CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Warmtetransitievisie Rheden 2021 definitief (21.15)

Raadsvergadering 20 april 2021, gemeente RhedenBij agendapunt: Warmte Transitie Visie Rheden (21.15)28.334 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

58

3.2.7

Geothermie Het gebruik van warmte uit de aarde (diepe en ondiepe

geothermie)

kan

een

duurzaam

alternatief zijn met weinig effect op de ruimtelijke omgeving. Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie typen: ondiepe geothermie (<500 meter), diepe geothermie (500-4.000 meter in de bodem) en ultradiepe geothermie (>4.000 meter). Geothermie (diep) wordt haalbaar wanneer er voldoende

vraag

is

vanuit

de

industrie,

glastuinbouw en/of de gebouwde omgeving. Cijfermatig betekent dit dat het haalbaar wordt wanneer

er

minimaal

3.000-5.000

woning-

equivalenten (weq) aangesloten kunnen worden. Bij geothermie is, afgezien van de potentie, ook het risicoprofiel een belangrijke factor in de realisatie van projecten. Diverse risico’s spelen een rol (aardbevingen, grondwaterverontreinigingen, ongewenst

vrijkomen

van

methaan)

die

afgewogen moeten worden tegen de mogelijke voordelen. Bij

ondiepe

geothermie

wordt

er

warmte

onttrokken aan de ondergrond op een diepte van 250 tot 1.500 meter. De temperatuur van deze warmte is 15 tot 40°C. Door het (collectief) opwerken van de temperatuur van het water in het warmtenet, is het water dat bij de woningen en overige gebouwen aankomt warm genoeg voor het verwarmen van HT-radiatoren en het bereiden van warmtapwater. De woningen moeten voor deze techniek wel een redelijke isolatieschil hebben (minimaal energielabel E), maar hoeven niet zo goed geïsoleerd te worden als bij een LT-warmtenet. Voor ondiepe geothermie is het aansluiten van minimaal 1.000 – 2.500 warmte-equivalenten nodig om het project rendabel te krijgen. In de gemeente Rheden wordt op dit moment onderzoek gedaan naar de potentie van geothermie. Het is daarom nog onbekend of geothermie een bijdrage kan leveren aan de warmtetransitie.

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

59

3.2.8

Hernieuwbaar gas

CO2 die opgeslagen zit in de bodem

Figuur 45: schematische

wordt bij het verstoken van olie en gas in

weergave

de atmosfeer gebracht. Bij het verstoken

woning

die

van hernieuwbaar gas (ook wel groen gas

maakt

van

of biogas genoemd, let op dit zijn

van

een

gebruik een

warmtenet

verschillen typen gas16) is dat niet het geval;

het

gas

is

CO2-neutraal.

Hernieuwbaar gas wordt gewonnen op vuilstortplaatsen, uit huishoudelijk afval of uit rioolslib. Daarnaast is het mogelijk om gas te maken uit CO2 en waterstof. Het grote voordeel van hernieuwbaar gas is dat de huidige gasleidingen en de huidige CV-ketels

en

radiatoren

behouden

kunnen blijven (mits het biogas wordt opgewaardeerd17). Hierdoor zijn veel minder aanpassingen aan de infrastructuur en de woningen nodig. Belangrijkste nadeel: er is veel te weinig hernieuwbaar gas beschikbaar om te voorzien in de totale verwarmingsbehoefte. Daarom kunnen we deze techniek het beste reserveren voor plaatsen waar afkoppeling van het aardgasnetwerk lastig is en je liever niet de grond in gaat. Dit is bijvoorbeeld het geval bij kwetsbare gebouwen en monumenten.

3.2.9

Biomassa

Biomassa voor collectieve verwarming is het verbranden van vaste of gasvormige biomassa om water te verwarmen, dat via een groot of klein warmtenet gebouwen verwarmt. De verbranding van biomassa levert meestal dezelfde warmwatertemperatuur als een Cv-ketel, zodat er in de gebouwen geen aanpassing nodig is van de radiatoren. Wel moet er een warmtenet zijn om de warmte te transporteren. De bioketels moeten voldoen aan strenge eisen voor de uitstoot van fijnstof en stikstof. Er kunnen heldere afspraken gemaakt worden over de duurzaamheid van de te gebruiken biomassa. Bio-energie wordt gezien als een flexibele bron, zeker in combinatie met een warmwaterbuffer. De installatie levert op verzoek direct warmte, onafhankelijk van het dag- en nachtritme, weer of seizoen. Er komen landelijke kaders voor gebruik en prioritering van biomassa. Droge biomassa Droge biomassa wordt gezien als een transitiebrandstof: op het moment wordt het veel ingezet in biomassacentrales of als bijstook. Er is veel discussie over duurzaamheidsaspecten. Bij verbranding van vaste biomassa komt meteen CO2 vrij die vervolgens weer vastgelegd moet worden in nieuwe biomassa. Hier gaan

16

Biogas ontstaat als gevolg van vergisting van organisch materiaal (bijv. mest, slib of huisvuil). Groen gas wordt gemaakt van

biogas door de verontreinigingen en overtollig CO2 eruit te filteren. Hiermee krijgt groen gas dezelfde energetische waarde als aardgas met als belangrijk verschil dat groen gas een duurzame brandstof is. 17

Bij het opwaarderen van biogas worden alle verontreinigingen uit het gas gefilterd. Tevens wordt het biogas gedroogd en

wordt de CO2 grotendeels uit het biogas gefilterd. Hierdoor blijft er groen gas over. TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

60

jaren overheen, zodat bij de inzet van vaste biomassa in eerste instantie geen sprake is van een reductie van de CO2. Tevens is er veel te weinig duurzame houtige biomassa beschikbaar, waardoor er veel hout uit de Baltische staten en Amerika geïmporteerd wordt. In 2050 zal vaste biomassa naar verwachting aftrek vinden in andere sectoren en onderdeel zijn van de biobased economy 18 Natte biomassa/ biogas /groen gas In theorie heeft groen gas een beperkt potentieel in de regio van Rheden. Wanneer alle beschikbare biomassa benut wordt, kan dit voorzien in 4,1% van de energiebehoefte. De huidige productie is echter beperkt en in de praktijk geldt dat regionale oplossingen in principe zinvoller zijn dan lokaal gebruik. De lokale stromen zijn in volume onvoldoende om een rendabele toepassing binnen de gemeentegrenzen te realiseren. Er zijn namelijk al installaties buiten Reden aanwezig (bijvoorbeeld de RWZI Nieuwgraaf, de RWZI Olburgen en de AVR-afvalverwerking), waardoor het niet zinvol is om dergelijke installaties zelf te ontwikkelen19 Het gebruik van dierlijke mest voor biogas kan niet los gezien worden van de transitie in de landbouw. Het Rijk streeft naar kringlooplandbouw. Dit beleid zal uiteindelijk de reële potentie van dierlijke mest goeddeels bepalen.

De inzet van biogas in aardgasleidingen in de gebouwde omgeving is vanuit kostenoverwegingen op het moment zeer aantrekkelijk. Na 2030 wordt echter een groeiende vraag naar groen gas verwacht vanuit industrie en mobiliteit (zwaar verkeer), omdat er voor deze sectoren beperkte andere mogelijkheden zijn om te verduurzamen. Het Ministerie van EZK stelt op dit moment een duurzaamheidskader op, wat in de eerste helft van 2020 wordt verwacht. Ook werkt het Ministerie van EZK met betrokken partijen een Routekaart Groengas uit, waar zowel potentieel als toepassing van groen gas onderdeel van is. Het advies is voorlopig om de inzet van groen gas in de gebouwde omgeving te beperken tot die situaties waarin echt geen alternatief mogelijk is (bijvoorbeeld oude binnensteden).

3.2.10 Waterstof Waterstof kan door middel van een brandstofcel als vervanger van aardgas dienen en wordt daarom onder de noemer hernieuwbaar gas geschaard. Het is echter nog geen algemeen geaccepteerde techniek en wordt op dit moment alleen via pilots in woningen toegepast. Het is onzeker of waterstof in de toekomst grootschalig kan worden ingezet voor het verwarmen van woningen. De productie van waterstof kost erg veel elektrische energie. Tel daar de productie- en transportverliezen bij op en dan zijn er aanzienlijk meer zonnepanelen en windmolens nodig om van waterstof een duurzame brandstof te maken. Voorlopig blijft waterstof daarom in de pilotfase voor woningen. Mogelijk dat het op korte termijn wel als brandstof voor auto’s en bedrijven kan gaan dienen.

3.2.11 In combinatie met een hybride warmtepomp Een deel van de gebouwen zal niet geschikt zijn of (redelijkerwijs) geschikt gemaakt kunnen worden voor lagetemperatuur systemen zoals de warmtepomp. Een warmtepomp kan echter wel naast een CV-ketel geplaatst worden die op groen gas draait, waardoor het een duurzame opstelling wordt. De warmtepomp draait in dat geval het grootste deel van de tijd en de CV-ketel springt alleen bij op hele koude dagen.

