Warmtetransitievisie Rheden 2021 definitief (21.15)
Tekst van het document
Daarom is voor deze buurten in figuur 15 de optie van een MT/LT collectief alternatief voorgesteld.
7.6
Spectrum aan technieken
In deze fase spreken we bewust van een spectrum aan mogelijkheden per buurt of gebied. Het neerzetten van één techniek, één jaartal en één organisatie heeft in tal van gemeenten geleid tot weerstand en het verliezen van draagvlak. Onze energieanalyse is erop gericht om het draagvlak en de participatie voorop te stellen en met een spectrum aan technieken te werken naar een bepaalde ‘kritische massa’. Een bepaalde kritische massa is bijvoorbeeld een bepaald aantal woningen die op lage temperatuur kunnen functioneren. Wanneer de kritische massa bereikt is, is een bepaald gebied klaar om een alternatieve techniek aan te sluiten.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
29
7.7
Financiële aspecten
De benodigde investeringen voor de warmtetransitie zijn grofweg te verdelen in twee groepen: investeringen in de woningen en investeringen in de openbare ruimte. Investeringen in de woningen bestaan uit het toepassen van isolatiemaatregelen (zie hoofdstuk 8) en het aanpassen van installaties. De investeringen in de openbare ruimte bestaan uit investeringen in het realiseren of toegankelijk maken van een duurzame bron en investeringen in de infrastructuur. Dat kan bijvoorbeeld het uitbreiden van het bestaande elektriciteitsnetwerk zijn, maar ook het realiseren van een warmtenet. Afhankelijk van het gekozen alternatief varieert de verhouding van investeringen. Voor investeringen in de gebouwen kunnen we een redelijke inschatting maken (zie bijlage 7). Voor de investeringen in de openbare ruimte is dit lastiger. De kosten in de openbare ruimte zijn sterk afhankelijk van keuzes die we op dit moment bewust nog niet maken. Daarom beperken we ons in de Transitievisie tot inschattingen voor wat betreft de investeringen in de openbare ruimte. In de vervolgstappen (wijkuitvoeringsplannen) worden de kosten in de openbare ruimte verder uitgewerkt. In de onderstaande tabel is een indicatie gegeven van de verhouding van de investeringen voor het opwekken van de energie (energiebron), de infrastructuur voor het transporteren van de energie en de benodigde aanpassingen in het gebouw.
In hoofdstuk 8 en bijlage 7 worden de kosten voor isolerende maatregelen in maatgevende woningtypen van de gemeente Rheden besproken. In de volgende paragraaf en bijlage 14 worden de kosten en baten van aardgasloze woningen besproken. Energiebron
Infrastructuur
Gebouw
Elektrische warmtepomp 1
€
€€
€€€
Elektrische CV-ketel 1
€
€€
€€€
Infraroodpanelen 1
€
€€
€€€
€€€
€€
€
Restwarmte2
€
€€€
€€
Aquathermie2
€
€€€
€€
Zonthermie2
€
€€€
€€
Biomassa
€€€
€€
€
Geothermie
€€€
€€
€
Groen gas
€€€
€€
€
Biogas
€€€
€€
€
Micro-WKK
€€€
€
€€
Waterstof
€€€
€
€
Hybride warmtepomp
1. Sterk afhankelijk van lokale (op eigen dak) of decentrale opwekking (bijv. windmolens en grootschalige zonnevelden) 2. Afhankelijk van het temperatuurniveau van het systeem kunnen er meer kosten verplaatsen richting het gebouw
Tabel 1: Indicatie kostenverdeling investering.
In bovenstaande tabel is een indicatie weergegeven van de kosten voor het ontsluiten van een bepaalde energiebron. Daarnaast is ook inzichtelijk gemaakt waar deze kosten voornamelijk terecht komen. De €tekens zeggen niets over de hoogte van de investering maar enkel over de allocatie van de kosten. Zo zal voor een elektrische warmtepomp het grootste deel van de kosten in het gebouw komen te liggen. Een kleiner deel in de infrastructuur en het kleinste deel bij de energiebron. TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
30
7.7.1
Kosten en baten aardgasloze woningen
Het is vanzelfsprekend dat de warmtetransitie tegen zo laag mogelijke maatschappelijke kosten uitgevoerd moet worden. Er wordt gesproken over maatschappelijke kosten omdat nog niet bekend is wie de verschillende investeringen gaat doen. Het is op dit moment onmogelijk om gedetailleerde berekeningen voor de verschillende buurten in Rheden te maken. Wel kunnen we op basis van indicatieve berekeningen (zie bijlage 14) een aantal interessante conclusies trekken: •
Waarschijnlijk gaat de warmtetransitie meer geld kosten dan het direct oplevert. Er wordt bewust gesproken over direct omdat de woningen en gebouwen comfortabeler en gezonder worden, er ontstaat een duurzame en gezonde leefomgeving (kolen- en gascentrales zorgen jaarlijks voor vele doden, voornamelijk vanwege luchtvervuiling 7) en met de verduurzaming zijn vele extra banen gemoeid8.
•
Het toepassen van minimale en basis isolatie is financieel interessant;
•
Plaatsen van zonnepanelen en overstappen naar elektrisch koken is financieel interessant;
•
Collectieve alternatieven zijn in de meeste gevallen financieel interessant;
•
Het plaatsen van zonnepanelen op een woning heeft een positief effect op de totale businesscase.
7
https://ourworldindata.org/safest-sources-of-energy
8
http://www.nvde.nl/nvdeblogs/11-000-extra-banen-door-aardgasvrije-wijken/ TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
31
8
PARTICIPATIE & VERVOLGSTAPPEN
Vanuit de rijksoverheid is aan de gemeenten de regierol toegekend om de transitie in goede banen te leiden. Dat wil zeggen dat de gemeente ervoor moet zorgen dat er beweging komt in de transitie en deze beweging coördineert. Er zijn verschillende stakeholders nodig om de warmtetransitie tot een succes te maken. Een van de belangrijkste (en vaak onderbelichte) groep stakeholders vormen de inwoners. Deze groep is niet uniform en bestaat uit allerlei mensen met verschillende achtergronden, meningen en mogelijkheden. Het is daarom onmogelijk om voor ‘de inwoner’ een stappenplan op te stellen voor de manier waarop deze het best betrokken kan worden bij de warmtetransitie. In dit hoofdstuk reiken we een aantal handvatten aan die ingezet kunnen worden bij het opzetten van een participatietraject. Het participatietraject start in het schema hieronder pas echt bij het kopje Activeren.
Figuur 16: Procesweergave participatie.
8.1
Van theorie naar praktijk
Het participatietraject kent een wetenschappelijk fundament met een praktische vertaling. Verschillende theorieën en praktijkervaringen rond participatie zijn daarbij relevant. Allereerst is het belangrijk om te beseffen dat een woning in één stap transformeren naar een aardgasvrije woning voor de meeste mensen niet is weggelegd. Daar zijn verschillende redenen voor, maar het feit is dat dit in logische stappen en een realistisch en haalbaar tempo moet gebeuren. In Nederland zien we dat slechts in zwaar gesubsidieerde trajecten complexe maatregelen gecombineerd worden (en in feite verschillende fases overgeslagen worden). Dit zijn geen houdbare trajecten. De aanpak in Rheden kan gebruik maken van subsidies, maar is gebouwd op een traject zonder externe financiering. Deze getrapte aanpak, bestaande uit logische, opeenvolgende maatregelen van de gebouwde omgeving is de kern van de aanpak in Rheden. Uit studies van het Nibud is gebleken dat mensen vaak het gedrag van de buren kopiëren in plaats van zichzelf te spiegelen aan vergelijkbare gezinnen. Dit fenomeen is al langer bekend in de schuldsanering, maar we zien het ook terug binnen de energietransitie. In buurten waar veel zonnepanelen geplaatst zijn, gaan de achterblijvers ook sneller over tot zonnepanelen. Om de aanpak in Rheden haalbaar te maken haken we daarop aan. TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
32
Bewoners in een buurt enthousiasmeren Om de transformatie naar een aardgasvrije wijk succesvol te laten zijn is het nodig om een bepaald aandeel (en dit is een groot percentage van de buurt) van de buurt te enthousiasmeren voor de aanpak om met die groep naar de volgende fase te gaan. In sommige buurten zijn van nature al wat meer zogenaamde Early Adopters (zie innovatiecurve9 op figuur 17) of Innovators aanwezig dan in andere buurten en zul je dan ook sneller de eerste fasen kunnen doorlopen. In de vervolgstappen na deze visie worden de buurten en haar inwoners meer in detail geanalyseerd om te bepalen op welke manier de bewoners geënthousiasmeerd kunnen worden.
