CConstaterende datRheden
Koppel je AI →
Document · PDF

Spuitzone onderzoek Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 209 (21.24)

Raadsvergadering 26 april 2022, gemeente RhedenBij agendapunt: Vaststellen bp Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019 (22.24)12.056 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 22 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

De optelling van de blootstellingspercentages dient enkel ter indicatie, verwezen wordt naar 5.4.1. Tabel 1: Berekende percentages van de 'Acceptable Operator Exposure Level' (AOEL) waaraan een omwonend kind van 3 jaar kan worden blootgesteld zonder schadelijke gezondheidseffecten

Gewasbeschermingsmiddel Werkzame stof Afstand 2-3 m 5m 10 m neerwaarts H=4 m H>4 m H=4 m H>4m Captosan captan n.v.t. 10,94% 21,88% 9,88% 19,76% Switch cyprodinil n.v.t. 2,16% 4,32% 2,00% 4,00% fludoxinonil n.v.t. 19,27% 38,54% 18,59% 37,18% Pediment pirimicarb n.v.t. 0,95% 1,90% 0,91% 1,82% Steward indoxacarb n.v.t. 69,99% 139,98% 62,75% 125,50% Roundup glyfosaat 6,14% 4,25% n.v.t. 3,58% n.v.t. Totaal indicatie exclusief indoxacarb 6,14% 66,64% 62,76%

Op basis van het EFSA-model zal vanaf een afstand van 5 meter uit het teeltperceel geen sprake zijn van een te hoge blootstelling aan individuele middelen. Er vindt namelijk geen overschrijding van de 100%-drempelwaarde plaats. Beoordeling overige factoren In deze paragraaf worden de uitkomsten van het EFSA-model nader geduid en in context geplaatst. 5.4.1. Cumulatie en interactie In de omgeving zullen verschillende bestrijdingsmiddelen kunnen worden gebruikt. Toekomstige bewoners zullen dan mogelijk blootgesteld worden aan al deze middelen. Ook vindt opname plaats van diverse gewasbeschermingsmiddelen via reguliere etenswaren, waarover het RIVM in 2018 een rapport heeft gepubliceerd38. Het onderzoek bepaalt de cumulatieve blootstelling door stoffen op te tellen die op hetzelfde orgaan werking hebben. Hier werd opgemerkt dat bij de bepaling van cumulatieve blootstelling aan alle in de teelt voorkomende gewasbeschermingsmiddelen eerst een overzicht benodigd is van alle aangrijpingspunten in het lichaam. Hetzelfde geldt uiteraard ten aanzien van het aspect interactie/synergisme bij blootstelling aan diverse stoffen. In de vastgestelde Acceptable Exposure Levels (maximaal toelaatbaar blootstellingsniveau) is niet specifiek rekening gehouden met cumulatieve of elkaar versterkende effecten.

Tegelijkertijd wordt bij het vaststellen van het maximaal toelaatbare blootstellingsniveau uit voorzorg wel rekening gehouden met een extra onzekerheidsmarge. Hoewel cumulatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, hebben de verschillende bestrijdingsmiddelen vaak een ander aangrijpingspunt op het metabolisme van een insect, een schimmel of een plant. In lijn daarmee ligt niet voor de hand dat er sprake zal zijn van (volledige) cumulatieve effecten op het menselijke organisme. Onderzoek naar cumulatieve blootstelling is in zeer beperkte mate beschikbaar, onder meer vanwege de complexiteit van de onderlinge werkingen van de actieve stoffen ook al zou gelden dat voor iedere individuele stof het maximaal toelaatbare blootstellingsniveau niet zou worden overschreden. Het aspect cumulatie kan daarbij worden beschouwd als een aspect dat ook deels de problematiek van blootstelling aan drift overstijgt, aangezien cumulatie een rol kan spelen in relatie tot gecombineerde blootstelling aan tal van stoffen (uitlaatgassen, depositie van industriële bedrijvigheid, uittredende stoffen van bouwmaterialen, voedingsmiddelen, medicijnen, cosmetica, bekleding, verpakkingen, op 38

RIVM, 2018. Cumulative exposure to residues of plant protection products via food in the Netherlands

