tabel 3.5 geeft een indicatie van de risico’s per zoekgebied met betrekking tot Natura 2000. Tabel 3.5. Indicatie van de risico’s per zoekgebied op basis van Natura 2000-wetgeving.. Storingsfactor Zoekgebied 1
2
3
4
5
6
7
8
Stikstofdepositie13 Mogelijke effecten door stikstofdepositie (aanlegfase, meerdere gebieden) Ruimtebeslag/verstoring Natura 200014 Rijntakken Veluwe Binnenveld Kolland & Overlangbroek Instandhoudingsdoelstellingen vogels Rijntakken Aalscholvers Zwanen, ganzen en eenden Steltlopers Overige niet-zangvogels Zangvogels Veluwe Roofvogels Overige niet-zangvogels Zangvogels Instandhoudingsdoelstellingen meervleermuis Rijntakken Veluwe
13
Alle zoekgebieden liggen binnen 25 kilometer van de genoemde Natura 2000-gebieden, een AERIUSberekening is nodig om effecten door stikstofdepositie in kaart te brengen. 14
Wanneer een zoekgebied (deels) in Natura 2000-gebied ligt, is categorie ‘rood’ gekozen. Indien het zoekgebied minder dan 2 kilometer van Natura 2000-gebied ligt, is categorie ‘oranje’ aangehouden. zoekgebieden die op meer dan 2 kilometer afstand van Natura 2000 liggen, zijn gemarkeerd als ‘groen’. blad 44 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
3.2.2
NNN In tabel 3.6 zijn de conclusies ten aanzien van beschermde NNN-gebieden opgenomen. De onderbouwing van de conclusie is beschreven in paragraaf 2.5 van voorliggende bureaustudie. Tabel 3.6. Conclusies NNN-gebieden. NNN In vrijwel alle zoekgebieden is NNN aanwezig. In zoekgebied 2, 3 en 4 is het oppervlak NNN zeer beperkt (tot afwezig) In zoekgebieden 5, 6 en 8 is het oppervlak NNN in grote mate aanwezig. In zoekgebied 1 en 6 betreft circa de helft (+/- 10%) van het oppervlak NNN Nee
Op welke afstand van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde NNN-gebied?
Is er sprake van toetsing van externe werking in de betreffende provincie? Is er sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden of is dit te verwachten? Zijn er vervolgstappen aan de orde?
Nog onbekend, dit dient nader te worden bepaald en is afhankelijk van de gekozen locatie(s) binnen een zoekgebied. Ja, het onderdeel NNN dient nader te worden uitgewerkt indien windturbines in NNN worden geplaatst en/of werkzaamheden plaatsvinden in NNN Nog onbekend
Afstemming met het bevoegd gezag aan de orde?
Tabel 3.7. geeft een indicatie van de risico’s per zoekgebied met betrekking tot NNN. Tabel 3.7. Indicatie van de risico’s per zoekgebied met betrekking tot NNN. NNN 1
2
3
Zoekgebied 4 5
6
7
8
Globale risico-inschatting NNN (o.b.v. NNN-oppervlakte binnen zoekgebied)15
3.2.3
Overig provinciaal beleid Zoekgebied 5 ligt deels binnen de begrenzing van ganzenrustgebied. Als gevolg van het planvoornemen kunnen er effecten optreden indien de windturbines binnen het ganzenrustgebied worden geplaatst. Deze effecten dienen dan nader beschouwd te worden. Voor de overige zoekgebieden zijn geen vervolgstappen aan de orde (zie tabel 3.8). Tabel 3.8. Scoretabel Ganzenrustgebied. Overig provinciaal beleid 1 2
Zoekgebied 3 4 5 6
7
8
Ligging in Ganzenrustgebied16
15
‘Rood’: hoog percentage NNN-oppervlak binnen zoekgebied; ‘oranje’: gemiddeld percentage NNN-oppervlak binnen zoekgebied; ‘groen’: laag percentage NNN-oppervlak binnen zoekgebied. 16 ‘Oranje’: zoekgebied ligt deels in ganzenrustgebied; ‘groen’: zoekgebied ligt niet in ganzenrustgebied. blad 45 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
3.3
Beschermde houtopstanden bebouwingscontour houtkap In (de directe omgeving van) de zoekgebieden zijn bomen aanwezig. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kan het zijn dat houtopstanden worden gekapt en/of aangetast. Een nadere toetsing beschermde houtopstanden is daarom noodzakelijk. In deze nadere toetsing wordt in eerste instantie bepaald of de houtopstanden beschermd zijn, en zo ja onder welk beschermingsregime (buiten de bebouwingscontour houtkap en/of Omgevingsplan). Daarnaast wordt in de nadere toetsing houtopstanden bepaald of eventuele vervolgstappen noodzakelijk zijn. Mogelijke vervolgstappen bij kap van bomen zijn: een melding houtkap (op basis van Bal – Omgevingswet) of een omgevingsvergunning houtkap (gemeentelijke beleid). Ook kan het noodzakelijk zijn een Boom Effect Analyse (BEA) op te stellen, waarbij wordt getoetst in hoeverre bomen in de invloedssfeer daadwerkelijk negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden ondervinden.