18 Concept verkenning potentieel bio-energie RES-en Brabant, Royal Haskoning DHV 19

Greenspread, De energiepotentiekaart van de Gemeente Rheden. Maart 2019 TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

61

4

ISOLEREN EN ANDERE ENERGIEBESPARENDE MAATREGELEN

Vrijwel iedere woning kan (aanvullend) geïsoleerd worden om uiteindelijk een hoger energielabel te bereiken. Deze maatregelen bevorderen het wooncomfort en zijn in veel gevallen ook financieel interessant. De toekomstige warmtevoorziening moet inspelen op de technische kansen en mogelijkheden van woningen. Zo zullen oudere woningen eerder op een midden- of hoge-temperatuur warmtevoorziening aangesloten worden (minder isolatie nodig) en nieuwe woningen op een lage-temperatuur warmtevoorziening (meer isolatie nodig). In de onderstaande tabel is weergegeven in welke mate woningen na-geïsoleerd kunnen worden. Hieruit blijkt dat in woningen gebouwd vanaf de jaren ’20 tot de jaren ’80 van de vorige eeuw procentueel gezien de meeste kansen voor energiebesparing liggen. Bij woningen gebouwd vóór 1920 is isoleren een stuk lastiger omdat de woningen vaak monumentale waarde (bv. gevels met veel ornamenten) hebben. Nieuwere woningen zijn vaak al relatief goed geïsoleerd en daar kan vanzelfsprekend minder winst behaald worden door te isoleren. Doordat nieuwere woningen steeds beter geïsoleerd worden, is er een omslagpunt waarop het financieel gezien steeds minder interessant is om na-isolatie te realiseren. Theoretisch gezien ligt dit punt bij woningen gebouwd in de jaren ’80 of begin jaren ’90 van de vorige eeuw.

In de praktijk kan dit afwijken en moet per woning, straat of buurt gekeken worden naar kansen voor na-isolatie. Tabel 2: Indicatie van het toekomstige energielabel en de mogelijke energiebesparing

Huidig label

G

Geschat bouwjaar

E

D

C

B

1921-

1941-

1975-

1983-

1992-

1940

1974

1982

1991

2005

D/C

C/B

B/A

B/A

B

B/A

A

10-20%

30-40%

40-50%

35-45%

10-20%

15-25%

0-10%

HT

HT/MT

MT/LT

MT/LT

MT/LT

MT/LT

LT

<1920

Indicatie label 2050 Indicatie besparing door isolatie Te behalen warmteniveau

4.1

F

A >2005

Benodigde isolatieniveaus afhankelijk van toekomstige warmtevoorziening

In de voorgaande paragraaf is gekeken naar het maximale isolatieniveau dat in bepaalde woningen bereikt kan worden. In de praktijk zal de mate van na-isolatie niet alleen afhangen van het bouwjaar van de woningen maar ook van de toekomstige warmtevoorziening. Indien een buurt op een HT warmtevoorziening aangesloten gaat worden, is het niet nodig om een woning maximaal te isoleren (zie ook tabel 2 voor de warmteniveau ’s die in de verschillende woningen behaald kunnen worden). Een goede afweging en optimalisatie tussen investeren in isolatie en/of installaties is hierin van belang. Grofweg kan de volgende

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

62

indeling gemaakt worden met bijbehorende isolatieniveaus (zie bijlage 7 voor een uitwerking van de benodigde isolerende maatregelen voor de verschillende isolatieniveau’s): 1.

Woningen die niet of slecht geïsoleerd zijn, HT-warmte Voor deze woningen is een hoge-temperatuur warmtevoorziening van circa 90°C nodig. Aardgas voorziet in een dergelijke voorziening. Duurzame alternatieven zijn een HT-warmtenet en hernieuwbaar gas. Woningen gebouwd vóór 1975 vallen meestal in deze groep, maar een groot deel van de groep kan nog aanvullend geïsoleerd worden. Voor woningen gebouwd vóór 1920 geldt dat over het algemeen niet.

2.

Woningen met een minimumisolatieniveau, MT-warmte Wanneer woningen minimaal geïsoleerd zijn, is er een warmtevoorziening van circa 70°C nodig om de woningen goed en comfortabel te verwarmen. Er zijn legio duurzame mogelijkheden om woningen op deze temperatuur te verwarmen waaronder aquathermie en zonthermie in combinatie met een buurtwarmtepomp. Woningen gebouwd tussen 1975 en begin jaren ’90 vallen meestal in deze groep. Deze groep kan tot een basis isolatieniveau verbeterd worden.

3.

Woningen met een basis isolatieniveau, MT/LT-warmte Wanneer woningen tot een basisniveau geïsoleerd zijn, kunnen deze woningen met een temperatuur van 40°C tot 70°C goed en comfortabel verwarmd worden. Bij een lage temperatuur verwarming is de kans groot dat de radiatoren vervangen moeten worden. Natuurlijk kan ook gekozen worden voor andere LT-afgiftesystemen zoals vloerverwarming. Woningen met een basisisolatieniveau zijn geschikt voor meerdere technieken waaronder een individuele warmtepomp. Woningen gebouwd tussen begin jaren ’90 en 2005 vallen meestal in deze groep. Het is over het algemeen niet interessant om deze woningen nog uitgebreid aanvullend te isoleren.

4.

Woningen met een goed isolatieniveau, LT-warmte Woningen met een goed isolatieniveau kunnen op een lage temperatuur verwarmd worden (<40°C). Deze woningen hebben een goede isolatie en zijn voorzien van mechanische ventilatie met warmteterugwinning. Het isoleren van bestaande woningen naar dit niveau is ingrijpend en kan niet gerealiseerd worden zonder het nemen van bouwkundige maatregelen.

4.2

Technische en financiële gevolgen

Het allerbelangrijkste is dat er nu maatregelen genomen worden die ook in 2050 nog voldoen en waar je dus geen spijt van krijgt (no-regret). Tevens moeten de maatregelen aansluiten bij het pallet aan toekomstige aardgasloze warmtevoorzieningen dat voor een buurt voorzien is (zie ook hoofdstuk 7). Welke maatregelen dat zijn kan per woning verschillen. Het is in ieder geval belangrijk om geen goedkope en technisch slechte maatregelen nemen die over 15 jaar weer aangepast of verwijderd moeten worden. In bijlage 7 is voor verschillende woningtypen een financieel overzicht van de isolatiemaatregelen weergegeven. De kosten kunnen in een aantal gevallen aanzienlijk zijn, maar de berekeningen in bijlage 14 laten zien dat minimale en basis isolatiemaatregelen financieel interessant zijn. Een bestaande woningen naar een goed isolatieniveau tillen vraagt veel bouwkundige aanpassingen en is alleen interessant bij grootschalige verbouwingen of renovaties. In de praktijk zal dit waarschijnlijk niet vaak voor komen.

4.3

Altijd doen (no-regret)

Er zijn een aantal maatregelen die de bewoner en gebouweigenaar altijd kan nemen. Dit zijn maatregelen die technisch relatief gemakkelijk (zonder grote bouwkundige aanpassingen) uit te voeren zijn en die op TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

63

korte termijn geld opleveren. Het gaat om de volgende maatregelen (niet alle maatregelen hebben te maken met isolatie, maar wel met het besparen van aardgas): •

Spouwmuurisolatie (indien de woning een ongeïsoleerde spouw heeft), tenzij je binnen een aantal jaar van plan bent om de buitengevel te isoleren en daarbij de buitenste muur van de gevel gaat verwijderen. In dat geval zal je de investering van spouwmuurisolatie niet terug verdienen.

•

Na-isolatie binnenzijde dak, mits dat nog niet gebeurd is. Let goed op dat de vochthuishouding in de gaten wordt gehouden (mogelijk moeten er aanvullende folies aangebracht worden).

•

Na-isolatie kruipruimte (indien er een kruipruimte aanwezig is). Let op voor ongezonde materialen. Kruipruimtes kunnen bijvoorbeeld geïsoleerd worden met PUR. De chemische reactie die plaats vindt tijdens het aanbrengen, kan zorgen voor gezondheidsklachten.

•

Naad- en kierdichting zijn relatief kleine en goedkope ingrepen die veel energie kunnen sparen. Het zijn tevens ingrepen die bewoners prima zelf uit kunnen voeren. Denk aan het dichten van naden en kieren rondom kozijnen, onder deuren, een slecht sluitende brievenbusklep en doorvoeren van leidingen door muren en daken. Let op dat er voldoende luchtverversing in een woning blijft plaatsvinden. Onbedoeld zorgen de naden en kieren voor ventilatie. Wanneer deze gedicht worden, kan dit zorgen voor een ongezond binnenklimaat mits er op een andere manier goed geventileerd wordt (bijvoorbeeld met mechanische ventilatie).

•

Het vervangen van enkel glas naar HR++ glas levert net als de bovenstaande zaken een forse energiebesparing op en is daarmee een maatregel die je eigenlijk altijd moet treffen. Het zorgt daarnaast voor een hoger comfort. Het tocht minder en de geluidsoverlast van buiten is ook een stuk lager. Het is in veel gevallen goed mogelijk om alleen het glas te vervangen. Dit is financieel de meest interessante optie. In een aantal gevallen is het ook nodig om de kozijnen te vervangen. Wanneer dit samenvalt met een onderhoudsmoment (bijv. het moeten verven van de kozijnen), kan dit de extra kosten flink beperken.

•

Het vervangen van oude installaties is voor veel mensen gevoelsmatig niet goed. Men wil zo lang mogelijk gebruik maken van een apparaat en pas vervangen als het apparaat stuk is. Energetisch, maar ook financieel is het echter wel interessant om oude installaties te vervangen. Indien niet binnen afzienbare tijd gekozen wordt voor aardgasvrije verwarming is het aan te bevelen de oude CV-ketel te vervangen voor een nieuw energiezuinig exemplaar. Dit geldt overigens ook voor oude apparatuur zoals een koelkast of een diepvries (apparaten die vaak het grootste deel van de dag draaien). Het vervangen van oude apparaten wordt over het algemeen binnen een paar jaar terugverdiend aan bespaarde energiekosten.

