STAB-Kennisdocument-Houtstook-september-2019
Tekst van het document
88
lijwerveleffect niet op te heffen, hiervoor is een grotere verhoging nodig (zie ook beschouwing in hoofdstuk 8).
9.4
Vergroten van de rookgassnelheid
De rookgassnelheid kan worden vergroot door het toepassen van een rookgasventilator, in combinatie met het verwijderen van de regenkap. Vergroten van de rookgassnelheid zorgt voor een virtuele schoorsteenverhoging en kan daarmee bijdragen aan het verminderen van het eerder beschreven lijzijde-effect. Hierbij wordt opgemerkt dat een rookgasventilator de energie-efficiëntie van het toestel door verbruik van elektriciteit zal verminderen.
9.5
Overige mogelijkheden
Overige mogelijkheden om de luchtkwaliteit in de lokale omgeving beter te beschermen, bestaan uit het opleggen van de volgende verboden en beperkingen: • Verbieden om koper- en ammoniumzouten-houdende middelen als katalysator en reinigingsmiddel te gebruiken (om dioxinevorming te voorkomen); • Stookverbod opleggen bij bepaalde weersomstandigheden; • Stookverbod opleggen in bepaalde woonomgevingen met objecten dicht bij de schoorsteen; • Stookverbod opleggen bij oude kachels of kachels zonder CE-keurmerk; • Maximum stookduur (maximum aantal uur per dag) opleggen; • Verplichting op het onderhoud van houtkachels (jaarlijkse APK met certificaat). Er zijn diverse maatregelen mogelijk om de emissie vanwege het stoken door particulieren in houtgestookte kachels te beperken. Belangrijk onderdeel hiervan is de bewustwording bij de stokers. In de afgelopen jaren is er veel bruikbare informatie op een eenvoudige wijze beschikbaar gemaakt voor particulieren waaronder "de Stookwijzer" en "de Toolkit houtstook door particulieren".
Een eenvoudig en bruikbaar product hiervan zijn de 10 stooktips (zie ook bijlage 1) Deze stooktips omvatten diverse mogelijke procesgeïntegreerde en nageschakelde maatregelen en randvoorwaarden voor een zo ideaal mogelijk stook- en verbrandingsproces, inclusief periodiek onderhoud van de installatie en het afzien van houtstook bij ongunstige meteorologische omstandigheden. Hierbij dient aandacht besteed te worden aan de specifieke lokale situatie en de duur van de stook.
89
10
Methode voor handhaving
Uit het voorgaande is gebleken dat er veel kennis beschikbaar is over houtkachels en uitstoot die hierbij vrij komt. Voor houtstook bij particulieren, die overlast voor de omgeving kan veroorzaken, is echter tot op heden geen handhavingskader ontwikkeld. De verzameling en uitwerking van gegevens voor dit kennisdocument hebben geleid tot enkele voorstellen voor een handhavingsmethode. In de voorstellen, die hierna kort besproken worden, is onderscheid gemaakt tussen een kwalitatieve en een kwantitatieve methode. De kwalitatieve methode bestaat uit het geven van voorlichting aan particuliere houtstokers die zorgen voor overlast (''zachte methode"). Dit is echter nog geen garantie dat er hindersituaties worden opgelost. De verwachting van STAB is wel dat hiermee het aantal gevallen van milde overlast verminderd kan worden. Bij behoefte aan optreden in overlastsituaties bij herhaaldelijke hinderklachten is een kwalitatieve controlemethode uitgewerkt (''harde methode"). Mocht uit de harde methode blijken dat er signalen zijn dat er sprake is van ernstige hinder, dan kan deze hinder nader worden gekwantificeerd met een verspreidingsmodel, uitgaande van een inschattingswaarde van geur als meest kritische component (die volgt uit de harde methode).
