CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

STAB-Kennisdocument-Houtstook-september-2019

Raadsvergadering 27 mei 2025, gemeente RhedenBij agendapunt: Houtstook - scenariokeuze regelgeving32.803 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

56

Vergelijking met deze aanvullende drie sets gegevens levert het volgende beeld: Tabel 7.3: Vergelijking met aanvullende gegevens waaronder onverbrande componenten in het rookgas Geur in ou/uur

Geur in ou/uur

[OC-methode

[PM10-methode

RDO1]

BB2)

-

0,3 miljoen

-

50 - 80

1,2 miljoen

-

1,5 miljoen

Voldoende

80 -120

1,8 miljoen

-

-

Matig

120 - 185

2,4 miljoen

3,8 miljoen

-

Slecht

185 -1.000

8,4 miljoen

-

-

Zeer slecht

> 1.000

20,5 miljoen

21,3 miljoen

20,5

Volledigheid

CxHy in mg/Nm3

Geur in ou/uur

verbranding

(tabel 6.14)

(tabel 7.2)

Zeer goed

< 50

Goed

Gezien de overeenkomsten wat betreft de conditie 'goede t/m zeer slechte verbranding', is het aannemelijk dat een geuremissie van 0,3 miljoen ou/uur als representatief kan worden gezien bij 'zeer goede verbranding'. Afgeleide geuremissieconcentraties bij verschillende verbrandingscondities Op basis van voorgaande meetwaarden zijn de volgende representatieve emissievrachten afgeleid voor verschillende verbrandingscondities: Tabel 7.4: Afgeleide geurvrachten houtrook

Volledigheid verbranding

Geur in ou/uur

Zeer goed

0,3 miljoen

Goed

1,2 miljoen

Voldoende

1,8 miljoen

Matig

2,4 miljoen

Slecht

8,4 miljoen

Zeer slecht

20,5 miljoen

Uit tabel 7.4 is op te maken dat in de categorie 'matig' tot 'zeer slecht' een steeds sterkere toename van de geuremissie optreedt. Dit is verklaarbaar omdat de geuremissie gelijke tred houdt met de vorming van CxHy zoals is aangegeven in paragraaf 4.2 van dit document. Wel valt op dat het verschil tussen 'voldoende' en 'matig' klein is waardoor het onderscheid tussen deze twee categorieën niet erg scherp is. Voor een betere inschatting voor de categorie 'matig' is daarom gekeken naar de trendlijn 12 die getrokken kan worden door de overige categorieën, zoals is uitgevoerd in onderstaande grafiek in afbeelding 7.1. 12

Trendlijn is hier bepaald met behulp van de functie hiervoor in Excel op basis van exponentiële regressie. 57

Afbeelding 7.1: Exponentieel verloop van de geuremissie onder steeds slechtere verbrandingscondities.

Uit interpolatie volgt dat voor de categorie 'matig' een waarde van 1.000 ouE per seconde (= 3,6 MouE per uur) passend lijkt. De emissiematrix wordt voor de component geur daardoor als volgt aangepast. Tabel 7.5: Afgeleide geurvrachten houtrook na aanpassing geurvracht bij matige verbranding

Volledigheid verbranding

Geur in ou/uur

Zeer goed

0,3 miljoen

Goed

1,2 miljoen

Voldoende

1,8 miljoen

Matig

3,6 miljoen (aangepast)

Slecht

8,4 miljoen

Zeer slecht

20,5 miljoen

58

Hedonische waarden In drie verschillende geuronderzoeken zijn de volgende relaties gevonden tussen hedonische waarden en geurconcentraties: Tabel 7.6: In de literatuur gevonden hedonische waarden met bijbehorende geurconcentraties voor houtkachelgeur. Hinderlijkheid Hedonische waarde Referentie Hinderlijkheid

CH1 CH1 CH1

H = -0,5 bij 1,4 ou/m3 H = -1 bij 2,5 ou/m3 H = -2 bij 7 ou/m3 Hinderlijkheid

BB1 BB1 BB1

H = -0,5 bij 0,5 ou/m3 H = -1 bij 0,85 ou/m3 H = -2 bij 4,5 ou/m3 Hinderlijkheid

BB4 BB4 BB4

H = -0,5 bij < 0,65 ou/m3 H = -1 bij 0,9 ou/m3 H = -2 bij 6,35 ou/m3

De bovenste hedonische waarden (CH1) hebben betrekking op een industriële houtkachel die een goede verbrandingsefficiëntie heeft, waardoor deze hedonische meetwaarde minder bepalend is dan de tweede en de derde meetwaarden (BB1 en BB4). Gelet hierop zou een middeling hierop kunnen worden toegepast. Tabel 7.7: Hedonische waarden met bijbehorende geurconcentraties voor houtkachelgeur na middeling

Hedonische waarde

Geurconcentratie

H = - 0,5 H = -1 H = -2

0,6 ou/m3 0,9 ou/m3 5,4 ou/m3

A.

De eerste invalshoek (schadelijkheid)

7.2

Afleiding maatgevende component bij houtstook

In deze paragraaf wordt gekeken welke van de hiervoor geïnventariseerde stoffen maatgevend is qua blootstelling aan omwonenden. Daarvoor dient ten eerste een maat te worden gehanteerd ten aanzien van de toxiciteit (giftigheid) van de verschillende componenten in het rookgas van een houtkachel. Hierbij is gebruik gemaakt van het RIVM rapport 609021029/2004 'Gezondheidkundige advieswaarden binnenmilieu' uit 2004 en de update daarvan uit 2007 in het RIVM rapport 609021043/2007, 'Gezondheidkundige advieswaarden binnenmilieu, een update'. In deze wetenschappelijke rapporten is er voor gekozen om advieswaarden op te stellen als toetsingswaarden voor de kwaliteit van de binnenlucht in woningen. Punt van aandacht hierbij is het na te streven beschermingsniveau. De advieswaarden in de RIVM-rapporten zijn gebaseerd op het 59

Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR) zoals dat in het verleden gedefinieerd is in het Nederlandse milieubeleid. MTR's komen ook in grote mate overeen met de uitgangspunten in de luchtkwaliteitsrichtlijnen van de WHO, de chronische ‘Reference Concentration’ van de Amerikaanse EPA, en het chronische 'Minimal Risk Level' (MRL) van de ATSDR. Tabel 7.8: Advieswaarden voor de kwaliteit van de binnenlucht in woningen

Stof

Advieswaarde binnenmilieu 100 mg/m3 60 mg/m3 30 mg/m3 10 mg/m3

Middelingsperiode blootstelling 15 minuten 30 minuten 1 uur 8 uur

Fijn stof (PM10)

50 20

µg/m3 µg/m3

24 uur jaar

Fijner stof (PM2,5)

25 10

µg/m3 µg/m3

24 uur jaar

Stikstofdioxide (NO2)

200 µg/m3 40 µg/m3

1 uur jaar

Zwaveldioxide (SO2)

500 µg/m3 20 µg/m3

10 minuten 24 uur

20

µg/m3

levenslang

25

µg/m3

levenslang

1,2 ng/m3

levenslang

100 120 10 1,2

30 minuten (WHO) 30 minuten (VROM) Jaar (VROM) TCL* (RIVM)

Koolmonoxide (CO)

Benzeen Naftaleen PAK (BaP) Formaldehyde

µg/m3 µg/m3 µg/m3 µg/m3

* TCL is chronische grenswaarde voor lucht

Ten tweede wordt gekeken naar de verhouding tussen enerzijds de emissies die in paragraaf 6.2 van dit document zijn bepaald, en anderzijds de advieswaarden uit tabel 7.8. Dit levert indicatieve uitkomsten want de eenheden van de emissie- en de immissieconcentraties zijn niet gelijk; emissies zijn uurgemiddelde waarden terwijl voor de immissies uiteenlopende middelingstijden gelden voor de blootstelling, variërend van één uur tot levenslange blootstelling. Niettemin verschaft het verhoudingsgetal wel inzicht in de vraag welke stoffen in toxisch opzicht in meer of mindere mate van belang zijn. Hoe hoger de verhouding tussen emissie en immissie, des te kritischer de invloed van de betreffende stof ligt. De hoogste verhouding duidt er op welke stof maatgevend is voor de beoordeling van houtrookemissies. Het geeft in feite aan welke verdunning of reductie benodigd is om een veilige blootstelling te verkrijgen. Het beeld wordt gecompleteerd indien deze exercitie naast de toxische stoffen, ook voor geur wordt toegepast, omdat dan zowel gezondheidsschade als hinder gelijktijdig wordt beoordeeld. Omdat geur door vrijwel iedereen kan worden waargenomen, ontstaat bij het hanteren van een passende geurnorm een "early warning" systeem. 60

In de volgende drie paragrafen zullen voor drie verbrandingscondities – matig, slecht en zeer slecht – de toxische advieswaarden worden afgezet tegen de emissieconcentraties waarbij het verhoudingsgetal (verschilfactor) wordt berekend. Dit zal ook worden gedaan voor geur waarvoor in plaats van toxische advieswaarden twee immissieconcentraties worden beschouwd: 0,5 en 1,0 ouE/m3. Een geurimmissieconcentratie van 0,5 ouE/m3 is gelijk aan 1,0 geureenheid per kubieke meter (ge/m3) wat de basiseenheid voor geur was voordat de odourunit in 2003 werd geïntroduceerd en de geureenheid verving. De geureenheid (ge) is een maat die gebruikt wordt om de mate van geurhinder te omschrijven. De geurconcentratie van een gasvormige stof wordt uitgedrukt in een aantal geureenheden per volume-eenheid lucht. Hierbij is één geureenheid de hoeveelheid geur veroorzakende stof die in 1 m3 lucht toegevoegd mag worden zodat de helft van een groep mensen (een zogenaamd geurpanel) de geur nog net kan onderscheiden van geurvrije lucht, en de andere helft niet. Deze concentratie (hoeveelheid per m3) is de geurdrempel. Per definitie is de geurdrempel gelijk aan één geureenheid per m3. Het aantal geureenheden in een monster is bijgevolg het aantal malen dat men dit monster met geurvrije lucht moet verdunnen om tot de geurdrempel te komen.

