25125 001 C1 rapport natuurtoets Paardenmarkt en Passantenhaven in Rhenen 2024
Tekst van het document
25125.001 versie C1
23 / 48
de voorgenomen werkzaamheden, bij de beoogde ontwikkellocaties aanvullend onderzoek te laten plaatsvinden naar de aanwezigheid van beschermde vaatplanten. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden in de periode dat deze soorten in bloei staan, of anderzijds goed te determineren zijn.
5.8 Overige soort(groep)en Overtredingen van de Omgevingswet ten aanzien van beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn wegens het ontbreken van geschikt habitat/verblijfsmogelijkheden, op basis van verspreidingsgegevens, de aanwezigheid van voldoende alternatieven en/of gezien de aard van de ingreep in dit geval niet aan de orde.
25125.001 versie C1
24 / 48
6
Voortoets Natura 2000
In algemene zin kan er door een plan sprake zijn van negatieve gevolgen, op vanuit de Omgevingswet aangewezen beschermde Natura 2000-gebieden. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke gebieden er mogelijk sprake is van negatieve effecten als gevolg van de voorgenomen ingrepen op de onderzoekslocatie. Verder wordt beschreven of een vervolgtraject noodzakelijk is en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen. De onderzoekslocatie is gedeeltelijk gelegen binnen de grenzen van Natura 2000-gebied Rijntakken. In figuur 6.1 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000 weergegeven. In figuren 6.2 en 6.3 is de ligging van de planvoornemens van de Paardenmarkt en de Passantenhaven ten opzichte van Natura 2000 weergegeven. Het Natura 2000-gebied dat gedeeltelijk gelegen is binnen de onderzoekslocatie betreft aangewezen Vogelrichtlijngebied. Het meest dichtbij zijnde habitatrichtlijngebied van Natura 2000-gebied Rijntakken, is gelegen op circa 1,9 kilometer ten oosten van de onderzoekslocatie.
Figuur 6.1 Ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000 (rode arcering).
25125.001 versie C1
25 / 48
Figuur 6.2 Ligging uitbreiding Paardenmarkt ten opzichte van Natura 2000 (rode arcering).
Figuur 6.3 Ligging Stadshaven ten opzichte van Natura 2000 (rode arcering).
6.1 Doelstelling Natura 2000 Voor ieder Natura 2000-gebied geldt dat deze een specifiek internationaal belang heeft voor bepaalde soorten en/of habitattypen. Op grond van de staat van instandhouding en het relatief belang van soorten en habitattypen zijn de belangrijkste verbeteropgaven en doelen op landelijk niveau vastgesteld. Deze landelijke doelen vormen de kaders voor de formulering van instandhoudingdoelen op gebiedsniveau.
6.2 Aangewezen habitats Rijntakken heeft in totaal 14 aangewezen habitats (zie tabel 6.1). De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen van aangewezen habitattypen. De meest dichtbij zijnde aangewezen Habitattypen betreffen Vochtige alluviale bossen op ruim 2 kilometer afstand en Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden op ruim 3 kilometer afstand van de onderzoekslocatie.
25125.001 versie C1
26 / 48
Tabel 6.1. Aangewezen habitattypen voor Natura 2000-gebied Rijntakken Habitattype
Naam
H3150
Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden
H3260B
Beken en rivieren met waterplanten
H3270
Slikkige rivieroevers
H6120
Stroomdalgraslanden
H6430A-B-C
Ruigten en zomen
H6510A-B
Glanshaver- en vossenstaarthooilanden
H9120
Beuken-eikenbossen met hulst
H91E0A-B-C
Vochtige alluviale bossen
H91F0
Droge hardhoutooibossen
6.3 Aangewezen soorten Habitatrichtlijn Naast beschermde habitats zijn in Natura 2000-gebied Rijntakken ook habitatsoorten aangewezen. De aangewezen habitatsoorten zijn allemaal watergebonden soorten zoals de rivierprik, zalm, elft bittervoorn, grote- en kleine modderkruiper, bever en kamsalamander. Doelstellingen voor habitatsoorten zijn alleen van toepassing binnen Natura 2000-gebied dat is aangewezen als Habitatrichtlijn. Omdat het meest dichtbij zijnde gebied dat aangewezen is als Habitatrichtlijn op ruim 1,9 kilometer van de onderzoekslocaties gelegen is, kunnen deze soortgroepen verder buiten beschouwing gelaten worden in onderhavige toetsing, met uitzondering van de effecten van stikstofdepositie op eventuele stikstofgevoelige leefgebiedtypen van Habitatrichtlijnsoorten. Vogelrichtlijn Het Natura 2000-gebied Rijntakken, dat gedeeltelijk gelegen is binnen de onderzoekslocatie, is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Binnen het Vogelrichtlijngebied zijn er doelstellingen voor een aantal soorten ten aanzien van het aantal broedparen of als leefgebied voor niet-broedvogels. In onderhavige voortoets is bepaald of de voorgenomen ingreep negatieve effecten kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen voor in het Natura 2000-gebied aangewezen broedvogels en niet-broedvogels.
In figuren 6.4 en 6.5 zijn de aangewezen broedvogels en niet-broedvogels voor Natura 2000-gebied Rijntakken weergegeven.
25125.001 versie C1
27 / 48
In opdracht van BIJ12 heeft SOVON Natura 2000-leefgebiedenkaarten opgesteld voor deze soorten. In de leefgebiedenkaarten wordt binnen de begrenzing van Natura 2000-gebied Rijntakken onderscheid gemaakt tussen ‘geen leefgebied’, ‘potentieel leefgebied’ en ‘bezet leefgebied’. Potentieel leefgebied biedt in potentie geschikt habitat voor de soort, maar er zijn geen territoria bekend binnen dit gebied. Potentiële leefgebieden kunnen belangrijk zijn voor het realiseren van uitbreidingsdoelstellingen en het robuust maken van populaties van de betreffende soorten. Bezet leefgebied is geschikt leefgebied waarbinnen territoria zijn vastgesteld van de betreffende soorten. In tabel 6.2 is weergegeven van welke aangewezen broedvogels en niet-broedvogels bezet en potentieel niet-bezet leefgebied voorkomt binnen de invloedsfeer van de onderzoekslocatie. Tabel 6.2. leefgebied broedvogels en niet broedvogels op de onderzoekslocatie op basis van de leefgebiedenkaarten van SOVON. Bezet leefgebied broed- Mogelijk bezet potentieel Bezet leefgebied niet-broedvogels vogels leefgebied broedvogels Aalscholver
Dodaars
Aalscholver
Kuifeend
Tureluur
Blauwborst
Kwartelkoning
Brandgans
Meerkoet
Wilde eend
IJsvogel
Porseleinhoen
Fuut
Nonnetje
Wulp
Oeverzwaluw
Zwarte stern
Grutto
Scholekster
Tafeleend
Kievit
Slobeend
Toendrarietgans
Kleine zwaan
Smient
Krakeend
Kolgans
6.4 Gevoeligheid De toetsing van de mogelijke effecten is uitgevoerd aan de hand van de effectenindicator van het Ministerie van Economische Zaken. In de effectenindicator zijn de meest voorkomende storende factoren met betrekking tot het Natura 2000-gebied in het kader van diverse werkzaamheden beschreven. In tabel 6.3 staan vetgedrukt de storende factoren weergegeven die bij de toetsing worden beoordeeld. De niet vetgedrukte factoren kunnen op voorhand worden uitgesloten omdat deze niet van toepassing zijn op de voorgenomen activiteiten. Tabel 6.3. Storende factoren conform effectenindicator* 1. Oppervlakteverlies 2. Versnippering 3. Verzuring 4. Vermesting 5. Verzoeting 6. Verzilting 7. Verontreiniging 8. Verdroging 9. Vernatting 10. Verandering stroomsnelheid
11. Verandering overstromingsfrequentie 12. Verandering dynamiek substraat 13. Verstoring door geluid 14. Verstoring door licht 15. Verstoring door trilling 16. Optische verstoring 17. Verstoring door mechanische effecten 18. Verandering in populatiedynamiek 19. Bewuste verandering soortensamenstelling
* De vetgedrukte factoren worden bij de toetsing betrokken, de overige factoren zijn op voorhand niet aan de orde.