De berekende waarde ter plaatse van omliggende bewoning kan in het strengste geval getoetst worden aan een immissienorm van 0,5 ouE/m3 98 percentiel, met een piekimmissie van 2,0 ouE/m3 99,9 percentiel. Bij overschrijding van de geldende norm is sprake van geobjectiveerde geurhinder. Indien het bevoegd gezag een minder strenge immissie als norm wenst te hanteren, geldt een hoogste een immissienorm van 1,0 ouE/m3 98 percentiel, met een piekimmissie van 4,0 ouE/m3 99,9 percentiel.
10.1 Kwalitatieve methode "zachte aanpak" In onderstaand schema is voor de drie onderdelen die bij het verstoken van hout zijn te onderscheiden (brandstofkwaliteit, verbranding en verspreiding), een checklist opgesteld. Bovendien zijn voor diverse parameters condities gekozen die kunnen worden gecontroleerd als voorwaarde voor handhaving. De primaire voorwaarde hierbij is dat geen afval wordt meeverbrand (plastic, geverfd of geïmpregneerd hout). Uitgangspunt is dat door voorlichting een eerste grote stap kan worden gezet in het voorkomen van hinder naar omwonenden. De basis ligt in de tien stooktips die in bijlage 1 bij het kennisdocument zijn verwoord.
90
Tabel 10.1: Kwalitatieve beoordelingsmethode als handhavingsmiddel
Onderdeel
Parameter
Conditie
Punten
Brandstofkwaliteit
Vochtgehalte
< 15% 15 – 20% 20 - 25% >25%
+1 0 -1 -2
Goede voorlichting +1 +1 [niet meer] [niet meer]
Verbrandingsproces
Bandbreedte Type kachel
-2 tot +1 +3 +2 -1 -4
+3 +2 -1 [niet meer]
Gebruik smoorklep Aanmaken
Verspreiding
Bandbreedte Afvoerhoogte
Regenkap
Wind
Ecodesign DIN plus Conventioneel Lucht toevoer smoren Zwitserse methode Onderaan aansteken Plat dak: uitlaat 0,5 meter boven dakvlak Onder nokhoogte binnen straal 25 m 0 - 0,5 meter bovendaks binnen straal 25 m > 0,5 meter bovendaks binnen straal 25 m Beperkte belemmering rookgasafvoer Belemmering rookgasafvoer Lager dan 3 Beaufort Hoger dan 3 Beaufort*
Bandbreedte Totale bandbreedte
+1 -1 -6 tot +4 -2
+1 [niet meer]
-1
-1
0
0
+1
+1
-1
-1
-2
-2
-3 +3
[niet meer] +3
-2
-7 tot +4 Minimum = -15
Uit het schema volgt dat een groot aantal ongewenste situaties en handelingen ten goede kunnen worden gekeerd, door het geven van voorlichting en door het opvolgen van deze voorlichting door de stokers. Waar in de tabel de woorden "niet meer" staan, wordt bedoeld dat dit stookgedrag in het vervolg niet meer wordt toegepast. Dit heeft als voordeel dat met betrekkelijk eenvoudige middelen veel winst is te boeken. De verwachting is dat deze methode werkt in gevallen waar lichte tot matige hinder wordt ervaren. Door kleine aanpassingen kan de hindersituatie mogelijk weg worden genomen. Als referentie voor het duiden van de situatie zouden de volgende kwalificaties als maatstaf kunnen fungeren.
91
Tabel 10.2: Vertaling van het aantal punten naar een kwalificatie van de situatie
Kwalificatie
Aantal punten
Goed
5 of hoger
Redelijk
5 tot 0
Matig
0 tot -2
Onvoldoende
-3 tot -6
Slecht tot zeer slecht
-7 tot -15
Het vaststellen van de situatie ter plaatse en het constateren van juiste of onjuiste wijze van stoken kan een startpunt zijn voor de hierna beschreven kwalitatieve methode – harde aanpak.
