Addendum Perspectiefnota 2022 digitaal v2
Tekst van het document
Addendum perspectiefnota 2022
H2
INHOUDSOPGAVE H1 Aanbieding
3
H4 Overig
4
6
Inleiding en doel
H2 Ontwikkeling financiële positie
Financiële positie gemeenten
Financiële positie Rhenen Beleidsvoornemens perspectiefnota Onzekerheden en aandachtspunten H3 Pijlers financieel beleid Reëel en structureel sluitende begroting Gezond weerstandsvermogen Acceptabele schuldpositie
7 7 11 12
16 17 18 18
Uitgangspunten begroting 2022 - 2025 Woonlasten Meicirculaire 2021 Overige ontwikkelingen
20 21 24 26 28
Bijlage - financiële overzichten
Bijlage 1 - verschillenanalyse Bijlage 2 - investeringsprogramma 2022 Bijlage 3 - overzicht reserves en voorzieningen
31 54 56
2
H1
AANBIEDING 3
inleiding en doel
H1
INLEIDING EN DOEL Voor u ligt het addendum bij de Perspectiefnota 2022. In dit document wordt u geïnformeerd over: a. de ontwikkeling van het financieel meerjarenperspectief 2022–2025 De perspectiefnota (incl. addendum) is het moment waarop de budgetten 2022 - 2024 opnieuw tegen het licht worden gehouden. Hierbij betrekken we ook de structurele effecten van de jaarrekening 2020. De gevolgen daarvan zijn verwerkt in het financieel perspectief 2022 - 2025. In het perspectief zijn ook de gevolgen van de meicirculaire 2021 meegenomen en de wettelijke/onvermijdelijke beleidsvoornemens uit de perspectiefnota 2022. De uitkomsten van de arbitragezaak over de jeugdzorg zijn nog niet verwerkt in het financieel perspectief. b. de invloed van het financieel meerjarenperspectief op de financiële pijlers voor een gezonde financiële positie: - structureel en reëel sluitende begroting; - gezond weerstandsvermogen; - acceptabele schuldenpositie c. Overig De overige onderdelen bestaan onder andere uit: uitgangspunten voor het opstellen van de (meerjaren)begroting 2022 – 2025, de ontwikkeling van de woonlasten, de meicirculaire 2021 en de en de risico’s met betrekking tot corona. Het addendum is een aanvulling op de Perspectiefnota 2022. Beide documenten zijn richtinggevend voor het opstellen van de (meerjaren)begroting 2022 - 2025.
4
inleiding en doel
Samenvatting ontwikkeling financieel meerjarenperspectief De financiële positie van de gemeente Rhenen staat net zoals bij andere gemeenten onder druk. De afgelopen jaren hebben forse ombuigingen moeten plaatsvinden. Het huidige financieel perspectief 2022-2025 vertoont structurele tekorten. Of er ombuigingen nodig zijn is nu niet aan te geven. Een bepalende factor hierbij is de manier waarop gemeenten in hun begroting mogen omgaan met de uitkomsten van de arbitragezaak jeugd. Hierover vindt op landelijk niveau overleg plaats, tussen de provincies, BZK, VNG en IPO. Een ander aandachtspunt zijn de randvoorwaarden die het Rijk zou kunnen stellen aan de besteding van de extra middelen jeugdhulp. In de onderstaande tabel treft u het verloop van de resultaten 2022 - 2025 aan. Begrotingsresultaten Begrotingsresultaten 2022 - 2025
2022 48.000 N
2023
2024
2025
211.500 N 149.500 N 151.000 N
In hoofdstuk 2 ziet u het verloop van de resultaten 2022 - 2025, waarbij het startpunt wordt gevormd door de vastgestelde primitieve (meerjaren)begroting 2021-2024. In hoofdstuk 3 zijn de begrotingsresultaten 2022 - 2025 nader toegelicht. We zullen hierbij ingaan op het incidentele en het structurele resultaat. Het onderscheid hiertussen is van belang met het oog op het toezicht van de provincie. Samenvatting drie pijlers financieel beleid Het financieel beleid van de gemeente is gericht op een gezonde financiële positie op de korte en de lange termijn. Onze gemeente stuurt hierbij op drie pijlers: a. structureel en reëel sluitende begroting b. gezond weerstandsvermogen; risico’s versus weerstandscapaciteit c. acceptabele schuldenpositie In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de invloed van de ontwikkeling financieel meerjarenperspectief in relatie tot de drie pijlers van het financieel beleid.
H1
Overig 1. Uitgangspunten begroting In de Perspectiefnota stelt de raad de uitgangspunten voor het opstellen van de (meerjaren) begroting 2022 – 2025 vast. Het betreft onder andere uitgangspunten voor de loonindexering, rentepercentage voor aan te trekken geldleningen en dergelijke. 2. Woonlasten Er wordt ingegaan op ontwikkelingen rondom de woonlasten 2022-2025. En dan specifiek op de riool- en afvalstoffenheffing. Dit is de tweede keer dat dit onderwerp onderdeel is van het addendum bij de Perspectiefnota. We gaan achtereenvolgens in op de toegepaste uitgangspunten, de wettelijke basis omtrent de riool- en afvalstoffenheffing, de stijging van afvalstoffenverwerking, de effecten van het afvalbeleidsplan en de uittreding van de gemeente Utrechtse Heuvelrug bij het afvalbrengstation, de stijging woonlasten en de stand van de voorzieningen. 3. Meicirculaire 2021 Eind mei is de meicirculaire gemeentefonds 2021 verschenen. Deze circulaire vormt voor de meeste gemeenten de basis voor het opstellen van de (meerjaren)begroting 2022 - 2025. Ook de provincie bepaalt hierop het toezicht voor de gemeenten. De financiële gevolgen van de meicirculaire zijn meegenomen in het gepresenteerde financiëel perspectief 2022 - 2025. 4. Risico’s corona Vanaf maart 2020 heeft het coronavirus Nederland en de gemeente Rhenen in zijn greep.
Uitgangspunt van de Rijksoverheid was en is dat lokale overheden er als gevolg van Covid-19 niet slechter voor komen te staan dan daarvoor. Tussen de VNG en het kabinet is afgesproken dat gemeenten worden gecompenseerd voor reële kosten en gederfde inkomsten. Voor de incidentele gevolgen is de gemeente Rhenen via de steunpakketten van het Rijk gecompenseerd. Hoe en in welke mate de structurele financiële gevolgen van de pandemie worden gecompenseerd is nog niet duidelijk. Vooralsnog is er in het financieel perspectief geen rekening gehouden met hogere uitgaven of lagere inkomsten als gevolg van Covid-19. In hoofdstuk 2 is een uitgebreide toelichting opgenomen.
5
H2
ONTWIKKELING FINANCIËLE POSITIE 6
ontwikkeling financiële positie
FINANCIËLE POSITIE GEMEENTEN De afgelopen jaren zijn de zorgen over de financiële positie van gemeenten toegenomen. Gemeenten luiden de noodklok en geven aan onvoldoende middelen te hebben om hun taken naar behoren uit te voeren. Ook de VNG en provinciale toezichthouders vragen aandacht voor de financiële positie van gemeenten en de gevolgen voor het voorzieningenniveau. In januari is de BDO Benchmark Nederlandse Gemeente verschenen. De titel van het rapport luidde “Financiële positie onhoudbaar”. Tekorten groeien verder, uitvoering openbaar bestuur verschraalt. In de voorjaarsrapportage hebben we hier aandacht aan besteed. Daar bovenop verscheen in april 2021 een rapport van Cebeon met de titel “Gemeenten in de knel”. Toenemende druk op financiële positie leidt tot sluipende uitholling voorzieningenniveau. Het onderzoek maakt duidelijk dat de financiële kaders waarbinnen gemeenten keuzes moeten maken steeds meer gaat knellen. Directe aanleiding zijn de gevolgen van de financiële crisis rond 2010, die in sommige gemeenten heeft geleid tot forse verliezen op grondposities. De financiële druk die gemeenten ervaren, heeft een extra impuls gekregen met de decentralisaties in het sociaal domein in 2015. Veel gemeenten hebben moeite de oplopende kosten in het sociaal domein te beheersen.
