25125 001 C1 rapport natuurtoets Paardenmarkt en Passantenhaven in Rhenen 2024
Tekst van het document
RAPPORTAGE natuurtoets Paardenmarkt en Passantenhaven Rhenen
Rapport natuurtoets Paardenmarkt en Passantenhaven, Rhenen Opdrachtgever
Gemeente Rhenen Postbus 201 3910 AE Rhenen
1
Rapportnummer
25125.001
Versienummer
C1
Status
Concept
Datum
6 juni 2024
Opsteller1
De heer J.G. Boogaard, BSc
Kwaliteitscontrole
De heer ing. E.R. Witter De heer G.J. Sieperda, MSc
Vrijgave
In onze rapportages wordt niet gewerkt met handtekeningen en/of parafen. Conform protocol en eisen uit het kwaliteitssysteem wordt het rapport aantoonbaar vrijgegeven.
KWALITEITSZORG Econsultancy is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB). Het NGB is een vereniging van ecologische advies- en onderzoeksbureaus die werkt aan de kwaliteit van advisering gericht op natuur, landschap, water, milieu en ruimte en die de belangen behartigt van groene adviesbureaus. Het Netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. CERTIFICERING Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhand-boek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NENEN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Daarnaast staat veilig werken bij Econsultancy voorop en zijn we gecertificeerd voor VCA*. BETROUWBAARHEID Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten en het al dan niet voorkomen van soorten. De gebruikte informatie omtrent verspreiding van soorten is deels afkomstig uit de NDFF en mag niet zonder toestemming worden verstrekt aan derden of op enige andere wijze openbaar gemaakt worden.
Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde onderzoek neemt.
Al onze rapportages worden opgesteld conform de ‘Handreiking omgaan met AVG in bodemonderzoeken’ opgesteld door de VKB (29 juni 2022). Hiermee voldoet de rapportage aan de eisen die de wet en NEN normen ons stellen en wordt tevens voldaan aan de AVG. In het kader van de AVG dient, voorafgaand aan publicatie of bij uitlevering aan derden, bijlagen met kadastrale uittreksels en namen van opdrachtgevers, door de publicerende instantie, verwijderd dan wel zwart gelakt te worden. GELDIGHEID ONDERZOEK In het algemeen kan gesteld worden dat een quickscan geldig is voor een periode van 2 tot 3 jaar, tenzij in deze periode de ecologische omstandigheden wezenlijk zijn veranderd en/of de Omgevingswet, dan wel inzichten hieromtrent zijn gewijzigd. Bij uitstel van de uitvoering van een project met meer dan 3 jaar verdient het de aanbeveling de resultaten van de quickscan opnieuw te toetsen.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, door fotokopieën, opnamen, of enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechthebbende.
INHOUDSOPGAVE 1
INLEIDING .................................................................................................................................................. 1
2
GEBIEDSBESCHRIJVING .............................................................................................................................. 2 2.1 2.2
Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving ............................................................................ 2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen .................................. 5
3
ONDERZOEKSMETHODIEK ......................................................................................................................... 9
4
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN ............................................................ 10 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7
5
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING ................................................................................................ 21 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8
6
Broedvogels .................................................................................................................................. 21 Vleermuizen ................................................................................................................................. 21 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 22 Ringslang, Alpenwatersalamander, poelkikker en rugstreeppad ................................................ 23 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën .................................................................. 23 Vissen ........................................................................................................................................... 23 Beschermde vaatplanten ............................................................................................................. 23 Overige soort(groep)en ................................................................................................................ 24
VOORTOETS NATURA 2000 ..................................................................................................................... 25 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5 6.6
7
Vogels ........................................................................................................................................... 10 Vleermuizen ................................................................................................................................. 12 Overige zoogdieren ...................................................................................................................... 13 Reptielen, amfibieën en vissen .................................................................................................... 16 Ongewervelden ............................................................................................................................ 17 Planten ......................................................................................................................................... 18 Specifieke zorgplicht .................................................................................................................... 19
Doelstelling Natura 2000.............................................................................................................. 26 Aangewezen habitats ................................................................................................................... 26 Aangewezen soorten.................................................................................................................... 27 Gevoeligheid ................................................................................................................................ 28 Inventarisatie mogelijke effecten Natura 2000 ........................................................................... 30 Conclusie mogelijke effecten Natura 2000 .................................................................................. 40
TOETSING AAN OMGEVINGSVERORDENING ........................................................................................... 42 7.1 7.2
Natuurnetwerk Nederland Utrecht .............................................................................................. 42 Overige gebiedsbescherming ....................................................................................................... 43
8
HOUTOPSTANDEN ................................................................................................................................... 44
9
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................................................ 45
ProjectCode
Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3
Natuurwetgeving en doelen Natura 2000 Natuurwetgeving Natuurnetwerk Nederland Omgevingswet
ProjectCode
1
INLEIDING
Econsultancy heeft van de gemeente Rhenen opdracht gekregen voor het uitvoeren van een natuurtoets ter plaatse van de Paardenmarkt en Passantenhaven te Rhenen. De natuurtoets wordt uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling van de onderzoekslocatie. De natuurtoets bevat de volgende onderdelen: Quickscan natuurwaarden: dit onderdeel heeft als doel in te schatten of er op de onderzoekslocatie beschermde planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden van de voorgenomen ingreep. Voortoets Natura 2000: Dit onderdeel heeft als doel vast te stellen of er op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen, (significante) gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Het betreft een oriënterende fase, waarbij voor het onderdeel stikstofdepositie gebruik wordt gemaakt van reeds uitgevoerde Aeriusberekeningen. Toetsing aan omgevingsverordening: Door de provincie Utrecht zijn voor delen van het gebied regels gesteld, waaronder die van het NNN. Dit onderdeel heeft tot doel om de het planvoornemen te toetsen aan de meest recente versie van de omgevingsverordening, zoals gepubliceerd in het Omgevingsloket. Er worden in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen.
In de quickscan wordt uitsluitsel gegeven over de eventuele noodzaak tot een nader soortonderzoek. De uitkomst van de overige onderdelen kan vervolgtrajecten behelsen. Pas zodra meer concrete informatie over zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van het project bekend zijn, kan een definitieve versie van het rapport worden opgesteld. Dit conceptrapport heeft daarom vooral als doel om mogelijke knelpunten en de haalbaarheid van het plan beter te kunnen beoordelen Econsultancy is lid van de branchevereniging Netwerk Groene Bureaus en werkt volgens de door het Netwerk opgestelde gedragscode en protocollen. In dat kader verklaart Econsultancy ten behoeve van de onderzoekslocatie niet eerder betrokken te zijn geweest bij ecologische advisering of ecologisch onderzoek.
25125.001 versie C1
1 / 48
2
GEBIEDSBESCHRIJVING
2.1 Huidig gebruik onderzoekslocatie en omgeving De onderzoekslocatie betreft het plangebied van het integraal gebiedsplan, met daarin enkele specifieke locaties: de parkeerplaats aan de Paardenmarkt en de Passantenhaven te Rhenen. In figuur 2.1 is de onderzoekslocatie weergegeven.
Figuur 2.1 Topografische ligging van de onderzoekslocatie.
