CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.5 ecologisch onderzoek Bureaustudie zoekgebieden Windmolens Wageningen en Rhenen (Antea Group)

Raadsvergadering 27 mei 2025, gemeente RhenenBij agendapunt: Niet behandeld - Raadsvoorstel Geen vervolgonderzoek windenergie20.728 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen

projectnummer 0496929.100 definitief revisie 01 28 maart 2025

www.anteagroup.nl

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 definitief revisie 01 28 maart 2025

Auteur(s) R.T. Vermoolen L. de Jong

Opdrachtgever Pondera Consult B.V. Postbus 919 6800 AX Arnhem

Gecontroleerd S.G.T. Rinzema

Antea Group is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus

datum 28 maart 2025

beschrijving revisie 02

vrijgave S.G.T. Rinzema

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

Inhoudsopgave 1.

Inleiding

5

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Aanleiding & planvoornemen Doel Leeswijzer Beoordelingssystematiek Participatiesessies

5 7 7 7 7

2.

Effectbeschrijving en -beoordeling

9

2.1 2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5 2.3.6 2.3.7 2.3.8 2.3.9 2.3.10 2.3.11 2.3.12 2.4 2.4.1 2.4.2 2.4.3 2.4.4 2.4.5 2.4.6 2.4.7 2.4.8 2.4.9 2.5 2.5.1 2.5.2 2.6 2.7

Gebiedsbeschrijving Effectbepaling voornemen Soortbescherming Afbakening relevante soortgroepen Vogels Soortbescherming - nesten Gevoeligheid vogels voor windturbines (in de gebruiksfase) Scoretabel vogels Zoogdieren – vleermuizen Analyse vleermuizen Scoretabel Vleermuizen Overige beschermde soorten Analyse overige soorten Scoretabel overige soorten Zorgplicht Natura 2000 Beschrijving Natura 2000-gebieden Natura 2000 gebied Rijntakken Natura 2000 gebied Veluwe Natura 2000 gebied Binnenveld Natura 2000 gebied Kolland & Overlangbroek Analyse Natura 2000-gebieden Vogels (Broedvogels en Niet-Broedvogels) Meervleermuis Scoretabel Natura 2000-gebieden NNN Analyse NNN Scoretabel NNN Overig provinciaal beleid Beschermde houtopstanden

9 9 10 10 10 11 14 16 18 18 20 21 21 23 24 25 27 27 30 32 32 33 33 35 36 37 37 38 39 39

3.

Conclusie & advies

40

3.1 3.1.1 3.2 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.3

Soortbescherming Zorgplicht Gebiedsbescherming Natura 2000 NNN Overig provinciaal beleid Beschermde houtopstanden bebouwingscontour houtkap

40 42 43 43 45 45 46

Literatuurlijst

47

Bijlage 1 Wettelijk kader

49

Bijlage 2 Methodiek bureaustudie

58

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

Bijlage 3 Rode lijst soorten uit NDFF

61

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

1.

Inleiding

1.1

Aanleiding & planvoornemen De gemeente Wageningen en Rhenen onderzoeken of er mogelijkheden zijn om windturbines te plaatsen in de gemeenten. De gemeenten willen de milieu-impact van windenergie in beeld brengen en natuur is daar onderdeel van. Pondera is voor de gemeente Wageningen en Rhenen aan het onderzoeken wat de mogelijkheden zijn in de gemeentes. De zoekgebieden hiervoor betreffen acht aangewezen zoekgebieden in de gemeenten Wageningen (provincie Gelderland) en Rhenen (provincie Utrecht). Voor de te plaatsen windmolens wordt met twee typen referentieturbines rekening gehouden, zie onderstaande tabel. Tabel 1.1. Typen windturbines

Referentieturbine 1 2

Ashoogte 132 meter 165 meter

Rotordiameter 136 meter 170 meter

Tiphoogte 200 meter 250 meter

Of, wanneer en waar de windturbines precies geplaatst zullen worden en hoe lang de werkzaamheden zullen duren is nog niet bekend. Voor voorliggende bureaustudie wordt het uitgangspunt gehanteerd dat geen bebouwing wordt gesloopt. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met beschermde planten- en diersoorten en met beschermde gebieden. Er dient onderzocht te worden of het voornemen effect heeft op beschermde soorten, beschermde gebieden of houtopstanden (Omgevingswet (Ow), Natuurnetwerk Nederland (NNN) en overig (provinciaal) beleid). Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurwaarden (soorten, gebieden en/of houtopstanden). Er is daarom inzicht gewenst in de aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten die op deze beschermde natuurwaarden kunnen optreden door de ontwikkeling. Dit wordt verkend in deze bureaustudie. In de figuren 1.1 en 1.2 is de ligging van de acht zoekgebieden voor de windturbines weergegeven.

Figuur 1.1. Globale ligging van de acht zoekgebieden (groen omkaderd en genummerd) ten opzichte van de omgeving. Zoekgebied 2 en 6 bevinden zich zowel in de provincie Gelderland als de provincie Utrecht. Bron: Pondera, 2025.

blad 5 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

Figuur 1.2a. Ligging van de acht zoekgebieden met voorbeeldopstelling 1 met maximaal aantal (technisch) mogelijke windturbines met 200 m tiphoogte. Bron: Pondera 2025. Disclaimer: dit betekent niet dat deze opstelling ook als zodanig uitgevoerd gaat worden.

Figuur 1.2b. Ligging van de acht zoekgebieden met voorbeeldopstelling 2 met maximaal aantal (technisch) mogelijke windturbines met 250m tiphoogte. Bron: Pondera 2025. Disclaimer: dit betekent niet dat deze opstelling ook als zodanig uitgevoerd gaat worden.

blad 6 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

1.2

Doel Het doel van de bureaustudie is om een goed eerste beeld te krijgen van de (beschermde) natuurwaarden die in het plangebied en de (directe) omgeving aanwezig (kunnen) zijn. Op basis hiervan wordt getoetst of op de - in het kader van de Omgevingswet beschermde natuurwaarden - als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kunnen optreden. Daarnaast wordt ingegaan op de eventuele vervolgstappen die noodzakelijk zijn en een advies over het vervolg natuuronderzoek. Voorliggend document brengt de verschillen tussen de zoekgebieden in beeld, de keuze voor (het nader onderzoeken van) een zoekgebied is aan de gemeenten.

1.3

Leeswijzer De bureaustudie is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1 beschrijft de aanleiding van de bureaustudie en voorgenomen ontwikkeling; Hoofdstuk 2 beschrijft het gebied en toetst de (in de omgeving) aanwezige beschermde soorten, beschermde gebieden en houtopstanden aan de omgevingswet en overige beleidskaders. Hoofdstuk 3 bevat de conclusies en advies over de te nemen vervolgstappen. In bijlage 1 wordt het wettelijk kader beschreven. In bijlage 2 wordt de methodiek van voorliggende bureaustudie beschreven. In bijlage 3 wordt een overzicht gegeven van bekende waarnemingen van rode lijst soorten in het plangebied.

1.4

Beoordelingssystematiek In voorliggende rapportage wordt een ‘stoplichtmethode’ gehanteerd om een indicatie te geven van de risico’s per zoekgebied. De gebruikte kleuren hebben de volgende betekenis: • • •

Rood: grote risico’s verwacht, mogelijke ‘showstoppers’ voor het realiseren van windturbines binnen het zoekgebied. Oranje: Vervolgstappen en risico’s verwacht, maar deze risico’s staan de vergunbaarheid van het voornemen binnen het zoekgebied waarschijnlijk niet in de weg. Groen: Mogelijk vervolgstappen aan de orde, echter zijn de risico’s voor het voornemen ingeschat als ‘beperkt’

Ten behoeve van de beoordeling voor Natura 2000 is tevens gebruik gemaakt van beschikbare literatuur. Daar waar geen literatuurgegevens beschikbaar waren, is een grijze markering gebruikt. Vervolgens is de beoordeling per zoekgebied gedaan op basis van expert judgement. Bovenstaande beoordelingssystematiek is gebruikt voor alle natuurbeschermingskaders die in dit rapport worden behandeld. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de zwaarte van deze beoordelingssystematiek ook samenhangt met de zwaarte van het beschermingskader1.