25125.001 versie C1
28 / 48
Per factor wordt beschreven of deze als gevolg van de voorgenomen ingreep in zijn algemeenheid kan plaatsvinden. Vervolgens wordt beschreven of het optreden van de verstorende factor tot negatieve effecten kan leiden. Niet iedere soort of habitat is even gevoelig voor de mogelijk optredende storende factoren. Door middel van de effectenindicator voor soorten en habitats zijn de meest voorkomende storende beschreven met betrekking tot het Natura 2000-gebied de Rijntakken (figuur 6.4 en 6.5).
Figuur 6.4 Effectenindicator Rijntakken.
25125.001 versie C1
Figuur 6.5 vervolg figuur 6.2.
29 / 48
6.5 Inventarisatie mogelijke effecten Natura 2000 Oppervlakteverlies Kenmerk: afname beschikbaar oppervlak leefgebied soorten en/of habitattypen. Interactie andere factoren: verlies van oppervlakte leidt tot verkleining en in sommige gevallen ook tot versnippering van het leefgebied (zie aldaar). Een kleiner gebied heeft bovendien meer te leiden van randinvloeden: vaak is de kwaliteit van het leefmilieu aan de rand minder goed dan in het centrum van het gebied. Op deze manier leidt verlies oppervlakte mogelijk ook tot een grotere gevoeligheid voor bijvoorbeeld verdroging, verzuring of vermesting. Werking: door afname van het beschikbare oppervlak neemt ook het aantal individuen van een soort af. Om duurzaam te kunnen voortbestaan moet elke soort uit een minimum aantal individuen bestaan; bij diersoorten wordt meestal van een minimum aantal paartjes (reproductieve eenheden) gesproken. Wanneer een populatie te klein wordt neemt de kans op uitsterven toe, zeker als deze populatie geen onderdeel uitmaakt van een samenhangend netwerk van leefgebieden. Bij een populatie die uit te weinig individuen bestaat, neemt ook de kans op inteelt toe en dus de genetische variatie af. Hierdoor wordt een populatie kwetsbaar voor veranderingen ten gevolge van bijvoorbeeld predatie, extreme seizoensinvloeden of ziekten. Ook habitattypen kennen een ondergrens voor een duurzame oppervlakte.
Analyse oppervlakteverlies: De onderzoekslocatie is gedeeltelijk gelegen binnen de grenzen van Natura 2000-gebied Rijntakken. Het Natura 2000-gebied op de onderzoekslocatie is aangewezen als Vogelrichtlijngebied. Een afname van leefgebied van de aangewezen soorten uit tabel 6.2 kan mogelijk leiden tot een negatief effect op Natura 2000-doelstellingen. De beoogde plannen voor de uitbreiding van de passantenhaven tot stadshaven zou uitgevoerd kunnen worden buiten de begrenzing van Natura 2000 waardoor deze mogelijke ontwikkeling niet zal leiden tot oppervlakteverlies van leefgebied van aangewezen soorten. De volgende activiteiten vinden plaats binnen de grenzen van Natura 2000-gebied, en kunnen zodoende leiden tot een afname van leefgebied: Uitbreiding van parkeerplaats Paardenmarkt Met het planvoornemen wordt de parkeerplaats Paardenmarkt uitgebreid aan de westzijde en wordt de inrit verplaatst naar iets ten zuiden van de huidige inrit. Deze ontwikkelingen vinden plaats binnen gebied dat aangewezen is als natura 2000-gebied. De beoogde uitbreiding binnen de grenzen van Natura 2000 is circa 1.950 m2 (figuur 6.2). Ook is dit gebied aangewezen als (niet bezet potentieel) leefgebied voor de kwartelkoning en als bezet leefgebied voor niet broedvogels (overwintering) voor diverse eenden, ganzen en steltlopers (zie tabel 6.2).
De verwachting is dat het gebied waar deze uitbreidingen plaatsvinden feitelijk niet gebruikt worden door deze soorten als leefgebied. Het grasland waar de beoogde uitbreiding op gepland is, is gelegen aan de rand van het gebied tegen de bebouwde kom van Rhenen, waardoor reeds veel verstoring aanwezig is. Daarnaast lopen er veel struinpaden door het gebied waar veel mensen wandelen en de hond uitlaten, gezien het gebied tegen de bebouwde kom aanligt, zal deze verstoring jaarrond plaatsvinden. Ondanks het feit dat in de huidige situatie het gebied niet tot nauwelijks gebruikt zal worden door aangewezen vogelsoorten als leefgebied, zorgt de ingreep wel voor een permanente afname van potentieel toekomstig leefgebied. Dit kan beschouwd worden als een negatief effect. In hoeverre dit effect al dan niet mogelijk significant kan zijn, dient nader getoetst te worden in een passende beoordeling.
25125.001 versie C1
30 / 48
Verbreding voetgangersstoep Veerweg en Rijnstraat In de planbeschrijving staat opgenomen dat de Veerweg en Rijnstraat heringericht worden. De beide asfaltwegen zullen voorzien worden van asfalt met een andere uitstraling, maar parallel daaraan zal de voetgangersstoep verbreed worden van 1,60 meter tot 2,20 meter. Dit zou een oppervlaktevergroting van het verharde gebied binnen de onderzoekslocatie betekenen en een afname van potentieel leefgebied van aangewezen soorten. In dit geval dient het negatieve effect nader getoetst te worden in een passende beoordeling. Indien de totale breedte van gecombineerd de weg en de naastgelegen stoep behouden blijft doordat de weg daarentegen versmalt wordt, dan zal het planvoornemen niet leiden tot oppervlakteverlies. Aanpassen recreatieve voorzieningen In het planvoornemen staat omschreven dat er recreatieve voorzieningen waaronder zitgelegenheden toegevoegd zullen gaan worden. Als deze ingrepen plaatsvinden buiten de begrenzing van Natura 2000, zal dit niet leiden tot oppervlakteverlies. Bij het plaatsen van deze voorzieningen binnen de begrenzing maar op bestaand verhard terrein, zal er ook geen sprake zijn van oppervlakteverlies van leefgebied van aangewezen vogelrichtlijnsoorten. Bij het toepassen van recreatieve voorzieningen buiten bestaand verhard terrein, is wel sprake van oppervlakteverlies van leefgebied van aangewezen soorten.
Afhankelijk van de uiteindelijke oppervlakteverlies dat hierbij zal optreden, kan bepaald worden of er sprake is van een verwaarloosbaar klein effect of dat er noodzaak is tot een passende beoordeling. In een definitieve versie van het rapport zal hier uitsluitsel over gegeven moeten worden. Natuurontwikkeling Onderdeel van het planvoornemen is het uitvoeren van diverse maatregelen ten behoeve van de versterking van de natuur binnen de onderzoekslocatie. Een concrete planuitwerking van deze maatregelen is in het huidig planstadium nog niet beschikbaar. Afhankelijk van de maatregelen die gekozen worden, zouden zowel positieve effecten kunnen optreden op aangewezen Vogelrichtlijnsoorten, zoals bijvoorbeeld broedmogelijkheden voor dodaars in poelen en betere foerageermogelijkheden voor overwinterende broedvogels, als negatieve effecten kunnen optreden. Bij het toevoegen van grotere oppervlaktes struweel kan namelijk een afname ontstaan van potentieel leefgebied van kwartelkoning en leefgebied voor niet broedvogels (diverse soorten eenden, ganzen en steltlopers). Bij het kiezen van de uiteindelijke natuurontwikkeling maatregelen dienen maatregelen gekozen te worden die niet in strijd zijn met de Natura 2000-doelstellingen in het gebied. Geadviseerd wordt om in een definitieve versie van het rapport een meer concrete planuitwerking voor natuurontwikkeling te toetsen.