De onderzoekslocatie betreft een gedeelte van de uiterwaarden van de Rijn van circa 16,8 ha, gelegen aan de zuidwestzijde van de kern van Rhenen. Het grootste deel van de onderzoekslocatie bestaat uit relatief kruidenrijk grasland en hooiland. Door dit grasland/hooiland lopen diverse struinpaadjes en het veld wordt veelvuldig gebruikt door de omgeving om te wandelen en de hond uit te laten. In het hooiland staan verspreid enkele solitaire bomen, knotwilgen en (meidoorn)struiken. In het noorden van het plangebied is parkeerplaats Paardenmarkt gelegen. Aan de zuidzijde wordt de parkeerplaats begrensd door een haag. Ten westen van de parkeerplaats is een verhard terrein gelegen dat niet ingericht is als parkeerplaats. Vanaf de parkeerplaats Paardenmarkt richting het zuiden is een verbindingsweg gelegen richting de passantenhaven, de veerdam van de veerpont en horecagelegenheid Moeke. Rondom Moeke en ter plaatse van de passantenhaven zijn diverse parkeergelegenheden aanwezig. De kade van de passantenhaven lag ten tijde van het veldbezoek niet in het water, maar was opgesteld op de parkeerplaats van de passantenhaven.
25125.001 versie C1
2 / 48
Ten westen van de passantenhaven is het stadstrand van Rhenen gelegen, met aansluitend nog enkele strandjes, rietkragen en struweel dat tussen de kribben gelegen is. In dit gebied is veel struweel aanwezig. Ten oosten van Moeke is een weg gelegen richting de loswal, helemaal aan het oosten van het plangebied. Deze weg loopt vervolgens door richting de kern van Rhenen (Rijnstraat). Langs dit deel van de Rijnoever zijn geen stranden aanwezig maar uitsluitend een stenen oever met langs de oever veel struweel en bomen. De zuidzijde van de onderzoekslocatie wordt volledig begrensd door de Rijn, de westzijde door natuurgebied de Palmerswaard. In dit natuurgebied zijn veel poelen, nevengeulen, struweel en rietkragen aanwezig. Dit gebied is niet toegankelijk voor honden en gedeeltelijk ook niet toegankelijk voor recreanten. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door de kern van Rhenen en aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door een gebied met vergelijkbare hooilanden/graslanden en Rijnoevers, zoals op de onderzoekslocatie aanwezig zijn. In figuur 2.2 is een luchtfoto van de onderzoekslocatie en de directe omgeving weergegeven. Figuur 2.3 t/m 2.11 geven een impressie van de onderzoekslocatie, middels foto’s die zijn genomen tijdens het veldbezoek.
Parkeerplaats Paardenmarkt
Passantenhaven
Figuur 2.2 Luchtfoto van de onderzoekslocatie.
25125.001 versie C1
3 / 48
Figuur 2.3 Grasland met struinpaadje net ten zuiden van parkeerplaats Paardenmarkt.
Figuur 2.4 Overzichtsfoto kruidenrijk grasland/hooiland centraal op onderzoekslocatie.
Figuur 2.5 Strandjes aan de Rijnoever in het zuidwesten.
Figuur 2.6 Overzichtsfoto plaats Paardenmarkt.
parkeer-
Figuur 2.7 gebied ten westen van parkeerplaats Paardenmarkt.
Figuur 2.8 Veerweg tussen de passantenhaven en parkeerplaats Paardenmarkt.
Figuur 2.9 Overzichtsfoto parkeerplaats en opstelplaats steigers van de Passantenhaven/stadsstrand.
Figuur 2.10 Overzichtsfoto passantenhaven.
Figuur 2.11 Loswal in het zuidoosten van het plangebied.
25125.001 versie C1
4 / 48
2.2 Toekomstig gebruik van de onderzoekslocatie en voorgenomen ingrepen De initiatiefnemer is voornemens diverse ontwikkelingen uit te voeren in het kader van een integraal gebiedsplan dat bestaat uit vier elementen. Deze elementen staan hieronder beknopt weergegeven. Voor een volledige beschrijving van het plan wordt verwezen naar de bijbehorende notities van het integraal gebiedsplan (bron: gemeente Rhenen mei 2024). 1- Herontwikkeling van de passantenhaven tot stadshaven In de huidige situatie is er een passantenhaven aanwezig. Deze passantenhaven bestaat uit een drijvende steiger die bevestigd kan worden aan houten palen, die tussen de kribben in de Rijn staan. Als de haven niet in gebruik is, zoals in de winterperiode, wordt de haven opgesteld op de parkeerplaats van de passantenhaven/stadsstrand. In de huidige situatie zijn er van mei tot en met september gemiddeld 2 overnachtingen per dag, dus circa 300 overnachtingen per jaar. Er meren meer boten aan overdag, maar door gebrek aan voorzieningen overnachten veel boten niet in de haven. In de nieuwe situatie zal de haven meer ligcomfort krijgen door een golfbreker en meer voorzieningen zoals sanitaire voorzieningen en een waterpunt (zie figuur 2.12). Er is nog geen concrete uitwerking van de sanitaire voorzieningen.
Op basis van ervaringscijfers van omliggende havens wordt de bezetting geschat op 1.000 overnachten, dat nog door kan groeien naar 1.500 overnachtingen per jaar, gedurende de periode mei tot en met september. Dit komt neer op maximaal 10 overnachtingen per dag.
Figuur 2.12
Sfeerimpressie mogelijke toekomstige situatie stadshaven (bron: gemeente Rhenen, mei 2024).
25125.001 versie C1
5 / 48
2- Ander gebruik verkeersruimte Vanuit de ambities van het bestuursprogramma van de gemeente Rhenen, het recreatiebeleid en de mobiliteitsagenda, is het plan voor de transitie van naar een autoluw gebied. Op de Paardenmarkt is nu ruimte voor 103 auto’s. Binnen de huidige bestemming is het mogelijk om dit uit te breiden naar 152 auto’s. De uitbreiding vindt plaats doormiddel van het aanleggen van grasparkeerplaatsen ten westen van de huidige parkeerplaats. Daarnaast zal de parkeerplaats beter bereikbaar worden gemaakt door de huidige inrit iets naar het zuiden te verplaatsen. Van de uitbreiding van de parkeerplaats worden 24 parkeerplaatsen ingericht voor dubbelgebruik als in totaal 7 camperplaatsen (zie figuur 2.13). Behalve vier punten voor stroom en water wordt een lozingsplek voor vuilwater aangelegd ten behoeve van de camperplaatsen.
Figuur 2.13 2024).
Sfeerimpressie mogelijke toekomstige situatie parkeerplaats Paardenmarkt (bron: gemeente Rhenen, mei
Nu laat het bestemmingsplan 32 parkeerplaatsen toe bij de haven en op het Veerplein zijn 21 gemarkeerde parkeerplaatsen vergund aan Moeke, plus 6 parkeerplaatsen aan de noordzijde van het gebouw. Door reorganisatie is het mogelijk binnen de bestemming Verkeer bij de stadshaven 45 parkeerplaatsen te realiseren, waarvan 5 parkeerplaatsen voor mensen met een beperking. Aan de noord- en oostzijde van Moeke kunnen 16 parkeerplaatsen worden gemaakt, tezamen 61 parkeerplaatsen. Voor gebruik van deze parkeerplaatsen moet worden betaald. Deze parkeerplaatsen zijn betaald en alleen bereikbaar door het passeren van een slagboom. De Rijnstraat zal vanaf Moeke niet toegankelijk zijn doormiddel van een tweede slagboom, die in principe altijd dicht is om sluipverkeer, zoals in de huidige situatie aanwezig is, volledig te voorkomen. De Rijnweg tussen
25125.001 versie C1
6 / 48
Moeke en de Loswal wordt ingericht als wandelpromenade, die doorloopt tot en met de stadshaven. Het smalle pad te noorden van de Rijnkade komt hiermee te vervallen. Daarnaast zullen de Veerweg en de Rijnstraat heringericht worden. De veerweg wordt visueel gewijzigd en krijgt een bredere stoep voor voetgangers. Om fout parkeren te ontmoedigen wordt aan beide zijdes een lage haag aangeplant. Tot slot wordt het aantal stallingsplaatsen voor fietsers fors uitgebreid. Vier nieuwe plekken maken het gebied aantrekkelijker om per fiets te bezoeken; aan het begin van de Veerweg, aan het begin van de Stadshaven, aan het begin van de wandelroute naar het stadsstrand/ Palmerswaard en aan de oostzijde van Moeke. 3- Toevoeging recreatieve elementen In het plan staat aangegeven dat het gebied tussen de Palmerswaard en de Rijnkade verder wordt ingericht voor recreanten om te recreëren, om met deze zonering te zorgen dat de rust in de Palmerswaard behouden blijft. Het gaat hierbij om het toevoegen van zitgelegenheden langs de Veerweg, Rijnkade en passantenhaven. Herinrichten stadsstrand en een multifunctionele tribune bij de loswal, waar jongeren prettig kunnen zitten. De weilanden en de parkeerplaats bij de haven worden momenteel gebruikt voor de kermis en andere tijdelijke evenementen, met name ten westen van de Veerweg. Dit trekt mensen uit Rhenen en de regio.