Eén geureenheid van de referentiegeur waarmee het reukvermogen van een panellid wordt 'geijkt', bevat 63,3 µg nbutanol. Verdeeld in 1 m3 met geurvrije lucht heeft dit mengsel een vastgestelde geurdrempel van 20 µmol/mol ofwel 20 ppb (parts per billion). Eén odourunit geeft de hoeveelheid geurstoffen aan die, bij verdamping in één kubieke meter neutraal gas onder standaardcondities, een fysiologische respons oproept bij een panel (detectiegrens). Deze respons is gelijk aan de respons die optreedt bij verdamping van 123 µg n-butanol in één kubieke meter lucht onder standaard condities (concentratie is 0,040 µmol/mol ofwel 40 ppb). Vandaar de vaste verhouding tussen ge en ouE; 2 ge/m3 = 1 ouE/m3. Kort gezegd houdt dit in dat bij gebruik van de odourunit als maat, een panellid wordt 'geijkt' op een tweemaal hogere concentratie van de referentiestof n-butanol (welke stof wordt herkend als een wat "muffe" geur). Daardoor is er minder twijfel bij het panellid of de geurstof die wordt aangeboden werkelijk waarneembaar is. Men zou kunnen stellen dat de geureenheid gezien kan worden als de onderkant van een geurdrempelwaarde en de odourunit als de bovenkant van een geurdrempelwaarde. Bij een odourunit wordt de betreffende geur dus met meer zekerheid waargenomen dan bij een geureenheid.

In verband met de belangrijke rol die de waarneming speelt in relatie tot de toxische blootstelling door bepaalde componenten in de houtrook, is er voor gekozen om de waarnemingsrange wat breder aan te houden dan gebruikelijk. Daarom worden hierna voor geur vooralsnog twee immissieconcentraties gebruikt: 0,5 en 1,0 ouE/m3.

61

7.3

Bepaling kritische component bij matige verbranding

Om de meest kritische component bij matige verbranding te kunnen bepalen, zijn in onderstaande tabel de gegevens van de diverse stoffen samengevat. Voor koolwaterstoffen (CxHy) bestaat geen advieswaarde voor het binnenmilieu omdat het een mengsel betreft van verschillende stoffen met uiteenlopende toxiciteit. Een benaderingswijze is om voor CxHy uit te gaan van één component. Om onderschatting te voorkomen wordt hiervoor de meest toxische stof genomen. In onderstaande tabellen is gekozen om dit voor twee ZZS 13 stoffen uit te werken: benzeen en formaldehyde. Tabel 7.9: Uitgaande van matige verbranding zijn hier de verhoudingen weergegeven tussen emissies en corresponderende advieswaarden van stoffen die zich in houtrook bevinden, met inbegrip van geur.

Stof

Hoogste emissie

Advieswaarde binnenmilieu

Koolmonoxide (CO)

4.500 mg/Nm3

100 60 30 10

mg/m3 mg/m3 mg/m3 mg/m3

45 75 150 450

Fijn stof (PM10)

100 mg/Nm3

50 20

µg/m3 µg/m3

2.000 5.000

Fijner stof (PM2,5)

94 mg/Nm3

25 10

µg/m3 µg/m3

3.760 9.400

209 mg/Nm3

200 µg/m3 40 µg/m3

1.045 5.225

160 mg/Nm3

500 µg/m3 20 µg/m3

320 8.000

185 mg/Nm3

20

µg/m3

9.250

0,15 mg/Nm3

1,2 ng/m3

125.000

185 mg/Nm3

120 µg/m3 10 µg/m3 1,2 µg/m3

1.542 18.500 154.167

Stikstofdioxide (NO2) Zwaveldioxide (SO2) CxHy als Benzeen PAK (BaP) CxHy als Formaldehyde

Geur

183.333 ouE/Nm3

0,5 ouE/m3

1.0 ouE/m3

Verschilfactor

366.666

183.333

De vetgedrukte verschilfactoren geven de kritische componenten weer. Bij matige verbrandingscondities is geur de kritische component. De veilige norm, in de zin dat met een goede geurnorm tevens bescherming wordt geboden tegen toxische stoffen, is in deze benadering van ''matige verbranding'' een geurconcentratie van 0,5 ouE/m3.

13

ZZS staat voor Zeer Zorgwekkende Stoffen. Voor emissies van ZZS naar de lucht gelden per 1-1-2024 de grenswaarden uit paragraaf 5.4.4 van het Bal . Hoofdstuk 3 van het Bal geeft aan wanneer voorschriften uit hoofdstuk 4 en 5 van het Bal gelden. De overige voorschriften voor ZZS staan in de ZZS-paragraaf (paragraaf 5.4.3 Bal). 62

7.4

Bepaling kritische component bij slechte verbranding

Analoog aan de methode in voorgaande paragraaf, is dit in onderstaande tabel 7.10 uitgewerkt voor het geval sprake is van een slechte verbranding. Tabel 7.10: Uitgaande van slechte verbranding zijn hier de verhoudingen weergegeven tussen emissies en corresponderende advieswaarden van stoffen die zich in houtrook bevinden, met inbegrip van geur.

Stof

Hoogste emissie

Advieswaarde binnenmilieu

Koolmonoxide (CO)

10.000 mg/Nm3

Fijn stof (PM10)

150 mg/Nm3

100 60 30 10 50 20

mg/m3 mg/m3 mg/m3 mg/m3 µg/m3 µg/m3

100 167 133 1.000 3.000 7.500

Fijner stof (PM2,5)

141 mg/Nm3

25 10

µg/m3 µg/m3

5.640 14.100

209 mg/Nm3

200 µg/m3 40 µg/m3

1.045 5.225

160 mg/Nm3

500 µg/m3 20 µg/m3

320 8.000

1.000 mg/Nm3

20

µg/m3

50.000

0,30 mg/Nm3

1,2 ng/m3

250.000

1.000 mg/Nm3

120 µg/m3 10 µg/m3 1,2 µg/m3

8.333 100.000 833.333

Stikstofdioxide (NO2)

Zwaveldioxide (SO2)

CxHy als Benzeen

PAK (BaP)

CxHy als Formaldehyde

Geur

434.120 ouE/Nm3

0,5 ouE/m3 1.0 ouE/m3

Verschilfactor

868.240 434.120

De vetgedrukte verschilfactoren geven de kritische componenten weer. Bij slechte verbrandingscondities is geur wederom de kritische component. De veilige norm in deze benadering van ''slechte verbranding" is een geurconcentratie van 1,0 ouE/m3.

63

7.5

Bepaling kritische component bij zeer slechte verbranding

In onderstaande tabel 7.11 is de exercitie uitgewerkt in geval sprake is van een zeer slechte verbranding. De weergave is beperkt tot de componenten BaP, formaldehyde en geur. Tabel 7.11: Uitgaande van zeer slechte verbranding zijn hier de verhoudingen weergegeven tussen emissies en corresponderende advieswaarden van stoffen die zich in houtrook bevinden, met inbegrip van geur.

Hoogste emissie

Stof PAK (BaP) CxHy als Formaldehyde

Geur

Advieswaarde binnenmilieu

Verschilfactor

0,30 mg/Nm3

1,2 ng/m3

250.000

1.000 mg/Nm3

120 µg/m3 10 µg/m3 1,2 µg/m3

8.333 100.000 833.333

1.055.555 ouE/Nm3

0,5 ouE/m3 1.0 ouE/m3

2.111.110 1.055.555

De vetgedrukte verschilfactoren geven de kritische componenten weer. Bij zeer slechte verbrandingscondities is geur de kritische component. De veilige norm in deze worst case benadering van "zeer slechte verbranding" is een geurconcentratie van 0,5 ouE/m3. Ondanks de sterk verhoogde BaP-emissie bij zeer slechte verbranding, is de laagste geurimmissie-concentratie nog net bepalend.