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 23 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

zichzelf niet schadelijke stoffen die in combinatie met andere stoffen leiden tot verhoogde schadelijkheid etc.). Van belang is hierbij, dat er geen wetenschappelijke consensus bestaat over een aanvaardbaar cumulatief blootstellingsniveau. Op basis van de uitkomsten van de berekeningen met het EFSA-model is wel duidelijk dat de blootstelling aan individuele stoffen ver onder het maximale blootstellingsniveau zullen liggen. Om een indicatie te verkrijgen van cumulatieve effecten, is het niet ongebruikelijk dat maximale blootstellingspercentages worden opgeteld. Voor wat betreft de beschouwde gewasbeschermingsmiddelen blijkt uit tabel 1 dat dit niet leidt tot een overschrijding. In deze context is verder van belang om te beoordelen of toepassing van meer en/of andere middelen dan welke zijn beschouwd, wel zouden kunnen leiden tot een overschrijding. Dit ligt niet voor de hand, aangezien dat zou betekenen dat jaarlijks meerdere middelen die zwaarder doorwegen qua blootstellingspercentage. Sommatie van de in onderhavige situatie onderzochte middelen geeft dan namelijk een overschrijding van de 100%.

Gelet op de omstandigheid dat gewasbeschermingsmiddelen niet in dergelijke hoeveelheid/potentiële schadelijkheid en omvang zullen worden toegepast39, zal cumulatie in deze zin dus niet leiden tot overschrijding van de AOEL voor wat betreft blootstelling aan drift voor kinderen jonger dan 3 jaar maar ouder dan 1 jaar. 5.4.2. Kinderen jonger dan 1 jaar Het EFSA-model biedt niet de directe mogelijkheid om conclusies te trekken voor wat betreft de blootstelling van kinderen jonger dan 1 jaar en ongeboren kinderen. Als voor wat betreft de beoordeelde gewasbeschermingsmiddelen bij wijze van indicatie geen rekening wordt gehouden met opname via de mond en alleen rekening wordt gehouden met blootstelling via inhalatie en de huid, dan is sprake van een ruime marge tot aan de maximaal toegelaten blootstellingsnormen. Hierbij speelt verder een rol dat deze normering is gebaseerd op de inhalatiewaarden van kinderen van 1 tot 3 jaar, dus kinderen met een al grotere longinhoud, ondanks het lagere lichaamsgewicht. Voorzorg Op basis van het EFSA-model kan worden gesteld dat de blootstelling aan individuele gewasbeschermingsmiddelen als gevolg van drift op een afstand van 5 meter uit de perceelgrens van de boomgaard geen onaanvaardbare gezondheidsrisico’s met zich brengt.

Tegelijkertijd is sprake van een onzekerheidsfactor als het gaat om de blootstelling aan gevaarlijke stoffen voor wat betreft mogelijke cumulatieve effecten tussen verschillende gewasbeschermingsmiddelen of andere componenten (o.a. voedingsmiddelen, medicijnen, luchtvervuiling) alsook als het gaat om kinderen jonger dan 1 jaar. Op dit vlak kunnen namelijk alleen indicatieve conclusies worden getrokken. Teneinde uit voorzorg driftblootstelling zo veel mogelijk te minimaliseren, dient te worden gekozen voor het toepassen van aanvullende afscherming. Immers, zoals ook uit de rekenresultaten blijkt, neemt de driftblootstelling niet evenredig af met de toegenomen afstand tot een gewasperceel. 39 Een deel van de gewasbeschermingsmiddelen wordt jaarlijks preventief toegepast. Dit betreft dus een terugkomende behandeling. Een

ander deel wordt slechts incidenteel toegepast indien hier aanleiding voor is, namelijk zodra een bepaalde plaag wordt waargenomen. Er wordt vanuit gegaan dat niet ieder gewasperceel jaarlijks te maken krijgt met alle mogelijke schadelijke plagen. Ook vanuit bedrijfseconomisch perspectief is de minimale toepassing van deze middelen het beste scenario.

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 24 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

Eén en ander laat onverlet dat het bij toepassing van het voorzorgbeginsel gaat om het bereiken van een acceptabele blootstelling: blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen vanwege het wonen in/nabij agrarisch gebied zal nu eenmaal hoger kunnen zijn dan bij het wonen in stedelijk gebied, waarbij een persoon alleen (residuen van) gewasbeschermingsmiddelen kan binnenkrijgen via voedsel. Blootstelling aan drift als een individuele bron van (potentieel) schadelijke stoffen dient in principe teruggebracht te worden tot een maatschappelijk aanvaardbaar gezondheidsrisico, vergelijkbaar met andere individuele gezondheidsrisico’s waaraan iemand kan zijn blootgesteld in zijn of haar al dan niet toevallige woon- en werkomgeving (zoals op het vlak van arbeidsomstandigheden, blootstelling aan uitlaatgassen in de file en dergelijke). Verschil in uitkomsten PRI - EFSA Zoals uit de onderzoeksresultaten blijkt, wordt met het EFSA-model een veel kortere afstand berekend waarbinnen niet langer sprake kan zijn van een overschrijding van de AOEL (5 meter). Extrapolatie op basis van het PRI onderzoek, zoals is gedaan in de rapportage van SPA, laat veel grotere afstanden zien (20 meter). De reden hiervoor is gelegen in de verschillende weging van de blootstelling aan drift.

