Bijlage 1.2 Toelichting bestemmingsplan ¿Vissersweg 44 te Elst (Ut.)¿
Tekst van het document
bestemmingsplan
Vissersweg 44 te Elst (Ut.) Gemeente Rhenen
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.0340.BPVissersweg44-VA01
Datum:
2021-09-14
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. T. Oostrom | dhr. J. van de Zand
Kenmerk Buro SRO:
SR200311
Opdrachtgever:
Aannemingsbedrijf Peter Looijen
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding .......................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................. 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ............................................................................................................................... 6 1.4 Leeswijzer .......................................................................................................................................................... 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Bestaande situatie ............................................................................................................................................ 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 9
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 12 3.1 Nationaal beleid ..............................................................................................................................................12 3.2 Provinciaal beleid ............................................................................................................................................13 3.3 (Inter)gemeentelijk beleid ...............................................................................................................................16
4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 19 4.1 Milieueffectrapportage ....................................................................................................................................19 4.2 Bodem ..............................................................................................................................................................20 4.3 Geluid ...............................................................................................................................................................21 4.4 Luchtkwaliteit...................................................................................................................................................21 4.5 Milieuzonering .................................................................................................................................................22 4.6 Externe veiligheid ............................................................................................................................................24 4.7 Ecologie ............................................................................................................................................................26 4.8 Cultureel erfgoed
.............................................................................................................................................27 4.9 Water ................................................................................................................................................................28 4.10 Verkeer en parkeren .....................................................................................................................................31
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 33 5.1 Algemeen .........................................................................................................................................................33 5.2 Verbeelding ......................................................................................................................................................33 5.3 Planregels ........................................................................................................................................................33 5.4 Artikelsgewijze toelichting ...............................................................................................................................33
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 36 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 37 7.1 Algemeen .........................................................................................................................................................37 7.2 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg ....................................................................................................................37 7.3 Verslag zienswijzen..........................................................................................................................................37
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer heeft het voornemen de bedrijfswoning en de naastgelegen bedrijfsschuur van de voormalige kwekerij aan de Vissersweg 44 te Elst om te zetten naar burgerwoningen. De beoogde woonfunctie is beter passend in de omgeving dan de bedrijfsfunctie, aangezien er voornamelijk woningen in de omgeving aanwezig zijn. Het voornemen gaat gepaard met het opwaarderen van het perceel door verharding weg te nemen en het een en ander landschappelijk in te passen met inachtneming van de openheid aan de achterzijde van het perceel. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan 'Vissersweg 42-44 te Elst (Ut.)'. Het plangebied is immers voor een deel voorzien van de bestemming 'Bedrijf', waarbinnen de beoogde woonfunctie niet is toegestaan. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan ex. artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening nodig. Voor dit voornemen is een principeaanvraag bij de gemeente Rhenen gedaan. Het college van B&W heeft aangegeven medewerking te verlenen aan het verzoek. Voorliggend bestemmingsplan is een voortzetting van het verzoek en voorziet in de bestemmingswijziging, waarbij wordt toegelicht waarom sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied, aan de Vissersweg 44 in de gemeente Rhenen, bevindt zich aan de noordwestzijde van het stedelijk gebied van Elst. Het is onderdeel van een perceel dat bekend staat onder de kadastrale gemeente Rhenen, sectie H, perceelnummer 8192. De planlocatie beslaat een oppervlakte van ca. 4.650 m². De navolgende afbeeldingen tonen de ligging en de begrenzing van het plangebied.