7.6

Nadere beschouwing kritische component

Uit de voorgaande paragrafen komt tot uiting dat geur de kritische component kan zijn in een concentratie van 0,5 tot 1,0 odourunit per m3. Kritisch wil zeggen: van welke component de optredende emissie maatgevend is in verhouding tot de immissieconcentratie die als grenswaarde geldt. Uit de diverse onderzoeken die zijn verricht naar de impact van houtkachels is naar voren gekomen dat uit oogpunt van toxiciteit, de componenten fijn stof (PM10) en benzo(a)pyreen (BaP) de meest relevante parameters zijn. BaP is weliswaar niet als de meest giftige 14 component aan te wijzen van de diverse polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's), maar het is wel de enige PAK waarvoor een wettelijke streefwaarde bestaat. BaP wordt om die reden vaak als gidsstof 15 gebruikt. Voor zowel PM10 als BaP zijn door de overheid wettelijke immissienormen gesteld die dienen ter bescherming van de volksgezondheid. De immissieconcentratie van genoemde stoffen is uitgedrukt in jaargemiddelde grenswaarden die worden bepaald door de heersende achtergrondconcentraties waaraan de bijdrage van de te beschouwen emissiebron (de houtkachel) wordt toegevoegd. In het STAB-verslag 39548 is in 2014 in opdracht van Rechtbank Zeeland-West-Brabant onderzoek gedaan naar het effect van onder meer een houtkachel in Aalburg.

In die zaak is aan de hand van indicatieve verspreidingsberekeningen nagegaan of er gevreesd moest worden voor 14 15

De meest toxische PAK is benzo(e)pyreen met een MTR-waarde van 4,8 x 10-4 ng/m3. In de 4e dochterrichtlijn van de EU-luchtkwaliteitsregelgeving wordt benzo(a)pyreen gebruikt als tracerstof om vast te stellen of de concentratie van PAK een rol van betekenis speelt. 64

overschrijding van de wettelijk geldende immissienormen van PM10 en BaP en voor het overschrijden van de waarnemingsgrens voor geur. Er is gebruik gemaakt van emissiefactoren uit de literatuur en verder van locatiespecifieke omstandigheden en parameters (afvoerhoogte, afstand tot ontvanger, aanwezigheid van regenkappen, houtverbruik). Om die reden geldt de vergelijking die hier wordt gemaakt als een steekproef. Over PM10 is vastgesteld dat de bijdrage van het stoken op de algehele luchtkwaliteit van fijn stof gering is en dat de wettelijke norm niet wordt overschreden. Ten aanzien van benzo(a)pyreen is vastgesteld dat onder normale stookcondities de wettelijke streefwaarde van 1 ng/m3 niet wordt overschreden nabij de beschouwde woning in Aalburg. Onder worst case condities is dat echter wel het geval. Datzelfde geldt voor het waarnemen van geur; onder normale condities is berekend dat de geur gedurende 2% van de tijd juist waarneembaar is. Voor worst case condities is vastgesteld dat sprake van een ruime overschrijding van zowel de richtwaarde van de concentratie van 0,5 ouE/m3 als 98 percentiel, als van de richtwaarde van de piekconcentratie van 5 ouE/m3 als 99,99 percentiel. Onder deze condities moet worden gevreesd voor ernstige geurhinder. Dat betekent dat nagegaan moet worden of geur, danwel BaP de maatgevende component is.

Dat moet blijken uit de mate waarin de normen worden overschreden: de hoogste verhouding tussen berekende immissie enerzijds en de normwaarde anderzijds levert de maatgevende component. In onderstaande tabellen is dit uitgewerkt waarbij de uitkomsten zijn afgerond. Een verhouding < 1 geeft een onderschrijding aan van de norm (in groen) en een verhouding > 1 geeft een overschrijding aan (in rood). Tabel 7.12: Normale condities in de zaak Aalburg

Toetspunt

Verhouding tot norm van 0,5 ouE/m3 3,4

Geur 99.99 percentiel (ouE/m3) 3,4

Verhouding tot norm van 5 ouE/m3 0,7

BaP jaargemiddelde (ng/m3)

Verhouding tot norm van 1 ng/m3

1

Geur 98,00 percentiel (ouE/m3) 1,7

0,55

0,6

2

0,9

1,8

1,7

0,3

0,17

0,2

3

0,9

1,8

2,2

0,4

0,12

0,1

65

Tabel 7.13: Worst case condities in de zaak Aalburg

Toetspunt

Verhouding tot norm van 0,5 ouE/m3 54,8

Geur 99.99 percentiel (ouE/m3) 56,8

Verhouding tot norm van 5 ouE/m3 11,4

BaP jaargemiddelde (ng/m3)

Verhouding tot norm van 1 ng/m3

1

Geur 98,00 percentiel (ouE/m3) 27,4

4,7

4,7

2

15,2

30,4

28,6

5,7

1,5

1,5

3

14,9

29,8

36,9

7,4

1,0

1,0

Als tweede vergelijkingscasus wordt gebruik gemaakt van het onderzoek "overlast houtkachel te Helmond" uitgevoerd door Buro Blauw in 2017. In deze zaak is over PM10 vastgesteld dat de bijdrage van fijn stof beperkt is van 0,1 µg/m3 indien sprake is van een goede verbranding, oplopend tot 1,8 µg/m3 bij een slechte verbranding en dat de wettelijke norm niet wordt overschreden. Voor BaP is geen toetsing uitgevoerd. Tabel 7.14: Goede verbranding in de zaak Helmond

Toetspunt

Geur 98,00 percentiel (ouE/m3)

Verhouding tot norm van 0,5 ouE/m3

Geur 99.99 percentiel (ouE/m3)

Verhouding tot norm van 5 ouE/m3

BaP jaargemiddelde (ng/m3)

Verhouding tot norm van 1 ng/m3

Gevel

3,6

7,2

10

2,0

-

-

Tabel 7.15: Slechte verbranding in de zaak Helmond Toetspunt Geur 98,00 Verhouding Geur 99.99 percentiel tot norm van percentiel (ouE/m3) 0,5 ouE/m3 (ouE/m3)

Gevel

98

49

Verhouding tot norm van 5 ouE/m3

BaP jaargemiddelde (ng/m3)

Verhouding tot norm van 1 ng/m3

27,8

-

-

139

Als derde casus is de zaak Bellingwedde (STAB-39973) beschouwd die in opdracht van de rechtbank Noord-Nederland is uitgevoerd (ECLI:NL:RBNNE:2018:4457). In die zaak zijn zowel geur- als BaP-immissieconcentraties berekend. Overigens zijn ook daar geen problemen met PM10 en PM2,5 geconstateerd. Tabel 7.16: Gemeten concentraties in de zaak Bellingwedde

Toetspunt

Geur 98,00 percentiel (ouE/m3)

Verhouding tot norm van 0,5 ouE/m3

BaP jaargemiddelde (ng/m3)

Verhouding tot norm van 1 ng/m3

1

1,7

3,4

0,1

0,1

2

0,8

1,6

0,0

0,0

3

0,6

1,2

0,1

0,1

4

0,0

0

0,0

0,0

5

0,0

0

0,0

0,0

Uit bovenstaande casussen komt naar voren dat door de emissie van geur grotere normoverschrijdingen optreden dan voor benzo(a)pyreen het geval is. Geur is daardoor de maatgevende component. Voorts blijkt dat de geurconcentratie van 0,5 ou/m3 als 98 66

percentielwaarde meer bepalend is dan de (piek)geurconcentratie van 5 ou/m3 die als 99,99 percentielwaarde optreedt.

B.

De tweede invalshoek (hinderlijkheid)

7.7

Geur en gezondheid

Er blijkt geen gezondheidskundige koppeling te kunnen worden gelegd met uitsluitend de geur van houtrook, dus los gezien van toxische effecten door specifieke componenten in de rook, zoals in voorgaand deel A is onderzocht. In het RIVM rapport 'Geur en gezondheid, GGD-richtlijn medische milieukunde' (RIVM Rapport 2015-0106, M. Venselaar-Mooij et al.) is ten aanzien van geur in relatie tot gezondheid het volgende opgetekend. ' Er bestaan geen gezondheidskundige normen voor geur, waardoor het niet eenvoudig is om te bepalen hoeveel geur gezondheidskundig gezien aanvaardbaar is. Een situatie wordt gezondheidskundig als goed beschouwd, als er geen of geen ernstige hinder is. Als dat wel het geval is, wordt afgewogen of de situatie aanvaardbaar is. Uitgangspunt hierbij zijn de beleidsdoelstellingen voor hinder.' In paragraaf 4.2 Houtstook door particulieren, is in subparagraaf 4.2.1 de doelstelling van het geurbeleid voor houtstook als volgt verwoord: ' Er is geen specifiek geurbeleid voor houtstook door particulieren.

In principe geldt voor deze bron de doelstelling dat er geen ernstige geurhinder optreedt.' In een aantal vooroverleggen waarin de conceptversie van dit kennisdocument is besproken met diverse deskundigen, kwam de vraag naar voren om voor het aspect geur aanvullend een geurconcentratie te bepalen waarbij de hinderervaring zich manifesteert tot een aanvaardbaar niveau. Omdat het tegengaan van geurhinder ook een doelstelling was van artikel 7.22 Bouwbesluit ('op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid') is hierna separaat een hinderbeoordeling uitgewerkt voor houtrook.