Figuur 17: Innovatiecurve die gebruikt kan worden om de verschillende groepen bewoners in een gemeente te beschouwen
Sturen op comfort, kosten en bepaalde zorgen Een ander belangrijk aspect in onze participatieaanpak is het feit dat bewoners in het maken van hun keuzes dichtbij zichzelf blijven. Niet het verbeteren of veranderen van de wereld is het doel, maar comfort, kosten en zorg zijn bepalend in het maken van keuzes. We zien dat in de energietransitie ook in de maatregelen terug. Spouwmuurisolatie bijvoorbeeld is goedkoop (kosten), zorgt voor een geluidsarm en stabiel binnenklimaat (comfort) en levert nauwelijks rotzooi op (zooi & klooi-factor). Deze maatregel is dan ook met afstand de meest gekozen maatregel. Het isoleren van een begane grondvloer zonder kruipruimte is ook isolatie van een schildeel en zorgt weliswaar voor een comfortabele vloer, maar is kostenintensief en levert dagen, zo niet weken lang een deels onbruikbaar huis op. Deze maatregel is voor veel mensen dan ook niet wenselijk.
9
De innovatiecurve is een manier om te kijken naar de verschillende groepen inwoners die er binnen een gemeente zijn.
Binnen de innovatiecurve wordt er onderscheid gemaakt tussen Innovators, vroege gebruikers (Early Adopters), vroege meerderheid (Early majority), late meerderheid (Late Majority) en achterblijvers (Laggards) TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
33
Samenvattend 1.
De aanpak is erop gericht om het aantal participanten zo snel mogelijk te laten groeien: immers pas dan kan men met groepen uit de wijk naar volgende fases;
2.
De aanpak is erop gericht om te starten met het ‘laaghangend (kopieerbaar) fruit’: maatregelen die herkenbaar en realistisch zijn;
3.
De aanpak is een aanpak die in feite zonder subsidieondersteuning door een wijk zelf opgepakt kan worden. Daarmee wordt het tempo wel voornamelijk bepaald door de massa: de inwoners.
Figuur 18: participatietraject opgedeeld in fases
Globaal zijn binnen deze aanpak drie fasen zichtbaar. In de eerste fase zetten we in op het implementeren van eenvoudige en breed in te zetten maatregelen. Op die manier proberen we te komen tot een grotere groep participanten. Wanneer de eerste stap gezet is gaan deze verder naar de 2 e fase. Daarbij worden meer complexe maatregelen aangeboden. In de laatste fase worden deze maatregelen opgeschaald en wordt er extra ingezet op achterblijvers.
8.2
In de praktijk: 1: belang, momentum en bepaling doelgroep
De eerste stap is het informeren van de inwoner. De transitie naar aardgasvrij is prominent aanwezig in het nieuws en de meeste inwoners zullen zich dan ook afvragen “wat gaat er bij mij in de buurt/wijk/gemeente gebeuren?” en ook: “wat gaat het me kosten?”. De gemeente zal hierop in moeten inspelen door toe te lichten welk traject eraan zit te komen en hoe de gemeente Rheden daarmee aan de slag gaat. De aanpak gaat uit van: 1.
Vroegtijdige open (!) communicatie;
2.
Communicatie met alle stakeholders (en niet een select gezelschap uit een buurt(deel)).
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
34
8.2.1
Communicatie na analyse
Zoals eerder beschreven staat, is het van belang om te beseffen dat er een enorme verscheidenheid aan inwoners bestaat binnen een gemeente. Het is van belang om te weten hoe een buurt is opgebouwd. Zijn er al veel maatregelen genomen of staat de buurt (of buurtdeel) nog aan het begin van de transitie? Dit bepaalt of je al naar de volgende fase kunt of dat je moet starten met het zoeken naar inspirerende voorbeelden. Communicatie is maatwerk en wordt dus niet generiek over alle buurten uitgerold. De buurten die nog aan het begin staan worden voorzien van communicatie die gericht is op simpele stappen en kopieerbaarheid. Die buurten die wat verder zijn krijgen communicatieboodschappen die gericht zijn op de volgende fases. Anders dan in andere aanpakken in Nederland wordt dus niet een generieke boodschap gericht op bijvoorbeeld de Early en Late Majority (dat is schieten met hagel). Concreet
kunnen
inwoners
geïnformeerd
worden
door
middel
van
het
organiseren
van
buurt/wijkbijeenkomsten (inloopdagen) of een gemeente-brede bijeenkomst voor geïnteresseerden. Men kan ervoor kiezen om een klankbordgroep van inwoners te formeren die in de rest van het traject aangehaakt blijft om mee te helpen met het ontwikkelen van de transitievisie. Voorbeeldwoning Een andere methode die goed werkt bij verschillende proeftuinen aardgasvrij is het realiseren van een voorbeeldwoning. Daarin is het voor de inwoners duidelijk zichtbaar hoe de installaties in een woning eruitzien en wat er nodig is om een woning aardgasvrij te maken.
8.3
In de praktijk 2: Activeren
Het is noodzakelijk om de inwoners te informeren. Maar dat is slechts de eerste stap. Als men op de hoogte is van de situatie, de stappen die de gemeente gaat zetten en de verantwoordelijkheid die bij hen komt te liggen, moeten de inwoners worden aangezet tot actie. Elke buurt op eigen tempo en naar eigen mogelijkheden. Bij het activeren moet het luisteren naar de inwoner centraal staan. We hanteren daarbij een aantal basisregels, die ervoor moeten zorgen dat buurten een volwaardige rol en positie kunnen nemen in hun transitie (zie afbeelding op de volgende pagina).
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
35
We werken vanuit een visie, niet vanuit een blauwdruk. Er zijn meer dan 1 opties om te verduurzamen
We werken aan een gezamenlijke toekomst. Die is aardgasvrij en dat is het uitgangspunt.
De gemeente faciliteert en participeert. Ieders rol in het traject is bespreekbaar
Veel weten we nog niet en is afhankelijk van onder andere de inbreng van eenieder (de bewoner bijvoorbeeld), daar zijn we eerlijk over
Het is geen wedstrijd: we kiezen een tempo dat past
Figuur 19: Basisregels participatie
8.4
In de praktijk 3: Ontwerpsessies
Nu we met de bewoners in gesprek zijn, is het van belang om duidelijk de wensen, behoeften en uitdagingen op te halen bij de bewoners. Dit kan door middel van verschillende soorten bijeenkomsten (zoals excursies of informatiesessies met medewerking van installatiebedrijven), zodat de bewoners goed op de hoogte zijn van de mogelijkheden. Naast deze sessies voor de bewoners is het van belang dat ook intern ‘de kikkers in de kruiwagen’ blijven en dat er gewerkt wordt aan de technisch-economische haalbaarheid van verschillende oplossingen. Ook moeten raadsinformatiebijeenkomsten georganiseerd worden om de raad in het proces mee te nemen. Uiteindelijk is het interne draagvlak net zo belangrijk als de goedkeuring van buitenaf.
8.4.1
Voortdurende interne inventarisatie
Het is belangrijk om als eerste stap in beeld te houden wat er al aan kennis is binnen de gemeentelijke organisatie. Mogelijk lopen er al relevante trajecten waar de opgave richting aardgasvrij aan gekoppeld kan worden. Zijn er bijvoorbeeld al wijkverbeteringsplannen of andere sociale programma’s? Daarnaast is het van belang om ook binnen de organisatie duidelijk te maken dat de warmtetransitie aanstaande is. Zorg ervoor dat er een beeld ontstaat van wie er bezig is met projecten die van invloed zijn op dit traject. Daarbij kan het handig zijn om binnen de organisatie naar een duidelijke gezamenlijke visie toe te werken. Dit hoeft geen uitgewerkt plan te zijn van hoe de problematiek opgelost moet gaan worden (liever niet zelfs), maar wel een duidelijk beeld van de richting waar de gemeente naartoe wil werken. We hebben interne betrokkenheid tot
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
36
nu toe zoveel mogelijk ondervangen door tijdens de bijeenkomsten met stakeholders ook medewerkers van verschillende disciplines binnen de gemeentelijke organisatie uit te nodigen.