•

Het inregelen van installaties zorgt ervoor dat deze minder energie gebruiken. Denk daarbij aan het waterzijdig inregelen van Cv-installaties en het aanpassen van stooklijnen in de CV. Over het algemeen moet hiervoor een installateur ingeschakeld worden.

•

Overige kleine besparingsmaatregelen zijn bijvoorbeeld het aanbrengen van radiatorfolie tussen de radiator en de buitenmuur en het toepassen van kleine ventilatoren op de radiatoren. De radiatorfolie zorgt voor een extra isolatielaag en weerkaatst de warmte zodat deze niet naar buiten verloren gaat. De ventilatoren zorgen voor een actieve verplaatsing van de warmte waardoor een ruimte sneller op temperatuur is. Hierdoor is er minder energie nodig voor de verwarming van de ruimte.

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

64

4.3.1

Keuzes tijdens renovatie of verbouwing

Investeringen in de bouwkundige schil vragen over het algemeen een aanzienlijke investering. Daarom is het goed om deze investering op een natuurlijk moment te doen: bijvoorbeeld bij een renovatie of verbouwing van de woning. Een natuurlijk moment is een moment waarop toch al geïnvesteerd wordt en werkzaamheden gecombineerd kunnen worden. Door het combineren van werkzaamheden wordt geld bespaard. In het algemeen geldt: alle aanpassingen aan de bouwkundige schil moeten gelijk goed gebeuren. De bouwkundige schil (vloeren, gevels en daken) heeft normaal gesproken een levensduur van meer dan 50 jaar. Alle aanpassingen die voor die tijd gedaan moeten worden, zijn een verspilling van geld. Kozijnen vervangen? Kies gelijk voor triple glas. Kozijnen hebben een levensduur van 40 tot 50 jaar, die worden voorlopig dus niet meer vervangen. Grootschalige renovatie of verbouwing van een woning? Kijk naar de mogelijkheden voor na-isolatie door middel van bijvoorbeeld voorzetwanden of buitengevelisolatie. Aanbouw? Zorg dat deze in ieder geval aan de huidige isolatie-eisen voldoet (liefs nog beter). Laat altijd een expert (architect, bouwkundige, bouwfysicus of andere deskundige die bekend is met de eisen en gevolgen van na-isolatie) naar de situatie kijken. Isolatie zorgt bijvoorbeeld voor een andere vochthuishouding in een woning.

Het verkeerd aanbrengen van isolatie kan voor vochtproblemen zorgen.

4.4

Isoleren is ventileren

Slecht geïsoleerde woningen worden vaak op een natuurlijke manier geventileerd. Denk aan het openen van ramen, natuurlijke ventilatiekokers, roosters in de gevels of kozijnen, maar ook de vele naden en kieren en voornamelijk de oudere woningen zorgen voor de nodige ventilatie. Wanneer een woning goed geïsoleerd wordt, kan er geen gebruik meer gemaakt worden van natuurlijke ventilatie. Dan gaat er teveel warmte verloren via het ventileren. Schone lucht van buiten is echter wel van groot belang voor de luchtkwaliteit in een woning. Met andere woorden, wanneer een woning niet geventileerd wordt, ontstaat er een ongezond binnenklimaat. Dit heeft te maken met allerlei bronnen die de lucht in een woning vervuilen. Denk aan koken, douchen, het gebruik van schoonmaakmiddelen, een houtkachel of open haard, zweten en de lucht die we uitademen. Wanneer deze vervuilingen niet naar buiten geventileerd worden, kunnen er allerlei gezondheidsklachten ontstaan zoals hoofdpijn, benauwdheid, dufheid en irritatie van de luchtwegen en ogen. Daarom geldt altijd: goed isoleren is goed ventileren (mechanische en het liefst met warmteterugwinning).

4.5

Isoleren is meer dan energiebesparing

Isoleren betekent niet alleen energiebesparing, maar ook een verhoging van het comfort. Je krijgt er een betere en prettiger gebouw door. Hoe beter de isolatie, hoe stabieler het binnenklimaat en hoe comfortabeler de woning. In de bovenstaande paragrafen wordt een minimaal isolatieniveau voor bepaalde warmteniveaus beschreven, maar het is aantrekkelijk om aanvullend te isoleren om het comfort van een woning te bevorderen.

4.6

Denk in maandlasten en niet in investeringen

Investeringen en terugverdientijden variëren per woning en woningtype. Over het algemeen geldt dat investeringen in no-regret maatregelen binnen 3-7 jaar zijn terugverdiend. Na die termijn ga je dus geld verdienen. TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

65

Woningeigenaren verdienen het meeste geld wanneer de maatregelen met eigen geld worden betaald. Voor veel woningeigenaren kan de investeringen echter een drempel zijn om maatregelen te nemen. Men heeft niet genoeg geld beschikbaar of men wil het geld aan andere zaken uitgeven. Voor alle energiebesparende maatregelen is het goed om niet alleen naar de benodigde investering te kijken, maar ook naar het plaatje van maandlasten dat na toepassing van één of meerdere maatregelen ontstaat. Dit kan door gebruik te maken van een lening voor het realiseren van energiebesparende maatregelen (in Rheden is bijvoorbeeld de landelijke Energiebespaarlening beschikbaar 20).

Voorbeeld Het isoleren van de kruipruimte, de spouwmuur en het dak kost €9.000,-. Deze investering wordt gefinancierd met de Energiebespaarlening tegen een rentepercentage van 1,7% en een looptijd van 10 jaar (de Energiebespaarlening mag kosteloos eerder afgelost worden). Dit zorgt voor een netto maandbedrag (rente en aflossing) van ongeveer €80,-. Hier tegenover staat een verlaging van de maandelijkse energierekening met €140,-. Zonder ook maar een Euro eigen geld te investeren, dalen de totale maandelijkse lasten met €60,-. Indien maatregelen via de hypotheek gefinancierd kunnen worden, zijn de maandlasten nog lager (op dit moment lagere rent en langere looptijd). Het kan dus interessant zijn om te kijken naar een externe financiering voor het uitvoeren van energiebesparende maatregelen in plaats van het investeren van spaargeld. Let wel, het investeren van spaargeld levert op termijn meer geld op dan het gebruik maken van een externe financiering.

4.7

Isolatieniveaus

Minimum isolatieniveau Bouwperiode

Vloer

Gevel

<1920 Geen spouw 1920-1945

Kozijnen & glas Minimaal

Binnenzijde

HR++ glas

isoleren

Ventilatie

Kruipruimte isoleren

Spouw

Minimaal

isoleren

dubbel glas

1945-1995

1995-2007

Dak

n.v.t. Voldoende

Voldoende

Voldoende

Voldoende

>2007 In principe geldt dat voor een minimumisolatieniveau alle maatregelen genomen moeten worden die geen grootschalige bouwkundige aanpassingen vragen. De kruipruimte wordt geïsoleerd zonder de vloer te vervangen, het glas wordt vervangen waarbij de bestaande kozijnen gehandhaafd blijven en het dak van

20

https://www.svn.nl/duurzaamheidslening TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

66

binnenuit geïsoleerd wordt. Let op, wanneer er een spouw aanwezig is en deze wordt geïsoleerd, dan hoeft er puur cijfermatig gezien geen HR++ glas toegepast te worden. Het isolatieniveau van de hele woning wordt bepaald door de totale beperking van het warmteverlies van alle maatregelen samen te bekijken. Natuurlijk wordt wel geadviseerd om te kiezen voor HR++ glas, mits de bestaande kozijnen hiervoor geschikt zijn. Basis isolatieniveau Vloer

Bouwperiode <1920

Gevel

Kozijnen & glas

Dak

Ventilatie

Isolatie binnenzijde

1920-1945 Kruipruimte (na) isoleren

Spouw

Minimaal

isoleren

HR++ glas

Binnenzijde (na) isoleren n.v.t.

1945-1995

1995-2007

Voldoende Voldoende

Voldoende

Voldoende

>2007 Ook voor de maatregelen die leiden tot een basis isolatieniveau geldt dat deze allemaal uitgevoerd kunnen worden zonder grootschalige bouwkundige aanpassingen. Het belangrijkste verschil tussen een minimum en een basis isolatieniveau is het feit dat in een aantal gevallen (isolatie kruipruimte en dakisolatie) de bestaande isolatie vervangen en aangevuld moet worden. Het vervangen van spouwisolatie is ook mogelijk maar technisch lastig en daardoor duur. Tevens moeten woningen zonder spouw aan de binnenzijde (buitenzijde is vaak monumentaal of gedecoreerd) na-geïsoleerd worden om het vereiste niveau te bereiken. Goed isolatieniveau Bouwperiode

Vloer

Gevel

Kozijnen & glas

Dak

Ventilatie

<1920 1920-1945

1945-1995 1995-2007

Kruipruimte

Binnenzijde

isoleren, bij

isoleren,

grootschalige

Aanvullende

Nieuwe

indien

verbouwing

isolatie aan

kozijnen met

Rc=6,0 niet

aanvullende

buitenzijde

triple glas

gehaald kan worden, dak

vloerisolatie

Mechanische ventilatie met WTW toepassen

vernieuwen >2007

Voldoende

Voldoende

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

67

Om bestaande woningen naar een goed isolatieniveau te brengen, zijn in veel gevallen ook bouwkundige maatregelen nodig. Dit maakt het uitvoeren van de maatregelen relatief duur en voor veel mensen minder interessant. Bij grootschalige verbouwingen of renovaties kan het interessant zijn om deze maatregelen te implementeren. Gezien het kostenplaatje (zie tabellen op pagina 69 tot en met 75) ligt het niet in de lijn der verwachting dat gebieden grootschalige naar een goed isolatieniveau gebracht gaan worden.