Voor de evenementen is op dit moment geen alternatieve plek voorhanden, en ze horen bij Rhenen. In het gebiedsplan wordt voorgesteld een recreatieve zonering van noord naar zuid te hanteren, met de ruis zo dicht mogelijk bij de Utrechtsestraatweg en de rust nabij de rivier. Betere zonering betekent dat gestreefd moet worden evenementen zo dicht mogelijk bij de Paardenmarkt te laten plaatsvinden, ter plaatse van de Koningstuin. Dit veld zal vaker gemaaid worden dan de omringende percelen, en indien nodig worden beschermd met tijdelijke rijplaten. In het gebied lopen struinpaden en deze blijven in gebruik. Er worden geen nieuwe struinpaden gemaakt. Recreatief medegebruik van het gebied concentreert zich tussen zonsopkomst en zonsondergang. Om deze reden worden geen extra lichtmasten voorzien. 4- Natuurontwikkeling Extensivering van het beheer maakt het mogelijk bloemrijk glanshaverhooiland te laten ontstaan, rijk aan bloemen en planten en aantrekkelijk voor vogels, dagvlinders, bijen en andere insecten. Er is momenteel sprake van enige verruiging, kleine struwelen langs de oevers en in het zuidelijk deel van de uiterwaarden. Activiteit van de bever is waargenomen door de Stichting Werkgroep Milieu- en natuurbeheer Rhenen (WMR). De WMR heeft een zeer goed beeld welke soorten voorkomen ter plaatse.
In gesprekken tussen de gemeente Rhenen en WMR en met Utrechts Landschap is besproken dat het wenselijk is compacte stapstenen van struwelen te laten ontstaan tussen de Palmerswaard richting de Grebbeberg, zo mogelijk in combinatie met kleine, door kwelwater gevoede poelen. vergroten de biodiversiteit. De stapstenen zijn tevens een informele buffer tussen de stadshaven en de Koningstuin, en sluiten aan op het bestaande bosje ten oosten van Moeke. In de Palmerswaard is te zien tot welk beeld extensief beheer kan leiden, als vanzelf ontstaan rivierbegeleidende ooibossen en struwelen. Dit toekomstbeeld is niet weggelegd voor het plangebied, dat ook in de toekomst een veel opener karakter zal behouden. Dit heeft te maken met de waterstaatkundige betekenis van de uiterwaarden, als overstromingsgebied in natte maanden. Als eventuele alternatieven voor glanshaverhooiland is daarom alleen kruiden- en faunarijk grasland in beeld, waarbij het maaisel niet hoeft te worden afgevoerd, of kruiden- en faunarijke akker. Rust en duisternis zijn voorwaarden voor vogels en kleine zoogdieren die in het gebied willen foerageren en
25125.001 versie C1
7 / 48
rusten. De aanleg van lage gemengde hagen langs de grens met Palmerswaard en langs de Veerweg verbeteren de leefomstandigheden eveneens voor vogels en kleine zoogdieren. Planning en activiteiten In het huidige planstadium is nog niet bekend wanneer de beoogde werkzaamheden uitgevoerd gaan worden, en op welke wijze de ingrepen precies uitgevoerd zullen gaan worden. Wat wel bekend is, is dat ten behoeve van de nieuwe stadshaven de huidige palen vervangen moeten worden door nieuwe palen die geboord of geschroefd moeten worden in de bodem. Ook zullen er hier mogelijk opgaande vegetatie zoals enkele bomen en struiken verwijderd moeten worden. Pas zodra meer concrete informatie over zowel de aanlegfase als de gebruiksfase van het project bekend zijn, kan een definitieve versie van het rapport worden opgesteld. Dit conceptrapport heeft daarom vooral als doel om mogelijke knelpunten en de haalbaarheid van het plan beter te kunnen beoordelen.
25125.001 versie C1
8 / 48
3
ONDERZOEKSMETHODIEK
Het onderzoek is uitgevoerd middels het verrichten van een bureauonderzoek en een veldbezoek. Op deze wijze is inzicht verkregen in de aanwezigheid van geschikt habitat en de daarbij te verwachten beschermde soorten, gesitueerd op of nabij de onderzoekslocatie. Het veldbezoek is afgelegd op 14 mei 2024. Tijdens dit veldbezoek is de gehele onderzoekslocatie, alsmede de directe omgeving beoordeeld. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijke aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten op basis van het aanwezige habitat. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen, andere standaardwerken en op basis van “expert judgement” nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten er voor kunnen komen op de onderzoekslocatie en zijn omtrent gebiedsbescherming gegevens van de provincie Utrecht opgevraagd. Actuele verspreidingsgegevens van flora en fauna zijn uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) opgevraagd. De quickscan natuurwaarden is een toets van de ecologische potenties van de onderzoekslocatie en betreft geen volwaardig soort(en) specifiek onderzoek. Er zijn in het onderhavige onderzoek geen inventarisaties uitgevoerd van soorten en soortgroepen. Een ecologische inventarisatie beslaat meerdere veldbezoeken gedurende de voor de soortgroep meest gunstige periode van het jaar.
25125.001 versie C1
9 / 48
4
AANGETROFFEN EN TE VERWACHTEN BESCHERMDE SOORTEN
Het voorkomen van planten- en diersoorten in een gebied wordt mede bepaald door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Een soort kan in zijn leefgebied gebruik maken van verschillende plekken om te verblijven. Al deze plekken (biotopen) kunnen een bepaalde functie voor de soort vervullen. In dit hoofdstuk wordt op basis van het aanwezige habitat/verblijfsmogelijkheden samen met verspreidingsgegevens beschreven welke beschermde soorten binnen de onderzoekslocatie kunnen voorkomen. Afhankelijk van de soort wordt ingegaan op de potentiële aanwezigheid van vaste rust- of voortplantingsplaatsen, foerageergebied en verbindingsroutes. Tevens wordt beoordeeld of de voorgenomen plannen een negatief effect kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten. In hoofdstuk 5 wordt beschreven welke juridische implicaties dit voor het project heeft.