Globale ligging plangebied, plangebied wit omcirkeld (bron: Google Earth)
5
Begrenzing plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het bestemmingplan 'Vissersweg 42-44 te Elst (Ut.)'. De gemeenteraad van de gemeente Rhenen heeft dit bestemmingsplan vastgesteld op 31 januari 2017. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan:
Uitsnede bestemmingsplan 'Vissersweg 42-44 te Elst (Ut.)' e.o., plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De oostelijke gronden van het plangebied beschikken in dit bestemmingsplan grotendeels over de bestemming 'Bedrijf' met de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 1'. Daarnaast is de bedrijfswoning voorzien van de aanduiding 'bedrijfswoning' en geldt een maximale goot- en bouwhoogte van
6
respectievelijk 3,3 en 8 m. Verder geldt voor het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie'. De bestemming 'Bedrijf' is gericht op het toestaan van bedrijvigheid. Door de ter plaatse geldende functieaanduiding gaat het hierbij om bedrijven met een beperkte belasting op het milieu en waarvoor een geringe richtafstand geldt. Doordat met voorliggend wordt beoogd de bedrijfswoning om te zetten naar burgerwoning en het ook het bedrijfspand in gebruik te nemen als woning is het voornemen in strijd met het geldende bestemmingsplan. Daarom heeft initiatiefnemer het voornemen het beoogde gebruik te formaliseren door het plangebied van de bestemming 'Wonen' te voorzien. Hiervoor is een herziening van het bestemmingsplan vereist. De westelijke gronden zijn voorzien van de bestemming 'Agrarisch'. In deze bestemming is het onder andere toegestaan erfbeplanting, erfafscheidingen van 2,5 m hoog en bouwwerken met een hoogte van 3,0 m op te richten. Omdat dit landschappelijk niet passend is worden deze gronden meegenomen in voorliggend bestemmingsplan en voorzien van de bestemming 'Groen', waarmee deze mogelijkheden worden ingeperkt. Naast het bestemmingsplan 'Vissersweg 42-44 te Elst (Ut.)' geldt voor de planlocatie het bestemmingsplan 'Parapluplan Parkeren'. Deze is vastgesteld door de gemeenteraad op 6 maart 2018.
Met dit bestemmingsplan legt de gemeente Rhenen voor het gehele grondgebied haar parkeerbeleid juridischplanologisch vast.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het plan beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van de milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 bevat vervolgens een juridische planbeschrijving. Tot slot wordt in de hoofdstukken 6 en 7 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie In het plangebied is sinds enige tijd de kwekerij van initiatiefnemer beëindigd. Voorheen besloeg deze kwekerij de gehele hoek van de Vissersweg en Paardenkop. Met het bestemmingsplan dat in januari 2017 is vastgesteld zijn de eerste stappen gezet richting beëindiging van de kwekerij, door drie woningen in de oksel van de bocht Paardenkop-Vissersweg mogelijk te maken. Toentertijd was het voornemen de kwekerij kleinschaliger, in ieder geval tijdelijk, voort te zetten. Inmiddels is deze beëindigd. In het plangebied bevinden zich twee gebouwen; een bedrijfswoning en een grote schuur. De bedrijfswoning is gebouwd als semi-bungalow in 1980 en heeft een eigen inrit en parkeergelegenheid op het perceel. De tuin is verzorgd ingericht met een gazon, hagen en een vijver. Er staan drie waardevolle bomen op het perceel. Het achterste gedeelte is in gebruik als weiland. Navolgend foto geeft een impressie van de voorzijde van het perceel.
Impressie voorzijde plangebied, gezien vanaf de Vissersweg (bron: Funda.nl)
De grote schuur is ook in 1980 gebouwd in de stijl van een tabaksschuur met een groot dakvlak, donkere gepotdekselde houten gevel en lage goten. Deze schuur was in gebruik als bedrijfsruimte en is omringd door verharding. De navolgende afbeelding geeft een impressie van de schuur.
8
Impressie bedrijfsschuur
Context - Elst Het dorp Elst ligt tussen de Utrechtse heuvelrug aan de noordzijde en de Nederrijn aan de zuidzijde van het dorp. Deze gronden waren vruchtbaar door de Nederrijn, maar lagen hoog genoeg om bescherming te bieden tegen overstromingen. Sinds de middeleeuwen loopt er aan de zuidkant van de Heuvelrug een handelsroute tussen Utrecht en Keulen. Elst was één van de dorpen die aan deze belangrijke route lag. Het dorp maakte voornamelijk groei door vanwege de tabaksteelt die vanaf het midden van de 17e eeuw tot in de 20e eeuw een belangrijke bron van inkomsten was. Er zijn veel tabaksschuren verdwenen, maar toch zijn de nog aanwezige tabaksschuren (droogschuren) met de grote dakvlakken kenmerkend voor de streek. De vroegere tabaksakkers zijn inmiddels omgevormd tot natuurgebied.