Het gaat hier om de weging van de mate van blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen voor wat betreft: - Duur; - Frequentie; - Concentratie. Deze weging wordt uitgedrukt als percentiel. EFSA hanteert(/schrijft) een 75e percentiel40 (voor) als het gaat om de risicobeoordeling van blootstelling van omwonenden, aangezien dat representatief is voor blootstelling op de lange termijn. Voor de beoordeling van blootstelling van medewerkers die werkzaam zijn bij toepassing van gewasbescherming, bij oogsten etc. hanteert EFSA het 95e percentiel. PRI corrigeert niet voor deze factor, maar extrapoleert een eenmalige blootstelling naar de acceptabele blootstellingswaarde. Het verschil in afstand heeft kortom te maken met een andere risico-inschatting. Als in het PRI model op vergelijkbare wijze rekening zou worden gehouden met een correctie voor lange termijn blootstelling, dan zal ook dat model uitkomen op kortere afstanden die waarschijnlijk vergelijkbaar zijn met die van EFSA. Kortom, zij het met iets andere redengeving (onzekerheden in de modellering en het daaruit volgende voorzorgsbeginsel), worden de conclusies van SPA WNP onderschreven, namelijk dat afscherming noodzakelijk is.

40

Zie Guidance on the assessment of exposure of operators, workers, residents and bystanders in risk assessment for plant protection products (wiley.com) https://efsa.onlinelibrary.wiley.com/doi/epdf/10.2903/j.efsa.2014.3874

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 25 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

6.

Conclusie en aanbevelingen

Algemeen In de context van de vaststelling van het bestemmingsplan “Landelijk gebied Lentsesteeg zuid 2019” heeft een aanvullend spuitzone onderzoek plaatsgevonden naar de blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen door drift vanwege aan het plangebied grenzende agrarisch bestemde gronden waar diverse teelten plaatsvinden, waarvan boomteelt in deze context het meest relevant is. Er is gebruik gemaakt van het EFSA-model om de blootstelling aan drift van een aantal representatieve gewasbeschermingsmiddelen in beeld te brengen. Uit de berekeningen van onderhavig onderzoek blijkt dat conform EFSA bij een afstand van 5 meter uit het gewasperceel wordt voldaan aan de maximaal acceptabele blootstellingsnormen voor individuele middelen. Op kortere afstand dienen in ieder geval beperkingen te worden gesteld aan regulier menselijk verblijf. Het plangebied is evenwel aanwezig op een grotere afstand dan 5 meter tot het gewasperceel. 6.1.1. Afstand tot het plangebied De minimale afstand tussen het gewasperceel en de woonbestemming bedraagt 25 meter. Deze afstand is ruim groter dan de afstand vanaf waar er geen overschrijding van de maximaal acceptabele blootstellingsnormen plaatsvindt.

In principe kan dus worden geconcludeerd dat er op basis van de afstand tussen het gewasperceel en het plangebied, waar de bewoning plaatsvindt, sprake is van een ruimtelijk aanvaardbaar woon- en leefklimaat met oog op de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen binnen de boomgaard. 6.1.2. Driftreducerende technieken Zoals beschreven in paragraaf 5.1, gaat het EFSA-model uit van een driftreductie van 50% ten opzichte van de in Nederland geldende verplichting van minimaal 75% driftreductie. De getoonde resultaten in paragraaf 5.3 zijn dus overschattingen (worst case berekeningen). De feitelijke maximaal acceptabele blootstellingsnormen vallen dus lager uit. Bovenstaande overschatting van het EFSA model onderstreept de conclusie van paragraaf 6.1.1 dat er vanaf een afstand van 5 meter geen overschrijdingen van de maximaal acceptabele blootstellingsnormen plaatsvinden. Voorzorg Uit voorzorg, met name vanwege het aspect cumulatie en blootstelling van kinderen, wordt geadviseerd om tussen de woningen/tuinen en de boomgaard aanvullend afschermende maatregelen te nemen, bijvoorbeeld in de vorm van de reeds in het bestemmingsplan opgenomen windhaag, welke gerealiseerd dient te worden in de genoemde agrarische bestemming. Voor deze haag (vanggewas/groensingel) zou evenwel moeten worden uitgegaan van de volgende eigenschappen: - Bladsituatie: Wintergroen, niet bladverliezend.