4.1 Vogels Broedvogels (nesten jaarrond beschermd) Er zijn broedvogels waarvan de nesten ook beschermd zijn op het moment dat ze niet voor de voortplanting in gebruik zijn. Binnen uiterwaarden kunnen dit zijn: huismus, kerkuil, steenuil, roek, ooievaar, buizerd, sperwer, ransuil en boomvalk. Huismus De huismus is een soort die van bebouwing afhankelijk is om te broeden. De soort broed voornamelijk onder dakpannen en andere ‘nisjes’ in bebouwing. Binnen de onderzoekslocatie betreft horecagelegenheid Moeke de enige bebouwing. Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat er een huismuskolonie aanwezig is bij het gebouw, die onder de dakpannen broeden. Huismussen van deze kolonie, maar ook vanuit de kern van Rhenen gebruiken het aanwezige groen op de onderzoekslocatie als functioneel leefgebied om te foerageren en als schuilplaats. Met het beoogde planvoornemen vanuit het integraal gebiedsplan worden nestlocaties van huismussen niet negatief beïnvloed. De aanpassingen in de openbare ruimte zullen niet leiden tot aantasting van essentieel leefgebied. Vervolgstappen in het kader van de omgevingswet zijn voor de huismus niet noodzakelijk. Kerkuil en steenuil Kerkuilen en steenuilen zijn cultuurvogels die voornamelijk gebruik maken van speciale nestkasten in schuren en zolders, maar ook andere ruimtes in vergelijkbare locatie kunnen gebruiken om te broeden.
Incidenteel kunnen steenuilen ook broeden in holtes van knotbomen. Op basis van het veldbezoek zijn nestlocaties van steenuil en kerkuil op de onderzoekslocatie zelf uit te sluiten. Daarnaast zal het planvoornemen niet leiden tot een negatief effect op het functioneel leefgebied van deze soorten, vrijwel al het potentiële leefgebied blijft behouden en wordt mogelijk juist versterkt door het aanplanten van meer struweel. Verdere vervolgstappen worden voor deze soorten daarom niet noodzakelijk geacht.
25125.001 versie C1
10 / 48
Roek Roeken zijn koloniebroeders die veelal in hoge bomen, voornamelijk langs wegen en sportvelden, maar ook in dorpen of bosjes in het buitengebied kunnen broeden. Op de onderzoekslocatie of de directe omgeving zijn geen roekenkolonies aanwezig, waarmee uit te sluiten is dat het planvoornemen zal leiden tot negatieve effecten op de soort. Buizerd Buizerds maken gebruik van grote horsten in bomen om te broeden. Tijdens het veldbezoek zijn de hoge bomen op de onderzoekslocatie onderzocht op aanwezigheid van grote nesten. Er zijn tijdens het veldbezoek geen nesten aangetroffen die door buizerds gebruikt kunnen worden om te broeden. Ook zullen de plannen niet leiden tot het aantasten van essentieel leefgebied, foerageermogelijkheden voor de buizerd blijven met het planvoornemen behouden. Negatieve effecten op deze soort zijn daarmee uit te sluiten. Ooievaar De ooievaar broed voornamelijk op speciale nestpalen, maar kan ook broeden in bomen, op bebouwing en andere bouwwerken zoals hoogspanningsmasten. Op de onderzoekslocatie zijn geen nestplaatsen van ooievaar aangetroffen. Daarnaast zal het planvoornemen niet leiden tot belangrijke aantasting van functioneel leefgebied, de hooilanden kunnen in de huidige situatie en de toekomstige situatie gebruikt worden om te foerageren om onder andere muizen.
De afname van hooiland vanwege de uitbreiding van de parkeerplaats Paardenmarkt zal een verwaarloosbaar kleine afname van foerageermogelijkheden zijn, omdat deze randzone tegen de bebouwde kom geen belangrijke functie voor de soort zal hebben. Hiermee zijn negatieve effecten op deze soort uit te sluiten. Sperwer, ransuil en boomvalk Deze roofvogelsoorten maken voornamelijk gebruik van oude nesten van bijvoorbeeld zwarte kraai of ekster om te broeden, of maken gebruik van nesten van vergelijkbare omvang. De nesten bevinden zich veelal in bomen, maar kunnen zich ook bevinden in dichter struweel. Tijdens het veldbezoek zijn er geen potentiële nesten van deze soorten aangetroffen. Echter was het vanwege het dichte bladerdek niet uit te sluiten dat zich binnen de onderzoekslocatie nesten van deze soorten bevinden. Binnen de invloedsfeer van het planvoornemen van de passantenhaven en de parkeerplaats van de paardenmarkt zijn nestlocaties van deze soorten redelijkerwijs uit te sluiten. Desondanks wordt aanbevolen om, zodra het definitieve planvoornemen bekend is, te toetsen of een nadere nestinspectie in het najaar of de winter uit te voeren om zo zeker uit te kunnen sluiten dat er geen negatieve effecten op deze soorten kunnen ontstaan (zie hoofdstuk 5).
De broedvogels waarvan het nest in uitzonderlijke gevallen eveneens jaarrond is beschermd, zijn voornamelijk zwaluwsoorten zoals oeverzwaluw en boerenzwaluw, holenbroeders, zoals spechten en mezen, of makers van grote nesten, zoals ekster en zwarte kraai. Op de onderzoekslocatie zijn geen soorten van deze soorten aangetroffen. Wel bestaat een kans dat tijdens de aanlegfase tijdelijke zanddepots ontstaan die door oeverzwaluwen gebruikt kunnen worden om te broeden. Als oeverzwaluwen tijdelijke zanddepots gebruiken om te broeden, kan het voortzetten van de werkzaamheden leiden tot negatieve effecten op de soort (zie hoofdstuk 5).
25125.001 versie C1
11 / 48
Eventueel overige in de toekomst aanwezige nesten liggen buiten de invloedsfeer van te verwachte ingrepen en veranderend gebruik. Het gaat hierbij bovendien om algemeen voorkomende soorten, die ook in de directe omgeving voldoende broedgelegenheid hebben. Er zijn derhalve geen bijzondere ecologische omstandigheden die rechtvaardigen dat de nesten van genoemde soorten op de onderzoekslocatie een jaarrond beschermde status zouden moeten hebben. Het werken buiten het broedseizoen is voldoende om overtreding op dit punt te voorkomen (zie hoofdstuk 5). Overige broedvogels De onderzoekslocatie kan nestgelegenheid bieden aan een grote diversiteit aan broedvogelsoorten variërend van algemene soorten als houtduif en merel, tot schaarsere soorten in bomen of struweel als nachtegaal en spotvogel. In het grasland zouden ook grondbroedende soorten kunnen broeden zoals graspieper en veldleeuwerik, al wordt de kans hierop klein geacht gezien het intensieve recreatieve gebruik van het grasland en de vrij dichte vegetatie. De nesten van deze soorten zijn alleen beschermd op het moment dat ze als zodanig in gebruik zijn. Schadelijke handelingen die leiden tot een vergunningplichtig geval zijn te voorkomen (zie hoofdstuk 5).
4.2 Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens en de verspreidingsatlas van de NDFF is de onderzoekslocatie gelegen in een deel van Nederland waar de volgende vleermuissoorten kunnen voorkomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, meervleermuis, gewone grootoorvleermuis, franjestaart en watervleermuis. Verblijfplaatsen op de onderzoekslocatie Bij verblijfplaatsen van vleermuizen is onderscheid te maken tussen een zomerverblijf, kraamverblijf, paar/baltsverblijf (die ook als individueel winterverblijfplaats gebruikt kunnen worden) en massawinterverblijf. Deze functies worden mede bepaald door specifieke kenmerken van bebouwing op de onderzoekslocatie. Deze verblijfplaatsen kunnen door diverse vleermuissoorten worden gebruikt. Potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen op de onderzoekslocatie zijn alleen aanwezig in de bebouwing van horecagelegenheid Moeke. In de aanwezige bomen op de onderzoekslocatie zijn geen geschikte verblijfsmogelijkheden voor vleermuizen aangetroffen. In het gebiedsplan worden geen werkzaamheden voorzien aan de bebouwing van Moeke, waarmee het planvoornemen niet zal leiden tot negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied.