1.5

Participatiesessies In de aanloop naar dit bureauonderzoek zijn twee participatiesessies georganiseerd. Voor deze sessies zijn lokale ecologen en belangengroepen uitgenodigd. Tijdens de eerste sessie, op 28 november 2024, is het doel van zowel het windonderzoek als het natuuronderzoek toegelicht. Daarnaast is een oproep gedaan om relevante input aan te leveren voor het bureauonderzoek. Hieraan is gehoor gegeven, waarbij onder andere de volgende documenten zijn aangeleverd: • Soorten vogels die mogelijk aanwezig zijn in/rondom de gebieden met korte beschrijving hoe ze gebied gebruiken inclusief foto materiaal; • Resultaten territoria weidevogels in Binnenveld; 1

Bijvoorbeeld: het beschermingskader voor Natura 2000 is Europees vastgelegd en weegt zwaarder dan provinciale/regionale wetgeving zoals Natuurnetwerk Nederland. blad 7 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

•

Bekende vliegroutes van vleermuizen.

Op 12 maart 2025 heeft de tweede participatiesessie plaatsgevonden. Tijdens deze sessie zijn de resultaten van het natuuronderzoek gepresenteerd en is toegelicht welke aangeleverde data wel of niet is gebruikt. Zo zijn de gegevens over de territoria van weidevogels en de vliegroutes van vleermuizen meegenomen in de beoordeling. De mogelijke aanwezigheid van vogelsoorten en de daarbij horende foto’s zijn niet zijn meegenomen in het onderzoek vanwege onvoldoende verifieerbaarheid van de waarnemingen op de locaties. Daarnaast zaten er bij deze soorten geen soorten die niet uit de bureaustudie (NDFF) naar voren gekomen zijn als aanwezige soort in de zoekgebieden in de afgelopen 5 jaar. Daarnaast kregen de ecologen en belangengroepen tijdens deze tweede sessie de gelegenheid om te reageren op de bevindingen van het bureauonderzoek. Deze feedback is meegenomen en verwerkt in het bureauonderzoek.

blad 8 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

2.

Effectbeschrijving en -beoordeling In paragraaf 2.1 wordt allereerst een gebiedsbeschrijving van het plangebied gegeven. Vervolgens wordt in paragraaf 2.2 de effectbepaling van het plan gegeven. In paragraaf 2.3 t/m paragraaf 2.7 wordt respectievelijk ingegaan op de aanwezigheid van en toetsing aan beschermde soorten onder de Omgevingswet (Ow), Natura 2000-gebieden, NNN, overig provinciaal beleid van de provincies Gelderland en Utrecht en beschermde houtopstanden onder de Ow. Indien blijkt dat een onderdeel van paragraaf 2.3 t/m paragraaf 2.7 niet relevant is voor voorliggend planvoornemen, vindt er geen toetsing van het voornemen aan de Omgevingswet (of ander relevant beleidskader) van dat onderdeel plaats.

2.1

Gebiedsbeschrijving De zoekgebieden liggen grotendeels in agrarisch gebied (zie figuur 1.1). Zoekgebied 1 ligt deels in uiterwaarden (waaronder de Wageningse Bovenpolder) en deels in bouwland. Zoekgebied 2 ligt in agrarische percelen in het Binnenveld (met name graslanden). Tevens stroomt hier de Grift (tevens gemeentegrens) door het zoekgebied. In het uiterste noorden is het zoekgebied begrensd binnen het natuurgebied de Binnenveldse Hooilanden. Zoekgebied 3 ligt tevens in het binnenveld en deels in stiltegebied en bestaat uit agrarische percelen (bouwland). Zoekgebied 4 betreft agrarische percelen ten noorden van de woonwijk Noordwest en de campus van Wageningen Universiteit (WUR). In deze percelen bevinden zich diverse proefvelden van de WUR. Zoekgebied 5 ligt grotendeels in natuurgebied waaronder de Blauwe Kamer, de Plasserwaarden de Manuswaard. Zoekgebied 6 ligt voor een groot deel in natuurgebied de Binnenveldse Hooilanden en in een stiltegebied. De grift stroomt door dit zoekgebied. Zoekgebieden 7 en 8 liggen in bosgebieden ten oosten van Wageningen die onderdeel uitmaken van het natuurgebied de Veluwe.

2.2

Effectbepaling voornemen De volgende activiteiten vinden plaats als gevolg van het planvoornemen 2 die een effect kunnen hebben op (het leefgebied van) (beschermde) soorten en beschermde gebieden: Aanlegfase: Er worden windturbines geplaatst; Er worden tijdelijk bouwterreinen aangelegd Er worden (tijdelijke) ontsluitingswegen aangelegd; Er wordt vegetatie verwijderd; Er worden mogelijk bomen gekapt; Er wordt mogelijk oppervlaktewater gedempt en/of verlegd; Er wordt (tijdelijke) verlichting geplaatst; Er is sprake van geluidsverstoring/optische verstoring en trillingen gedurende de werkzaamheden. In voorliggende rapportage wordt aangenomen dat geen bebouwing zal worden gesloopt ten behoeve van het voornemen en dat de windturbines niet op een (particulier) erf worden geplaatst. Gebruiksfase: Ingebruikname van de winturbines; Er is sprake van verstoring door o.a. geluid, slagschaduw en barrièrewerking; Er is kans op sterfte bij vogels en vleermuizen indien deze de windturbines naderen of hier tegenaan vliegen. De aanlegfase is tijdelijk, echter kan deze fase ook leiden tot lange termijn effecten indien bijvoorbeeld bomen worden gekapt en/of oppervlaktewater wordt gedempt en/of verlegd. Echter kan de omvang van dergelijke effecten pas bepaald worden indien de locatie van de windmolens nader gespecificeerd wordt.

Uitgangspunt is dat de aanlegfase in deze fase nog niet onderscheidend is voor de alternatievenafweging.

2

Het planvoornemen ligt nog niet volledig vast. Conform de juridische standaard wordt de term planvoornemen in voorliggend document gebruikt. blad 9 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

Uitgangspunt is dat de gebruiksfase (in deze fase) sturend is voor de alternatievenafweging, aangezien er in deze fase continu (wanneer de windmolens in gebruik zijn) risico is op effecten. Voorliggende rapportage gaat om deze reden voornamelijk in op de gebruiksfase. Daar waar mogelijk worden (potentiële) effecten in de aanlegfase ook meegewogen.

2.3

Soortbescherming In de onderstaande paragrafen worden per soortgroep de resultaten van het bureauonderzoek beschreven. Op basis van het bureauonderzoek wordt ingegaan op de mogelijk effecten die als gevolg van het planvoornemen op mogelijk aanwezige beschermde soorten kunnen optreden. Indien negatieve effecten op beschermde soorten niet zijn uit te sluiten, wordt geadviseerd over de te nemen vervolgstappen.

2.3.1

Afbakening relevante soortgroepen Op basis van de bureaustudie en een globale kernschets per gebied kan de aanwezigheid van specifieke soortgroepen vooralsnog niet worden uitgesloten. Voor aanwezige soort(groep)en kan sprake zijn van negatieve effecten. Voor vliegende soorten – vogels en vleermuizen – kunnen zowel tijdens de aanlegfase als de gebruiksfase effecten optreden. Vogels en vleermuizen kunnen aanvaringen hebben met de windturbines en er kan verlies en verstoring van leefgebied plaatsvinden (incluis barrièrewerking op vliegbewegingen tussen verschillende onderdelen van het leefgebied (verblijf- en rustplaatsen, foerageergebieden)). Voor overige soortgroepen worden effecten voornamelijk verwacht in de aanlegfase. In de navolgende paragrafen worden deze soortgroepen behandeld waarbij het onderscheid in deze effecten wordt meegewogen.