blad 46 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
Literatuurlijst Buij, R., Jongbloed, S. Geelhoed, H. van der Jeugd, E. Klop, S. Lagerveld, H. Limpens, H. Meeuwsen, F. Ottburg, P. Schippers, J. Tamis, J. Verboo, J. T. van der Wal, R. Wegman, E. Winter, A. Schotman, 2018. Kwetsbare soorten voor energie-infrastructuur en hoogspanningslijnen op de kwetsbare soorten vogels, vleermuizen, zeezoogdieren en vissen, en oplossingsrichtingen voor een natuurinclusieve energietransitie, Wageningen Environmental Research, Rapport 2883. 232 blz.: 49 fig.; taabl.: 446 ref. link: 449804 Kistenkas, F., M. Bouwma, 2018. Barriers for the ecosystem services concept in European water and nature conservation law. Ecosystem Services volume 29, Part B, februari 2018, pagina’s 223-227. Krijgsveld, K., Akerhsoek, K., Schenk, F., Dijk, F., S. Dirksen, 2009. Collision Risk of Birds with Modern Large Wind Turbines. Ardea 97 (3), 1 oktober 2009, pagina’s 357-366. Limpens, H., B. Verboom. Windmolens en vleermuizen. Zoogdier jaargang 12 (2), 2001. Smits, R.R, H.A.M. Prinsen, 2014. Verkennend natuuronderzoek windparklocatie Havenkanaal, gemeente Wageningen. Knelpuntanalyse in relatie tot de natuurwetgeving. Bureau Waardenburg rapport nr. 14-068, 4 april 2014. Van der Vliet, R., z.d. De maximale foerageerafstanden (in km) voor 97 Nederlandse Vogelrichtlijnsoorten in en buiten het broedseizoen.
Beleidsregels soortenbescherming Gelderland | Lokale wet- en regelgeving Netwerk Groene Bureaus (NGB), 2023. Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie nov 2023). Netwerk Groene Bureaus (NGB), 2021. Vleermuisprotocol 2021. Natuurbeheerplan Gelderland, 2025. Atlas provincie Utrecht (natuurbeheerplan 2024-2025) Omgevingsverordening Provincie Gelderland Omgevingsverordening Provincie Utrecht Overig Kennisdocumenten - BIJ12 Voor feiten over vogels | Sovon NDFF Street Smart AERIUS-calculator, versie 2024.1.2 www.floron.nl www.ravon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl Input participatiemomenten te Wageningen op 28 november 2024 en 12 maart 2025
blad 47 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
Bijlage 1 Wettelijk kader
blad 48 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
Bijlage 1 Wettelijk kader In deze bijlage staat een beschrijving van de relevante wet- en regelgeving; de Omgevingswet (Ow) en het beleidskader. Naast bescherming vanuit de Ow zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De aanwijzing en bescherming van het NNN gebeurt in de Omgevingsverordening. Ow - Algemeen De Ow is op 1 januari 2024 in werking getreden. De Ow beschermt: • De Natura 2000-gebieden die aangewezen zijn in het kader van het Europees natuurbeleid (gebiedsbescherming); • De planten- en diersoorten (onderdeel soortbescherming); • Bos en houtopstanden (onderdeel houtopstanden). Veel verantwoordelijkheden en bevoegdheden liggen bij de provincies. Er zijn hierop wel uitzonderingen waarvoor het ministerie van LNV bevoegd gezag is. Dit betreft onder andere de aanleg en uitbreiding van hoofdwegen, landelijke spoorwegen, hoofdvaarwegen, primaire waterkeringen, militaire terreinen en oefengebieden, militaire luchthavens, Schiphol en overige burgerluchthavens, het landelijke gastransportnet, hoogspanningsverbindingen van tenminste 220 kV, activiteiten van buitenlandse mogendheden en activiteiten namens een lid van het Koninklijk Huis. LNV is ook bevoegd gezag voor ruimtelijke ingrepen in de Exclusieve Economische Zone (EEZ) en voor Windenergie op zee (kavelbesluiten). Gemeenten kunnen een loketfunctie hebben.