Verblijfplaatsen buiten de onderzoekslocatie Naast de onderzoekslocatie bevindt zich de kern van Rhenen, met veel potentiële verblijfplaatsen voor diverse gebouwbewonende vleermuissoorten. Eventuele verblijfplaatsen hierin ondervinden door de aard van de ingreep, geen hinder van het integraal gebiedsplan.
25125.001 versie C1
12 / 48
Foerageerhabitat De onderzoekslocatie zal, gelet op het aanwezige habitat gebruikt kunnen worden door in de omgeving verblijvende vleermuizen zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis om te foerageren. De plannen zullen echter geen aantasting van belangrijk foerageerhabitat vormen. Door de voorgenomen ingreep zal het aanbod van foerageermogelijkheden niet in het geding komen, de plannen zullen niet leiden tot een afname van foerageermogelijkheden. Door het toevoegen van meer struweel en eventueel ook poelen, worden de foerageermogelijkheden mogelijk juist verbeterd. Het is niet de verwachting dat langs de Rijn extra verlichting toegepast gaat worden dan in de huidige situatie aanwezig is, dit dient echter wel geborgd te worden om negatieve effecten op foeragerende vleermuizen bij de Rijn uit te sluiten (zie hoofdstuk 5). Vliegroutes en migratieroutes Vleermuizen maken veelal gebruik van lijnvormige (donkere) landschapselementen als houtsingels, beken, rivieren en lanen om zich te verplaatsen tussen verblijfplaatsen en foerageergebieden. De Rijn is een belangrijke vliegroute en migratieroute voor onder andere de meervleermuis.
Het is niet de verwachting dat langs de Rijn extra verlichting toegepast gaat worden dan in de huidige situatie aanwezig is, dit dient echter wel geborgd te worden om negatieve effecten op vliegroutes en migratieroutes van vleermuizen langs de Rijn uit te sluiten (zie hoofdstuk 5).
4.3 Overige zoogdieren Alle zoogdieren in Nederland zijn beschermd. Voor sommige algemeen voorkomende soorten geldt een provinciale vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling. Op deze wijze is er onderscheid te maken in streng beschermde en minder streng beschermde soorten. Streng beschermde soorten Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en Broekhuizen et al. (2016) ligt de onderzoekslocatie binnen het verspreidingsgebied van de volgende streng beschermde grondgebonden zoogdieren: bever, steenmarter, boommarter, eekhoorn, das, bunzing, wezel en hermelijn. Bever De bever komt verspreid voor langs voornamelijk de grote en kleinere rivieren in Nederland. Tijdens het veldbezoek zijn knaagsporen van bever aangetroffen op één plek langs de Rijnoever tussen Moeke en de loswal (figuren 4.1 en 4.2). Het is aannemelijk dat de bever de oevers langs de Rijn op de onderzoekslocatie gebruikt om te foerageren. Een burchtlocatie of andere vaste rust- en voortplantingsplaats van bever is op de onderzoekslocatie op basis van de bevindingen tijdens het veldbezoek uit te sluiten. De bever is een schemer- en nachtactief dier. De herzonering en uitbreiding van overnachtingsmogelijkheden en aanmeerplekken in de stadshaven zullen niet leiden tot aantasting van essentieel leefgebied van de bever. In de directe omgeving van de passantenhaven zijn weinig foerageer- en schuilmogelijkheden aanwezig.
Geschikt leefgebied zoals de Palmerswaard en overige uiterwaardengebieden verder stroomopwaards vormen meer geschikt leefgebied. Wel is van belang dat de verbinding tussen deze gebieden behouden blijft. Ondanks de uitbreiding van de passantenhaven wordt verwacht dat de Rijn nog steeds gebruikt kan worden voor de bever om te foerageren en te migreren. Verdere vervolgstappen worden voor deze soort niet noodzakelijk geacht.
25125.001 versie C1
13 / 48
Figuur 4.1 knaagsporen van bever langs de Rijnkade.
Figuur 4.2 locatie van knaagsporen bever.
Steenmarter en boommarter De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor de steenmarter en in beperkte mate voor de boommarter om te foerageren. Steenmarter komt in de omgeving voor, boommarters worden voornamelijk op de Utrechtse heuvelrug verwacht. In de directe omgeving van de locaties waar volgens het gebiedsplan ingrepen gepland staan, zijn verblijfsmogelijkheden voor deze soorten uit te sluiten. Ten westen van de onderzoekslocatie is een grote konijnenburcht aanwezig (figuren 4.3 en 4.4). Deze holen zijn ook voor marterachtigen geschikt om te gebruiken als verblijfplaats. In de dichtere bosschages op de onderzoekslocatie zijn verblijfsmogelijkheden van boom- en steenmarter niet volledig uit te sluiten, maar met het beoogde planvoornemen zijn negatieve gevolgen op deze soorten uit te sluiten omdat deze elementen behouden blijven. Mocht bij het definitieve planvorming blijken dat dicht struweel verwijderd wordt evenals stenenstapels, grote takkenhopen of holen van andere zoogdieren zoals konijn, dan zal een nadere inspectie noodzakelijk zijn om eventuele verdere vervolgstappen te kunnen beoordelen (zie hoofdstuk 5).
Figuur 4.3 grote konijnenburcht ten westen van de onderzoekslocatie.
25125.001 versie C1
Figuur 4.4 locatie konijnenburcht (gele ster).
14 / 48
Eekhoorn De onderzoekslocatie vormt in beperkte mate geschikt habitat voor de eekhoorn. De soort komt niet veel voor in uiterwaarden, maar is vanwege de liggen van het plangebied tegen de Utrechtse heuvelrug niet volledig uit te sluiten. De enkele hoge bomen op de onderzoekslocatie konden door het de aanwezigheid van het bladerdek niet volledig worden onderzocht op de aanwezigheid van nesten. Met het huidige planvoornemen is niet de verwachting dat er bomen met eekhoornnesten, en daaruit volgende negatieve effecten op eekhoorns op zullen treden. Om negatieve gevolgen met zekerheid uit te sluiten wordt voorgesteld om in het najaar of de winter een aanvullende inspectie uit te voeren indien blijkt dat er hoge bomen gepakt moeten worden in het kader van de uitvoering van het gebiedsplan (zie hoofdstuk 5). Das De das komt volgens algemene verspreidingsgevens voor in de omgeving van de onderzoekslocatie. Uit gegevens van de NDFF blijkt dat er waarnemingen van dassen zijn op ruim 1,5 kilometer ten oosten van de onderzoekslocatie, op de Grebbeberg. Tijdens het veldbezoek zijn geen foerageersporen van dassen aangetroffen op de onderzoekslocatie. Incidenteel zou een passerend individu op de onderzoekslocatie voor kunnen komen.