Gemeenten ervaren hier weinig beleidsvrijheid als gevolg van beperkende wet- en regelgeving en maatschappelijke druk. De laatste jaren zijn er steeds meer gemeenten die moeite hebben de begroting sluitend te krijgen. Ook neemt het aantal gemeenten dat kampt met een exploitatietekort sterk toe. De onderzoeken bevestigen wat alle gemeenten al wisten. Het lijkt dan ook een kwestie van tijd dat de overheid over de brug zal komen met extra financiële middelen. FINANCIËLE POSITIE RHENEN De financiële positie van de gemeente Rhenen staat net zoals bij andere gemeenten al jaren onder druk. Vooral door de financiële crisis en de nieuwe taken bij het sociaal domein. Het college heeft zich de afgelopen jaren maximaal moeten inspannen om een structureel sluitende begroting te realiseren. Daarnaast waren er nog veel onzekerheden zoals de structurele gevolgen van de coronapandemie, nieuwe Omgevingswet (inclusief Wkb) en de herijking van het gemeentefonds. Deze baren naar de toekomst toe nog steeds de nodige zorgen. In de perspectiefnota 2021 waren daarom denkrichtingen opgenomen voor toekomstige ombuigingen. In onderstaande tabel is het verloop van de begrotingsresultaten inzichtelijk gemaakt. Het vertrekpunt wordt gevormd door de primitieve (meerjaren)begroting 2021-2024.
Begrotingsresultaten
2022
2023
2024
2025
1. Begrotingsresultaten primitieve begroting 2021 - 2024
101.500 V
419.500 V
24.500 V
24.500 V
2. Begrotingswijzigingen na vaststelling primitieve begroting
72.000 N
310.000 N
9.000 N
10.500 N
3. Vertrekpunt perspectiefnota 2022
29.500 V
109.500 V
15.500 V
14.000 V
4. Bijstellingen budgetten in perspectiefnota 2022*
77.500 N
321.000 N 165.000 N
165.000 N
5. Begrotingsresultaten 2022 - 2025
48.000 N
211.500 N 149.500 N
151.000 N
H2
* In deze bedragen zijn ook de wettelijke/onvermijdelijke beleidsvoornemens uit de perspectiefnota 2022 meegenomen. Ook is rekening gehouden met de effecten van de meicirculaire 2021. Tenslotte is vanaf 2023 ook rekening gehouden met de gevolgen van de Wet Kwaliteitsborging Bouw voor de leges (gevolgklasse 1). Informatie hierover volgt verderop in het document. Het financieel perspectief 2022-2025 laat voor alle jaren een tekort zien. Of ombuigingen nodig zijn is nu niet aan te geven. Een bepalende factor hierbij is de manier waarop gemeenten in hun begroting mogen omgaan met de uitkomsten van de arbitragezaak jeugd. Hierover vindt op (landelijke) overleg plaats, tussen de provincies, BZK, VNG en IPO. Een ander aandachtspunt zijn de randvoorwaarden die het Rijk zou kunnen stellen aan de besteding van de extra middelen jeugdhulp. Als het college die extra middelen niet vrij mag besteden, dan ligt er een forse uitdaging te wachten om een reëel en structureel sluitende begroting te realiseren. Zeker door alle ombuigingen die de afgelopen jaren hebben plaatsgevonden. Het college zal bij eventuele ombuigingen de denkrichtingen uit de perspectiefnota 2021 als uitgangspunt nemen.
7
ontwikkeling financiële positie
H2
In onderstaande tabel zijn de budgettaire bijstellingen uit de perspectiefnota 2022 (punt 4) toegelicht. Het betreft alleen de mutaties die het resultaat voor- of nadelig beïnvloeden. Een meer gedetailleerde uitwerking is opgenomen in de bijlagen. Financieel (meerjaren)perspectief (in €)
2022
2023
2024
2025
Vertrekpunt perspectiefnota 2022: Meerjarenbegroting 2021-2024
29.500 V
109.500 V
15.500 V
14.500 V
1. De incidentele dekking uit de algemene reserve voor de structurele kosten voormalig bestuur en voormalig personeel vervalt. Beleid is dat structurele lasten worden gedekt met structurele baten. Ook voorwaarde bij bepalen toezicht provincie.
104.000 N
104.000 N
104.000 N
104.000 N
0N
0N
112.000 V
150.000 V
3. Voordeel uitkering gemeentefonds door verwerking decembercirculaire 2020 en meicirculaire 2021, actualisatie maatstaven, verwerking woonplaatsbeginsel en bijstelling onderuitputting BTW compensatiefonds. In 2023 en 2024 is ook de voorzichtigheidsraming voor de opschalingskorting vervallen. In 2024 en 2025 is 50% van het voordelig effect van de herijking verwerkt.
430.500 V
463.500 V
518.500 V
1.170.500 V
4. Bijstelling dividend Vitens en BNG.
64.000 N
39.000 N
39.000 N
39.000 N
0N
0N
0N
304.000 N
6. De prijsontwikkeling bij de zorgkosten (percentage OVA en CPI) valt in 2022 t/m 2025 lager uit dan de eerdere verwachtingen hierover. Verder is het restantbudget voor het opvangen van de prijsontwikkelingen 2021 afgeraamd. Omdat het jaar 2025 nieuw is toegevoegd aan de meerjarenraming wijkt het bedrag af van 2024.
126.500 V
137.000 V
140.000 V
31.500 V
7.
25.000 N
75.000 N
125.000 N
175.000 N
8. Verwacht effect invoering nieuw woonplaatsbeginsel per 1 januari 2022. Zie ook extra inkomsten uit het gemeentefonds. Naar aanleiding van de publicatie van de meicirculaire 2021, zal het bedrag bij het opstellen van de begroting worden aangepast naar € 157.000. De bijstelling heeft geen effect op het resultaat omdat het een budgettair neutrale mutatie betreft.
283.500 N
283.500 N
283.500 N
283.500 N
9. De nieuwe aanbesteding leerlingenvervoer m.i.v. schooljaar 2020 - 2021 leidt tot hogere kosten.
68.500 N
68.500 N
68.500 N
68.500 N
2. Voordeel kapitaallasten project vastgoed en accommodatiebeleid (investering 5,2 miljoen). Vanaf 2025 is het budget voor de realisatie van het MFG Rhenen ondergebracht bij het Sociaal Domein. Het voordeel in 2024 komt ten gunste van het begrotingsresultaat 2024.
5. Loonindexering 2025 o.b.v. prognose korte termijnraming Centraal Planbureau uit maart 2021.
Budget uitvoering collegeprogramma nieuwe bestuursperiode 2022-2026.
10. Voor de realisatie van het MFG Rhenen zijn op diverse plekken in de begroting budgetten beschikbaar. Deze zijn nu ondergebracht in een totaalbudget binnen het Sociaal Domein.
150.000 N
11. Indexering zorgkosten Wmo en ophoging budget begeleiding individueel.
69.500 N
69.500 N
69.500 N
69.500 N
12. Hogere bijdrage Valleihopper door indexering en afbouw subsidie vanuit de provincie Utrecht.
7.000 N
24.500 N
42.500 N
47.500 N
13. Verlaging gemeentelijke bijdrage IW4 door verhoging Rijksbijdrage WSW.
64.000 V
85.500 V
96.500 V
96.500 V
14. Het voordeel bij de bijstand (BUIG) komt doordat het plafond in de reserve WWB is bereikt. Het voordeel wordt veroorzaakt door een aanpassing in de prognose van het aantal bijstandsontvangers en een hogere Rijksbijdrage.
54.000 V
119.000 V
96.000 V
46.000 V
8
ontwikkeling financiële positie
Financieel (meerjaren)perspectief (in €) - vervolg
2022
2023
2024
2025
15. Bijstelling legesopbrengsten uit Titel 1, 2 en 3, met name door fluctuatie opbrengsten uit bouwleges. Door actualisatie van de woningbouwplanning, de verwachting dat er in 2022 (en jaar eerder dan eerder verwacht) een aanvraag omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor MFG Rhenen en het effect van de invoering van de Wet Kwaliteitsborging voor het Bouwen vanaf 2023.
101.000 V
172.500 N
87.500 N
87.000 N
16. Stijging van de OZB eigenarenbelasting door actualisatie woningbouwplanning en aanpassing van de indexering (excl. structurele invulling ombuigingsmaatregel afschaffing OZB niet-woningen gebruikersdeel van 55.000).
35.000 V
56.000 V
48.000 V
165.000 V
17. Perspectiefnota 2021: wettelijk/ onvermijdelijke voorstellen (categorie 1): digitale transformatie en advies meldpunt verward.
142.500 N
142.500 N
142.500 N
142.500 N
18. Gemeenten dienen toezicht te houden op milieubelastende activiteiten binnen de gemeentegrenzen. Sinds 2013 is dit toezicht verplicht ondergebracht bij de omgevingsdienst. Om adequaat toezicht te houden heeft OrdU 2.162 uur nodig voor Rhenen. In het uitvoeringsprogramma is 1.100 uur opgenomen. Rhenen wil 90% van het extra gebenodigde aantal uren vastleggen, zijnde 956 uur. HIervoor is een budget van € 92.500 nodig.