8.5
In de praktijk 4: Interactieve bijeenkomsten
Door middel van interactie kan je mensen op een leuke manier kennis laten maken met de problematiek rondom de warmtetransitie en zo gezamenlijk richting een visie werken. Op die manier kan je van veel mensen input ophalen en zorg je ervoor dat niet alleen de meest mondige aanwezigen zich kunnen profileren. Mogelijkheden voor interactie zijn o.a.: •
Serious Games;
•
Digitale Quiz;
•
Wijkinformatie stand;
•
Pingpong ballen sessie.
Het is onze ervaring dat deze sessies leiden tot veel bruikbare input en iedereen het gevoel krijgt de kans te hebben om input te leveren. Dit maakt dat mensen zich gehoord voelen waardoor ze eerder geneigd zijn mee te werken.
8.6
Vervolgstappen
De Transitievisie Warmte is een eerste stap in een langer proces rondom het verduurzamen van de gemeente. Deze visie geeft richting in de aanpak en bevat een buurt-voor-buurt en gebied-voor-gebied stappenplan met een eerste aanzet voor een planning. Uit de transitievisie volgen wijkuitvoeringsplannen op buurtniveau.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
37
9
CONCLUSIE & AANBEVELINGEN
De ambitie in de gemeente Rheden is hoog, en er moet nog veel gebeuren om die te behalen. De komende jaren moet er gewerkt worden aan energiebesparing en het aardgasvrij maken van de eerste gebieden in de gemeente. Omdat er geen grootschalige warmtebronnen beschikbaar zijn en we in veel gevallen zien dat het neerzetten van één techniek voor een groot gebied vaak tot weerstand leidt, is er veel maatwerk nodig. Aan de hand van de gestelde criteria zijn drie buurten geselecteerd waar gestart kan worden met de transitie: Dieren-Noord boven spoorlijn, Rheden en Velp-Zuid beneden spoorlijn. Op basis van een data-analyse en gesprekken met stakeholders is een inschatting gemaakt van de alternatieven die het best passen in deze buurten. Maar ook hier moet stap voor stap naar een aardgasvrije buurt worden gewerkt. Wij adviseren dus een stapsgewijze transitie die gebaseerd is op maatwerk. Om zo te zorgen voor voldoende draagvlak en geen onnodig hoge kosten voor mens en maatschappij. Concreet bevelen we daarvoor de volgende acties aan: 1) Start met het informeren van de inwoners van de gemeente. Bij het opstellen van deze TVW zijn veel van de georganiseerde stakeholders betrokken geweest. Bij de vaststelling ervan, is er voor de inwoners via de raad mogelijkheid tot inspraak maar dit wordt vaak niet zo ervaren.
Het is daarom van belang om breed in de gemeente een communicatiecampagne te starten. Dit kan via de gemeentelijke kanalen, maar het is zeker nuttig om ook de communicatiekanalen van de stakeholders in te zetten. 2) Isoleren, Isoleren, Isoleren. Alle energie die niet gebruikt wordt, hoeft ook niet bespaard te worden. Voor veel duurzame alternatieven is een bepaald niveau van isolatie wenselijk en het is daarom nooit verkeerd om de schil van een woning aan te pakken. Door de inwoners voor te lichten over de mogelijkheden en de voordelen van isolatie (verhoogd comfort, lagere energierekening) kan een eerste stap gemaakt worden in de warmtetransitie. Mogelijk daarbij is het opstellen van een isolatieadvies aan de inwoners/pandeigenaren. 3) Inspelen op de energie in de buurten Ook de inwoners van de gemeente Rheden zitten niet stil. Duurzaamheid wordt een steeds belangrijker onderwerp in het dagelijks leven van mensen. Het is dus van belang om als gemeente scherp te blijven op de initiatieven die er binnen de gemeente zijn of starten. Door deze te ondersteunen en te faciliteren kunnen er veel stappen gezet worden richting aardgasvrij. 4) WUP opstellen voor de top-buurten. (i.s.m. de buurten) Op technisch niveau kan er ook een verdiepingsslag gemaakt worden. Binnen de top-buurten is duidelijk waar de eerste stappen gemaakt kunnen worden.
Het is van belang om in samenwerking met de inwoners aldaar en de betrokken partners aan de slag te gaan met het opstellen van concrete plannen. Een eerste stap in dat proces is het ophalen van informatie uit de buurt. Wat drijft de mensen, wat zijn de kansen en uitdagingen in een buurt. Om daarna het sociaal maatschappelijke, en het technische spoor met elkaar te verbinden. TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
38
DE BIJLAGEN Bijlage 1: Begrippen en afkortingen Bijlage 2: Analyse Bijlage 3: alternatieven voor aardgas Bijlage 4: Isoleren en andere energiebesparende maatregelen Bijlage 5: Multi-criteria analyse Bijlage 6: kenmerken buurten Bijlage 7: scan van de huidige situatie bijlage 8: Vlekkenkaarten op straatniveau Bijlage 9: Alternatieven top-wijken Bijlage 10: voorkeursalternatieven Bijlage 11: Back-up alternatieven Bijlage 12: Ht-alternatieven Bijlage 13: Alternatieven middengroep Bijlage 14: alternatieve warmtevoorzieningen per buurt Bijlage 15: kosten en baten aardasvrije woningen
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
39
1 BEGRIPPEN EN AFKORTINGEN Transitievisie Warmte Elke gemeente in Nederland moet voor 2021 een Transitievisie Warmte opstellen. Aan de hand van deze visie wordt duidelijk op welk moment een wijk, buurt of gebied aardgasloos wordt. Tevens wordt voor de eerste woningen (die tot 2030 aardgasloos worden) beschreven welke mogelijke alternatieve warmtevoorzieningen en -bronnen er zijn. RES (Regionale Energie Strategie) Om uitvoering te geven aan het Klimaatakkoord (gepubliceerd op 28 juni 2019), is Nederland opgedeeld in 30 energieregio’s. In de RES beschrijft elke regio hoe en waar (hoeveel ruimte er is) het beste duurzame elektriciteit op land (wind en zon) opgewekt kan worden, welke bruikbare regionale warmtebronnen er zijn en of de voorstellen maatschappelijk gezien acceptabel en financieel haalbaar zijn. Het Nationaal Programma RES ondersteunt de regio’s bij het opstellen van de RES. Klimaatakkoord Het nationale Klimaatakkoord is op 28 juni 2019 gepubliceerd en is tot stand gekomen uit een samenwerking van de overheid met bedrijven en organisaties. In het akkoord zijn maatregelen afgesproken die ervoor moeten zorgen dat in Nederland in 2030 49% minder CO 2 wordt uitgestoten ten opzichte van 1990. In 2050 moet de uitstoot met 95% gereduceerd zijn. Ook moet in 2030 70% van al het elektriciteitsgebruik opgewerkt worden uit duurzame bronnen.
Energieneutraal Energieneutraliteit beschrijft de balans tussen energieverbruik en de opwekking van energie. Een gemeente is energieneutraal wanneer er evenveel energie wordt gebruikt als dat er wordt opgewekt. In theorie hoeft de opgewekte energie niet per se duurzaam te zijn, zolang de opwekking en het verbruik maar in balans zijn. In de praktijk wordt met energieneutraliteit bedoeld dat het energieverbruik gelijk moet zijn aan de hoeveelheid duurzaam opgewerkte energie. Dit wordt ook wel CO 2-neutraal genoemd. CO2-neutraliteit kan ook bereikt worden door CO2 die toch wordt uitgestoten op te vangen of te binden (in bijvoorbeeld begroeiing). Opname van CO2 is waarschijnlijk ook in de toekomst nog (in beperkte mate) nodig omdat bijvoorbeeld bepaalde vormen van industrie en mobiliteit mogelijk blijven draaien op energiebronnen die CO2 uitstoten. Terajoule (TJ) De joule is de eenheid van energie die over de hele wereld wordt gebruikt. Aan de hand van deze eenheid kunnen verschillende vormen van energie bij elkaar opgeteld worden. Een kilowattuur elektriciteit kan niet opgeteld worden bij een kuub aardgas. Door beide vormen van energie om te zetten naar joule kan dat wel (1 kWh elektriciteit staat gelijk aan 3.600.000 joule en 1 m 3 aardgas staat gelijk aan 31.650.000 joule).