Het is mogelijk om een natuurvergunning ‘aan te haken’ bij de omgevingsvergunning, maar dit hoeft niet. De Ow richt zicht op bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Ow - Soortbescherming In de Ow is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie geldt een vergunningsplicht bij verschillende schadelijke handelingen die zijn vermeld in artikel 11.37, 11.46 en 11.54 Bal van de Ow. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1) Vogels (artikel 11.37 Bal); 2) Strikt beschermde soorten (artikel 11.46 Bal); 3) Andere soorten (artikel 11.54 en bijlage IX, onder A en onder B Bal).
blad 49 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
Soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 11.37 Bal, Ow) Het beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn is vastgelegd in artikel 11.37 e.v. 1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Het is mogelijk om omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aan te vragen het optreden van schadelijke handelingen. De omgevingsvergunning kan worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende criteria: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Vogelrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 1: ‘in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid’ (dit is dus strenger dan voor soorten van de Habitatrichtlijn en de andere soorten); - Er is geen verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Strikt beschermde soorten (artikel 11.46 Bal, Ow) Deze categorie bestaat uit Europees beschermde soorten. De schadelijke handelingen zijn vastgelegd in artikel 11.46 Bal e.v.: 1.
2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Onder de Ow is het mogelijk om voor strikt beschermde soorten zoals opgenomen in artikel 11.46 Bal bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de Minister goedgekeurde gedragscode. Hierbij geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht bij schadelijke handelingen uit artikel 11.46 Bal. Naast het werken volgens een goedgekeurde gedragscode kan voor soorten zoals opgenomen artikel 11.46 Bal van de Ow bij het optreden van schadelijke handelingen een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit worden aangevraagd. De omgevingsvergunning kan worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende criteria: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Habitatrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 3: ‘in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’; - Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
blad 50 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
Andere soorten (artikel 11.54 Bal, Ow) De categorie ‘andere soorten’ bestaat uit soorten zoals opgenomen in bijlage IX, onder A en onder B Bal van de wettekst. Dit zijn nationaal beschermde soorten. De schadelijke handelingen zijn vastgelegd in artikel 11.54 Bal e.v. Het is verboden: a. In het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. De vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. Vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor deze soorten geldt een vrijstelling wanneer aantoonbaar gewerkt wordt volgens een door de Minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Daarnaast geldt ook vrijstelling bij ruimtelijke projecten voor soorten die staan op besluit vrijgestelde soorten. Het hangt per provincie af welke soort is vrijgesteld van een vergunningsplicht bij schadelijke handelingen in artikel 11.54 Bal, ook de grond waarvoor een vrijstelling geldt kan ook variëren tussen provincies. Wel dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht (artikel 11.27 Bal).