2.2 Toekomstige situatie Doordat voorliggend plan voornamelijk gericht is op een gebruikswijziging van bestaande panden en is omvang van de fysieke ingrepen beperkt. Desondanks worden de woningen, om aansluiting te zoeken bij omliggende woningen en het achterliggende open landschap, zorgvuldig landschappelijk ingepast. Met de omvorming van de bedrijfsschuur naar een woning biedt dit de mogelijkheid om het nu versteende terrein met groen in te richten. Dit is meer passend in de omgeving en sluit beter aan bij het straatbeeld. De bedrijfswoning is in de huidige situatie met een verzorgde voortuin en open achtergebied al passend in zijn omgeving. Beide woningen krijgen, net als in de huidige situatie, een eigen aansluiting op de Vissersweg. Op de navolgende afbeelding is een impressie van de indeling van de woonpercelen te zien.
9
Inrichting plangebied (bron: Buro SRO)
Bij de uitwerking van het plan wordt een groen karakter geborgd en de openheid aan de achterzijde van het plangebied behouden. De openheid wordt geborgd door de geldende agrarische bestemming naar de bestemming 'Groen' te wijzigen en vast te leggen dat er geen bebouwing opgericht kan worden, geen opgaande beplanting kan worden toegevoegd en geen verharding kan worden aangebracht. Als uitzondering kan er één solitaire boom worden geplant. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van de mogelijke toekomstige inrichting van het achterterrein.
10
Impressie mogelijke inrichting achterterrein
11
3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Voorliggend plan is kleinschalig van aard, waardoor het geen landelijke impact heeft. Wel wordt rekening gehouden met de ambitie die de Rijksoverheid heeft met betrekking tot ruimte voor klimaatadaptatie en een goede fysieke leefomgeving, door de percelen een groen karakter te geven en met het bebouwingskarakter aan te sluiten op omliggende woningen.
3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014, 1 juli 2016 en 1 januari 2017 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast betreft het een transformatie en is de ontwikkeling dusdanig klein van schaal dat het niet direct van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe
12
stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt op 12 woningen. Bij onderhavig plan worden een bedrijfswoning omgezet naar burgerwoning en wordt er een tweede woning toegevoegd. Daardoor wordt dit plan niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling gezien en hoeven de treden van de ladder niet doorlopen te worden. Desondanks dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening de behoefte aan de ontwikkeling aangetoond te worden. Behoefte Het voorliggende initiatief voorziet in de toevoeging van een woning. Uit toelichting paragraaf 3.3.2 blijkt dat er in de gemeente Rhenen behoefte is aan vrijstaande koopwoningen. Het plan voorziet daarmee in een behoefte. Geconcludeerd kan worden dat het plan in lijn is met de ladder voor duurzame verstedelijking en dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie Provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
• • • •
waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen;
13
• • •
die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers. Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zon- en windenergie en het verbouwen van voedsel. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar we voor staan kunnen de provincie niet alleen oplossen. Samenwerking met met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie en medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.
Planspecifiek De provincie zet in op beheerste groei en zorgvuldig ruimtegebruik. Rond steden en dorpen zijn daarom rode contouren gelegd. Het plangebied ligt deels binnen het stedelijk gebied en de rode contour. Stedelijke ontwikkelingen, zoals wonen, zijn hierdoor passend op deze locatie. Omdat het gaat om een transformatie van bedrijf naar wonen, kan daarnaast worden gesteld dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bovendien gaat het plan gepaard met een zorgvuldige landschappelijke inpassing en verduurzaming van het bedrijfspand dat getransformeerd wordt naar woning. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de ambitie een duurzame provincie te zijn. Het initiatief is in lijn met de algemene ambities van de omgevingsvisie. Om verder inzichtelijk te maken of voorliggend plan voldoet aan het beleid van de provincie Utrecht is het plan getoetst aan de kaartlagen van de kaart behorende bij de omgevingsvisie. De relevante kaartlagen worden hieronder behandeld. CHS - Archeologie Het plangebied ligt in een gebied dat is voorzien van de aanduiding 'CHS - Archeologie'. Het beleid van de provincie richt zich op het bevorderen van duurzaam behoud en beheer van de archeologische resten in de bodem. De focus voor archeologie ligt op drie gebieden: de Romeinse Limes, de Utrechtse Heuvelrug en Dorestad (Wijk bij Duurstede).