92.500 N
92.500 N
92.500 N
92.500 N
19. In 2020 is een nieuwe dienstverleningsovereenkomst afgesloten voor ICT. Om de veiligheid en stabiliteit te waarborgen moeten de werkzaamheden procesmatig (voorspelbaar) worden uitgevoerd. Wet- en regelgeving op het gebied van informatiehuishouding en -beveiliging wordt complexer. Er is sprake van toename en verschuiving van taken en nieuwe rollen. Dit alles leidt tot hogere kosten.
62.000 N
62.000 N
62.000 N
62.000 N
20. Overige verschillen
30.000 V
48.500 N
59.500 N
199.500 N
Totaal bijstellingen in financieel perspectief
77.500 N
321.000 N
165.000 N
165.000 N
Resultaat na perspectiefnota 2022
48.000 N
211.500 N
149.500 N
150.500 N
H2
9
ontwikkeling financiële positie
H2
In onderstaande grafiek is per deelprogramma het totaal van de financiële bijstellingen in de periode 2022 - 2025 inzichtelijk gemaakt. 4.2
Jeugd maatwerk
-2.148.000
4.3
Maatschappelijke ondersteuning preventief
-583.000
3.2
Ruimtelijke ontwikkeling
-539.000
4.4
Maatschappelijke ondersteuning maatwerk
-513.500
1.2
Organisatie
-380.000
5.1
Economische zaken
-282.500
1.1
Bestuur
-201.000
2.1
Rhenense Publieksbalie
-179.500
6.2
Handhaving
-80.000
1.3
Facilitair
-73.000
3.3
Duurzaamheid
-2.500
6.1
Openbare orde en veiligheid
-1.500
4.5
Participatie preventief
114.000
4.1
Jeugd preventief
143.000
7.1
Belastingen, leges en heffingen
564.000
4.6
Participatie maatwerk
717.500
7.2/7.3
Overige algemene dekkingsmiddelen
995.500
3.1
Verkeer en openbare ruimte
1.721.000
10
ontwikkeling financiële positie
BELEIDSVOORNEMENS In de perspectiefnota zijn de beleidsvoornemens opgenomen die bijdragen aan het realiseren van de politiek/bestuurlijke ambities. Hierbij is voortgeborduurd op de plannen uit de perspectiefnota 2021. Door de verkiezingen in 2022 wil het college een beleidsarme (meerjaren)begroting 2022-2025 opstellen die structureel en reëel sluitend is. Met het oog hierop zijn onderstaande beleids-voornemens opgenomen.
Wat willen we gaan doen in 2022 - 2025?
DP
Cat
2022
2023
2024
2025
1.3
1
112.500 N
112.500 N
112.500 N
112.500 N
3.1
1
P.M.
P.M.
P.M.
P.M.
4.3
1
30.000 N
30.000 N
30.000 N
30.000 N
6.1
1
P.M.
P.M.
P.M.
P.M.
142.500 N
142.500 N
Wettelijke / onvermijdelijke beleidsvoornemens Programma 1 - Bedrijfsvoering 1. Digitale transformatie (budget is gemiddelde van de bandbreedte) Programma 3 - Fysiek 1. Telecomwet en 5G
Wettelijk/onvermijdelijk Het college heeft de beleidsvoornemens digitale transformatie, Telecomwet en 5G, advies- en meldpunt verward en de aanpassing van de brandweerkazerne aangemerkt als wettelijk/onvermijdelijk (categorie 1). Vanwege hun aard zijn deze voornemens verwerkt in het financieel perspectief.
H2
Programma 4 - Sociaal-Maatschappelijk 3. Advies- en meldpunt verward (niet acuut) Programma 6 - Veiligheid en handhaving 1. Aanpassing brandweerkazerne Rhenen* Totaal
142.500 N 142.500 N
*De financiële consequenties hiervan worden meegenomen bij de opstelling van de begroting 2022. Overige beleidsvoornemens - herstelplan corona Het college wil ook een extra impuls geven aan het economisch herstel na corona. Het college wil daarom extra inzetten op de uitvoering van de economische agenda en recreatie en toerisme (inclusief de Vuelta). Deze beleidsvoornemens hangen samen met het bestuursprogramma (categorie 2). De lasten kunnen gedekt worden door het inzetten van de reserve collegeprogramma en de hogere inkomsten toeristenbelasting.
Overige beleidsvoornemens herstelplan corona Programma 5- Economie & toerisme 1. Economische agenda
5.1
2
58.000 N
15.000 N
15.000 N
15.000 N
2. Uitvoeringsprogramma recreatie en toerisme
5.1
2
63.000 N
31.000 N
21.000 N
21.000 N
8. Vuelta
5.1
2
10.000 N
0N
0N
0N
131.000 N
46.000 N
36.000 N
36.000 N
Totaal
Overige beleidsvoornemens Tenslotte zijn er beleidsvoornemens die op het snijvlak liggen van de uitvoering van het vastgestelde bestaand beleid (categorie 3) en de bestuurlijke opgaven uit het bestuursprogramma. Voorbeelden zijn de beleidsmedewerker accommodatiebeleid, de woningbouwopgave en de energietransitie. Voor deze beleidsvoornemens is geen financiële ruimte beschikbaar. Misschien dat binnen het principe oud voor nieuw mogelijkheden zijn. Afhankelijk hiervan komt het college met een voorstel bij de (meerjaren)begroting 2022 - 2025.
Overige beleidsvoornemens
Budget nieuwe bestuursperiode Voor het uitvoeren van de ambities en daaraan verbonden de beleidsvoornemens na de verkiezingen 2022 is in het financieel perspectief een budget opgenomen van € 50.000 per jaar (1e jaar € 25.000).
Budget collegeprogamma
Programma 3- Fysiek 4. Formatie uitbreiding: 3,8 fte fysieke ruimte
3.2
3
289.000 N
289.000 N
289.000 N
289.000 N
4.3
3
64.000 N
64.000 N
64.000 N
64.000 N
353.000 N
353.000 N
25.000 N
75.000 N
125.000 N
25.000 N
75.000 N
125.000 N 175.000 N
Programma 4- Sociaal-Maatschappelijk 8. Accomodatie- en vastgoedbeleid: uitbreiding formatie Totaal
1. Budget uitvoering collegeprogramma Totaal
7.2
3
353.000 N 353.000 N
175.000 N
11
ontwikkeling financiële positie
ONZEKERHEDEN EN AANDACHTSPUNTEN In het huidige financieel perspectief zitten ook onzekerheden. De belangrijkste zijn: 1. De structurele effecten van de nieuwe Omgevingswet en en de Wet Kwaliteitsborging voor het bouwen zijn nog niet volledig is beeld. Belangrijk is ook welke keuzes de raad op onderdelen gaat maken. 2. De gevolgen van de coronapandemie trekken op dit moment nog geen zware wissel op de financiële positie van de gemeente. Er is geen aanleiding om de zorgbudgetten te verhogen als gevolg van de coronapandemie. Maar blijft dat zo? 3. De verwachting is dat de herijking wordt aangepast. De Raad Openbaar Bestuur is kritisch op de huidige verdeling. Dit geldt ook voor een aantal gemeenten. Verder zijn de eerste uitkomsten van de herijking gebaseerd op 2017. Een actualisatieslag is nodig. Welke impact heeft dit op de ontwikkeling van de financiële positie? 4. Het ontbreken van een budget voor het huisvestingsplan onderwijs. In dit plan worden de huisvestingsverplichtingen ten aanzien van onderhoud, renovatie, nieuwbouw en duurzaamheidsaspecten van de gemeente en de schoolbesturen inzichtelijk gemaakt. Hieronder volgt een toelichting op de hierboven genoemde onderwerpen. 1. OMGEVINGSWET EN WET KWALITEITSBORGING BOUW1 Recente ontwikkelingen inwerkingtreding Omgevingswet De nieuwe Omgevingswet zou per 1 januari 2022 van kracht worden.
Eind april 2021 is duidelijk geworden dat de inwerkingtredingsdatum van de Omgevingswet zorgvuldig afgewogen moet worden. Er wordt gevreesd voor het stilvallen van de woningbouw. Het digitaal stelsel (DSO) bevat nog veel obstakels. En ook de invoeringskosten voor gemeenten zijn een knelpunt. Bij de laatste monitor van het ministerie van Binnenlandse Zaken is het aantal gemeenten dat zegt niet op tijd klaar te zijn per 1 januari 2022 gestegen: één op de vijf gemeente ligt op koers. Minister van Veldhoven bespreekt met de rijkspartijen, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg en de Unie van Waterschappen hoeveel extra tijd er nodig is om de Omgevingswet verantwoord in te laten gaan. Daarbij wordt gedacht aan juli 2022 of zelfs begin 2023. Deze recente ontwikkelingen maken dat bij het opstellen van het meerjarenperspectief in de Perspectiefnota 2022 het uitgangspunt aangehouden wordt dat de nieuwe Omgevingswet per 1 januari 2023 in werking treed. Op 26 mei 2021 heeft het VNG/IPO advies uitgebracht aan de Eerste Kamer. Naar verwachting wordt dat voorstel overgenomen. Er is pas zekerheid nadat de Eerste Kamer een besluit heeft genomen. Dit is na de zomer van 2021.