Deze zorgplicht is verder in deze bijlage nog toegelicht. Indien de ‘andere soorten’ niet zijn vrijgesteld en daarmee als gevolg van het voornemen schadelijke handelingen in artikel 11.54 Bal optreden, dient een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit aangevraagd te worden bij de provincie waarin het voornemen plaatsvindt. Naast het werken volgens een goedgekeurde gedragscode kan voor soorten uit de categorie ‘andere soorten’ van de Ow bij het optreden van schadelijke handelingen een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit worden aangevraagd. De omgevingsvergunning kan worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende criteria: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang h ‘in het algemeen belang’; - Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
blad 51 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
Samenvatting gronden waarop een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verleend mag worden per categorie beschermde soorten (artikel 311.37, 11.46 en 11.54 Bal). Vergunningsgronden Artikel 11.37 Artikel 11.46 Artikel 11.54 Bal Bal Bal en bijlage IX Vogels Strikt Andere beschermde soorten soorten 1 Er bestaat geen andere bevredigende Ja Ja Ja oplossing 2 Leiden niet tot verslechtering van de staat van Ja Ja Ja instandhouding 3 volksgezondheid en openbare veiligheid Ja Ja Ja veiligheid van luchtverkeer Ja Nee Ja ter voorkoming van schade aan gewassen, Ja Ja Ja vee, bossen, visserij ter bescherming van Flora en Fauna Ja Ja Ja voor onderzoek, onderwijs, uitzetten en Ja Ja Ja herinvoeren van soorten / teelt dwingende reden van groot openbaar belang, Nee Ja Ja met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor milieuwezenlijke gunstige effecten ruimtelijke inrichting of ontwikkeling Nee Nee Ja schade en overlast, ter beperking omvang Nee Nee Ja populatie, ter bestrijding van lijden en ziekte, bestendig beheer en onderhoud (ook natuurbeheer), algemeen belang, bestendig gebruik
Zorgplicht Er dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de zorgplicht zoals vastgelegd in artikel 11.27 Bal van de Ow. Deze zorgplicht houdt o.a. in dat als een activiteit wordt ondernomen waarvan kan worden vermoed dat deze nadelig kan zijn voor in het wild levende dieren en planten, deze activiteit niet plaats mag vinden. Ook moeten alle maatregelen worden genomen om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Deze zorgplicht heeft betrekking op de gebieds- en op de soortbescherming. In het tekstkader hieronder staat het wetsartikel uitgeschreven. 1.
Eenieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving; 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) Dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel b) Indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt; 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Er dient bijvoorbeeld zo gewerkt te worden dat dieren kunnen ontsnappen en het kan nodig zijn om soorten te verplaatsen (bijvoorbeeld planten en amfibieën). Deze algemene zorgplicht geldt voor elke soort en elk individu in Nederland.
blad 52 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
Ow - Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is vastgelegd in artikel 11.1 tot en met 11.9 Bal van de Ow. Hierin wordt de aanwijzing en bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Hiermee zijn de verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, voor zover die betrekking hebben op gebiedsbescherming, geïmplementeerd in het Nederlands recht. De begrenzing van de Natura 2000-gebieden en de instandhoudingdoelstellingen voor die gebieden zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden. De instandhoudingdoelstellingen beschrijven voor de voor het gebied aangewezen habitattypen en soorten of een bepaalde ontwikkeling ervan gewenst is of dat het behoud ervan op het aanwezige niveau moet worden nagestreefd. Voor activiteiten of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Deze omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit worden verleend door de provincies of door de Minister van LNV. Voortoets en Passende beoordeling De Ow regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, ten aanzien van plannen en projecten en die mogelijke effecten hebben op de natuurlijke kenmerken van de gebieden, gelet op de instandhoudingsdoelen die in de Natura 2000-gebieden van kracht zijn. De Ow maakt daarbij onderscheid in enerzijds plannen (plantoets) en anderzijds projecten (projecttoets).
Bij plannen en projecten in, of in de nabijheid (externe werking) van, een Natura 2000-gebied dienen de initiatiefnemers in een oriënterende fase (voortoets) te onderzoeken of het plan een significant negatief effect op de instandhoudingdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied kan hebben. Met externe werking wordt bedoeld dat ook activiteiten buiten het gebied de natuurwaarden in het gebied kunnen beïnvloeden. Indien na dit onderzoek niet kan worden uitgesloten dat de activiteit een significant negatief effect heeft, dient de initiatiefnemer meer gedetailleerd dan in de oriënterende fase in kaart te brengen wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. Daarbij dienen ook, indien noodzakelijk, de mitigerende maatregelen te worden betrokken. Deze analyse heet een ´passende beoordeling´. Het bevoegd gezag toetst de passende beoordeling. Wanneer uit de passende beoordeling alsnog de zekerheid wordt verkregen dat de activiteit niet leidt tot significant negatieve effecten, kan de activiteit doorgang vinden. Wanneer uit de voortoets blijkt dat er wel kans is op een negatief effect, maar dit als niet significant kan worden gezien, kan eveneens, op basis van een verslechteringstoets toestemming voor het uitvoeren van de activiteit worden verleend.