Vanwege de omstandigheid dat ook sprake kan zijn van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen buiten de volbladperiode (m.n. bestrijding van schimmels) dient hierbij te worden gekozen voor een niet bladverliezend (wintergroen) vanggewas. - Hoogte: 7,00 meter, conform de rapportage SPA (idem de optie de haag te combineren met een grondwal, zo lang de gezamenlijke hoogte op 7,00 meter uitkomt). - Dichtheid: Optische dichtheid van 80-100%.

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 26 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

Vanwege de afstand tot het gewasperceel zal de haag een zodanige dichtheid moeten hebben dat luchtstromen door de haag maximaal worden afgeleid waardoor eventueel in de lucht aanwezige drift naar boven wordt afgeleid en daar optimaal zal verdunnen. Een hogere optische dichtheid zal Er wordt gesteld dat de vereiste 75% driftreductie van de haag plaatsvindt bij een optische dichtheid van 80%. Een dergelijke dichtheid is aanwezig als de haag niet doorzichtig is, dus dat objecten aan de andere zijde van de haag mogelijk nog kunnen worden waargenomen, maar niet kunnen worden herkend. Daarnaast geldt dat de windhaag op verdere afstand dan de perceelgrens meer als doel heeft om te dienen als scherm dan als filterende haag, waardoor een (optische) dichtheid groter dan 80% de blootstelling aan schadelijke stoffen zal verminderen. Bovenstaande eigenschappen zijn hieronder onderbouwd. 6.2.1. Aanvullend PRI-rapport (2015) Uit een recenter onderzoek van Plant Research International (PRI) en Praktijkonderzoek Plant en Omgeving – sector Fruit (PPO)41, ten opzichte van de onderzoeken van PPO die beschreven zijn in de spuitzone-onderzoeken van SPA, wordt de invloed van windhagen op drift beschouwd.

Drift wordt hierbij gedefinieerd als “de hoeveelheid spuitvloeistof die tijdens de bespuiting tot buiten het behandelde perceel komt als gevolg van wind- en luchtstromingen” en wordt gemeten als driftdepositie (op de grond) en als drift naar de lucht (middels driftmasten). Er wordt geconcludeerd dat een windhaag in de volblad boom situatie zorgt voor een grotere driftreductie dan een kale boom situatie. In de volblad situatie is vervolgens de dichtheid van de haag bepalend voor de mate van driftreductie, waarbij een grotere dichtheid zal leiden tot een grotere reductie. Bladverliezende plantensoorten zullen dus in de periode zonder blad zorgen voor een afname van de driftreductiecapaciteit. Om dergelijk bladverlies te ondervangen, wordt wintergroene / bladhoudende vegetatie aangehouden om het effect van de volblad boom situatie het gehele jaar door te hebben. De benodigde hoogte van de windhagen wordt in dit PRI-onderzoek niet nader beschouwd, behalve een verwijzing naar een eerder uitgevoerd onderzoek. Dit eerder uitgevoerde onderzoek realiseerde een driftreductie van 90% in de volblad situatie, waarbij de hoogte van de windhaag ongeveer 1 meter hoger was dan de fruitbomen. 6.2.2. Dichtheid en luchtdoorlatendheid Het effect van windhagen op de perceelgrens met een gewasperceel berust op de filterende werking van het bladerdek.

Een windhaag dient dus een bepaalde dichtheid te hebben om enerzijds luchtdoorlatend te zijn en anderzijds voldoende drift te kunnen opvangen. Deze filterende capaciteit is afhankelijk van de plantensoort: een coniferenhaag is bijvoorbeeld dichter dan de open elzenhaag en zal daardoor meer reductie geven41. Een te hoge dichtheid zorgt echter voor een afname in de filterende werking, doordat er niet voldoende lucht door de haag kan stromen42, 43. Dit kan ertoe 41

Zande, J.C. van de en M. Wenneker, 2015. Driftblootstelling van omstanders en omwonenden door boomgaard bespuitingen. Wageningen, the foundation Stichting Dienst Landbouwkundig Onderzoek. Plant Research International, Wageningen UR (University & Research centre), PRI-rapport 609. 68 blz.; 7 fig.; 20 tab.; 53 ref. 42 Felsot, A. S., Unsworth, J. B., Linders, J. B., Roberts, G., Rautman, D., Harris, C., & Carazo, E. (2010). Agrochemical spray drift; assessment and mitigation—A review. Journal of Environmental Science and Health Part B, 46(1), 1-23. 43 Mercer, G. N. (2009). Modelling to determine the optimal porosity of shelterbelts for the capture of agricultural spray drift. Environmental modelling & software, 24(11), 1349-1352.