H2
Invloed Omgevingswet op de leges De stelselwijziging Omgevingswet, samen met de invoering van de Wet Kwaliteitsborging Bouw (Wkb), heeft gevolgen voor de legesheffing door gemeenten. Deze gevolgen zijn sterk afhankelijk van de lokale ambities, beleidsinvulling en inrichtingskeuzes van de gemeente. Het uitgangspunt van de gemeente Rhenen bij invoering van de Omgevingswet is een zoveel mogelijk beleidsneutrale omzetting van de huidige regelgeving. In het proces om te komen tot een Visie op Rhenen en het Omgevingsplan worden bestuurlijke keuzes gemaakt op diverse beleidsterreinen. De Wkb en de zogenaamde ‘knip’ zullen bij inwerkingtreding de grootste impact hebben op de leges. De ‘knip’ zorgt voor een scheiding van de bouwtechnische en ruimtelijke toets. Een aantal zeer lichte bouwactiviteiten (o.a. dakkapellen, erfafscheidingen en zonnepanelen) worden bouwbesluittoetsvrij. Daarnaast wordt de bouwtechnische toets op gevolgklasse 1 geprivatiseerd. Onder gevolgklasse 1 vallen grondgebonden woningen, woonboten, vakantiewoningen, bedrijfspanden van maximaal 2 bouwlagen, fiets- en voetgangersbruggen en overige bouwwerken geen gebouw zijnde tot maximaal 20 meter hoog. De overige gevolgklassen worden later geprivatiseerd. Verder krijgen gemeenten de keuze om milieuleges te introduceren en vervalt de mogelijkheid om leges te heffen op brandveiligheid.
Tot inwerkingtreding van de Omgevingswet worden deze mogelijkheden verder onderzocht. De impact van de Wkb op de legesverordening is veruit het grootst en is voor een deel te voorzien. Daarom nemen we in de Perspectiefnota 2022 enkel de effecten van de Wkb mee en niet het totale effect van de Omgevingswet. Bouwleges Met name de bouwleges zullen onder de nieuwe Omgevingswet substantieel dalen als gevolg van de Wkb. Uit de eerste impactanalyse binnen de gemeente Rhenen is gebleken dat ruim 90% van de aangevraagde omgevingsvergunningen onder de Wkb onder gevolgklasse 1 valt. De ruimtelijke toets blijft omgevingsvergunningplichtig. Alleen de bouwtechnische toets en het toezicht daarop wordt geprivatiseerd. De eerste inschatting is dat 43% van de werkzaamheden voor deze vergunningaanvragen verdwijnt. Dit betekent dat voor de bouwtechnische werkzaamheden geen leges meer in rekening kunnen worden gebracht. Meerjarenperspectief - baten Als in het meerjarige perspectief van de bouwleges geen rekening wordt gehouden met de gevolgen van de invoering van de Wkb, zien we vanuit de vernieuwde Woonvisie en de geactualiseerde woningbouwplanning een stijging van de baten uit bouwleges. Met de huidige kennis van de impact van de invoering van de Wkb is het niet reëel om deze stijging mee te nemen bij 12
ontwikkeling financiële positie
de legesopbrengsten, omdat een groot deel van de heffingsgrondslag vervalt. Daarom wordt er in het financieel perspectief uitgegaan van het structurele inkomstenniveau van de afgelopen jaren. Dit is een bedrag van € 400.000. Loonkosten en overhead in de bouwleges Daarnaast heeft de invoering van de Wkb een effect op de loonkosten: een aantal gemeentelijke taken verdwijnt. Op basis van de eerste impactanalyse is de verwachting een bedrag van € 160.000 aan loonkosten inclusief overhead niet langer gedekt wordt uit de inkomsten van bouwleges doordat de heffingsgrondslag verdwijnt. Deze kosten kunnen eveneens niet of nauwelijks gedekt worden door de opbrengsten uit de overige leges binnen de omgevingsvergunningen en vormen daarom een structureel nadeel op de gemeentelijke begroting vanaf 2023. Het aandeel van de overheadkosten (€ 76.000) is op korte termijn nauwelijks beïnvloedbaar en vormt daarom een structureel nadeel op de begroting vanaf 2023. Het aandeel van de directe loonkosten (€ 84.000) vormt een taakstelling voor de organisatie. Monitoring We monitoren de ontwikkeling rondom de nieuwe Omgevingswet en Wkb nauwlettend en zullen bij ieder document uit de planning & control-cyclus de nieuwste inzichten verwerken. Ad 1 In de afrondende fase van deze rapportage heeft de Rijksoverheid besloten de nieuwe inwerkingtredingsdatum van de Omgevingswet te verschuiven naar 1 juli 2022.
Dit geldt ook voor de inwerkingtreding van de Wkb. Binnen deze
H2
in de tijd. Er lijkt enige gewenning aan de situatie op te treden. Jongeren vertonen een toename van gevoelens van eenzaamheid en soms angst, wat leidt tot toenemende zorgen over de impact van de maatregelen op hun ontwikkeling. Na een daling tijdens de eerste lockdown begint het beroep op jeugdhulp te stijgen, waarbij de problematiek ernstiger lijkt te worden, zeker in bepaalde delen van het land. De gemiddelde leergroei in het basisonderwijs blijft in dit coronajaar achter bij andere jaren. Er is onzekerheid over de gevolgen op langere termijn. Voor de gemeente Rhenen zit deze onzekerheid met name in de openeinderegelingen van de Jeugdwet, Wmo en BUIG. Deze openeinderegelingen zijn opgenomen in de top 10 van risico’s in de gemeenten en hebben een groot aandeel in het benodigde weerstandsvermogen van de gemeente Rhenen. Omdat het beschikbare weerstandsvermogen nog steeds goed is te noemen is het financiële risico van de openeinderegelingen vooralsnog voldoende afgedekt. Voor specifiek de BUIG geldt dat door positieve resultaten in de afgelopen jaren de reserve zijn maximum heeft bereikt. Bij negatieve resultaten kan de reserve ingezet worden als dekking. Daarnaast bestaat de vangnetregeling. Bij tekorten boven de 7,5% van het beschikte bedrag (€ 288.500 o.b.v.
nader voorlopige beschikking 2021) en een aantal andere voorwaarden kan de gemeente een beroep doen op de vangnetregeling. De huidige positieve ontwikkeling rondom Covid-19, zoals een afname van het aantal IC opnames en besmettingen en een toename van de vaccinatiegraad, zorgen voor enig optimisme. Grote financiële consequenties worden op basis van de huidige positieve ontwikkeling niet verwacht.
rapportage wordt uitgegaan van een inwerkingtreding per 1-1-2023, mede omdat deze verschuiving niet ondenkbaar is. De ontwikkelingen zullen nauwlettend in de gaten gehouden worden en, waar nodig, zullen de financiële effecten doorgerekend worden zodra er meer duidelijkheid is.
2. COVID-19 Vanaf maart 2020 heeft het coronavirus Nederland en de gemeente Rhenen in zijn greep. We zijn inmiddels een jaar verder en zien een tweeledig beeld. Enerzijds is de huidige maatschappelijke impact minder ernstig dan verwacht. De toename van het aantal faillissementen, de werkloosheid en het aantal bijstandsuitkeringen is tot op heden beperkt. De eerdere verwachting dat huiselijk geweld en kindermishandeling toenemen is nog niet zichtbaar in de landelijke officiële registraties. Anderzijds is er vrees voor een ‘stilte voor de storm’. Landelijke en lokale deskundigen maken zich zorgen over de positie van jongeren, zzp’ers en traditioneel kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt. Stopzetten van steunpakketten kan ertoe leiden dat economische effecten en werkloosheid meer zichtbaar worden. Wat betreft mentale weerbaarheid fluctueert het beeld
Uitgangspunt van de Rijksoverheid was en is dat lokale overheden er als gevolg van Covid-19 niet slechter voor komen te staan dan daarvoor. Tussen de VNG en het kabinet is afgesproken dat gemeenten worden gecompenseerd voor reële kosten en gederfde inkomsten. Voor de incidentele gevolgen is de gemeente Rhenen voldoende gecompenseerd. Hoe en in welke mate de structurele financiële gevolgen van de pandemie worden gecompenseerd is nog niet duidelijk. Vooralsnog is er in het financieel perspectief geen rekening gehouden met hogere uitgaven of lagere inkomsten als gevolg van Covid-19.