7.8

Toepassing hindersystematiek

De hindersystematiek is op de geur van houtrook toegepast door gebruik te maken van het geurbeleid dat door een aantal provincies wordt toegepast in hun 'geurbeleidsregels'. De achterliggende gedachte is dat hierin veel lokale (provinciale) kennis is verwerkt. Door het uitwerken van meerdere provinciale beleidsregels ontstaat een generiek beeld dat wat ons betreft bruikbaar is voor geheel Nederland. De door ons gevolgde aanpak levert twee normen op die gekoppeld zijn aan het 98 onderschrijdingspercentiel: een richtwaarde en een grenswaarde. Voor richtwaarden geldt dat daaraan zo goed als mogelijk moet worden voldaan (inspanningsverplichting) en voor grenswaarden geldt dat daaraan moet worden voldaan (resultaatsverplichting).

67

Naast de 98-percielwaarden worden ook de 99,9 percentielwaarden 16 bepaald. Dit betreft de piekimmissieconcentraties die kortdurend op mogen treden, namelijk 0,1% van de jaartijd, ofwel 8,76 uur per jaar. Ook deze piekimmissies zijn ingedeeld naar richt- en grenswaarden waardoor in totaal vier geurnormen worden bepaald. In aanvulling op de provinciale methode is gekeken naar de Gezondheidseffectscreening (GES) die in 2000 is ontwikkeld voor GGD’en in opdracht van de ministeries van VWS en VROM. Het is een instrument waarmee vooraf inzicht verkregen wordt in de verschillende factoren die van invloed kunnen zijn op de gezondheid van bewoners. Met de GES kan de blootstelling aan luchtverontreiniging, geluid, geurhinder, externe veiligheid en elektromagnetische velden gezondheidskundig worden beoordeeld. Alle relevante bronnen zoals bedrijven, wegen, spoorwegen, scheepvaart, vliegverkeer en hoogspanningslijnen kunnen hierbij worden betrokken. Er is naar gestreefd om de gezondheids- en hindereffecten van de verschillende typen van blootstelling per GES-score vergelijkbaar te maken om de verschillende milieufactoren met elkaar te vergelijken. Er wordt beoogd dat een GES-score 4 voor geluid dezelfde gezondheidskundige betekenis heeft als een GES-score 4 voor luchtverontreiniging door fijn stof.

De milieugezondheidskwaliteiten variëren van ‘zeer goed’ (GES-score 0) tot ‘zeer onvoldoende' (GES-score 8). Zo is ook een relatie tussen geur en hinder vastgelegd. Er is een verband gelegd tussen bepaalde geurconcentraties en het aantal gehinderden en het aantal ernstig gehinderden. Op basis daarvan wordt een bepaalde score toegekend. De indeling in GES-scores, waarbij de geurconcentraties en percentage ernstig gehinderden aan elkaar gekoppeld zijn via de algemene dosis-responsrelatie, ziet er als volgt uit: Tabel 7.17: Ges-scores gekoppeld aan geurconcentraties en percentages

Hinder (%)

Ernstige hinder (%)

Geurconcentratie (ou/m3, 98 percentiel)

GESscore

Milieukwaliteit

0

0

0

0

Zeer goed

0–5

0

0 – 0,5

1

Goed

5 –12

0–3

0,5 – 1,5

3

Vrij matig

12 – 25

3 – 10

1,5 – 5

4

Matig

≥ 25

≥ 10

≥5

6

Onvoldoende

De provinciale methodiek wordt hierna uitgewerkt voor de geur van houtrook, gevolgd door de toepassing van GES op houtrook.

16

Het gebruik van het 99,99 percentiel roept de nodige discussie op. In de NTA 9065 staat dat in het algemeen geldt dat de (statistische) betrouwbaarheid van de modelberekening daalt naarmate de emissie korter duurt en/of het percentiel hoger wordt. Voorts wordt het 99,99 percentiel geschikt bevonden voor situaties met zeer kortdurende emissie (1% van de tijd). Door Kema is in 2014 het standpunt ingenomen dat het NNM principieel niet goed in staat is om het 99,99-p vast te stellen. In de Beleidsregel geur van de provincie Flevoland uit 2008 staat dat het 99,99 percentiel altijd slechts als indicatief bij de beoordeling wordt betrokken. Vanwege deze controverse is in dit kennisdocument gekozen om het 99,9 percentiel te hanteren i.p.v. het 99,99 percentiel.

68

7.9

Provinciaal geurhinderbeleid

Uitgangspunten De verschillende geurbeleidsregels van zes Nederlandse provincies hebben de overeenkomst dat voor de toelaatbare geurbelasting op gevoelige objecten een range wordt aangehouden. De onderkant van die range met de laagste beschermingsgraad en dus de hoogste geurimmissie, wordt daarin per provincie meestal verschillend benoemd zoals: 'laag beschermingsniveau', 'grenswaarde' en 'ernstige hindergrens'. In dit document wordt hiervoor het begrip 'grenswaarde' gebruikt omdat die term duidelijk aangeeft dat dit het uiterste niveau (= hoogste immissie) weergeeft. Ook de andere zijde van de gebruikte range, dat wil zeggen de bovenkant van de range met de hoogste beschermingsgraad en dus de laagste geurimmissie, wordt uiteenlopend benoemd als: 'hoog beschermingsniveau', 'richtwaarde' en 'hindergrens'. In dit document wordt hiervoor het begrip 'richtwaarde' gebruikt omdat die term duidelijk aangeeft dat dit het gewenste niveau weergeeft waar men op zich moet richten (= laagste immissie). Om de richt- en grenswaarde af te leiden moet inzicht verkregen worden in de hinderbeleving door houtrook bij verschillende blootstellingsconcentraties. Daartoe is naast de geuronderzoeken waarnaar in paragraaf 7.1 reeds is verwezen, aanvullend gebruik gemaakt van een drietal geurrapporten 17 die door Buro Blauw aan STAB beschikbaar zijn gesteld.

Er is gekozen voor de volgende hedonische waarden (zie ook tabel 7.7): •

Een geurconcentratie van 0,6 ou/m3 bij een hedonische waardering van H = - 0,5

•

Een geurconcentratie van 0,9 ou/m3 bij een hedonische waardering van H = -1

•

Een geurconcentratie van 5,4 ou/m3 bij een hedonische waardering van H = -2

Verder zijn de volgende keuzes gemaakt: •

Houtkachels bij particulieren worden minder dan 3.500 u/j gestookt

•

Geurimmissienorm is alleen betrokken op omgevingscategorie 'Wonen' of ook wel 'categorie A' genoemd

•

17

Richt- en grenswaarden zijn betrokken op 'nieuwe activiteit'

Rapportnummers BL2012.6333.01-V02, 1 augustus 2012, BL2018.8735.01-V01, februari 2018 en BL2017.8523.01-V01, 19 juni 2017. 69

Toepassing van de geurbeleidsregels van zes provincies Per provincie zijn de criteria en de uitwerking als volgt geformuleerd aan de hand waarvan de normering als volgt is bepaald: Provincie Groningen Criteria: • C H = -0,5 voor nieuwe situaties en hoog beschermingsniveau • C H = -1 voor nieuwe situaties en laag beschermingsniveau Uitwerking: • Houtrook C H = -0,5 is 0,6 ouE/m3 en C H = -1 is 0,9 ouE/m3 • C98 naar C99,5 is ophogen met factor 2 • C98 naar C99,9 is ophogen met factor 4 Normering: • Hoog beschermingsniveau is 0,6 ouE/m3 98 percentiel en 2,4 ouE/m3 99,9 percentiel • Laag beschermingsniveau 0,9 ouE/m3 98 percentiel en 3,6 ouE/m3 99,9 percentiel

Provincie Overijssel / Gelderland Criteria: • C H = -2 is < 1,5 ouE/m3 → geur is zeer hinderlijk • C H = -2 is 1,5 tot 5 ouE/m3 → geur is hinderlijk • C H = -2 is 5,0 tot 15 ouE/m3 → geur is minder hinderlijk Uitwerking: • Houtrook C H = -2 is 5,4 ouE/m3 → geur is 'minder hinderlijk' Normering: • Richtwaarde is 1,5 ouE/m3 98 percentiel en 6,0 ouE/m3 99,9 percentiel • Grenswaarde is 5,0 ouE/m3 98 percentiel en 20,0 ouE/m3 99,9 percentiel

Provincie Zuid - Holland Criteria: • C H = -2 is < 5 ouE/m3 bij minder dan 3.500 emissie-uren per jaar → hindergrens is 2,5 ouE/m3 99,99 percentiel en ernstige hindergrens is 5 x C H = -2 als 99,99 percentiel • C H = -2 is ≥ 5 ouE/m3 bij minder dan 3.500 emissie-uren per jaar → hindergrens is 2,5 ouE/m3 99,99 percentiel en ernstige hindergrens is 25 ouE/m3 als 99,99 percentiel Uitwerking: • Houtrook C H = -2 is 5,4 ouE/m3 Normering: • hindergrens is 2,5 ouE/m3 als 99,99 percentiel • ernstige hindergrens is 25 ouE/m3 als 99,99 percentiel