2.3.2

Vogels Aanlegfase In de aanlegfase is mogelijk sprake van verstoring van bestaande nesten indien deze zich nabij (binnen 75 meter afstand van) de werkzaamhedengebieden bevinden. Daarnaast kunnen nesten verloren gaan indien er sprake is van kap van nestbomen. In deze onderzoeksfase is de aanlegfase echter niet onderscheidend voor de alternatievenafweging. Gebruiksfase Uitgangspunt is dat de gebruiksfase (in deze fase) sturend is voor de alternatievenafweging, aangezien er in deze fase continu (wanneer de windmolens in gebruik zijn) risico is op effecten. De mate waarin dit risico optreedt, hangt af van diverse factoren: • Verschillende vogelsoorten hebben in meer of mindere mate kans om aanvaringsslachtoffer te worden, dit hangt onder andere samen met de vlieghoogte van de soort; • Daarnaast speelt het aantal en type verplaatsingen een rol (dagelijkse foerageervluchten en/of seizoensgebonden trekvluchten); •

Met behulp van kaarten van Sovon3 is bepaald welke gebieden een hoger of lager risico vormen voor aanvaringsslachtoffers o Deze kaarten zijn niet op soort terug te leiden, maar geven een overzicht van het totaal aantal vliegbewegingen, inclusief trekvluchten. Hierbij dient te worden opgemerkt dat op basis van de vogeltrekkaart geen onderscheid gemaakt kan worden tussen dagelijkse foerageervluchten en seizoenstrek. Ook zijn bijv. richting van de bewegingen niet uit de kaart af te leiden. o Hoe hoger de categorie, hoe meer vliegbewegingen en dus groter risico op aanvaringsslachtoffers. o Aanvullend is gebruik gemaakt van input van lokale experts die zijn uitgenodigd tijdens participatiemomenten.

Naast het risico op aanvaringen kunnen vogels in de gebruiksfase worden verstoord door windturbines (o.a. door geluid, slagschaduw). In de regel wordt er bij broedende niet-zangvogels tot 200 meter aangehouden waarbinnen verstorende effecten kunnen optreden, bij broedende zangvogels tot 50 meter (Smits et al., 2014). 3

Windenergie gevoeligheidskaarten | Sovon blad 10 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

Bij foeragerende niet-broedvogels wordt tot 600 meter aangehouden (Smits et al., 2014). In voorgenoemde afstanden zitten echter soort specifieke verschillen. Daarbij kan er sprake zijn van barrièrewerking; bij windparken beperkt tot tientallen turbines treedt dit meestal niet op (Krijgsveld et al., 2009), uitgezonderd vogelgroepen als eenden, ganzen en zwanen waarbij een klein aantal windturbines (met name in een lijnopstelling) al een barrière zouden kunnen vormen tussen slaapplaatsen en foerageerlocaties (Smits et al., 2014).

2.3.3

Soortbescherming - nesten In de navolgende passages wordt nader in gegaan op vogelsoorten die beschermd zijn vanuit de Ow soortbescherming. Het betreft vogels met een jaarrond beschermd nest en algemene broedvogels. Bij de bepaling van wel/geen soorten met een jaarrond beschermd nest zijn in categorie 2 Provincie Gelderland enkele soorten genoemd die essentieel leefgebied kunnen hebben binnen de zoekgebieden (en hiervan afhankelijk zijn/onvoldoende alternatieven hebben in de omgeving) en daardoor de verblijfplaatsen jaarronde bescherming genieten. Hierbij is gebruik gemaakt van het rapport ‘Broedvogels van het Binnenveld in 2021’ (Sovon, 2022). Soorten met een jaarrond beschermd nest (categorie 1 Provincie Gelderland) In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vogels met een jaarrond beschermd nest in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.1. Overzicht van waargenomen vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest in de omgeving van de zoekgebieden (met een straal van 1 km)(NDFF, 2020-2025). Soort Verspreiding/leefgebied Zoekgebied

Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

Broedt o.a. in het Binnenveld Wijd verspreid in agrarisch gebied Broedt in Wageningen Niet broedend aanwezig Broedt in bossen, ook langs de Rijn Wijd verspreid bij bebouwing Wijd verspreid in agrarisch gebied Wijd verspreid in agrarisch gebied Wijd verspreid, ook in Wageningen Kolonies in en nabij Wageningen Broedt in haven Wageningen Broedt in bossen/bosschages Wijd verspreid in agrarisch gebied Broedt (net) buiten plangebied Niet broedend aanwezig

1 X X X X X X X X X X X X X X X

2 X X X X X X X X X X X X X X X

3 X X X X X X X X X X X X X X X

4 X X X X X X X X X X X X X X X

5 X X X X X X X X X X X X X X X

6 X X X X X X X X X X X X X X X

7 X X X X X X

8 X X X X

X

X X X

X X X

Zoals blijkt uit de bureaustudie is een aantal vogelsoorten waargenomen in de zoekgebieden waarvan de broedplaatsen jaarrond beschermd zijn en waar bij verwijdering of aantasting van de vaste rust- en verblijfplaats, alsook bij wezenlijke aantasting van de functionele leefomgeving, altijd omgevingsvergunningsaanvraag flora- en fauna-activiteit moet worden aangevraagd. Dit zijn boombroedende soorten (zoals buizerd en ransuil), gebouwbroedende soorten (zoals huismus en gierzwaluw) en overige soorten (zoals grote gele kwikstaart en steenuil). Aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen alsook wezenlijke aantasting van de functionele leefomgeving van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten genoemd in tabel 2.1 (als broedend) is niet geheel op voorhand uitgesloten gedurende de aanleg- en gebruiksfase van het voornemen. Bij het concreet aanwijzen van locaties voor de te plaatsen windturbines, inclusief het werkzaamhedengebied daaromheen die benodigd is gedurende de aanleg, dient middels een Natuurtoets (inclusief terreinbezoek) nader beoordeeld te worden of vogelsoorten

blad 11 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

met jaarrond beschermde nesten daadwerkelijk in of nabij deze werklocaties verblijfplaatsen en/of overig essentieel functioneel leefgebied kunnen hebben. Indien dit het geval is, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden (conform de opgestelde kennisdocumenten van BIJ12; indien deze niet beschikbaar zijn voor de desbetreffende soort kunnen de inventarisatierichtlijnen van Sovon gevolgd worden) naar het precieze voorkomen en gebruik van de vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest binnen en nabij de beoogde werklocaties (afstand tot 75 meter rondom) en windturbinelocatie (afstand tot 200 meter). Indien essentieel leefgebied aanwezig is en dit in de aanleg- of gebruiksfase wordt aangetast, dient een vergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Vervolgstappen Om de aan- of afwezigheid van essentieel leefgebied van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten te kunnen bepalen in en nabij de werkzaamhedenlocaties van te plaatsen windturbines, dient een Natuurtoets uitgevoerd te worden. Uit de Natuurtoets kan blijken dat essentieel leefgebied mogelijk aanwezig is. Dit dient vervolgens aangetoond te worden door nader onderzoek.

Indien uit het nader onderzoek blijkt dat essentieel leefgebied aanwezig is en aantasting hiervan gedurende de aanleg- en gebruiksfase van het voornemen niet voorkomen wordt, dient een vergunning flora- en fauna-activiteit onder de Omgevingswet te worden aangevraagd. Soorten met een mogelijk jaarrond beschermd nest (categorie 2 Provincie Gelderland) In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vogels met een mogelijk jaarrond beschermd nest in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.2. Overzicht van waargenomen vogelsoorten met een mogelijk jaarrond beschermd nest in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2019-2024).

