CConstaterende datRhenen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1.2 Toelichting bestemmingsplan ¿Vissersweg 44 te Elst (Ut.)¿

Raadsvergadering 9 november 2021, gemeente RhenenBij agendapunt: Raadsvoorstel Ongewijzigd vaststellen bestemmingsplan Vissersweg 44 te Elst13.005 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Omdat de bedrijfsschuur enkele aanpassingen behoeft om het geschikt te maken als woning is een quickscan flora en fauna uitgevoerd (Blom Ecologie, BE/2020/783/r, d.d. 6 november 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). Navolgend zijn de conclusies hiervan opgenomen. Soortenbescherming De planlocatie heeft mogelijk een functie voor huismussen en vleermuizen. Tijdens de inwendige verbouwing dient verstoring dan ook voorkomen te worden. Dit is bij de geplande verbouwing het geval; er zijn geen ingrepen aan de gevel of het dak voorzien. Er worden vanuit het Bouwbesluit immers geen

26

aanvullende eisen aan een verbouwing ten behoeve van een functiewijziging gesteld. Bij een bestaand gebouw wordt het rechtens verkregen niveau voor de meeste aspecten, waaronder de energieprestatie, als uitgangspunt genomen. Het pand beschikt in de huidige situatie over isolatie die geschikt is voor de beoogde woonfunctie: het dak is voorzien van geïsoleerde dakplaten en ook de spouwmuur is geïsoleerd. De twee openslaande deuren aan de zij- en achtergevel worden van glas voorzien, maar verder blijft de schuur ongewijzigd. De mogelijke functie voor huismussen en vleermuizen blijft daarmee in stand. Als er in de toekomst toch werkzaamheden uitgevoerd worden die mogelijk tot verstoring van huismussen en vleermuizen kunnen leiden, dient alvorens de werkzaamheden aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Voorts is de planlocatie mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake.

Een AERIUS-berekening, Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Houtopstanden Binnen de beoogde ontwikkeling zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Een meldingsplicht in het kader van de Wnb is niet van toepassing. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits vervolgstappen in acht worden genomen, niet tot overtreding van soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, kolonisatie door rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

4.8 Cultureel erfgoed In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin overgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Archeologie De gronden van het plangebied zijn aangeduid met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Dit betekent dat bij bouwactiviteiten groter dan 100 m² en graafwerkzaamheden dieper dan 30 cm archeologische onderzoek uitgevoerd moet worden. Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart hebben de gronden van het plangebied een 'hoge archeologische verwachting'.

De beleidsdoelstelling voor deze categorie is archeologisch vooronderzoek om vast te stellen of er sprake is van behoudenswaardige archeologische waarden. Op onderstaande afbeelding staat een uitsnede van de gemeentelijke archeologische beleidskaart weergegeven.

27

Archeologische beleidskaart Rhenen, plangebied zwart omkaderd (bron: Geoloket ODRU)

Met voorliggend plan zijn geen bodemingrepen gemoeid. De voorgeschreven oppervlakte en diepte zullen dan ook niet overschreden worden. Archeologisch onderzoek is niet aan de orde. Cultuurhistorie In het plangebied bevinden zich geen rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten. De locatie betreft een bedrijfsperceel waar geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig zijn. Er zijn tevens geen historisch waardevolle bomen in het plangebied aanwezig.

4.9 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

4.9.1 Generiek beleid Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes(drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

28

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterbeleid gemeente Rhenen De gemeente Rhenen heeft haar waterbeleid vastgesteld in een verbreed gemeentelijk rioleringsplan plus (2015-2019). In het vGRP+ is ook het waterplan “een berg mooi water” van de gemeente Rhenen geëvalueerd en opgenomen. In het vGRP+ streeft de gemeente naar:

• • •

bescherming van de volksgezondheid; een goede leef- en werkomgeving; bescherming van het milieu.

Dit doet de gemeente door te voldoen aan haar wettelijke zorgplichten:

• • •

het afvalwater op te vangen en te vervoeren; het afvloeiend hemelwater op te vangen en te bergen; het nemen van maatregelen als er sprake is van structurele grondwateroverlast.

Concreet betekent dit dat er gewerkt wordt aan een duurzaam rioolstelsel waarbij het afkoppelen van hemelwater en infiltratie in de bodem centraal staat. Daarnaast hanteert de gemeente Rhenen haar gidsprincipes die in het waterplan zijn uitgewerkt. Een deel van deze gidsprincipes hebben een directe relatie met de ruimtelijke ordening en worden hieronder weergegeven:

• •

water is mede bepalend voor de ruimtelijke ordening;

• • • • •

afvoeren; zelfregulerende robuuste watersystemen;

het waterkwantiteitsbeheer is gericht op water vasthouden, zonodig bergen en pas in laatste instantie;

optimale functieverweving van oppervlaktewateren (zoals recreatief medegebruik); altijd goed en veilig drinkwater; efficiënt en effectief (her)gebruik van water.