Omdat de voorgenomen ingreep niet plaatsvindt in de directe nabijheid van aangewezen habitattypen of leefgebieden voor habitatrichtlijnsoorten zal de ingreep niet leiden tot een oppervlakteverlies van habitats of habitatsoorten.
25125.001 versie C1
31 / 48
Versnippering Kenmerk: van versnippering is sprake bij het uiteenvallen van het leefgebied van soorten. Interactie andere factoren: treedt op ten gevolge van verlies leefgebied of verandering in abiotische condities van het leefgebied. Kan leiden tot verandering in populatiedynamiek. Gevolg: als het leefgebied niet meer voldoende groot is voor een populatie, of individuen van één populatie kunnen de verschillende leefgebieden niet meer bereiken, neemt de duurzaamheid van de populatie af. Een gevolg kan zijn een verandering op in de soortensamenstelling en het ecosysteem. Soorten zijn in verschillende mate gevoelig voor de versnippering van hun leefgebied. Het meest gevoelig zijn soorten met een gering verspreidingsvermogen, soorten die zich over de grond bewegen en soorten met een grote oppervlaktebehoefte. Versnippering door barrières zoals wegen en spoorlijnen leidt mogelijk ook tot sterfte van individuen en kan zo effect hebben op de populatiesamenstelling. Bij versnippering moet men altijd goed rekening houden met het schaalniveau van het populatienetwerk.
Analyse versnippering: In de huidige situatie vormt de recreatieve functies langs de Rijn (Passantenhaven, stadsstrand, horecagelegenheid Moeke, Loswal, bestaande infrastructuur) en de verbinding tussen deze elementen en de kern van Rhenen een barrière voor de aangewezen vogelrichtlijnsoorten om als optimaal geschikt leefgebied te kunnen dienen voor de aangewezen soorten. De huidige plannen zullen niet bijdragen aan een toename van deze barrière voor deze soorten. De huidige functies blijven behouden, maar worden op een andere wijze gebruikt. De plekken waar mogelijk sprake is van een afname van leefgebied (zie oppervlakteverlies) zijn van dermate kleine schaal dat deze niet bij zullen dragen aan een negatief effect op Vogelrichtlijnsoorten als gevolg van een toename van versnippering. Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht Kenmerk: Verzuring van bodem of water is een gevolg van de uitstoot (emissie) van stikstof (stikstofoxide (NOx), ammoniak (NH3)). Interactie andere factoren: De effecten van verzurende stoffen zijn niet altijd te scheiden van die van vermestende stoffen, omdat een deel van de verzurende stoffen ook vermestend werkt (aanvoer van stikstof). Gevolg: Verzuring leidt tot een directe of indirecte afname van de buffercapaciteit (het neutralisatievermogen) van bodem of water. Op termijn resulteert dit proces in een daling van de zuurgraad.
Hierdoor zullen voor verzuring gevoelige soorten verdwijnen, wat kan resulteren in een verandering van het habitattype en daarmee mogelijk het verdwijnen van typische (dier)soorten, zoals bijvoorbeeld amfibieën en reptielen die voor hun voortplanting afhankelijk zijn van waterlichamen.
Analyse verzuring en vermesting Zowel als gevolg van de aanlegfase als de uiteindelijke gebruiksfase kan de voorgenomen ingreep in de onderzoekslocaties leiden tot een toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebiedtypen. Een nadere toetsing naar de effecten van de voorgenomen ingrepen op stikstofdepositie is noodzakelijk voor het gehele integrale gebiedsplan, dit kan in eerste instantie middels een modelberekening (AERIUS). Voor enkel de ontwikkeling van de passantenhaven is in april 2023 door Bureau SRO reeds een onderzoek naar de effecten van stikstofdepositie uitgevoerd (rapport 46.10.15). Uit dit onderzoek komt naar voren dat de voorgenomen ingreep voor de passantenhaven niet zal leiden tot een toename van stikstofdepositie in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Echter is bij Econsultancy niet bekend of de ingrepen in de aanlegfase die hier gehanteerd zijn voor de toetsing niet meer aan verandering onderhevig zijn. Als uiteindelijk de ingrepen anders zijn dan in dit rapport is getoetst, dient ook deze ontwikkeling opnieuw in de meest recente versie van Aerius berekend te worden.
25125.001 versie C1
32 / 48
Verontreiniging Kenmerk: Er is sprake van verontreiniging als er verhoogde concentraties van stoffen in een gebied voorkomen, welke stoffen onder natuurlijke omstandigheden niet of in zeer lage concentraties aanwezig zijn. Bij verontreiniging is sprake van een zeer brede groep van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen: organische verbindingen, zware metalen, schadelijke stoffen die ontstaan door verbranding of productieprocessen, straling (radioactief en niet radioactief), geneesmiddelen, endocrien werkende stoffen etc. Deze stoffen werken in op de bodem, grondwater, lucht. Interactie andere factoren: geen directe interactie met andere factoren. Wel kan verontreiniging als gevolg van andere factoren optreden. Gevolg: Vrijwel alle soorten en habitattypen reageren op verontreiniging. De ecologische effecten uiten zich in het verdwijnen van soorten en/of het beïnvloeden van gevoelige ecologische processen. Deze beïnvloeding kan direct plaatsvinden maar ook indirect via een opeenvolging van ecologische interacties. Bovendien kan verontreiniging zich pas vele jaren/decennia later manifesteren. De gevolgen van verontreiniging zijn divers en complex. In het algemeen kan gesteld worden dat aquatische habitattypen en soorten gevoeliger zijn dan terrestrische systemen. Ook geldt dat soorten in de top van de voedselpiramide, als gevolg van accumulatie, van verontreinigingen gevoeliger zijn.
Echter, afhankelijk van de concentratie en duur van de verontreiniging zijn alle habitattypen en soorten gevoelig en kan verontreiniging leiden tot verandering van de soortensamenstelling.
Analyse verontreiniging: Verontreiniging kan plaatsvinden door het vrijkomen en gebruik van schadelijke stoffen gedurende de aanleg. Voor eventuele calamiteiten tijdens de aanleg, zoals olielekkages vanuit machines geldt de zorgplicht. Verontreinigingen dienen in dat kader al onmiddellijk na het optreden ervan te worden opgeruimd. Met inachtneming van de zorgplicht zijn significant negatieve effecten op voorhand uitgesloten. Daarnaast zal vanuit de bodemregelgeving bij grootschalige grondverzet werkzaamheden noodzakelijk zijn om op voorhand een partijkeuring uit te voeren om vast te stellen of in de af te graven grond verontreinigende stoffen aanwezig zijn. In algemene zin zou gesteld kunnen worden dat meer recreatie ook kan leiden tot een toename van zwerfafval. Nu is in overige wetgeving (onder andere de gemeentelijke APV) opgenomen dat deze vervuilingen illegaal zijn. Daarnaast zal ook de afval dat meekomt bij hoogwater een belangrijke factor zijn voor het aandeel zwerfafval binnen het plangebied, waar onderhavig plan geen invloed op heeft. Een toename van overnachtingen van recreatievaart zouden in theorie kunnen leiden tot een toename van watervervuiling in de Rijn. In hoeverre recreatievaart bijdraagt aan watervervuiling en in hoeverre dit plan hieraan een bijdrage kan leveren, zal nader getoetst moeten worden in de definitieve versie van dit rapport.