Soort Verspreiding/leefgebied Zoekgebied 1 2 3 4 5 6 7 8 Blauwe reiger Kolonies Blauwe Kamer/Plasserwaard X X X X X X Boerenzwaluw Wijd verspreid X X X X X X X X Bonte vliegenvanger Broedt in bossen en parken/tuinen X X X X X X X Boomklever Broedt in bossen en parken/tuinen X X X X X X X X Boomkruiper Broedt in bossen en parken/tuinen X X X X X X X X Bosuil Broedt in bossen en parken/tuinen X X X X X X X X Draaihals Niet broedend aanwezig X X X X X Gekraagde roodstaart Broedt in bossen en parken/tuinen X X X X X X Glanskop Broedt in bossen en parken/tuinen X X X X X Grauwe vliegenvanger Broedt in bossen en parken/tuinen X X X X X X X X Groene specht Wijd verspreid X X X X X X X X Grote bonte specht Wijd verspreid X X X X X X X X Grutto Broedt in Binnenveld X X X X X X Huiszwaluw Broedt in agrarisch gebied en haven Wageningen X X X X X X X IJsvogel Broedt in uiterwaarden en oevers Rijn X X X X X X Kleine bonte specht Broedt in bossen en parken X X X X X X X Kwartel Broedt in Binnenveld X X X X X X Middelste bonte specht Broedt in bossen en parken X X X X X X Nachtzwaluw Niet broedend aanwezig X X Oeverzwaluw Broedt in steile oevers Rijn X X X X X X Patrijs Broedt in Binnenveld X X X X X X Raaf Broedt in bossen oostzijde Wageningen X X X X X X X X Spreeuw Wijd verspreid X X X X X X X Tapuit Niet broedend aanwezig X X X X X X Torenvalk Wijd verspreid X X X X X X X X Tureluur

Broedt in Binnenveld X X X X X X Veldleeuwerik Broedt in Binnenveld X X X X X X X Velduil Niet broedend aanwezig X X X X Wulp Broedt in Binnenveld X X X X X X Zeearend Niet broedend aanwezig X X X X X X X X Zwarte kraai Wijd verspreid X X X X X X X X

blad 12 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

Soort

Verspreiding/leefgebied

Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht

Broedt in bossen oostzijde Wageningen Broedt in/bij bebouwing Broedt in bossen oostzijde Wageningen

Zoekgebied 1 2 3 4 X X X X X X X X X X

5 X X X

6

7 X

8 X

X

X

X

Nesten van de categorie 2-vogelsoorten provincie Gelderland zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit laatste kan van toepassing zijn voor de zoekgebieden. Categorie 2 soorten zoals grutto, huiszwaluw, patrijs, tureluur, veldleeuwerik, wulp en zwarte specht komen voor binnen de zoekgebieden (die liggen in de provincie Gelderland) en zijn zeldzaam in de omgeving en/of hebben onvoldoende nestgelegenheden in de omgeving. Derhalve zijn er zwaarwegende feiten en ecologische omstandigheden die jaarronde bescherming rechtvaardigen. De categorie 2-soorten vallen hierdoor niet onder de bescherming van algemene broedvogels maar onder categorie 1-vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Algemene broedvogels Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Ow (artikel 11.37 Bal). Indien nesten aanwezig zijn, mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet verwijderd of verstoord worden. Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door werkzaamheden niet uit te voeren in het broedseizoen (circa maart tot en met juli4) en indien concrete broedgevallen aanwezig zijn. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Omgevingswet aan de orde.

Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen om te werken dan dient het plangebied (waar de werkzaamheden plaatsvinden) vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een deskundig ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plangebied, kunnen locatie specifieke maatregelen worden voorgesteld en/of wordt het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest niet meer in gebruik is. Naast mogelijke effecten op broedvogels in de aanlegfase is er risico op mortaliteit van (broed)vogels in gebruiksfase. Deze worden in de volgende paragraaf behandeld. Vervolgstappen • Bij voorkeur werken buiten het broedseizoen (circa maart t/m juli); • Wanneer gewerkt wordt in het broedseizoen kunnen volgende maatregelen genomen worden: o Buiten het broedseizoen het plangebied ongeschikt maken door eventueel kappen van bomen en kortmaaien en houden van overige vegetatie; o Een alternatief is het opstarten van de werkzaamheden voorafgaande aan het broedseizoen en continueren in het broedseizoen; • Indien bovenstaande maatregelen niet mogelijk zijn, is een broedvogelcontrole noodzakelijk voorafgaand aan de werkzaamheden. •

4

Voor het broedseizoen wordt in het kader van de wet geen standaardperiode gehanteerd. Het broedseizoen is afhankelijk van klimatologische omstandigheden; dit houdt in dat het seizoen eerder dan wel later van start kan gaan en eerder dan wel later kan eindigen. Van belang is of er broedgevallen aanwezig zijn.

blad 13 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

2.3.4

Gevoeligheid vogels voor windturbines (in de gebruiksfase) In onderstaande figuren (figuur 2.1 t/m 2.3) is de door Sovon gemodelleerde en berekende gevoeligheid van vogels voor windturbines binnen de zoekgebieden weergegeven. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen in de zoekgebieden verblijvende vogels (broedvogels en niet-broedvogels) en overvliegende trekvogels die niet in de zoekgebieden verblijven. Op basis van de aanwezige gevoeligheidsklassen (tussen 1 en 100 voor de gevoeligheidskaarten broedvogels en niet-broedvogels waarbij 1 een weinig risico vormt voor aanwezigheid gevoelige soorten en 100 een groot risico vormt voor aanwezigheid gevoelige soorten; tussen 1 en 5 voor de gevoeligheidskaart trekvogels waarbij 1 laagste treksterkte aangeeft en 5 hoogste treksterkte) zijn zoekgebieden gescoord op gevoeligheid voor vogels voor windturbines (zie paragraaf 2.3.2.3).

Figuur 2.1. gevoeligheidskaart broedvogels en niet-broedvogels voor windturbines. Bron: Sovon, 2021.

blad 14 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

Figuur 2.2. gevoeligheidskaart broedvogels voor windturbines. Bron: Sovon, 2021.

Figuur 2.3. gevoeligheidskaart niet-broedvogels voor windturbines. Bron: Sovon, 2021.

blad 15 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

Figuur 2.4. gevoeligheidskaart trekvogels voor windturbines. De gevoeligheid voor trekvogels is landelijk verdeeld in categorie 1 t/m 5, waarbij categorie 5 de hoogste gevoeligheid aangeeft en categorie 1 de laagste gevoeligheid. Bron: Sovon, 2021.

2.3.5

Scoretabel vogels In onderstaande tabel zijn de mogelijke optredende effecten op vogels vanuit aantasting en verstoring tijdens de gebruiksfase gescoord in kleuren. In groen worden hooguit kleine effecten verwacht waar mitigerende maatregelen voor genomen kunnen worden. In oranje kunnen grotere effecten niet worden uitgesloten, afhankelijk ook van uitkomsten van benodigd nader onderzoek. In rood zijn zeer grote effecten niet uitgesloten, waarbij plaatsing van windturbines op voorhand geheel wordt ontraden. Voor de score vanuit de gevoeligheidskaarten is een arbitraire grens getrokken: bij broedvogels, niet broedvogels en broedvogels- niet-broedvogels gecumuleerd zijn de laagste vier gevoeligheidsklassen onder groen gescoord, de hoogste vier gevoeligheidsklassen onder oranje. Bij de gevoeligheidskaart trekvogels liggen alle zoekgebieden in de laagste gevoeligheidsklasse (1) en zijn daarmee niet onderscheidend. Tabel 2.3. Scoretabel vogels. Soortbescherming - Vogels

Zoekgebied 1 Nesten

2

3

4

5

6

7

8

Jaarrond beschermde nesten Algemene broedvogels Kans op sterfte/aanvaring Broedvogels Niet-broedvogels Broedvogels en niet-broedvogels (cumulatief) Trekvogels

blad 16 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

De gevoeligheidsklassen bevatten generieke, geïnterpreteerde en gemodelleerde data en zijn daarmee geen inschattingen over werkelijke sterftekansen door aanvaringen. Hiervoor is actuele informatie nodig over vliegbewegingen- en hoogten van specifieke soorten en aantallen waarbij concrete aanvaringsrisico’s en impact op lokale populaties in beeld worden gebracht, ook vanuit de verstorende werking van windturbines. Het aantal alsook de opstelling van de windturbines zal hierbij een effect hebben (een groot cluster of lange lijn kan een barrière vormen voor vliegroutes). Met de kans op vogelslachtoffers, dient het effect van de aanvaringen op de gunstige staat van instandhouding (GSVI) te worden beoordeeld. Dit wordt gedaan middels een mortaliteitstoets. Om effecten te beoordelen wordt het ORNIS-criterium gehanteerd (Kistenkas F., 2018). Dit criterium stelt dat wanneer sprake is van <1% van de jaarlijkse natuurlijke sterfte, er (voor de meeste soorten) geen negatief effect op de gunstige staat van instandhouding kan zijn. Deze 1%-norm dient bepaald te worden in een nader onderzoek. Hierbij dienen aantallen worden bepaald van vogels die zich in de omgeving van de geplande windturbines bevinden.