13
ontwikkeling financiële positie
3. HERIJKING De uitkering van het gemeentefonds is met circa 60% de grootste inkomstenbron van veel gemeenten. Bij de uitkering naar gemeenten geldt het vertrekpunt dat elke gemeente een gelijkwaardige financiële uitgangspositie heeft. De huidige verdeling is echter nog gebaseerd de Financiële-verhoudingswet uit 1997. Sinds die tijd is er veel veranderd voor gemeenten. Denk bijvoorbeeld aan de aard en omvang van het takenpakket, schaalvergroting en regionale samenwerkingsverbanden. Alle gemeenten hebben dezelfde (wettelijke) taken, maar de omstandigheden waaronder zij die moeten uitvoeren lopen sterk uiteen. Om de gelijkwaardigheid van de financiële positie voor gemeenten te verbeteren is in 2019 is gestart met de onderzoeken naar een nieuwe verdeling van het gemeentefonds. Dit wordt ook wel de herijking van het gemeentefonds genoemd. Deze herijking bestaat uit een tweetal onderzoeken. Een naar het sociaal domein en een naar de overige domeinen, ook wel het klassiek domein genoemd. De onderzoeken zijn beide gebaseerd op de verdeling van het gemeentefonds zoals die in 2017 plaatsvond. Uitkomsten herijking en vervolgproces In februari 2021 zijn de voorlopige uitkomsten van de volledige herijking door de fondsbeheerders (Ministerie van BZK en Financiën) ter consultatie voorgelegd aan de Raad Openbaar Bestuur. De voorlopige uitkomsten van de onderzoeken zijn toen openbaar gemaakt.
De fondsbeheerders hebben begin april aangegeven dat er een aangepast verdeelvoorstel komt. De belangrijkste redenen hiervoor zijn: 1. De reacties van de Raad Openbaar Bestuur en gemeenten zijn aanleiding om het verdeelvoorstel nog een keer kritisch tegen het licht te houden 2. Voor één van de verdeelmaatstaven in het sociaal domein is een betere bron beschikbaar. De fondsbeheerders willen overgaan tot een analyse waarbij deze bron wordt betrokken. Deze aanpassing zorgt voor vertraging en betekent dat de bestuurlijke consultatie van gemeenten doorschuift. Het is nu de verwachting dat deze vlak vóór of vlak ná de zomer zal zijn. De invoeringsdatum staat nog steeds gepland in 2023. Aandachtspunt hierbij is dat de minister de besluitvorming over het invoeren van de nieuwe verdeling (herijking) van het gemeentefonds heeft doorgeschoven naar een volgend kabinet. Reden hiervoor is de huidige financiële positie van gemeenten en de gesprekken tussen de VNG en het ministerie van BZK en Financiën over onder andere de financiering van het sociaal domein.
H2
Met de herijking wordt het gemeentefonds niet groter maar worden de middelen op een andere manier over de gemeenten verdeeld met als doel de gelijkwaardigheid van de financiële positie voor gemeenten te verbeteren. Het voordeel van € 14 is de resultante van diverse verschuivingen binnen de domeinen die het gemeentefonds kent. Bij het sociaal domein bedraagt het nadeel € 88 per inwoner. Het betreft de bijstelling van de WMO middelen. Landelijk bedraagt dit nadeel € 66. Bij het klassiek domein daarentegen treedt een voordeel op van € 173 per inwoner. Dit is gelijk aan het landelijke beeld. De bijstelling van de inkomstenmaatstaven uit het gemeentefonds zorgt voor een nadeel van € 71 per inwoner. Landelijk is dit bedrag € 92 per inwoner nadelig. Hoe zijn de gevolgen van de herijking verwerkt in het addendum? Om de (meerjaren)begroting 2021 - 2022 sluitend te krijgen is in 2020 besloten om het nadelig effect van de herijking in 2022 en 2023 van € 375.000 te laten vervallen. Aanvullend daarop heeft de raad in december 2020 het nadelig effect voor 2024 verlaagd naar € 200.000. In dit addendum is het voorlopig voordeel van de herijking van € 14 per inwoner voor 50% verwerkt. Er zijn in dit stadium nog teveel onzekerheden waar we rekening mee moeten houden: a. De herijking wordt nog aangepast op basis van de eerste reacties van de ROB en gemeenten; b.
Er komt nog een actualisatieslag omdat de huidige herijking is gebaseerd op de verdeling 2017; c. Uitkomsten van de gesprekken met Rijk over de penibele financiële situatie waarin veel gemeenten verkeren (opschalingskorting, tekorten jeugd e.d.).
Eerste uitkomsten herijking hoopgevend voor gemeente Rhenen De eerste uitkomsten van de herijking laten zien dat Rhenen bij de voordeelgemeenten hoort. Het voordeel is gebaseerd op de verdeling 2017 en bedraagt € 14 per inwoner. Een voordelig effect van in totaal € 280.000. 14
ontwikkeling financiële positie
Het college verwacht dat door de kabinetsformatie en de overleggen over de financiële positie van gemeenten de herijking met een jaar wordt uitgesteld naar 2024. Daarvan uitgaande en rekening houdend met de gebruikelijke overgangsregeling van 3 jaar ziet het effect voor 2024 en 2025 er als volgt uit. Financieel effect herijking in addendum (bedragen x € 1.000)
2024
2025
2026
2027
50% effect herijking (€ 7 per inwoner)
140 V
140 V
140 V
140 V
Overgangsregeling 3 jaar
115 N
70 N
35 N
0V
Voordeel herijking incl. overgangsregeling
35 V
70 V
105 V
140 V
Opgenomen in begroting 2021 – 2024
200 N
200 N
Voordeel in addendum voor 2024 en 2025
235 V
270 V
Effect nieuw Woonplaatsbeginsel Met ingang van 1 januari 2022 gaat het nieuwe woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet in. Dit beginsel regelt welke gemeente financieel verantwoordelijk is voor de jeugdhulp. Het nieuwe woonplaatsbeginsel is nodig omdat er sprake is van hoge uitvoeringslasten in het huidige beginsel. In veel gevallen volgt het gezag niet uit de Basisregistratie Personen (BRP) en moet het gezagregister geraadpleegd worden. Dit is een tijdrovende en specialistische activiteit. Verder zijn er vaak wijzigingen van de woonplaats tijdens een hulpverleningstraject omdat gezagdragers verhuizen of het gezag verliezen. Hierdoor wordt een andere gemeente verantwoordelijk tijdens een lopend hulpverleningstraject. Dit zorgt voor hoge uitvoeringslasten. Het nieuwe woonplaatsbeginsel kent als woonplaats van een jeugdige de gemeente waar de jeugdige stond ingeschreven direct voorafgaand aan de zorg met verblijf. Voor ambulante zorg is dat dus de gemeente waar de jeugdige staat ingeschreven. Dit moet leiden tot meer duidelijkheid en lagere uitvoeringslasten. Daarnaast sluit het nieuwe woonplaatsbeginsel beter aan bij de uitgangspunten van de Jeugdwet. De oorspronkelijke gemeente blijft verantwoordelijk voor een jeugdige waardoor die gemeente gestimuleerd wordt om te investeren in preventie.
Zowel de bestaande jeugdigen in jeugdhulp als de nieuwe instroom vanaf 1 januari 2022 vallen onder het nieuwe woonplaatsbeginsel. Vooralsnog is de verwachting dat het nieuwe woonplaatsbeginsel geen gevolgen heeft voor de aantallen jeugdigen onder verantwoordelijkheid van de gemeente Rhenen. Wel is berekend
H2
op het aantal jeugdigen uit 2017 dat de financiële consequentie € 14 per inwoner is. Dit wordt veroorzaakt omdat de verwachting is dat het aantal jeugdigen in pleegzorg in Rhenen minder wordt, maar het aantal jeugdigen met jeugdzorgplus toe neemt. Jeugdzorgplus is een duurdere vorm van zorg (€ 150.000 per jeugdige per jaar). Het financiële effect van het woonplaatsbeginsel is meegenomen in de opbrengst van de algemene uitkering in deelprogramma 7.2 (algemene dekkingsmiddelen), maar ook als uitgaven begroot in deelprogramma 4.2 (Jeugd maatwerk). Het gaat om een bedrag van € 283.000. Dit bedrag is gelijktijdig met de voorlopige uitkomsten over de herijking bekend gemaakt. Bij de meicirculaire 2021 blijkt het bedrag € 157.000 te zijn. De aanpassing wordt verwerkt in de begroting 2022-2025. Het begrotingsresultaat wijzigt niet omdat hier sprake is van een budgettair neutrale mutatie.