Vernatting en verdroging Kenmerk: Verdroging of vernatting uit zich in verandering in grondwaterstanden en/of afnemende kwel. De actuele grondwaterstand is zo lager of hoger zijn dan de gewenste/benodigde grondwaterstand. Interactie andere factoren: verdroging kan tevens leiden tot verzilting. Door verdroging neemt ook de doorluchting van de bodem toe waardoor meer organisch materiaal wordt afgebroken. Op deze wijze leidt verdroging tevens tot vermesting. Er zijn ook gebieden waar verdroging kan optreden zonder dat de grondwaterstand in de ondiepe bodem daalt. Het gaat daarbij om gebieden waar van oudsher grondwater omhoogkomt. Dit water heet kwelwater. Kwelwater is water dat elders in de bodem is geïnfiltreerd en dat naar het laagste punt in het landschap stroomt. Kwelwater heeft dikwijls een bijzondere samenstelling: het is rijk aan ijzer en calcium, arm aan voedingsstoffen en niet zuur, maar gebufferd. Schade aan de natuur die veroorzaakt wordt door een afname of het verdwijnen van kwelwater en het vervangen van dit type water met gebiedsvreemd water, noemen we ook verdroging.
25125.001 versie C1
33 / 48
Gevolg: de verandering in grondwaterstand en soms ook kwaliteit van het grondwater leidt tot een verandering in de soortensamenstelling en op lange termijn van het habitattype.
Analyse vernatting en verdroging: Met de voorgenomen werkzaamheden zal geen vernatting of verdroging optreden van aangewezen habitats, die op meer dan 2 kilometer afstand zijn gelegen. Voor leefgebieden van aangewezen Vogelrichtlijnsoorten geldt dat de riviersystemen zeer dynamisch zijn met een sterk wisselende rivierstand en daaraan gekoppelde sterk wisselende grondwaterstand. De ingrepen zullen niet leiden tot een invloed op de grondwaterstand. Er wordt geen bemaling toegepast en er worden geen watergangen aangepast zoals sloten en greppels. Afhankelijk van de uiteindelijke ingrepen die plaats zullen vinden in het kader van natuurontwikkeling, kan wel meer variatie ontstaan tussen nat en droog, dan nu het geval is. Bijvoorbeeld door het graven van poelen. Het is uit te sluiten dat er met het voorgenomen plan negatieve gevolgen zal leiden als gevolg van vernatting en verdroging door de uitvoering van het integraal gebiedsplan. Verandering stroomsnelheid Kenmerk: Verandering van stroomsnelheid van beken en rivieren kan optreden door menselijke ingrepen zoals plaatsen van stuwen, kanaliseren of weer laten meanderen. Interactie andere factoren: geen? Gevolg: Verschillen in stroomsnelheid (langzaam of snel) en dimensies (van bovenloop tot riviertje) leiden tot duidelijke verschillen in levensgemeenschappen en kenmerkende soorten hiervan.
Door verandering in stroomsnelheid verdwijnen kenmerkende soorten en levensgemeenschappen.
Analyse verandering stroomsnelheid Aanpassingen in de het rivierlichaam van de Rijn kan leiden tot een verandering van de stroomsnelheid. Met het voorgenomen plan wordt bij de passantenhaven een golfbreker geplaatst voor meer comfort van de ligplaatsen. Met het huidige plan komt de golfbreker net binnen het kribvak te liggen. Econsultancy schat in dat dit plan niet zal leiden tot een verandering van de stroomsnelheid. Echter vindt over de strekdam nog overleg plaats met Rijkswaterstaat. Geadviseerd wordt om nader te toetsen in een definitieve versie van dit rapport of het uit te sluiten is dat de golfbreker zorgt voor een verandering van de stroomsnelheid. Verstoring door geluid Kenmerk: verstoring door onnatuurlijke geluidsbronnen; permanent zoals geluid wegverkeer dan wel tijdelijk zoals geluidsbelasting bij evenementen. Geluid is een hoorbare trilling, gekenmerkt door geluidsdruk en frequentie. Interactie andere factoren: Treedt vaak samen met visuele verstoring op door bijvoorbeeld vlieg- en autoverkeer, manifestaties etc. Gevolg: Logischerwijs zijn alleen diersoorten gevoelig voor direct effecten van geluid. Geluid sec is een belangrijke factor in de verstoring van fauna. De verstoring door geluid wordt beïnvloed door het achtergrondgeluid en de duur, frequentie en sterkte van de geluidsbron zelf. Geluidsbelasting kan leiden tot stress en/of vluchtgedrag van individuen.
Dit kan vervolgens weer leiden tot het verlaten van het leefgebied of bijvoorbeeld een afname van het reproductieproces. In bepaalde gevallen kan ook gewenning optreden, in het bijzonder bij continu geluid. Voor zeezoogdieren en vogels is in bepaalde gevallen deze dosis-effect relatie goed gekwantificeerd.
Analyse geluid: Gedurende de aanlegfase kunnen tijdelijke effecten optreden op Natura 2000-doelsoorten als gevolg van een toename van geluid. De exacte effecten die hier kunnen optreden zijn afhankelijk van de aard van de werkzaamheden, de duur van de werkzaamheden en de periode waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd. In een definitieve versie van deze rapportage zal dit punt verder uitgewerkt moeten worden. De voorlopige inschatting
25125.001 versie C1
34 / 48
is dat een tijdelijke toename van geluid gedurende de aanlegfase geen invloed heeft op de haalbaarheid van het plan vanwege de tijdelijkheid en plaatselijkheid. In de gebruiksfase zijn er veranderingen in het gebruik van de onderzoekslocatie door recreanten en andere bezoekers ten opzichte van de huidige situatie. Zo zal er gedurende de avonden in het vaarseizoen mogelijk meer geluid zijn ter plaatse van de beoogde Stadshaven ten opzichte van de huidige passantenhaven. Ook zullen de plannen enerzijds zorgen voor minder autoverkeer langs de Rijn, maar zal de aanleg van een wandelpromenade mogelijk juist zorgen voor een toename van fiets- en voetgangersverkeer op deze plek. Wel is het uitgangspunt dat de herontwikkelingen bij de passantenhaven en paardenmarkt worden gerealiseerd binnen hetgeen reeds mogelijk is onder het huidige bestemmingsplan. Er worden daarnaast geen recreatieve functies toegevoegd, met uitzondering van de camperplaatsen bij de Paardenmarkt. Deze camperplaatsen zijn beoogd aan de rand van het Natura 2000-gebied, langs de kern van Rhenen. Het is redelijkerwijs uit te sluiten dat camperplaatsen hier zorgen voor een dusdanige toename van geluid op het Natura 2000-gebied dat er negatieve effecten ontstaan op aangewezen Vogelrichtlijnsoorten.
Omdat er geen sprake is van een toename van activiteiten waarbij extra geluid plaatsvindt, worden vervolgstappen voor de gebruiksfase niet noodzakelijk geacht. Verstoring door licht Kenmerk: verstoring door kunstmatige lichtbronnen, zoals licht uit woonwijken en industrieterreinen, glastuinbouw etc. Interactie andere factoren: geen? Gevolg: Kunstmatige verlichting van de nachtelijke omgeving kan tot verstoring van het normale gedrag van soorten leiden. Naar mogelijke effecten is nog vrij weinig onderzoek gedaan. Veel kennis gaat daarom nog niet verder dan het kwalitatief signaleren van risico’s. Met name schemer- en nachtactieve dieren kunnen last hebben van verstoring door licht, doordat zij juist aangetrokken worden of verdreven door de lichtbron. Hierdoor raakt bijvoorbeeld hun ritme ontregeld of verlichte delen van het leefgebied worden vermeden.
Analyse licht: In de huidige planfase is niet in detail bekend of in de toekomstige situatie de verlichting en de lichtverstoring op bijvoorbeeld de Rijn gaat wijzigen ten opzichte van de huidige situatie. De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van habitatrichtlijngebied, maar de Rijn vormt mogelijk wel een belangrijk foerageergebied en migratieroute voor de meervleermuis. Een toename van verlichting kan leiden tot een negatief effect op meervleermuizen binnen Natura 2000-gebied Rijntakken. Geadviseerd wordt om een concreet lichtplan op te stellen en dit lichtplan te toetsen in een definitieve versie van dit rapport. Verstoring door trilling Kenmerk: Er is sprake van trillingen in bodem en water als dergelijke trillingen door menselijke activiteiten veroorzaakt worden, zoals bij boren, heien, draaien van rotorbladen etc. Interactie andere factoren: kan vooral samen optreden met verstoring door geluid. Gevolg: Trilling kan leiden tot verstoring van het natuurlijke gedrag van soorten. Individuen kunnen tijdelijk of permanent verdreven worden uit hun leefgebied. Over het daadwerkelijke effect van trilling is nog zeer weinig bekend. Naar het effect op zeezoogdieren is wel onderzoek verricht.