Omdat het energieverbruik op gemeenteniveau erg hoog is, wordt er over het algemeen gesproken over megajoule (1 MJ is 1.000.000 joule), gigajoule (1 GJ is 1.000.000.000 joule) of terajoule (1 TJ is 1.000.000.000.000 joule).
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
40
Lage-, midden-, en hoge-temperatuur warmte Warmte kan, afhankelijk van het verwarmingssysteem, geleverd worden in verschillende temperaturen. Over het algemeen worden 3 groepen onderscheiden: lage-temperatuur (LT), midden-temperatuur (MT) en hogetemperatuur (HT). Lage-temperatuur voorzieningen vragen een goede tot zeer goede isolatie van woningen. Bij Hoge-temperatuur systemen is de isolatie minder van belang. De huidige systemen op aardgas werken op een hoge temperatuur. Systemen op bijvoorbeeld een warmtepomp werken op een lage temperatuur. De volgende gradaties worden onderscheiden (deze gradaties kunnen in de praktijk afwijken): •
LT: <40 °C
•
MT: 40-70°C
•
HT: >70 °C
Thermische Energie Oppervlaktewater (TEO) TEO-systemen maken gebruik van temperatuurverschillen in het oppervlaktewater gedurende het jaar. In de zomer wordt warmte uit (relatief warm) oppervlaktewater opgeslagen in bijvoorbeeld een WKO (warmtekoude opslag) installatie. Deze warmte kan vervolgens in de winter gebruikt worden om gebouwen te verwarmen middels een warmtepomp. In de winter kan ook koude worden opgeslagen die in de zomer gebruikt wordt om op een duurzame manier te koelen, iets wat in de toekomst waarschijnlijk steeds belangrijk wordt. Thermische Energie Afvalwater (TEA) TEA-systemen halen warmte rechtstreeks uit het rioolstelsel of uit het gezuiverde afvalwater bij een rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI). Om gebruik te kunnen maken van deze warmtebron is er een bepaalde hoeveelheid warmte in het stelsel nodig. Indien het riool zowel voor afvalwater als voor de afvoer van regenwater gebruikt wordt, is de kans aanwezig dat er niet voldoende warmte aanwezig is. Het regenwater zorgt voor een flinke afkoeling van het stelsel. Warmte-koude opslag (WKO) Een WKO wordt gebruikt om warmte of koude op te slaan die niet direct gebruikt kan of hoeft te worden. Een reden hiervoor kan zijn dat een bepaalde warmtebron alleen in de zomer beschikbaar is (bijvoorbeeld TEO) terwijl de warmte juist in de winter nodig is.
In een WKO-installatie wordt grondwater in de bodem benut als energiebuffer. Dit kan via een open systeem (er is een open verbinding met het grondwater. Het grondwater wordt ook daadwerkelijk omhoog gepompt) of een gesloten systeem (de warmtewisselaars staan niet in direct contact met het grondwater maar gebruiken een energiedrager, veelal een glycoloplossing, die wordt rondgepompt. De energie in de bodem wordt overgedragen aan de energiedrager). Een installatie bestaat uit twee bronnen: een warme en een koude bron. Een warmtewisselaar zorgt ervoor dat energie in de bronnen opgeslagen wordt. Op het moment dat de energie nodig is, wordt deze uit de bron omhoog gepompt.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
41
Zonthermie Een zonthermie-systeem gebruikt de warmte van de zon op water in collectoren op te warmen. Een zonnecollector komt voor in allerlei soorten en maten en kunnen soms verwarmd worden met een
zonnepaneel
dat
elektriciteit
opwekt.
Zonnecollectoren kunnen kleinschalig op een woning toegepast worden, maar ook grootschalig op velden of daken. Een zonnecollector is een effectievere bron van warmte dan elektriciteit. Daarom is he t verstandig om per locatie te inventariseren of er grootschalig ingezet wordt op zonthermie of zonnepanelen die elektriciteit opwekken. Zonthermie op het land concurreert met zonnepanelen die elektriciteit opwekken. Per locatie moet gekeken worden wat de beste invulling is, daar kan op dit moment nog geen uitsluitsel over gegeven worden. Wanneer er in de directe omgeving bijvoorbeeld geen zonnewarmte nodig is, kan gekozen worden voor elektriciteitsopwekking. In de vervolgstappen gaan deze keuzes gemaakt worden. Restwarmte Restwarmte is energie die overblijft bij (industriële) processen. Voorheen ging deze energie via bijvoorbeeld de schoorsteen of het afvalwater verloren. Tegenwoordig kijkt men ook naar mogelijkheden om de restwarmte te benutten voor andere processen (bijvoorbeeld de verwarming van gebouwen). Veel bedrijven met restwarmte kijken eerst of de warmte in de eigen processen of gebouwen gebruikt kan worden. Wanneer er warmte over is, kan deze middels een warmtenet ingezet worden in de directe omgeving. Condenswarmte Condenswarmte is restwarmte uit koelprocessen. Supermarkten, koel- en vrieshuizen en datacenters gebruiken veel energie voor koelsystemen.
Die energie wordt nagenoeg volledig omgezet in warmte. Een deel van de bedrijven hergebruikt de warmte zelf, maar veel energie wordt op dit moment naar buiten geventileerd en gaat verloren. Deze warmte kan in potentie ingezet worden voor de verwarming van gebouwen. Asfaltwarmte Systemen gebaseerd op asfaltwarmte maken gebruik van warmte die via asfaltcollectoren wordt opgewekt. De collectoren worden in het wegdek verwerkt en bevatten water. Dit water neemt warmte op die ontstaat wanneer de zon op het asfalt schijnt. De warmte wordt vervolgens in een WKO opgeslagen en wordt in de winter gebruikt voor de verwarming van gebouwen. Dit concept bevindt zich op dit moment nog in de experimentele fase.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
42
2
ANALYSE
Het is duidelijk dat de warmtetransitie een enorme opgave is en niemand weet op dit moment nog hoe de transitie precies uitgewerkt en uitgevoerd gaat worden. Elke gemeente in Nederland zoekt naar haalbare en betaalbare oplossingen. Het is in ieder geval belangrijk om het proces op te knippen in verschillende delen. Zo blijft het overzichtelijk en zijn er voldoende gelegenheden om bij te sturen en aan te passen. Voordat er over een Transitievisie, buurtwarmteplannen en wijkuitvoeringsplannen gesproken wordt, is het van belang om de huidige situatie in de gemeente Rheden in beeld te brengen. Wie zijn de eigenaren van alle woningen? Wanneer zijn de woningen gebouwd? Wat zijn de overheersende woningtypen in de gemeente? Dit zijn zomaar een aantal vragen die op dit moment van belang zijn. Hieronder worden deze vragen in tekst en beeld beantwoord.
2.1
Analyse op 3 niveaus
In de volgende paragrafen wordt de gemeente Rheden op 3 niveaus bekeken: gemeenteniveau, buurtniveau en straatniveau. Elk onderdeel start met gegevens op gemeenteniveau. Vervolgens wordt ingezoomd op buurtniveau omdat de Transitievisie Warmte uiteindelijk op dit niveau ingevuld moet worden. Als laatste stap zoomen we voor een aantal aspecten in op straatniveau omdat dit waarschijnlijk het niveau zal zijn waarop wijkuitvoeringsplannen gemaakt gaan worden. Het is niet aannemelijk dat buurt voor buurt de gemeente aardgasvrij gemaakt wordt, eerder straat voor straat. In bijlage 4 zijn alle gegevens in een overzichtelijke tabel verwerkt. In bijlage 5 worden de verschillende vlekkenkaarten op buurtniveau naast elkaar weergegeven zodat een goed vergelijk gemaakt kan worden. Tot slot worden in bijlage 6 de verschillende vlekkenkaarten op straatniveau weergegeven. Deze vlekkenkaarten zijn bewust grofmazig getekend om schijnnauwkeurigheid te voorkomen. In de wijkuitvoeringsplannen wordt de nauwkeurigheid van de kaarten aangepast op basis van accuratere gegevens op gebouwniveau.
2.2
De leeftijd van de inwoners
Uit onderzoek van het CBS is gebleken dat de bereidheid en mogelijkheden om
te
investeren
in
energie-
besparende maatregelen laag is onder jongeren en onder ouderen10. Onder jongeren worden mensen verstaan met een leeftijd van 24 jaar of jonger. Mensen met een leeftijd van 65 jaar of ouder vallen onder de groep ‘ouderen’. De focus zal dus moeten liggen op de leeftijdsgroepen tussen de 25 en 64 jaar.