10.2 Kwalitatieve methode "harde aanpak" Voor situaties met terugkerende hinder wordt als controlemethode het volgende stappenplan voorgesteld: Stap 1: Is er een klacht? Naar aanleiding van een klacht over hinder van een particuliere kachel wordt de situatie ter plaatse bezichtigd door een toezichthoudend ambtenaar. Mocht op dat moment de kachel niet (meer) branden, omdat de controle te laat plaatsvindt, dan kan een filmopname van de overlastsituatie worden bestudeerd, mits voorhanden. Stap 2: is de rookgasafvoer in strijd met regels Besluit bouwwerken leefomgeving? Eerst zal moet worden geconstateerd of voldaan wordt aan de technische eisen voor bestaande bouw, zoals opgenomen in paragraaf 3.3.4 van het Bbl. Als hier aan voldaan wordt, is dit geen garantie dat er geen hinder optreedt (dit levert dus geen signaal op), maar bij afwijkingen kan er wel direct worden opgetreden.
92
Stap 3: is er sprake van verspreiding van de rookgassen (op enig moment) naar de woningen van derden? Bij deze stap moet de plaatselijke situatie in beeld komen. Begeven de rookgassen zich in meer of mindere mate naar de woning van derden, dan levert dit een signaal op dat er stookhinder kan optreden. Deze constatering is krachtiger als meerdere (bijvoorbeeld 3) mensen dit gezamenlijk vaststellen. Hiervoor zou een controlepanel kunnen worden samengesteld. Ter controle of de schoorsteen goed trekt (hetgeen geldt als beginvereiste voor een goede afvoer), zijn de volgende punten van belang: • Er is een dubbelwandige geïsoleerde afvoerleiding aanwezig voor het gedeelte na de opstelruimte; • De uittreedtemperatuur van de houtkachel is meer dan 200 °C; • De uittreedtemperatuur van de rookgassen uit de afvoerpijp dient hoger te zijn dan 120 °C; • Het rookkanaal of het schoorsteenkanaal dient een gemiddelde lengte van 6 tot 8 meter te hebben voor voldoende trek. Stap 4: levert de plaatselijke situatie een belemmerde verspreiding op? Bij het inspecteren van de plaatselijke situatie hoort een (snelle, niet uitputtende) analyse van de (bebouwde) omgeving.
Is er sprake van ongelijkwaardig hoge bebouwing, bijvoorbeeld een schoorsteen bevindt zich op een laag huis, terwijl de omwonenden in hoge huizen wonen? Zijn er bijzondere omstandigheden, zoals een bebouwingskern in een kommetje (dal), of omzoomd door hogere bomen, waardoor plaatselijk de afvoer van rookgassen belemmerd wordt? Indien deze vragen met 'ja' worden beantwoord, dan is dit een signaal dat er stookhinder kan optreden. Stap 5: wordt gestookt terwijl negatief advies van stookwijzer.nl geldt? Vervolgens moet worden vastgesteld of de houtstook plaatsvindt in een periode die volgens stookwijzer.nl als negatief wordt beschouwd. Aan de hand van de luchtkwaliteitsindex van het RIVM (per gebied van 1x1 km is op deze website aangegeven wat de actuele status is van de luchtkwaliteit in Nederland) en de windkracht en de locatie wordt door stookwijzer.nl een advies gegeven over houtstook (zie afbeelding 10.1).
93
Afbeelding 10.1: Negatief advies stookwijzer (code rood).
Als het windstil is, blijft luchtverontreiniging langer hangen. Zeker in de winter, door de vaak stabiele weercondities. Onder de 3 Beaufort (lager dan windkracht 3) is het afgeraden hout te stoken. Wordt er dan wel gestookt, dan is dat een signaal dat er stookhinder kan optreden. Dit advies heeft landelijk veel draagvlak en wordt ook door STAB als nuttig instrument gezien. De door stookwijzer gebruikte windsnelheid en luchtkwaliteitsindex kan echter afwijken van de lokale situatie, vanwege bijzondere omgevingsinvloeden (invloed gebouwen, bos, geaccidenteerd landschap). In dit kader kan genoemd worden dat het KNMI en RIVM het zogenaamde Stookalert 23 hebben ontwikkeld. Een stookalert wordt afgegeven door het RIVM als waarschuwing voor zeer ongunstige stookomstandigheden. De waarschuwing geldt voor 24 uur (vooruitkijkend) en geldt per provincie. De stookwijzer is een gratis toegankelijke app die op postcodegebied een stookadvies geeft. Je kunt je ook abonneren, dan krijg je een email als er een stookalert geldt. Mocht in de APV of andere gemeentelijke verordening het gebruik van de stookwijzer verplicht zijn gesteld, dan kan op basis hiervan reeds worden opgetreden.