4.8

Kosten isolatie

Om de financiële consequenties voor isolerende maatregelen te kunnen bepalen, gaat we uit van maatgevende woningtypen. Op basis van gegevens van het CBS kunnen we het gemiddeld vloeroppervlak van woningen in de gemeente Rheden koppelen aan het bouwjaar (zie tabel 7. In deze tabel zijn ook het aardgas- en elektriciteitsverbruik van de betreffende woningtypen meegenomen. Deze gegevens zijn van belang voor de berekeningen in bijlage 14 en worden bepaald op basis van de gemiddelde grootte van een huishouden in Rheden). Op basis van deze gegevens en andere gemiddelden zijn vervolgens de afmetingen van vloeren, gevels, daken en kozijnen te herleiden. De kosten voor de verschillende maatregelen worden aan de hand van kentallen en vierkante meter prijzen berekend. In de kostentabellen is een onderscheid gemaakt tussen het minimum, basis en goed isolatieniveau. Tevens wordt een bepaalde bandbreedte gehanteerd in de kosten. Nogmaals, dit zijn kosten voor een maatgevende woning in Rheden. Indien bewoners zelf aan de slag willen met hun woning, kunnen de prijzen afwijken. Voor de berekeningen is geen rekening gehouden met subsidies. Op dit moment is er een subsidies beschikbaar voor energiebesparende maatregelen in woningen 21.

Gemiddeld oppervlak

Aardgasgebruik

Elektriciteitsgebruik

Bouwjaar

woning (m2)

(m3/jaar)

(kWh/jaar)

<1920

240

2.513

3.329

1920-1945

148

1.891

2.781

1945-1975

152

1.769

2.752

1975-1995

108

1.525

2.925

1995-2007

109

1.390

3.012

>2007

121

1.159

2.829

21

https://www.rvo.nl/subsidie-en-financieringswijzer/seeh/eigenaar-%C3%A9n-bewoner TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

68

4.8.1

Rijwoningen

Voor de rijwoningen zijn de volgende afmetingen gehanteerd: Vloeroppervlak

Oppervlak dichte

Bouwjaar

begane grond (m2)

gevels (m2)

<1920

80

67

113

17

1920-1945

49

58

70

14

1945-1975

51

58

72

14

1975-1995

36

48

51

12

1995-2007

36

48

51

12

>2007

40

48

57

12

Dakoppervlak (m2)

Kozijnoppervlak (m2)

Woning gebouwd voor 1920

Minimum

Basis

Goed

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Isoleren kruipruimte

€ 2.000

€ 2.800

€ 2.000

€ 2.800

€ 2.000

€ 2.800

Glas & kozijnen

€ 2.100

€ 2.520

€ 2.100

€ 2.520

€ 8.400

€ 14.280

Isoleren gevel

-

-

€ 3.360

€ 5.376

€ 7.728

€ 9.744

Isoleren dak

€ 4.525

€ 6.788

€ 4.525

€ 6.788

€ 9.051

€ 11.314

-

-

-

-

€ 7.200

€ 9.600

€ 8.625

€ 12.108

€ 11.985

€ 17.484

€ 34.379

€ 47.738

Mechanische ventilatie Totaal

Woning gebouwd tussen 1920 en 1945

Minimum

Basis

Goed

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Isoleren kruipruimte

€ 1.229

€ 1.721

€ 1.229

€ 1.721

€ 1.229

€ 1.721

Glas & kozijnen

€ 1.800

€ 2.160

€ 1.800

€ 2.160

€ 7.200

€ 12.240

Isoleren gevel

€ 864

€ 1.440

€ 864

€ 1.440

€ 6.624

€ 8.352

Isoleren dak

-

-

€ 2.781

€ 4.172

€ 5.563

€ 6.953

-

-

-

-

€ 4.425

€ 7.375

€ 3.893

€ 5.321

€ 6.674

€ 9.493

€ 25.041

€ 36.641

Mechanische ventilatie Totaal

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

69

Woning gebouwd tussen 1945 en 1975

Minimum

Basis

Goed

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Isoleren kruipruimte

€ 1.267

€ 1.773

€ 1.267

€ 1.773

€ 1.267

€ 1.773

Glas & kozijnen

€ 1.800

€ 2.160

€ 1.800

€ 2.160

€ 7.200

€ 12.240

Isoleren gevel

€ 864

€ 1.440

€ 864

€ 1.440

€ 6.624

€ 8.352

Isoleren dak

-

-

€ 2.866

€ 4.299

€ 5.732

€ 7.165

-

-

-

-

€ 4.560

€ 6.080

€ 3.931

€ 5.373

€ 6.797

€ 9.673

€ 25.383

€ 35.611

Mechanische ventilatie Totaal

Woning gebouwd tussen 1975 en 1995

Minimum

Basis

Goed

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Isoleren kruipruimte

-

-

€ 896

€ 1.254

€ 896

€ 1.254

Glas & kozijnen

-

-

€ 1.500

€ 1.800

€ 6.000

€ 10.200

Isoleren gevel

-

-

-

-

€ 5.520

€ 6.960

Isoleren dak

-

-

€ 2.027

€ 3.041

€ 4.054

€ 5.068

-

-

-

-

€ 3.225

€ 4.300

€0

€0

€ 4.423

€ 6.095

€ 19.695

€ 27.782

Mechanische ventilatie Totaal

Woning gebouwd tussen 1995 en 2007

Minimum

Basis

Goed

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Isoleren kruipruimte

-

-

-

-

€ 908

€ 1.272

Glas & kozijnen

-

-

€ 1.500

€ 1.800

€ 6.000

€ 10.200

Isoleren gevel

-

-

-

-

€ 5.520

€ 6.960

Isoleren dak

-

-

-

-

€ 4.111

€ 5.138

-

-

-

-

€ 3.270

€ 4.360

€0

€0

€ 1.500

€ 1.800

€ 19.809

€ 27.930

Mechanische ventilatie Totaal

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

70

Woning gebouwd na 2007

Minimum

Basis

Goed

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Isoleren kruipruimte

-

-

-

-

€ 1.004

€ 1.406

Glas & kozijnen

-

-

-

-

€ 6.000

€ 10.200

Isoleren gevel

-

-

-

-

€ 5.520

€ 6.960

Isoleren dak

-

-

-

-

€ 4.544

€ 5.680

-

-

-

-

€ 3.615

€ 4.820

Totaal

€0

€0

€0

€0

€ 20.684

€ 29.066

4.8.2

Hoekwoningen/twee-onder-een-kap

Mechanische ventilatie

Voor hoek- en twee-onder-een-kap- woningen zijn de volgende afmetingen gehanteerd: Vloeroppervlak

Oppervlak dichte

Bouwjaar

begane grond (m2)

gevels (m2)

<1920

80

127

113

32

1920-1945

49

100

70

25

1945-1975

51

101

72

25

1975-1995

36

82

51

21

1995-2007

36

83

51

21

>2007

40

85

57

21

Dakoppervlak (m2)

Kozijnoppervlak (m2)