Wanneer uit de passende beoordeling blijkt dat significante negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, kan het project alleen doorgang vinden op grond van de “ADC-criteria”. Dit betekent dat: - A – Alternatieve oplossingen voor het plan ontbreken; - D – Er dwingende redenen van groot openbaar belang zijn, en - C – De initiatiefnemer compenserende maatregelen vooraf en tijdig treft. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het nationaal beleid met betrekking tot de gebiedsbescherming van het Natuurnetwerk Nederland is opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De bescherming van het NNN staat nader uitgewerkt in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL). Hierin staan instructieregels voor de omgevingsverordening van de provincies. De bescherming werkt vervolgens door in de bestemmingsplannen van de gemeenten.
De instructieregels uit het BKL verplichten de provincies tot: • Het aanwijzen van Natuurnetwerk Nederland gebieden en vaststelling geometrische begrenzing (artikel 2.44 lid 4 Ow en artikel 7.6 Bkl); • Het vastleggen van de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden (actueel en potentieel) (artikel 7.7 Bkl); • Het stellen van regels in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden (artikel 7.8 Bkl, eerste lid); • De regels die in de omgevingsverordening komen verzekeren in ieder geval dat (artikel 7.8 Bkl, tweede lid): o De kwaliteit en oppervlakte van het NNN-gebied niet achteruitgaan; o De samenhang tussen de gebieden van het NNN wordt geborgd; o Tijdige compensatie van een bepaalde activiteit die negatieve gevolgen heeft. blad 53 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
Wezenlijke waarden en kenmerken Dit betreft de actuele en potentiële natuurwaarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied, met inbegrip van de omvang en de beoogde natuurkwaliteit alsmede de samenhang met andere natuurgebieden. ‘Nee, tenzij’-principe Het 'nee, tenzij'-principe (uit het Barro) vervalt onder de Omgevingswet. In het Bkl wordt niet langer gesproken over reële alternatieven en groot openbaar belang (als voorwaarde de of een voornemen met effect op NNN toch doorgang kan vinden). Volgens de Nota van toelichting volgt echter uit het algemene zorgplichtartikel van 1.7 Ow dat: - Negatieve gevolgen moet en worden voorkomen en beperkt; - Als dat niet of onvoldoende mogelijk is dan kan de activiteit alleen worden gerealiseerd als daarmee een zeker belang is gemoeid. In het Bkl staat dat negatieve gevolgen tijdig moeten worden gecompenseerd (art 7.8 lid 2 Bkl). Volgens de Nota van toelichting betekent dat niet dat de compensatie gereed moet zijn op het moment van de aantasting. Compensatie moet in ieder geval zijn geborgd. Kan in provinciale verordening nader worden ingevuld. Het NNN is planologisch beschermd in de Provinciale Verordeningen. In de Verordening staat aangegeven aan welke voorwaarden bij ruimtelijke ingrepen in en langs het NNN moet worden voldaan. Daarin kan alsnog een “nee, tenzij-afweging” opgenomen zijn.