Deze
groep
is
(niet
geheel
Figuur 20: het aantal inwoners verdeelt naar leeftijdsgroep (cijfers CBS,
verrassend gezien de leeftijdspiramide 2018) van Nederland) het grootst in de
10 CBS, Energiebesparingspotentie – Een introductie en handleiding
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
43
gemeente Rheden (zie figuur 18), al zijn de mensen ouder dan 65 jaar ook goed vertegenwoordigd in de gemeente. De groep bewoners met een leeftijd tussen de 45 en 64 jaar toont de meeste investeringsbereidheid. Enerzijds heeft dit te maken met de grootte van het gezin en de invloed van dit gezin op de energierekening: kinderen in de pubertijd verbruiken meer energie dan hele jonge kinderen (aanwezig in de groep van 25 tot 44 jaar). Anderzijds
zijn
45-64-jarigen
op
de
top
van
hun
carrières
met
bijbehorende
inkomens.
De
investeringspotentie is daarmee hoger dan in de jongere bevolkingsgroepen. Deze potentie is ook zichtbaar in het type verbouwing dat vaak door de 45-64-jarigen uitgevoerd wordt: een verbouwing ter bevordering van het comfort en de luxe van de woning. In dit type verbouwing is over het algemeen meer aandacht voor de bouwkundige schil en het verwarmingssysteem (“zullen we dan toch maar eens die vloerverwarming aanleggen?”). Bovenstaande conclusies komen uit landelijke onderzoeken. Regionaal kan dit natuurlijk afwijken. Daarom is het belangrijk om in de wijkuitvoeringsplannen goed de bewoners in kaart te brengen, bijvoorbeeld door het opstellen van bewonersprofielen. De groep onder de 25 jaar heeft vaak nog geen eigen woning waardoor de investeringen voor rekening komen van de woningeigenaar/verhuurder. Tevens heeft deze groep mensen (net als de groep boven de 65) andere prioriteiten. Jongeren hebben relatief weinig geld en geven dit liever aan andere zaken dan energiebesparing uit. Ouderen hebben relatief veel geld maar willen dit niet meer investeren in energiebesparing. Ze gaan ervan uit dat ze toch niet meer profiteren van het rendement van de investeringen en besteden het geld daarom liever aan andere zaken.
2.2.1
Overheersende leeftijdsgroepen op buurtniveau
De verdeling van leeftijdsgroepen in Rheden
is
vergelijkbaar
met
het
landelijk beeld: de groep 45-64 is het grootst. Wel zijn er een aantal buurten zichtbaar waarin de grootste groep inwoners
gevormd
wordt
door
mensen die ouder dan 65 jaar zijn. Deze groep mensen zal waarschijnlijk niet meer gaan investeren in hun woning omdat ze te oud zijn om nog te profiteren van het rendement.
2.3
De woningvoorraad
De gemeente Rheden heeft 21.375 woningen. Ruim de helft van het totale woningbezit zijn koopwoningen (54%). De overige woningen zijn huurwoningen. In totaal is 30% van de woningen in Rheden in eigendom van een woningcorporatie. De overige woning zijn eigendom van particuliere verhuurders. Een klein deel van deze woningen heeft op dit moment geen gasaansluiting.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
44
Eigenaren van particuliere koopwoningen kunnen zelf beslissen over het nemen van energiebesparende en aardgasloze maatregelen. Dit maakt het maken van keuzes gemakkelijker omdat er geen externe partij tussen zit die niet direct baat heeft bij nemen van maatregelen terwijl hij of zij wel moet investeren. Bij woningcorporaties ligt dit anders. Deze partijen hebben op landelijk niveau afspraken gemaakt over het nemen van energiebesparende maatregelen. Tevens fungeert een corporatie als één aanspreekpunt voor meerdere woningen terwijl elke particuliere eigenaar een aanspreekpunt is voor maar één woning. Corporaties kunnen dus sneller stappen zetten, hebben financiële slagkracht en maken gebruik van lange-termijn visies. Dit maakt dat gebieden met veel corporatiewoning een grotere kans hebben om op korte termijn aardgasloos te worden. De
verwachting
is
dat
het
aantal
woningen in Rheden tot 2040 toeneemt tot 21.870. Nieuwe woningen worden niet meer op het aardgas aangesloten en leveren daarmee dus ook geen bijdrage aan het totale aardgasverbruik.
2.3.1
Overheersend eigendom op buurtniveau
In Rheden zijn in nagenoeg alle buurten
de
koopwoningen
het
overheersend eigendomstype, met uitzondering
van
Velp
zuid
beneden spoorlijn. Daar zijn relatief gezien meer corporatiewoningen dan huur- of koopwoningen. Dat wil niet zeggen dat er verder binnen
de
gemeente
geen
corporatiewoningen zijn.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
45
2.3.2
Aandeel corporatiewoningen op buurtniveau
In figuur 24 is weergegeven wat
de
verhouding
van
corporatiewoningen voor de verschillende buurten in de gemeente
Rheden
is.
De
woningcorporaties zijn goed vertegenwoordigd
in
de
gemeente. Zo zijn er een aantal buurten met meer dan 30%
corporatiewoningen:
Rheden
(33%),
(33%),
Dieren-west
Spankeren boven
spoorlijn (35%), Dieren-noord boven spoorlijn (37%) en Velpzuid beneden spoorlijn (47%).
2.3.3
Verdeling corporatiewoningen op straatniveau
Wanneer we verder inzoomen op straatniveau, worden de bevindingen uit figuur 24 min of meer
bevestigd.
De
meeste
clusters
van
corporatiewoningen bevinden zich in de buurten die in de bovenstaande paragraaf ook al aangemerkt worden. Ook zijn er in andere buurten kleine clusters van corporatiewoningen te vinden. Ook deze kleine clusters kunnen van belang zijn voor de aanpak van de betreffende buurten en straten.
2.4
Woningtypen
Het woningtype geeft een indicatie van de hoogte van de investeringen per woning en de mogelijkheden
tot
industrialisatie 11
of
een
collectieve aanpak. Het is vanzelfsprekend dat een grotere woning een hogere investering voor bijvoorbeeld het isoleren van vloeren, gevels en daken vraagt. Een grotere woning verbruikt waarschijnlijk ook meer energie dan een kleinere woning waardoor de baten van een investering in een grotere woning ook hoger zijn. In grote lijnen kan de onderstaande volgorde gehanteerd worden van klein naar groot: 1.
Appartementen;
11 Een groot aantal woning op een industriële (geprefabriceerde) manier in één keer transformeren.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
46
2.
Tussenwoningen;
3.
Hoekwoningen;
4.
Twee-onder-een-kap woningen;
5.
Vrijstaande woningen.
Industrialisatie
en
een
collectieve
aanpak kan de investering per woning flink omlaag brengen. Hiervoor is het van belang dat er in een straat of buurt eenduidigheid in woningtypen is. De kans hierop is over het algemeen groter
bij
rijwoningen
appartementen dan
bij
en
vrijstaande
woningen. In de gemeente Rheden zijn de rijwoningen het meest voorkomend gevolgd door appartementen. Ook zijn er veel twee-onder-een-kap woningen in de gemeente. Vrijstaande woningen vormen de kleinste groep (zie figuur 26).
2.4.1
Overheersende woningtypen op buurtniveau
Op buurtniveau lijkt het alsof de vrijstaande
woningen
overheersend
zijn in de gemeente. Figuur 26 laat echter zien dat de rijwoningen in aantal het meeste voorkomen. Wat de kaart aan de rechterzijde voornamelijk goed laat zien is het verschil tussen buitengebied en stedelijk gebied. In het
buitengebied
staan
vooral
vrijstaande woningen terwijl in de stedelijke
gebieden
voornamelijk
rijwoningen en appartementen staan.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
47
2.5
Bouwperiode woningen
Het bouwjaar van woningen geeft een eerste indicatie van de isolatiewaarden van een woning. In nagenoeg alle gevallen is een nieuwe woning beter geïsoleerd dan een ouder woning. De mate van isolatie is van invloed op de kansen voor een alternatieve warmtebron. Goed geïsoleerde woningen kunnen al verwarmd worden met een lage-temperatuur warmtebron (30-50°C). Dit kan bijvoorbeeld met een luchtwarmtepomp, zonthermie of energie uit oppervlaktewater. Slecht geïsoleerde woningen moeten met een hoge-temperatuur warmtebron verwarmd worden omdat de warmtevraag hoger is. Hierbij kan men denken aan een hogetemperatuur restwarmte of geothermie.