4. MIDDELEN INTEGRAAL HUISVESTINGS PLAN (IHP) ONDERWIJS In de huidige meerjarenbegroting ontbreekt een budget voor het huisvestingsplan onderwijs. Er komt een wettelijke verplichting vanaf 2023 voor gemeenten om in samenspraak met de schoolbesturen een IHP op te stellen. Dit plan gaat waarschijnlijk over een periode van tenminste 16 jaar. Het IHP is in combinatie met de meerjaren onderhoudsplanningen van schoolbesturen de basis voor een langjarige planning van investeringen. Dat gaat om onderhoud, renovatie, nieuwbouw, duurzaamheidsaspecten, maar kan ook gaan over sluiting en sloop. In het IHP staat onder andere de visie van de gemeente Rhenen op onderwijshuisvesting. Per schoolgebouw komt er een overzicht van de huidige capaciteit en de benodigde capaciteit nu en voor de toekomst, de staat van het gebouw en wanneer de gemeenten en schoolbestuur met elkaar in overleg moeten over wat te doen met een gebouw. Voor de komende 16 jaar is het in ieder geval de verwachting dat er voor de Ericaschool, De Eben Haezerschool en de Pantarijn beslissingen met financiële consequenties uit volgen. De bovengenoemde onzekerheden kunnen in de toekomst een wissel trekken op de financiën van onze gemeente. In 2024 en 2025 is de financiële positie redelijk tot goed te noemen. We moeten echter waken voor teveel optimisme.
De ervaring leert dat de financiën van een gemeente sterk in beweging kunnen zijn. Denk alleen maar aan de omvang van het gemeentefonds of het gebruik van de openeinderegelingen. Het is van belang om bij financiële tegenwind tijdig te kunnen inspelen op de gevolgen daarvan. Het college wil daarom in het verlengde van de denkrichtingen uit de perspectiefnota 2021 mogelijke ombuigingen in beeld gaan brengen.
15
H3
PIJLERS FINANCIEEL BELEID 16
pijlers financieel beleid
REËEL EN STRUCTUREEL SLUITENDE BEGROTING Een belangrijke pijler onder het financieel beleid van de gemeente is een reëel en structureel sluitende begroting. Dit vormt bij het bepalen van het toezicht door de provincie ook een belangrijk uitgangspunt. Het betekent dat structurele lasten worden gedekt door structurele baten. Dit is van belang om een duurzame financiële positie te borgen. Een structureel sluitende begroting wordt tot uiting gebracht met het kengetal van het structurele exploitatiesaldo uit de paragraaf weerstandsvermogen. Met de druk op de financiën van gemeenten zien we bij veel gemeenten dat dit kengetal negatief is. Dat blijkt uit de onderzoeken die de afgelopen periode zijn verschenen over de onhoudbare financiën van gemeenten (BDO benchmark en Coelo). Over het algemeen ligt de focus van gemeenten op een sluitende begroting of een positief jaarrekeningresultaat. Langzamerhand verschuift de aandacht steeds meer naar het structurele exploitatiesaldo. Een negatief structureel exploitatiesaldo bij de jaarstukken kan namelijk een voorteken zijn van een forse uitdaging bij de begroting. De huidige begrotingsresultaten 20222025 zeggen dus nog weinig over het structurele exploitatiesaldo (structureel resultaat). Van begrotingsresultaat naar structureel exploitatiesaldo De begrotingsresultaten laten voor de jaren 2022-2025 een tekort zien.
Het begrotingstekort in 2022 bedraagt €48.000 en loopt in 2023 op naar € 211.500. In de jaren 2023 en 2024 komt het tekort uit op € 150.000. Het structurele exploitatiesaldo (resultaat) pakt nog nadeliger uit dan het begrotingsresultaat. Structureel exploitatiesaldo
2022
2023
2024
2025
48.000 N
211.500 N
149.500 N
151.000 N
Incidenteel resultaat
109.000 V
105.000 V
20.500 V
20.500 V
Structureel resultaat
157.000 N
316.500 N
170.000 N
171.500 N
Begrotingsresultaten
48.000 N
211.500 N
149.500 N 151.000 N
Begrotingsresultaten
H3
Toezicht provincie Om in aanmerking te komen voor het gewenste repressief toezicht van de provincie dient de begroting in ieder geval reëel en structureel sluitend te zijn. De provincie toetst dit uitgangspunt op basis van het 1e jaar. Vertoond dat jaar een tekort dan wordt het laatste jaar hierop beoordeeld. Als de nieuwe (meerjaren)begroting wederom het 1e jaar een tekort vertoond, dan dienen de laatste 2 jaar reëel en structureel sluitend te zijn. Het huidige financieel perspectief vertoont voor alle jaren een structureel nadelig exploitatieresultaat. Om een structureel en reëel sluitende begroting te realiseren, is de manier waarop gemeenten mogen omgaan met de uitkomsten van de arbitragezaak jeugd een bepalende factor. De eerste signalen van de provincie wijzen erop dat de gemeenten de toezegde € 1,3 miljard voor jeugd in 2022 als een structurele financiële bate morgen aanmerken. Op basis daarvan zou het jaar 2022 een structureel en reëel sluitend zijn. Voor de verwerking van extra middelen in 2023 en verder vindt op dit moment (landelijke) overleg plaats, tussen de provincies, BZK, VNG en IPO. Een belangrijk aandachtspunt zijn de randvoorwaarden die het Rijk zou kunnen stellen aan de besteding van de extra middelen jeugdhulp.
Als het bedrag volledig moet worden ingezet voor de jeugdzorg dan verbetert het financieel perspectief van de gemeente niet, en vermindert de druk op de financiële positie ook niet. Op dat moment ligt er voor het college een uitdaging om een structureel en reëel sluitende (meerjaren)begroting 2022-2025 te realiseren.
Opbouw begrotingsresultaat
Met een nadelig structureel exploitatiesaldo in alle jaren voldoen we niet aan een reëel en structureel sluitende begroting. Dit is wel een belangrijke voorwaarde bij de beoordeling van het toezicht door de provincie. Het vormt ook een pijler onder ons financieel beleid. Of er ombuigingen nodig zijn is nu niet aan te geven. Dit is afhankelijk van de manier waarop gemeenten mogen omgaan met de uitkomsten van de arbitragezaak jeugd. Zie hiervoor de toelichting die hierna volgt. 17
pijlers financieel beleid
H3
GEZOND WEERSTANDSVERMOGEN Een gezond weerstandsvermogen is van belang om te weten in hoeverre financiële tegenvallers kunnen worden opgevangen, zodat de gemeente met de realisatie van de bestuurlijke ambities kan blijven doorgaan. De middelen waarover de gemeente beschikt om eventuele (rest)risico’s die de gemeente loopt af te dekken wordt de beschikbare ‘weerstandscapaciteit’ genoemd. De benodigde weerstandscapaciteit is een gevolg van een inschatting van de risico’s, die niet zijn of konden worden ondervangen met beheersmaatregelen. Om de omvang daarvan te bepalen heeft in 2020 een gemeente brede risico-inventarisatie plaatsgevonden. Hierbij zijn de meest risicovolle processen beoordeeld op mogelijke nog niet afgedekte risico’s. De ‘gevonden’ restrisico’s zijn vervolgens voor zover mogelijk gekwantificeerd. De ratio weerstandsvermogen is de verhouding beschikbare en benodigde weerstandscapaciteit. Ten tijde van de jaarrekening 2020 bedraagt deze ratio 3,6 (norm > 1,0).
Ratio weerstandsvermogen =
Beschikbare weerstandscapaciteit Benodigde weerstandscapaciteit
=
21.384.500 6.000.000
= 3,6
Een ratio van 3,6 wordt op basis van het eigen beleid als uitstekend aangemerkt. Opgemerkt moet worden dat alleen de gekwantificeerde (rest)risico’s in de berekening zijn meegenomen. Uit de grafiek blijkt dat de ratio in de periode 2017 tot en met 2020 zich op een redelijk stabiel niveau van 3,5 beweegt. Ratio weerstandsvermogen 2022 - 2025 De verwachting is dat de ratio weerstandsvermogen de komende jaren licht zal dalen. De beschikbare weerstandscapaciteit in de vorm van het vermogen laat een dalende tendens zien. De algemene reserve daalt in 2021 met € 1,1 miljoen. Het inzetten van de algemene reserve voor de kosten van de implementatie Omgevingswet, de toekomst- en omgevingsvisie en de demping van de woonlasten zorgen voor de verlaging. Ook nemen de risico’s toe omdat gemeenten met de Wet inburgering er een nieuwe taak bij krijgen. Mogelijk kunnen de structurele gevolgen van Covid-19 ook voor extra risico’s zorgen. Het is op dit moment nog niet mogelijk om een exact weerstandsratio voor de komende jaren aan te geven. Daarvoor zijn bovenstaande ontwikkelingen te onzeker. Het is goed om te constateren dat de ratio weerstandsvermogen met 3,6 als uitstekend kan worden aangemerkt.