Ook is het compensatiebeleid bij aantastingen van het Natuurnetwerk Nederland hierin opgenomen. De Rijkslijn zoals was verwoord in het SVIR en Barro dat er bij het NNN geen sprake is van externe werking kan ook in de provinciale omgevingsverordening worden vastgelegd. Overige provinciale beschermde gebieden Naast het NNN kunnen ook andere gebieden beschermd zijn op provinciaal niveau. Dit verschilt per provincie. Beschermde gebieden kunnen als volgt omschreven zijn: • Ecologische verbindingszones; • Weidevogelgebieden, ganzenfoerageergebieden, leefgebied weide- en akkervogels of rust- en foerageergebied ganzen en smienten; • Groene ontwikkelingszone of groenblauwe mantel of groene contour; • Natuur/ bos- en natuurgebieden buiten NNN. Ook deze gebieden kennen een vorm van een beschermingsregime, in sommige gevallen gelijk aan het NNN, soms in een lichtere vorm. Provincies kunnen ook provinciale landschappen aanwijzen. De aanwijzing van de Bijzonder Provinciale Landschappen is verleend op grond van Artikel 2.44 lid 5 van de Ow (zie tekstkader). Ook deze gebieden kunnen een beschermingsregime hebben vastgelegd in de provinciale verordening. Art.
2.44 lid 5 Ow Gedeputeerde Staten kunnen gebieden gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland aanwijzen die van provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarden of landschappelijke waarden, met inachtneming van hun cultuurhistorische kenmerken. Deze gebieden worden aangeduid als «bijzondere provinciale natuurgebieden», onderscheidenlijk «bijzondere provinciale landschappen». Ow - Beschermde houtopstanden De bescherming houtopstanden heeft (had vanuit de Boswet en Wet natuurbescherming) tot doel de oppervlakte bos in Nederland in stand te houden. Begin 20e eeuw kwam dit doel vooral voort uit de belangen van de houtproductie, maar gaandeweg is meer oog gekomen voor de andere functies die bossen en houtopstanden hebben, zoals klimatologische, landschappelijke en recreatieve functies. Het begrip houtopstand wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. De beperkingen uit de Wnb, dat het moet gaan om een oppervlakte grond van minstens 10 are of een rijbeplanting die meer dan twintig bomen is opgenomen in par. 11.3.1 Bal.
blad 54 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
Individuele bomen vallen dus niet onder het begrip ‘houtopstand’, en worden dus niet door de regels van het Bal beschermd. De gemeente kan deze bomen wel beschermen door regels hieromtrent op te nemen in het omgevingsplan. Artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat de opdracht om in het omgevingsplan een bebouwingscontour houtkap (voorheen bebouwde kom houtopstanden Wnb) aan te wijzen aansluitend aan stedelijk gebied. Deze aanwijzing werkt door in de toepassing van afdeling 11.3 van het Bal: binnen de bebouwingscontour geldt die afdeling niet. De grens van de bebouwingscontour houtkap is niet hetzelfde als de bebouwde kom op grond van de Wegenverkeerswet. De bebouwde kom grens in de Wegenverkeerswet wordt met een ander oogmerk bepaald en vastgesteld. Volgens een uitspraak van de rechtbank is het niet mogelijk om het hele grondgebied van de gemeente aan te wijzen als bebouwingscontour houtkap. De aard van het gebied is bepalend voor de vraag of het gebied kan aangewezen worden als bebouwde kom. De vaststelling van de grens van de bebouwde kom is van feitelijke aard: waar houdt de bebouwing op.
De provincies zijn op grond van de gemeentewet bevoegd om in het kader van interbestuurlijk toezicht zo nodig maatregelen te treffen als een gemeente heeft verzuimd om de begrenzing van de bebouwingscontour houtkap vast te stellen, of deze heeft vastgesteld op een wijze die in strijd komt met het recht of het algemeen belang. Een begrenzing die is vastgesteld op grond van artikel 1 vijfde lid van de Boswet geldt ingevolge van het overgangsrecht overigens tevens als begrenzing van de bebouwingscontour houtkap voor de Ow. De begrenzing van de bebouwingscontour houtkap in de zin van de Ow dus niet altijd overeen met de begrenzing van de bebouwde kom op grond van de Wegenverkeerswet. Als een gemeente geen bebouwingscontour houtkap heeft vastgesteld, is het Bal overal van toepassing in die betreffende gemeente. Bescherming buiten de bebouwingscontour houtkap De bescherming van houtopstanden is vastgelegd in paragraaf 11.3.1 en 11.3.2 Bal (artikel 11.111 t/m 11.133). De algemene regels over het vellen van houtopstanden uit het Bal zijn echter alleen van toepassing buiten de ‘bebouwingscontour houtkap’ zoals die is opgenomen in het omgevingsplan.