Daarbij dienen naast aantallen ook gedragingen van vogels worden betrokken, zoals vliegbewegingen en vlieghoogten van aanwezige vogelsoorten, zodat de inschatting gemaakt kan worden of er daadwerkelijk sprake is van mogelijke slachtoffers van betreffende soort(en). Bij (potentiële) effecten op soorten is een vergunning flora- en fauna-activiteit noodzakelijk. Om een vergunning te verkrijgen dient onderbouwd te kunnen worden dat geen sprake is van effecten op de gunstige staat van instandhouding van soorten. Vervolgstappen Nader onderzoek naar aantallen en gedragingen (vliegbewegingen en vlieghoogten) van aanwezige vogelsoorten op of nabij geplande windturbinelocaties en opstellen mortaliteitstoets.

blad 17 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

2.3.6

Zoogdieren – vleermuizen

2.3.7

Analyse vleermuizen Aanlegfase In de aanlegfase is mogelijk sprake van verstoring en/of aantasting van bestaande verblijfplaatsen indien bomen gekapt worden met voor vleermuizen geschikte holten om in te verblijven. In deze fase van het planvoornemen is de aanlegfase echter niet onderscheidend voor de alternatievenafweging. Gebruiksfase Uitgangspunt is dat de gebruiksfase (in deze fase) sturend is voor de alternatievenafweging, aangezien er in deze fase continu (wanneer de windmolens in gebruik zijn) risico is op effecten. De mate waarin dit risico optreedt, hangt af van diverse factoren: • Verschillende vleermuissoorten hebben in meer of mindere mate kans om aanvaringsslachtoffer te worden, dit hangt onder andere samen met de vlieghoogte van de soort; • Daarnaast speelt het aantal en type verplaatsingen een rol (dagelijkse foerageervluchten en/of seizoensgebonden trekvluchten) De inschatting van mogelijke effecten in de gebruiksfase op vleermuizen zijn per soort gescoord, zie de scoretabel in paragraaf 2.3.3.2. In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vleermuizen in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.4 Overzicht van waargenomen vleermuizen in de omgeving van de zoekgebieden (met een straal van 1 km) (NDFF, 2020-2025).

Soort Verspreiding/leefgebied Zoekgebied Beschermings regime 1 2 3 4 5 6 7 8 Artikel 11.46 Bal Baard-/Brandts vleermuis Franjestaart Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Kleine dwergvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Vale vleermuis Watervleermuis

Gebouw-/Boombewonend Gebouw-/Boombewonend Gebouwbewonend Gebouw-/Boombewonend Gebouwbewonend Gebouwbewonend Gebouwbewonend Boombewonend Gebouw-/Boombewonend Gebouwbewonend Gebouw-/Boombewonend

X X X X

X X X X

X X X X X X

X X X X

X X X X X X

X X X X X X X

X X X X X X X X X X

X

X

X X X X X X X X X X X

Voor vleermuizen zijn drie functies van het leefgebied te onderscheiden die van groot belang zijn. Dit zijn verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Foerageergebieden en vliegroutes zijn alleen beschermd als deze van essentieel belang zijn voor het functioneren van de verblijfplaats, zogenaamde essentiële foerageergebieden en essentiële vliegroutes. Deze drie onderdelen (verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en essentieel foerageergebied) worden hieronder nader beschouwd. Verblijfplaatsen Vleermuizen kunnen hun verblijfplaats in gebouwen of bomen (of beide) hebben. Gebouwbewonende vleermuizen verblijven met name in spouwmuren, onder dakbetimmering, achter boeiborden of op zolders. Boombewonende vleermuizen verblijven in gaten, holen of scheuren van voornamelijk grote bomen.

Binnen de zoekgebieden wordt geen bebouwing gesloopt. Hierdoor worden negatieve effecten op eventuele verblijfplaatsen in bebouwing op voorhand uitgesloten. In de zoekgebieden zijn bomen aanwezig, waardoor effecten als verstoring en/of aantasting op mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van boombewonende soorten niet op voorhand kunnen worden uitgesloten vanuit het voornemen. blad 18 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

Essentiële vliegroutes Vliegroutes van vleermuizen betreffen (vaak) lijnvormige elementen in het landschap die als verbinding tussen verblijfplaatsen en foerageergebied fungeren. Binnen de zoekgebieden 1 t/m 6 zijn diverse bomenrijen die van essentieel belang kunnen zijn om verblijfplaatsen met foerageergebieden te verbinden. Daarnaast bevinden zich overige lijnvormige elementen zoals de Grebbedijk (in zoekgebied 1) en de Grift (in zoekgebieden 2 en 3) die een essentiële functie kunnen hebben als vliegroute. Daarbij kan de Grebbedijk onderdeel uitmaken van een trekroute voor de ruige dwergvleermuis. In de zoekgebieden 1 t/m 6 zijn mogelijk essentiële vliegroutes, aanwezig, waardoor effecten als verstoring en/of aantasting op (essentiële) vliegroutes niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Essentieel foerageergebied Foerageergebied van vleermuizen betreft locaties waar vleermuizen hun voedsel verzamelen. Dit kunnen uiteenlopende gebieden zijn. Binnen alle zoekgebieden is foerageergebied aanwezig wat van essentieel belang kan zijn voor in de zoekgebieden en omgeving verblijvende vleermuizen. Effecten aanlegfase Aantasting en/of verstoring van verblijfplaatsen en vliegroutes alsook wezenlijke aantasting en/of verstoring van de functionele leefomgeving als foerageergebied is niet geheel op voorhand uitgesloten gedurende de aanlegfase van het voornemen.

Bij het concreet aanwijzen van locaties voor de te plaatsen windturbines, inclusief het werkzaamhedengebied daaromheen die benodigd is gedurende de aanleg, dient middels een natuurtoets (inclusief terreinbezoek) nader beoordeeld te worden of vleermuissoorten daadwerkelijk in of nabij deze werklocaties verblijfplaatsen en/of overig essentieel functioneel leefgebied kunnen hebben. Indien dit het geval is, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden (conform het vleermuisprotocol van de NGB) naar het precieze voorkomen van vleermuissoorten binnen en nabij de beoogde werklocaties. Indien essentieel leefgebied aanwezig is en dit in de aanlegfase wordt aangetast, dient een vergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd. Vervolgstappen Om de aan- of afwezigheid van essentieel leefgebied van vleermuissoorten te kunnen bepalen in en nabij de werkzaamhedenlocaties van te plaatsen windturbines, dient een natuurtoets uitgevoerd te worden. Uit de natuurtoets kan blijken dat essentieel leefgebied mogelijk aanwezig is. Dit dient vervolgens aangetoond te worden door nader onderzoek. Indien uit het nader onderzoek blijkt dat essentieel leefgebied aanwezig is en aantasting hiervan gedurende de aanlegfase van het voornemen niet voorkomen wordt, dient een vergunning flora- en fauna-activiteit onder de Omgevingswet te worden aangevraagd.