Isolatiewaarde (Rc-waarde)
7 6 5 4
Dak
3
Gevel
2
Vloer
1 0 1975
1980
1985
1990
1995
2000
2005
2010
2015
Figuur 28: isolatiewaarden voor daken, gevels en vloeren afgezet tegen het bouwjaar van de woning
Bij woningen gebouwd tussen 1955 en 1995 is een forse besparing op het aardgasgebruik te realiseren. Datzelfde geldt voor woningen gebouwd vóór 1955. Een probleem bij woningen van vóór 1955 is dat maatregelen lastiger uit te voeren zijn vanwege bepaalde bouwkundige eigenschappen van deze gebouwen: grote kans op een monumentale status en er zijn over het algemeen meer details in gevels zichtbaar. Voor woningen gebouwd ná 1995 is met na-isolatie ook nog een stap te zetten, maar de impact daarvan is aanmerkelijk kleiner dan voor oudere woningen. Sinds begin jaren ‘90 is het Bouwbesluit van kracht en zijn er minimumeisen aan isolatie gesteld. Wel staan de inwoners van deze groep woningen op dit moment vaak voor de keuze of ze de verwarmingsinstallatie moeten vervangen. Dit is een natuurlijk moment om opties te verkennen voor het aardgasvrij maken van een woning. Het hoeft niet vanzelfsprekend te zijn dat er een nieuwe gasgestookte Cv-ketel komt. Over het algemeen valt te stellen dat nieuwbouwwoningen meer geschikt zijn voor all-electric alternatieven dan oudere
woningen.
Dit
omdat
de
isolatie van nieuwere woningen vaak een stuk beter op orde is. Dit wil niet zeggen dat voor oudere woningen geen all-electric alternatieven mogelijk zijn. Men moet echter wel rekening houden met grootschalige renovaties
Figuur 29: aantal woningen verdeelt naar bouwjaar (cijfers van het Kadaster, 2018)
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
48
naarmate de woningen ouder worden. Woningcorporaties zullen eerder geneigd zijn om voor een renovatie te kiezen dan particuliere eigenaren. Particulieren kunnen eventueel wel participeren in renovatieprojecten van corporaties. Verreweg de meeste woningen in de gemeente Rheden zijn tussen 1955 en 1995 gebouwd (zie figuur 30).
2.5.1
Overheersende bouwperioden op buurtniveau
De cijfers op gemeenteniveau zien we niet eenduidig terug op buurtniveau. Er zijn weliswaar veel buurten met voornamelijk
woningen
gebouwd
tussen 1955 en 1995, maar in een deel van deze buurten staan ook veel oudere
woningen.
buitengebieden
In
zijn
de
de oudere
woningen in de meerderheid. Er zijn echter
ook
overheersend staan.
Deze
gebieden jongere gebieden
waarin woningen
lenen
zich
waarschijnlijk voor een andere aanpak. (cijfers van het Kadaster, 2018)
2.5.2
Verdeling bouwjaren op straatniveau
Op figuur 31 (zie bijlage 6 voor een grotere kaart) zijn de locaties weergegeven waar relatief jonge woningen staan (gebouwd na 1995, groene vlekken) of juist relatief oude woningen (woningen gebouwd voor 1955, rode vlekken). Tevens is zichtbaar gemaakt waar historische bebouwing aanwezig is (rode vlekken met zwarte
stippellijnen
en
nummering).
De
gebieden die geen kleur hebben gekregen, zijn gebieden met woningen gebouwd tussen 1955 en 1995. De vlekkenkaart borduurt voort op het beeld dat op de kaart van figuur 30 geschetst wordt: in veel buurten zijn, naast woningen gebouwd tussen 1955 en 1995, ook nog veel oudere woningen aanwezig. Zo is bijvoorbeeld in Velp een grote rode vlek zichtbaar waarvan ook nog een aanzienlijk deel historische bebouwing is. Ook in de andere stedelijke buurten zien we
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
49
vergelijkbare rode vlekken met historische gebieden terug. Natuurlijk zijn er nog steeds grote gebieden met woningen gebouwd tussen 1955 en 1995. Tevens zijn verspreid door de gemeente enkele gebieden met relatief jonge woningen aanwezig.
2.6
Woningdichtheid
In gebieden of buurten met een hoge woningdichtheid is de kans op het realiseren van een collectief alternatief (bijvoorbeeld dan
in
warmtenetten)
buurten
woningdichtheid.
met De
groter
een
lage
kosten
per
woning voor een collectief alternatief worden bepaald op basis van schaal en
woningdichtheid.
schaal
en
hoge
Een
grotere
woningdichtheid
zorgen voor lagere kosten per woning. Als
vuistregel
wordt
een
woningdichtheid van 20-25 woning per hectare als ondergrens voor de realisatie van een collectief alternatief gehanteerd. In de gemeente Rheden zien we eigenlijk maar één buurt die voldoet aan de ondergrens voor een collectieve voorziening: Velp-zuid beneden spoorlijn. Ook zijn er nog twee buurten die in de buurt komen van de gestelde grens van 20-25 woningen per hectare: Dieren-noord boven spoorlijn
en
Velp-zuid
ten
zuiden
van
Waterstraat. Alle overige buurten hebben een dusdanig
lage
dichtheid
dat
collectieve
oplossingen op het eerste oog niet interessant lijken. Wanneer we inzoomen op straatniveau, wordt duidelijk dat er ook in andere buurten gebieden met een hoge woningdichtheid zijn (zie figuur 33).
2.6.1
Woningdichtheid op straatniveau
Op straatniveau ontstaat een interessant verschil met figuur 32. Deze figuur suggereert dat Velp-zuid beneden spoorlijn de buurt met de hoogste woningdichtheid is. Op buurtniveau klopt dit ook. Deze buurt is namelijk helemaal volgebouwd, terwijl er in
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
50
andere buurten ook onbebouwde gebieden zichtbaar zijn. Deze open gebieden worden natuurlijk wel meegeteld in het oppervlak waardoor de woningdichtheid voor de gehele buurt lager uitvalt. Wanneer we op straatniveau kijken, zien we dat er naast de in paragraaf 2.6 genoemde buurten ook in andere buurten gebieden met een hogere woningdichtheid te vinden zijn. Lokaal zijn er, op basis van deze gegevens, in meerdere buurten kansen voor collectieve voorzieningen.
2.7
Aardgasgebruik
Het totale energieverbruik zegt niets over het verbruik in de woningen afzonderlijk. Een gedetailleerd verbruik per woning is op dit moment ook nog niet van belang. Dit komt pas aan de orde bij de buurtwarmteplannen. Het is wel interessant om te kijken in hoeverre het gemiddelde energieverbruik verschilt per woningtype. Daarom is hieronder weergegeven hoe het gasverbruik per woningtype eruitziet. De hoogte van het gasverbruik zegt niet altijd iets over de kansen voor aardgasvrije renovatie. Daarvoor zijn een aantal aanvullende gegevens nodig zoals de grootte en het bouwjaar van de woning.
Figuur 34: gemiddeld energiegebruik in de gemeente Rheden per woningtype (cijfers uit Klimaatmonitor, 2018)
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
51
2.7.1
Aandeel aardgasverbruik per buurt
Figuur
35
geeft
een
combinatie weer tussen het aardgasverbruik per woning (verdeeld over hoog verbruik per
woning,
gemiddeld
verbruik en laag verbruik12) en
het
totale
aardgas-
verbruik
in
een
buurt.
Hiermee
wordt
zichtbaar
gemaakt
welke
buurten
interessant zijn om als eerste aan te pakken wanneer alleen gekeken
wordt
naar
het
aardgasverbruik. Buurten met een
hoog
verbruik
per
woning en een hoog totaal verbruik zijn hierin het meest interessant. Dit zijn waarschijnlijk buurten met veel slecht geïsoleerde woningen. Buurten met een laag verbruik per woning en een laag totaalverbruik zijn het minst interessant.