De limes staat voor het verhaal van de Romeinse soldaten in hun forten, én voor het verhaal van de inheemse bevolking en de wisselwerking tussen beide groepen. Voor de Limes wordt nauw samengewerkt met andere Limesprovincies en met het Rijk. Het stuwwallenlandschap en de Utrechtse Heuvelrug kent een stapeling van cultuurhistorische kwaliteiten uit verschillende perioden, lopen van de Steentijd tot de Tweede Wereldoorlog, en wordt beschermd vanwege de variatie en rijkdom. De kwaliteiten van de cultuurhistorische structuur moeten behouden blijven en er wordt gestreefd naar een betere beleefbaarheid. In toelichting paragraaf 3.2.2 wordt het plan getoetst aan de regelingen uit de omgevingsverordening die betrekking hebben op bescherming van de cultuurhistorische hoofdstructuur. Landschap Het plangebied maakt onderdeel uit van het landschap Utrechtse Heuvelrug. Voor het landschap Utrechtse Heuvelrug wenst de provincie de volgende kernkwaliteiten te behouden:
14
1. 2. 3.
robuuste eenheid; reliëfbeleving; extreme historische gelaagdheid.
Bij ontwikkelingen in het landschap van de Utrechtse Heuvelrug dient aandacht te zijn voor het in stand houden van het reliëf en het samenhangend boscomplex. Vanwege het reliëf en de overige kwaliteiten van de Heuvelrug wil de provincie in dit gebied geen grootschalige ontgrondingen. Kleinschalige ontgrondingen voor natuurontwikkeling of recreatieve ontwikkeling zijn wel mogelijk, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteiten. Aangezien er slechts beperkte ruimtelijke ingrepen beoogd zijn worden de kernkwaliteiten van het landschap Utrechtse Heuvelrug niet negatief beïnvloed. De overige relevante thema's komen aan bod in toelichting paragraaf 3.2.2.
3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s.
De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie inneemt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. Planspecifiek Om inzichtelijk te maken of voorliggend plan voldoet aan het beleid van de provincie Utrecht is het plan getoetst aan de relevante bepalingen van de PRV. Vanuit de verordening zijn de volgende bepalingen relevant voor het plangebied:
• • •
Artikel 7.2 Cultuurhistorische hoofdstructuur Artikel 7.9 Instructieregel landschap Artikel 9.15 Instructieregel verstedelijking
Cultuurhistorische hoofdstructuur Het plangebied maakt onderdeel uit van de Cultuurhistorische hoofdstructuur (CHS), specifiek voor het aspect archeologie. In toelichting paragraaf 4.8 worden de aspecten archeologie en cultuurhistorie
15
toegelicht. Hieruit blijkt dat er geen archeologische en cultuurhistorische waarden verloren gaan als gevolg van het voorgenomen plan. Landschap De kernkwaliteiten van de Utrechtse Heuvelrug, zoals omschreven in toelichting paragraaf 3.2.1, komen met een kleinschalige ontwikkeling als onderhavig plan niet in het geding. Stedelijk gebied Het plangebied ligt binnen het gebied dat is aangewezen als stedelijk gebied. Een ruimtelijk besluit voor gronden binnen dit gebied mag verstedelijking mogelijk maken. Daarbij dient het een beschrijving te bevatten waarop rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen. Dit komt aan bod in toelichting paragraaf 3.3.3. Conclusie Uit de raadpleging van verschillende kaarten, zoals weergegeven in de Interim Omgevingsverordening, kan worden geconcludeerd dat de beoogde gebruiks- en bestemmingswijziging niet strijdig is met de Ineterim Omgevingsverordening.