Woning gebouwd voor 1920

Minimum

Basis

Goed

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Isoleren kruipruimte

€ 2.000

€ 2.800

€ 2.000

€ 2.800

€ 2.000

€ 2.800

Glas & kozijnen

€ 3.966

€ 4.760

€ 3.966

€ 4.760

€ 15.865

€ 26.971

Isoleren gevel

-

-

€ 6.346

€ 10.154

€ 14.596

€ 18.404

Isoleren dak

€ 4.525

€ 6.788

€ 4.525

€ 6.788

€ 9.051

€ 11.314

-

-

-

-

€ 7.200

€ 9.600

€ 10.492

€ 14.348

€ 16.838

€ 24.502

€ 48.712

€ 69.088

Mechanische ventilatie Totaal

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

71

Woning gebouwd tussen 1920 en 1945

Minimum

Basis

Goed

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Isoleren kruipruimte

€ 1.229

€ 1.721

€ 1.229

€ 1.721

€ 1.229

€ 1.721

Glas & kozijnen

€ 3.120

€ 3.744

€ 3.120

€ 3.744

€ 12.479

€ 21.214

Isoleren gevel

€ 1.497

€ 2.496

€ 1.497

€ 2.496

€ 11.480

€ 14.475

Isoleren dak

-

-

€ 2.781

€ 4.172

€ 5.563

€ 6.953

-

-

-

-

€ 4.425

€ 7.375

€ 5.846

€ 7.960

€ 8.628

€ 12.132

€ 35.176

€ 51.738

Mechanische ventilatie Totaal

Woning gebouwd tussen 1945 en 1975

Minimum

Basis

Goed

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Isoleren kruipruimte

€ 1.267

€ 1.773

€ 1.267

€ 1.773

€ 1.267

€ 1.773

Glas & kozijnen

€ 3.146

€ 3.775

€ 3.146

€ 3.775

€ 12.583

€ 21.391

Isoleren gevel

€ 1.510

€ 2.517

€ 1.510

€ 2.517

€ 11.576

€ 14.596

Isoleren dak

-

-

€ 2.866

€ 4.299

€ 5.732

€ 7.165

-

-

-

-

€ 4.560

€ 6.080

€ 5.922

€ 8.065

€ 8.788

€ 12.364

€ 35.718

€ 51.005

Mechanische ventilatie Totaal

Woning gebouwd tussen 1975 en 1995

Minimum

Basis

Goed

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Isoleren kruipruimte

-

-

€ 896

€ 1.254

€ 896

€ 1.254

Glas & kozijnen

-

-

€ 2.571

€ 3.085

€ 10.284

€ 17.483

Isoleren gevel

-

-

-

-

€ 9.461

€ 11.929

Isoleren dak

-

-

€ 2.027

€ 3.041

€ 4.054

€ 5.068

-

-

-

-

€ 3.225

€ 4.300

€0

€0

€ 5.494

€ 7.380

€ 27.920

€ 40.034

Mechanische ventilatie Totaal

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

72

Woning gebouwd tussen 1995 en 2007

Minimum

Basis

Goed

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Isoleren kruipruimte

-

-

-

-

€ 908

€ 1.272

Glas & kozijnen

-

-

€ 2.580

€ 3.096

€ 10.320

€ 17.544

Isoleren gevel

-

-

-

-

€ 9.495

€ 11.971

Isoleren dak

-

-

-

-

€ 4.111

€ 5.138

-

-

-

-

€ 3.270

€ 4.360

€0

€0

€ 2.580

€ 3.096

€ 28.104

€ 40.285

Mechanische ventilatie Totaal Woning gebouwd na 2007

Minimum

Basis

Goed

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Isoleren kruipruimte

-

-

-

-

€ 1.004

€ 1.406

Glas & kozijnen

-

-

-

-

€ 10.613

€ 18.043

Isoleren gevel

-

-

-

-

€ 9.764

€ 12.311

Isoleren dak

-

-

-

-

€ 4.544

€ 5.680

-

-

-

-

€ 3.615

€ 4.820

€0

€0

€0

€0

€ 29.541

€ 42.260

Mechanische ventilatie Totaal

4.8.3

Vrijstaande woningen

Voor vrijstaande woningen zijn de volgende afmetingen gehanteerd: Vloeroppervlak

Oppervlak dichte

Bouwjaar

begane grond (m2)

gevels (m2)

<1920

80

204

113

51

1920-1945

49

154

70

39

1945-1975

51

157

72

39

1975-1995

36

129

51

32

1995-2007

36

130

51

33

>2007

40

138

57

34

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

Dakoppervlak (m2)

Kozijnoppervlak (m2)

73

Woning gebouwd voor 1920

Minimum

Basis

Goed

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Isoleren kruipruimte

€ 2.000

€ 2.800

€ 2.000

€ 2.800

€ 2.000

€ 2.800

Glas & kozijnen

€ 6.367

€ 7.640

€ 6.367

€ 7.640

€ 25.466

€ 43.293

Isoleren gevel

-

-

€ 10.187

€ 16.298

€ 23.429

€ 29.541

Isoleren dak

€ 4.525

€ 6.788

€ 4.525

€ 6.788

€ 9.051

€ 11.314

-

-

-

-

€ 7.200

€ 9.600

€ 12.892

€ 17.228

€ 23.079

€ 33.527

€ 67.146

€ 96.547

Mechanische ventilatie Totaal

Woning gebouwd tussen 1920 en 1945

Minimum

Basis

Goed

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Isoleren kruipruimte

€ 1.229

€ 1.721

€ 1.229

€ 1.721

€ 1.229

€ 1.721

Glas & kozijnen

€ 4.822

€ 5.786

€ 4.822

€ 5.786

€ 19.287

€ 32.788

Isoleren gevel

€ 2.314

€ 3.857

€ 2.314

€ 3.857

€ 17.744

€ 22.373

Isoleren dak

-

-

€ 2.781

€ 4.172

€ 5.563

€ 6.953

-

-

-

-

€ 4.425

€ 7.375

€ 8.365

€ 11.364

€ 11.147

€ 15.536

€ 48.248

€ 71.210

Mechanische ventilatie Totaal

Woning gebouwd tussen 1945 en 1975

Minimum

Basis

Goed

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Isoleren kruipruimte

€ 1.267

€ 1.773

€ 1.267

€ 1.773

€ 1.267

€ 1.773

Glas & kozijnen

€ 4.904

€ 5.885

€ 4.904

€ 5.885

€ 19.617

€ 33.348

Isoleren gevel

€ 2.354

€ 3.923

€ 2.354

€ 3.923

€ 18.047

€ 22.755

Isoleren dak

-

-

€ 2.866

€ 4.299

€ 5.732

€ 7.165

-

-

-

-

€ 4.560

€ 6.080

€ 8.525

€ 11.582

€ 11.391

€ 15.881

€ 49.223

€ 71.122

Mechanische ventilatie Totaal

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

74

Woning gebouwd tussen 1975 en 1995

Minimum

Basis

Goed

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Isoleren kruipruimte

-

-

€ 896

€ 1.254

€ 896

€ 1.254

Glas & kozijnen

-

-

€ 4.040

€ 4.847

€ 16.158

€ 27.469

Isoleren gevel

-

-

-

-

€ 14.866

€ 18.744

Isoleren dak

-

-

€ 2.027

€ 3.041

€ 4.054

€ 5.068

-

-

-

-

€ 3.225

€ 4.300

€0

€0

€ 6.962

€ 9.142

€ 39.199

€ 56.834

Mechanische ventilatie Totaal

Woning gebouwd tussen 1995 en 2007

Minimum

Basis

Goed

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Isoleren kruipruimte

-

-

-

-

€ 908

€ 1.272

Glas & kozijnen

-

-

€ 4.071

€ 4.885

€ 16.283

€ 27.681

Isoleren gevel

-

-

-

-

€ 14.981

€ 18.888

Isoleren dak

-

-

-

-

€ 4.111

€ 5.138

-

-

-

-

€ 3.270

€ 4.360

€0

€0

€ 4.071

€ 4.885

€ 39.553

€ 57.340

Mechanische ventilatie Totaal Woning gebouwd na 2007

Minimum

Basis

Goed

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Minimaal

Maximaal

Isoleren kruipruimte

-

-

-

-

€ 1.004

€ 1.406

Glas & kozijnen

-

-

-

-

€ 17.219

€ 29.272

Isoleren gevel

-

-

-

-

€ 15.841

€ 19.974

Isoleren dak

-

-

-

-

€ 4.544

€ 5.680

-

-

-

-

€ 3.615

€ 4.820

€0

€0

€0

€0

€ 42.224

€ 61.152

Mechanische ventilatie Totaal

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

75

5

MULTI-CRITERIA ANALYSE

Hieronder worden de criteria beschreven om in Rheden gebieden te selecteren waar het voor de hand ligt om met de warmtetransitie te starten (de startbuurten). Deze criteria zijn verwerkt in een multi-criteria analyse. Aan de hand van deze analyse kan een goed onderbouwde ranking van buurten gemaakt worden.

5.1

Prioriteringscriteria woonbuurten

Voor de prioritering van buurten zijn in gezamenlijk overleg met de stakeholders de volgende criteria opgesteld: •

aanwezigheid van bronnen;

•

aanwezigheid natuurlijke momenten;

•

aandeel corporatiewoningen;

•

technische categorie;

•

initiatieven uit de samenleving;

•

bijdrage aan de doelstellingen.

5.1.1

Aanwezigheid van bronnen

Bronnen van duurzame warmte zijn beperkt aanwezig, niet alleen in Rheden maar in heel Nederland. Het is daarom verstandig om alle geschikte bronnen zo optimaal te benutten. Dit kunnen bronnen van restwarmte bij bedrijven zijn, maar ook oppervlaktewater voor aquathermie, grote wegen voor asfaltthermie en geschikte locaties voor zonnepanelen en wind. Alle bekende bronnen zijn verwerkt in de Inventarisatiekaart (als aparte bijlage bij deze rapportage bijgevoegd). In de voorkeursalternatieven (zie hoofdstuk 7 en bijlage 8) is zoveel mogelijk rekening gehouden met de aanwezig bronnen.

5.1.2

Aanwezigheid natuurlijke investeringsmomenten

Bestaande planningen zoals de investeringsagenda voor infrastructuur kunnen van invloed zijn op de keuzes die gemaakt worden in buurten. Wanneer je aan kunt sluiten op natuurlijke investeringsmomenten, kan dit de kosten drukken en de overlast beperken (benutten van meekoppelkansen). Op buurtniveau valt te denken aan de volgende zaken: •

Gepland onderhoud of vervanging van het gasnetwerk door de netbeheerder (waaronder de gietijzeren gasleidingen die versneld vervangen moeten worden);

•

Onderhoud of vervangingen door de gemeente. Denk aan werkzaamheden aan de straat/trottoir, openbaar groen of de riolering;

•

Andere projecten die in de openbare ruimte spelen. Denk aan het voorkomen van wateroverlast door overvloedige regenval en herinrichting van gebieden.