2.7.2
Warmtedichtheid
Voor het realiseren van een collectieve oplossing is onder andere een hoge woningdichtheid nodig. Een andere voorwaarde kan een hoog warmtegebruik op een klein oppervlak zijn. Dit is
waarschijnlijk
het
geval
waar
de
woningdichtheid ook hoog is, maar hiermee wordt niet het warmtegebruik van de bedrijven en instellingen gevangen. Daarom maken we gebruik van een warmtedichtheidskaart (figuur 36, zie bijlage 6 voor een grotere kaart). Een deel van de rode vlekken valt samen met de groene vlekken op de kaart van figuur 34. In Velp en Dieren zijn echter grote rode vlekken zichtbaar die
niet
samenvallen
met
een
hoge
woningdichtheid. Dit zijn waarschijnlijk bedrijven en instellingen. Dat kunnen kantoren zijn, maar bijvoorbeeld
ook
winkels,
scholen
en
gezondheidsinstellingen.
12
Staffels gemiddeld gasverbruik woningen: Laag verbruik: <1.600 m 3/jaar, gemiddeld verbruik: 1.600 – 2.300 m3/jaar, hoog
verbruik: >2.300 m3/jaar TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
52
2.7.3
Energielabels
Het energielabel is een maatstaf om te zien hoe energiezuinig een woning is. De mate van isolatie is hierin een belangrijk aspect. Een woning met een goed energielabel (A is goed, G is slecht) is dus een goed geïsoleerde woning. Door beter te isoleren zal een woning een hoger energielabel krijgen. Een beter energielabel zorgt niet alleen voor een lager energiegebruik (en dus lagere kosten) en een comfortabele woning. Ook de woningwaarde stijgt en woningen met een goed energielabel zullen in de toekomst waarschijnlijk sneller verkocht worden. Er zijn twee verschillende energielabels; voorlopige en geldige energielabels. In 2015 is voor veel woningen in Nederland een voorlopig energielabel opgesteld. Dit label is gebaseerd op gegevens uit het Kadaster (woningtype, grootte van de woning en bouwjaar) en op gegevens van vergelijkbare woningen. In de praktijk kan een woning een slechter maar ook een beter energielabel hebben doordat de woning bijvoorbeeld een grootschalige verbouwing hebben gehad waarbij ook aandacht is geschonken aan isolatie. Voorlopige labels vertellen dus vaak niet het volledig verhaal. Wanneer een woning verkocht wordt moet er een definitief en geldig label aangevraagd worden. Op basis van een aantal vragen van de Rijksoverheid kunnen woningeigenaren tegenwoordig relatief snel en gemakkelijk een label definitief maken13.
Dit brengt echter ook het risico op foutieve labels met zich mee omdat het label niet door een deskundige is opgesteld. Het is wel belangrijk om een label definitief te maken zodat de koper een goede indicatie heeft van het energieverbruik (en daarmee ook de belasting op het milieu), de maandelijkse energielasten en het comfort van een woning. Om op basis van feiten te kunnen werken, is voor de gemeente Rheden in figuur 37 een overzicht van de verdeling van de geldige energielabels weergegeven (de voorlopige labels zijn niet in deze cijfers verwerkt). De kaart op figuur 38 laat per buurt zien welke energielabels per buurt het meeste voor komen. De kaart laat zien dat er in de gemeente Rheden nog een aantal buurten zijn waarin de meeste woningen een matig tot slecht energielabel hebben. Deze buurten hebben een energielabel D of slechter. Er zijn geen buurten waarin het overheersende label beter is dan label c.
13 https://www.energielabelvoorwoningen.nl/?cookieCheck=true
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
53
3
ALTERNATIEVEN VOOR AARDGAS
3.1
All-electric
Bij all-electric wordt de woning geheel elektrisch verwarmd, bijvoorbeeld met behulp van een warmtepomp. Bij all-
Figuur 39, schematische weergave van een allelectric woning
electric oplossingen gaat het meestal om lagetemperatuur (LT) verwarming. Er zijn echter
ook
voorbeelden
van
hoge-
temperatuur (HT) all-electric oplossingen. Denk aan een elektrische cv-ketel of infrarood panelen. Indien elektrisch verwarmd gaat worden is lage
temperatuur
interessante financieel)
echter
(zowel keuze.
de
meeste
energetisch
Deze
manier
als van
verwarmen vereist dat de woning goed is geïsoleerd.
Vaak
zijn
ook
bepaalde
aanpassingen aan het verwarmingssysteem nodig. Denk aan het aanleggen van vloer- of wandverwarming of de vervanging van conventionele radiatoren door radiatoren die geschikt zijn voor lagetemperatuur verwarming. De benodigde elektriciteit kan op de eigen woning opgewekt worden door middel van zonnepanelen, mits het dakvlak voldoende groot is en het dak een juiste oriëntatie heeft. Voor een warmtepomp zijn er grofweg twee opties: een luchtwarmtepomp (lucht-water warmtepomp) of een bodemwarmtepomp (water-water warmtepomp). Het voordeel van een luchtwarmtepomp is de relatief lage investering. Het nadeel is dat het rendement optimaal is wanneer de warmtepomp niet of nauwelijks gebruikt wordt: in de zomer. De techniek wordt echter voortdurend doorontwikkeld waardoor warmtepompen een prima alternatief voor de CV-ketel zijn. Een vaak gehoorde klacht is dat de warmtepomp veel geluid maakt. In de afgelopen jaren heeft de doorontwikkeling ervoor gezorgd dat dit steeds minder is geworden. Een bodemwarmtepomp vereist het boren van een bron. Hierdoor is de investering hoger dan voor een luchtwarmtepomp. Het voordeel is dat een bodemwarmtepomp ‘gratis’ kan koelen omdat het systeem gebruik maakt van water uit de bodem met een temperatuur van ongeveer 10-14 0C het gehele jaar door. Hierdoor is het rendement van dit type warmtepomp hoger dan van een luchtwarmtepomp.
Dit komt doordat de buitenlucht in de winter vaak lager is dan 10-14 0C.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
54
3.2
Collectieve systemen
Een collectief systeem (ook wel warmtenet
Figuur 40, schematische
genoemd)
weergave
brengt
de
warmte
van
bijvoorbeeld een biomassacentrale of de restwarmte van bedrijven naar woningen.
van
een
woning aangesloten op een warmtenet.
Dat gebeurt via ondergrondse buizen waar warm water doorheen stroomt. Uiteindelijk stroomt dat water door de radiatoren van woningen en weer terug naar het verdeelpunt waar het opnieuw wordt verwarmd. Met een warmtenet is het in principe ook mogelijk om een woning duurzaam te koelen, al is dat relatief duur t.o.v. andere koeltechnieken en wordt het in de praktijk nog niet gedaan.
3.2.1
Restwarmte industrie (HT/MT)
Bij veel bedrijven komt restwarmte (-en koude) vrij, die in theorie kan worden ingezet bij de verduurzaming van de gebouwde omgeving. In de gemeente Rheden en omliggende gemeenten staan een aantal kansrijke bedrijven die mogelijk restwarmte hebben: •
DS Smith Paper De Hoop Mill (gemeente Brummen)
•
Verzinkerij Dieren BV
•
Waterschap Rijn en IJsel – Waterstromen BV (gemeente Bronckhorst)
•
RWZI Olburgen (gemeente Bronckhorst)
•
De Meteoor Beton BV
•
RWZI Nieuwgraaf (gemeente Duiven)
•
AVR Afvalverwerking (gemeente Duiven)
Op korte termijn zal er waarschijnlijk geen gebruik gemaakt worden van de restwarmtebronnen. De meest kansrijke bronnen liggen in buurgemeenten en zelfs in andere RES-gebieden. Tevens moeten alle bedrijven ook verduurzamen waardoor het aanbod restwarmte in de toekomst naar verwachting een stuk lager zal zijn. Tot slot is het niet aan te bevelen om een warmtenet te baseren op maar één bron van restwarmte. Bedrijven kunnen bijvoorbeeld verhuizen of failliet gaan. Wanneer een warmtenet alleen gebaseerd is op een bedrijf dat gaat verhuizen of failliet gaat dan valt ook gelijk de volledige warmtevoorziening weg.