25125.001 versie C1
35 / 48
Analyse Trilling: De meeste geplande ingrepen en activiteiten zullen niet leiden tot een toename van trillingen binnen het Natura 2000-gebied. De uitbreiding van de passantenhaven tot stadshaven kan in de aanlegfase wel leiden tot een toename van trillingen. Zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, zullen de huidige palen vervangen moeten worden door nieuwe exemplaren. Het realiseren van deze nieuwe palen kan leiden tot een toename van trillingen. Aangezien het planvoornemen niet in de omgeving van habitatrichtlijngebied ligt, is uit te sluiten dat deze toename van trillingen leidt tot negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen. Aangewezen Vogelrichtlijnsoorten zullen naar verwachting weinig gevoelig zijn voor tijdelijke trillingen in de aanlegfase. Geadviseerd wordt om dit effect nader te toetsen in een definitieve versie van het rapport, zodra er meer details bekend zijn over de wijze van uitvoering en de schaal van de trillingen die hierbij vrijkomen. De voorlopige inschatting is dat eventuele trillingen gedurende de aanlegfase geen invloed hebben op de haalbaarheid van het plan vanwege de tijdelijkheid en het plaatselijk voorkomen van het effect. Optische verstoring Kenmerk: optische verstoring betreft verstoring door de aanwezigheid en/of beweging van mensen dan wel voorwerpen die niet thuishoren in het natuurlijke systeem.
Interactie andere factoren: treedt vaak samen op met verstoring door geluid (in geval van recreatie) of trilling en licht (in geval van voertuigen, schepen). Gevolg: Optische verstoring leidt vooral tot vluchtgedrag van dieren. De soort reageert bijvoorbeeld op beweging omdat een potentiële vijand wordt verwacht. Andersom kan optische verstoring juist ook het uitzicht van soorten beperken waardoor zij potentiële vijanden niet zien naderen. De daadwerkelijke effecten zijn zeer soortspecifiek en hangen van de schuwheid van de soort en de mate waarin gewenning optreedt. Bovendien kunnen de effecten afhankelijk zijn van de periode van de levenscyclus van de soort: in de broedtijd zijn soorten over het algemeen schuwer en dus gevoeliger voor optische verstoring.
Analyse optische verstoring: Zowel tijdens de aanlegfase als de gebruiksfase zal sprake zijn van een verandering in optredende optische verstoring ten opzichte van de huidige situatie. Gedurende de aanlegfase kan de aanwezigheid van machines, schepen, bouwverkeer en mensen leiden tot een toename van optische verstoring. In het broedseizoen kan deze verstoring optreden op aangewezen broedvogelsoorten. In het najaar en de winter kan de verstoring optreden bij aangewezen niet-broedvogels. De exacte effecten die hier kunnen optreden zijn afhankelijk van de aard van de werkzaamheden, de duur van de werkzaamheden en de periode waarop de werkzaamheden worden uitgevoerd. In een definitieve versie van deze rapportage zal dit punt verder uitgewerkt moeten worden. De voorlopige inschatting is dat een tijdelijke toename van optische verstoring gedurende de aanlegfase geen invloed heeft op de haalbaarheid van het plan vanwege de tijdelijkheid en plaatselijkheid van het effect. Voor het toetsen van mogelijke effecten van optische verstoring gedurende de gebruiksfase, wordt onderscheid gemaakt tussen de vier verschillende activiteiten: Herontwikkeling passantenhaven tot stadshaven Als gevolg van het voorgenomen plan kan er gedurende het vaarseizoen (mei t/m september) een toename zijn in het aantal overnachtingen in de haven van 300 tot maximaal 1.500 per jaar.
Het aantal passerende schepen die aanleggen maar niet overnachten, zal naar verwachting niet wijzigen. Een toename van overnachtingen zorgt
25125.001 versie C1
36 / 48
ook voor een toename van de aanwezigheid van mensen en recreatief gebruik van de directe omgeving van de passantenhaven (uitlaten van honden, zwemmen bij het strand, wandelen en fietsen). Deze toename is lastig te kwantificeren maar de toename van optische verstoring in de directe omgeving van de passantenhaven/stadshaven zal alleen optreden gedurende het vaarseizoen. De aangewezen broedvogels met bezet leefgebied of potentieel bezet leefgebied in de omgeving van de passantenhaven, zijn vrijwel allemaal watergebonden soorten zoals aalscholver en ijsvogel. Voor deze watergebonden soorten is in de huidige situatie geen geschikt broedgebied aanwezig in de directe omgeving van de onderzoekslocatie. De verwachting is ook niet dat het planvoornemen zal leiden tot een effect op het wel of niet kunnen behalen van de doelstellingen van deze soorten. Een niet watergebonden broedvogelsoort is de kwartelkoning. In de huidige situatie is de directe omgeving van het plangebied niet geschikt voor deze soort om te broeden, vanwege de hoge mate van verstoring die reeds plaatsvindt op deze locatie. Een toename van recreatief gebruik van de hooilanden/graslanden nabij de passantenhaven, kan leiden tot een verdere verslechtering van het potentiële leefgebied van kwartelkoning.
Of dit effect mogelijk significant is, is afhankelijk van de definitieve ingrepen die gaan plaatsvinden en in hoeverre positieve en negatieve effecten als gevolg van het integrale gebiedsplan met elkaar vergeleken kunnen worden. Daarnaast kan nader onderzocht worden in hoeverre de aanwijzing van een deel van de onderzoekslocatie als potentieel leefgebied noodzakelijk is en/of belangrijk kan zijn voor het behalen van de doelstellingen voor deze soort. Geadviseerd wordt om voor dit onderdeel een passende beoordeling op te stellen. De uitbreiding van activiteiten als gevolg van de passantenhaven vindt alleen plaats gedurende het vaarseizoen, en heeft daarom geen invloed op de doelstellingen van aangewezen niet-broedvogels, waarvoor de onderzoekslocatie is aangewezen als rustgebied/overwintergebied. Ander gebruik verkeersruimte Als gevolg van de uitbreiding van de parkeervoorzieningen aan de Paardenmarkt, het invoeren van betaald parkeren bij de parkeervoorzieningen aan de Rijn, het afsluiten van de doorgaande wegverbinding tussen de Veerweg en de Rijnstraat en het omvormen van de Rijnkade tot wandelpromenade, zullen recreatiestromen in de onderzoekslocatie gaan veranderen. Gedurende het gehele jaar zal de onderzoekslocatie gebruikt worden om te recreëren.
Waarbij voornamelijk het gebruik van de beoogde camperplaatsen bij de Paardenmarkt en de uitbreiding van activiteiten in de passantenhaven in het voorjaar en de zomer zullen plaatsvinden. De verandering van verkeersstromen en bezoekersstromen zullen leiden tot een verandering in mogelijke optische verstoring die kan optreden voor de aangewezen vogelsoorten. In het broedseizoen zou een toename van optische verstoring kunnen leiden tot een negatief effect op kwartelkoning en buiten het broedseizoen zou een toename van optische verstoring kunnen leiden tot een negatief effect op overwinterende vogels als brandgans, kolgans en toendrarietgans. Een afname aan optische verstoring zorgt daarintegen juist voor en positief effect. In de huidige situatie is de onderzoekslocatie in feite ongeschikt voor deze doelsoorten vanwege de reeds hoge mate van verstoring van het leefgebied van deze soorten. In het integrale gebiedsplan vindt zowel een toename als afname van verkeersstromen plaats, maar zal er naar verwachting geen afname maar mogelijk juist een toename zijn van wandel- en fietsrecreatie. In hoeverre een eventuele verdere verslechtering of juist verbetering van de leefgebieden van aangewezen doelsoorten kunnen leiden tot een negatief effect op instandhoudingsdoelstellingen, dient nader getoetst te worden in een passende beoordeling.