Wanneer een aardgasleiding of riolering in een buurt vervangen moet worden, kan dit een natuurlijk moment zijn om te kijken of een (deel van de) buurt van het aardgas afgekoppeld kan worden. Dit is namelijk het moment dat ‘we toch al in de grond moeten zijn’. Op dat moment kan eventueel een collectieve voorziening of een dikkere elektriciteitskabel aangelegd worden. Over het algemeen stemmen alle beheerders hun planningen op elkaar af, waardoor het belangrijk is om de momenten te zoeken dat de beheerders van de nutsvoorzieningen de grond gaan roeren. TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

76

Bekend is dat de gietijzeren gasleidingen in het hele land versneld vervangen moeten worden,

omdat

hoger

risico

deze

een

geven

dan

andere (nieuwere) leidingen. Figuur 46 geeft weer waar op dit moment nog gietijzeren gasleidingen liggen. Het is aannemelijk

dat

op

deze

locaties de komende jaren de schop de grond in gaat. De netbeheerder

probeert Figuur 46: locatie van gietijzeren gasleidingen in de verschillende buurten van de hiervoor zoveel mogelijk aan gemeente Rheden te

sluiten

bij

werkzaamheden

andere in

de

openbare ruimte. Naast het vervangen van de gietijzeren

gasleidingen

vinden er in de openbare ruimte geregeld werkzaamheden plaats aan bijvoorbeeld de bestrating of de riolering. Figuur 47 laat zien waar op korte termijn in de gemeente

Rheden

werkzaamheden plaats gaan vinden. Let wel, planningen kijken

niet

zover

vooruit

waardoor het erg lastig is om Figuur 47: locatie van geplande werkzaamheden in de openbare ruimte op bovenstaande werkzaamheden aan te sluiten. Werkzaamheden gepland over 4 tot 8 jaar bieden het meeste kans voor meekoppelkansen van aardgasloze initiatieven. Hier houden we in de multi-criteria analyse ook rekening mee. Voor individuele woningeigenaren zijn natuurlijke investeringsmomenten zoals de vervanging van een cvketel of de aanschaf van een ander huis, belangrijke momenten om een extra stap te zetten. Hoewel dit niet kan worden meegenomen bij de prioritering van wijken en buurten, is het voor de totale warmtetransitie belangrijk dat deze momenten zoveel mogelijk worden benut.

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

77

5.1.3

Aandeel corporatiewoningen

In buurten waar een relatief beperkt aantal partijen een groot deel van het vastgoed bezit, wordt het realiseren van

de

warmte-transitie

eenvoudiger, omdat er maar met

een

beperkt

aantal

partijen afspraken hoeven te worden gemaakt. Wanneer in een

buurt

veel

corporatiewoningen aanwezig zijn, kan dit de transitie

vergemakkelijken. Figuur 48: aandeel corporatiewoningen per buurt in de gemeente Rheden Voor de corporatiewoningen hoeft de gemeente namelijk maar met één partij om tafel. Voor woningen in particulier eigendom is de eigenaar van elke afzonderlijke woning in principe één partij. Dit maakt het veel lastiger om een transitie in gang te zetten. Tevens hebben corporaties landelijke afspraken met betrekking tot het verduurzamen van hun woningvoorraad. In figuur 48 wordt weergegeven wat de verhouding van corporatiewoningen voor de verschillende buurten in de gemeente Helmond is. In bijlage 4 is een overzicht opgenomen van alle cijfers per buurt. Deze cijfers laten zien dat er in Rheden een aantal buurten zijn waarin het percentage corporatiewoningen hoger is dan 30%.

5.1.4

Prioriteringscriterium 3: Technische categorisering

De technische categorisering, speelt ook een rol bij het selecteren

van

de

meest

kansrijke

buurten.

Per

categorie is, op basis van bouwjaren

en

woningdichtheid,

een

inschatting gemaakt van de technische en economische haalbaarheid

van

de

warmtetransitie.

Op

basis

hiervan is er een prioriteit toegekend

aan

de

verschillende

categorieën.

Deze prioriteit geeft aan of

Figuur 49: weergave van de technische categorie van de woningen per buurt in de gemeente Rheden

het vanuit technisch oogpunt slim is om snel te starten met de transitie in de buurten uit deze categorie of dat het juist voor de hand ligt om nog even te wachten. Uit de prioritering volgt dat de woningen gebouwd rond de eeuwwisseling technisch

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

78

gezien het meest kansrijk zijn om aardgasloos te worden. Men verwacht vaak dat het juist slim is om in de nieuwste woningen te starten met de transitie, maar in deze woningen hoeft bijvoorbeeld een CV-ketel gezien de geringe leeftijd vaak nog niet vervangen te worden. Op termijn zullen deze woningen echter aansluiten bij de Eeuwwisseling-categorie (nu start de Nieuwbouw-categorie in 2007, volgend jaar zal dit 2008 zijn). Prioriteit

Categorieën (zie par. 6.1.3) Eeuwwisseling,

1. 2.

gebouwd

Investeringen voor all-electric zijn relatief

tussen 1995 en 2007.

laag. Kansen voor aanvullende isolatie.

Na-oorlogs, woningen gebouwd tussen

Technisch gunstig voor collectieve voor-

1955 en 1995 in een hoge dichtheid.

zieningen, goede kansen voor na-isolatie.

Oud

monumentaal,

woningen

Haalbaarheid

voor

een

mogelijkheden collectieve voorzieningen

en

gebouwd

3.

woningen

Afweging

1955

in

hoge

afhankelijk

van

dichtheid.

en na-isolatie.

Buitenwijken en -gebieden, woningen

Erg afhankelijk van individuele maatregelen

gebouwd in een lage dichtheid. Erg

4.

afhankelijk van kansen voor individuele maatregelen. Nieuwbouw,

5.

woningen gebouwd na

2007.

Isoleren

is

nauwelijks

terugverdientijden

nodig,

voor

hoge

vervanging

installaties

Tabel 3: Prioritering van de categorieën (op basis van een inschatting van de technische en economische haalbaarheid)

5.1.5

Initiatieven uit de samenleving

De bereidheid onder stakeholders en inwoners om aardgasvrije renovaties uit te voeren is van groot belang. Alle technische en demografische randvoorwaarden ten spijt, als de stakeholders en inwoners niet willen of kunnen renoveren dan houdt het eigenlijk op. Wij denken dat het verstandig is om in die buurten te starten waar al veel initiatieven spelen. De kracht zit in het aansluiten op een beweging en het versterken van die beweging. We gaan het wiel niet opnieuw uitvinden, maar kijken om ons heen wat er al gebeurt en sluiten ons daarbij aan. Op die manier zetten we in op het vergroten van de spreekwoordelijke olievlek. Op de inventarisatiekaart zijn de onderstaande initiatieven weergegeven: •

Dieren-Noord boven spoorlijn, actieve en goed lopende energiecoöperatie;

•

Velp-Noord boven spoorlijn, Warmtewandeling;

•

Velp-Zuid beneden spoorlijn, grootschalige renovatie woningen Vivare (tot 2024) en onderzoek naar kansen voor o.a. zonthermie;

•

Rheden, renovatie 500 woningen van Vivare in 2020-2022;

•

Ellecom, aanwezigheid bewonersinitiatief Ellecom Energie Neutraal;

•

Dieren-West boven spoorlijn, kleinschalig bewonersinitiatief om een Wijk van de Toekomst te worden;

•

Dieren-Noord boven spoorlijn, Renovatie woningen in het ‘Supermarktgebied’.

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

79

5.1.6 Voor

Bijdrage aan doelstellingen het

halen

besparingsdoelen

van

de

is

het

aantrekkelijk om in buurten te beginnen waar een hoge besparing gerealiseerd kan worden. Wanneer alleen de besparing

op

buurtniveau

bekeken zou worden, dan komen de buurten met de meeste woningen over het algemeen

boven

drijven.

Daarom is er een combinatie gemaakt

tussen

het

aardgasverbruik per woning (verdeeld over hoog verbruik per woning, gemiddeld verbruik en laag verbruik) en het totale aardgasverbruik in een buurt. Hiermee wordt zichtbaar gemaakt welke buurten interessant zijn om als eerste aan te pakken wanneer alleen gekeken wordt naar het aardgasverbruik. Buurten met een hoog verbruik per woning en een hoog totaal verbruik zijn hierin het meest interessant. Dit zijn waarschijnlijk buurten met veel slecht geïsoleerde woningen. Buurten met een laag verbruik per woning en een laag totaalverbruik zijn het minst interessant.

5.2

Multi-criteria analyse

Om tot een aantal geschikte buurten en gebieden te komen. Is er aan de hand van verschillende bijeenkomsten met de stakeholders een multi-criteria analyse (MCA) uitgevoerd. De analyse beoordeelt de buurten van de gemeente Rheden aan de hand van zes criteria. Tijdens de bijeenkomsten zijn er wegingen aan de zes criteria toegevoegd met een totale waarde van 100 (zie onderstaande opsomming). Daarnaast zijn alle criteria nog afzonderlijk beoordeeld zodat er een goed onderbouwde afweging ontstaat. •

aanwezigheid van bronnen (score: 21);

•

aanwezigheid natuurlijke momenten (score 29);

•

aandeel corporatiewoningen (score: 7);

•

technische categorie (score: 23);

•

initiatieven uit de samenleving (score: 18);

•

bijdrage aan de doelstellingen (score: 2).