Effecten gebruiksfase Windturbines kunnen negatieve effecten hebben op vleermuizen vanwege het aanvaringsrisico. Het is onduidelijk of verstoring van foerageergebied en vlieg- en trekroutes door windturbines optreedt bij vleermuizen (Smits et al., 2014). Het aanvaringsrisico hangt af van de hoogte waarop vleermuizen vliegen. De meeste vleermuissoorten blijven onder de 30 meter (Limpens et al., 2001), uitgezonderd de in de zoekgebieden voorkomende laatvlieger en de rosse vleermuis. Met name de rosse vleermuis kan ver boven de 30 meter vliegen (Limpens et al., 2001), binnen het bereik van (het zog van) de rotorbladen van de referentietypen windturbines die beoogd zijn in het voornemen (laagste punt tip op 64 meter hoogte). Daarbij vliegt de rosse vleermuis ook boven open gebieden waar de windturbines in de zoekgebieden met name geplaatst zullen worden, de laatvlieger vliegt enkel bij windluw weer boven open gebied. Daarnaast kunnen soorten (ruige dwergvleermuis en rosse vleermuis) op trek langs kusten en rivieren een risico lopen op aanvaringen (Limpens et al., 2001). Dit risico zal met name langs de Nederrijn binnen de zoekgebieden 1 en 2 en in zoekgebied 6 plaats kunnen vinden. Op basis van de vlieghoogten tijdens foerageren en migreren zijn de zoekgebieden per vleermuissoort gescoord op mate van aanvaringsrisico (zie paragraaf 2.3.3.2).

blad 19 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

2.3.8

Scoretabel Vleermuizen In onderstaande tabel zijn de mogelijke optredende effecten op vleermuizen vanuit aantasting (aanvaringsrisico’s) gedurende de gebruiksfase gescoord in kleuren. In groen worden hooguit kleine effecten verwacht waar mitigerende maatregelen voor genomen kunnen worden. In oranje kunnen grotere effecten niet worden uitgesloten, afhankelijk ook van uitkomsten van benodigd nader onderzoek. In rood zijn zeer grote effecten niet uitgesloten, waarbij plaatsing van windturbines op voorhand geheel wordt ontraden. De bosvleermuis en tweekleurige vleermuis komen niet voor in de geraadpleegde informatie uit NDFF. Op basis van gegevens van lokale experts zijn deze soorten echter wel toegevoegd aan onderstaande tabel. Tabel 2.5. Scoretabel vleermuizen. Soortbescherming - Vleermuizen

Zoekgebied 1

2

3

4

5

6

7

8

Aanlegfase Diverse vleermuissoorten: Aantasting verblijfplaatsen, vliegroutes en/of foerageergebied Gebruiksfase Baard-/Brandts vleermuis Bosvleermuis Franjestaart Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Kleine dwergvleermuis Laatvlieger Meervleermuis Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Tweekleurige vleermuis Vale vleermuis Watervleermuis

Met de kans op vleermuisslachtoffers tijdens de gebruiksfase, dient het effect van de aanvaringen op de gunstige staat van instandhouding (GSVI) te worden beoordeeld. Hierbij dient de aanwezigheid (en aantallen) te worden bepaald van vleermuizen die zich in de omgeving van de geplande windturbines bevinden. Daarbij dienen naast aantallen ook gedragingen van vleermuizen te worden betrokken, zoals vliegbewegingen en vlieghoogten van aanwezige vleermuissoorten, zodat de inschatting gemaakt kan worden of er daadwerkelijk sprake is van mogelijke slachtoffers van betreffende soort(en). Ook hierbij wordt het ORNIS-criterium gehanteerd (zie toelichting bij onderdeel Vogels). Vervolgstappen Nader onderzoek naar aantallen en gedragingen (vliegbewegingen en vlieghoogten) van aanwezige vleermuissoorten op of nabij geplande windturbinelocaties en opstellen mortaliteitstoets.

blad 20 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

2.3.9

Overige beschermde soorten

2.3.10 Analyse overige soorten In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van overige soorten in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.6 Overzicht van waargenomen overige beschermde soorten in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2020-2025). Zoekgebied Beschermingsregime Art. 11.54 Art. Bal en Art. 11.54 Soort 1 2 3 4 5 6 7 8 11.46 Bal en Bijlage IX Bal Bijlage Vrijgestelde IX soorten Zoogdieren Aardmuis X X Bever X X X X X X X X Boommarter X X X X X X X Bosmuis X X X X X X Bunzing X X X X X Damhert X X X X X Das X X X X X X Dwergmuis X X X X X X X Dwergspitsmuis X X X Eekhoorn X X X X X X X X Egel X X X X X X X X Gewone bosspitsmuis X X Gewone zeehond X X Haas X X X X X X X X* X Hermelijn X X X X Huisspitsmuis X X X X X X Konijn X X X X X X X* X Ree X X X X X X X X X Rosse woelmuis X X X X X X X X Steenmarter X X X X X X Veldmuis X X X X X X X Vos X X X X X X X X X Wezel X X X X X X X X Woelrat X X X X X X Wolf X X X X Amfibieën Alpenwatersalamander X X X Bastaardkikker X X X X X X X Bruine kikker X X X X X X X X X Gewone pad X X X X X X X X X Heikikker X Kamsalamander X X Kleine X X X X X X X X watersalamander Meerkikker X X X X X Poelkikker X X X X X X Rugstreeppad X X X Reptielen Hazelworm X X X X X X X Levendbarende X hagedis Muurhagedis X X

blad 21 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

Zoekgebied Soort

Ringslang Zandhagedis

1

2

3

4

5

6

7

8

X

X

X

X

X

X

X X

X

Beschermingsregime Art. 11.54 Art. Bal en Art. 11.54 11.46 Bal en Bijlage IX Bal Bijlage Vrijgestelde IX soorten X X

Vissen Grote modderkruiper

X

X

X

X

X

X

Insecten Beekrombout Bosbeekjuffer Grote vos Grote weerschijnvlinder Kempense heidelibel Kleine ijsvogelvlinder Gevlekte witsnuitlibel Oostelijke witsnuitlibel Rivierrombout Sleedoornpage Teunisbloempijlstaart Vermiljoenkever Platte schijfhoren

X X X

X

X

X

X X

X X

X X

X

X

X

X

X

X X

X X

X

X X

X X X X X

X

X

X X

X X

X Kreeftachtigen en weekdieren X Zaadplanten, varens en bladmossen X X

Dreps X Groot spiegelklokje X X Grote leeuwenklauw X X Kartuizer anjer X X Kleine wolfsmelk X X Korensla X Naaldenkervel X Pijlscheefkelk X X Schubvaren X * In de provincie Utrecht zijn deze soorten niet meer vrijgesteld

X X X X X X X X X X X X X X X X X X

Zoals blijkt uit de bureaustudie is een groot aantal beschermde dier- en plantensoorten waargenomen in de zoekgebieden waar bij verstoring (enkel soorten vallend onder Art 11.46 Bal), verwijdering of aantasting van vaste verblijf- en/of groeiplaatsen, alsook bij eventuele aantasting van overige delen van het essentieel leefgebied, altijd een omgevingsvergunningsaanvraag flora- en fauna-activiteit moet worden aangevraagd. Aantasting van de vaste verblijf- en/of groeiplaatsen, alsook bij eventuele aantasting van overige delen van het essentieel leefgebied is niet geheel op voorhand uitgesloten gedurende de aanlegfase van het voornemen. Bij het concreet aanwijzen van locaties voor de te plaatsen windturbines, incluis het werkzaamhedengebied daaromheen dat benodigd is gedurende de aanleg, dient middels een natuurtoets (inclusief terreinbezoek) nader beoordeeld te worden of beschermde dier- en plantensoorten daadwerkelijk in of nabij deze werklocaties verblijfplaatsen en/of overig essentieel leefgebied kunnen hebben. Indien dit het geval is, dient nader onderzoek uitgevoerd te worden (conform de opgestelde kennisdocumenten van BIJ12; indien deze niet beschikbaar zijn voor de desbetreffende soort kunnen overige soortprotocollen zoals die van het Netwerk Groene Bureaus gevolgd worden) naar het precieze voorkomen en gebruik van de beoogde werklocaties door beschermde soorten.