Stap 6: zijn de rookgassen wit, grijs of zwart, is er sprake van geur? Temperatuur voldoende hoog? Aan de hand van de kleur van de rookgassen kan reeds een inschatting worden gemaakt van de volledigheid van de verbranding en de mate waarin schadelijke stoffen in de rookpluim aanwezig zijn. Vuistregel is: hoe donkerder de kleur van de rookgassen, hoe meer verontreinigingen de rookgassen bevatten. Van transparante rookgassen kan gesteld worden dat de verbranding nagenoeg volledig is, overeenkomend met zeer goede of goede verbranding uit tabel 6.18. Er kan of hoeft dan niet verder worden opgetreden.
23
NB. In dit kennisdocument wordt verwezen naar het Stookalert dat in opdracht van het ministerie I en W wordt ontwikkeld. Andere partijen, zoals de branchevereniging NHK hanteren ook een systematiek onder de naam Stookalert 94
Witte/grijze, donkere of zwarte rookgassen duiden op niet volledige verbranding en leveren een signaal op dat er stookhinder optreedt of opgetreden is. Bij donkergrijze of zwarte rook kan de controleur zich afvragen of de juiste brandstoffen worden gebruikt: is er sprake van bewerkt of te vochtig hout of (mee)verbranding van afvalstoffen? Witte of grijze rook bevat hoogstwaarschijnlijk vocht/water, hetgeen wijst op verbranding van te vochtig hout. Er komen dan ook schadelijke bestanddelen mee. Deze kleuren komen overeen met matige verbranding uit tabel 6.18. Donkere of zwarte rook bevat hoogstwaarschijnlijk onverbrande deeltjes zoals stof, black carbon, polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK, met name benzo(a)pyreen (BaP)). Deze kleuren komen overeen met slechte verbranding uit tabel 6.18. Zwarte rook duidt op zeer slechte verbranding of verbranding van afval of bewerkt hout. Met deze simpele kleurwaardering kan een inschatting gemaakt worden van de mate van verbranding en daarmee aan de hand van tabel 6.18 indicatief de emissiewaarden worden geschat. Deze waarde is nodig voor de kwantitatieve methode. In deze fase moet ook worden geconstateerd of de rookgassen geurend zijn of reukloos. Als de rooklucht duidelijk te ruiken is, dan is dit ook een indicatie voor stookhinder.
Onder het voorbehoud dat het volgende technisch (qua locatie) uitvoerbaar is: Met een warmtebeeldcamera of een infrarood thermometer kan de temperatuur van de uittredende rook of het uiteinde van de schoorsteen/afgasleiding worden bepaald. De temperatuur moet boven de 100 oC liggen en bij voorkeur boven de 120 °C zijn. Stap 7: wordt er vochtig of bewerkt hout en/of afval als brandstof gebruikt? Constatering van witte/grijze of zwarte rook levert een geëigend moment op om de brandstof te inspecteren. De APV van de betreffende gemeente dient hiertoe de mogelijk te bieden 24. Het is aannemelijk dat door het stoken van te vochtig of bewerkt hout of afvalstoffen sprake is van stookhinder. Het stoken van afval is verboden. Bij constatering daarvan kan handhavend worden opgetreden.