5.2.1

Puntentoekenning criteria

Om een goed onderbouwde multi-criteria analyse op de stellen moeten niet alleen waardes toegekend worden aan de criteria. Ook binnen de criteria dient een beoordeling van mogelijkse situaties plaats te vinden. Uiteindelijk worden de toegekende punten vermenigvuldigd met de waarde voor het betreffende criterium om te komen tot een totaalscore (zie pagina 83). Onderstaande is deze beoordeling voor de verschillende criteria weergegeven.

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

80

Aanwezigheid van bronnen Scenario

Puntentoekenning

Geen bronnen

0 punten

Kleinschalige bronnen

5 punten

Grootschalige bronnen

10 punten

Aanwezigheid natuurlijke momenten Scenario

Puntentoekenning

Geen momenten

0 punten

Kleinschalige momenten op korte termijn (<4 jaar)

2 punten

Kleinschalige momenten op middellange termijn (4-8 jaar)

6 punten

Kleinschalige momenten op lange termijn (>8 jaar)

2 punten

Grootschalige momenten op korte termijn (<4 jaar)

4 punten

Grootschalige momenten op middellange termijn (4-8 jaar)

10 punten

Grootschalige momenten op lange termijn (>8 jaar)

4 punten

Aandeel corporatiewoningen Scenario

Puntentoekenning

Geen woningen of onbekend

0 punten

<10% van het aantal woningen in een buurt

2 punten

10-30% van het aantal woningen in een buurt

7 punten

>30% van het aantal woningen in een buurt

10 punten

Technische categorie Scenario

Puntentoekenning

Oud en monumentaal

6 punten

Na-oorlogs

8 punten

Eeuwwisseling

10 punten

Nieuwbouw

2 punten

Buitenwijken- en gebieden

4 punten

Geen overheersende bouwperiode

5 punten

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

81

Initiatieven uit de samenleving Scenario

Puntentoekenning

Geen initiatieven

0 punten

Kleinschalige initiatieven

2 punten

Middelgrote initiatieven

5 punten

Grootschalige initiatieven

10 punten

Bijdrage aan doelstellingen Scenario

Puntentoekenning

Hoog totaalverbruik per buurt, hoog gemiddeld verbruik per woning

10 punten

Hoog totaalverbruik per buurt, gemiddeld gemiddeld verbruik per woning

6 punten

Hoog totaalverbruik per buurt, laag gemiddeld verbruik per woning

2 punten

Gemiddeld totaalverbruik per buurt, hoog gemiddeld verbruik per woning

8 punten

Gemiddeld totaalverbruik per buurt, gemiddeld gemiddeld verbruik per woning

5 punten

Gemiddeld totaalverbruik per buurt, laag gemiddeld verbruik per woning

1 punten

Laag totaalverbruik per buurt, hoog gemiddeld verbruik per woning

7 punten

Laag totaalverbruik per buurt, gemiddeld gemiddeld verbruik per woning

4 punten

Laag totaalverbruik per buurt, laag gemiddeld verbruik per woning

0 punten

5.3

Totaalscores en ranking buurten

Op basis van de puntentoekenning aan de criteria en de waardering van de criteria kan er een multi-criteria analyse uitgevoerd worden. De puntentoekenning en de waardering wordt voor elk criterium en elke buurt met elkaar vermenigvuldigd en opgeteld om te komen tot totaalscores (zie tabel 4). Een voorbeeld:

In Dieren-Noord boven spoorlijn zijn kleinschalige bronnen aanwezig. Daardoor krijgt deze buurt op dit criterium een score van 5. Deze score wordt vermenigvuldigd met de weging voor het criterium (21) en krijgt daardoor voor het criterium 105 punten. Op deze manier wordt de score voor elk criterium berekend en opgeteld om uiteindelijk te komen tot het puntentotaal van 569 punten. De buurt met de hoogste totaalscore heeft de meeste kans om op korte termijn (tot 2030) aardgasloos te worden. Op basis van de totaalscores zijn alle buurten in een bepaalde volgorde gezet (zie figuur 50).

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

82

600 500 400 300 200 100 0

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

83

5.4

Validiteit multi-criteria analyse

Ter controle van de multi-criteria analyse is er gekeken hoe de ranking van buurten verandert wanneer er andere scores aan de verschillende criteria worden toegekend. In tabel 5 zijn voor 9 alternatieve scenario’s scores toegekend aan de verschillende criteria. De hoogste scores per scenario zijn gearceerd. In de meeste gevallen zijn de toegekende scores niet realistisch, maar dit laat wel goed zien dat aanpassing van de scores voor weinig veranderingen in de ranking van de buurten zorgt (tabel 6). In deze tabel is de ranking van de gearceerde buurten niet veranderd ten opzichte van de ranking uit de reguliere analyse.

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

84

6

KENMERKEN BUURTEN

Buurten Rheden

Aandeel

Aardgasverbruik

Elektriciteitsver-

Gemiddeld

Woningdichtheid

Aantal

corporatie-

woningen

bruik woningen

inkomen

(aantal woningen

Overheersend

Overheersend

woningen

woningen

(m /jaar)

(kWh/jaar)

(€/jaar/huishouden)

per hectare)

energielabel

Bouwjaar

3

Initiatieven gasloos

Onderhoud openbare

Technische categorie

bouwen

ruimte

1.

Dieren-zuid beneden spoorlijn

1.044

17%

1.550.000

2.820.000

€ 59.300

7,72

C

<’95

Buitenwijken en -gebieden

Nee

Riolering

2.

Dieren-noord boven spoorlijn

3.591

37%

4.710.000

8.480.000

€ 44.600

18,51

D

’55-‘95

Naoorlogs

Ja

Riolering, gas

3.

Dieren-west boven spoorlijn

1.998

35%

2.880.000

4.800.000

€ 49.300

10,57

D

’55-’95

Naoorlogs

Nee

4.

Spankeren

344

33%

540.000

920.000

€ 54.100

3,62

D

’55-‘95

Buitenwijken en -gebieden

Nee

5.

Ellecom

466

6%

920.000

1.390.000

€ 68.700

5,72

D

<’55

Buitenwijken en -gebieden

Nee

6.

Laag-Soeren

387

15%

560.000

920.000

€ 63.000

3,30

D

’55-‘95

Buitenwijken en -gebieden

Nee

7.

Verspreide huizen bosgebied

68

0%

140.000

270.000

€ 59.000

0,05

E

<’95

Buitenwijken en -gebieden

Nee

48

0%

110.000

170.000

€ 66.700

0,12

G

<’55

Buitenwijken en -gebieden

Nee

41

0%

40.000

120.000

Onbekend

0,06

Onbekend

’55-‘95

Buitenwijken en -gebieden

Nee

0

0%

0

0

Onbekend

0,00

Onbekend

n.v.t.

n.v.t.

Nee

1

Onbekend

Onbekend

Onbekend

Onbekend

0,00

Onbekend

’55-‘95

Buitenwijken en -gebieden

Nee

3.595

33%

4.990.000

8.780.000

€ 47.900

13,56

C

’55-‘95

Naoorlogs

Nee

28

0%

50.000

100.000

Onbekend

0,28

G

<’55

Buitenwijken en -gebieden

Nee

14. Verspreide huizen Rheden

187

1%

280.000

440.000

€ 84.400

0,52

G

<’55 & >’07

15. De Steeg

467

27%

850.000

1.370.000

€ 58.800

6,90

D

<’95

3

Onbekend

Onbekend

Onbekend

Onbekend

0,00

Onbekend

<’55

Buitenwijken en -gebieden

Nee

5

Onbekend

Onbekend

Onbekend

Onbekend

0,00

Onbekend

<’55

Buitenwijken en -gebieden

Nee

35

0%

100.000

140.000

Onbekend

0,05

G

<’55

Buitenwijken en -gebieden

Nee

Gas

19. Velp-noord boven spoorlijn

3.625

9%

6.490.000

10.410.000

€ 63.500

13,15

C

<’95

Nee

Gas

20. Velp-zuid beneden spoorlijn

3.602

47%

4.680.000

8.700.000

€ 41.000

24,99

C

<’95

Nee

Wijkvernieuwing, gas

1.799

28%

2.340.000

3.760.000

€ 39.700

19,97

C

’55-‘95

Naoorlogs

Nee

8

Onbekend

Onbekend

Onbekend

Onbekend

0,02

Onbekend

Spreiding

Spreiding

Nee

33

0%

70.000

100.000

Onbekend

0,10

C

<’95

Buitenwijken en -gebieden

Nee

21.375

30%

31.300.000

53.690.000

€ 53.300

2,58

C

’55-‘95

Naoorlogs

Laag Soeren 8.

Verspreide huizen Spankeren

9.