ACCEPTABELE SCHULDPOSITIE Wat is schuld? Als de gemeente wil investeren dan moet er geld op de bankrekening staan om de investeringen te financieren. Als er te weinig geld op de bank staat, moet het geld wat nodig is eerst worden geleend. Daarmee stijgen de schuld en de rentelasten van de gemeente. De ruimte om nieuwe investeringen te doen, hangt dus af van hoeveel extra schuld een gemeente aankan en dat is afhankelijk van de inkomsten van de gemeente. De gemeente heeft ook eigen financieringsmiddelen zoals bijvoorbeeld reserves. Het is een misverstand om te denken dat de reserves ‘zakken met geld’ zijn die op de kamer van de wethouder Financiën staan. Het eigen vermogen van een gemeente, waar de reserves onder vallen, ligt vrijwel volledig vast in activa (zoals gebouwen, wegen en riolering) en is pas in harde euro’s beschikbaar als de activa verkocht kan worden (op korte termijn). De omvang van het eigen vermogen van een gemeente bepaalt dus niet op voorhand of een gemeente ruimte heeft om te investeren.
18
pijlers financieel beleid
H3
Beleid Een acceptabele schuldenpositie is een van de pijlers onder het financieel beleid van onze gemeente. Voor het begrip acceptabel houden we daarbij de landelijke signaalwaarden aan. Landelijke signaalwaarden Kengetal ultimo jaar
Voldoende
Matig
Onvoldoende
1a Netto-schuldquote
<90%
90-130%
>130%
1b Netto-schuldquote, gecorrigeerd voor alle verstrekte leningen
<90%
90-130%
>130%
2 Solvabiliteitsratio
>40%
20-40%
<20%
4 Structurele exploitatieruimte
>0,6%
0-0,6%
<0%
5 Belastingcapaciteit woonlasten t.o.v. landelijk gemiddelde jaar ervoor
<100%
100-120%
>120%
3 Grondexploitatie
<10%
De schuldpositie wordt uitgedrukt als percentage van de totale baten. Als de schuldpositie meer dan 130% van de baten is dan wordt de schuldquote als onvoldoende beschouwd.Naast de gehanteerde signaalwaarde voor de omvang van de schuld is er een beperking aan de omvang van de rentelasten van de aangetrokken geldleningen. Deze ligt vast in de Wet Fido (artikel 6: renterisiconorm). Bij overschrijding van deze norm is een oplopend toezichtregime van toepassing. Ontwikkeling schuldpositie Rhenen In 2020 bedraagt de netto gecorrigeerde schuldquote 60% (niet gecorrigeerd 72%). Dit is vergelijkbaar met het niveau 2019. In 2020 zijn de schuldquotes nauwelijks toegenomen omdat de omvang van de baten is gestegen. Dit heeft vooral te maken met de steunpakketten van het Rijk in het kader van corona. De komende 5 jaar zal de omvang van de schulden toenemen met circa € 15 miljoen. Dit blijkt uit de geprognosticeerde balansen 2022 - 2025. Hierbij is voor het MFG Rhenen rekening gehouden met een investeringsbedrag van € 5,2 miljoen. De raad heeft nog niet besloten om voor het MFG Rhenen een hoger investeringskrediet beschikbaar te stellen. Daarom is hiermee in de ontwikkeling van de netto schuldquote geen rekening gehouden. Een toename van de schuld met € 1 miljoen staat gelijk aan een stijging van de schuldquote met circa 2%.
In de grafiek hiernaast is het verloop van de netto schuldquote weergegeven voor de jaren 2020 - 2025. De schuldpositie neemt toe als de gemeente geen eigen middelen heeft om de investeringen te kunnen betalen. Ook een daling van de eigen financieringsmiddelen (reserves en voorzieningen) zorgt voor een oplopende schuldquote.
BDO benchmark financiële positie gemeenten Begin dit jaar is de BDO benchmark verschenen over de ontwikkeling van de financiële positie van gemeenten in Nederland. Het rapport heet “Financiële situatie onhoudbaar”. Tekorten groeien verder, uitvoering openbaar bestuur verschraalt. Het onderzoek trekt deze conclusie op basis van de ontwikkeling van de voorgeschreven kengetallen uit de paragraaf weerstandsvermogen. Ze hebben hierbij zowel de informatie uit de jaarstukken 2019 gebruikt als de begrotingen 2021 van de gemeenten. Om de financiële positie van gemeenten te kwantificeren speelt de netto schuldquote gecorrigeerd een nadrukkelijke rol. Het onderzoek laat zien dat de netto schuldratio gecorrigeerd van circa 61% in 2019 van de gemeente Rhenen beduidend hoger ligt dan gemeenten tot 25.000 inwoners (37%) en het gemiddelde van Nederland (49%). Daarmee valt de schuldratio nog steeds in de categorie minst risicovol. Bij de huidige lage rentestanden kan het aantrekkelijk zijn om middelen aan te trekken voor investeringen waar burgers nog jaren van kunnen profiteren. Schulden maken voor risicovolle investeringen moet echter weloverwogen gebeuren en geld lenen om tekorten in de structurele begroting te dekken is niet wenselijk.
19
H4
OVERIG 20
overig
UITGANGSPUNTEN (MEERJAREN)BEGROTING 2022 2025 Uitgangspunten voor de op te stellen begroting 2022 en de meerjarenraming 2023-2025 is het bestaand beleid zoals dat door de gemeenteraad is geautoriseerd in de begroting 2021-2024, inclusief de door de raad goedgekeurde wijzigingen hierop tot en met april 2021. Voor de begroting 2022 worden de volgende uitgangspunten toegelicht: a. Loonontwikkeling b. Prijsontwikkeling c. Renteontwikkeling d. Volumegroei voor jeugd en WMO e. Uitkering uit het gemeentefonds f. Ontwikkeling lokale lasten g. Subsidies h. Toedeling overhead
H4
b. Prijsontwikkeling Prijsontwikkeling
2022
2023
2024
2025
Prijsontwikkeling (IMOC)
1,40%
1,50%
1,50%
1,50%
Prijsontwikkeling (OVA)
1,72%
2,30%
2,20%
2,20%
Voor het opvangen van de prijsontwikkelingen 2022 – 2025 zijn op basis van het OVA en het IMOC percentage budgetten opgenomen. Het OVA percentage wordt gebruikt bij de ontwikkeling van de maatwerkkosten jeugd, Dit is een afspraak die in regionaal verband is gemaakt. Voor de overige kosten gaan we uit van het IMOC percentage. De percentages zijn afkomstig uit de raming van het CPB zoals die in maart 2021 zijn gepubliceerd voor het jaar 2022 en verder.
c. Renteontwikkeling a. Loonontwikkeling Loonontwikkeling
2022
2023
2024
2025
Structurele loonontwikkeling incl. werkgeverslasten
1,20%
2,25%
2,05%
2,35%
Incidentele loonontwikkeling
0,25%
0,25%
0,25%
0,25%
1,45%
2,50%
2,30%
2,60%
Het voorstel is om voor de loonontwikkeling 2022 een percentage te hanteren van 1,45%. Dit percentage is als volgt opgebouwd: - Een structurele loonontwikkeling van 1,20% (inclusief stijging van de werkgeverslasten). Dit percentage is 1,15 procentpunt lager dan in de meerjarenbegroting 2021 is opgenomen. Het uitgangspunt voor de structurele loonontwikkeling is de prognose van het Centraal Planbureau (CPB) voor het percentage prijs overheidsconsumptie beloning werknemers - Een incidentele loonontwikkeling van 0,25%. Dit percentage is gereserveerd voor: • de jaarlijkse periodieken die onze gemeente verstrekt tot het einde van de loonschaal is bereikt en • loonkosten bij tussentijdse bevorderingen en wijzigingen in personeelsopbouw. De incidentele loonontwikkeling is gebaseerd op ervaringscijfers.