3.2.2
Restwarmte (LT)
In Rheden zijn verschillende bedrijven aanwezig met lage temperatuur restwarmte. Het gaat onder meer om bedrijven met een koeling waar sprake is van condenswarmte (ca. 30˚C – 45 ˚C). Over het algemeen betreft het kleine bronnen (zoals supermarkten) en/of bedrijven die maar enkele woningen in de directe omgeving van warmte kunnen voorzien.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
55
3.2.3
Aquathermie (TEO, TEA en TED)
Aquathermie staat voor het benutten van warmte uit oppervlaktewater (TEO), (gezuiverd) afvalwater (TEA) en drinkwater (TED) voor de verwarming van gebouwen. Hiertoe wordt een warmtepomp ingezet om de temperatuur te verhogen tot de gewenste waarde van 40 – 70 °C. Benutting van de warmte uit het oppervlaktewater gaat altijd gepaard met een bodemenergiesysteem (WKO : warmte-koude opslag). In de zomermaanden wordt de warmte aan het water onttrokken via een warmtewisselaar en opgeslagen in de ondergrond met een temperatuur van circa 18 °C. In de wintermaanden wordt de warmte benut. Warmte uit (gezuiverd) afvalwater wordt onttrokken bij de hoofdriolering, het rioolgemaal of bij de rioolwaterzuiveringsinstallatie. In tegenstelling tot het oppervlaktewater kan hier het gehele jaar door warmte afgenomen worden. Vanwege de mogelijke belemmering op de biologische zuivering van het afvalwater wordt onttrekking van warmte uit riolering (afvalwater) alleen in combinatie met een WKO aangeraden. Een WKO verhoogt het rendement, het potentieel en de bedrijfszekerheid van het systeem. Warmte uit drinkwater wordt onttrokken bij de productie-installaties of uit het distributienet voor ruw- en gezuiverd drinkwater. Daarnaast is het technisch mogelijk om delen van het distributienet in te zetten als distributieleiding voor warmte.
Aquathermie kan ook in combinatie met de levering van koude worden ingezet. In de zomermaanden wordt in dat geval de warmtebron gevoed vanuit de koudelevering van de WKO. Aquathermie wordt toegepast als collectief systeem met een warmtenet of een individueel systeem voor een complex (appartementen/kantoor/winkelcentrum/zwembad). Het rendement en het potentieel qua aantal wooneenheden neemt toe als de piekvraag vanuit een andere bron wordt geleverd (een hybride systeem). Bij de inzet van aquathermie is er sprake van: -
onttrekking en lozing van water uit/op het oppervlaktewater, met een effect op de doorstroming (morfologie);
-
lozing van koude op het oppervlaktewater, met een effect op de ecologie;
-
onttrekking van warmte uit het afvalwater, met een effect op de doelmatige werking van de RWZI.
Op voorhand is niet vast te stellen hoe groot de effecten van warmteonttrekking zijn op de ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater. Daar komt bij dat door de verandering van het klimaat zowel sprake is van een opwarming van het oppervlaktewater als een sterke variatie in aanvoer van oppervlaktewater. In de gemeente Rheden zijn er een aantal kansen voor aquathermie die zich voornamelijk concentreren rondom de plassen aan de overzijde van de IJssel, de haven in Rheden en het kanaal in Dieren.
3.2.4
Zonthermie
Zonthermie is de omzetting van zonlicht in warmte. Deze warmte wordt ook wel zonnewarmte genoemd. In tegenstelling tot PV panelen - die elektriciteit opwekken - wekken zonnecollectoren (PT) warmte op. Zonnecollectoren kunnen zowel op daken als op land geplaatst worden.
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
56
Veelal worden twee typen zonnecollectoren gebruikt: vlakke plaat collectoren en vacuümbuis collectoren. In Nederland wordt zonthermie vooral toegepast voor warm tapwater. Zonthermie is echter ook te gebruiken voor ruimteverwarming, mede dankzij de opwek van hoge temperatuur warmte. Zonthermie is een techniek die al decennia bestaat en wereldwijd wordt toegepast. Zonthermie heeft veel potentie voor het verwarmen van gebouwen. Binnen Europa wordt zonthermie op grote schaal toegepast o.a. in Denemarken. Middels grootschalige opwek wordt zonthermie als warmtebron gekoppeld aan een lokaal warmtenet. Gebouwen ontvangen een temperatuur van zo’n 70 graden Celsius, waardoor bestaande gebouwen beperkte maatregelen en investeringen nodig hebben voor de opstap naar duurzame warmte. Zonnecollectoren
wekken
per
vierkante meter veel energie op ten opzichte van alternatieve duurzame bronnen zoals energieteelt (vormen van
biomassa),
windenergie
of
fotovoltaïsche zonne-energie (zie figuur 4114). Vanuit dit perspectief kan het verstandig zijn om voor de invulling
van
de
warmtevraag
zonnecollectoren in te zetten. Volgens
het
Berendschot
rapport “Kansen
van voor
zonnewarmte in het hart van de energietransitie”
van
november
2018 behoeft een woonwijk van 5.000 woningen met PV-panelen en warmtepompen nog 10.500 MWh aan hernieuwbare elektriciteit of te wel 5,5 windmolens om volledig energieneutraal te zijn. Daarentegen zou dezelfde woonwijk met zonnecollectoren en warmtepompen slechts 3,2 windmolens nodig hebben om volledig energieneutraal te zijn. Dit is een besparing van 41 % op het aantal windmolens. Met behulp van zonnecollectoren kan dus veel ruimte bespaard worden voor windmolens (en ook voor zonnepanelen). In Rheden zijn meerdere potentiële grootschalige locaties voor zonthermie rondom Dieren, Rheden en Velp. Dit zijn voornamelijk locaties voor veldopstellingen. In Velp zijn onderzoeken uitgevoerd naar zonthermie op het talud van de A1215.
14
15
Bos Witteveen, Warmteverkenning gebied HAN/Van Hall Larenstein. 28 januari 2020 TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN
57
3.2.5
Asfaltthermie
In de zomer wordt warmte (door zonnestraling) geabsorbeerd en via een buizensysteem overgedragen op water. Deze warmte kan direct worden gebruikt als bron voor de warmtepomp of worden opgeslagen in de bodem. Voordeel bij gebruik van asfaltwarmte is de verlenging van de levensduur van het asfalt. De opbrengst aan warmte van een wegdek voor een wegvak van 2 rijbanen over een km lengte is 10.000 tot 15.000 GJ per jaar. Dat is ongeveer de warmtebehoefte van 500 tot 700 woningen. Asfaltwarmte is erg kostbaar. Toepassing van asfaltwarmte kan alleen als er synergie kan worden verkregen met bijvoorbeeld wegenonderhoud. Tevens bevindt asfaltthermie zich op dit moment nog in de ontwikkelfase. Grootschalige toepassing op korte termijn is niet te verwachten. In Rheden zijn een aantal potentiële locaties voor asfaltthermie. Het betreft de A12, de A348 en een deel van de N348 in Dieren.
3.2.6
Bodemwarmte/warmte-koude-opslag
Warmte-koude opslag (WKO) is een bodemenergiesysteem waarmee energie in de vorm van warmte of koude wordt opgeslagen in de bodem. In de winter kan een gebouw worden verwarmd met een warmtepomp die warmte onttrekt aan het opgepompte water uit de warme bron. Het water koelt af en wordt weer teruggepompt in de koude bodem. In de zomer kan dit afgekoelde water weer opgepompt en gebruikt worden als passieve koeling. Het opgewarmde water wordt vervolgens weer teruggebracht in de warme bron. Dit is een open WKO-systeem. Een open WKO-systeem is vergunning-plichtig in verband met de grondwateronttrekking. Deze techniek vereist daarom een evenwichtige balans in de warmte- en koudevraag over het jaar en wordt toegepast bij utiliteitsbouw en nieuwbouw van appartementencomplexen. Bij een gesloten WKO-systeem staan bodemwarmtewisselaars niet in open verbinding met het grondwater maar wordt er gebruik gemaakt van water met een antivriesmiddel dat wordt rondgepompt door een gesloten systeem in de bodem. Een WKO kan ook worden toegepast in combinatie met andere laagtemperatuurwarmtebronnen, zoals oppervlaktewater (TEO), drinkwater (TED) of afvalwater (TEA). Een belangrijke beperking voor WKO is dat het niet toegepast kan worden in gebieden waar drinkwater wordt gewonnen. In Rheden ligt er een dergelijk gebied ten westen van Dieren en ten noorden van Velp.
Verder kunnen er in potentie in de hele gemeente Rheden WKO’s gerealiseerd worden (zie ook de Inventarisatiekaart losse bijlage).
TRANSITIEVISIE WARMTE RHEDEN