Indien essentieel leefgebied aanwezig is en dit wordt aangetast, dient een vergunning flora- en fauna-activiteit te worden aangevraagd.

blad 22 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

Vervolgstappen Om de aan- of afwezigheid van essentieel leefgebied van dier- en plantensoorten te kunnen bepalen in en nabij de werkzaamhedenlocaties van te plaatsen windturbines, dient een Natuurtoets uitgevoerd te worden. Uit de Natuurtoets kan blijken dat essentieel leefgebied mogelijk aanwezig is. Dit dient vervolgens aangetoond te worden door nader onderzoek. Indien uit het nader onderzoek blijkt dat essentieel leefgebied aanwezig is en aantasting hiervan gedurende de aanlegfase van het voornemen niet voorkomen wordt, dient een vergunning flora- en fauna-activiteit onder de Omgevingswet te worden aangevraagd. Mogelijk zijn mitigerende en/of compenserende maatregelen aan de orde. Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen Er is binnen de zoekgebieden biotoop aanwezig voor diverse algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten (zoals diverse muizen, ree, vos, diverse soorten kikkers, etc.). Door de voorgenomen werkzaamheden kunnen negatieve effecten op deze soorten optreden. Binnen de provincies Utrecht en Gelderland geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Dit houdt in de negatieve effecten zo veel als mogelijk dienen te worden voorkomen dan wel beperkt.

In paragraaf 2.3.5 wordt nader ingegaan op maatregelen die in het kader van de zorgplicht genomen kunnen worden.

2.3.11 Scoretabel overige soorten In onderstaande tabel zijn de mogelijke optredende effecten op beschermde soorten vanuit aantasting en/of verstoring (enkel soorten vallend onder Art 11.46 Bal) gedurende de gebruiksfase gescoord in kleuren. In groen worden hooguit kleine effecten verwacht waar mitigerende maatregelen voor genomen kunnen worden. In oranje kunnen grotere effecten niet worden uitgesloten, afhankelijk ook van uitkomsten van benodigd nader onderzoek. In rood zijn zeer grote effecten niet uitgesloten, waarbij plaatsing van windturbines op voorhand geheel wordt ontraden. Tabel 2.7. Scoretabel overige beschermde soorten. Soortbescherming – Overige soorten

Zoekgebied 1

2

3

4

5

6

7

8

Mogelijke effecten in de aanlegfase

blad 23 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

2.3.12 Zorgplicht In het plangebied kunnen diverse vrijgestelde soorten (zoals muizen, ree, vos, diverse soorten kikkers, etc.) aanwezig zijn. Deze soorten vrijgesteld van de vergunningsplicht voor de Omgevingswet (Ow) in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is de zorgplicht van toepassing. Zo moet een initiatiefnemer een beeld hebben van de (bijzondere) natuurwaarden op en nabij het plan- of projectgebied. In het kader van de specifieke zorgplicht dient een initiatiefnemer in het geval van verslechterende effecten actief te anticiperen op het voorkomen of verzachten van deze effecten. Onder de Ow dient onder andere extra aandacht besteed te worden aan soorten van de Rode Lijsten. Provincies kunnen onder de Ow beleidskaders opstellen over hoe en met welke soorten (van de Rode Lijsten) rekening dient te worden gehouden in het kader van de zorgplicht. Vooralsnog zijn deze aanvullende beleidskaders nog niet opgesteld. In de voorliggende rapportage is daarom gekozen voor het opnemen van waarnemingen van de Rode Lijst soorten in de NDFF in het plangebied. De Rode Lijst soorten waarvan waarnemingen in de NDFF bekend zijn, zijn opgenomen in Bijlage 3. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden.

Door het uitvoeren van een aantal zorgplicht gerelateerde maatregelen, wordt voldaan aan de zorgplicht en kan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten worden gegarandeerd. Maatregelen waaraan gedacht kan worden bij de invulling van de zorgplicht bij voorliggend planvoornemen zijn weergegeven in tabel 2.8. Tabel 2.8. Voorbeelden van zorgplicht gerelateerde maatregelen voor soorten. Soort(groep) Maatregel Grondgebonden zoogdieren (alle Voorafgaand aan de werkzaamheden de vegetatie in het plangebied kort soorten) maaien Amfibieën en vissen Werken in de richting van een vluchtmogelijkheid bij het dempen van een watergang Planten Voorkomen dat de standplaatsen worden aangetast door groeiplaatsen te markeren Zoogdieren (vos) Werken buiten de kwetsbare periode van voortplanting, handmatig vrijgaven van de vossenburcht.

blad 24 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

2.4

Natura 2000 Gezien de ligging van de zoekgebieden ten opzichte van Natura 2000-gebieden zijn mogelijk effecten aan de orde. Effecten op Natura 2000 kunnen op verschillende manieren optreden. Hierbij kan een onderscheid gemaakt worden tussen directe en indirecte effecten. Afhankelijk van de bron, betreffen dit tijdelijke of permanente effecten. Navolgende passages geven een beknopte analyse van Natura 2000-gebieden die binnen 25 kilometer van de zoekgebieden gelegen liggen5. Directe effecten: Dit betreffen effecten zoals: • • •

Ruimtebeslag; Versnippering; Verandering van bodemdichtheid.

Deze effecten kunnen optreden indien sprake is van plaatsing van windmolens of werkterreinen in Natura 2000gebieden. Indirecte effecten: Indirecte effecten kunnen op verscheidene manieren plaatsvinden, waardoor er weliswaar geen sprake is van activiteiten en/of werkzaamheden binnen Natura 2000-gebied, maar wel verstoring optreedt in de directe omgeving die doorwerkt op het Natura 2000-gebied. Enkele voorbeelden hiervan zijn: • • •

verzuring en/of vermesting door stikstofdepositie verstoring door geluid, trilling, optische- en/of mechanische verstoring verandering in populatiesamenstelling

Verstoringen in de aanlegfase zijn tijdelijk van aard. Echter kan er door de ingebruikname van de windmolens ook sprake zijn van permanente effecten. Zo kunnen permanente effecten optreden wanneer er sprake is van aanvaringsslachtoffers onder soorten die aangewezen zijn, verstoring van leefgebieden en barrièrewerking tussen leefgebieden. Wanneer er sprake is van een groot aantal aanvaringsslachtoffers onder aangewezen soorten, kan dit lange termijn effecten hebben op de populatiesamenstelling van diverse soorten in het desbetreffende Natura-2000 gebied. Een dergelijk risico is voornamelijk aan de orde voor vogels en vleermuizen (zie ook paragrafen 2.3.2 en 2.3.3). Voor zowel Natura 2000 gebied Rijntakken als Veluwe zijn een of meerdere vogel- en vleermuissoorten aangewezen. Daarnaast zijn binnen een straal van 25 kilometer van de zoekgebieden de Natura 2000-gebieden Kolland & Overlangbroek en Binnenveld aanwezig. Deze laatstgenoemde Natura 2000-gebieden betreffen Habitatrichtlijngebieden waarvoor geen vogel- en vleermuissoorten zijn aangewezen. Zie figuur 2.5 voor de ligging van Natura 2000-gebieden ten opzichte van de zoekgebieden.

5

De afstand waarop effecten kunnen plaatsvinden, hangt af van de storingsfactor. Effecten door stikstofdepositie kunnen op een relatief grote afstand van de bron plaatsvinden. In het rekenprogramma AERIUS wordt hiervoor een maximale afstand van 25 kilometer gehanteerd. Zodoende wordt in navolgende analyse ook uitgegaan van deze afstand. blad 25 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

Figuur 2.5. Ligging Natura 2000-gebieden in de omgeving van de zoekgebieden. Binnen een straal van 25 kilometer komen de volgende Natura 2000-gebieden voor: Rijntakken, Veluwe, Binnenveld, Kolland &Overlangbroek. Bron: AERIUS-calculator, versie 2024.