25125.001 versie C1
37 / 48
Aanpassen recreatieve voorzieningen Met het beoogde planvoornemen worden op een aantal locaties recreatieve voorzieningen toegevoegd, zoals zitgelegenheden, of kwalitatief verbeterd (omgeving van het stadsstrand). Enerzijds zou de toevoeging van recreatieve elementen kunnen bijdragen aan een toename van de recreatiedruk en daarbij horende toename van optische verstoring van leefgebied van aangewezen Vogelrichtlijnsoorten. Anderzijds kan door het slim toevoegen van recreatieve elementen, ook een bijdrage geleverd kunnen worden aan een betere zonering van recreanten. Wat het effect is van het toevoegen van recreatieve voorzieningen op Natura 2000-doelstellingen valt in dit planstadium nog niet te toetsen, hier zal in een definitieve versie van dit rapport nader op ingegaan moeten worden. Natuurontwikkeling De effecten van natuurontwikkeling op de kwaliteit van leefgebieden van aangewezen vogelrichtlijnsoorten is beschreven bij het effect van oppervlakteverlies en mechanische effecten. Natuurontwikkeling zal naar verwachting niet bijdragen aan een toe- of afname van optische verstoring, tenzij door het aanplanten van bijvoorbeeld struweel of bosschages, de optische verstoring van parkeerplaatsen op nabijgelegen leefgebied van aangewezen soorten wordt verminderd.
Een concretere uitwerking van dit mogelijk positieve effect kan eventueel meegenomen worden in een definitieve versie van deze rapportage en/of de op te stellen passende beoordeling. Verstoring door mechanische effecten Kenmerk: Onder mechanische effecten vallen verstoring door betreding, golfslag, luchtwervelingen etc. die optreden ten gevolge van menselijke activiteiten. De oorzaken en gevolgen zijn bij deze storende factor zeer divers. Interactie andere factoren: verstoring kan samenvallen met verstoring door geluid, licht en trilling. Gevolg: deze storende factor kan leiden tot een verandering van het habitattype en/of verstoring of het doden van fauna-individuen. Bij habitattypen treedt de verstoring/verandering vaak op ten gevolge van recreatie of bijvoorbeeld militaire activiteiten. Het effect is zeer afhankelijk van de kwetsbaarheid (gevoeligheid) van het habitattype. Waterrecreatie en scheepvaart leiden tot golfslag, hetgeen effect kan hebben op de oeverbegroeiing en waterfauna. Luchtwervelingen van bijvoorbeeld windmolens kunnen leiden tot vogelsterfte.
Analyse mechanische effecten: Gedurende de aanlegfase zijn de te verwachtte mechanische effecten op Natura 2000-doelstellingen beperkt, wel zijn er enkele aandachtspunten. Omdat de onderzoekslocatie niet in de nabijheid van habitatrichtlijngebied is gelegen, zijn mechanische effecten op aangewezen habitattypen op voorhand uitgesloten. De verschillende werkzaamheden vinden grotendeels plaats buiten Natura 2000-gebied. De herinrichting van de wegen, de uitbreiding van de parkeerplaats Paardenmarkt, eventueel plaatsen van recreatieve voorzieningen en werkzaamheden die betrekking hebben op natuurontwikkeling, vinden allemaal plaats binnen de grenzen van natura 2000gebied Rijntakken. Het is in dit planstadium nog niet met zekerheid te stellen op welke wijze deze werkzaamheden uitgevoerd gaan worden. verdichting van de bodem en verstoring van de bodem, als gevolg van de werkzaamheden, kan leiden tot verruiging en een afname van de biodiversiteit van de hooilanden/graslanden op de onderzoekslocatie die aangewezen zijn als leefgebied voor broedvogels. Geadviseerd wordt op in de definitieve versie van het rapport nader in te gaan op de mogelijke bodemverstoring als gevolg van de voorgenomen ingrepen en eventueel daaruit volgende effecten.
25125.001 versie C1
38 / 48
De broedvogels waarvoor de onderzoekslocatie is aangewezen als (potentieel) leefgebied zijn voornamelijk watergebonden soorten, die in de in de huidige situatie op de onderzoekslocatie en geen geschikte broedgelegenheden hebben, zoals aalscholver, porseleinhoen en ijsvogel. Negatieve effecten op deze soorten zijn gedurende de aanlegfase dan ook uit te sluiten. De effecten van de ingrepen op oppervlakteverlies van potentieel leefgebied van kwartelkoning zijn separaat getoetst. De hooilanden/graslanden op de onderzoekslocatie zijn momenteel niet geschikt om te broeden voor kwartelkoning vanwege de dichte structuur van de vegetatie maar vooral vanwege de hoge mate van verstoring die momenteel plaatsvindt. De aanwezigheid van machines en ander werkmaterieel zal daarom gedurende de tijdelijke aanlegfase niet leiden tot negatieve effecten op een broedgeval. Wel dient nader getoetst te worden in een definitieve versie van het rapport of de aanlegfase kan leiden tot een vermindering van de kwaliteit van het leefgebied door bodemverdichting en bodemverstoring. Een voorlopige inschatting voor de haalbaarheid is dat deze negatieve effecten voorkomen kunnen worden door bijvoorbeeld het toepassen van rijplaten, het juist plaatsen van tijdelijke materialenopslag en het voorkomen van onnodige betreding.
Tijdens het veldbezoek van 14 mei 2024 is vastgesteld dat er op dit moment op de onderzoekslocatie geen geschikte broedgelegenheden voor oeverzwaluw op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. Als er tijdens de aanlegfase (tijdelijke) zanddepots ontstaan, ontstaat er mogelijk wel geschikt broedgelegenheid voor deze soort. Zoals ook in hoofdstuk 4 en 5 staat omschreven, dienen er in een ecologisch werkprotocol maatregelen opgenomen te worden om te voorkomen dat oeverzwaluwen gaan broeden in tijdelijke gronddepots. Zo wordt voorkomen dat gedurende de aanlegfase nesten van oeverzwaluw beschadigd worden en dat hierdoor negatieve effecten op natura 2000-doelstellingen plaatsvinden. Gedurende de gebruiksfase kunnen mechanische effecten in algemene zin optreden door bijvoorbeeld een toename van betreding van het Natura 2000-gebied. De verwachting is dat betreding niet zal leiden tot een afname van de geschiktheid van het leefgebied voor Natura 2000-doelsoorten. De mate van optische verstoring en verstoring door licht en geluid zullen hier maatgevend in zijn, deze effecten zijn separaat getoetst. Tot slot zorgt de aanleg van een golfbreker in de toekomstige stadshaven voor een verandering van golfslag in het betreffende kribvak. Dit effect is van zeer kleine schaal. De oever van de Rijn op deze plek is volledig verhard met (basalt)blokken.
Daarnaast betreft het gebied geen habitatrichtlijngebied maar uitsluitend vogelrichtlijngebied. Een beperkte verandering van de golfslag binnen het kribvak zal niet leiden tot een negatief effect op de geschiktheid van de onderzoekslocatie als leefgebied voor aangewezen broedvogelsoorten of niet-broedvogelsoorten. Samengevat dienen gedurende de aanlegfase negatieve effecten als gevolg van mechanische effecten voorkomen te worden door de werkzaamheden zorgvuldig uit te voeren waarbij schade aan de bodem en schade aan mogelijke nestlocaties van oeverzwaluw voorkomen dienen te worden. Dit kan geborgd worden in een ecologisch werkprotocol. Overige mechanische effecten zijn gedurende de aanlegfase en gebruiksfase uitgesloten.