3.3 (Inter)gemeentelijk beleid 3.3.1 Stedenbouwkundige structuurvisie Elst, Achterberg, Rhenen De Stedenbouwkundige Structuurvisie ‘Woningbouwlocaties tot 2020’ van de gemeente Rhenen is op 23 september 2008 vastgesteld. Doel van deze structuurvisie is dat hiermee de woningbouwopgave van de gemeente Rhenen, 650 tot 750 woningen in de periode tot 2020 (bron: Visie Wonen, Zorg en Welzijn, 2005), op basis van deze stedenbouwkundige structuurvisie moet kunnen worden gerealiseerd. Het is het toetsingsinstrument voor individuele bouwaanvragen, basis voor het opstellen van gebiedsvisies met beeldkwaliteitsplannen, en basis voor het opstellen van (herziening) bestemmingsplannen en projectbesluiten. Het dorpskarakter van Elst wordt gekoesterd en is leidraad voor een samenhangende totaalvisie. Het betreft het behoud van de halfopen linten, de doorzichten naar het achterland en het volume van de bebouwing. Het plangebied is een bedrijfslocatie in het lint die van functie verandert, ook wel een verdichtingslocatie genoemd. De gemeente Rhenen verleent in principe medewerking aan de functieverandering van verdichtingslocaties, die een verbetering van het woon- en leefklimaat tot gevolg hebben. Voorwaarde is wel dat de ruimtelijke ontwikkeling past binnen de in deze visie vastgestelde toetsingscriteria.
Voor verdichtingslocaties in de kern Elst is een indicatief aantal van 100 woningen beschikbaar. Planspecifiek Op de structuurvisiekaart is te zien dat de planlocatie binnen de gronden met de aanduiding 'Rode contour' valt. De planlocatie is wit omcirkeld. Binnen deze aanduiding worden in de structuurvisie geen verdere eisen omtrent woningbouw gesteld.
16
Uitsnede structuurvisiekaart, plangebied zwart omcirkeld (bron: gemeente Rhenen)
De gewenste visie voor de stedenbouwkundige aanpak van Elst is het koesteren van het dorpskarakter. Dit betreft het behoud van de (halfopen) linten, de doorzichten naar het achterland en het volume van de bebouwing. Met voorliggend plan gaat geen bouwplan gemoeid, waardoor er geen strijdigheid ontstaat met deze ambitie. De bestaande bebouwing past daarnaast naar aard, vorm en massa in de omgeving. Dit is reeds bevestigd door de commissie ruimtelijke kwaliteit van Mooisticht. Daarbij adviseren zij om de karakteristieken van het bedrijfspand zoveel mogelijk te behouden. Dit advies wordt door de initiatiefnemer bij de verdere uitwerking in acht genomen.
3.3.2 Woonvisie 'Kiezen voor Rhenen' In de woonvisie 'Kiezen voor Rhenen, Vier redenen voor Rhenen' worden de ambities en strategieën met de verschillende woonopgaven geformuleerd. De woonvisie heeft een horizon tot 2030 maar is concreet voor de komende vier jaar. Gezien de snelle veranderingen in het woondomein is het de bedoeling om na twee jaar de uitvoeringsagenda te actualiseren. De woonvisie biedt de basis voor de prestatieafspraken en de huisvestingsverordening. De afgelopen jaren is duidelijk geworden dat het verhuisgedrag sterk afhangt van de economische situatie en het vertrouwen in de toekomst. Door de economische groei van nu ligt de focus sterk op de koopmarkt. Voor Elst heeft de gemeente een woningbouwprogramma van 144 nieuwe woningen tot aan 2027. Planspecifiek Uit het woningmarktonderzoek (2017) blijkt dat er een sterke behoefte is aan ruime koopwoningen. Door deze toe te voegen, wordt indirect in de behoefte aan kleinere woningen voorzien, doordat huishoudens uit kleine woningen doorstromen. Met de toevoeging van één vrijstaande woning wordt een beperkte bijdrage geleverd aan de behoefte aan ruime koopwoningen. De beoogde ontwikkeling is passend bij de bepalingen van de woonvisie.