70

Provincie Noord – Holland Criteria: • Hedonische weegfactor F = C H = -1 / 1,0 0uE/m3 → F = 0,9 / 1,0 = 0,9 • Hedonisch gewogen geurbelasting is geuremissie in ouE gedeeld door F = vermenigvuldiging met 1,1 Uitwerking: • Richtwaarde is 0,5 ouE(H)/m3 98 percentiel en 2 ouE(H)/m3 99,9 percentiel • Grenswaarde is 1,0 ouE(H)/m3 98 percentiel en 4 ouE(H)/m3 99,9 percentiel Hedonische correctie direct verwerkt in de immissienorm (omwille van de vergelijkbaarheid) Normering: • Richtwaarde is 0,45 ouE/m3 98 percentiel en 1,8 ouE/m3 99,9 percentiel • Grenswaarde is 0,9 ouE/m3 98 percentiel en 3,6 ouE/m3 99,9 percentiel Provincie Noord – Brabant Criteria: • Hedonische weegfactor F = C H = -1 / 1,0 0uE/m3 → F = 0,9 / 1,0 = 0,9 • Hedonisch gewogen geurbelasting is geuremissie in ouE gedeeld door F = vermenigvuldiging met 1,1 Uitwerking: • Richtwaarde is 0,5 ouE(H)/m3 98 percentiel en 5 ouE(H)/m3 99,99 percentiel • Grenswaarde is 1,0 ouE(H)/m3 98 percentiel en 10 ouE(H)/m3 99,99 percentiel Hedonische correctie direct verwerkt in de immissienorm (omwille van de vergelijkbaarheid) Normering: • Richtwaarde is 0,45 ouE/m3 98 percentiel en 4,5 ouE/m3 99,99 percentiel • Grenswaarde is 0,9 ouE/m3 98 percentiel en 9 ouE/m3 99,99 percentiel

7.10 GES methode De GES methode kan worden uitgewerkt voor houtrook met dezelfde hedonische gegevens als in de voorgaande paragraaf 7.9 zijn gebruikt. Omdat in dit document het 99,9 percentiel wordt gebruikt in plaats van het 99,99 percentiel, zijn de bijbehorende concentraties als 99,9 percentiel 2,5 maal lager dan als 99,99 percentiel. De concentraties bij het 98, het 99,9 en het 99,99 percentiel verhouden zich doorgaans als 1: 4: 10. GES-score 1 (goed) 3 (vrij matig} 4 (matig) 8 (onvoldoende)

Geurconcentratie. 98percentiel [OUe/m3] 0 tot 0,6 0,6 tot 0,9 0,9 tot 5,4 ≥ 5,4

Tabel 7.18: Ges-scores voor geur van houtrook.

71

Geurconcentratie. 99,9percentiel [OUe/m3] 0 tot 2,4 2,4 tot 3,6 3,6 tot 21,6 ≥ 21,6

Een richtwaarde voor houtrook volgt uit de hoogste concentratie bij GES-score 1, namelijk 0,6 OUe/m3 als 98 percentiel. De concentratie voor het 99,9 percentiel is een factor 4 hoger dan het 98 percentiel, ofwel 2,4 OUe/m3. Een grenswaarde voor houtrook volgt uit de hoogste concentratie bij GES-score 3 die overeenkomt met maximaal 3% ernstig gehinderden onder de bevolking en ten hoogste 12% gehinderden. Daarbij behoort een immissie van 0,9 OUe/m3 als 98 percentiel. De immissieconcentratie voor het 99,9 percentiel is een factor 4 hoger dan het 98 percentiel, ofwel 3,6 OUe/m3.

7.11 Totaalbeeld Gebruik makend van de uitkomsten op basis van provinciaal geurbeleid, een interpretatie op basis van de GES methode en tot slot door een verband te leggen met gezondheidsschade vanwege de stof benzo(a)pyreen zoals is uitgewerkt in § 7.6 van dit kennisdocument, levert dit het volgende totaalbeeld op. Daaruit is een keuze gemaakt in samenspraak met deskundigen buiten de STAB. Alle concentraties zijn weergegeven in ouE/m3. Vanwege de voorkeur voor het 99,9 percentiel zijn alle 99,99 percentielwaarden naar dit percentiel omgerekend . Bron Groningen Overijssel/Geld. Zuid Holland Noord Holland Noord Brabant

Richtwaarde 98 – percentiel 99,9 - percentiel 0,6 2,4 1,5 6,0 1,0 0,45 0,7 0,45 1,8

Grenswaarde 98 – percentiel 99,9 – percentiel 0,9 3,6 5,0 20,0 10,0 0,9 1,44 0,9 3,6

GES methode

0,6

2,4

0,9

3,6

I.c.m. gezondheid (STAB KD, § 7.6)

0,5

-

-

-

Keuze

0,5

2,0

1,0

4,0

Tabel 7.19: Totaalbeeld na uitwerking provinciaal geurbeleid, GES methode en de gezondheidskundige insteek uit paragraaf 7.6 van dit kennisdocument.

Hieruit volgt dat een geurimmissie 0,5 ouE/m3 die voortkomt uit de benadering in paragraaf 7.6, nog steeds bruikbaar is als richtwaarde. Wanneer de richtwaarde als norm wordt toegepast, wordt de hoogste beschermingsgraad geboden. Toepassing van de grenswaarde als norm levert een lagere beschermingsgraad op, maar deze dient wel strikter te worden opgevolgd. Deze set aan mogelijke geurimmissienormen levert een duidelijk handvat voor gemeentelijk beleid ten aanzien van houtstook in particuliere houtkachels wanneer gebruik gemaakt wordt van een verspreidingsmodel.

72

7.12 Evaluatie en conclusie emissiematrix In dit hoofdstuk zijn de stoffen geselecteerd die qua voorkomen en giftigheid relevant zijn voor het beoordelen van gezondheidsschade bij omwonenden die worden blootgesteld aan de rookgasemissies van houtkachels. Vervolgens zijn emissiegegevens verzameld uit diverse bronnen waarvan de verbrandingscondities in zes gradaties konden worden getypeerd, oplopend van de kwalificatie 'zeer slecht' tot 'zeer goed'. De waarden zijn zo nodig omgerekend naar milligrammen per Nm3 bij 13% O2. Dit is vervolgens ook voor de hindercomponent geur uitgewerkt, zodat een link kan worden gelegd tussen zowel de schadelijkheid, als de hinderlijkheid van houtrook. Vervolgens is nagegaan wat de kritische component is in het rookgas, dat wil zeggen de stof die maatgevend is ten opzichte van de overige stoffen. Toetsing aan de gangbare landelijke normen uit de Wet milieubeheer levert hoogstwaarschijnlijk geen overschrijdingen op, omdat deze normen jaargemiddelden zijn en kachels bij particulieren niet jaarrond branden. In samenhang met de zeer toxische stof benzo(a)pyreen kan geur gebruikt worden als kritische component bij een concentratie van 0,5 odourunit per m3 als 98 percentiel.

Wanneer de beoordeling van houtrook los wordt gezien van toxische effecten en zich louter richt op de hinderbeleving, geeft een uitgebreide beoordeling aan dat in zo'n geval de volgende blootstellingsniveaus gebruikt kunnen worden als immissienorm. • •

Strengste immissieconcentratie van 0,5 ouE/m3 als 98 percentiel in combinatie met een piekwaarde van 2,0 ouE/m3 als 99,9 percentiel; Hoogst toelaatbare immissieconcentratie van 1,0 ouE/m3 als 98 percentiel in combinatie met een piekwaarde van 4,0 ouE/m3 als 99,9 percentiel.

Een keuze tussen voornoemde niveaus kan in een APV worden opgenomen, welk niveau vanaf dat moment geldt als immissienorm ter plaatse van geurgevoelige objecten. Belangrijk onderdeel bij het hanteren van een immissienorm, is de locatie waar de immissienorm moet gaan gelden. Is dat in het geval van houtstook ter plaatse van de woning van een klager, of bij de hoogste belaste woning die niet per definitie de woning van een klager hoeft te zijn. Indien het een vergunningskwestie zou betreffen waarbij een bedrijf de hinder veroorzaakt, dan is de hoogste belaste geurgevoelige woning maatgevend. In het geval dat een particuliere houtkachel verantwoordelijk is voor hinder in de omgeving, zouden de opstellers van dit kennisdocument opteren om de immissietoets uit te voeren ter plaatse van de woning van de klager. De reden is dat er dan geen discussies ontstaat over de omstandigheid dat een omwonende ongevraagd wordt beschermd, mogelijk zelfs tegen zijn wil.

73

8

Afvoer van rookgassen

8.1

Effect van de afvoerhoogte

Voor een goede verspreiding van rookgassen dient een schoorsteen/afvoerpijp voldoende hoog te zijn. Om ervoor te zorgen dat de rookgassen onbelemmerd in de lucht worden geëmitteerd moet er daarnaast ook voldoende afstand zijn tussen het afvoerpunt en omliggende gebouwen. Het effect van de afvoerhoogte is in de navolgende afbeeldingen gevisualiseerd. a. Bij een afvoerhoogte van 2½ maal gebouwhoogte, is sprake van een ongehinderde verspreiding:

Afbeelding 8.1: Ongehinderde verspreiding bij een afvoerhoogte van 2,5 x gebouwhoogte

b. Bij een afvoerhoogte tot 1½ maal gebouwhoogte, is sprake van een gehinderde verspreiding vanwege een lichte onderdruk aan de lijzijde van het gebouw doordat de wind na het gebouw wordt afgebogen:

Afbeelding 8.2: Slechtere verspreiding bij een afvoerhoogte tot 1,5 x gebouwhoogte door invang van de pluim

74

c. Bij een afvoerhoogte lager dan gebouwhoogte, is sprake van een zeer slechte verspreiding doordat de onderdruk aan de lijzijde nog sterker van invloed is op de pluim:

Afbeelding 8.3: Zeer slechte verspreiding bij een afvoerhoogte onder gebouwhoogte door invang van de pluim

In zijn algemeenheid geldt dat hoe hoger de emissie wordt afgevoerd, des te beter de verspreiding in de atmosfeer verloopt en hoe meer verdunning optreedt. Hierdoor is de blootstelling voor omwonenden lager.