25125.001 versie C1
39 / 48
6.6 Conclusie mogelijke effecten Natura 2000 Herontwikkeling passantenhaven tot stadshaven Er dient nader getoetst te worden in een definitieve versie van dit rapport of negatieve gevolgen door verlichting uit te sluiten zijn aan de hand van een concreet lichtplan. Wat betreft optische verstoring zal de uitbreiding van de haven niet leiden tot een toename van recreatieverkeer op het water, enkel een toename van overnachtingen in de haven. Dit leidt wel tot een toename van verstoring van aangewezen broedvogelsoorten. Dit zal nader getoetst moeten worden in een passende beoordeling. Op niet-broedvogels zijn negatieve effecten door optische verstoring uit te sluiten, de haven wordt alleen gebruikt in het vaarseizoen (mei tot en met september), dit is buiten de overwinteringsperiode van de aangewezen niet-broedvogelsoorten. Mechanische effecten zijn te voorkomen door zorgvuldig te handelen. Ander gebruik verkeersruimte De uitbreiding van parkeerplaats Paardenmarkt en de mogelijke verbreding van de stoep leidt tot afname van leefgebied van niet-broedvogels zoals brandgans en kolgans en voor de broedvogels alleen voor de kwartelkoning. Dit effect moet nader getoetst worden in een passende beoordeling.
De her zonering en afsluiting van de weg voor sluipverkeer en doorgaand verkeer zorgt mogelijk ook voor een afname van verstoring, daarentegen hebben de werkzaamheden zoals de wandelpromenade ook als doel om meer recreanten te trekken. Deze positieve en negatieve effecten dienen tegen elkaar afgewogen te worden in een passende beoordeling. Toevoegen recreatieve elementen Toevoegen van recreatieve voorzieningen zou in bepaalde gevallen kunnen leiden tot een afname van leefgebied (oppervlakteverlies). De voorlopige inschatting is dat deze oppervlaktevermindering verwaarloosbaar klein zal zijn. Het toevoegen van recreatieve elementen, ook bijvoorbeeld de kwalitatieve verbetering van het stadsstrand, kunnen leiden tot een toename aan recreanten in het gebied. Dit zal voornamelijk in de zomer en voorjaar zijn, maar ook in de winterperiode is een toename van optische verstoring door een toename van recreatieve elementen niet uit te sluiten. Anderzijds kan het toevoegen van recreatieve elementen ook bijdragen aan een betere zonering van recreanten waarmee ook weer een positief effect op Natura 2000-doelstellingen behaald zou kunnen worden. Detailinformatie over wat er precies toegevoegd zal worden is echter niet bekend. Geadviseerd wordt om in een definitieve versie te toetsen of op dit punt een passende beoordeling nodig is.
Natuurontwikkeling De maatregelen hebben enerzijds als doel om de natuur te versterken, maar zijn nog niet concreet en daarom niet toetsbaar. Bij de uitvoering van natuurontwikkeling zijn de volgende aandachtspunten van toepassing: Aanlegfase: verstoring toetsen op N2000-doelstellingen Gebruiksfase: graven van poelen en toename van struweel leidt tot een afname van leefgebied van aangewezen soorten. advies is op dit punt een passende beoordeling op te stellen. De toevoeging van struweel nabij recreatieve functies als parkeerplaatsen kan ook bijdragen aan het behalen van een positief effect doordat optische verstoring wordt verminderd. Het voorstel is om deze positieve en negatieve effecten van het plan op optische verstoring naast elkaar te leggen.
25125.001 versie C1
40 / 48
Vervolgstappen Omdat een passende beoordeling op een aantal onderdelen voor doelstellingen van vogelrichtlijnsoorten vereist is, is het vanuit de omgevingswet ook verplicht om een omgevingsvergunning aan te vragen voor Natura 2000activiteiten. Geadviseerd wordt om eerst een definitieve versie van dit rapport op te stellen aan de hand van meer concrete informatie over zowel de aanlegfase als de gebruiksfase, al vorens de passende beoordeling op te laten stellen. Vanwege de ligging van het plan op ruim 1,9 kilometer afstand van habitatrichtlijngebied, zijn de meeste effecten op habitattypen en habitatrichtlijnsoorten op voorhand uit te sluiten. De effecten van stikstofdepositie als gevolg van het planvoornemen dienen nader getoetst te worden als meer informatie beschikbaar is over de ingrepen. Tot slot dient in een concreet lichtplan in de definitieve versie van dit rapport getoetst te worden of negatieve effecten op meervleermuis uit te sluiten zijn.
25125.001 versie C1
41 / 48
7
TOETSING AAN OMGEVINGSVERORDENING
7.1 Natuurnetwerk Nederland Utrecht De onderzoekslocatie is gedeeltelijk gelegen binnen de grenzen van Natuurnetwerk Nederland (NNN). In figuur 7.1 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven. De parkeerplaats van de Paardenmarkt, inclusief beoogd gebied voor uitbreiding, alsmede de parkeerplaats van de passantenhaven en de horecagelegenheid Moeke, maken geen deel uit van NNN.
Figuur 7.1
Ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland.
De provincie Utrecht beschermt het NNN via het ruimtelijk beleid om ervoor te zorgen dat de omvang en kwaliteit van deze gebieden niet afneemt. Dit is geregeld in de Provinciale Ruimtelijke Verordening. Van daar uit moeten nieuwe gemeentelijke bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen voldoen aan de regels die in de Provinciale Ruimtelijke Verordening zijn opgenomen. Dat gaat doormiddel van een “nee, tenzij”-toets. Een nieuw project, dat de natuur significant aantast, mag niet worden toegestaan in het bestemmingsplan of de omgevingsvergunning (“nee”), tenzij het een groot openbaar belang dient én er geen alternatieven zijn buiten de natuur. Als het toegestaan is, is natuurcompensatie verplicht (op een andere plek moet dan nieuwe natuur komen).
25125.001 versie C1
42 / 48
Een groot deel van de beoogde ontwikkelingen, zoals de uitbreiding van de parkeerplaats Paardenmarkt en de uitbreiding van de passantenhaven tot stadshaven, kunnen gerealiseerd worden binnen het huidige bestemmingsplan. Als er voor de uitvoering van het integrale gebiedsplan een omgevingsvergunning noodzakelijk is óf werkzaamheden worden uitgevoerd binnen NNN waarvoor een omgevingsvergunning wordt aangevraagd, zal een nee-tenzij toets uitgevoerd moeten worden. Omdat de conclusie van hoofdstuk 6 van dit rapport is, dat voor een aantal geplande activiteiten een passende beoordeling noodzakelijk is, zal een omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten verplicht zijn. Hiermee is het ook vanuit de omgevingsverordening noodzakelijk om een NNN-toetsing uit te voeren. Aangezien ingrepen binnen NNN in Utrecht mogelijk zijn met een meerwaardebenadering en met het planvoornemen ook natuurontwikkeling is voorzien, gaat Econsultancy er vooralsnog vanuit dat het plan vanuit het oogpunt van de provinciale verordening haalbaar kan zijn, zolang de natuurontwikkeling aansluit bij de eisen voor compensatie, zoals deze zijn omschreven in de omgevingsverordening. In de definitieve versie van dit rapport zal een meer concrete planuitwerking getoetst moeten worden aan de omgevingsverordening van de provincie Utrecht.
7.2 Overige gebiedsbescherming De onderzoekslocatie is niet gelegen in een gebied dat is aangewezen als Groene contour of Weidevogelkerngebied. Ook is de onderzoekslocatie niet gelegen in de nabijheid van een gebied dat is aangewezen als Groene contour of Weidevogelkerngebied. Vervolgstappen voor overige gebiedsbescherming uit de omgevingsverordening van Utrecht worden niet noodzakelijk geacht.