17
3.3.3 Duurzaam Bouwen De gemeente Rhenen heeft ambities voor duurzaam bouwen in beleid vastgesteld. Deze ambities zijn gebaseerd op het pakket GPR Gebouw, versie 3.2, waarbij voor zes verschillende modules een bepaalde score gerealiseerd kan worden. GPR (Gemeentelijke Praktijk Richtlijn) Gebouw is een bepalingsmethode voor de milieuprestatie van een gebouw. In het nieuwe pakket GPR versie 4.0 zijn 5 verschillende modules, namelijk energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Dit maakt voor de gemeentelijke ambities geen verschil. De gemeentelijke ambities zijn:
•
Alle nieuwbouw(woningen) waarbij de gemeente bij de ontwikkeling betrokken is laten voldoen aan het GPR-gebouw ambitieniveau met een gemiddelde van minimaal een 7. Voor het onderdeel energie is het ambitieniveau een 7,4. Het minimum per prestatieveld is een 6. Dit geldt uiteraard ook voor de eigen gemeentelijke gebouwen.
•
Per bouwproject wordt het ambitieniveau opnieuw bekeken. In veel gevallen kan en zal een hoger ambitieniveau worden vastgesteld. Als gebouwd wordt op grond in eigendom van de gemeente kan in ieder geval een hoger ambitieniveau worden vastgesteld.
•
Planspecifiek Omdat het bij voorliggend plan gaat om een functiewijziging van een bedrijfswoning en een schuur is er geen sprake van nieuwbouw. Vanuit het Bouwbesluit gelden dan ook geen eisen omtrent milieuprestatie. Desondanks beoogt initiatiefnemer de schuur te verduurzamen door isolatieglas te plaatsen. Daarnaast overweegt hij ook PV-panelen te installeren.
18
4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.-(beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• • •
door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Onderhavig plan is mogelijk aan te merken als stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in D 11.2. Uit een recente uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:348, 31 januari 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Om te kunnen beoordelen of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject, dienen verschillende zaken afgewogen te worden. Onderstaande punten zijn argumenten om het project niet als stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken:
19
1. 2. 3.
De beoogde woonfunctie heeft een kleiner milieueffect dan de huidige bedrijfsfunctie. Het bebouwd oppervlak neemt niet toe. Aangezien de huidige schuur wordt verduurzaamd ten behoeve van de woonfunctie nemen de milieugevolgen af.
Wanneer bovenstaande punten afgewogen worden leidt dit tot de conclusie dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject zoals beschreven in de bijlagen van het Besluit milieueffectrapportage. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.(beoordelings)plicht geldt. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid, stikstof en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Met onderhavig plan vindt een bestemmingswijziging naar een strenger bodemgebruik plaats (bedrijf naar wonen), waardoor een bodemonderzoek noodzakelijk is. Om hierin te voorzien is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Grondslag, 33848, d.d. 20 november 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Uit het onderzoek zijn, afgezien ter plaatse van boring 16, geen sterke verontreiniging naar voren gekomen. Ter plaatse van boring 16 is mogelijk sprake van een ernstige bodemverontreining met OCB die is ontstaan voor 1983, waardoor er geen sprake is van een nieuw geval van bodemverontreiniging.
Daarnaast is op deze locatie in de bovengrond asbesthoudend materiaal aangetroffen. Op basis van de huidige gegevens is mogelijk sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging. Om inzichtelijk te maken of de bodemverontreiniging belemmeringen vormt voor de uitvoerbaarheid van voorliggend plan is een nader bodemonderzoek uitgevoerd (Grondslag, 33848, d.d. 10 maart 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). In het nader onderzoek zijn de sterke verhogingen aan OCB en asbest niet reproduceerbaar gebleken. De onderzoeksresultaten vormen derhalve geen belemmeringen voor het beoogde gebruik. Wel dient bij toekomstige grondwerkzaamheden ter plaatse van zowel het zuidoostelijke als het centrale deel van het terrein rekening te worden gehouden met de lichte tot matige verontreinigingen met OCB. Aanbevolen wordt om de vrijkomende grond niet her te gebruiken op de locatie, maar af te voeren en te vervangen voor grond die voldoet aan de kwaliteit wonen. Er kan geconcludeerd worden dat het plan uitvoerbaar is in het kader van het aspect bodem.