Algemeen In dit onderdeel wordt u geïnformeerd over de ontwikkeling van de werkelijke rentepercentages van de geldleningen en over de rentepercentages die worden gebruikt bij de doorbelasting van de rentelasten aan de investeringen. Rentepercentage kortlopende geldleningen o/g Voor de financiering van de investeringen wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de eigen financieringsmiddelen. Als deze ontoereikend zijn dan is er sprake van een financieringstekort. Zo’n tekort wordt eerst gefinancierd met kortlopende geldleningen (tot aan de kasgeldlimiet) omdat kortgeld doorgaans goedkoper is dan langlopende financiering. Bij de berekening van de rentelasten voor kortlopende financiering is uitgegaan van een kortlopende geldleningen o/g van 1 jaar met een rente van 0%. Rentepercentage langlopende geldleningen o/g Bij de berekening van de rentelasten voor langlopende financiering is uitgegaan van een lineaire langlopende geldleningen o/g van 30 jaar met een rentepercentage van 0,40% (peildatum medio mei). Dit is 0,20% hoger dan de raad bij de behandeling van de (meerjaren)begroting 2021 – 2024 in de raad van november 2020 heeft vastgesteld.
21
overig
Doorbelasting rente aan de investeringen (met uitzondering van grondexploitatie) Voor de financiering van de investeringen en de grondexploitaties maakt de gemeente gebruik van eigen financieringsmiddelen en van externe financieringsmiddelen zoals leningen bij een bank. De rentelasten van deze leningen worden in de begroting centraal verantwoord in het hoofdstuk Overige algemene dekkingsmiddelen (7.2). Vanuit daar worden de rentelasten na aftrek van de rentebaten doorbelast aan de investeringen. Het rentepercentage dat hiervoor wordt gebruikt vloeit voort uit onderstaand renteschema van het BBV. In het addendum is vooralsnog het percentage 2021 van 1,44% gehanteerd. Bij het opstellen van de (meerjaren)begroting 2022 – 2025 zal het percentage 1,25% uit onderstaand renteschema worden gebruikt.
H4
Doorbelasting rentepercentage aan de grondexploitatie De rente die wordt toegerekend aan de grondexploitaties is op grond van het BBV gebaseerd op het gewogen gemiddelde rentepercentage van alle reeds aangetrokken geldleningen o/g en de verwacht aan te trekken geldleningen in 2022. Dit percentage is vervolgens gerelateerd aan de verhouding Vreemd vermogen/ Totaal vermogen. Dat het percentage voor de grondexploitatie afwijkt van alle overige vaste activa hangt samen met de VPB plicht voor gemeenten. Het rentepercentage voor 2022 komt uit op 1,69%. Meerjarig wordt hetzelfde rentepercentage gehanteerd. Ook hier geldt dat in het addendum het percentage 2021 van 1,75% is gebruikt.
Berekening omslagrente 2022 Schema rentetoerekening jaar T+1
01-01-2022
a. De externe rentelasten over de korte en lange financiering
1.033.686
b. De externe rentebaten
-142.228
Totaal door te rekenen externe rente c.1 De rente die aan de grondexploitatie moet worden doorbereken
891.458 9.524
c.2 De rente van projectfinanciering die aan het betreffende taakveld moet worden toegerekend
0
c.3 De rentebaat van doorverstrekte leningen indien daar een specifieke lening voor is aangetrokken (=projectfinanciering), die aan het betreffende taakveld moet worden toegerekend
0 9.524
Saldo door te rekenen externe rente
900.982
d.1 Rente over het eigen vermogen
0
d.2 Rente over voorzieningen (gewaardeerd op contante waarde)
0
Rente door te belasten aan overige activa
900.982
d. Volumegroei voor Jeugd en Wmo Voor de jaren 2022 tot en met 2025 is bij de jeugdzorg geen rekening gehouden met een volumegroei. Voor jeugd is de meerjarige voorspelling een blijvende stabilisatie rond de 320-350 cliënten op enig moment in zorg. We kijken terug op een niet te voorspellen periode en die onvoorspelbaarheid zal ook in de nabije en misschien zelfs verdere toekomst een grote rol blijven spelen. Het jaar 2020 zagen we een lichte daling in de aantallen, maar een stijging in de zware specialistische -lees duurdere- jeugdhulp, waardoor de lichte daling geen effect had op de budgetomvang. Voor de Wmo is over 2022 tot en met 2025 geen rekening gehouden met volumegroei. Dit betekent dat het budget uit de voorjaarsrapportage 2021 is doorgetrokken in het meerjaren perspectief. Bij ieder planning en control product wordt de begroting op basis van de dan lopende beschikkingen en het verwachte verzilveringspercentage indien nodig aangepast. Het jaar 2020 laat zien dat het gebruik van de WMO-voorzieningen moeilijk blijkt te voorspellen. Er is nu geen directe aanleiding om uit te gaan van een forse of volumegroei of zelfs daling. Het goed blijven monitoren van de budgetten is daardoor van groot belang. De budgetten jeugd en WMO worden jaarlijks geïndexeerd. Alleen als we in enig jaar een structurele groei of daling waarnemen, zullen de budgetten daarop worden aangepast.
Rentepercentage verdelen over de taakvelden als onderdeel van totaalfinanciering a. Rente door te belasten aan overige activa
900.982
b. Boekwaarde van de investeringen op 1/1/2022
71.912.000
AF: Boekwaarde van de grondexploitatie 1-1-2022
0 71.912.000
c. Rentepercentage overige activa m.u.v. de grondexplitatie
1,25%
e. Uitkering uit het gemeentefonds Het financieel perspectief in dit addendum is gebaseerd op de meicirculaire 2021. De verwachte ontwikkelingen van de maatstaven zoals aantallen inwoners, woonruimten en bijstandsgerechtigden zijn geactualiseerd. De taakmutaties, integratie- en decentralisatie uitkeringen uit de meicirculaire 2021 zijn vooralsnog gereserveerd. Bij het opstellen van de begroting 2022 - 2025 zal worden beoordeeld in hoeverre hier uitgaven tegenover staan. 22
overig
f. Ontwikkeling lokale heffingen De lokale heffingen van een gemeente bestaan uit de belastingen, leges en de heffingen. Uitgangspunt is dat de belastingen en leges worden verhoogd met het percentage van de gewogen nominale ontwikkeling. De leges mogen daarbij niet het maximale niveau van 100% kostendekkendheid per verordening overschrijden. Ook de heffingen riolering en afval mogen niet meer dan 100% kostendekkend zijn. Bij de heffingen worden de materiële kosten verhoogd met het percentage van de verwachte prijsontwikkeling in 2022. Voor de personele kosten is het vertrekpunt de begrote loonkosten 2022. Deze worden verhoogd met het percentage van de overhead. Het percentage van de gewogen nominale ontwikkeling is een combinatie van de verwachte prijsontwikkeling en loonontwikkeling. Met de huidige inzichten over de verwachte ontwikkeling van de lonen en prijzen komt de gewogen nominale ontwikkeling voor 2022 uit op 1,44% . Voor de jaren 2023 t/m 2025 is uitgegaan van 1,69%.
Nominale ontwikkeling 2022
2022
Percentage prijsontwikkeling
1,40%
Percentage loonontwikkeling
1,45%
Gewogen nacalculatie (t-1)
0,03%
Samengesteld gewogen gemiddelde
1,44%
H4
Toedeling overhead De toedeling van de overhead is gebaseerd op de formatie (FTE). Bij de toerekening van de overhead aan de organisatieonderdelen zijn de volgende uitgangspunten toegepast: a. de algemene bedrijfsonderdelen zoals bijvoorbeeld communicatie, juridische zaken, receptie is over het totaal aantal FTE van de productieafdelingen op het Gemeentehuis en Remmerden verdeeld b. voor een aantal specifieke onderdelen die meer dienstbaar zijn aan de (interne) organisatie zoals bijvoorbeeld kantoorkosten, financiën en automatisering geldt dat de kosten verfijnder zijn toegerekend. Deze kosten zijn namelijk in mindere mate van toepassing voor de teams op Remmerden. Bij deze toerekening is de formatie van het bedrijfsbureau Remmerden als uitgangspunt genomen. Geactualiseerde opslagpercentages overhead 2022: 1. Teams/medewerkers locatie Gemeentehuis 2. Teams/medewerkers locatie Remmerden
2022 89% 64%
2021 90% 64%
In het huidige financieel perspectief is voor de leges en heffingen gerekend met de opslagpercentages 2021. De nieuwe percentages 2022 worden verwerkt bij de uitwerking van de (meerjaren)begroting 2022 - 2025. Het lagere opslagpercentage voor de medewerkers van het gemeentehuis zorgt voor een beperkt voordeel bij de leges en heffingen. Hiertegenover staat een nadelig effect in de reguliere exploitatie.