24
Bron: VNG-model. Algemene plaatselijke verordening 2018. Artikel 6.3: Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. 95
Stap 8: schat in of er sprake is van zeer goede tot slechte verbranding en bepaal emissiewaarde. Aan de hand van de kleur of geur van de rookgassen, dient een bijbehorende waarde uit tabel 6.18 van dit document worden gekozen. Voor matige verbranding (lichtgrijze rook) geldt bijvoorbeeld de waarde van 3,6 miljoen Ou/uur. Uit de tabel volgt welke waarden van andere stoffen hiermee corresponderen. Stap 9: schat in hoe lang en hoe vaak er gestookt wordt. 25 Het aantal stookuren per jaar is van belang voor het berekenen van de immissiewaarde. Dit kan bijvoorbeeld worden bepaald op grond van klachtenregistratie. Als standaard bij een eenmalige klacht kan 4 uur per dag worden aangehouden, een gemiddelde stookduur bij particulieren. Wordt er heel sporadisch gestookt, dan levert dit geen signaal voor ernstige hinder op. Stap 10: bepaal of er aanvullend een kwantitatieve methode moet worden toegepast. De kwantitatieve methode komt aan de orde als de volgende vragen met "ja" zijn beantwoord: • Is de verspreiding van de rookgassen (op enig moment) naar de woningen van derden gericht? (stap 3); • Wordt gestookt bij negatief advies van stookwijzer? (stap 5); • Is de kleur van de rook wit, grijs of zwart en/of is er geur te ruiken? (stap 6).
De mate van hinder kan vervolgens gekwantificeerd worden met de inschatting van de emissie uit stap 8 en een inschatting van de duur en frequentie van de houtstook in de kachel waar de klachten betrekking op heeft. Het antwoord op stap 4 (omgevingskenmerken), is aanvullend van belang. Er is sprake van een hindersituatie als de immissieconcentratie van 0,5 ou/m3 als 98 percentiel wordt overschreden. Een toetsing op deze waarde kan slechts door middel van berekening worden aangetoond. In de volgende paragraaf wordt dit nader uitgewerkt.
25
In de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant d.d. 12 juli 2019, zaak SHE 18/596, geeft de rechtbank aan dat een ambtenaar niet (achteraf) kan zien hoeveel uren een houtkachel is gebruikt. 96
10.3 Kwantitatieve methode 10.3.1 Keuze van een geschikte methode De emissiewaarden in hoofdstuk 7 zijn indicatieve waarden die gebruikt kunnen worden voor een eerste inschatting van de situatie. Deze inschatting levert echter nog geen informatie over de hinderlijkheid of over hoogte van de immissie ter plaatse van een ontvangerpunt (een potentiële klager). Mocht de emissie op termijn wel eenvoudig meetbaar worden, dan kan met een verspreidings- of immissieberekening de waarde op een ontvangerspunt berekend worden. Het Nieuw Nationaal Model (NNM) is het algemeen wetenschappelijk aanvaarde model waarmee de verspreiding van emissies in de lucht worden berekend. Het NNM wordt veelvuldig gebruikt bij het vaststellen van de kwaliteit van buitenlucht, bijvoorbeeld in het kader van vergunningverlening aan bedrijven of bij de aanleg van een weg. Dit is ook het model dat door Buro Blauw is gebruikt bij diverse geuronderzoeken bij houtverbrandingsinstallaties in de kwestie die de rechtbank Oost-Brabant in 2018 aan STAB heeft voorgelegd hoe het naleven van een geschikte norm op eenvoudige wijze door de gemeente kan worden gecontroleerd. Het werken met een professionele toepassing van het NNM, bijvoorbeeld met Geomilieu, vergt de nodige vakkennis en ervaring.