20
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• • •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft); andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Woningen zijn geluidgevoelige objecten in de zin van de Wet geluidhinder (Wgh). Doordat er met voorliggend plan de realisatie van een woning wordt beoogd, dient beschouwd te worden of de geluidsbronnen uit de Wet geluidhinder belemmeringen vormen voor de planontwikkeling. Wegverkeerslawaai De voorgenomen ontwikkeling betreft onder andere het toevoegen van een woning. Een woning wordt als een geluidsgevoelig object gezien. Omdat het plangebied zich echter niet binnen de onderzoekszone van een onderzoeksplichtige weg bevindt kan akoestisch onderzoek naar wegverkeer achterwege blijven. Spoorweglawaai In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen aanwezig, waardoor onderzoek niet aan de orde is. Industrielawaai Er liggen geen geluidgezoneerde industrieterreinen in de omgeving van het plangebied. Industrielawaai vormt daarmee geen belemmeringen voor voorliggend plan. Wel is geluid van bedrijven van belang in het kader van milieuzonering. Dit komt aan bod in toelichting paragraaf 4.5. Conclusie Het plan is uitvoerbaar in het kader van de Wet geluidhinder. Ter plaatse van de woningen is een goed woon- en leefklimaat te verwachten.
4.4 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit 5 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om de voertuigaantrekkende werking. Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk
21
onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek Het voorgenomen plan voorziet in het omzetten van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en het realiseren van een woning in een bestaande schuur. De ontwikkeling kan derhalve, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft ‘niet in betekenende mate’ invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Desondanks is in het kader van een goede ruimtelijke ordening, met behulp van de Atlas Leefomgeving (van het RIVM), gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse voldoet aan de gestelde grenswaarden van 25 µg/m³ voor PM2,5 en 40 µg/m³ voor zowel fijnstof PM10 als stikstofdioxide NO2. De specifieke concentraties over 2018 bedragen respectievelijk 11,8 µg/m³ PM2,5, 19 µg/m³ PM10 en 14,8 µg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden.
De advieswaarden van de GGD en WHO (20 μg/m³ PM10 en 10 μg/m³ PM2,5) worden deels gehaald; er wordt immers voldaan aan de advieswaarde voor PM10 maar niet voor PM2,5. Omdat het gaat om een lichte overschrijding is de verwachting dat door verbetering van de autotechniek er in de toekomst voldaan wordt aan deze waarden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan.
4.5 Milieuzonering Het aspect milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit.
In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
22
Spuitzones Bij de teelt van gewassen moet rekening worden gehouden met 'spuitzones'. Vanwege het ontbreken van wetgeving is een in de praktijk (als gevolg van jurisprudentie) gegroeide vuistregel ontstaan die aangeeft dat een afstand van 50 m tussen agrarische gronden met open teelten en een voor gewasbeschermingsmiddelen gevoelige functies in acht moet worden genomen. Gevoelige functies zijn plaatsen waar regelmatig en voor een groot gedeelte van de dag, mensen verblijven of samenkomen. Daar vallen dus ook achtertuinen bij woningen onder. In december 2020 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2020:3018) geoordeeld dat afwijken van de richtafstand van 50 meter alleen mogelijk is op grond van locatiegericht onderzoek. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de omzetting van een bedrijfswoning naar een burgerwoning en de toevoeging van een tweede woning. Hiermee wordt de bedrijfsbestemming uit het plangebied verwijderd, wat een planologische verbetering voor de naastgelegen percelen oplevert. Wel dient aangetoond te worden dat er ter plaatse van de nieuwe woning een goed woon- en leefklimaat heerst in het kader van milieuzonering. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich voornamelijk woningen, enkele bedrijven en agrarische gronden. Het dichtstbijzijnde bedrijf bevindt zich 190 m ten westen van het plangebied.