In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is in bepaalde gevallen voor het vellen van een houtopstand een meldplicht en een herplantplicht toepasselijk (zie paragraaf 11.3.2 Bal): - Melding voor het vellen van een houtopstand (artikel 11.126 Bal); - Herplantplicht (artikel 11.129 Bal). Bevoegd gezag is normaal gesproken GS (zie artikel 11.113 Bal) en in sommige situaties de minister van LNV (artikel 11.114 Bal en artikel 4.12 van het Omgevingsbesluit). In de volgende gevallen geldt op grond van het Bal geen verplichting tot het melden en herbeplanten voor het vellen (art. 11.111, lid 2 Bal): - Periodiek vellen van griend- of hakhout; - Houtopstanden die een zelfstandige eenheid vormen van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, én hetzij geen groter oppervlakte beslaan dan 10 are, hetzij ingeval van rijbeplanting, gerekend over het totaal aantal rijen, niet meer bomen omvatten dan 20; - Houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom in de zin van de Ow; - Houtopstanden op erven of in tuinen; - Fruitbomen en windschermen om boomgaarden; - Naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; - Kweekgoed; - Uit populieren of wilgen bestaande: o Wegbeplantingen; o Beplantingen langs waterwegen, en o Eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; - Het dunnen van een
houtopstand; - Uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: - Ten minste eens per tien jaar worden geoogst;
blad 55 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
-
-
-
Bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan 2 meter, en Zijn aangelegd na 1 januari 2013; Vellen ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel ten behoeve van Natura 2000; Vellen ter uitvoering van een mitigerende of compenserende natuurmaatregel uit een Omgevingsvergunning-Natura 2000-activiteit, een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit, een Tracébesluit of een omgevingsvergunning; Vellen voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; Vellen en herbeplanten dat plaatsvindt overeenkomstig een door de Minister van LNV goedgekeurde gedragscode.
Wel kan de gemeente in die gevallen regels opnemen in het omgevingsplan. Bescherming binnen de bebouwingscontour houtkap Houtopstanden waren tevens beschermd op grond van gemeentelijk regelgeving. Dit was vastgelegd in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) en soms ook een bomenverordening van de betreffende gemeente. De Omgevingswet heeft gevolgen voor de Algemene plaatselijke verordening (APV) en de bomenverordening. Het kappen van een boom wijzigt de fysieke leefomgeving. Regels over de activiteit kappen moeten dus naar het Omgevingsplan. Gemeenten kunnen zonder beperking in het Omgevingsplan regels stellen over houtopstanden binnen de bebouwingscontour houtkap en over de andere houtopstanden die in artikel 11.111, tweede lid Bal zijn genoemd (houtopstanden op erven en in tuinen, windschermen om boomgaarden etc.). Binnen de bebouwingscontour houtkap gelden namelijk uitsluitend de in het omgevingsplan gestelde regels over de kap van bomen (Stb. 2020, nr. 22, p. 157). Bij voorgenomen kap van houtopstanden dient daarom ook altijd gekeken te worden naar deze bepalingen. Mogelijk kan uit deze bepalingen volgen dat voor de kap van een houtopstand een omgevingsvergunning nodig is welke bij de gemeente moet worden aangevraagd.
blad 56 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
Bijlage 2 Methodiek
blad 57 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
Bijlage 2 Methodiek bureaustudie In deze bijlage wordt de methodiek beschreven die gehanteerd is tijdens het onderzoek naar de aanwezigheid en de toetsing van beschermde soorten, beschermde gebieden, beschermde houtopstanden en kansen voor natuurwaarden in het plangebied. Soortbescherming Het onderzoek naar beschermde soorten bestaat uit een bureaustudie, oriënterend terreinbezoek en effectbepaling. Bureaustudie Afbakening beschermde soorten In het bureauonderzoek is specifiek gekeken naar vogels (artikel 11.37 Bal) strikt beschermde soorten (artikel 11.46 Bal) en ‘andere’ beschermde soorten (artikel 11.54 Bal en Bijlage IX). Bij vogels is met name speciale aandacht geschonken aan vogelsoorten met jaarrond beschermd nest. Bij werkzaamheden in watergangen/waterwegen is specifiek aandacht geschonken aan soorten van het aquatisch milieu. Bij werkzaamheden aan gebouwen is specifiek aandacht geschonken aan gebouwbewonende soorten. In voorliggende toetsing worden geen conclusies getrokken wat betreft de verwachte aanwezigheid van Rode Lijst-soorten in (de directe omgeving van) het plangebied. Bronnen Om een beeld te krijgen van de verspreiding en het (mogelijk) voorkomen van beschermde soorten in en rond het plangebied, is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd 17.