Verspreide huizen Fraterwaard en Beimerwaard

10. Verspr. huizen bosg. Ellecom 11. Verspreide huizen bosgebied Dieren 12. Rheden 13. Rheden-west ten westen van Oranjeweg en Haver

16. Verspreide huizen bosgebied De Steeg 17. Verspreide huizen bosgebied Rheden 18. Verspreide huizen Havikerwaard en Middachten

21. Velp-zuid ten zuiden van Waterstraat 22. Verspreide huizen Velpnoordoost 23. Verspreide huizen Velpzuidoost

Gemeente Rheden

Oud en monumentaal & recente bouw Oud en monumentaal & naoorlogs

Oud en monumentaal & naoorlogs Oud en monumentaal & naoorlogs

Gas

Gas

Straat, gas

Nee

Gas

Nee

Gas

Gebied rondom ziekenhuis

Geen duidelijke overheersende bouwperiode

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

85

7

SCAN VAN DE HUIDIGE SITUATIE

Overheersende leeftijd bewoners

Overheersende bouwperioden woningen

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

Overheersende woningtypen

Aandeel corporatiewoningen

Overheersend eigendom woningen

Woningdichtheid

86

Aandeel gasverbruik

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

Overheersende energielabels

87

8

VLEKKENKAARTEN OP STRAATNIVEAU

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

88

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

89

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

90

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

91

9

ALTERNATIEVEN TOP-WIJKEN

9.1

Dieren-Noord boven spoorlijn

De buurt Dieren-Noord boven spoorlijn scoort het beste op de verschillende criteria (zie ook bijlage 3). In verhouding tot de twee andere buurten uit de top drie zijn er binnen deze buurt relatief veel initiatieven vanuit de samenleving. Daarnaast is Dieren-Noord een buurt met relatief veel corporatiewoningen en een hoge woningdichtheid. De meeste woningen in de buurt zijn gebouwd tussen 1955-1995. Door het grote aandeel na-oorlogse woningen is er een goede kans om aanvullende isolatie maatregelen uit te voeren. Deze kenmerken samen zorgen ervoor dat het relatief eenvoudig is om de woningen in de buurt te verwarmen met een collectieve voorziening gevoed met een bron die lage (LT)- of midden-temperatuur (MT) warmte levert. Voor het toepassen van deze voorzieningen dienen de gebouwen minimaal een basis isolatieniveau te hebben (zie ook paragraaf 8.1). Voorkeursalternatief: LT/MT collectieve voorziening Eigenschappen

Mogelijke bronnen

Kansen

Uitdagingen

Veel naoorlogse

Zonthermie

Optimaal gebruik van

Woningdichtheid

aanwezige bronnen

mogelijk te laag

TEO uit kanaal,

Goede kansen voor

Weinig goed

Olburgen plas

aanvullende isolatie

geïsoleerde woningen

Restwarmte Verzinkerij

Kansen voor pilot

Zonnevelden hebben

Dieren

met actieve

grote impact op

energiecoöperatie

landelijk gebied

woningen Veel corporatiebezit Veel initiatieven

Bedrijven en

Linde Gas Benelux

instellingen met

TEO overzijde IJssel moeilijk te bereiken.

aanzienlijke

Condenswarmte

warmtevraag

Windmolens

Volume TEO onzeker.

Zonnepalen op daken Een collectieve voorziening op LT- of MT-warmte is een warmtenet met een bron die LT- of MTwarmte afgeeft. Dit warmtenet kan uitgerold worden over de hele buurt maar ook op kleinere schaal worden gerealiseerd. Binnen deze buurt zijn er een aantal mogelijke LT/MT bronnen. In de nabijheid van de buurt zijn op verschillende plekken locaties waar zonneparken gerealiseerd kunnen worden. Daarbij kan gekozen worden voor zonthermie in plaatsen van zonnepanelen die elektriciteit

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

92

opwekken. De conversie naar warmte is namelijk veel efficiënter dan naar elektriciteit. Het realiseren van zonnevelden heeft wel een aanzienlijke impact op het landelijk gebied. Naast de zonthermie zijn er nog een aantal mogelijke bronnen aanwezig. Het is mogelijk om Thermische Energie Oppervlaktewater (TEO) uit de plas aan de overzijde van de IJssel te halen. Dit kent wel een aantal beperkingen. De plas, die genoeg oppervlakte heeft en in de buurt van Dieren-Noord ligt, bevindt zich in Natura2000 gebied, ligt aan de andere kant van de IJssel (relatief duur om warmte onder IJssel te transporteren), in een andere gemeente en in een ander RES-gebied. Als het niet mogelijk is om deze plas te gebruiken voor TEO is het

onzeker

of

er

genoeg

oppervlaktewater

beschikbaar is in de buurt zelf. Daarnaast zijn er nog een aantal bedrijven die mogelijk restwarmte beschikbaar hebben: Verzinkerij Dieren,

Linde

Gas

Benelux

en

een

aantal

supermarkten die condenswarmte over hebben. Verder zijn er natuurlijk de zonnepanelen op de daken en mogelijke locaties voor windmolens in de nabijheid van Dieren-Noord. Zoals in de kaart zichtbaar is (figuur 52), zijn er ook een aantal gebieden die net in een andere buurt liggen maar die wel geschikt zijn voor de aanleg van een LT/MT collectieve warmtevoorziening. Waarschijnlijk zal in de praktijk niet een hele buurt in één keer aangepast gaan worden, maar zal de focus liggen op bepaalde gebieden. Deze gebieden hoeven niet perse op te houden bij de buurtgrenzen. Back-up alternatief Mogelijke bronnen

Kansen

Uitdagingen

Buitenlucht

Verlaging energielasten mogelijk door

Geen optimaal gebruik van

individuele configuratie

aanwezige bronnen

Bewoners kunnen op ieder moment

Aanzienlijke verzwaring

starten met de verduurzaming

elekriciteitsnet tot elke voordeur

Geen grote warmtenetten nodig

Weinig woningen die op dit

Bodem Zonthermie

moment goed geïsoleerd zijn.

TEO Zonnepanelen/wind Veel ruimte voor zonnevelden

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

93

Het back-up alternatief bestaat uit individuele allelectric en LT/MT voorzieningen op inidividuele schaal. Bronnen hiervoor kunnen bijvoorbeeld zijn; de

buitenlucht,

bodemwarmte

en

zonthermie.

Zonnepanelen en windmolens moeten voor de benodigde duurzame elektriciteit zorgen. Om dit alternatief te realiseren, moeten de gebouwen minimaal tot een basis isolatieniveau geïsoleerd worden. Het positieve aan dit alternatief is, dat het toegepast kan worden op objectniveau en bewoners dus op ieder gewenst moment en in een eigen tempo kunnen starten met de aanpassingen in de woning. Ook

hoeven

er

geen

grote

infrastructurele

aanpassing gedaan te worden, met uitzondering van het elektriciteitsnetwerk. Dit netwerk moet verzwaard worden omdat individuele systemen bijna altijd veel elektriciteit gebruiken. Tevens wordt er niet optimaal gebruik gemaakt van de bronnen (zoals TEO). Gezien het feit dat bronnen beperkt aanwezig zijn,

is het

beter om dit wel te doen. Door

de

individuele

configuratie

kunnen

de

energielasten voor de bewoners naar beneden worden gebracht. Echter zijn er voor de all-electric varianten wel grote investeringen nodig om de woningen goed genoeg te isoleren. Daarmee is het dus voor de bewoners een duur alternatief. In de buurt is een actieve energiecoöperatie aanwezig. Tevens bestaat de buurt uit relatief veel koopwoningen. Deze combinatie biedt kansen voor een mogelijke pilot voor particulier woningbezit. Hoge temperatuur-alternatief Mogelijke bron

Kansen

Uitdagingen

DS Smith Paper De Hoop Mill

Minimale aanpassing aan

Bron ligt in een andere

bestaande woning nodig

gemeente & RES-gebied

Optimaal gebruik van de bron

Hoge kosten voor infrastructuur door aanzienlijke afstand van de bron

Cascadering mogelijk

Bron moet verduurzamen waardoor aanbod aan restwarmte afneemt Van één bron afhankelijk

TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN

94

Vanuit de analysekaarten van PBL 22 wordt aan Dieren-Noord een HT-warmtenet met de DS Smith Paper

De

Hoop

Mill

papierfabriek

als

bron

toegekend. Deze fabriek levert HT-warmte waardoor woning met relatief weinig aanpassingen verwarmd kunnen

worden.

Door

cascadering

van

het

warmtenet kunnen ook woningen met een relatief goed energielabel profiteren van het warmtenet. Op basis van de laagste Nationale Kosten zou dit de beste optie moeten zijn aldus het PBL. De bron ligt echter wel in een andere gemeente en in een ander RES-gebied. Hierdoor kan het lastig zijn om het warmtenet te realiseren. Tevens zijn de kosten voor de infrastructuur relatief hoog door de afstand tussen bron en afnemers. Ook gaat er relatief veel warmte verloren door de afstand. Stelregel is dat er ongeveer één graad warmte verloren gaat per kilometer warmtenet. Het laatste aandachtspunt is dat

er

plannen

zijn

om

de

papierfabriek

te

verduurzamen waardoor er waarschijnlijk geen of minder restwarmte beschikbaar zal komen. Voor het toepassen van HT-alternatieven zijn in principe geen aanvullende isolatiemaatregelen in gebouwen nodig. Wel kan minimale isolatie ervoor zorgen dat er meer woningen op een collectieve voorziening aangesloten kunnen worden. Hierdoor kan er een betere businesscase ontstaan.

9.2

Rheden

De buurt die als tweede uit de multi-criteria analyse komt is Rheden. Binnen Rheden zijn er relatief veel corporatiewoningen en veel naoorlogse woningen. De woningdichtheid van de buurt in zijn geheel is niet heel erg hoog maar er zijn binnen de buurt wel een aantal gebieden waar de woningdichtheid/warmtedichtheid hoog is. De meerderheid van de woningen in de buurt Rheden zijn rijwoningen. Op relatief korte termijn zijn er plannen voor de renovatie van 500 corporatiewoningen en zal er onderhoud plaatsvinden aan het straatwerk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=9fcf557c-17d9-431b-a88c-782f72e99860