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 27 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

leiden dat de wind niet door de haag blaast en daarbij drift in de vorm van druppels deponeert, maar druppels juist over de haag transporteert welke dan juist op grotere afstand neerslaan. De dichtheid van een windhaag kan worden gemeten als de optische dichtheid. De optische dichtheid kan worden gemeten door het bepalen van de optische porositeit: de zichtbaarheid achter/door de haag oftewel de som van de “gaten” in het bladerdek. Dit kan worden gemeten met behulp van een digitale camera, een witte doek achter de haag en specifieke (analyse)software44. Ook de methode van PPO kan gebruikt worden om de optische dichtheid te bepalen, zie bijlage STAB-1.2 (STAB-41104, d.d. 18-03-2021). In het PPO-rapport van 2004 staat beschreven dat de vangcapaciteit van bladeren groter is dan de vangcapaciteit van stammen en takken. Eenzelfde optische dichtheid kan hiermee zorgen voor een grotere dan wel kleinere driftreductie. Bij wintergroene vegetatie is dit echter geen relevant punt, daar het altijd om de situatie met bladeren zal gaan. Hoewel voor de hand ligt dat er een verband is tussen de mate van optische dichtheid en de driftreductiecapaciteit (zie PPO-rapport van 2004 alsmede het genoemde onderzoek van Lazzaro uit 2008), zijn hier geen cijfermatige verbanden aan te geven.

De waarde van 80% kan in dit geval als indicatieve meetwaarde gebruikt worden voor de effectiviteit van windhagen direct op de perceelgrens van de boomgaard. 6.2.3. Afstand: aerosolen en luchtwallen Het effect van windhagen wordt in de verscheidene onderzoeken beschouwd wanneer deze direct naast de perceelgrens dan wel (enkele meters) naast de laatste bomenrij zijn geplaatst. De werking van een dergelijke haag komt erop neer dat de haag de luchtstroom (wind) doorlaat en drift in de bladeren en takken wordt afgevangen. Een dergelijke haag dient voldoende open te zijn om averechtse effecten te voorkomen, namelijk dat de luchtstroom juist over de haag heen slaat en drift daarmee juist over grotere afstand transporteert. In de situatie van de Lentsesteeg zal de windhaag evenwel op minimaal circa 8 meter (afstand tussen de agrarisch bestemde gronden aan beide zijden van de Lentsesteeg) tot maximaal circa 15 meter (afstand tussen de agrarisch bestemde gronden aan de Lenstesteeg 2 en de beoogde woonbestemming aan de Lentsesteeg 13/15) vanaf de perceelgrens van het gewasperceel (kunnen) worden geplaatst.

Op deze afstand zal de drift vooral bestaan uit aerosolen/dampen, zoals blijkt uit de resultaten van de EFSA modellen (een groter deel van de totale AOEL bestaat op grotere afstand uit “spray drift” ten opzichte van “vapour” en “surface deposits”) en zoals ook blijkt uit onderzoek41, 44. Op deze locatiespecifieke afstand zal een (open) windhaag dus minder effect hebben dan in de beschreven onderzoeken, doordat druppelvormige drift bij toenemende afstand voor een steeds groter deel gedeponeerd wordt en drift in de vorm van dampen en aerosolen niet of nauwelijks afneemt. Een windhaag zal op deze afstand echter nog wel een positief effect hebben op de blootstelling aan de gewasbeschermingsmiddelen in de vorm van aerosolen/dampen, mits wordt gekozen voor een andere configuratie:

44

Lazzaro, L., Otto, S., & Zanin, G. (2008). Role of hedgerows in intercepting spray drift: Evaluation and modelling of the effects. Agriculture, ecosystems & environment, 123(4), 317-327.