4.9.2 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Waterkoers 2016-2021 Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden heeft haar ambities en lange termijn visie vastgelegd in het waterbeheerplan 'Waterkoers 2016-2021'. De Waterkoers is een koersdocument om te sturen op hoofdlijnen met als overkoepelend doel Samen werken een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. In de

29

Waterkoers wordt op een niet-planmatige manier over het waterschapswerk gesproken. Waterschapswerk is hierbij breder dan enkel beheer van water. Water is een belangrijke pijler van een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. Vanuit die achtergrond werkt het Hoogheemraadschap samen met de ruimtelijke ordening aan bescherming tegen overstromingen, een gezond grond- en oppervlaktewatersysteem en het zuiveren van afvalwater. Voor ruimtelijke ontwikkelingen geldt het principe van ruimtelijke adaptatie:

• •

De bebouwde omgeving is in 2050 nog steeds aantrekkelijk om te leven. Uiterlijk in 2020 zijn ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig opgebouwd en getoetst.

Het minimale uitgangspunt voor planontwikkelingen is dat het plan hydrologisch neutraal moet worden ontwikkeld met als doel geen gevolgen voor de waterveiligheid, het grond- en oppervlaktewater en de waterkwaliteit en ecologie. Daarmee wordt geborgd dat de ontwikkeling van het gebied met betrekking tot wateraspecten duurzaam is. Ruimtelijke adaptatie Het klimaat verandert. Hogere temperaturen, een sneller stijgende zeespiegel, nattere winters, heftigere buien en kans op drogere zomers. Daar moeten we, ook volgens het KNMI, in de toekomst in Nederland rekening mee houden. De verwachting van het KNMI is dat het klimaat in Nederland in 2050 ongeveer overeen zal komen met het huidige klimaat in Zuid-Frankrijk. Maar ook nu al is de klimaatverandering merkbaar. Extreme neerslag, droogte en hitte kunnen leiden tot maatschappelijke ontwrichting. Dit geeft aanleiding om aanpassing van de inrichting van de bebouwde omgeving aan het veranderende klimaat te agenderen en aan te werken. Dit beleid is vorig jaar vastgelegd in de Deltabeslissing voor Nederland. In de deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie heeft het Deltaprogramma voorstellen opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Klimaatverandering heeft effecten op grote schaal maar ook op de kleine schaal van een stad.

Door de toenemende hoeveelheid verharding in steden wordt het steeds moeilijker om water makkelijk weg te krijgen. Door het grootschalig verharden van tuinen van particulieren neemt de kans op wateroverlast toe. Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor. De Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft als doel:

• •

De bebouwde omgeving is in 2050 nog steeds aantrekkelijk om te leven; Uiterlijk in 2020 zijn ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig opgebouwd en getoetst.

4.9.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek In het kader van de watertoets en de Handreiking watertoets HDSR dienen de verschillende wateraspecten in een ruimtelijk plan aan bod te komen. Navolgend worden deze aspecten behandeld. Watercompensatie Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden schrijft voor dat bij een toename van 1.000 m² aan verharding er 10% aan oppervlaktewater gecompenseerd dient te worden. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van ca. 1.970 m² en is deels verhard. Met de realisatie van de omzetting van de bedrijfsschuur naar

30

burgerwoning gaat geen toename aan verharding gemoeid, waardoor compenserende maatregelen niet noodzakelijk zijn. Er wordt voldaan aan het 'stand-still beginsel'. Oppervlaktewater In het plangebied liggen geen belangrijke oppervlaktewateren (zogenaamde primaire of A-watergangen), waterkeringen of gebieden die zijn aangewezen voor regionale waterberging. Dit betekent dat dit plan geen essentiële waterbelangen raakt. Grondwater Het waterschap adviseert om voorafgaand aan de ontwikkeling een goed beeld te krijgen van de heersende grondwaterstanden. Eventuele grondwateroverlast is in eerste instantie een zaak voor de betreffende perceeleigenaar. Voorliggend plan heeft geen effect op het grondwater, doordat het niet gepaard gaat met graafwerkzaamheden. Daarnaast geldt er in het plangebied geen peilbesluit. Waterafvoer De hemelwaterafvoer zal afgekoppeld worden van het gemeentelijk riool en zoveel mogelijk vastgehouden in het plangebied. Daarbij wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. De vuilwaterafvoer wordt aangesloten op het gemeentelijk riool. Conclusie Met voorliggend plan worden geen waterbelangen geschaad; het plan is uitvoerbaar in het kader van het aspect water.