Hierbij is nagegaan of er in de periode 2019-2024 beschermde soorten zijn aangetroffen in een straal van 1 km rondom het plangebied. De soortgegevens hebben daarom betrekking op de regio en niet specifiek op het plangebied. De resultaten van de bureaustudie geven een indicatie van de soorten die in het plangebied kunnen voorkomen.
Effectbepaling Aan de hand van de bevindingen uit het bureauonderzoek en de resultaten van het oriënterend terreinbezoek is bepaald of op voorhand (negatieve effecten op) beschermde soorten al dan niet kunnen worden uitgesloten en of vervolgstappen (soortgericht nader onderzoek) noodzakelijk zijn. Indien van toepassing is geadviseerd over de te volgen procedure in het kader van de natuurwetgeving. Beschermde gebieden In het kader van gebiedsbescherming zijn de volgende gebieden meegenomen: • Natura 2000-gebieden; • Natuurnetwerk Nederland (NNN); • Overige provinciaal beleid. Op basis van een bureaustudie is de ligging van de gebieden ten opzichte van het plangebied in beeld gebracht. Hiervoor is gebruik gemaakt van onder andere AERIUS-calculator (versie 2024.0.1) (Natura 2000-gebieden) en de provinciale website en/of digitale atlas (NNN, overig provinciaal beleid). Op basis van de ligging en de voorgenomen ontwikkeling is (indien relevant) een effectbepaling uitgevoerd. Voor de effectbepaling is gekeken naar directe effecten als gevolg van ruimtebeslag. Indien van toepassing zijn ook mogelijke indirecte effecten bekeken. Hierbij kan gedacht worden aan verstoring door geluid, licht en trillingen en optische verstoring. In het kader van Natura 2000-gebieden is ook gekeken naar mogelijk effecten door een toename aan stikstofdepositie.
Indien aan de orde is geadviseerd over de vervolgstappen en de te volgen procedure inzake de natuurwetgeving. Hierbij kan gedacht worden aan een voortoets of passende beoordeling t.b.v. Natura 2000gebieden. Of het doorlopen van een ‘nee, tenzij-procedure’ in het kader van mogelijke effecten op NNNgebieden.
17
Deze informatie is (deels) afkomstig uit de NDFF (december 2024) op basis van een abonnement van Antea Group en mag niet zonder toestemming van BIJ12 worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
blad 58 van 68
Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.
Beschermde houtopstanden Ow Op basis van het planvoornemen en de ligging van het plangebied is onderzocht of er onder de Ow beschermde houtopstanden aanwezig zijn binnen het plangebied. Hierbij is gebruik gemaakt van de door de initiatiefnemer aangeleverde informatie over het planvoornemen, recente luchtfoto’s en indien beschikbaar de begrenzing van de gemeentelijke bebouwde kom Ow. Indien onder de Ow beschermde houtopstanden aanwezig zijn in het plangebied, is getoetst of er sprake is van aantasting van beschermde houtopstanden. Indien er sprake is van aantasting van Ow beschermde houtopstanden is geadviseerd over de vervolgstappen en de te volgen procedure inzake de natuurwetgeving. In voorliggende rapportage is niet getoetst aan gemeentelijk beleid omtrent de kap van bomen en/of bosschages (bijv. APV, bestemmingsplannen, etc.). Kansen voor natuurwaarden in het plangebied Binnen een plan zijn vaak mogelijkheden/ kansen aanwezig voor het verhogen van de natuurwaarden (biodiversiteit). Indien dit van toepassing is op het voornemen, zijn hiervoor suggesties gedaan op basis van expert judgement.