25125.001 versie C1
43 / 48
8
HOUTOPSTANDEN
In art. 11.112 zijn de oogmerken opgenomen voor de activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten. De oogmerken met betrekking tot vellen en herplanten van houtopstanden hebben betrekking op de natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland en het beschermen van landschappelijke waarden. De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in in artikel 11.111 (Bal). Eventueel te vellen bomen op de onderzoekslocatie betreft een houtopstand kleiner dan 10 are en rijen van minder dan 21 bomen. Voor deze houtopstand geldt geen meldingsplicht en herplantplicht. Binnen het plangebied zijn enkele hoge bomen aanwezig, vermoedelijk blijven de bomen volledig of vrijwel volledig behouden met het planvoornemen. In de definitieve versie van deze rapportage dient hier nader op ingegaan te worden.
25125.001 versie C1
44 / 48
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES
Econsultancy heeft in opdracht van de gemeente Rhenen een natuurtoets uitgevoerd aan de Paardenmarkt en Passantenhaven te Rhenen. De natuurtoets wordt uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie. De natuurtoets bevat de volgende onderdelen: Quickscan natuurwaarden: dit onderdeel heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie beschermde planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden van de voorgenomen ingreep. Voortoets Natura 2000: Dit onderdeel heeft als doel vast te stellen of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, (significante) gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Het betreft een oriënterende fase, waarbij voor het onderdeel stikstofdepositie gebruik wordt gemaakt van reeds uitgevoerde Aeriusberekeningen. Toetsing aan omgevingsverordening: Door de provincie Utrecht zijn voor delen van het gebied regels gesteld, waaronder die van het NNN. Dit onderdeel heeft tot doel om de het planvoornemen te toetsen aan de meest recente versie van de omgevingsverordening, zoals gepubliceerd in het Omgevingsloket.
De initiatiefnemer is voornemens diverse ontwikkelingen uit te voeren in het kader van een integraal gebiedsplan dat bestaat uit vier elementen; (1) herontwikkeling passantenhaven tot stadshaven, (2) ander gebruik verkeersruimte, (3) toevoeging recreatieve elementen en (4) natuurontwikkeling. Samenvatting conclusie soortenbescherming De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 9.1. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Omgevingswet voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Als gekeken wordt naar haalbaarheid, dienen er wel nadere toetsingen uitgevoerd te worden, is aanvullend onderzoeken naar een aantal soorten noodzakelijk en dient gewerkt te worden conform een ecologisch werkprotocol. Het is in dit stadium nog niet met zekerheid te stellen of er een vergunning voor flora- en fauna-activiteiten aangevraagd zal moeten worden voor dit project maar de voorlopige inschatting is dat het beoogde plan haalbaar zou moeten zijn.
25125.001 versie C1
45 / 48
Tabel 9.1
Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen.
Soortgroep
Geschikt habitat
Ingreep verstorend
Nader on- Omgevingsver- Bijzonderheden / opmerkingen* derzoek gunning
algemeen
ja
ja
ja
nee
Het verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren en werken conform ecologisch werkprotocol om schade aan nesten van oeverzwaluw te voorkomen.
jaarrond beschermd
ja
mogelijk
mogelijk
mogelijk
Aanvullende inspectie mogelijke nestlocaties ransuil, sperwer en boomvalk noodzakelijk bij verwijderen dicht struweel en bomen
verblijfplaatsen
ja
nee
nee
nee
-
foerageergebied
ja
mogelijk
mogelijk
mogelijk
Lichtverstoring nader toetsen in concreet lichtplan
vliegroutes
ja
mogelijk
mogelijk
mogelijk
Lichtverstoring nader toetsen in concreet lichtplan
Grondgebonden zoogdieren
ja
mogelijk
mogelijk
mogelijk
Aanvullende inspectie mogelijke nestlocaties eekhoorn noodzakelijk bij verwijderen bomen.
Amfibieën
minimaal
mogelijk
nee
nee
Aandacht voor zorgplicht ten aanzien van algemene soorten. werken conform ecologisch werkprotocol ten aanzien van incidenteel voorkomen Alpenwatersalamander, poelkikker en rugstreeppad.
Reptielen
minimaal
mogelijk
nee
nee
Werken conform ecologisch werkprotocol ten aanzien van incidenteel voorkomen ringslang.
Vissen
ja
mogelijk
mogelijk
nee
Nadere toetsing effecten in definitieve rapportage noodzakelijk
Libellen en vlinders
nee
nee
nee
nee
-
Overige ongewervelden
nee
nee
nee
nee
-
Vaatplanten
ja
mogelijk
ja
mogelijk
Aanvullend onderzoek beschermde vaatplanten noodzakelijk op locaties waar ingrepen plaats gaan vinden.
Broedvogels
Vleermuizen
* Wijzigingen in het planvoornemen kunnen van invloed zijn op de uitkomst van het onderzoek. Onderhavige conclusies zijn conceptueel en dienen herzien te worden bij het opstellen van het definitieve rapport.
Samenvatting conclusie voortoets Natura 2000 Voor de aanlegfase zijn nog weinig detailgegevens bekend over de wijze van uitvoering, de duur van de werkzaamheden en de periode waarin de werkzaamheden uitgevoerd gaan worden. Daarom zijn veel conclusies nog conceptueel. Ondanks een hoop aandachtspunten en de noodzaak tot het concreet uitwerken van effecten in een defintieve versie van dit rapport, lijkt de aanlegfase haalbaar.
25125.001 versie C1
46 / 48
In de gebruiksfase kan permanente oppervlakteverlies van leefgebied van Vogelrichtlijnsoorten zoals kwartelkoning, brandgans en kolgans leiden tot negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen. Daarnaast kunnen ook mechanische effecten, toename van optische verstoring en toename van licht leiden tot negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen. Omdat het een integraal gebiedsplan betreft zullen er bij veel effecten binnen het project zowel positieve als negatieve effecten kunnen ontstaan. Geadviseerd wordt om deze vergelijking van positieve en negatieve effecten in een passende beoordeling concreet te maken. In de huidige situatie zal de onderzoekslocatie niet geschikt zijn voor de aangewezen Vogelrichtlijnsoorten, voornamelijk vanwege de hoge mate van verstoring die momenteel plaatsvindt, en mogelijk al heel lang plaatsvindt. In een passende beoordeling zal nader getoetst wordt in hoeverre dit plan een bijdrage heeft of kan hebben op het behalen van de doelstellingen. Geadviseerd wordt om vooruitlopend op het opstellen van een passende beoordeling in overleg te gaan met bevoegd gezag. De vraag is of het realistisch is dat de Natura 2000-doelstellingen die op dit gebied gelden, ooit gehaald kunnen worden (los van het beoogde integrale gebiedsplan) en of dit gebied belangrijk is om de doelstellingen voor deze soorten voor Natura 2000-gebied Rijntakken te behalen.
Er liggen voor dit gebied echter veel potenties voor natuurontwikkeling, los van de Natura 2000-doelstellingen. In dit planstadium is het aan te bevelen om de visie van de provincie Utrecht over dit gebied te horen. Omdat een passende beoordeling op een aantal onderdelen gericht op doelstellingen voor de Vogelrichtlijnsoorten vereist is, is het vanuit de omgevingswet ook verplicht om een omgevingsvergunning aan te vragen voor Natura 2000-activiteiten. Geadviseerd wordt om eerst een definitieve versie van dit rapport op te stellen aan de hand van meer concrete informatie over zowel de aanlegfase als de gebruiksfase, al vorens de passende beoordeling op te laten stellen. Vanwege de ligging van het plan op ruim 1,9 kilometer afstand van habitatrichtlijngebied, zijn de meeste effecten op habitattypen en habitatrichtlijnsoorten op voorhand uit te sluiten. De effecten van stikstofdepositie als gevolg van het planvoornemen dienen nader getoetst te worden als meer informatie beschikbaar is over de ingrepen. Tot slot dient in een concreet lichtplan in de definitieve versie van dit rapport getoetst te worden of negatieve effecten op meervleermuis uit te sluiten zijn. Samenvatting conclusie overige gebiedsbescherming De onderzoekslocatie is grotendeels gelegen binnen Natuurnetwerk Nederland (NNN).