8.2

Afvoerhoogte en verspreiding in Besluit activiteiten leefomgeving en Wet milieubeheer

In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) 18 zijn geen specifieke eisen opgenomen voor het emitteren van rookgassen ten gevolge van houtstook. Voor eisen met betrekking tot afvoerhoogte en verspreiding van rookgassen wordt verwezen naar het Besluit bouwwerken leefomgeving (zie paragraaf 8.3). In artikel 10.2 van de Wet milieubeheer 19 staat opgenomen dat het verboden is huishoudelijke afvalstoffen te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden. Er staat in de Wet milieubeheer niet specifiek iets opgenomen over het stoken van hout in open haarden of houtkachels.

8.3

Afvoerhoogte in Besluit bouwwerken leefomgeving20

Besluit bouwwerken leefomgeving, Bestaande bouw: In geval van een bestaande natuurlijke rookgasafvoer geldt paragraaf 3.3.4 (Afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht) van het Bbl. In paragraaf 3.3.4 zijn eisen opgenomen voor de capaciteit van de afvoer van rookgassen en aanvoer van verbrandingslucht en voor de rookdoorlatendheid voor de afvoer van rookgassen. Er zijn in deze paragraaf van het Bbl geen specifieke eisen opgenomen voor de locatie van de uitmonding van de rookgassen.

18 19 20

Besluit activiteiten leefomgeving zoals in werking getreden per 1 januari 2024; Wet milieubeheer zoals geldend vanaf 1 januari 2024. Besluit bouwwerken leefomgeving zoals geldend van 1 januari 2024 . 75

In paragraaf 5.2.3 van de norm NEN 8757 21 wordt de hoogte van de uitmonding ten opzichte van het dak beschreven. Bij de bepaling van de stromingsrichting, bepaald volgens NEN 8757, hoeft geen rekening te worden gehouden met belemmeringen op een ander perceel. De eisen hangen af van de hellingshoek van het dak. Als de helling kleiner is dan 23 graden, dan moet de afvoer overal 0,5 meter boven het dakvlak liggen (zie afbeelding 8.4).

Afbeelding 8.4: Minimale afvoerhoogte bij bestaande afvoer (bron: website Schone Lucht Akkoord).

Als de dakhelling groter is dan 23 graden, dan moet de afvoer hoger zijn. In tabel 8.1 staan de vereiste afvoerhoogten bij dakhellingen van 45 graden en 35 graden, bij verschillende (horizontale) afstanden tot de nok. Dit kan met behulp van de beschreven methode in de NEN 8757 berekend worden met de volgende formule: h = a (tan α – 0,268) + 0,5 m indien α ≥ 23o In deze formule is h de hoogte van de uitmonding (van de schoorsteen), a is de afstand tot de nok, hoek α is de dakhelling en tan is de afkorting voor tangens. Dit is in een rechthoekige driehoek de verhouding tussen de overstaande en de aanliggende rechthoekszijde. In onderstaande afbeelding 8.5 is dit verduidelijkt.

21

"NEN 8757 van 1 juni 2005; Afvoer van rook van verbrandingstoestellen in gebouwen - Bepalingsmethoden voor bestaande bouw". Deze norm geeft bepalingsmethoden voor voorzieningen voor de afvoer van rook waarmee kan worden bepaald: - voor welke toestellen de capaciteit van de voorziening voor de afvoer van rook geschikt is; - de geschiktheid van de capaciteit van de voorziening voor de afvoer van rook voor een bepaald toestel op een bepaalde opstelplaats. 76

Afbeelding 8.5: Weergave van de drie variabelen als gebruikt in paragraaf 5.2.3 in NEN 8757.

Als de dakhelling groter is dan 23 graden, dan moet de afvoer hoger zijn. In onderstaande tabel 8.1 staan de vereiste afvoerhoogten bij dakhellingen van 45 graden en 35 graden, bij verschillende (horizontale) afstanden tot de nok. Tabel 8.1: Berekening van afvoerhoogte ten opzichte van nokhoogte voor een dakhelling van 450 en 350 (bron website Schone Lucht Akkoord).

Dakhelling

Afstand (a) tot nok (m) 45 45 45 45 45 35 35 35 35 35

Hoogte (h) afvoer (m) 0 1 2 3 4 0 1 2 3 4

0,5 1,23 1,96 2,7 3,43 0,5 0,93 1,36 1,8 2,23

Afvoerhoogte t.o.v. nokhoogte +0,5 +0,23 -0,04 -0,3 -0,57 +0,5 +0,23 -0,04 -0,3 -0,57

Hieruit komt naar voren dat afvoer ter plaatse van de nok van het dak, leidt tot een hoogste afvoerhoogte van een halve meter bovendaks. Op locaties verder van de nok, richting dakrand, neemt de afvoerhoogte (bij een dakhelling van 45 en 35 graden) geleidelijk af met 27 cm per meter afstand tot de nok. Vanaf ongeveer 2 meter van de nok mag ook onder nokhoogte worden afgevoerd. In NEN 8757 vindt u de precieze formules voor de vereiste afvoerhoogte bij bestaande bouw. Besluit Bouwwerken Leefomgeving, Verbouw: In artikel 5.16 van het Bbl (Afvoer van rookgas en toevoer van verbrandingslucht) zijn de volgende eisen voor verbouw opgenomen: • Bij het installeren van een afvoervoorziening voor rookgas gelden, in aanvulling op artikel 5.4, de in de artikelen 4.138 en 4.141 aangegeven prestatieniveaus. •

Bij het installeren van een toevoervoorziening voor verbrandingslucht gelden, in aanvulling op artikel 5.4, de in artikel 4.139 aangegeven prestatieniveaus. 77

•

Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op het vervangen van een bestaande voorziening waarbij de plaats van de uitmonding of toevoeropening niet wijzigt.

Voorgaande houdt in dat bij verbouwwerkzaamheden waarbij de uitmonding van de rookgasafvoer niet wijzigt uitgegaan mag worden van de eisen voor bestaande bouw en dat in andere gevallen aangehaakt moet worden bij de eisen voor nieuwbouw. Besluit bouwwerken leefomgeving, Nieuwbouw: Voor de bepaling van de afvoerhoogte van de rookgassen wordt in geval van nieuwbouw gebruik gemaakt van het gestelde in paragraaf 4.3.8 van het Bbl. Op basis van artikel 4.138 moet een rookgasafvoer voor een niet-gasgestookt verbrandingstoestel, die boven het dakvlak ligt, op een afstand van ten minste 1 m van de bouwwerkperceelsgrens af liggen. Een uitmonding van een voorziening voor de afvoer van rookgas voor een verbrandingstoestel voor vaste brandstoffen moet boven het dakvlak liggen en moet een uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas, gelegen boven een constructieonderdeel of het aansluitende terrein, ten minste 0,3 m boven de bovenzijde van dat constructieonderdeel of dat terrein liggen. In artikel 4.136. (capaciteit: afvoer van rookgas) wordt verwezen naar de volgens NEN 2757 22 bepaalde capaciteit van ten minste de volgens de toestelspecificaties voor een doeltreffende verbranding benodigde afvoercapaciteit. In geval van natuurlijke rookgasafvoer bij nieuwbouw geldt voor de uitmonding van rookgassen paragraaf 5.2.3 van de norm NEN 2757.

De hoogte van de uitmonding ten opzichte van het dak kan met behulp van de methode in de NEN 2757 berekend worden met de volgende formules: h ≥ (0,5 + 0,16x ( α – 23) x a indien α ≥ 23o en a > 0,8 cos α met h ≥ 0,5m. h ≥ 0,5 + a x tan α indien α ≥ 23o en a ≤ 0,8 cos α met h ≥ 0,5m. In deze formules is h de hoogte van de uitmonding (van de schoorsteen), a is de afstand tot de nok, hoek α is de dakhelling. In afbeelding 8.6 is dit verduidelijkt.