Deze specialistische kennis is niet standaard aanwezig bij gemeenten waardoor in dit kennisdocument de voorkeur uitgaat naar een zo toegankelijk mogelijke controlemethode, dat wil zeggen laagdrempelig en tegen de laagst mogelijke kosten. STAB heeft daarom enkele andere vormen verkend, zoals: 1. het rekenen met drift als gevolg van bespuitingen in boomgaarden met gewasbeschermingsmiddelen, 2. het uitvoeren van CFD modellering (CFD: Computational Fluid Dynamics). Kort gezegd is dit de studie van de stroming van een fluïdum (gas of vloeistof) via het numeriek oplossen van de stromingsvergelijkingen, 3. het berekenen van geurbelasting met het verspreidingsmodelmodel V-Stacks vergunning 2010. Ad 1: De driftberekeningen hebben betrekking op nevels die zich anders gedragen dan gasvormige componenten in houtrook. Bovendien is het omgevingstype (buitengebied met bomen) afwijkend van de omgeving waarin houtkachel voor hindersituaties zorgen (bebouwde omgeving met woningen op korte afstanden). Deze methode valt daarom af. Ad 2: Hoewel CFD modellering nog specialistischer is dan werken met NNM, en dus beslist geen eenvoudige methode is, is de insteek wel eenvoudig. Namelijk om voor een aantal bebouwingskenmerken het drie dimensionale stromingsgedrag van houtrook te simuleren.
Aan de hand van de rekenuitkomsten zouden mogelijk vuistregels zijn af te leiden voor situaties met verschillende kenmerken. Ad 3: Omdat de nadruk ligt op 'eenvoudig' is vervolgens gekeken naar V-Stacks vergunning 2010 (hierna kortweg V-Stacks). Dit is het wettelijk voorgeschreven computermodel voor 97
het berekenen van de verspreiding van geur vanuit dierenverblijven. V-Stacks heeft het rekenhart van Stacks, maar met aanpassingen waardoor ook horizontale afvoer van emissies alsook afvoer onder nokhoogte kunnen worden gemodelleerd. Voor geurberekeningen aan rookgasemissies is dat een groot voordeel omdat dit bij houtrook ook regelmatig aan de orde is. V-Stacks wordt gebruikt voor geurberekeningen bij intensieve veehouderijen. Dat emissies uit stallen een ander soort geur betreft dan rookgasemissie, is niet van belang omdat een odourunit is gebaseerd op de verdunningsfactor tot op waarnemingsniveau. De hinderlijkheid van rookgas is wel anders dan van stallucht, maar daarvoor kan worden gecorrigeerd op basis van hedonisch onderzoek. Het programma is kosteloos via internet te downloaden (www.infomil.nl/onderwerpen/landbouw/geur/model-stacks/) en relatief eenvoudig te hanteren voor controleurs. Hiermee wordt tegemoet gekomen aan de doelstelling om te komen tot een eenvoudig en goedkoop controlemechanisme. Wel dient nader te worden beoordeeld of V-Stacks in voldoende mate geschikt om te worden gebruikt voor het vaststellen van hindersituaties door houtkachels. In eerste instantie kan dat door een vergelijking te trekken met het algemeen gangbare NNM.
Buro Blauw heeft in de reactie op het concept-kennisdocument aangegeven dat zij het gebruiken van V-Stacks in plaats van het NNM voor het bepalen van overlast als gevolg van houtkachels afraadt vanwege verschillen over gebouwinvloed, emissieduur, immissieconcentratie en immissiehoogte. De reacties zijn meegenomen en beschreven in hoofdstuk 14 van dit kennisdocument. In onderstaande tabel is nagegaan welke overeenkomsten en verschillen er bestaan tussen het NNM (Stacks) en het V-Stacks model.
98
Tabel 10.3: Inventarisatie van verschillen tussen Stacks en V-Stacks
Nr.