Tabel 2.9 geeft een overzicht van de ligging van de zoekgebieden ten opzichte van de diverse Natura 2000gebieden in de omgeving. Tabel 2.9. Zoekgebieden en de minimale afstand (in kilometers) tot Natura 2000-gebieden. Zoekgebied

Rijntakken

Veluwe

Binnenveld

Kolland & Overlangbroek

1

0

1,8

6,0

14,1

2

0,3

2.9

3,3

11,7

3

2,7

3,8

1,9

12,6

4

2,7

1,6

2,8

13,9

5

0

4,5

5,9

12,0

6

2,8

4,6

0,9

11,1

7

0,5

0

7,3

18,1

8

2,7

0

7,6

19,0

blad 26 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

Vervolgstappen • Voor alle zoekgebieden geldt dat binnen maximaal 2 kilometer afstand van het zoekgebied een (of meerdere) Natura 2000-gebied aanwezig is. Om de kans op significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden te kunnen beoordelen, dient een voortoets (overige storingsfactoren) te worden opgesteld. De daadwerkelijke noodzaak hiervoor is mede afhankelijk van de plaatsing van de turbines binnen het zoekgebied. •

2.4.1

Er dient een AERIUS-berekening voor de aanlegfase te worden opgesteld. Indien sprake is van een toename in stikstofdepositie, dient een ecologische voortoets stikstof te worden opgesteld.

Beschrijving Natura 2000-gebieden In de navolgende passages worden de instandhoudingsdoelstellingen van de in paragraaf 2.4 genoemde Natura 2000-gebieden opgesomd.

2.4.2

Natura 2000 gebied Rijntakken Het Natura 2000-gebied Rijntakken is aangewezen als Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied. Onderstaand zijn de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied weergegeven. Habitattypen Tabel 2.10. Aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebied Rijntakken. Habitattype

Habitatsubtype

Oppervlak te

Kwalite it

Relatieve bijdrage

Kernopga ve

H3150 - Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden

>

>

C

3.06

H3260B - Beken en rivieren met waterplanten

>

=

B

3.02,W

H3270 - Slikkige rivieroevers

>

>

H6120* - Stroomdalgraslanden

>

>

A3

grote fonteinkruiden

3.04,W 3.13,SG

H6430A - Ruigten en zomen

moerasspirea

=

=

C

H6430B - Ruigten en zomen

harig wilgenroosje

=

=

C

H6430C - Ruigten en zomen

droge bosranden

>

>

C

H6510A - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden

glanshaver

>

>

A1

3.13,SG

H6510B - Glanshaver- en vossenstaarthooilanden

grote vossenstaart

>

>

C

3.09,W

>

>

C

H9120 - Beuken-eikenbossen met hulst H91E0A* - Vochtige alluviale bossen

zachthoutooibossen

=

>

B2

3.07,W

H91E0B* - Vochtige alluviale bossen

essen-iepenbossen

>

>

B2

3.07,W

H91E0C* - Vochtige alluviale bossen

beekbegeleidende bossen

=

=

B1

>

>

A3

H91F0 - Droge hardhoutooibossen

3.14

blad 27 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

Habitatrichtlijnsoorten Tabel 2.11. Aangewezen habitatrichtlijnsoorten in Natura 2000-gebied Rijntakken. Soort

Populatie

Omvang leefgebied

Kwaliteit leefgebied

Relatieve bijdrage

H1095 - Zeeprik

>

>

>

C

H1099 - Rivierprik

>

>

>

C

H1102 - Elft

>

=

=

C

H1106 - Zalm

>

=

=

C

H1134 - Bittervoorn

=

=

=

C

H1145 - Grote modderkruiper

>

>

>

H1149 - Kleine modderkruiper

=

=

=

H1163 Beek/Rivierdonderpad

=

=

=

H1166 - Kamsalamander

>

>

>

H1318 - Meervleermuis

=

=

=

C

H1337 - Bever

>

=

>

A1

H1355 - Otter

Kernopgaven

Geen doelstellingen geformuleerd, enkel aanmelding

Broedvogels Tabel 2.12. Aangewezen broedvogels in Natura 2000-gebied Rijntakken. Soort

Aantal broedparen

Omvang leefgebied

Kwaliteit leefgebied

Relatieve bijdrage

Kernopgave n

A004 - Dodaars

45

=

=

C

A017 - Aalscholver

660

=

=

C

A021 - Roerdomp

20

>

>

B1

A022 - Woudaap

20

>

>

B2

A119 Porseleinhoen

40

>

>

B1

3.12,W

A122 Kwartelkoning

160

>

>

B2

3.12,W

A153 - Watersnip

17

=

=

C

A197 - Zwarte stern

240

=

=

B1

A229 - IJsvogel

25

=

=

C

A249 - Oeverzwaluw

680

=

=

B1

A272 - Blauwborst

95

=

=

C

A298 - Grote karekiet

70

>

>

B1

3.08,SG,SB, W

3.06

3.08,SG,SB, W

blad 28 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

Niet-broedvogels Tabel 2.13. Aangewezen niet-broedvogels in Natura 2000-gebied Rijntakken. Soort

Popul atie

Populatie waarde

Instandhoudingsdoelst elling

Omvang leefgebied

Kwaliteit leefgebied

Relatieve bijdrage

Kernop gaven

A005 - Fuut

570

gemiddeld e

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

B1

A017 Aalscholver

1300

gemiddeld e

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

B1

A037 - Kleine zwaan

100

gemiddeld e

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

C

3.10

A038 - Wilde zwaan

30

gemiddeld e

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

B2

3.10

A041 Kolgans

3540 0

gemiddeld e

Foerageergebied

=

=

A1

A041 Kolgans

1801 00

maximum

Slaap- en rustplaats

=

=

A043 Grauwe gans

8300

gemiddeld e

Foerageergebied

=

=

A043 Grauwe gans

2150 0

maximum

Slaap- en rustplaats

=

=

3.10

A045 Brandgans

5200

maximum

Slaap- en rustplaats

=

=

3.10

A045 Brandgans

920

gemiddeld e

Foerageergebied

=

=

C

A048 Bergeend

120

gemiddeld e

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

B2

A050 - Smient

1790 0

gemiddeld e

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

B2

3.10; 3.12,W

A051 Krakeend

340

gemiddeld e

Foerageergebied

=

=

C

3.12,W

A052 Wintertaling

1100

gemiddeld e

Foerageergebied

=

=

C

3.12,W

A053 - Wilde eend

6100

gemiddeld e

Foerageergebied

=

=

C

3.12,W

A054 Pijlstaart

130

gemiddeld e

Foerageergebied

=

=

C

3.12,W

A056 Slobeend

400

gemiddeld e

Foerageergebied

=

=

C

3.12,W

A059 Tafeleend

990

gemiddeld e

Foerageergebied

=

=

B1

3.12,W

A061 Kuifeend

2300

gemiddeld e

Foerageergebied

=

=

C

3.12,W

A068 Nonnetje

40

gemiddeld e

Foerageergebied

=

=

B1

3.12,W

A125 Meerkoet

8100

gemiddeld e

Foerageergebied

=

=

B2

A130 Scholekster

340

gemiddeld e

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

C

A140 Goudplevier

140

gemiddeld e

Foerageergebied

=

=

C

A142 - Kievit

8100

gemiddeld e

Foerageergebied

=

=

B2

3.10 B2

3.12,W

3.12,W

blad 29 van 68

Bureaustudie zoekgebieden windmolens Wageningen en Rhenen projectnummer 0496929.100 28 maart 2025 revisie 01 Pondera Consult B.V.

2.4.3

Soort

Popul atie

Populatie waarde

Instandhoudingsdoelst elling

Omvang leefgebied

Kwaliteit leefgebied

Relatieve bijdrage

Kernop gaven

A151 Kemphaan

1000

maximum

Foerageergebied

=

=

B1

A156 - Grutto

690

gemiddeld e

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

C

3.12,W

A160 - Wulp

850

gemiddeld e

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

C

3.12,W

A162 Tureluur

65

gemiddeld e

Slaap- en rustplaats en foerageergebied

=

=

C

3.12,W

A702 Toendrarietga ns

2800

maximum

Slaap- en rustplaats

=

=

A702 Toendrarietga ns

125

gemiddeld e

Foerageergebied

=

=

C

Natura 2000 gebied Veluwe Het Natura 2000-gebied Veluwe is aangewezen als Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijngebied. Onderstaand zijn de instandhoudingsdoelstellingen van dit gebied weergegeven. Habitattypen Tabel 2.14. Aangewezen habitattypen in Natura 2000-gebied Veluwe. Habitattype

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15455505/1