Het is gezien de ligging tegen de bebouwde kom, het intensieve recreatieve gebruik en het ontbreken van burchtlocaties in de directe omgeving van de onderzoekslocatie is het niet de verwachting dat de hooilanden op de onderzoekslocatie een belangrijke foerageerfunctie voor dassen zullen hebben. Vergelijkbare hooilanden/graslanden met minder recreatieve verstoring, zijn dichterbij de mogelijke burchtlocatie aanwezig. Belangrijker is dat de plannen niet leiden van aantasting van potentieel leefgebied van de soort. De afname van potentieel foerageergebied (uitbreiding Paardenmarkt) is beperkt en vindt plaatse tegen de bebouwde kom van Rhenen, waar het niet waarschijnlijk is dat hier gefoerageerd wordt door dassen. De plannen met betrekking tot natuurontwikkeling kunnen juist bijdragen aan een verbetering van de foerageer- en schuilmogelijkheden voor dassen. Verdere vervolgstappen worden voor deze soort daarom niet noodzakelijk geacht. Bunzing, wezel en hermelijn Deze drie kleine marterachtigen kunnen voorkomen binnen de onderzoekslocatie. Op de onderzoekslocatie zijn vanuit de NDFF ook waarnemingen bekend van wezel en bunzing. De soorten kunnen alle hooilanden, ruigtes, bosschages en oeverzones gebruiken om te foerageren. Daarnaast kunnen ruigtes, bosschages en holen van andere zoogdieren dienen als verblijfsmogelijkheden voor de soort.
Afhankelijk van de uiteindelijke exacte ingrepen kan leefgebied van kleine marters en mogelijk ook potentiële vaste rust- en voortplantingsplaatsen beschadigd worden doordat muizenholen vergraven worden (zie hoofdstuk 5). Licht beschermde soorten De onderzoekslocatie vormt geschikt habitat voor een aantal soorten grondgebonden zoogdieren. Het gaat daarbij om algemene soorten als egel en rosse woelmuis. De grote konijnenburcht licht buiten de invloedsfeer van het integraal gebiedsplan. Als gevolg van graaf- en aanlegwerkzaamheden kunnen negatieve gevolgen ontstaan voor licht beschermde soorten (zie hoofdstuk 5).
25125.001 versie C1
15 / 48
4.4 Reptielen, amfibieën en vissen Reptielen Volgens gegevens van de NDFF zijn er in de afgelopen 5 jaar in de directe omgeving van de onderzoekslocatie veel waarnemingen van de streng beschermde ringslang nabij en op de onderzoekslocatie. Op de onderzoekslocatie zijn geen geschikte voortplantinsgmogelijkheden voor de soort aanwezig, en ook is er weinig geschikt foerageergebied beschikbaar vanwege het ontbreken van oppervlaktewater, met uitzondering van de Rijn. Langs de Rijn is ook weinig geschikt habitat aanwezig, omdat de oever grotendeels steil is en verhard is met basaltblokken. In de omgeving van het stadsstrand is meer geschikt habitat voor ringslang aanwezig. De kernpopulatie van de soort lijkt te liggen in de Palmerswaard, waar veel waarnemingen zijn bij geschikte foerageerplekken als poelen en de nevengeul. De onderzoekslocatie kan echter wel een verbindingsfunctie hebben tussen deze populatie en bijvoorbeeld de Grebbeberg en Blauwe kamer. Met het uitvoeren van werkzaamheden dient voorkomen te worden dat incidenteel aanwezige ringslangen worden gedood of verwond (zie hoofdstuk 5). Daarnaast zijn er kanen voor het versterken van het leefgebied van deze soort met de voorgestelde plannen voor natuurontwikkeling binnen de onderzoekslocatie. Voor overige reptielen is op de onderzoekslocatie geen geschikt habitat aanwezig.
Amfibieën Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF zijn in het deel van Nederland waar de onderzoekslocatie ligt, de volgende soorten te verwachten: kleine watersalamander, Alpenwatersalamander, rugstreeppad, gewone pad, poelkikker, bastaardkikker en bruine kikker. Doordat wateroppervlakten als poelen, sloten en plassen op de onderzoekslocatie ontbreken zijn voortplantingsmogelijkheden voor amfibieën op het grootste deel van de onderzoekslocatie uit te sluiten. Eventueel zouden algemene soorten tussen rietvegetatie in de Rijnoever in de directe omgeving van het stadsstrand kunnen voortplanten. Voor de beschermde Alpenwatersalamander en poelkikker is geschikt voortplantingswater aanwezig in de poel net ten westen van het plangebied, maar zijn voortplantingsmogelijkheden binnen de onderzoekslocatie uit te sluiten. Gezien de aanwezigheid van ruigte en dicht struweel in de Palmerswaard direct rondom de poel, is het niet te verwachten dat deze soorten op de onderzoekslocatie waar ingrepen gepland staan (voornamelijk het hooiland en de oeverzone) zullen voorkomen. Zorgvuldig handelen is noodzakelijk om negatieve effecten van incidenteel aanwezige individuen te voorkomen (zie hoofdstuk 5). Met de beoogde plannen voor natuurontwikkeling zijn er veel verbeterkansen voor deze soorten, waarbij vestiging op de onderzoekslocatie realistisch kan zijn.
Op de onderzoekslocatie bevindt zich geen geschikt habitat voor de rugstreeppad. De rugstreeppad is een streng beschermde soort die graag van ondiepe wateren en pionierssituaties gebruik maakt. Ondiepe wateren warmen snel op en zijn voor deze moeilijk zwemmende soort toegankelijk. De rugstreeppad plant zich in tijdelijke wateren voort. Het is uit te sluiten dat de soort zich op de onderzoekslocatie voortplant, echter zouden bij het uitvoeren van werkzaamheden wel onverhoopt geschikt habitat voor de soort kunnen ontstaan (zie hoofdstuk 5).
25125.001 versie C1
16 / 48
Vissen Met uitzondering van de Rijn, is de aanwezigheid van vissen op de onderzoekslocatie uit te sluiten. De werkzaamheden ten behoeve van de uitbreiding van de passantenhaven tot stadshaven, kunnen leiden tot trillingen die negatieve effecten kunnen veroorzaken op vissen. Beschermde vissoorten die voor kunnen komen in dit deel van de Rijn zijn: Noordzeehouting en Europese steur. Volgens gegevens van RAVON is er in dit deel van de Rijn geen populatie aanwezig van de kwabaal, echter zou een zwevend exemplaar voor kunnen komen. Omdat de beoogde werkwijze en periode van uitvoering niet bekend is, kan in dit stadium niet bepaald worden of de werkzaamheden kunnen leiden tot negatieve gevolgen voor beschermde vissoorten gedurende de aanlegfase, wel wordt de kans op negatieve gevolgen klein geacht vanwege de (zeer) zeldzame status van deze drie soorten. Gedurende de gebruiksfase zijn er geen negatieve gevolgen te verwachten voor beschermde vissoorten (zie hoofdstuk 5).
4.5 Ongewervelden Libellen Er zijn slechts enkele libellensoorten die binnen de Omgevingswet een strenge bescherming genieten. Deze zijn voor wat betreft hun verspreiding gebonden aan specifieke habitateisen, die veelal alleen in natuurgebied zijn te vinden. Op de onderzoekslocatie zijn, met uitzondering van de Rijn, geen voortplantingsmogelijkheden voor libellen aanwezig, waarmee voor vrijwel alle libellensoorten negatieve gevolgen uit te sluiten zijn. Een uitzonering hierop is de rivierrombout. Deze zeldzame en beschermde soort komt voor langs de grote rivieren in Nederland en leeft als larve voornamelijk in zandige substraten in ondiepe, onbegroeide, stromingsluwe riviertrajecten. Het uitsluipen van larves vindt voornamelijk plaats op rivierstrandjes tussen de kribben, de imago’s houden zich vooral op in ruigtevegetaties in de directe omgeving van de rivieren. De meest dichtbij zijnde waarneming van rivierrombout bij de onderzoekslocatie is ter plaatse van de Blauwe Kamer (NDFF). Het is niet de verwachting dat met de voorgenomen ingrepen larvenhabitat van rivierrombout negatief wordt beïnvloed omdat er geen strumingsluwe ondiepe riviertrajecten bij de passantenhaven aanwezig zijn.