22

NEN 2757, "Bepalingsmethoden voor de geschiktheid van systemen voor de afvoer van rookgas van gebouwgebonden installaties". 78

Afbeelding 8.6: Overgenomen figuur 3 – Toelichting uitmondingshoogten voor nieuwbouw (bron: NEN 2757-1: 2019)

Uitwerking voor nieuwbouw bij α = 45o : a = 0,8 cos α = 0,5657 = 0,57 m. Tan 45o = 1 Tabel 8.2: Berekening van schoorsteenhoogte h en dak/nokhoogte y voor een dakhelling van 45o ter bepaling van afvoerhoogte ten opzichte van nokhoogte.

a

0m

0,57 m

1m

2m

h

0,5 m

2,29 m

4,02 m

8,04 m

a tan α

0m

0,57 m

1m

2m

Afvoerhoogte t.o.v. nokhoogte

0,5 m

1,72 m

3,02 m

6,04 m

Uitwerking voor nieuwbouw bij α = 35o : a = 0,8 cos α = 0,6553 = 0,66 m. Tan 35o = 0,7 Tabel 8.3: Berekening van schoorsteenhoogte h en dak/nokhoogte y voor een dakhelling van 35o ter bepaling van afvoerhoogte ten opzichte van nokhoogte.

a

0m

0,66 m

1m

2m

h

0,5 m

1,60 m

2,42 m

4,84m

a tan α

0m

0,46 m

0,70 m

1,40 m

Afvoerhoogte t.o.v. nokhoogte

0,5 m

1,14 m

1,72 m

3,44 m

79

8.4

Afvoer rookgassen van particuliere houtkachels

8.4.1

Vangnetbepaling Bouwbesluit en zorgplicht Bal

In artikel 7.22 van het Bouwbesluit was de volgende vangnetbepaling opgenomen: Onverminderd het bij of krachtens dit besluit of de Wet milieubeheer bepaalde is het verboden in, op of aan een bouwwerk of op een open erf of terrein voorwerpen of stoffen te plaatsen, te werpen of te hebben, handelingen te verrichten of na te laten of werktuigen te gebruiken, waardoor: a. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze rook, roet, walm of stof wordt verspreid; b. overlast wordt of kan worden veroorzaakt voor de gebruikers van het bouwwerk, het open erf of terrein; c. op voor de omgeving hinderlijke of schadelijke wijze stank, stof of vocht of irriterend materiaal wordt verspreid of overlast wordt veroorzaakt door geluid en trilling, elektrische trilling daaronder begrepen, of door schadelijk of hinderlijk gedierte, dan wel door verontreiniging van het bouwwerk, open erf of terrein, of d. instortings-, omval- of ander gevaar wordt veroorzaakt. Voorgaande vangnetbepaling is niet terug gekomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving. De zorgplicht uit het Bouwbesluit is nu opgenomen als artikel 22.18 in de bruidsschat. Artikel 22.18 van de Bruidsschat luidt: Artikel 22.18 Specifieke zorgplicht gebruik bouwwerk 1.

Degene die een bouwwerk gebruikt en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat dit gebruik tot gevaar voor de gezondheid of veiligheid kan leiden, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om dat gevaar te voorkomen of niet te laten voortduren. 2. Degene die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn handelen of nalaten in, op of aan een bouwwerk overlast of hinder veroorzaakt of kan veroorzaken voor de omgeving, is verplicht alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die overlast of hinder te voorkomen of niet te laten voortduren. Het gaat daarbij in elk geval om overlast of hinder door: a. het op hinderlijke wijze verspreiden van rook, roet, walm, stof, stank, vocht of irriterend materiaal; b. het veroorzaken van overlast door geluid, trilling, dieren of verontreiniging; en c. het nalaten van het normale onderhoud waardoor het bouwwerk zich niet in een zindelijke staat bevindt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik van bouwwerken, bedoeld in afdeling 6.2 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

80

8.4.2

Afvoer boven nokhoogte

In het gunstigste geval resulteert de systematiek uit het Bbl (zie voorgaande paragraaf) voor bestaande bouw in een afvoerhoogte van 0,5 meter boven nokhoogte. In deze omstandigheid kunnen de rookgassen zich in verticale richting verspreiden waardoor verdunning in de atmosfeer mogelijk is.

Afbeelding 8.7: Bovendakse afvoer van de rookgassen van een houtkachel.

Wat betreft de trek geldt dat een langere schoorsteen (zo recht mogelijk met zo min mogelijk bochten) leidt tot meer drukverschil tussen in- en uitlaat van de kachel waardoor deze beter trekt. De diameter van de schoorsteen is hierbij van belang en wordt afgestemd op het vermogen van de houtkachel, zie onderstaand voorbeeld van een installateur. Tabel 8.6: Tabel die door een installateur wordt aangehouden als montagevoorschrift.

Ø 150 mm

Ø 200 mm

5 – 10 kW

1–7m

1–5m

10 – 10 kW

1 – 14 m

1 – 12 m

15 – 20 kW

1 – 18 m

1 – 18 m

20 – 30 kW

1 – 18 m

1 – 18 m

Ook is de temperatuur van belang: een rookgasafvoer van geïsoleerd roestvast staal wordt goed warm en trekt beter dan bijvoorbeeld een gemetseld rookkanaal.

81

Tot slot moet voldoende verbrandingslucht worden toegevoerd naar de ruimte waar het stooktoestel zich bevindt. Dit kan geschieden door ventilatievoorzieningen in de buurt van het verbrandingstoestel of door aanleg van leidingen door bijvoorbeeld de kruipruimte van de woning met toevoeropeningen in de 2-tegenover elkaar liggende gevels. De dimensionering dient te voldoen aan de eisen zoals vermeld in de norm NEN 2757 (nieuwbouw) en NEN 8757 (bestaande bouw). Met betrekking tot een vrije uitmonding blijkt dat veel afvoerpijpen zijn voorzien van een regenkap (ook bedoeld voor het tegengaan van vuilophoping en vogelnesten). Op grond van het gestelde in 5.2.1 van NEN 2757 dient een natuurlijke rookgasafvoer te worden voorzien van een kap. Kappen zijn er in vele uitvoeringen. In afbeelding 8.8 zijn twee veel voorkomende kappen weergegeven.

Afbeelding 8.8: Twee veel toegepaste regenkappen (Chinese hoed en trekkende regenkap) op schoorstenen.

De uittreedsnelheid van de rookgassen is op zich al vrij laag omdat het rookgasdebiet laag is, zie hiervoor § 6.2.1 van dit kennisdocument waar is uitgerekend dat bij een houtverbruik van 1,8 kg per uur, een rookgasdebiet optreedt van 1,8 kg x 10,8 m03/kg = 19,4 m03. Dit is het rookgasdebiet onder normaalomstandigheden, bij 0 oC. Uitgaande van een rookgastemperatuur van 200 oC (= 473 K) is het rookgasdebiet bij deze temperatuur als volgt: Φv(bij 200oC) = Φv (bij 0oC) x

𝑃𝑃1 𝑃𝑃2

×

𝑇𝑇1 𝑇𝑇2

. Bij constante druk is Φv(bij 200oC) gelijk aan Φv (bij 0oC) x

Φv(bij 200oC) = 1,73 x 19,4 = 33,6 m3 per uur = 0,0093 m3 per seconde.

473,15 273,15

Uitgaande van een inwendige pijpdiameter van 150 mm (= 0,15 m), is het oppervlak van de uitmonding gelijk aan πr2 = 3,14 x 0,0752 = 0,01767 m2. De uittreedsnelheid volgt dan uit het afgasdebiet gedeeld door het inwendige oppervlak van de afvoerpijp: 0,0093 m3/s gedeeld door 0,01767 m2 = 0,53 m/s. Bij toepassing van een regenkap wordt de uittreedsnelheid sterk afgeremd en gereduceerd tot een minimale waarde; deze is niet bekend maar kan veiligheidshalve worden gesteld op 0,1 m/s. In afbeelding 8.9 is het effect van een regenkap op de uittreedsnelheid weergegeven. 82

Afbeelding 8.9: Bovendakse afvoer van de rookgassen bij toepassing van een regenkap.

Niet alleen de uittreedsnelheid wordt door een regenkap gereduceerd, maar ook de thermische pluimstijging wordt tegengewerkt. Hoewel de warmte-inhoud van de pluim bij 1,8 kg houtverbranding per uur beperkt van omvang is, vindt pluimstijging door de regenkap in het geheel niet meer plaats. Hierdoor wordt geen extra afvoerhoogte verkregen waarmee vervolgens meer verdunning zou kunnen worden bereikt.

Afbeelding 8.10: Thermische pluimstijging zorgt er voor dat de warme rookpluim verder doorstijgt in de atmosfeer waardoor extra afvoerhoogte wordt verkregen.

Er zijn wel uitvoeringen van regenkappen die de afvoer van de rookgassen minder tegenhouden waardoor er meer pluimstijging ontstaat (kinetisch en thermisch). In onderstaande afbeelding 8.11 zijn twee uitvoeringen afgebeeld.

83

Rotowent Dragon Gek insteekpijp

Firemaster schoorsteenkap

Afbeelding 8.11: Twee aangepaste kappen waardoor de rookgasafvoer minder wordt gehinderd

Beide fabrikanten wijzen op een verbetering van de trek van de rookgassen door het ontstaan van voldoende onderdruk. Door het verhogen van schoorstenen kan de trek in schoorstenen dusdanig toenemen, dat dit nadelig is voor de verbranding. Het plaatsen van een luchtbegrenzer in de schouder van de schoorsteen kan tot verbetering van de verbrandingscondities in de schoorsteen en tot lagere emissies leiden.