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 28 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

Een dichte windhaag kan enerzijds zorgen voor de opstuwing van de lucht en anderzijds voor turbulentie die ontstaat wanneer de lucht afgeremd wordt door de vegetatie. Dit zal eraan bijdragen dat in de lucht aanwezige dampen en aerosolen voor een deel op veel grotere hoogte over de tuinen en over de woningen zal verwaaien en dat de concentratie schadelijke stoffen daalt door de turbulente menging van de met drift belaste lucht en schone achtergrondlucht45. Op leefniveau betekent dit een lagere blootstelling aan de schadelijke stoffen. Kortom, gewasbeschermingsmiddelen hebben op deze afstand met name hun negatieve gezondheidseffecten via inademing van de aerosolen. Ondanks dat de windhagen slechts beperkte remming bieden aan deze kleine aerosolen, zal een dichte windhaag zorgen voor een verbeterd leefklimaat. In dit geval zal een windhaag met een zo hoog mogelijke dichtheid zorgen voor een lagere blootstelling aan schadelijke stoffen, doordat een dichte haag voor meer opstuwing en meer turbulentie kan zorgen. Een windhaag met dergelijke dichtheid kan in ieder geval worden bereikt door de keuze in plantensoort(en) (i.e. plantensoorten die van nature dichter zijn zoals bijvoorbeeld het geval is bij coniferen zoals Thuja en Leylandii).

Verder kan worden gedacht aan toevoeging van een tweede bomenrij in de haag (de tweede haag vangt (een deel) op wat de eerste haag doorlaat) en/of het realiseren van een dikkere haag (hoe dikker men de haag kan uitgroeien, hoe meer bladeren, stammen en takken en dus hoe dichter de haag in totaliteit). Op deze wijze kan een haag met een zo hoog mogelijke dichtheid worden vorm gegeven. Omwille van een landschappelijke inpassing kan een dergelijke haag worden gecombineerd met gebiedseigen soorten overeenkomstig de opzet waarvoor is gekozen in het vastgestelde bestemmingsplan. Verwezen wordt naar figuur 5.

Figuur 5: combinatie dichte haag met landschappelijke inpassing 45

Van Blokland, G., Hooghwerff, J., & Tollenaar, C. (2009). Impact of screens on air quality. Final report of a study on the performance of (sound) screens on the air quality along highways; Invloed schermen op de luchtkwaliteit. Eindrapport onderzoek naar de werking van (geluids) schermen op de luchtkwaliteit langs snelwegen. Weliswaar heeft dit onderzoek betrekking op dampen en aerosolen afkomstig van het wegverkeer, maar qua fysische eigenschappen van deze dampen en aerosolen vergelijkbaar.

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 29 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

In lijn hiermee kan ervoor worden gekozen om eventuele inlaatopeningen van luchtverversings- en klimaatregelinstallaties van de woningen te positioneren aan de van het gewasperceel afgekeerde zijde. Tijdelijke maatregelen Gelet op de tijd die naar verwachting benodigd is vooraleer het vanggewas een voldoende omvang en dichtheid heeft bereikt, kan in de planregeling rekening worden gehouden met tijdelijke maatregelen. Zo kan worden voorzien in de realisatie van een (gebouwd) scherm tot het moment waarop een haag de vereiste hoogte en dichtheid heeft verkregen. Het is ook een optie om beperkingen te stellen aan het gebruik van de tuinen bij de nieuwe woningen (enkel gebruik als siertuin, geen verblijf in de vorm van terras of speelgelegenheid voor kinderen) totdat de haag is volgroeid. Samenvattend De rapportage van SPA wordt in algemene zin onderschreven, waarbij in aanvulling hierop het volgende wordt geadviseerd. - Realisatie van een groenblijvende haag; - Keuze voor een zo hoog mogelijke dichtheid van de haag (coniferen i.c.m. dubbele bomenrij en/of brede uitgroei); - Aandacht voor positionering luchtinlaten van de nieuwe woningen; - Optie voor het opnemen van tijdelijke regeling in het bestemmingsplan totdat de haag is volgroeid.

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 30 van 31

Spuitzone onderzoek “Landelijk Gebied, locatie Lentsesteeg zuid 2019”

Bijlagen 1) 2) 3) 4) 5)

Berekening op basis van het EFSA-model voor Captan 80 WG Berekening op basis van het EFSA-model voor Switch Berekening op basis van het EFSA-model voor Pediment Berekening op basis van het EFSA-model voor Steward Berekening op basis van het EFSA-model voor Glyfosaat

De tot deze rapportage behorende berekeningen zijn aangeleverd / bijgevoegd als Excel-bestand.

Adromi B.V.

wil/R202199/2201b

Pagina 31 van 31

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Rheden&id=36e223a7-c8d2-4468-badc-6798ab02b58d