4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Het voorgenomen plan voorziet in het feitelijk toevoegen van een woning en het stopzetten van een kwekerij. Er wordt beoogd beide woningen van een eigen aansluiting op de Vissersweg te voorzien. De verkeersgeneratie van de toekomstige situatie staat weergegeven in navolgende tabel. Inrichting

aansluiting CROW

vrijstaande woning totaal

koop, huis, vrijstaand

norm (rest bebouwde aantal kom, weinig stedelijk) 8,2 2

totaal 16,4 16,4

Uitgaande van een kwekerij met een bvo van 350 m² (bvo bedrijfsschuur) komt de verkeersgeneratie van de huidige situatie uit op het volgende.

31

Inrichting

aansluiting CROW

vrijstaande woning koop, huis, vrijstaand kwekerij bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief

norm (rest aantal totaal bebouwde kom, weinig stedelijk) 8,2 1 8,2 4,8 3,5 (100 m² bvo) 16,8 25

Gezien de verkeersgeneratie in de huidige situatie 25 voertuigbewegingen is en in de toekomstige situatie 16,4 bedraagt, is er sprake van een afname van 8,6 verkeersbewegingen. Het plan heeft daarmee een positieve invloed op de verkeerssituatie en is daarom uitvoerbaar in het kader van het aspect verkeer.

4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Parkeerbeleidsplan gemeente Rhenen Het doel van het parkeerbeleidsplan is een bijdrage te leveren aan de leefbaarheid van het centrumgebied en de woonwijken in de gemeente. Daarnaast wordt een levendige en aantrekkelijke binnenstad beoogd, die bereikbaar is voor zowel auto- als fietsverkeer en een goede concurrentiepositie kent.

Planspecifiek Met voorliggend plan wordt beoogd een bedrijfswoning en een bedrijfsschuur om te zetten naar burgerwoningen. Met deze gebruikswijziging gaat ook een wijziging van het aantal vereiste parkeerplaatsen gepaard. Op basis van de parkeernormen uit de nota 'Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds' van de gemeente Rhenen is navolgende tabel tot stand gekomen. Inrichting vrijstaande woning totaal

aansluiting nota woning duur

norm 2,1

aantal 2

totaal 4,2 4,2

Er zijn daarmee in het plangebied in totaal 4,2 parkeerplaatsen vereist, wat neerkomt op 2,1 parkeerplaatsen per woning. Gezien de lengte van beide opritten kan dit aantal parkeerplaatsen hier gemakkelijk gerealiseerd worden. Het plan voldoet daarmee aan de normen die voortkomen uit de Beleidsnota parkeernormen van de gemeente Rhenen.

32

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 3 de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

5.4 Artikelsgewijze toelichting Navolgend worden per artikel kort de belangrijkste aspecten weergegeven.

33

Hoofdstuk 1: Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Artikel 2 Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Hiervoor is aangesloten bij de SVBP 2012. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels Artikel 3 Groen De gronden achter de woningen, het zogenoemde achterterrein, dienen vrij de blijven van gebouwen, verhardingen en opgaande beplanting. Omdat de bestemming 'Wonen' dit vergunningsvrij mogelijk zou maken, is er voor gekozen de bestemming 'Groen' te hanteren. Tevens is dit zekergesteld door een voorwaardelijke verplichting op te nemen in de bestemming 'Wonen', waarin is bepaald dat ook de gronden in de bestemming 'Groen' worden ingericht conform de daaraan gekoppelde landschappelijke inpassing. Hiermee in lijn zijn de gronden bestemd voor groenvoorzieningen, gazons, onverharde voetpaden en water.

Tevens mogen er omheiningen van beperkte hoogte, namelijk 1,2 m, aangelegd worden. Deze kunnen ten dienste van bijvoorbeeld een dierenweide fungeren. Artikel 4 Wonen De bestemming 'Wonen' betreft de woningen en bijbehorende gronden. Binnen deze bestemming mogen woningen worden gebouwd binnen het bouwvlak. De bouwvlakken en goot- en bouwhoogte zijn afgestemd op de in de omgeving toegestane hoogtes. De bouwvlakken zijn daarbij voorzien van de bouwaanduiding 'vrijstaand', wat regelt dat woningen slechts in vrijstaande vorm mogen worden gebouwd. Het gebruik van de woningen en bijbehorende gronden is slechts toegestaan als binnen een jaar de gronden in het plangebied zijn ingericht conform het bij de regels behorende inpassingsplan. Bijbehorende bouwwerken mogen worden gebouwd op het achtererf, zoals gedefinieerd in de Wabo. Door deze definitie wordt geen gebruik gemaakt van de aanduiding 'erf' om het erf waarop gebouwd mag worden aan te duiden. De regeling betreffende de bijbehorende bouwwerken is in lijn met de 'Beleidsregels Omgevingsvergunning 2010' van de gemeente Rhenen. Dit betekent onder andere dat maximaal 25 % van de bij de woning behorende kadastrale percelen mag worden bebouwd met bijbehorende bouwwerken met een maximum van 150 m².