Parameter
NNM (Stacks)
V-Stacks
1
Locatie van de bron in X en Y coördinaten
Rijksdriehoek coördinaten
Gelijk aan Stacks
2
Gebouwinvloed
Lengte, breedte en hoogte alsmede oriëntatie
Alleen hoogte
3
Afvoerhoogte
Schoorsteenhoogte
Gelijk aan Stacks
4
Inwendige schoorsteendiameter
Binnenste pijpdiameter
Gelijk aan Stacks
5
Warmte-inhoud pluim
Flux en temperatuur
Niet in te voeren
6
Uittreedsnelheid
Gemiddelde uittreesnelheid
Jaargemiddelde uittreesnelheid
7
Emissieduur
Bedrijfsuren
Emissie over het gehele (kalender)jaar
8
ruwheidslengte 26 z0
Wordt in het programma berekend door Pre-SRM methode, maar kan ook worden aangepast
Analoog aan Stacks
9
Immissieconcentratie
Immissie als 95, 98, 99,5, 99,9 en 99,99 percentiel
Immissie als 98 percentiel
10
Immissiehoogte
Standaard 1,5 meter
Standaard 1,5 meter
10.3.2 Bespreking van de verschillen tussen Stacks en V-Stacks Uit tabel 10.3 komt naar voren dat de gebouwinvloed in V-Stacks niet wordt meegenomen. Dit kan niet gecorrigeerd worden door middel van een aanpassing van de gegevens. De gebouwinvloed is van belang bij het uitvoeren van een verspreidingsberekening. Wel is de verhouding tussen afvoerhoogte en gebouwhoogte
26
De ruwheidslengte, symbool z0 [m], is een maat voor de hoeveelheid en hoogte van obstakels op de grond. De aanwezigheid van vegetatie, gebouwen en andere structuren is van invloed op de verspreiding van stoffen in de atmosfeer: een ruw oppervlak veroorzaakt afremming van de wind aan de grond en een glad oppervlak zorgt ervoor dat de pluim langer intact blijft.
99
bekend omdat beide gegevens worden ingevoerd in V-Stacks. Dit betreft een essentieel onderdeel omdat hiermee het downwash effect wordt meegenomen. Ook de warmte-inhoud van de pluim wordt in V-Stacks niet meegenomen omdat de stallucht uit dierenverblijven niet veel in temperatuur verschilt van de buitenlucht. Rookgassen van een houtkachel zijn wel warm; voor een minimale waarde van de rookgastemperatuur aan het eind van de schoorsteen kan uitgegaan worden van 120 oC. De formule voor het berekenen van de warmte-inhoud Qw van een rookgaspluim is als volgt: 𝑄𝑄𝑤𝑤 = ρ ∗ Cp V0 (T − T𝑎𝑎 ) ∗ 10−6
Waarin:
ρ = dichtheid van het rookgas (vastgesteld op 1.293 kg/m3) bij temperatuur Ta Cp = specifieke warmte van het rookgas bij constante druk (= 1.068 J/kg.K)
V0 = volume rookgasdebiet (in m03/s) T = temperatuur van de emissie (in Kelvin (K)) Ta = temperatuur van de omgevingslucht (jaargemiddelde is 285 K) Omdat het rookgasdebiet van een houtkachel zeer laag is (zie paragraaf 8.4.1), is ook de warmte-inhoud zeer beperkt. Hiervoor kan een waarde van ten hoogste 0,002 MW worden berekend en dit is te verwaarlozen. De emissieduur in beide programma's verschilt sterk. In Stacks kan precies worden ingevuld op welke dagen en tijdstippen van het jaar de emissie plaats vindt. Omdat V-Stacks uitgaat van stalemissies die gedurende het gehele jaar door optreden, is de emissieduur niet aan te passen. Deze bedraagt standaard 365 x 24 = 8.760 uur per jaar. Hieraan kan worden tegemoet gekomen door de emissie over het jaar te middelen en deze aangepaste emissie in voeren in V-Stacks. Met V-Stacks wordt alleen de geurimmissie ter plaatse van te beschermen objecten berekend in odourunits per m3 als 98 percentielwaarde, dus geen piekimmissies. In Stacks kunnen meerdere percentielwaarden worden opgegeven. In paragraaf 7.11 van dit kennisdocument is echter geconstateerd dat de geurconcentratie van 0,5 ou/m3 als 98 percentielwaarde meer bepalend is dan de (piek)geurconcentratie van 5 ou/m3 die als 99,99 percentielwaarde optreedt.
De immissiehoogte is van belang wanneer de hinder zich voordoet in slaapruimten die doorgaans op de eerste verdieping zijn gesitueerd. Zowel in Stacks als in V-Stacks is de standaard immissiehoogte vastgelegd op 1,5 meter boven maaiveld.
100