Bij eventuele herinrichtingswerkzaamheden bij het stadsstrand, zoals het aanleggen van een boeienslang, dient voorkomen te worden dat eventuele uitsluipende individuen beschadigd worden (zie hoofdstuk 5). Vlinders Beschermde vlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat met waard- en nectarplanten. Op de onderzoekslocatie is geen geschikt leefgebied aanwezig voor beschermde vlindersoorten. Er zijn op de onderzoekslocatie geen waardplanten aanwezig en het is uitgesloten dat er binnen de onderzoekslocatie geschikt habitat aanwezig is voor een (deel)populatie van een beschermde vlindersoort. Overige soorten Overige beschermde soorten, zoals vliegend hert, Europese rivierkreeft, vermiljoenkever en platte schijfhoren, zijn op de onderzoekslocatie uit te sluiten. Er is geen geschikt habitat voor dergelijke beschermde soorten op de onderzoekslocatie aanwezig en er zijn geen waarnemingen bekend in de directe omgeving van de onderzoekslocatie.
25125.001 versie C1
17 / 48
4.6 Planten De onderzoekslocatie ligt binnen het verspreidingsgebied van de volgende beschermde vaatplanten die (in meer of mindere mate) vergelijkbare groeiplaatsomstandigheden hebben als op de onderzoekslocatie aanwezig zijn: Brede wolfsmelk; Dreps; Glad biggenkruid; Groot spiegelklokje; Grote leeuwenklauw; Kleine wolfsmelk; Korensla; Ruw parelzaad. Tijdens het veldbezoek is geen volledige inventarisatie van vaatplanten uitgevoerd. Wel is verkennend gekeken of er beschermde vaatplanten aanwezig zijn in de omgeving waar ingrepen gepland staan (zie tabel 4.1 en figuren 4.5 en 4.6). Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde vaatplanten aangetroffen. De hooilanden tussen de paardenmarkt en de passantenhaven zijn vrij kruidenrijk maar zijn wel relatief dichte vegetaties. Op basis van het veldbezoek wordt de kans klein geacht dat er beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie aanwezig zijn, en dat negatieve gevolgen voor deze soorten kunnen ontstaan als gevolg van de voorgenomen ingrepen. Echter zijn negatieve gevolgen niet met zekerheid uit te sluiten (zie hoofdstuk 5). Tabel 4.1. Aangetroffen vaatplanten nabij ontwikkellocaties en in hooilanden op de onderzoekslocatie. Aangetroffen plantensoorten bij Passantenhaven, Paardenmarkt en tussenliggende hooilanden (willekeurige volgorde) Groot streepzaad
Kleine klaver
Grote vossenstaart
Zachte ooievaarsbek
Duizendblad
Zachte dravik
Scherpe boterbloem
Veldzuring
Glanshaver
Smalle weegbree
Paardenbloem
Ridderzuring
Fluitekruid
Vogelwikke
Kropaar
Gewone hoornbloem
Gewone vogelmelk
Beemdgras
Rode klaver
Pinksterbloem
Gestreepte witbol
Schijfkamille
Brede weegbree
Engels raaigras
Knolboterbloem
Jacobskruiskruid
Grote brandnetel
Gewone raket
Akkerwinde
Kleine ooievaarsbek
25125.001 versie C1
18 / 48
Figuur 4.5 kruidenrijk hooiland met veel klaver en diverse grassoorten van voornamelijk grote vossenstaart, maar ook glanshaver.
Figuur 4.6 Ruigere vegetatie met veel grote brandnetel direct ten zuiden van de parkeerplaats Paardenmarkt.
4.7 Specifieke zorgplicht Onder de specifieke zorgplicht vallen de in Nederland in het wild levende vogelsoorten, genoemd in bijlage I van de Vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 2.4, tweede lid, van de Vogelrichtlijn. Verder vallen hieronder de soorten uit bijlagen II, IV en V van de Habitatrichtlijn en dier- en plantensoorten genoemd in de Rode Lijsten. De rode lijstsoorten die in de afgelopen 5 jaar op de onderzoekslocatie of de directe omgeving zijn waargenomen, zijn weergegeven in tabel 4.1. Tabel 4.2. Plantensoorten vernoemd op de Rode Lijst die in de afgelopen jaar zijn waargenomen op de onderzoekslocatie of directe omgeving.
Beemdkroon
Gele luzerne
Knolsteenbreek
Sikkelklaver
Besanjelier
Gewone agrimonie
Korenbloem
Tripmadam
Blauw walstro
Kamgras
Kruisbladwalstro
Veldsalie
bosaardbei
Kartuizer anjer
Moeslook
Zacht vetkruid
Engelse Alant
Kattendoorn
Rode ogentroost
Gele Kornoelje
Kleine steentijm
Ruige anjer
25125.001 versie C1
19 / 48
Tabel 4.3. Vogelsoorten vernoemd op de Rode Lijst die in de afgelopen jaar zijn waargenomen op de onderzoekslocatie of directe omgeving.
Blauwe kiekendief
huiszwaluw
Oeverloper
Tapuit
boerenzwaluw
Keep
Paapje
Torenvalk
brilduiker
Kemphaan
Patrijs
Tureluur
draaihals
Kleine zilverreiger
Pijlstaart
Veldleeuwerik
Europese kanarie
Kneu
Raaf
Visdief
Gele kwikstaart
Koekoek
Ransuil
Watersnip
Graspieper
Kraanvogel
Ringmus
Wintertaling
Grote karekiet
Kramsvogel
Roerdomp
Wulp
Grote lijster
Kwak
Slobeend
Zeearend
Grote mantelmeeuw
Matkop
Smient
Zomertaling
Grutto
Middelste zaagbek
Spotvogel
Zwarte mees
huismus
Nachtegaal
Steenuil
Zwarte stern
Tabel 4.4. Overige soorten vernoemd op de Rode Lijst die in de afgelopen jaar zijn waargenomen op de onderzoekslocatie of directe omgeving. Zoogdieren
Dagvlinders
Reptielen en amfibieën
Bunzing
Bruin blauwtje
Ringslang
Haas
Grote vos
Rugstreeppad
Konijn
Kleine parelmoervlinder
Laatvliger Wezel
Gezien de aard van de voorgenomen ingrepen is het niet te verwachten dat er rode lijstsoorten zijn die grote negatieve gevolgen kunnen ondervinden van ingrepen die samenhangen met de uitvoering van het integrale gebiedsplan. Wel liggen voor diverse rode lijstsoorten van verschillende soortgroepen ontwikkelkansen als de beoogde plannen voor natuurontwikkeling hier verder op worden afgestemd. Voorgesteld wordt om in een later planstadium dit punt verder uit te werken.
25125.001 versie C1
20 / 48
5
TOETSING AAN SOORTENBESCHERMING
Als gevolg van de voorgenomen ingreep op de onderzoekslocatie kunnen er schadelijke handelingen optreden die leiden tot een vergunningsplichtig geval. In dit hoofdstuk wordt beschreven voor welke soorten er sprake is van dreigende overtreding van de Omgevingswet en of met eenvoudige maatregelen overtreding is te voorkomen. Verder wordt beschreven voor welke soorten een vervolgtraject noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat toetsing van de ingreep aan de Omgevingswet op basis van de huidige onderzoeksinspanning niet mogelijk is, en wat de eventuele consequenties zijn ten aanzien van vergunningen.