In afwijking van de Beleidsregels Omgevingsvergunning 2010 mag, net als in het geldende bestemmingsplan, de goothoogte van bijbehorende bouwwerken maximaal 3,3 m bedragen, de bouwhoogte maximaal 4,5 m. Binnen de bestemming is het verder mogelijk een beroep en/of bedrijf aan huis uit te oefenen. De omvang van deze activiteiten mag niet meer bedragen dan 25 m. In afwijking daarop kan tot 50 % van de oppervlakte van de woning en bijbehorende bouwwerken worden toegestaan, hierbij moet dan wel worden voorzien in extra parkeerplaatsen zoals weergegeven in de opgenomen tabel. Verder mag er geen detailhandel worden uitgeoefend en dient in ieder geval de bewoner van de woning het beroep- en/of bedrijf aan huis uit te oefenen. Een bijzonder bedrijf aan huis is het voeren van een Bed & Breakfast. Hiervoor is een specifieke regeling gemaakt, waarbij in een woning maximaal vijf kamers mogen worden gebruikt met een maximum van 10 slaapplaatsen. De woning dient wel overwegend haar woonfunctie te behouden (geen pension) en er mag geen sprake zijn van een nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer en op de parkeerdruk. Tenslotte is specifiek in de bestemming opgenomen dat er een zwembad bij de woningen is toegestaan. Per woning is één zwembad toegestaan en deze dient achter (het verlengde van) de achtergevel van de woning

34

te worden gebouwd. Verder dient het zwembad minimaal 3,0 m afstand te houden tot de zijdelingse perceelsgrens en mag het niet meer dan 0,2 m boven het maaiveld uitsteken. Een afwijkingsmogelijkheid is opgenomen om inwoning mogelijk te maken. Tevens is het via een afwijking mogelijk om voor een beroep- en bedrijf aan huis bedrijven te vestigen uit categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten die gelijkgesteld kunnen worden met bedrijven uit categorie 1. Tot slot is ook mantelzorg via een afwijking mogelijk in bijbehorende bouwwerken bij woningen. Artikel 4 Waarde - Archeologie Voor de gebieden buiten de terreinen van archeologische waarden geldt de bestemming 'Waarde Archeologie'. Er is geen onderzoek noodzakelijk voor plangebieden die kleiner zijn dan 100 m² of bouwaanvragen betreffen waarbinnen de bodem tot maximaal 0,3 m onder maaiveld wordt geroerd. Voor wat betreft de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. Deze vergunning is niet vereist in het geval het plangebied niet groter is dan 100 m² of de bodem tot maximaal 0,3 m onder maaiveld wordt geroerd.

Hoofdstuk 3: Algemene regels Artikel 6 Antidubbeltelregel Deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Artikel 7 Algemene bouwregels In dit artikel zijn algemene bepalingen over bouwen opgenomen. Deze bepalingen hebben betrekking op afwijkende maatvoeringen en onderkeldering. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van strijdig gebruik. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen om – onder voorwaarden – af te wijken van hetgeen is bepaald in het bestemmingsplan. Artikel 10 Parkeren In dit artikel is een bepaling opgenomen die verplicht dat in voldoende parkeergelegenheid voorzien moet worden. Hierin wordt verwezen naar de Beleidsnota parkeernormen en parkeerfonds van 14 april 2011 of de gewijzigde versie daarvan. Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels Artikel 11 Overgangsrecht In deze regels wordt vorm en inhoud gegeven aan het overgangsrecht voor bebouwing en gebruik. Artikel 12 Slotregel Als laatste wordt de slotregeling opgenomen. Deze regeling bevat zowel de titel van het plan als de vaststellingsregeling.

35

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van ‘afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente sluit ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst, zoals bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening. Gemeentelijke plankosten en eventuele planschade is daarmee gedekt.

36

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie De omwonenden zijn op de hoogte gebracht van het plan. Hierbij zijn geen bezwaren kenbaar gemaakt.

7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg In het kader van het wettelijk vooroverleg is het ontwerpbestemmingsplan aan de relevante vooroverlegpartners, waaronder Gasunie, HDSR, Veiligheidsregio Utrecht en de provincie Utrecht, toegezonden. Gasunie en HDSR geven aan geen opmerkingen te hebben. De Veiligheidsregio Utrecht maakt enkele bouwkundige opmerkingen. Dit heeft geen gevolgen voor voorliggend bestemmingsplan. De provincie geeft aan dat het plan aan de Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht, die vanaf 1 april van kracht is, getoetst moet worden. Om aan dit verzoek te voldoen is deze toetsing toegevoegd aan toelichting paragraaf 3.2.2.

7.3 Verslag zienswijzen Vanaf 22 juli 2021 heeft het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ontvangen.

37

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10596729/1