Omdat ter plaatse maximaal bedrijven van milieucategorie 2 zijn toegestaan, waarvoor een richtafstand van 30 m geldt, vormt dit geen belemmering voor voorliggend plan. Spuitzone Ten westen van het plangebied zijn agrarische gronden gelegen. De gronden direct ten westen van de woningen worden van de bestemming 'Groen' voorzien, waardoor hier geen agrarische activiteiten zijn toegestaan. Wel behouden de gronden ten westen hiervan, gelegen in het bestemmingsplan 'Vissersweg 4244 te Elst (Ut.)', de bestemming 'Agrarisch'. De afstand tot de nieuwe woning vanaf deze gronden bedraagt ca. 43 m. Daarmee wordt niet voldaan aan de vuistregel van 50 m. Echter worden boomgaarden binnen 50 m van woningen op de betreffende gronden uitgesloten. Daarentegen worden overige teeltvormen waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt niet uitgesloten. Daarbij gaat over vollegrondsteelten, als sierteelt of gewasteelt. Bij bomenteelt wordt, in tegenstelling tot vollegrondsteelt, zijwaarts en op grotere hoogte gespoten, waardoor er in sterkere mate drift van gewasbeschermingsmiddelen optreedt. De spuittechniek van vollegrondsteelt is neerwaarts en op kleinere afstand tot de bodem. Vollegrondsteelt veroorzaakt door de neerwaartse spuittechniek over het algemeen minder drift van gewasbeschermingsmiddelen, waarmee het minder hinder en gevaar voor gevoelige functies met zich meebrengt.
Daarnaast is de windrichting (gebruikelijk zuidwest in Nederland) niet richting de woningen en gaat het slechts om een klein stukje grond waar mogelijk gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kunnen worden. De afstand van ca. 43 m tot de nieuwe woning kan dan ook als acceptabel worden gezien. Voorts bevinden zich ten zuidwesten van de woningen gronden die van de bestemming 'Agrarisch' voorzien zijn. Er dient beschouwd te worden of hier teeltvormen zijn toegestaan waarbij gewasbeschermingsmiddelen gebruikt kunnen worden. In het ter plaatse van de agrarische gronden geldende bestemmingsplan 'Consolidatieplan Buitengebied Rhenen' wordt geregeld dat er geen boomgaarden waarbij chemische bestrijdingsmiddelen worden gebruikt mogen worden aangelegd binnen een afstand van 50 m tot onder andere (bedrijfs)woningen. Daarnaast wordt het verbouwen van sierteeltgewassen of tuinbouwzaden, andere teeltvormen waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, in het ter plaatse geldende bestemmingsplan 'Consolidatieplan Buitengebied Rhenen' geschaard onder 'intensieve kwekerij'. Omdat op de betreffende locatie deze aanduiding niet aanwezig is, zijn deze teeltvormen niet toegestaan.
Voorts blijkt uit de data van Boer&Bunder dat de gronden al meerdere jaren als grasland in gebruik zijn, waardoor het onwaarschijnlijk is dat gebruik ten behoeve van teelt van gewassen binnen onafzienbare tijd voorzien is. Er kan geconcludeerd worden dat door de afwezigheid van gewassen en het feit dat teeltvormen waarbij gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse niet toegestaan zijn, er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Er kan geconcludeerd worden dat het plan uitvoerbaar is in het kader van milieuzonering.
23
4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.
Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
24
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.
Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Op de risicokaart kan voor het plangebied worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, transportroutes en/of belangrijke buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn.
De navolgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart:
25
Uitsnede risicokaart, plangebied zwart omcirkeld (bron: risicokaart.nl)
Ca. 650 m ten zuiden van het plangebied is een buisleiding van Gasunie aanwezig. Deze afstand is zodanig dat het plangebied buiten het invloedsgebied van de buisleiding valt. Verder zijn er in de omgeving geen risicovolle inrichtingen of transportroutes aanwezig. Er kan geconcludeerd worden dat het plan uitvoerbaar is in het kader van externe veiligheid.