5.1 Broedvogels Jaarrond beschermde broedvogels In de dichte bosschages op de onderzoekslocatie zijn nestlocaties van ransuil, sperwer en boomvalk niet volledig uit te sluiten. Voorgesteld wordt om, zodra er meer duidelijkheid is over de definitieve plannen, de planning van de werkzaamheden en de wijze van uitvoering, in het najaar of de winter een aanvullende inspectie uit te voeren naar aanwezigheid van mogelijke nestlocaties. Als er geen geschikte nestlocaties aanwezig zijn, zijn negatieve gevolgen uit te sluiten. Als uit de inspectie blijkt dat er binnen de invloedsfeer van de ingrepen en activiteiten potentiële nestlocaties aanwezig zijn, zal aanvullend onderzoek naar deze soorten noodzakelijk zijn om te bepalen of er mogelijk sprake kan zijn van schadelijke handelingen en een vergunningplichtig geval. Algemene broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 11.37 (Bal) (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. De nesten mogen echter wel worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. In de Omgevingswet wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen.
Globaal kan voor het broedseizoen de periode maart tot half augustus worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Ten aanzien van de oeverzwaluw dienen de werkzaamheden uitgevoerd te worden conform een ecologisch werkprotocol. In het ecologisch werkprotocol dienen maatregelen opgenomen te worden om te voorkomen dat oeverzwaluwen gaan broeden in eventuele aanwezige tijdelijke zanddepots. Door te werken conform het ecologisch werkprotocol wordt voorkomen dat oeverzwaluwen gaan broeden in tijdelijke zanddepots, waarmee schade aan nesten kan worden voorkomen.
5.2 Vleermuizen Alle vleermuissoorten zijn opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd. Vleermuizen worden ook benoemd in Bijlage II van de conventie van Bonn.
25125.001 versie C1
21 / 48
Op basis van het huidige planvoornemen zijn negatieve effecten op vleermuizen redelijkerwijs uit te sluiten. Echter zijn in de bij Econsultancy bekende plannen weinig details bekend over eventuele wijzigingen in het aantal verlichtingspunten en het type verlichting wat wordt toegepast. Ook is niet bekend of de stadshaven gaat beschikken over verlichting. Hiermee valt in dit planstadium niet te toetsen of de plannen kunnen leiden tot negatieve effecten op foerageergebied, vliegroutes en migratieroutes voor vleermuizen waaronder de meervleermuis. Geadviseerd wordt om in een later planstadium een concreet lichtplan op te stellen waaruit blijkt wat eventuele wijzigingen zijn in de verlichting tussen de huidige situatie en de toekomstige situatie. Dit lichtplan kan in een latere versie van dit rapport, of in een separate memo door een deskundig ecoloog op het gebied van vleermuizen beoordeeld worden of vervolgstappen noodzakelijk zijn, of dat negatieve effecten uit te sluiten zijn.
5.3 Overige zoogdieren Eekhoorn In de bomen op de onderzoekslocatie zijn voortplantings- en winternesten van de eekhoorn niet volledig uit te sluiten. Artikel 11.54 (Bal) (het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen; het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen) is van toepassing. In dit planstadium is nog niet zeker of, en zo ja welke bomen gekapt moeten worden ten behoeve van de uitvoering van het integraal gebiedsplan. Uitgangspunt is wel dat bomen zoveel mogelijk behouden blijven. Geadviseerd wordt om in het najaar of de winter een aanvullende inspectie uit te voeren naar de aanwezigheid van eekhoornnesten indien bomen gekapt moeten worden. Als uit deze inspectie blijkt dat er geen eekhoornnesten binnen de onderzoekslocatie aanwezig zijn, zijn negatieve effecten voor de soort uit te sluiten. Als er wel eekhoornnesten aanwezig zijn binnen de invloedsfeer van de ingrepen, zal mogelijk aanvullend onderzoek naar de soort noodzakelijk zijn. Bunzing, wezel en hermelijn Op de onderzoekslocatie kunnen deze drie kleine marterachtigen voorkomen. Als opgaande vegetatie zoals dicht struweel, ruigtestroken en holen van andere zoogdieren beschadigd of verwijderd worden, kan dit leiden tot negatieve effecten op deze soorten.
Artikel 11.54 (Bal) (het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen; het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen) is van toepassing. In dit planstadium is nog niet exact bekend waar welke werkzaamheden uitgevoerd gaan worden. Geadviseerd wordt om zodra meer duidelijkheid is over de voorgenomen plannen, een uitgebreide effectanalyse uit te voeren naar het effect van de voorgenomen plannen op deze soorten. Enerzijds zullen misschien wat struiken verwijderd moeten worden, anderzijds bieden de plannen voor natuurontwikkeling ook kansen voor het verbeteren van het leefgebied voor deze soorten. Uit de effectanalyse zal blijken of sprake kan zijn van schadelijke handelingen en noodzaak tot een vergunning en/of nader onderzoek of dat negatieve effecten uit te sluiten zijn door bijvoorbeeld te werken conform een ecologisch werkprotocol.
25125.001 versie C1
22 / 48
5.4 Ringslang, Alpenwatersalamander, poelkikker en rugstreeppad In de omgeving van de onderzoekslocatie komen de beschermde ringslang, Alpenwatersalamander, poelkikker en rugstreeppad mogelijk voor. Incidenteel zouden deze soorten voor kunnen komen op de onderzoekslocatie. De poelkikker en rugstreeppad zijn beschermd vanuit de Europese habitatrichtlijn (artikel 11.46 Bal). De ringslang en Alpenwatersalamander valt onder de overige nationaal beschermde soorten (artikel 11.44 Bal). Geadviseerd wordt om voorafgaand aan de geplande activiteiten een ecologisch werkprotocol op te stellen waarin maatregelen worden opgenomen om negatieve gevolgen voor deze mogelijk incidenteel aanwezige soorten te voorkomen. Aanvullend onderzoek wordt voor dit planvoornemen niet noodzakelijk geacht, het is mogelijk dat deze conclusies in een later planstadium nog wijzigen als blijkt dat schadelijke handelingen toch niet op voorhand uit te sluiten zijn.
5.5 Algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën Voor de te verwachten soorten geldt dat de werkzaamheden mogelijk verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren verwond of gedood worden en holen kunnen worden verwijderd. Dit houdt een overtreding van artikel 11.54 (Bal) in. Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het is echter in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Gezien de mogelijk grote schaal van de werkzaamheden, wordt geadviseerd om een ecologisch werkprotocol op te stellen waarin maatregelen zijn opgenomen om negatieve gevolgen voor deze soorten zo veel mogelijk te voorkomen. Het opstellen van een ecologisch werkprotocol wordt in dit planstadium nog niet zinvol geacht.
5.6 Vissen Uit de analyse in hoofdstuk 4 blijkt dat de Europese steur en Noordzeehouting mogelijk in het deel van de Rijn waar de onderzoekslocatie in is gelegen, voor kunnen komen. Deze soorten zijn beschermd vanuit de Europese Habitatrichtlijn (artikel 11.46 Bal). Het is verboden deze dieren opzettelijk te doden en te verwonden en te verstoren. Of verstoring van deze soorten uit te sluiten is met de voorgenomen ingrepen, is op basis van de huidige informatie over de voorgenomen ingrepen nog niet met zekerheid uit te sluiten. In een definitieve rapportage zal hier uitsluitsel over gegeven moeten worden.
5.7 Beschermde vaatplanten Uit de analyse in hoofdstuk 4 komt naar voren dat de aanwezigheid van beschermde vaatplanten op de onderzoekslocatie niet aannemelijk, maar ook niet volledig uit te sluiten is. De betreffende soorten vallen onder het beschermingsregime van overige nationaal beschermde soorten (artikel 11.54 Bal). Het is verboden deze planten te beschadigen, te vernielen of te verplanten. Geadviseerd wordt om, zodra meer details bekend zijn over