8.4.3

Afvoer onder nokhoogte

In paragraaf 8.3 van dit kennisdocument is naar voren gekomen dat het Besluit bouwwerken leefomgeving bij bestaande bouw ook rookgasafvoer beneden de nokhoogte toestaat (mits voldoende verdunning optreedt van de verversingslucht voor de woning zelf). Bij een afvoerhoogte onder nokhoogte (bovenste dakrand) zoals in afbeelding 8.12 is weergegeven, ontstaat aan de lijzijde van de woning een onderdruk die de pluim naar beneden trekt (downwash effect). Daardoor zullen de concentraties van verontreinigende stoffen veel hoger zijn dan wanneer de rookgassen opwaarts worden verspreid.

Afbeelding 8.12: Rookgasafvoer onder nokhoogte waardoor het down wash effect optreedt. 84

Hoewel uit het voorgaande blijkt dat rookgasafvoer onder nokhoogte tot slechte verdunning leidt, is het downwash effect ook niet uit te sluiten wanneer wel boven nokhoogte wordt afgevoerd. Ook door de invloed van een schuin dak kan de wind naar beneden worden getrokken en de pluim meevoeren: pluimasverlaging door het lijwerveleffect. Dit is in afbeelding 8.13 aangegeven.

Afbeelding 8.13: Downwash effect bij rookgasafvoer boven nokhoogte.

Pas bij een afvoerhoogte vanaf 1½ maal gebouwhoogte (circa 12 meter boven maaiveld) is de kans op pluimasverlaging aanzienlijk verminderd. Onderstaande foto's laten zien hoe bij lage windsnelheid de pluim naar beneden wordt gezogen bij een woning met een schuin dak.

Afbeelding 8.14: Pluimasverlaging bij afvoer boven nokhoogte .

In onderstaande afbeelding stijgt de rook eerst en wordt de pluim later wel ingevangen (omlaag getrokken) door het lijwerveleffect. 85

Afbeelding 8.15: Lijwerveleffect waardoor de rookpluim omlaag wordt gezogen.

8.4.4

Verdunning in de atmosfeer

Naast afvoerhoogte zijn meteorologische factoren van invloed op de verspreiding van houtrook. Zo zal bij lage windsnelheid en hoge luchtvochtigheid de concentratie bij de bron groter zijn dan bij hoge windsnelheid en lage luchtvochtigheid. Tevens kan bij bepaalde weersomstandigheden een inversielaag in de lucht optreden die ervoor zorgt dat een rookpluim uit de schoorsteen niet meer verticaal kan opstijgen. De rook zal zich daardoor horizontaal verspreiden. Uit verspreidingsberekeningen komt naar voren dat alle typen particuliere houtkachels bij gemiddeld gebruik een verwaarloosbare bijdrage hebben aan de lokale jaargemiddelde achtergrondconcentraties. De reden hiervan is dat het aantal stookuren beperkt is. Door ongunstige weersomstandigheden kan de bijdrage van houtkachels in de directe omgeving echter fors oplopen tot meer dan 30 μg/m3 voor PM2,5 en 18 μg/m3 voor onverbrande koolwaterstoffen. Dus ondanks een beperkte jaargemiddelde bijdrage kunnen open haarden en conventionele houtkachels binnen een uur meerdere keren sterk verhoogde concentraties in de omgeving veroorzaken. In die situaties kunnen omwonenden overlast ondervinden.

86

9

Mitigerende maatregelen

Voor het verminderen van de impact van houtstook op de lokale luchtkwaliteit kunnen mitigerende maatregelen getroffen worden. De maatregelen zijn als volgt onder te verdelen: • Procesgeïntegreerde maatregelen; • Nageschakelde maatregelen; • Verhogen uitmondingsopening; • Vergroten van de rookgassnelheid; • Naverbrandingskamers; • Overige mogelijkheden.

9.1

Procesgeïntegreerde maatregelen

Moderne houtgestookte kachels hebben een veel lagere impact op de lokale luchtkwaliteit dan oudere houtkachels. Door sanering van oude conventionele kachels of open haarden zal de emissie ter plaatse aanzienlijk verlaagd worden. Verder heeft goed stookgedrag een grote invloed op emissies van fijn stof van houtgestookte toestellen. Dit treedt vooral op bij open haarden (factor 10 lagere emissies) en conventionele inzethaarden (factor 3). Voor industriële installaties zijn procesgeïntegreerde maatregelen minder relevant, omdat de uitstoot gebaseerd is op het toepassen van Beste Beschikbare Technieken (BBT). Een speciaal type kachel is de accumulerende kachel. Een accumulerende kachel bevat een kern die bestaat uit vuurvast beton of speksteen en slaat de warmte langdurig op in de steenmassa. Het steen zorgt voor een hoger rendement vanwege zijn isolerende eigenschappen. Accumulerende houtkachels geven lange tijd (twaalf tot vierentwintig uur) stralingswarmte af. Hoe hoger de temperatuur, hoe vollediger de verbranding. De temperatuur kan bij accumulerende kachels oplopen tot boven de 1000 °C. Accumulerende houtkachels lossen het probleem van te veel of te weinig lucht automatisch op doordat warmteverlies naar de schoorsteen grotendeels wordt voorkomen door de accumulerende massa. Daardoor moet de luchttoevoer veel minder worden afgeremd.

Belangrijk in het reduceren van de luchtemissie is de berekening van de verwarmingsbehoefte. Accumulerende houtkachels bieden hierbij het voordeel dat de afstelling vooral door de brandduur wordt geregeld. Er zijn ook niet-accumulerende houtkachels die de luchttoevoer volautomatisch regelen met speciaal daartoe ontwikkelde bimetaalveren. Dat zijn warmtegevoelige veren die de luchttoevoer regelen naargelang het verloop van het verbrandingsproces. Luchtstromen in de kachel kunnen ook elektronisch gestuurd worden. Deze maatregel kan er voor zorgen dat het verbrandingsproces beter verloopt en er minder emissies optreden.

87

9.2

Nageschakelde maatregelen

Door nageschakelde maatregelen kan de emissie van houtkachels aanzienlijk gereduceerd worden. Sommige emissie reducerende technieken hebben wel een negatief effect op het energetische rendement van de kachel. Een goede werking van de verschillende technieken is meestal sterk afhankelijk van de juiste installatie daarvan en goed onderhoud. Kachel uitrusten met een katalysator en/of een naverbrandingskamer Een katalysator reduceert de uitstoot van schadelijke stoffen uit houtkachels door naverbranding in de kachel. Bovenin een kachel kan zich een aparte geïsoleerde naverbrandingskamer bevinden, waar de verbrandingsreacties worden afgerond. Deze kamer is dan gescheiden van de vuurhaard door een keerplaat. Deze keerplaat bevordert de uitbrand door een betere menging van de rookgassen met resterende zuurstof door turbulentie. Katalysatoren vertonen meestal een honingraatstructuur uit keramiek die met een dun laagje katalysatoren is belegd, die de verbranding stimuleren. Door een katalysator worden met name koolwaterstoffen, koolmonoxide en fijne deeltjes, zoals roet en teer, verwijderd. Veel katalysatoren zijn gebaseerd op edelmetalen, met name palladium en/of platina. Katalysatoren kunnen niet bij alle bestaande kachels geplaatst worden. De toepassingsmogelijkheid van deze maatregelen hangt sterk samen met de diameter en de bereikbaarheid van de schoorsteen.

Daarnaast moet er voldoende trek in de schoorsteen worden gegarandeerd. Elektrostatisch filter Soms is het technisch gezien mogelijk om een elektrostatisch filter achter de houtkachel te installeren. Met een elektrostatisch filter (ESP) kunnen vaste deeltjes (roet, organisch - en mineraal fijn stof) uit houtrook worden afgescheiden door deze een elektrostatische lading te geven voordat de rook de schoorsteen verlaat. In het hart van de schoorsteenpijp wordt dan een elektrode geplaatst. Rondom de elektrode ontstaat een sterk elektrisch geladen veld. Het fijn stof dat in dit veld terecht komt wordt negatief geladen en beweegt zich naar de positief geladen metalen kachelpijp of naar een speciale collector. De lading wordt daar afgegeven en het fijn stof blijft achter op de wand van de kachelpijp of in een aparte kamer met een collector voor het fijn stof. Elektrostatische filters voor kachels zijn als losse module beschikbaar en kunnen bovenop de schoorsteen worden geplaatst of in een goed bereikbaar deel van de schoorsteen.

9.3

Verhogen uitmondingsopening

Het effect van verhoging van de uitmondingsopening is met modelberekeningen onderzocht. Hieruit blijkt dat schoorsteenverhoging tot 2 meter boven dakniveau vaak weinig of geen positief effect heeft op de lokale luchtkwaliteit. Dit wordt veroorzaakt door de lage afgassnelheid van de rookgassen bij het verlaten van de schoorsteen. Hierdoor veroorzaakt de hoogte van het gebouw waarin het toestel staat wervels ter hoogte van de uitmonding van de schoorsteen, waardoor de rookgassen naar beneden geleid worden. Dit effect wordt vergroot door de aanwezigheid van een regenkap op de schoorsteen. Verhoging van de schoorsteen met 2 meter boven nokhoogte hoeft dit zogenaamde

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=9923c81e-7ae8-4445-b40f-1b694eeda198